15-06-08

KORTE STILSTAND

 

Als hij naar binnen kijkt ziet hij hoe beelden zich ontvouwen.
Wat zij betekenen slaat meteen op de vlucht.
Hij staat daar naar niets te kijken. Zocht geen juwelen
voor een geliefde of weelderige woorden voor een lied.
Hij ziet de rivier en in het water hoge wolken.
Het water verlaat niet graag het land tussen de heuvels
waar het veilig is – maar het verliest zich in de zoute oceaan.
Nog schroeit de zon zijn huid, als in de verte het Westen
de meeuwen lost, als hij aan verloren dagen denkt
en vrienden die bijna vergeten waren, met hun lange haren
grijzer dan metaal waarschijnlijk. Niet gevangen maar mee-
gaand met de dagen alsof het zo hoort. Ooit lazen zij samen
woorden van goden. Maar hoe was dat mogelijk?
Van een god kun je geen letter lezen en leven.
Zij wendden hun ogen af van de leugens en gingen hun wegen.
Ver van elkaar was het de klok die hen aan elkaar klonk.
Bitter in de oude nacht en met pijn in de leden ’s ochtends.
Het zware metaal in hun knieën, in de winter een hemel
van staal, maar aan de voet van de berg grazende schapen
en honing in de melk als het koud is en regent.
Hij denkt aan de zomers op de kermis, de aardbeien op tafel,
moeder op haar zondags, vader met de duiven, hun wilde dialect.
Het is niet dat hij staat te treuren in de wind. Er is niets
om te betreuren. De dingen gebeuren zoals een geheim
wordt uitgesproken of een moord gepleegd of een steen
naar beneden rolt in het water van de trage rivier.

17:26 Gepost in Gedicht | Permalink | Commentaren (2) | Tags: gedicht, tijd, rivier |  Facebook

ALS DAS KIND KIND WAR

 

Wie betaalt het gelach van de vissers als ze ontwaken uit de nacht van het vissen en het licht zien?

Wandelde hij niet op het water op een zondagochtend, daar in Neerharen,
of hadden die lelijke vrouwen je maar wat op de mouw gespeld?

Het troebele water van de Zuid-Willemsvaart.
Het mythische, stille water op zondagochtend.
De zon scheen en je zag het zomergras en rook de geur in de stem van Aretha Franklin.
My cup runneth over, oh zuster.
Moeder, vader, waar zijn jullie, nu in mijn uur van nood?
Nee, hij wandelt er niet, hij is er niet, hij heeft ons verlaten.
Het geluid van Amerika ver weg, als een donderende stem, een regenboog, en jongens met banjo’s.
Broer, kom wat dichter en vertel me dat verhaal over Buffalo Bill.
Vertel me dat verhaal over Geronimo.
De tijd staat niet stil.
Overal om je heen vallen doden en hij is er niet.
Er is niemand.
De tijd is muziek, geld betekent niets.
Kom je me bezoeken, zuster?
De koele wijn staat klaar, de glazen, ik in het wit.
Met mijn Panama op het hoofd.

Een donkerblauw hoofd schommelt op je romp, de mond aan de trompet.
Je ogen op vergeelde kolommen heiligenlevens.
Allemaal in de vergeetput geworpen, als rot vlees.
Maar heiligenlevens willen niet rotten, verpulveren.
Alle heiligen in de ether zijn samengekomen vandaag.
Zingen Amazing Grace.
De kerken zijn leeg, de vissers vissen niet en ik geloof nergens een woord van.
Ik ben braaf maar zou net zo goed kunnen moorden.
In die tijd was ik werkelijk. In die dagen zag ik niet dat het goed was.
Nu, buiten mezelf, zie ik dat het goed was en dat het slecht is.

Ik hoor het gelach van de vissers en haal de fles bourbon uit de kast.
Vissers zingen alleen maar in stilte.
En kijk, ook vandaag ben ik niet geworden wie ik ben.
Maar dat geeft niet want wat je ook zegt, ik zal blijven worden.




Titel: naar een gedicht van Peter Handke
.
Muziek: Aretha Franklin, Amazing Grace - The Complete Recordings.

14-06-08

MARINADE

 

Je bent gemarineerd, gemaniëreerd wil je dansen.
Oude liedjes duren niet lang, zei je toch?
Maar je hebt wel manieren.
Dansen onder donkere maan op liedjes van vergenoegen en zeemansleed.
Als de bergen uit het oog verloren domme woorden en strafspraak.
Altijd wil je met me dansen als storm op zee.

Rivieren vloeien in je ogenblik naar de zee die je vergeet op de maten.
Maar ja, altijd houd je je manieren.
En daarom toch staan er nog altijd jonge meisjes met brevieren
op het dak van je schommelende boot.
Nee, zeeziek niet, zeeziek worden ze niet.
Hoe je ze en waar je ze ook aan wil raken in de opstijgende mist om hun leden.
Ranke handlangers aan bakboord die niemand beschermen.

Geheimzinnige boottocht terwijl op de oever schaapachtig gelach.
In het gras staat hij na het slachten.
Om zijn lijf de geur van het bloed van het varken.
Leeg is de stal, weg de sporen van zijn poten die hij bij zijn oren voegde.
En daarna in de mis, lichaam van Christus, lichaam van Christus.

Elke dag wil je dansen op je bevrijding, je roes, onoverwinnelijk.
Heb je je rode blouse aan?
Als een vlag op een Flandria ben ik de stem van de Schelde.
Ik roep je, een Joyce, een Sirene, een Sanctus, en zeg je dat het regent.
Het regent oude wijven in de oude nacht, drup drup drup.
Fuck de regen, zei je toch?
En je werd gek van een lied uit blauwe woorden.

Op het ritme van een driestuiversroman.
Want een zeeman heeft altijd een mes en hoge hakken.
Zijn ogen zijn hoeren en zijn hart heet Johnny Thunders.
Zijn hart heet James Joyce, jongeman!
Altijd, zeker, als hij je kust, je kustvaardersdroom.

En je zei, wie uit het raam leunt geeft de geest ruimte voor nieuwe geboorte.
Vrolijk de wetenschap die wij dansen
De stappen op hun liekes, hun placebo’s, hun tucht, hun zuchten.
Hun vrolijke wetenschap wil je dansen.
Het metrum van hun lier, van hun tool, hun Mr. Jones wil je stapvoets bezetten.
Generaal zo ver van huis, kapitein zo nabij, nabij de wereld.

Je bent een bom die wil springen.
Vermomd als een scarabee wil je zingen in Waikiki
en je vastgrijpen aan Marina, Marina, Marina.
Wacht op mij, wacht op mij, wacht op mij.
Wacht op mijn nieuwe, op mijn zingende beelden.
Zing, vogeltje, zing, zing, vogeltje, zing.
Zing, vogeltje, zing, zing, vogeltje, zing.
Zing.

15-05-08

POW! POËTENKADAVER

Voor René Pollesch.


Amechtig monkelend zweten de poëten hun verzen uit.
Verse spruiten voor de buitenstaander.
Voor de man die op zijn stoel zit, altijd in het wit.
Garnaalvissers fietsen door zijn straat; het belgerinkel van een schavuit.
Arme liefjes met versleten rode rokjes aan komen uit de  verfwinkel in zijn straat.
Uit de sigarenwinkel in zijn straat.
Op de hoek staan Poolse bouwvakkers stickjes te rollen.
Uitgelaten lacht hij in het wit. Hij lacht die poëten uit!

Als het donker is ruilt hij zijn koning voor een paard
dat leeuwachtig brult om haver, en zelf heeft hij dorst.
Maar nergens een café zonder bier. Aan de zwier dan maar?
Voorbij de regenboog? Wat zeggen de dichters nog meer?
Naar de letter of de geest geven zij zich prijs aan de markt
van de tekens, maar daar wij allen betekenisloos zijn
geven al gauw hun woorden de geest. Er is niets te begrijpen,
er is niets te verstaan. In het vaderland wachten de moeders
en de Schone zit voor altijd in de trein van het Beest.

Geef hem nog zo’n Brusselse wafel, moeder!
Geef de dichter nog zo’n Luikse wafel!
Geef de dichter een walrus, een bedelaar een tafel.

28-04-08

SO MUCH WATER UNDER THE BRIDGE

 

Wat je niet mag vergeten.

De tafels van vermenigvuldiging.

Het kapitaal.

Het concilie van Trente.

Karl Marx' Stellingen over Feuerbach.

Piratenverhalen.

Les misérables.

River Deep, Mountain High.

Bootjevaren met je broer in de dokken van de Antwerpse haven.

Het bloedgleufmes.

Een bange nacht op grens tussen Duitsland en Limburg.

Juni 1997, Kiekenmarkt Brussel.

Vrienden bij wie je terecht kan omstreeks middernacht.

Maanden verlaten in de Limburgse bossen en dan expo 1958.

Vechten op speelpleinen.

De geboorte van je zoon.

De naam van je zoon.

De namen van iedereen die je ooit liefhad.

Nadja.

Erwin.

Raoul Vaneigem. 

Landverraders, schurken en augurken.

“Il faut être absolument moderne.” (Arthur Rimbaud)

Like A Rolling Stone op de transistor-radio in 1965.

“I would leave you if I could because I know that you’re no good, but I love you.” (Jimmy Holiday, 1967, uitgevoerd door Clydie King).

Neil Young.

Karen Black in “Five Easy Pieces”.

Death Letter Blues.  (Son House versie)

Hoochie Coochie Man. (Willie Dixon).

Het eiland Kreta.

Het slangenmuseum in Albuquerque.

Jimpy, mijn hond.

De straten van Brussel, Antwerpen en New York.

De koolmijnen.

De geur van de varkens op een kleine boerderij in Neerharen.

De Schelde, de Douro en de Mississippi.

Vrouwen in mijn dromen.

De smalle, gevaarlijke steenwegen in de jaren zestig.

De songs van Gerry Goffin en Carole King.

De films van Rainer Werner Fassbinder en Nicholas Ray.

Gary Cooper, Wim Wenders en Peter Handke.

De vrolijke wetenschap.

4 letzte Lieder. (Richard Strauss/ Elizabeth Schwarzkopf)

William Blake, Friedrich Hölderlin, Walt Whitman en Lucebert.

De Maas tussen Luik en Dinant.

“Well, Billy Joe never had a lick of sense, pass the biscuits, please.(Bobbie Gentry)

En deze regels.

“The next day everybody got up

Seein' if the clothes were dry.

The dogs were barking, a neighbor passed,

Mama, of course, she said, "Hi!"

"Have you heard the news?" he said, with a grin,

"The Vice-President's gone mad!"

"Where?" "Downtown." "When?" "Last night."

"Hmm, say, that's too bad!"

"Well, there's nothin' we can do about it," said the neighbor,

"It's just somethin' we're gonna have to forget."

"Yes, I guess so," said Ma,

Then she asked me if the clothes was still wet.”

(Bob Dylan, 1967)

De geur van nieuwe boeken.

Fietswielen draaiend in de zon.

Schaduw in de zomer op het gazon.

Soulmuziek en mondharmonica’s.

De smaak van water.

24-04-08

ONGETWIJFELD ANTIGONE (IN 1968)


Ik was ongeveer achttien geloof ik.
Ze noemden mij mister pitiful.
Ik had regenbogen als schoenzolen.
Op een mooie dag moest ik mij in een man verkleden.
Ik was een naïeve, bange jongen.
Ik was een ongeschoolde dichter.
Ik moest mij in een man verkleden.
Ik zou voor een commissie verschijnen.
Ik zou Antigone spelen.
Een stukje Antigone, niet het hele stuk.
Ik moest een meisje worden.
Een meisje dat zich in de huid van een vrouw moest naaien.
Een tweede huid, een derde huid.
Maar wie zou het meisje zijn en wie de jongen?
Alleen ik lag daar wakker van.
De wereld sliep in halfgouden dromen en zonder veel begeerte.
Er was niets aan de hand.
Ze verdienden geld als slijk, slib, smurrie.
Ze sliepen voldaan, zonder te snurken.
De mensen, de vaders en moeders.
Zij die uit de oorlog kwamen en de wetten spelden.
Ik was achttien en wist het niet.
Ik wist niet dat ik een antieke Griekse zou worden
die appelsienen van de bomen plukt.
Die in de dromen van haar donkere slaap
haar dode broer met lauweren kroont.
Ik at geen appelsienen en laurier was niet meer dan een woord.
Niet meer dan een geur in moeders keuken.
Waar ik mijn Grieks meisje lange brieven schreef
over hoe we in grotten zouden dansen en een nieuw vuur vinden.
Naar de overzijde zouden we gaan, schreef ik.
Naar de overzijde, waar de bloemen bloeien.
Nee, zei ik, ik word geen man, ik word geen vrouw.
Ik viel in een donkere slaap waarin ik dichter werd.
Ik vluchtte naar de bomen.
In de boomgaard onder de appelbomen wachtte ik af.
Ik vluchtte naar het water.
Daar aan het water ging ik zitten wachten
en de as uit mijn ogen wassen
Tot de wereld genezen was.

18-04-08

EISENSTEIN ZEG IK JE

 

Er kwam een auto, een auto kwam er aangereden,

Zichzelf op het spoor, op het spoor van witte karrenwielen

Van een oude boer, een oude, van zijn gereedschap moe,

Zoals de dichter zegt, zo moe, zo uitgeput, zo zonder ziel.

Verkocht in het koophuis van het Westen

Waar ook het pak van de bestuurder vandaan komt

In Gore-Tex, in zijn hoofd, voor de stoplichten,

Het einde van de wereld, Al Gore, gore seks en zielig

Zo alleen aan een postmodern stuur, een wiel op het spoor,

Stukken trein der traagheid nog in de cellen van weleer.

In beweging zitten wachten tot de motoren in beweging komen,

Ja, de aarde, de aarde mompelt hij. Er strompelt iets over de weg.

Eisenstein is het, hijzelf, hoe kan het, Eisenstein zelf.

Nee, nee, zeg ik je, niet Einstein, Eisenstein over de weg

Bijna zo dood als een pier, de weg op het spoor,

En maar monteren aan zijn tafel, op zijn stoel, zo stil.

28-03-08

O KAPITEIN

 

Hoe minder woorden hoe beter, soms.

Hoe naakter de taal hoe kaler de haat,

Uitgekleed als een bruid op een avond.

Er was eens, zei hij, er was eens…

Ja, er was ja, zei hij, en toen kwam jij

Waarna het aanmonsteren begon.

Want er was eens een schip, zei hij nog,

Een schip met veel zeilen, wit tegen wit,

En op dat schip was een arend,

Een arend van een kapitein, zijn ogen,

Er waren zijn ogen, maar ook zijn mond

In de zon hun glinstering, hun stilte.

De benen stevig op het dek geplant

Waren er, en tevens zag hij de monsters

Als het donker werd ’s nachts in de mast.

Of waren het apen, dat wist hij niet meer.

Want hij lag daar te zoeken naar woorden

En zonder gedachten, zonder verweer.

18-03-08

AAN DE LIEFDE GELEDEN

Je hebt als alle jongens aan de liefde geleden, zelfs tijdens die zomer toen alles gonsde en alles licht was om je heen, zodat het wel leek of je een van de uitverkorenen was. Veel twijfels had je maar je was ook zeker van de richting die je insloeg. Later hoorde je dat dat het kruispunt was geweest. 

Uit het groen vertrok je al wat gebogen, in cirkels van waanzin gevangen, trots op je hart en zijn woorden, je sterke, magere armen uitstrekkend naar wat je niet kende. Spiegels noch lege bladzijden schrikten je af.

Daar liep de massa bekoorlijk onder de torens over de lanen in september. Het was de grote schoonmaak van je zinnen. Veel van wat je geleerd had keerde je binnenstebuiten; je ademde moeilijk maar ging toch tegen de stroom in, met maandenlang een purperen jas aan, de jas van de heilige die je zou worden.


De jaren bevlekten je vel. Je droomde de dagen weg. Je beschreef een ontsnapping uit de grenzeloze psychose van wat de wet heet.

Je ging naar je bron om jezelf te ontginnen, niet voor het goud, want dat was maar een woord, maar voor het erts van een waarheid. Een waarheid die niemand vermoedde. Schuld en boete betekenden niets daarmee vergeleken. Zou men je vermoorden als men het wist wat je bezielde?

15-03-08

EEN VOGEL VOOR DE KAT


Ik beweer dat het een vogel is die daar zit.
Een veelkleurige vogel op een draad nu nog,
Maar toch al een vogel voor de kat.

Onder een magnolia rust de kat

In een tuin waar Vinkenoog een stickie rookt.

Een tuin aan een droom van Marianne Moore

Ontsproten met een echte schildpad in een hoek.


En de kat die onder de magnolia te spinnen ligt.

Of er dan geen vuiltje aan de lucht is

Terwijl nochtans de rook ten hemel stijgt

En er als van engelen gezang klinkt?


O lieve jongen, zegt zij, kon ik je toch maar

Van je ijdele hoop voor altijd genezen.

En je ogen openen voor het sluipend gevaar.

29-02-08

GEDICHT VOOR JAN ARENDS


Weet je nog
Jan Arends was die man
met wie je lunchen ging
tot hij dood was

een dode boom
in het donkere bos
in een droom
die je vergat

nu de zomer voorbij is
de herfst
de winterse kou
herken je zijn handen

op het bleke papier
en de onrust
van de rust
als hij zijn nek breekt.

11-02-08

IN MIJN KAMER ZAT IK TE WACHTEN


Als op een teken zat ik te wachten. Ik zat te wachten op iemand die mij aansprak. Die mij aansprakelijk maakte. Aansprakelijk voor de wereld in de ogen van goede mensen. Ik zat te wachten op wat komen moest. Kan ik dan niet langer wachten, vraag ik mij soms af.

Als een oude soldaat stond ik op wacht. Nochtans lijd ik aan zinsbegoocheling noch shock. Als ik lijd is het aan mijn eigen leegte. Nee, zelfs wie mij dierbaar is gun ik die leegte niet, of het zou in lege woorden moeten zijn en zinloos. 

Als op een krekel in de zomer zat ik te wachten maar het was winter en ik was doof, en donker in mijn donkere kamer zat ik gebogen over oude wapens. Mijn decoraties had ik in het vuur geworpen. Nog restte mij de ontrouw die ik moest zweren aan wie mij haat of liefheeft en aan het vaderland.

Als op het gezang van engelen zat ik te wachten alsof ik niet wist dat zij al sinds de herfst staken, vogels met vleugels van as, met ogen van steen. En ik zat in mijn kamer verlangend naar gramschap scherp geslepen op de vuursteen van mijn hart. Als op een onmiskenbaar teken zat ik te wachten.

03-02-08

MEEUW


Voor Manu

Achter me heb ik andere wereld gelaten -

oude kolonie waar spottend coloriet

mijn donkerste dromen in middernacht-

hitte pijnlijk, pijlsnel doorboorde.

 

Achter me de vrienden

met hun zachte slapen, luid kabaal

hun soms zelfs schel gekrijs.

 

Voortaan op de wereld alleen

ver van steden en straten,

van begeerte en afschuw ontdaan.

 

Mijn geluk is perfectie,

nu hier zijn, in dit ogenblik

mijn toekomst kunnen bekijken:

nieuw landschap, nieuw leven.

17:47 Gepost in Gedicht | Permalink | Commentaren (3) | Tags: inspiratie |  Facebook

25-01-08

GEDICHT IN EEN DROOM

Ik zit met de handen in het (vettige) haar. Vorige nacht droomde ik een lang gedicht, een soort vervolg op ‘Het zwijgen van mijn vrienden’. In de droom was ik zeer tevreden over het gedicht, bovendien was het helemaal af. Bij het ontwaken nam ik niet de moeite om het te noteren. Als ik morgen helemaal wakker ben zal ik het mij nog herinneren, dacht ik. Maar dat was niet het geval. Ik herinnerde mij alleen nog een paar regels, en zelfs daarvan was ik niet zeker of het de gedroomde regels waren. Ik herinner me nog dat het gedicht geïnspireerd was door Sad Eyed Lady Of The Lowlands van Bob Dylan – en dat ik me op het einde realiseerde dat het gericht was aan een vriendin van vroeger, die al een hele tijd geleden overleden is, Renée heette ze, een vrouw die me zeer dierbaar was. Dit is alles wat van het gedicht overblijft:


Met haar ogen van zand van de evenaar en soms schaduw van gebladerte

Met haar stem van kermissen , keukenromans en weelderige tuinen

Met haar wierook van gewijde woorden en zeer kleine gebaren

Met haar zwart satijn en haar leer en het blonde on blonde van haar haren

Met haar lippen van Franse actrices in donkere films vol regen en hagel

Met haar borsten van zijdige huid, door mij nooit aangeraakt, zelfs niet haar tepels

Met haar liederen aan Venus, vurig als de zon in het Westen.


Misschien droom ik later wel eens een vervolg?

23-01-08

HET ZWIJGEN VAN MIJN VRIENDEN


“It seems the songs we’re singing are all about tomorrow.
Don’t make promises that you can’t keep.”
Tim Hardin


Het zwijgen van mijn vrienden met wie ik de wereld zou veranderen.

Hoe verklaar ik het zwijgen van mijn vrienden en dat van mezelf?

Het zwijgen van de innemende postzegelverzamelaar die me

Als aan een sterfbed de les spelde in verband met de opheffing van mijn mythische zelf

Terwijl ik toch koning was geweest en de helderste sterren had aanbeden.

Hoe het mogelijk was dat ik alle antinomieën had opgegeven

En gezonde waanzin voor zelfverlies en onzekerheid had ingeruild.

Waren de magere heiligen dan uit mijn geheugen gewist

En stond ik niet langer te huppelen in de marge

Maar gaf ik me grimmig over aan een van overhand opgelegde lobotomie

Die net zo goed als alle mensenwetten tot mislukken was gedoemd?

Ik zweeg zonder reden omdat ik nergens mijn plaats vond.

Een keuze was niet gauw gemaakt tussen slecht en minder slecht

Of tussen vals, laf, onooglijk, beheersbaar en schijnheilig.

Ik zweeg omdat mijn vrienden zwegen ook als ze spraken

Of  hun werelden met hun creaties kleurden,

Zij het zonder woede of verdriet, alleen maar uit zinloze begeerte.


Het zwijgen van mijn vrienden nu ik een oude koning dreig te worden

Van het verlies, de dorre grond, de vergetelheid en van wat verder onbekend is

Nu ik dreig te gaan wauwelen maar met veel te heldere woorden.

Niet zoals toen ik een prins was die de mist inging zonder aan winst te denken.

Het zwijgen van mijn vrienden nu ik eenzaam ben en vaak de minuten tel

Nu pijn en zelfbeklag me gaan verminken en verraden.

Nu de zon het zaligste lied staakt en middag donker is als middernacht

Nu de uil die mij soelaas had kunnen brengen bij de uitgestorvenen staat geboekstaafd

En de beelden kwellingen, schaarste, rampen en oorlogen laten zien


Het zwijgen van mijn vrienden laat mij niet met rust en laat me niet rusten.

Ik zwijg nu al zo lang – waarom zou ik nu nog spreken, en tegen wie?

Ik ben toch niet bang voor paradoxen? Ik vrees geen einde en geen nieuw begin?

Ik blijf in mijn kamer en ga niet naar de bergen en ga niet naar de zee.

Ik kus geen beminnelijke vrouw en ga met niemand mee.

Geen muziek klinkt uit mijn mond. De muzen hebben geen inspraak

Nu ik een oude koning dreig te worden zonder zelfs een dochter

Die me zou kunnen tegenspreken en zeggen hoezeer ik een bedelaar blijf.


Het zwijgen van mijn vrienden met wie ik de wereld zou veranderen.

Hoe verklaar ik het zwijgen van mijn vrienden en dat van mezelf?

03-01-08

DE DOOD VAN LUMUMBA

 

1.

Soete zegt dat ze gezegd hebben, niets van hem mag overblijven.

Mannen in Armani, mannen van het Bureau.

Geen vezel, zegt Soete, hebben de mannen gezegd.

Ze zeiden, zegt Soete, eerst in stukken zagen, dat kadaver,

En dan legt ge die stukken in een vat

Gevuld met achthonderd liter zwavelzuur,

Hebben ze gezegd, zegt Soete.


En dan hebben we zijn zwart lichaam, zegt Soete,

In stukken gezaagd, ge moet u dat voorstellen, zegt hij

Het bloed spatte ons in de ogen tot we misselijk werden.

We moesten veel rum drinken en whisky, zegt hij,

Tot we niet meer wisten waar en wie we waren,

En dan hebben we de stukken van de premier,

Bloedend, op de donkere oude aarde neergelegd.


Het vat zwavelzuur stond klaar, zegt Soete,

We moesten alleen het koningsblauwe deksel openen

En voorzichtig als olifanten de stukken

Van wat van Lumumba restte erin laten verzinken,

En voor altijd uit de geschiedenis laten verdwijnen.

Uit de geschiedenis van de mannen in Armani moest

Zijn lijf verdwijnen, hebben ze gezegd, zegt Soete.


2.

Maar de geschiedenis heeft zo haar eigen streken.

De geschiedenis onthoudt overvloedig namen.

De geschiedenis bedekt niets met de mantel der liefde.

Die toekomstige annalen hadden de mannen

In Armani, de mannen van het Bureau

Geheel uit het oog verloren. Uit het oog is

Uit het hart, dachten ze zonder dat ze het wisten.


Er bleven kleine restjes over en uit elk restje

Bloeiden duizend zwarte granaten en mortieren op

En uit elk restje weerklonk een stem van haat.

Soete was op dat ogenblik al in zijn vaderland

In zijn salon luisterend naar Jo Leemans,

Niet beseffend dat gelijktijdig Allen Ginsberg

en Pete Seeger naar bloemen hadden geluisterd.


Naar zwarte, bloedige bloemen, giftige bloemen,

Naar bloemen van verderf en toekomst

Luistert degene die in 2008 walgt van de wereld

Die de geschiedenis tot popcorn herleidt.

Naar zwarte, bloedige bloemen, giftige bloemen,

Naar bloemen van verderf en toekomst.

Naar bloemen van kreten en letters en renaissance.

02-01-08

DE OUDE TROUWE MARTÍN PULASKI

 

Ik voel me als het personage van Jack Nicholson in The Shining.

Ik voel me als het personage van Jack Nicholson in The Shining.

Ik voel me als het personage van Jack Nicholson in The Shining.

Ik voel me als het personage van Jack Nicholson in The Shining.

Ik voel me als het personage van Jack Nicholson in The Shining.

Ik voel me als het personage van Jack Nicholson in The Shining.


Maar werp dan een blik op de oude Underwood links van me

Staande op een kleine bijzettafel uit de Ikea en weet meteen:

Straks of morgen ben ik weer geheel Martín Pulaski.

Wis en zeker, geheel en al de oude, trouwe Martín Pulaski.

18-11-07

BOEKEN VAN AARDE

 

Al die boeken wegen zwaar

en elke letter verplettert het hoofd

van de kleine Marcel;

            onder het Hondboek ligt hij dromend

met gescheurde mondhoek, matras-

man Marcel.


’s Nachts vallen ze,

handvallen ze, hoofdstapels, brandstapels,

gewapend papier.

            Ja, zoals in het maatglas verdronken

zijn kinderen zo verdrinken zij in wijwater –

wat werken des duivels toekomt.

Let op Marcel want zie je, hun inkt

zit op je vingers.


Maar wie droomde in plaats van dronk

en zoals zij, Mohikaantjes, hing aan lianen

in het ruim van een rijnaak en liep barre-

voets door gele riviertjes, getekend,

en lachte, “vandaag varen, morgen lossen we

honderd ton gele en honderd ton

rode rivierkreeftjes”

en zoals zij bij schemering mijmerde

            tijdens wazige eeuwen misthoorn-

muziek, ginds achter blauwe masten aan-

zwellende misthoornmuziek


en hoorde hoe het rimboede:

“Hoor hoe het rimboet!” riep de piraat, en:

“zie dan toch zotten het rimboet!”

            en Zottekop spitsneust en flappert

zijn flaporen zo treurig

omdat zij niets zien, de zotten,

zij lachen alleen maar om de koe,

ja de koe die schijt recht in de mond

van een doofstomme maristenbroeder.


Ach ja, het rimboet, het rimboet weer.


Zwaar wegen de boeken, de rijke solide

en arme aarde ontgroeid (o warm toch op nu,

Lucinde, uw dak stort nog in).

Maar geen verweer hebben wij

en niet sterk is dit slechte zwerven

met zwaaiende armen en zondode ogen,

hoewel goed ook met zaaiende armen en

een zacht voorgevoel op het voorhoofd

            liefdesliedjes zingend en dan weer

bij het slapengaan hulpeloos uitroepend:

“Wedden dat de lucht is opgebruikt,

koude, koude Lucinde.”

13-11-07

WERELDSPEL

Vanuit een verte konden wij het wereldspel aanschouwen. Niets voegden wij toe aan steen en water en niets vonden wij uit: alles was er, zeer eenvoudig.

Wij hebben niets lachwekkends gezien, ook niet onder de mensen – zelfs al voerden sommigen iets afschuwelijks uit in een huiskamer of een bezette zone.


Vanuit een verte zagen wij: op dat ogenblik moest het zo zijn en niet anders. Dichterbij iets zijn wij nooit geweest.


Zo snel herwon het spel van de wereld zijn grauwe vertraging, zijn vastheid, zijn bloedbemeste velden en zeewaarts dreven duizenden lijken.


Vanuit een verte hadden wij aanschouwd: nu vroegen wij ons niet langer af waarom wij wanhoopten – wanhopigen in het wereldspel verstrikt.

12:25 Gepost in Gedicht | Permalink | Commentaren (1) | Tags: wanhoop, visioen, proza |  Facebook

26-10-07

HEAVEN'S GATE


Opgedragen aan Michael Cimino en David Mansfield.

1.
Van mijn lippen valt schimmel
en woorden in het gruwelgrijs van de dood
van mijn lippen op de oude aarde
groen en bruin de mensen moe.

Onder de maan alleen een blauwe melodie
aan de beroemde blauwe gitaar ontlokt
een wegebbende echo nog maar
na een eeuw walsen en jiven en zweten.

2.
De vader zit op een bank, rookt zijn sigaar
Willem II, onverrichter zake.
Boven zijn hoed wappert de vlag
van een natie de mensen moe.

Wenst me geluk met mijn diploma,
veel succes etcetera etcetera – maar,
filosofen komen niet verder dan oesters,
vertrouwt hij me toe.

Kijk naar de historie,
Wyoming, de trek naar de Far West
tot aan de Pacific,
kijk hoe dat verhaal afliep:
follow me baby, have a real good time.