15-10-13

DE MUZIEKKAMER

IMG_4657.JPG

Aan ‘De muziekkamer’ – uitgebracht in 1958 maar tijdloos - van Satyajit Ray zou je je toch één keer in je leven moeten overgeven: alles loslaten en je laten betoveren door het wit en het zwart, door de vermoeide, verdoofde, zich van al het aardse loswekende aangezichten (vooral dat van het hoofdpersonage, de zamindar* Roy) en ledematen.  Je laten hypnotiseren door de onwereldse muziek, die uit het verval lijkt te ontstaan, zoals sommige bloemen uit giftige grond - en heel af en toe schoonheid uit lijden. Je maakt dan een mysterieuze reis diep in jezelf naar een ander zelf,  naar ‘iets’ wat je nog niet kende maar er al lang moet hebben liggen sluimeren, in een of ander bloedvat of in een hersencel die met geen enkele scan kan worden opgespoord, en tegelijk zover van jezelf weg als mogelijk is, naar eindeloze ruimte, waar je ook de geur van het Mogolrijk achter je laat, en uiteindelijk het hermetisch wit vindt van Ahabs walvis en van het poeder, op as gelijkend, dat neervalt op de kano van Arthur Gordon Pym.

Als je daarna, weer tot jezelf gekomen, in de spiegel kijkt zie je dat je gelaat de volkomen blankheid van sneeuw vertoont. Dan doe je er best aan een glas rode wijn te drinken en wat met je lijf te bewegen op ‘The Fire Of Love’ van The Gun Club, de songs zacht meeprevelend alsof het duivelse gebeden zijn (wat ze in werkelijkheid ook zijn).  

IMG_4651.JPG

*Samindar: adellijke grootgrondbezitter.

 

12-10-13

HOE HET DAN ALLEMAAL BEGONNEN IS?

van straten 001 (2).jpg

Enkele dagen geleden ben ik van start gegaan met schetsen voor een ‘geestelijke’ genealogie. In het eerste deel behandelde ik August Strindberg en, heel kort, Kurt Cobain. Vandaag wilde ik het over de Duitse schilder Max Beckmann (Leipzig, 12 februari 1884 - New York, 27 december 1950) hebben. Zeker niet in de eerste plaats omdat hij gestorven is in het jaar dat ik ben geboren. Ik besefte echter dat ik die kunstenaar niet zomaar, zonder enige introductie, op het podium kon roepen. Voor mijn verhaal over Max Beckmann zal het om die reden nog even wachten zijn.
moeder-vader.jpg

Hoe zit het met de kunst en de kunstenaars in mijn leven? Hoe ben ik tot de kunst gekomen en hoe de kunst tot mij? Alvast niet via mijn opvoeding, noch thuis noch op school. Mijn ouders waren wat ‘eenvoudige lieden’ wordt genoemd, hoewel hun bestaan verre van eenvoudig wàs. Ze hadden weinig school gelopen; mijn moeder wel iets langer en met betere resultaten dan mijn vader. Op kostschool in Lokeren was zij gedwongen geweest Frans te leren en boeken, zij het met het nihil obstat van de Katholieke Kerk, waren er niet verboden. Mijn vader was de zoon van een arme boerin in de Maasvallei in Limburg: enkele jaren lagere school moesten volstaan om hem klaar te stomen voor het werk op de boerderij of in de koolmijn. Kunst en literatuur behoorden niet tot zijn wereld. Wel was er de volksmuziek van feesten, kermissen, cafés en dancings. Via mijn vader en later mijn broer, zes jaar ouder dan ik, ben ik als een bezetene van muziek gaan houden. (Film was belangrijk voor mijn ouders, en zeker ook voor mijn broer en mezelf, maar als ‘ontspanning’, als ‘vlucht’.)

Op de lagere school werd er niet over kunst gesproken, alleen over de Goddelijke Drievuldigheid, de heiligen in de hemel, Jezus en de Heilige Maagd Maria. In de klas werd gelezen en geschreven en gerekend. Essentieel waren goed gedrag en zeden en Godsdienst. Later, op het Koninklijk Atheneum in Tongeren, waren kunst en kunstenaar bijna scheldwoorden. Ik herinner me leraren die lachten met het werk van Picasso (die ik niet kende, dus zal ik wel meegelachen hebben). Ik herinner me niet één leraar die me interesse voor welke kunstvorm dan ook heeft bijgebracht. Hopelijk laat mijn geheugen me hier even in de steek.

Hoe het dan allemaal begonnen is? Geen idee. Wat ik met zekerheid weet is dat ik door dat gebrek aan opvoeding, door dat afschuwelijke onderricht, nu nog altijd niet in staat ben om over kunst te spreken of te schrijven. Als ik een kunstwerk zie word ik sprakeloos. Er valt geen woord aan toe te voegen. Het werk is er en dat volstaat voor mij. Ik ben ook helemaal niet kritisch ten aanzien van kunst. Wat ik niet mooi vind vind ik niet mooi, wat mij aantrekt en aanspreekt vind ik goed en mooi en soms overweldigend. Ook al heb ik al buitengewoon veel kunst gezien – wellicht, onbewust, om de achterstand van mijn kinderjaren en middelbare schooltijd in te halen – en er voldoende over gelezen, niet alleen biografieën maar ook veel theorie, kunstkritiek, manifesten, esthetica, et cetera, toch blijf ik grotendeels een analfabeet en een idioot inzake kunst.  (Waarbij ik nog een keer wil benadrukken dat ‘idioot’ voor mij geen negatieve betekenis heeft.)

Ik herinner me dat ik toen ik ongeveer zeventien was een stapel monografieën aantrof in een wc op het Koninklijk Atheneum in Tongeren. Pico bello boekjes uitgegeven door De Sikkel te Antwerpen. Op het bovenste deeltje had iemand al enkele druppels urine gemorst. Om ze voor nog meer onheil te beschermen heb ik ze mee naar huis genomen. Toegegeven, ik was toen al verslingerd aan boeken, vooral Zwarte Beertjes vond ik te gek, zeker die van Georges Simenon, Leslie Charteris en Ian Fleming. James Bond was een tijd lang mijn stichtend voorbeeld: zo wilde ik later ook leven! Maar ik las ook nogal veel van wat er in de Reinaert-reeks verscheen, Dostojewski (‘De Speler’), Hendrik Conscience, Ernest Claes, Felix Timmermans en Seu Nai An. De pockets van LJ Veen vond ik al even boeiend, in de eerste plaats die van Edgar Allan Poe, Alexandre Dumas, en Poesjkin. Omstreeks 1966 kregen de Salamanders mij in hun greep, met name Franz Kafka en Louis Paul Boon. Wat een geweldige wereld ging er toen voor me open. En mijn wereld was al zo geweldig, dank zij de popmuziek en de mooie kleren en de meisjes en de vrienden en mijn Bahamontes-fiets en de magische transistorradio en de gele platenspeler en mijn singles en elpees en allerhande tijdschriften over popmuziek en meisjes – en de lange dromerige zomers.

seu nai an.jpg

Ik nam die monografieën mee naar huis. Naast die van boeken en muziek was dit de derde wereld die voor me openging. Dagenlang zat ik gefascineerd de meestal zwart-witte reproducties te bestuderen. Felix De Boeck, Rik Slabbinck, James Ensor, Frans Masereel, Antoine Mortier, Oscar Jespers… Nog een trapje hoger: Gustave Van De Woestijne (ik ontdekte dat hij een broer was van Karel Van De Woestijne, wiens ‘De boer die sterft’ ik had verslonden), Edgar Tytgat (met zijn wonderlijke zigeuners, bruiloften, kermistenten en boeteprocessies) en Leon Spilliaert (zijn zelfportret uit 1907 sloot ongetwijfeld aan bij de sombere gemoedsstemmingen die zich soms, ’s nachts, van me meester maakten, stemmingen die ik ook terugvond in de verhalen van Edgar Allen Poe.) Bovenal hield ik van het werk van de nu wat vergeten kunstenaar Henri van Straten. In zijn  houtsneden herkende ik zowel mijn milieu, dat van de binnenscheepvaart en de haven van Antwerpen, als dat van Louis Paul Boon. Bovendien kon ik heerlijk fantaseren bij zijn vele blote meisjes. Het boekje uit 1955 is nog altijd in mijn bezit.  In het voorwoord van Frank Van Den Wijngaert lees ik dit: “Henri van Straten was een niet alledaagse verschijning. Slank en lenig, gaf zijn wijdbeense, deinende gang, gepaard aan zijn donkere huidskleur, gitzwarte haren, dito ogen en scherp getekend profiel hem veeleer het uitzicht van een uitheems zeeman die vele oceanen had bevaren, dan van een geboren en getogen Antwerpse landrot aan wiens rasecht accent zich trouwens niemand zou bedrogen hebben.”

En weet je wat: al die mooi uitgegeven monografieën behandelden Belgische kunstenaars. Ik vermoed derhalve dat mijn liefde voor de kunst in een toilet van het Koninklijk Atheneum Tongeren is begonnen en dat de auteurs van de De Sikkel-boekjes mijn eerste leermeesters waren.

kafka 001.jpg

In volgende stukjes zal ik het over de kunstenaar par excellence Max Beckmann hebben, maar ook eerst nog over de rol van de televisie als educatief medium; een korte periode van dwepen met Salvador Dalí; pop art; het symbolisme; het surrealisme; Nicolas de Staël; Malevitsj en het suprematisme; 1973 en Europalia Groot-Brittannië; William Blake; William Turner, Francis Bacon en mijn onderdompeling in de Antwerpse kunstscène aan het eind van de jaren ’70. Wat daarna volgt kan moeilijk nog genealogie worden genoemd.

...

Illustraties:

Boven: La Java, van Henri van Straten, uit de gelijknamige monografie, uitgegeven door De Sikkel, met een voorwoord van Frank Van Den Wijngaert.
Midden 1: Mijn ouders, vroege jaren '50.
Midden 2: Seu Nai An, De Chinese Rovers, Reinaert-Uitgaven, Brussel 1962, Zedelijke kwalificatie IV-V.
Onder: Franz Kafka , Een hongerkunstenaar en andere verhalen, Salamander, Amsterdam, 1969.

26-09-13

WAAROM IK SOMS LIEVER NIETS MEER SCHRIJF (2)

Giorgio-Morandi-La-strada-bianca-1939-olio-su-tela-36-x-43-cm-collezione-privata..jpg

Het zou me maar eens moeten overkomen dat ik het volgende zou beweren:

“De essentie van Morandi is dat er meer is dan wat het oog kan zien. Een verstilling die moeilijk te grijpen is.”

Of:

“Zelfs in tijden van oorlog, militarisme en nationalisme is het werk van Morandi boven alles menselijk en staat het boven elk conflict.”

Fijnbesnaarde uitspraken van Paul Dujardin, directeur-generaal van het Paleis voor Schone Kunsten, Brussel, in het voorwoord van de catalogus ‘Giorgio Morandi – Een retrospectieve’, uitgegeven naar aanleiding van de schitterende tentoonstelling in het genoemde Paleis, een anachronistisch labyrint van Baron Horta.

Wat beweert Paul Dujardin in feite? Misschien zijn z’n woorden enigszins overbodig? De essentie van Morandi… Is dat niet de essentie van ongeveer alles, in zoverre wij aannemen dat er een essentie is. Neil Young zong het al in 1979: ‘There’s more to the picture than meets the eye’, in ‘Hey Hey, My My’, een haast wanhopig lied over rock & roll, maar tegelijk ook bijna een manifest: dat zo door sommige intellectuelen verguisde muziekgenre – zeker in die dagen - is nog wel wat anders dan ‘Hey Hey, My My’, zegt Young, luister maar eens, er zit veel meer onder de oppervlakte dan je denkt.

Zelfs als we niet aannemen dat er een essentie is, is er toch nog altijd meer in alles om ons heen en in onszelf dan wat het oog kan zien.

Het werk van Morandi zou boven alles menselijk zijn. Maar wat is daar zo bijzonder aan? Ben ik geen mens, ben jij geen mens, zijn we niet allen menselijk? Het komt erop neer dat al het menselijke menselijk is, al te menselijk soms, zou je kunnen zeggen. Ook datgene wat onmenselijk wordt genoemd, moord en doodslag, martelingen, genocide, het is allemaal menselijk.

Bovendien kan ik moeilijk aannemen dat Morandi’s oeuvre, hoe vredig en tot stilte en contemplatie aansporend ook, boven elk conflict staat. Zelfs in Hollywood weet men dat conflict de mens bepaalt. Zonder conflict, contradictie, paradox, dialectiek, tegenstelling, ja, zelfs oorlog, bestaat er geen menselijke werkelijkheid, geen geschiedenis, geen cultuur. Het conflict in onszelf is zo sterk dat het ons kan verlammen, ons naar de dood kan doen verlangen of ons kan aanzetten tot het creëren van al dan niet grote kunstwerken. In sommige van die kunstwerken wordt het conflict opgeheven. Dat gebeurt in de beste werken van Morandi. Daarom spreken ze ons zo aan. Maar betekent dat dan dat de kunstenaar boven het conflict verheven is? Ik geloof het niet. De kunstenaar bevindt zich middenin het conflict, in een oorlogszone. De zone waar liefde en haat elkaar begroeten, oorlog en vrede, lust en afgrijzen, pijn en extase, materie en denken, genot en ontbering, honger en vraatzucht, vreugde en verdriet. En uit die zone komt hij dan tevoorschijn met een ‘landschap’ en een ‘stilleven’ dat ons, als we het tot ons laten doordringen, de adem beneemt. Maar zelfs dan bevinden wij ons ook nog altijd in diezelfde zone. Gelukkig weten we het niet steeds. Sommigen weten het nooit en leven er maar op los.

De catalogus is overigens bijna net zo aantrekkelijk en bevat bijna evenveel voedsel voor de ziel als de werken van Morandi zelf.

...

Afbeelding
Giorgio Morandi, La strada bianca, 1939, olio su tela, 36 x 43 cm, collezione privata.


02-08-13

HUID VAN DE WERELD

anselm kiefer hamburger bahnhof.jpg

Vandaag ging het van laag naar hoog, of was het omgekeerd? Stemmingswisselingen… Eerst, nog voor zonsopgang, heb ik van Anselm Kiefers loden boeken de betekenis achterhaald. Of op zijn minst een van hun betekenissen.

De loden boeken zijn er om in de toekomst te worden gelezen: tussen hun pagina’s zitten foto’s van de huid van de wereld. De huid van de wereld vanop een redelijke hoogte aanschouwd. De klassieke fotograaf die vanuit zijn raam foto’s maakt van de passanten is geheel voorbijgestreefd, en tegelijk is Kiefers manier van naar de wereld kijken daar een metamorfose van. Vreemd dat Schopenhauer reeds de wonden en de littekens en de uitslag (schurft, pokken, pestbuilen) van de wereld, van de aarde zag: dat waren de mensen. Keek Schopenhauer door de ogen van Anselm Kiefer of is het toch vice versa? Lood is een buigzaam en corrosiebestendig materiaal. De foto’s van de huid van de aarde zitten veilig opgeborgen in de loden boeken. Maar langdurige blootstelling aan lood veroorzaakt wel dementie. De lezers van de loden boeken zullen beschermende kleding moeten dragen. Ik stel me ze als Buzz Aldrin en Neil Armstrong voor: veel verder reikt mijn verbeelding in dit opzicht niet.

Daarna heb ik een ‘geheim’ van Hölderlin en Nietzsche ontsluierd. Geheim – met daarin ‘heim’, het Limburgse en Duitse woord voor ‘huis’. We kennen in het Nederlands ook nog ‘heem’ en ‘heimwee’ en heel wat samenstellingen met ‘-heem’ en ‘hem’, vooral plaatsnamen.

Je bent thuis waar je woont, in wat je bekend en vertrouwd is, én in den vreemde. Je kunt het ook ‘het vreemde’, het ‘onbekende’ noemen. ‘Het vreemde’ is tegelijk datgene wat je in je armen sluit en een veld vol dode mensen.

Anselm Kiefer, Hölderlin, Nietzsche, daarna Tim Buckleys ‘Blue Afternoon’ en dan is alles goed. Zoals het moet zijn. Huid van de wereld en melancholie. Naast me de slapende vrouw die ik ken en niet ken.

Excentrieke mensen leven langer, las ik vandaag. Dan maar hopen dat ik erg excentriek ben. Maar wat is dat eigenlijk, excentriek?

Het is goed Antwerpen lief te hebben en gelijktijdig de stompzinnigheid van deze stad te haten. De snordragende burgemeester met zijn Rubensobsessie en de sigarenrokende schepenen en magistraten.  Symbolen van een volledig achterhaalde, bijna 19de-eeuwse burgerlijkheid. Gelukkig heb je toch toch ook altijd de anderen, zoals Luk Perceval. Ze hoeven niet eens excentriek te zijn. Hij kent me niet en ik hem ook niet maar ik heb desondanks het gevoel dat ik veel met hem gemeen heb. Tsjechov schrijft over Rusland. Voor Perceval ligt dat in Vlaanderen, en dat klopt. Het vreemde is tegelijk datgene wat je in je armen sluit en een veld vol doden.

Alle stekelige mensen zullen binnenkort deze stad moeten ontvluchten, of zich te pletter zuipen, of zich in vuile wc’s vol spuiten met het gif dat uit de corrupte haven komt. Dat is het lot dat ons te wachten staat, ons stekelige en excentrieke mensen. Of kan het tij van haat en angst voor het andere en van conformisme worden gekeerd?


Tot hier een – bijgeschaafde - dagboeknotitie van 1 februari 1991. Vijf maanden later zou ik naar Brussel verhuizen, waar ik nu nog altijd met enige tegenzin woon. Ik zal me wel altijd en overal een banneling voelen.


...

Foto: loden boeken van Anselm Kiefer in het Hamburger Bahnhof in Berlijn, 16 augustus 2008. Foto: Martin Pulaski. 

16-07-13

EEN MIDDAG IN HET TER KAMERENBOS

IMG_0686.JPG

Ze is nog eens op visite geweest. De muze. Ik weet niet hoe dat met vrouwen zit, maar voor mij is de muze altijd een vrouw. De muze hing aan een stevige tak, die zich over het donkere water in de grote vijver van het Ter Kamerenbos boog. Zo leek het alleszins, want goed kon ik haar niet zien; misschien zat ze er wel op, als een amazone. Want aan een tak hangen lijkt me wat ongewoon voor een muze. Verliefde stellen in roeibootjes konden hem moeilijk ontwijken. Sommigen, kussend en ver weg van deze wereld, raakten verstrikt in de kleinere, groenere takjes, maar gaven daar niet om.


Dat zij de muze zagen of hoorden betwijfel ik. Ik wel, ik zag haar en hoorde haar fluisteren. Was ze er niet voor mij verschenen? Maar ik dwaalde af. Misschien verlangde ik ernaar om ook in zo’n bootje te zitten, verstrengeld met een geliefde; ik weet het niet. Zomaar, zonder reden, dacht ik opeens dat ze moe was. Ze moest dringend gaan rusten. Neen, ze was al in slaap gevallen. Daarom keerde ik haar de rug toe, en de verliefde stelletjes in de boten keerde ik ook de rug toe.


Ik geloof nu dat ik dat niet had mogen doen. Ze had me stellig nog wat rudimentaire, maar rijkgeschakeerde woorden toegefluisterd. Vruchtbare grondstof voor stevige bloemen – noem ze bloemen van het kwaad, of wat je maar wilt. Het is echter moeilijk om lang bij de muze te blijven – en afstand te houden, want zoals ik al zei: ze is altijd een vrouw, en ik heb haar nooit in een andere gedaante gezien dan in die van een buitengewoon aantrekkelijke vrouw. Sommigen beweren echter dat zij vaak, of bijna altijd, een belle dame sans merci is, of een femme fatale. Dat is heel goed mogelijk. Maar elke regel kent uitzonderingen. En als het hier dag is, is het ergens anders nacht.


Die nacht, nadat ik als een prairieroos na een hete dag, in slaap was gevallen vertelde een oude vriend uit Baarle-Nassau me dat een dichter die me zeer dierbaar is, iemand die ik al sinds 1975 bewonder en als een voorbeeld zie, in zijn jeugd antisemitische pamfletten heeft geschreven. Ik was geneigd hem te geloven. In zijn stem klonk overtuigingskracht en hij beweerde dat hij het kon bewijzen. Hoe kon ik zijn laster, want ik voelde meteen aan dat het ook dat was,  verzoenen met het verheven beeld dat ik al zo lang van hem heb? Ik nam me voor die aantijging uit mijn memorie te bannen. Nooit zou ik die vriendschap met jou – door wat dan ook – laten aantasten Wat later vroeg iemand me wie mijn favoriete vrouwelijk dichter is. Ik wilde meteen het antwoord geven, maar haar naam ontsnapte me. Iedereen weet dat je schuldig bent als je geen antwoord geeft… De naam Emily Dickinson.


Wat had ik die droom zo graag niet gedroomd! Ik geloof dat ik nooit van die laster zou hebben gehoord als ik de muze daar in het idyllische Ter Kamerenbos niet de rug had toegekeerd.


...

Foto: Martin Pulaski, 20 juli 2005. 

21-03-13

EEN ZACHTAARDIGE HOND

De voorbije nacht had ik niet een vriend meer, alleen maar vijanden. Ze zaten achter me aan, wilden me dood. Maar op het moment van mijn grootste wanhoop en diepste verdriet kwam een zachtaardige hond me tegemoet. Ik zag meteen dat hij beter was dan alle mensen die ik als mijn vrienden had beschouwd. Voortaan bleef hij bij me, zodat ik mijn weg vond en niet meer alleen was. En zodat ik een uitweg vond uit de donkere nacht van mijn ziel. All in a dream, all in a dream.

Ik ontwaakte met tranen in de ogen, eerst. Dat gebeurt soms. Tranen van verdriet, maar meteen al troost biedend, om een vooralsnog onduidelijke reden. Of toch wel. De droom was geen nachtmerrie: de zachtaardige hond was een te sterke aanwezigheid. De hond was een metafoor voor ik weet niet precies wat. Een mens kampt in zijn leven met talloos veel problemen. De hond bood een uitweg, een oplossing. Maar het is nu aan mij om die een andere, menselijke gestalte te geven.

Na het noteren van deze droomresten dacht ik onwillekeurig aan polaroids van Andrej Tarkovski. Vooral door de zachtaardige hond. Maar ook door de hele sfeer van eenzaamheid, van mysterie, van de sterke tegenwoordigheid van een oplichtende natuur. In de wereld die Tarkovski in zijn beelden oproept zou ik graag rondzwerven, maar niet al te lang. Zoals Hans Castorp ook niet te lang op de Toverberg mag vertoeven. Op een dag moet je terug naar de ‘gewone’ wereld, naar je vrienden, familie, relaties, naar wat Menno Ter Braak ‘het carnaval der burgers’ noemde.

Hieronder een selectie van polaroids uit ‘Lumière Instantanée’, een boek waarin de cineast zijn foto’s zelf op de hem in al wat hij doet zo eigen manier becommentarieert.

tarkovsky_polaroids_05.jpg

tarkovsky_polaroids_04.jpg

tarkovsky_polaroids_07.jpg

tarkovsky_polaroids_10.jpg

Alle foto's: copyright Andrej Tarkovski

07-02-13

AAN DE OVERZIJDE

alfredkubin.jpg
Alfred Kubin, Waanzin.

Het ‘fantastische’ blijft in het vacuüm van mijn onbewuste opgesloten. ’s Nachts in mijn dromen en nachtmerries kan het van zich laten horen. Soms herinner ik me er flarden van. Het is een kwestie van oefening. Vroeger hield ik een nachtboek bij. Dat stond na een tijd vol fantastische verhalen: fragmenten van dromen. Ik ben ermee opgehouden omdat ik liever in de realiteit leefde, tussen echte mensen, wandelend in de schaduw van echte bomen, met aan de horizon echte bergen, en dichterbij het ruisen van een echte rivier. In mijn armen wilde ik een echte vrouw houden. Haar wilde ik kussen en nog veel meer. 


Maar inmiddels voel ik me weer verleid door die andere wereld, aan de overzijde, een werkelijkheid waar visionaire ontdekkingsreizigers als Edgar Allan Poe, Alfred Kubin, Gustav Meyrink en Henri Michaux me ooit hebben verwelkomd.

31-01-13

EEN WERELD ZONDER DICHTERS?

2012_11_PORTO_VOLLEDIG 195.JPG

Regen. Martin Pulaski, november 2012.

 

'Schaf het stadsdichterschap af en engageer deze schrijvers om nieuw inzicht te geven in de geschiedenis van de Vlaamse literatuur, in wat zij nu schrijven.’ Dat zijn de woorden van een NVA-politicus in Antwerpen. Stonden gisteren in de Vlaamse ‘kwaliteitskranten’. Het ging over de stadsdichter, een nutteloze functie. Tom Naegels, een schrijver, was van mening dat dichters en hun verwanten teveel ophef maakten over wat onschuldig gewauwel. Kranten publiceren zulk gekwetter om aandacht te trekken, beweerde hij. Verontwaardiging was nergens voor nodig. Tom Naegels zal wel weten waarom kranten gekwetter publiceren: ga maar na. Maar hij vergist zich: verontwaardiging is altijd nodig. En indien niet altijd, nu zeker. De domme uitspraken van de Vlaams-nationalistische politicus lijken een bagatel, en zijn dat misschien ook. Maar soms – er zijn helaas voorbeelden - leidt een bagatel tot een catastrofe.

Alles in dienst van het nut is het uitgangspunt van bepaalde politici, dienaren van bankiers, traders en casinobezitters. Maar we weten dat alles van waarde kwetsbaar is en nooit is het nuttig. Poëzie is niet nuttig, dichters zijn evenmin nuttig. Wat dichters zeker niet zijn: historici van de Vlaamse literatuur. Dichters schrijven en lezen gedichten en zijn kwetsbaar en van geen enkel nut, maar openen werelden. Zij laten zien dat de Vlaamse literatuur Nederlandstalig is, en dat de Nederlandstalige literatuur niet aan een streek is gebonden, maar tot de wereld behoort. Poëzie, in welke taal ook, is een wereldtaal. Ik ben een kosmos, zei Walt Whitman. Hoe zielsveel dichters ook houden van wat hen nabij is (hun geliefde, hun dorp, een stukje touw), het zal nooit hun opdracht kunnen zijn om dat nabije in een vacuüm te plaatsen, om dat nabije als behorend tot een stam, een volk voor te stellen. Wat zij echter in zo’n geval kunnen doen is het nabije met hun woorden openen en het op die manier onderbrengen in het grote geheel. Nuttig is dat niet, maar het heeft ongetwijfeld zin. Het vaderland van de dichter is niet de bodem, maar is het water, de rivier naar de oceaan en in de hoge lucht staat hij met zijn voeten stevig op de grond.

Een wereld zonder gedichten is een ongrond, een afgrond; een wereld zonder dichters is een catastrofale wereld.

11-12-12

MELANCHOLISCHE WARMTE IN PORTO EN ELDERS

porto,vriendschap,gesprek,restaurant,eten,drinken,wijn,lezen,schrijven,nederlands,portugees,guimarães,taal,kafka,joyce,hölderlin,pessoa,horror,western,aki kaurismäki,tavern man,humanisme,zwarte humor,mededogen

Matti Pellonpää in 'La Vie de Bohème', Aki Kaurismäki.

Op een frisse novemberavond in Porto zat ik met mijn goede vriendin Cristina in restaurant Vitoria. Een rustige, aangename plek, die ik op mijn eentje nooit had gevonden. Ik had een immens bord vol lamskoteletten, waar ik niet bijzonder veel zin in had. Maar je kunt toch niet elke dag twee keer vis eten? Het was mij meer om de rode wijn te doen, een lekkere Dialogo – en nog veel meer om het gesprek. Een dialoog met Cristina is altijd een vrolijke gebeurtenis, zelfs al is de ondertoon melancholisch, soms bijna fatalistisch. Alleen al om dat te kunnen meemaken reis ik graag naar Porto. We houden van heel uiteenlopende dingen, maar zijn denk ik toch zielsverwanten. We praten graag over kwalen en ziektes, maar doen dat niet zonder zelfspot en bevrijdend lachen.
Onze gesprekken zijn associatief: zo heb ik ze het liefst. Zowel Cristina als ik lezen weinig auteurs van ‘eigen bodem’.  Welke Portugese auteurs moet ik lezen, vraagt ze zich af. Welke Nederlandstalige auteurs moet ik lezen, vraag ik me af? Wat hebben ze ons te vertellen? Maar verarmt onze woordenschat daardoor niet? En door zoveel Engels te lezen, want dat doen we beiden, ontspoort onze syntaxis misschien wel? Misschien wel, ja. Maar is een arme woordenschat een ramp? Ik heb altijd van de magere taal van iemand als Kafka gehouden. Zijn wereld spreekt me veel meer aan dan die van bijvoorbeeld James Joyce in ‘Finnegans Wake’. En Hölderlins ontspoorde syntaxis, wellicht te wijten aan zijn vertalingen uit het Grieks, maakt zijn poëzie net zo uitzonderlijk.

Door ons niet te verdiepen in de ‘eigen’ literatuur blijft onze taal authentiek; we worden niet beïnvloed door geografisch bepaalde trends en hypes, zielige opflakkeringen van bijna uitgedoofde geesten. Desondanks zullen we altijd beïnvloed worden door wat dieper stroomt, door filosofische ideeën, door globale ‘evenementen’, door gesprekken, door wat ons uit sociale netwerken tegemoet komt. Het zijn onvermijdelijke en misschien wel noodzakelijke invloeden. Tegelijk onderhevig aan de fenomenen die onze tijd bepalen en oneigentijds (“unzeitgemäss”, bij Nietzsche) zijn, daar is het ons om te doen, denk ik.

Tijdens ons lang, intens gesprek hadden we het over angstaanvallen, astma, paniek, horror (‘The Shining’, ‘Rosemary’s Baby’), poezen, hoe je een kat kunt oproken, allergieën, William Burroughs en de beat generation, mijn liefde voor westerns, het verschil tussen ‘linkse’ en ‘rechtse’ westerns (Fred Zinnemans ‘High Noon’ tegenover John Fords ‘The Searchers’: de revolutionaire Jean Luc Godard had een zwak voor de republikeinse, soms racistische John Ford), over geesten, werkelijke en onwerkelijke spoken, de vraag ‘wat is realiteit’, Paul Auster (zijn werk verschijnt eerder in het Nederlands dan in het Engels, zo ben ik gedwongen een meestal niet erg elegante Nederlandse vertaling te lezen), Haruki Murakami (‘Kafka On The Shore’, ‘Norwegian Wood’), ‘Le Rouge et le Noir’, vakanties, reizen, vliegangst, ziekenhuizen, hallucinaties, openbaringen, onthullingen, liefde en het verdriet dat daarmee gepaard gaat, mensen die zich willen dooddrinken (dachten we aan Fernando Pessoa?), hedendaagse kunst, onafhankelijke platenlabels, boeken aanschaffen via internet, de onbetrouwbaarheid van de Brusselse post en Guust Flater.

Cristina vertelde me dat Guimarães, de geboortestad van haar vriend José, culturele hoofdstad van Europa 2012 is. Ze zei dat ze nog niet zo lang geleden de kans had gehad om met Aki Kaurismäki, wiens werk we beiden bewonderen, te praten in een bar in Guimarães. Maar ze heeft het niet gedaan, wellicht uit schuchterheid. Of was het er te druk?
Samen met Manoel de Oliveira, Pedro Costa en Victor Erice was de Finse filmregisseur door de Stichting Cidade de Guimarães gevraagd om een film te maken over het collectieve, historische, geheugen van Portugal (onder de gemeenschappelijke noemer ‘Centro Historico’). Kaurismäki’s bijdrage, ‘Tavern Man’, vertelt het verhaal van een eenzame barman in het historische centrum van de stad. Een typisch onderwerp voor de zwarthumoristische Fin, lijkt me.
Ik heb de film nog niet gezien. Variety schrijft er dit over: “and humanity spreads to every corner of the frame with compassionate, melancholy warmth.” Meer verwacht ik van Kaurismäki niet. Evenmin verwacht ik meer van mijn vrienden, in Portugal, in België, waar dan ook.

 

03-12-12

MISLUKKING EN SUCCES

adjani5.jpg

Isabelle Adjani in 'Possession', Andrzej Zulawski.

Is het geen vorm van zelfbehoud om over je teleurstellingen en vooral over je mislukkingen te schrijven? Anderzijds vraag je je soms af of je ooit wel echt teleurgesteld bent geweest: verwachtte je dan zoveel van het leven, van de dingen, van de andere mensen? Was je uitgangspunt niet al heel vroeg de ontnuchtering en de teleurstelling? En hoe kun je mislukken als je nooit – diep in je hart – succes hebt nagestreefd, als je succes meestal, tenzij in momenten van verblinding en zelfbedrog, als een valkuil hebt beschouwd?

 

Toch waren er die andere, belangrijke momenten. Plotse opflakkeringen van een diep vertrouwen in het goede dat in elke mens op zijn minst potentieel aanwezig is, in zijn aangeboren zin voor rechtvaardigheid en broederlijkheid. Als je heel eerlijk met jezelf bent moet je ook toegeven dat je niet alleen maar behoefte aan succes, aan erkenning hebt gehad in momenten van zwakheid, van koorts, van algemene negativiteit. Dat er ook zulke verlangens de kop opstaken op heldere dagen, als je je goed voelde. De vraag is zelfs of niet elke mens succes en zeker erkenning nastreeft, op welk gebied dan ook. Het is niet eens een vraag.

Je moet over je teleurstellingen en mislukkingen schrijven.  Maar doe je wel iets anders? Verraadt niet elk woord dat je neerschrijft je falen, je ontgoocheling – en, als gevolg daarvan, je verbittering en je eenzaamheid?

Wat beteken dat, falen, mislukken,  een succesvol leven leiden? Misschien moet je andere mislukte levens onder de loep nemen? Maar als die mislukkelingen – je bondgenoten - bestudeerd kunnen worden, zijn ze dan wel mislukt? Wellicht hebben ze buiten hun wil om toch erkenning gekregen, zij het in veel gevallen na hun dood, zoals onder meer Fernando Pessoa. In de jaren zeventig kende nog bijna niemand hem, ook jij niet. Enkele jaren later stond hij al afgebeeld op een bankbiljet van 100 escudo’s. Nu zie je hem, in wapperende regenjas en met hoed op, zich door de straten van alle middelgrote en grote Portugese steden spoeden – waarheen zal altijd een raadsel blijven.

Ja, je schrijft over die bondgenoten om jezelf te behoeden, te behouden, om niet aan eenzaamheid ten onder te gaan, om je niet dood te drinken, of een te hoge dosis morfine te nemen. Om te kunnen volharden in je dagelijks bestaan. Jij hebt je mislukkelingen nodig, richt er schrijnen voor op, zoals de jonge Antoine Doinel* dat voor zijn literaire helden doet. Het is een vorm van broederschap. De mislukkelingen zijn de goede mensen. Degenen die hen niet hebben erkend zijn de slechten. En wat daarna komt is collectief schuldbesef. Waarom hebben we niet eerder ingezien wie er onder ons heeft geleefd? Waarom hebben we hen niet bedankt voor wat ze ons hebben gegeven, waarom hebben we hen niet hartstochtelijk omhelsd, waarom hebben we hen niet onze onvoorwaardelijke liefde gegeven?


*Met name in 'Les quatre cents coups' van François Truffaut uit 1959. Antoine Doinels grote held in dit meesterwerk van de nouvelle vague is Honoré de Balzac. Dat de jonge Doinel een schrijfmachine steelt is ook niet zomaar een trouvaille van de regisseur.

400Balzac.jpg

Jean-Pierre Léaud als Antoine Doinel in 'Les quatre cents coups', François Truffaut.

~~~

Oorspronkelijk gepubliceerd op 29-11-2012. 

AURORA - EEN VERGETEN RUIMTE?

aurora.jpg
Onze kinderen in Ruimte Aurora, Antwerpen 1980.
Foto: Martin Pulaski.

Ik vind het nog altijd vreemd en onterecht dat je via google of andere zoekmachines zo weinig aan de weet komt over het in veel opzichten baanbrekende tijdschrift Aurora, van de gelijknamige filosofische kring. Aan een min of meer objectief artikel daarover waag ik mij niet: het is allemaal te lang geleden en ik ben maar een viertal jaar lid geweest van de redactie. Aurora zag het daglicht in 1976 aan de VUB, toen die universiteit nog geen eigen campus had, wat ik heerlijk vond. De stichter van het tijdschrift was de enigszins controversiële filosoof Leopold Flam, schrijver van talloze filosofische werken, die nog altijd zeer het lezen waard zijn. Stuwende kracht was de eigenzinnige schilder en schrijver Paul Rigaumont. Mijn vrienden en ik zijn Leopold Flam altijd als een mentor blijven beschouwen. 

Het secretariaat van ‘Aurora’ bevond zich niet in Brussel maar in Antwerpen. Spoedig werden in het pand aan de Lange Leemstraat allerlei boeiende activiteiten georganiseerd. Voor mij was dat een aansporing om na het behalen van mijn filosofiediploma en enkele mislukte experimenten met door Antonin Artaud geïnspireerd theater – in ons appartement in Sint-Joost-Ten-Node en in ‘Doorndal’ – naar mijn geboortestad terug te keren. In Ruimte Aurora werd werk tentoongesteld van toen nog onbekende kunstenaars (onder meer Ria Pacquée*, Guillaume Bijl, Guy Rombouts), er werden lezingen gehouden over poëzie, literatuur en uiteraard filosofie; er werden poëzienamiddagen georganiseerd, soms werd er zelfs gedanst.
Wat evenmin zou mogen vergeten worden zijn de talloze gesprekken, vaak een dialoog van kunst en filosofie. Naast het driemaandelijks tijdschrift publiceerde Aurora werk van Leopold Flam, Annie Reniers, Eldert Willems, Eric Min en anderen.


In het tijdschrift verschenen essays, beschouwingen, gedichten, experimentele teksten van bekende en minder bekende auteurs. Ik heb een sterk vermoeden dat er tussen decenniaoud kaf nog heel veel koren aan te treffen valt. Het is de hoogste tijd dat dit werk wordt ontsloten. Het is tevens de hoogste tijd dat Aurora als unieke experimentele ruimte de aandacht krijgt die ze verdient in de cultuurgeschiedenis van dat deel van België dat zich Vlaanderen noemt en zo begaan is met zijn cultureel erfgoed.


*”Na zelf enkele performances te hebben geïnitieerd, solo of in groep, stelt ze in 1977 samen met Guillaume Bijl tentoon in de Filosofische Kring Aurora in Antwerpen. Pacquée presenteert er assemblages met goedkope spulletjes die ze in een supermarkt had gestolen.” Koen Brams, Dirk Püttau, in: De Witte Raaf.
~~~
Oorspronkelijk gepubliceerd op 24-11-2012. 

17-07-12

STOCKHOLM

P1060210.JPG

Stockholm, juni 2012. 

 

Om te kunnen leven in je stad wordt je herinnering aan een vorige stad uitgewist. De ene stad na de andere verdwijnt uit je geheugen. Hoe meer steden je bezoekt, hoe meer je er vergeet. Kerken, kathedralen, kapellen, bibliotheken, musea, rivieroevers, kanalen, pleinen, straten, stranden, cafés, restaurants, spelende kinderen in voor jou ongewone klederdracht, fabrieken, minaretten, duiven, halfdronken tooghangers die traag met hun hoofden bewegen op het droeve tempo van ‘Caroline, No’, vermoeide stierenvechters, kaartspelers, meisjes in hun blote kont, roze flamingo’s, straatmuzikanten, cocktails, busritten, hittegolven, zomerfestivals, afbladderende gevels, vleermuizen, kakkerlakken, kampvuren in barokke parken, zonsondergangen, getijden, sterrenbeelden, dat alles vergeet je. Dat alles ben je vergeten. Om te kunnen leven in je stad wordt je herinnering aan een vorige stad uitgewist. Van Stockholm blijft niets over. Helemaal niets. 

AFSCHEID

1895_edvard_munch_jalousie_jealousy.jpg
Edvard Munch - Jaloezie (1895)

Afscheid nemen doet pijn aan het hart van de ziel. Aan het vlees van de ziel. Het is een donkere bedoening, het omgekeerde van een dans. Tijdens een dans benader je elkaar, beweeg je je in de richting van de andere: dansen is het genot van de ziel, het euforische ritme ervan. Zelfs een kleine dans kan wonderen verrichten, terwijl elk afscheid op een vergiftiging lijkt, op de vloek van een zwarte magiër.

 

28-02-12

AAN HET TOEVAL OVERGELATEN / BEELDEN

 

leo dohmen-l' ambitieuse-1958.png
Leo Dohmen - L'ambitieuse

Raymond Depardon - Brigitte Bardot 
Johan Grimonprez – Dial History

Martin Pulaski – Reflection (Rome)
François Truffaut - Domicile Conjugal
Martin Pulaski – Zelfportret met gemaskerde dame
Max Beckmann – Paris Society
Franz Radziwill – Eglise de Wehde en Frise
Joseph Severn – John Keats On His Deathbed
Roger Raveel – Herinnering aan het doodsbed van mijn moeder
Elia Kazan - Baby Doll
Martin Pulaski - Zaafrane (Tunesië)
Martin Pulaski – Reflections (Hotel Room, Umbria)
David Hockney – Man In A Shower In Beverly Hills
Michel Sima – Antonin Artaud
Fotograaf onbekend - Martin Pulaski in hotellobby (Helsinki)
Elvis Presley in Tickle Me
Domenico Di Michelino – Dante e il suo Poema
Leo Dohmen – L’ambitieuse
Harry Heirmans – Exposeert in Parbleu
Valdes Leal – Fin de la gloria del mundo
Martin Pulaski – Shoo-Bop (Building in New York)
François Lamorinière – Het sparrenbos
Yves Klein – Antropométrie (ANT 130)
Béla Utz – Vöröskatonák elöre
Nicolas de Staël – La route
Félicien Rops – Pornokrates
Man Ray – André Breton
Ken Heyman - Marylin Monroe & Arthur Miller,
Panamarenko – Zip Bangalore
Raghu Rai - Satiyajit Ray
Martin Pulaski – Reflections (Santiago de Compostela)
Kunstenaar onbekend - Voeten van de heilige Maagd
Andy Warhol – Jackie
Edward Hopper - Gas 


pornokrates.jpg
Félicien Rops - Pornokrates


Gebruik je verbeelding of google.

24-02-12

PATTI SMITH / JUDY LINN

 

patti smith,judy linn,robert mapplethorpe,sam shepard,fotografie,biografie,autobiografie

Patti Smith door Judy Linn.

Eergisteren in de boekwinkel van het Paleis Voor Schone Kunsten en gisteren in Fnac (twee bijzonder onaangename winkels) bladerde ik in een mooi boek van Judy Linn, 'Patti Smith 1969-1976'. Ik geloof dat ik nooit zulke fascinerende foto’s van de zangeres-dichteres heb gezien. Ik ken Judy Linn niet, maar het lijdt geen twijfel dat zij en Patti Smith vriendinnen waren. De foto’s getuigen stuk voor stuk van een samenzweerderige intimiteit.

patti smith,judy linn,robert mapplethorpe,sam shepard,fotografie,biografie,autobiografie

Patti Smith & Sam Shepard.

Voor wie de meeslepende autobiografie/biografie ‘Just Kids’ van Patti Smith heeft gelezen is dit fotoalbum van Judy Linn een bijna perfecte aanvulling. Maar de foto’s zijn ook zonder het werk van de zangeres een lust voor het oog en een flasback naar de periode uit de titel. 
patti smith,judy linn,robert mapplethorpe,sam shepard,fotografie,biografie,autobiografie

 patti smith,judy linn,robert mapplethorpe,sam shepard,fotografie,biografie,autobiografie

 

17-02-12

MISKEND (HISTOIRE À SUIVRE)

 

georggrosz.jpg

Georg Grosz, Straat in Berlijn, 1931.

In een kleine kunstgalerij in T. had hij, nadat de meeste genodigden waren vertrokken en hij zich voldoende moed had ingedronken, een gesprek met Irina Vega,  een kunstenares die hij bewonderde en die hij zelfs als een vriendin beschouwde, al wist hij niet zeker of dat wederzijds was.  Ze zei dat ze zich miskend voelde.  Je hebt zelf gezien hoe weinig mensen zijn komen opdagen, zei ze. En ze zijn nauwelijks geïnteresseerd in mijn werk. Ze komen voor de chablis, of om elkaar nog een keer terug te zien en herinneringen op te rakelen aan vroegere tijden, toen alles zoveel beter was. Terwijl het zo duidelijk is dat niets beter was en ook niets beter wordt. Je zou eens moeten weten hoe erg ik die onverschilligheid vind. Als ik mijn naam in google intik verschijnt er nauwelijks iets. En dat terwijl ik hier toch tentoonstel. Is mijn werk dan niet goed? Ik ben zelfs jaloers op jou, Martin Pulaski, mijn vriend.

Ach, zei hij, op mij moet je niet jaloers zijn. Ik voel me wellicht net zo miskend als  jij, ook al kom je mijn naam vaker tegen op internet. Is dat trouwens wel zo?  Nu ja, ik ken het gevoel - het doet veel pijn. Vooral als je al die opgeblazen nitwits  in de media en elders bezig ziet, mensen die niets dan onzin vertellen of, erger nog, de wereld lelijk maken met hun zogenaamde kunst - en hoe die dan bewonderd worden, aanbeden zoals vroeger de heiligen... Het is om bitter van te worden. Maar leggen we ons daar bij neer? Zelf heb ik nooit roem gezocht, al schrijft mijn oude vriend Guido me dat ik als achttienjarige altijd in het centrum van de belangstelling wilde staan, en voortdurend door vrienden omringd was. Misschien wilde ik toen wel nog beroemd worden, maar dat is lang geleden. Nu volstaat het dat ik door een paar verwante zielen erkend word. Of dat het geval is betwijfel ik. Ik denk dat jij mijn werk goed vindt. Voor de rest weet ik het niet. Ik heb zogenaamde vrienden, die zelf schrijven en veel lezen, die nooit iets zeggen over mijn gedichten of over wat dan ook van mij. Behalve jij is er maar een persoon die me recent heeft gezegd dat hij mijn werk heel goed vindt, en dat is Marcel. Misschien vergeet ik nu iemand. Ik troost me met de gedachte dat jij er bent. 

De kunstenares  zag er moe en droef uit, maar bleef toch luisteren naar wat een monoloog was geworden. Hij was nu goed op dreef. Dat was uitzonderlijk en kwam doordat hij al lang alleen was. Hij had al weken met niemand meer gepraat. Niets anders had hij gedaan dan gedichten geschreven, wat op facebook rondgehangen en melancholische muziek beluisterd.  Irina Vega maakte grote figuratieve schilderijen. Op veel doeken waren toeristen te zien, die op soldaten leken, terugkerend van het slagveld, zwetend en bloedend, soms verminkt. Haar werk deed hem aan dat van Georg Grosz, Max Beckmann en Francis Bacon denken, maar het was anders, het was van zijn tijd, wrang en lusteloos. De liefde zat – bijna verborgen – in sommige details, een vuurrode bloem, een straatlantaarn op een promenade, een mandoline in de handen van een straatmuzikant. Al de rest was doodstrijd. Hij vond het geweldig en zei haar dat ook. Hij vond het echter bijzonder moeilijk te verwoorden hoe goed hij haar doeken vond en waarom. Alle predicaten die naar het kwalitatieve verwijzen maken een uitgebluste, muffe indruk. Er valt niets origineels te zeggen over een origineel kunstwerk. Het enige wat je kunt doen is stotteren, of een gedicht schrijven.

Wat ons ontbreekt, zei hij, is de gave of de capaciteit om in het daglicht te gaan staan, om anderen ervan te overtuigen hoe goed we wel zijn. We zijn trots en bescheiden tegelijk, en dat maakt ons verdrietig en bitter. Of heb ik het alleen maar over mezelf?

Ik weet niet of ik zo bescheiden ben, zei Irina. En evenmin of ik trots ben. Ik ben vooral moe, uitgeblust, maar dat gaat wel weer over. Je weet dat ik wel vaker van die donkere momenten heb. Eens lekker slapen en ik ben wel weer opgemonterd. En als dat niet helpt moet ik maar gaan dansen. Dansen is het beste medicijn. Dansen en werken. En vooral niet met die twitterende nitwits van jou in mijn hoofd zitten. 

23-12-11

HET VRUCHTBARE SAP VAN DE WERELD

 Andrei-Rublev-Andrei-Tarkovsky.jpg

Andrej Tarkovski's 'Andrej Roebljov'.

De tekst ‘Zwijgen en niet luisteren’, met de foto van Jacques Lacan, destijds eigenaar van ‘L’Origine du Monde’ (1886) van Gustave Courbet, een kunstwerk dat op Facebook nog altijd niet mag worden getoond, heb ik op 20 december teruggevonden tussen oude notities. Een datum stond er niet bij. Ik vermoed eind jaren ‘tachtig. Wat me opviel was hoe weinig ik ogenschijnlijk veranderd ben. Die stilte – die me na al die jaren aan Ingmar Bergman en vooral aan Andrej Tarkovski doet denken - en dat zwijgen zijn er nog steeds. Soms dagen aan een stuk niet kunnen spreken. Een soort geestelijke verlamming.

Psychoanalyse is al lang niet meer in het spel. Destijds had ik die Freudiaanse / Lacaniaanse therapie nodig om het alledaagse te kunnen aanvaarden, om me met mijn eigen alledaagsheid te kunnen verzoenen. Met de banaliteit om mij heen en binnenin mij. Want hoe je je ook tegen een fenomeen verzet, verinnerlijken doe je het toch. In een wereld van dwazen word je op den duur zelf een dwaas.

Toch is er een verschil met de periode toen ik die notitie heb geschreven: ik geloof niet in inspiratie. Ik vermoed dat ik er toen ook al niet meer in geloofde. Het gebruik van dat woord was een automatisme, dat ik om eerlijkheidsreden heb laten staan. In enthousiasme geloof ik wel nog: diep ingaan in de wereld, en de wereld diep bij je naar binnen laten komen. En ik geloof in hard werken. Het belangrijkste echter denk is het zwijgen te boven komen. Je moet spreken en luisteren, soortgenoten, verwante en niet zo verwante zielen ontmoeten, je moet liefhebben. Ik denk dat een kunstwerk, een gedicht alleen uit liefde (eros) - en mededogen - kan voortkomen, of uit zijn tegendeel: afkeer, weerzin; noem het haat. Of heilige verontwaardiging. Alleen liefde maakt je sterk genoeg om een wereld te maken. En haat om een wereld te vernietigen.

Ik las iets treffends in het recentste werk (2011) van Stefan Hertmans, ‘De mobilisatie van Arcadia’: “Schrijven wordt een praktijk, een dagelijkse oefening die het leven bevestigt, door de eigen eindigheid om te zetten in een innerlijke oneindigheid: die van de eindeloze mogelijkheden van de schriftuur. We moeten dus de eigen dood op ons nemen om te kunnen schrijven; niet zomaar de anonieme, indifferente dood, maar de eindigheid die is toegesneden op het eigen leven." 

16-12-11

CYDIA POMONELLA ii

gerhard richter_appelbomen3b.jpg

Gerhard Richter, appelbomen.

 

Sap van appels zijn je oude woorden

als de appels in de boom van je buren

rijp voor de oogst in opgespaarde zomer,

ongeplukt, geur en smaak in de lucht

als huid van onbegrepen vrouwen.

Na zonnige Europese doem in oktober

rotten ze op te weinig bezongen gras,

elke zondag zo zorgvuldig gemaaid.

 

Je denkt als een havik aan David Lynch

zijn trage escapade, een laat weerzien

met broer: wat woorden over vader,

moeder, stoppen met roken, dit en dat.

Omdat ver verwant wat familie volhardt.

 

Je ziet een gedicht: maak ik terzines,

binnenrijm, tel ik afgunstig voeten

als waren het Dante's of van m'n zestien?

 

Wat essentie beweert men zou blijven,

niet van appels, van vrouwen niet. Nee,

van duidelijke woorden. Essentie

van de essentie als het lukken mocht:

op goede voet te staan als gewervelde

met het vruchtbare sap van de wereld.

Dan blijven die kleine druppels nog even

tegen slecht spijsverteren, bloedbaden,

tegen schrik en beven, tegen vergeten.

26-10-11

AFDALING IN DE HEL

tintoretto-descent-into-hell-15681.jpg

                  Tintoretto - Afdaling in de hel  (1568)

21-10-11

ÀNGELS RIBE'S LABYRINT

labyrinth

Àngels Ribé's Labyrint - MACBA, Barcelona.
Foto: Martin Pulaski