24-10-07

OFFERBOOM


Opgedragen aan Tanya Donelly

Vind je nog een nieuwe vriend
om je offerboom te voeden?
In zijn verboden tuin wacht hij
geduldig op je carneolen vruchten,
kruimeldief die wijsheid steelt
uit een paar vluchtige gebaren.

Lichtvoetig, wreed, melancholiek:
je mag vooralsnog zelf kiezen.
Als je maar vers vlees levert
in je kersenrode rok gewikkeld.
Vind je nog een nieuwe vriend
om je offerboom te voeden?

18-10-07

GEHAVEND IN DE HAVEN

Gehavend in de haven

aangekomen

kwam in zijn stekelige hoofd
uit nacht und nebel

het bospad opgedoken.


Weer het ongewisse in

van waar hij ooit gekomen was -

blank, niet vrolijk ongebonden.


Zwijg, zwijg toch

Aletheia

met je mond rood van kersen,

je rode wilde bloemen.


The carter family -

hoe je werd bezongen!

met je mond rood van zonde,

schuchtere zedenleer.


Wandelden zij onder dennenappels

en in de bruine grond waren wormen

en kiemen gekomen.


“Als het graan niet sterft

en jij dit hoofd behoudt

beloof ik de wereld aan je voeten

boomgaarden, eenhoorns,

liefde die niet vergaat.”


In cinema Eden

zaten zij in duister gesluierd

met wapens gewapend

terwijl buiten sneeuw bloedsporen,

voetsporen ondersneeuwde.


De ogen van de winterkoning

lijken wit van woede of van genade.


Zonder reden reed hij de zon tegemoet

een blinde held

met zakken vol geld

en een dode moeder lag neer

op de koude grond van de vorst.


Hij leek een zuigeling,

geeuwde zich in zichzelf terug


De haven van overvloed

als zij haar borsten toont,

stad zonder schaamte

met een man aan de lier

alsof nog iets van zeewier aan wal ging:


op dit eiland zal ik je wachten

je wachten.


Alsof nog iets te bezweren viel

na de laatste dame en boer

met puntschoenen aan, dunne plastron.


Wat nu gezongen, zei hij.

Wat nu gezongen, zei zij.


De wereld is de wereld niet meer.

De wereld is wachten

en zweten

tot het bot bloedt.

10-10-07

DE NACHT VAN DE LEGUAAN

 

O, mijn god, zei ze,

alsof vlees van dieren geen vlees van dieren is,

treurwilgen geen treurwilgen

en orchideeën geen orchideeën zijn

zonder het bestaan van woorden in een boek.


O, roep toch niet de hulp in

van een wrede, seniele delinquent,

brulde de dronken priester

en ik boog mijn hoofd en huilde.


 
Vrij naar Tennessee Williams, John Huston en Richard Burton. 

30-09-07

PORTRET VAN DE KUNSTENAAR ALS BLAUWE ROTTWEILER


Rottweiler1

Variatie op een thema van Dylan Thomas.

Zou jij je hand in de muil van deze kunstenaar durven steken?
Zou je om zijn leven te redden blootsvoets door brandende velden snellen?
Zou je je afwenden van de radio en luisteren naar zijn woest gezongen lied?

27-09-07

NIGHT AND DAY

De nacht. Blijvend duister dat ik keer op keer weer uitdrijf. Donkere zijde. Zwarte wildgroei die ik alsof ik hem zo kan snoeien van mij af schrijf. 

Hier komt de dag. Nu ik mezelf opnieuw boven het witte blad verberg. Noodlotssymfonie die de groezelige daken van deze stad vervloekt. Slenter door de gewelven van de ondergang. Stenen liggen voor het grijpen, edele verharde bomen. Ga! En keer terug met enkele ultieme woorden. Bezing daarmee de vriendschap en de liefde!

Of toch niet? De dag behoort toe aan fantomen die ik de oorlog heb verklaard, al van bij mijn tweede geboorte. Onherroepelijk, omdat ik besta, wil bestaan. Toen al greep ik naar de wapens van pijn en voltrokken gedachten en trok ik ten strijde tegen het leger van knielende dode zielen die mijn kern, de uitspraak van mijn bestaan, negeren.

Te zwak echter om zelfs maar te willen triomferen. En zoals er kunst om de kunst is, is er strijd om de strijd. Want wat hebben hartslag en ademhaling anders voor zin?

13-09-07

STA JE NU STIL EN HOUD JE JE ADEM IN?


Leg de camera neer en houd je adem in,

de vrouwen lopen blootsvoets door het lover,

je ogen ouder dan de tijd

temperen het licht, hun gejubel dempt

het gras en de grond onder hun voeten.

Hoe ze daar zo zijn is voldoende.

Ga niet naar hen,

hun vreugdeloze armen zijn zo schraal

zonder de soundtrack van wat schaarse violen

en een man met een trompet

als van de andere oever vertrokken.

En zou de ochtend niet verloren gaan

bij hen

als de dauw je jas toeknoopt

en overal woorden zingen?


Flamingo’s staan een tijd te duren,

in de verte klinkt een stil gevlecht van zeilen

onder wat nog van donkere wolken rest.


Het is best zo, alleen zijn als een kogel,

als een ruimteveer

naar een onbegonnen planeet vertrokken.


Sta je nu stil en laat je alles bezinken?

Moeders, dochters, achternichten

en de naties van onontgonnen dagen

met hun geklapwiek en gereutel,

hun ontplooien onder het maanlicht.

Al dat verschijnen waar geen rem op staat

en niemand vat op krijgt,

alsof nooit iets ten onder gaat.


Sta je nu stil en houd je je adem in?

28-08-07

OUD TAFEREEL


Witte mannen kwamen uit het Noorden. Vrouwen openden hun vruchten, onbeschaamd, onschuldig als Eva in een schilderij van Tintoretto. De vrouwen dachten dat de helden waren aangekomen. Misschien waren ze wel goden? Want ze kenden de uren en het woord ‘arbeid’, het woord ‘orde’, het woord ‘scriptorium’. Hun huid was wit en week. De vrouwen openden hun armen. De vrouwen openden hun lichamen met hun kostbare vruchten. De mannen echter kenden niet het woord ‘erbarmen’.

03-08-07

VERLOREN TIJD


De regen gaf mij gezang.
De lente romantische tranen.
Waarom dan verdwijnen? Je was alles,
zo lang je me liet. Ik was niet
begaan met de feiten. Schroom
vulde met sneeuw mijn hete mond.
Je bezeerde met je lippen
en je lenden, nee, verminkte
wat op me toekomt. Een lied
waarin je mij blijft verlaten.

14:44 Gepost in Gedicht | Permalink | Commentaren (2) | Tags: regen, romantiek, lied |  Facebook

26-07-07

ALCHIMIE VAN DE OORLOG


Zwarte hemel glimlacht zijn pulp-
verhaal: een en al, guldentranen.
Muziek voor galspuwers glijdt tussen de regels
noot voor noot in het oor.

De danskampioen en zijn schaduw
tellen tot twee, op het groen, op het wit.
Tellen tot twee is van de kunst afzien
op een waterloop te lopen, te lopen.

Drie matrozen, al, glijden zij in rood
gevat onder de driekleur door. Ijzig,
zo zonder gedachten. Zij slachten de camera-
man. Toch niemand die hem ziet.

Vier windstreken raken hun haren niet,
netjes gekamd, zoals zij voorbij glijden, zo,
hun handen gewijd aan het geslacht
of dat van de krijg, zoals ze zich geven, toch.

Bij een vijver liggen vijf, vijftig kinderen
en vliegen, vliegtuigen strijken weer neer.
Lijken pikken ze op, blik, geel en vochtig,
de mannen in staat tot genade, tot zingen.

Leedvermaak en kunstjes leiden tot catastrofes.
Dansers verstarren onder zoveel sterren.
O God, waar zijn de messen van weleer?
De wijsheid en veel vijven en zessen?

03-07-07

BINNENSCHEEPVAART


Henriette op het schip


Een vlaag misthoornmuziek
versmelt met Strawberry Fields
uit een betoverde transistor op het voordek,

loodst je binnen in een ander nirvana
waar schippers zitten te vissen
en geteerd hout de zomerlucht vult.

Paling en baars, sinaasappels, bananen.
De handpalm van de binnenstad
verzamelt wereld- en aandelen.

Vader in werkmanskatoen,
vlekkerig hoedje op het hoofd,
in de weer met verfkwast en vernis.

Moeder aan het aanrecht
neuriet een La Paloma, zoeter
dan eigen aardbeienjam.

Op het houten dak boven hun hoofd
zitten een paar meeuwen
naar een stukje brood te kijken.

Met je voeten in het zoete water
zoek je woorden voor de liefde
en een nieuwe vrije wereldorde;

het duurt jaren voor ze wortel schieten
in een verbeten steenlandschap
waar ze met de kranen moeten spreken.

02-07-07

ZINSVERBIJSTERING


Dit is je gelukt overdag: een minuscule tuin in de zon, zonnebloemen, wat klaprozen, groenachtig gras. ‘s Nachts verklaren we niets. Geen mysterium tremendum, geen brakende albatros. Wat houd je in je donkere hand? Wat valt ten prooi aan je blauwe mond?

Binnenskamers bij kunstlicht staat zwart op wit beeldig. (Buiten verliezen je zinnen hun zin. Oude en nieuwe boeken onthouden je hun gefluister.) Suf gecatalogiseerd werpt de bibliothecaris zich onder tram 56, de traagste van alle. In stilte teruggekeerd verschroei je zijn foto, zijn existentie. Altijd de erfgenamen toch nog, als varens in je minuscule tuin, als digitalis.

Zonnebloemen, klaprozen, digitalis zwijgen, zingen niet als de hand gods slaat en het hart van slag raakt. Zo ook ligt het gewoel neer in de luwte. Een hond lui uitgestrekt in de schaduw van een gevaarlijke bar.

Overdag moet je alleen radeloos zijn. Geen miniatuur vervangt de natuur. Nooit valt een sterveling in je armen als je in een nuchtere bui de wolken bekijkt of aan de rand van de afgrond. Nooit is iemand je raadgever als je niets bent. Als je zegt: ik ben de woorden die ik niet ben. Ik ben uitzinnig in dit treurige reservaat.

Toen we met zijn allen samen zongen hielden we onze knieën in de handen. Van wie waren jouw knieën, haar enkels, mijn tenen? Alles viel uiteen en weer ineen als we er voor een moment vat op kregen. Boven op een berg of in het dal de echo. Tot tenslotte zinsverbijstering tussenbeide kwam.

30-06-07

EEN AREND IN DE ARENA


Vandaag is de dag dat ik naar de arena trek
om er in de rode leegte te verdwalen
om er aan de kersentuin van mijn jeugd te denken
en de namen van dorpen aan de rivier
waarin hun ziel zich spiegelt.

Ik zie mezelf in het centrum zitten, en
geen stier te bespeuren. Fossielen in jouw mond
tot dieren van de lust gemaakt. Een lieve lust
voert me naar de kermis met jou. In de rups
een ogenblik je kersenlippen gekust.

Vandaag is de dag dat ik naar de arena trek
om er mijn en jouw verwarring te ontwarren
want wat te denken van de arend die op vrijdag
een paar meter boven onze hoofden vliegt
en van de veroveraar die gaat liggen aan zijn grens
als hij zich het geklop van je hart herinnert?

In zijn rode leegte loop ik leeg in licht
om je later als ik je weerzie mijn donker te besparen
zodat jij je glans behoudt en schittert in de nacht.
De goden die ik uitvind spreken je naam uit
als ik hen naar de naam vraag van hun tempel
waar in hun okeren nissen hun beelden
mij met jouw stem geluk en onheil voorspellen.

Daar buiten ontspoor ik. Verlies ik het Noorden.
Raak ik ontketend, ontstoken, getekend.
Op drift zoek ik een teken van jou, van herkenning,
een duidelijk punt. In het oog van de storm.
Het scherpe zand van de woestijn. Verbluft sta ik stil
of zwaai met mijn armen, loop alle richtingen uit
tot ik aan de laatste rivier mijn laatste donker verdrink
als het lover zich een weg fluistert uit het geraas
en gebral van de blinde dwazen die wij zijn.

Daar buiten kleed ik het toeval uit
tussen vriendelijke mensen die ik mijn denken onthoud
En mijn mond is vol treurig genot
op de dag dat de dode zielen worden bespot.
Jij staat daar op uit de grond en valt op me neer
met de sterren van vandaag. Je komt me toe
omdat ik de wereld wonden van licht
heb toegeworpen. En als ik je zie kom ik op adem
en tref ik mijn stieren stervensbereid aan voor jou,
je geheimen, je in de zon uiteenspattende namen.

De rups en vervolgens de vlinder nemen het woord.
Geven het mij, stoten het in mij omhoog,
ik schud het voor jou uit mijn veren.
Een woord, en dan nog een, en nog een,
het volgende haalt het volgende uit een opening
in je lichaam. Het was er prettig vertoeven
maar nu moeten ze er allemaal uit:
tijd om te openbaren.

23-06-07

LIEFDESANGST


In de straten van Cadiz, met jou aan mijn zijde, de op één na mooiste vrouw van Europa, word ik bevangen door angst voor de liefde, voor de nachtzwarte blik in je ogen, voor je armen die een nieuwe wereld openen waarin ik mezelf zou kunnen verliezen, een ander zelf worden.

Liefste, je blijft een vreemd lichaam voor me. Hoe meer ik je begeer, hoe meer ik van je wegloop. Ik verstar als ik je zie, mijn volmaakt eigen Medusa. Is dit de waarheid? Dat mijn hart zo snel gaat kloppen, als ik je in Kiko's Café binnen zie komen, dat zeg ik je niet. Ik zwijg en sla voor je op de vlucht. Mijn andere, jongere zelf verlangt naar je maar ik wil thuis zijn, in mijn oude wereld, bij mijn boeken en mijn muziek. Het vertrouwde, tedere lichaam in mijn armen houden, "waarvan ik elk plekje ken".

Alleen als de volle maan schijnt speel ik jouw naam op mijn blauwe gitaar. Dan lig ik aan je voeten neer.

17-06-07

POLANSKI'S METHODE


Toch na de middag na een onweer een Roman Polanski geworden. De witte huid van Lolita’s die je verbieden de wereld de rug toe te keren. Je moet blijven, je moet van ons zijn.

Het stond in de sterren toen je de stad betrad: nu niet, nu niet! Een vlies om de liefde, de gedichten ongeschreven. De letters morsdood, als de bruine, stoffige mot op de vloer.

Onderweg met het hoofd tegen de muur gebotst, doodlopende straat. Voetganger in de jaren, maanden, minuten. Nooit een spraakwaterval geweest, altijd een beheerste heer. Maar nu ga je het begeven in hun lenigheid. Nu ga je je arduinen handen warmen aan hun abrikozenvel.

21-05-07

OM 4 UUR 'S MORGENS


Opgedragen aan Cesare Pavese

Miezerige regen van vier uur ’s morgens dringt door je demi-saison. Er ontsnapt damp aan je mond, een teken van je eenzaamheid, dat als een vreemd verschijnsel, het spoor van een vergeten offer, ten hemel stijgt. Het zou iets moois kunnen zijn, maar je hebt er geen aandacht voor, je voelt alleen maar de pijn van onuitgesproken woorden, ergens achter in je keel.

Je hebt uren over de kermis gelopen tussen luidruchtige mannen en vrouwen, die dikke beren en roze olifanten torsten. Je voelde je niet misplaatst in het gedreun van rock ‘n’ rol en de melancholie van de neonverlichting. Niets is wat het lijkt op de kermis en niets lijkt er op jou. Je voelt je door niemand aangesproken en je bent tot niets verplicht. Je loopt gewoon door, je laat je meedrijven door de stroom, je netvlies ontvankelijk voor purperen spreuken, voor gifgroen opflitsende mascarons. Veelkleurig grijnzen, denk je, dat zou je moeten kunnen. Niet alleen frieten met mayonaise eten, maar ook veelkleurig grijnzen.  

Later, in de miezerige regen van vier uur ’s morgens, zou je moeten kunnen zeggen: “Het is allemaal goed”. Terwijl de regen uit de hemel je dorre lippen vruchtbaar maakt. Terwijl de woorden zich al beginnen los te maken, duiven, nog in de omgeving van Barcelona, maar al op weg naar huis.

biljarten




Foto: Martin Pulaski

20-05-07

HAMLET


Hij twijfelt bij een spoorweg,
neemt dan naast Ophelia plaats,
tweede mooiste in de trein,
de andere heeft geen naam.

"Zij die reeds getrouwd zijn
mogen allen blijven leven,
op één na", zegt de begeleider.
Ophelia's donkere ogen.

Zij lijkt op te willen gaan in zuchten.
"Voor mij moet niemand sterven.
Zelfs niet mijn oude vijand die
in zijn bunker met de blinde dames bidt."

"'s Winters als ik de feesten
van de tweedracht vier warm ik
zijn vlees in brandewijn.
Tot Palmzondag rijd ik met deze trein."

De andere loopt in rood satijn rond
in zijn eigen droom, haar borsten
koud als koper, haar blik van hem
afgewend. Zijn oogwit bloeddoorlopen.

09-05-07

JE BENT NIET WELKOM


Je bent niet welkom in de zonnige straten waar overal bloembakken staan met rode geraniums in.
Je bent niet welkom op de beregende pleinen (spiegels die nochtans je verdriet niet weerspiegelen).
Je bent niet welkom in de cafés van deze stad (je herinnert je de vrolijkheid van vervlogen dagen, rainy day women op de juke box, “everybody must get stoned” en het begin van je poëzie).
Je bent niet welkom in de bioscopen van geweld en valse toekomstbeelden.
Je bent niet welkom in de wachtzalen van de theaters waar mooie mensen in linnen en gabardine komen dwalen.
Je bent niet welkom in de dure auto’s en salons en niet bij hun bestuurders in hun namaakpaleizen.
Je bent niet welkom in de goedkope auto’s noch bij hun bestuurders in hun dorre levensverhalen.
Je bent niet welkom bij de koningen van het bier noch bij de messenwerpers op de kermis.
Je bent niet welkom in de oude tijd en niet bij oude mensen die voorbijgaan.
Je bent niet welkom in hun soms nochtans fonkelende hersenschimmen.
Je bent niet welkom bij de punks, gothics, bulldogfreaks noch bij ander destijds teerbemind uitschot.
Je bent niet welkom bij de getikten, de zwakken van zinnen en gelovigen van geest.
Je bent niet welkom bij de dwazen en de slimme spelers op het veld van eer en oneer.
Je bent niet welkom bij degenen die geen tranen laten (je herinnert je huwelijken en doden en spijt en schuld en scheldpartijen).
Je bent niet welkom bij de diep bedroefden met hete tranen over de wangen rollend.
Je bent niet welkom in de concertzalen van de hoofdstad waar veel onlust heerst.
Je bent niet welkom onder de sterren die nooit je naam hebben gekend.
Je bent niet welkom bij je oude klasgenoten die je uit hun leven hebben gekrast (je herinnert je de geur van de vlakgom bij de lessen meetkunde).
Je bent niet welkom bij de intellectuelen die zichzelf verblinden omdat ze niet anders kunnen.
Je bent niet welkom in om het even welk ongeschonden landschap (je vraagt je af of er wel een ongeschonden landschap is).
Je bent niet welkom op de kerkhoven in de rustigere dorpen en ook niet waar het druk is.
Je bent niet welkom in de botsauto’s op de kermissen waar je toevallig voorbij rijdt in een gevaarlijke autobus.
Je bent niet welkom in de kolommen van de kranten ook al ben je het nieuws van de dag.
Je bent niet welkom in de Verenigde Staten ook al ben je met elk van haar staten verenigd.
Je bent niet welkom in Polen ook al koos je een Poolse naam.
Je bent niet welkom bij mannen noch bij vrouwen.
Je bent niet welkom bij hun kinderen als zij spelen bij een vijver of thuis een elektronisch ganzenbord hanteren.
Je bent niet welkom bij toevallige voorbijgangers met of zonder messen.
Je bent niet welkom bij toevallige voorbijgangers die elkaar zoenen of in een diep gesprek zijn verwikkeld.
Je bent niet welkom bij degenen die hun haren laten knippen in de stijl van Baudelaire.
Je bent niet welkom bij degenen met Louise Brooks-kapsels.
Je bent niet welkom bij meisjes met henna in hun haren.
Je bent niet welkom bij vrouwen met vuurrode lippen.
Je bent niet welkom bij paters en nonnen en minderbroeders noch bij Maria vol van genade.
Je bent niet welkom bij vromen, godslasteraars, gravenschenners, wielrenners, hoogbegaafden.
Je bent niet welkom bij degenen die alle gedichten van Lucebert uit het hoofd kennen.
Je bent niet welkom bij imkers noch bij straatmuzikanten (misschien omdat je die straatmuzikanten geen geld geeft).
Je bent niet welkom bij sigarenrokende filmregisseurs en wanhopige figuranten.
Je bent niet welkom bij filmregisseurs die geen sigaren roken.
Je bent niet welkom bij zelfmoordenaars en intriganten.
Je bent niet welkom in je vaderland noch je moederland (je ouders zijn al lang tot stof vergaan).
Je bent niet welkom in Lourdes noch in Los Angeles.
Je bent niet welkom in Maastricht en evenmin nabij de waterval van Coo.
Je bent niet welkom in je eigen huis als het volle maan is en evenmin als het geen volle maan is.
Je bent niet welkom, nee je bent niet welkom.
Kon je toch welkom zijn in de armen van je geliefde!

02-05-07

HET LEVEN IS EEN STRIJD


L'art pour l'art, zei zij,
Strijd om de strijd, jij.

Voor het behoud van witte kapellen en ongeschonden Marialegendes, hoeren uit de
Filippijnen, Wilde Jongens van William Burroughs, mijn oude meester, zei je.

Strijd om de strijd, maar tevens tegen de tijd van de televisie-champagnes en Benettons Grote Verbroedering, voor Giotto's kleine tirannen van goud die Padova behoeden voor het gat in de ozon, zei je.

En je zei, voor de prins van de waanzin en de in tule gehulde godin van de wellust omdat alleen zij een feest maken van zaterdagnacht.

Tegen de dictator en zijn marionetten, zei je, die met het zweet van de Indiaan kogels koopt en trompetten en die de zwijgzame grond dankt met jonge naamloze lijken.

L'art pour l'art, zei zij.
Doden om te doden, zei jij.

Er kwam geen eind aan het gesprek.

26-03-07

DE BOEKEN IN LOOD VAN ANSELM KIEFER

anselm kiefer,bosnie,geschiedenis,kunstenaar,televisie,boeken


Anselm Kiefer is een van de belangrijkste kunstenaars van deze tijd. Zijn werk opent de ruimte en geeft je tijd om na te denken. Poëzie, mythe en geschiedenis gaan er hand in hand. Kiefer gebruikt weinig kleur, vooral zwart, grijs en wit, en toch denk je achteraf dat je alle mogelijke kleuren hebt gezien. Ogenblikken van geluk, extase, losgerukt van de gruwel van de geschiedenis. Het absurde universum krijgt een zin. Een mens is even belangrijk of onbelangrijk als een ster. Stenen, zonnebloempitten, sperma. Ziggoerats in Irak, het heilige land van de Tigris en de Eufraat. Eigenaardig dat dit land zo'n grote rol speelt bij Kiefer. Toevallig natuurlijk, maar ik leerde zijn werk kennen tijdens de golfoorlog, toen de Westerse bommen voor de eerste keer op Bagdad neervielen. Ik denk nu terug aan mijn gedicht uit 1993, "In loden boeken":

In loden boeken in groot octavo
heb ik uw naam neergeschreven,
al vloekende, al tierende. Geschiedenis
mag weten wie aan het woord is.

U hebt het geslacht opnieuw
aan de tand gevoeld, zonder genade
raak gezaaid, overal in het rond,
waar 's zondags klokken luidden.

Ik zie uw donkere voetsporen
in de sneeuw van een voetbalveld
waar zij geen rust kunnen vinden
nabij de doelen zonder wachters.

U klapt in uw handen voor deze doden.
Uw ploeg scoort voortdurend
tegen Bosniërs met bloed in hun haar.
Ze zijn doodmoe. Ze bukken zich.

Ze woelen het grijze gras om.

Het gedicht was uiteraard geïnspireerd door de schokkende beelden over Bosnië die ik elke dag op televisie zag. Maar de loden boeken kwamen van Kiefer. De tanden van de kunstenaar had ik nog niet gezien toen ik dit gedicht schreef.

anselm kiefer,bosnie,geschiedenis,kunstenaar,televisie,boeken


James Nachey, Bosnia

09-03-07

EEUWIGHEID: HÖLDERLIN EN DE GRIEKSE STERREN

ster,poezie,holderlin,griekse filosofen,evolutie,tim buckley,oj simpson,maagdenbron,heraclitus,empedocles,cadiz,westen,antigone

De kleine vlieg ziet het gesukkel van de oude man. De telefoon brengt zijn familie thuis. Tim Buckley en O.J. Simpson ontmoeten elkaar tijdens een dagje uit naar de maagdenbron. Een film is dat, hoe kan het ook anders? 


Hoe je je blind maakt voor de sterren, verrekijker, sterrenkijker nochtans altijd binnen handbereik, of niet soms? Als een vertaler, met verstomming geslagen, ben je vaak, woord voor woord: “duinbranden, purperslakken”… Wat heb je nog te betekenen na al die verdomde Oude Grieken? Zij die zo dicht bij de sterren waren. Heraclitus, Empedocles en hun honderden niet geboekstaafde epigonen.

Hoe je naar het Westen terugkeert. Maria, Sterre der zee! Genadeloos ontvangen daar waar de wilde hoeders waken. Begrijp je hen die hun juwelen laten fonkelen? De jouwe van Spaanse gitaarklanken overvloeiend, of van de echo van stemmen in de donkere en lichte straten van Cadiz. Uit dorre mond stijgt gekrijs op, een Enola Gay zonder de bommen, in elke snik het heimwee naar Hölderlins dagen, als hij aan Antigone dacht en zich in een hoek verschool, met zijn lange nagels, zijn sierlijke ogen die de bliksem hadden aanschouwd.

Toen zij allen nog slakken waren was jij een volleerde egel. Tot schuim bereid, niet meer tot schuimwijn of, zoals in de jaren ‘vijftig, op tafels het monotone ritme meekloppen.

De oude man ziet het gesukkel van de vlieg. Een halve dag nog om je te zalven. Zijn bevende handen. Of hij die somtijds observeert? Een uur nog, een half uur, een stonde, om je geluk te geven: eeuwigheid.