28-01-09

GEDICHT OM VOOR TE LEZEN OP EEN KOUDE WINTERAVOND

 

Je weet niet hoe moe je wel bent.

Hoe zoet je aderen stromen naar de dood.

Je bent al gauw een cijfer, ternauwernood

Geef je je calvarie nog even helemaal bloot.

Een idioot die raaskalt denkt dat hij alles weet.

Hoe zijn veters te knopen, het modieuze van zijn haarsnit,

Jackson Browne’s allerbeste plaat.

Zelfs de vorm van de letters op zijn grafsteen

Heeft hij uit het niets ontworpen.

Als je sterft, sterf je alleen.

Goud is in je hoofd, en gouden kransen, tulpen

Wegen niet zo bijzonder zwaar

Door engelen gedragen, hun vagina’s week

Van het verdriet om je vertrek.

Je bent geen onnozelaar, je bent niet gek.

Er is geen tijd voor parels, schelpen, muizenissen.

Moeder en vader lagen in een kerk.

Elk jaar leest de priester nog voor hen zijn missen.

Niet dat ik hem vervloek maar ik wil zelf beslissen

Hoe ik in de grond ga en wie aan mijn graf

Te huilen, te gillen staan zal. Of stil en laf.

Ik studeerde voor filmregisseur, voor dictator.

Mijn sterven zal mijn meesterwerk zijn.

Enige beelden en weinig dialoog,

Zoals het hoort bij gebrek aan heilige woorden.

En dan zeg je als je weer wakker wordt:

Ik ben de dader. Deze wereld van schoonheid.

Uit alle poriën muziek, verzoening, genade.

Is het geen wonder, is het geen vreselijk wonder?

02-01-09

IS THERE HOPE FOR THE FUTURE?


Is there hope for the future?
Of course there is.
But only if I try a little bit harder.
Only if I put some soul into my days.

We all make the future.
We all shine on.
If we don't let the politicians turn us around.
If we don't let the gentlemen turn us around.
If we become what we are.
If only and only.

28-12-08

KERSENROOD GEZANG

 

Anna die dag op de trein uit Hamburg naar Keulen

Was de zon vroeg op in het winterlandschap

Om je tanden hun schittering en je huid het geschilderde

Uit te vroeg vermolmde visioenen te geven.

Maar nu in de bleke herfst, bleke winter: bleke woorden.

Echo van kersenrood gezang, was het Henriette,

Prinses van het Slot in het Noorden?

En ik danste, een castraat, op mijn teentoppen?

Om je handen, als een gebed om liefde te laten ontstaan,

Was de zon op, de maan onder, en ik in je blik zelfs

Maar of je me zag tussen de Duitsers die elkaar kusten

En gezond aten, niet dronken, vroeg weer naar bed?

’s Nachts was het Tiepolo, denk ik, in zwaluwdromen,

Mijn vochtige lakens, niet van verdriet of donkere driften

Maar van je naam met mijn speeksel besprenkeld -

Je naam, Anna, verzadigd en uitgespat, uitgeraasd

Als de wind in vier richtingen, je naam zonder sporen.

Tot stilstand gekomen in havens, hoofdsteden, stations,

Tot stilstand in mijn gedachten, in bleke woorden

En lange herfst, winter, als ik weer naar je op zoek ga.

26-12-08

ER IS GEEN TIJD OM TE DENKEN, ZEI HIJ


Voor Bob Dylan


Er is geen tijd om te denken, zei hij.

Terwijl jij wachtte op de trein van middernacht.

Je lachte niet, je ogen dronken van twijfel

En onuitgesproken stromen, dromen, woestheid.

Er is geen tijd om te denken, zei hij.

Brood bleef onaangebroken, wijn, water.

Wat viel te vieren, welke honger, welke dagen?

Toch had je – van iets onbestemds – de smaak.

Je had voor goed de smaak te pakken.

Wakker, duizelig van nabijheid en afstand.

Naderbij dan, nader bij het water, de rivier.

Bij de rivier een huis gebouwd, met bloemen

In de tuin en varens, verderop de schepen

Waarop matrozen dansen met hun schatjes.

Of ver weg in je vertrouwde kamers blijven?

Er is geen tijd om te denken, zei hij.

Gisteren, morgen, alles ligt overhoop

Als na een antiek huwelijk overal scherven.

Bloed druppelt op je tegels, bloed en wijn.

Er is geen tijd om te denken, zei hij.

Je bladert in oude boeken en betast beelden.

Zo weersta je het klagen van de uren

En de zelfbeheersing van de buren.

Je bent jezelf niet, je bent een ander.

Welk land is dit, welke stad, welke vrouw

In je armen? Als het donker is, weer thuis

In broeierige dromen, schittering en zweet.

Er is niets wat je niet weet, niets is er

onder de zon en de maan wat je weet.

Er is geen tijd om te denken, zong hij.

15-12-08

DE LODEN TIJD

die-bleierne-zeit-31-03-1982.jpg

Voor Margarethe Von Trotta en Jutta Lampe.


Lucht heeft  geen gewicht, minder nog

Dan de ziel wordt beweerd en in je ogen

De lokroep van het zuiderlicht.

Van de oceanen heb je elke druppel geteld,

Al het zoute water geteld in je ogenblik

Buiten de tijd gerekend, de klok stilgevallen.

Toch moesten ook die dromen lood worden

Naamate de dag vorderde, van geschiedenis

Vervuld. Niets dan lood in de tijd.

De tijd die je niet in de ogen kijkt.

De tijd die je naam niet wil kennen.

De tijd die lichaam noch ziel ontziet.

03-12-08

DE RONDE


Op een donkere middag in je kamer verscholen
Komt uit schaarse letters een stem je tegemoet.
Je was in verveling verstrikt geraakt:
Het teveel en toch te weinig van voorbije levens,
Voorbije dagen en dagen die nog overblijven.

Wil je als een blinde in je lot berusten?
Doof voor gezang van sterren, stom en lamlendig –
De volle maan verstopt achter grijze gordijnen.
Wil je geloven dat geluk een leugen is
En lijden, droefheid, afzien, de waarheid

Van deze enige, kwetsbare wereld?

Het verlangen is veel sterker.
Je wilt omhelzen wie nooit omhelsd werd
En wie altijd omhelsd wordt.
Je verlangt het hemelse, de hel, alles daartussen:
Dromen, bedrog en geklaag over de liefde.

Want wie klaagt niet over de liefde?
Wie zingt nooit de blues, het sombere levenslied:
Een gretige vrouw in het diepst van je gedachten.
Wie zingt niet over de maan, de bergen
En prevelt niet van het lichaam de gebeden?

De stem herinnert je aan je sterven.
Dat je elke minuut moet leven, elke seconde.
Geld, roem, fortuin stellen niets voor in de Ronde.
Liefde, zegt de dichter, beweegt de harten
Van de mensen en beweegt de sterren en de stonden.

17-11-08

TUSSEN DE BEDRIJVEN


Vanuit de zijlijn kijk je toe.
Voorovergebogen in een regisseurstoel, 
Maar stil, zonder gebaren.
Helder je ooghoek in het ochtendrood.

Groen lokt je voeten, grijpt naar je schouders.
Groen van de oude natuur,
en het blauw van dode soldaten,
Op het strand gestorven jonge mannen

Hun leguaangitaren naast ze neergevallen.
In de herfst verliezen hoge bomen hun bladeren
Terwijl mussen blijven kwinkeleren
Alsof ze alle tijd van de wereld kregen.

Tussen de bedrijven moet je even paraderen
Een minimale pirouette voor een toevallige passante.
Je zegt: ik ben een tweeling nog
Op zoek naar het ravissante.

In een roman lees je daarna je avonturen.
Vermakelijk kun je ze niet noemen.
Nergens ondeugende onschuld.
Alleen altijd weer het trivial pursuit,

Van het dagelijks ridderschap de wonden.
Zo in je luie zetel de ogen sluiten
Met een zucht, diep als de Wannsee,
het hoofd ietwat zijwaarts gebogen.

Is het niet mooi en goed en nodig
dat er niemand na je komt?
Geen paljas om woorden, vloeken, tranen,
Je hele dramatologie uit te gommen.

16-10-08

OP DE PRAIRIE ZO WEIDS

 

Op de prairie zo weids zag je buffels grazen

Met het koude staal in je handen en de patronen.

De grond onder je voeten van hetzelfde staal

En als je uit je ogen keek: vuil, stinkend water.

 

Daarom misschien die ruimte bedacht -

onbestemde woede maakte geweren schietensklaar,

Gouden kogels, zilveren kogels, de naam des heren.

Voor wat hoort wat, hoorde je de ouders zeggen.

 

Oog om oog, tand om tand (in de bijbel).

Altijd een oog voor een oog

en een tand voor een tand, vroeg je je af.

Op weg naar het schip of de vervloekte mis.

 

Wanneer ga je weer naar huis, naar de beloftes?

Naar huis ga je nooit meer. Er is geen huis,

Er is niets. Er zijn rekeningen te betalen

En banken zo koud als het staal van in die tijd.

 

’s Avonds in de pan gebakken paling.

Je had je vader ze boven een emmer zien stropen

Als de zon nog niet donker gekleurd, nog niet purper

als boven de prairie, de magnolias, was.

 

Jagen op buffels. Wat ging in je om?

Een gebrek aan beginselen, geen idee

Van goed en kwaad, kwam iemand verklaren

Om je uit je paradijs te verjagen: tegen

honderd per uur in een doodlopende straat.

11-10-08

GEDICHT OVER DOOD EN LEVEN EN ZO

 

Alsof de dood je niet op de hielen zit,

Gewassen, gestreken en toch onttrokken

Aan het zicht, in nacht en nevel, tussen dennen,

Terwijl zusters van liefde fluisteren

En je broers oorlogskreten slaken.

 

Kom trek je blouse uit mijn schat

En toon de dode vogels je juwelen,

De stervende vogels uit de vier windstreken

Toegevlogen naar dit vier armenlandschap

Dat iedere dag vier maal groter wordt.

 

Een rots is net zo goed tot ondergaan gedoemd

Als een beschreven of onbeschreven vel papier.

Hier en nu denk je te leven, maar je stem

Hapert, verankerd in het verleden.

Alles om je heen maakt je ontevreden.

 

Liefdes koorts stijgt in de zomer

Als het donker echt donker is door het vele licht.

Je lichaam moet een ander lichaam verlichten

Met zijn schijnsel, zijn bliksemende bloed,

Zijn doodgeschreven vingertoppen.

 

Alsof de dood je niet op de hielen zit

Ga je de nacht in met je handen in je zakken

Waarin letters warm voor het gevecht.

Een lemmet wordt een lemma zonder zin

Als je alleen de stenen trap af gaat.

IRIS MURDOCH


Witte keien op het kille strand
Schrijven de geur van de zee,
De golfslag van het vergeten woord.

Weerspiegelen ze niet in hun stilstand
De vlucht van meeuwen
Met hun veren grijs van de wolken?

In haar hoofd is niemand gebleven,
Mens, dier, noch ding roepen haar terug
Naar een verleden dat nooit heeft bestaan.

02-10-08

UN ARBRE POUR MOI çA SERA TOUJOURS ‘EEN BOOM'

 “Un arbre pour moi ça sera toujours ‘een boom’”.
Jacques Brel.


Vier verdiepingen.

Iemand uit een ander tijdperk begroet je in de lift.

Hoe oud ben je nu eigenlijk?

Zo herkent hij je: je wordt ouder jongen.

Voor hij uitstapt klopt hij eens op je buikje.

In een lift in het centrum van de stad.

Op een steenworp van het Centraal Station.

Een Limburgs accent na al die jaren nog.

Zie je: het is allemaal zo erg niet.

Iedereen is alleen en allen krijgen een buikje.

Als je maar lang genoeg leeft.

En bier drinkt met mosselen en garnalen.

Iedereen woont in een vergeten straat.

Schimmel op de muren.

Een lekkend dak.

Iedereen ligt iedere nacht wakker

En vervoegt werkwoorden, telt op.

Het is genoteerd, mijnheer Bourgeois.

Overal schilderijen (licht uit het Noorden).

Begroet leugens en verwen ze.

Om ze vroeg in de morgen te kunnen verwerpen.

Verwen ook de levensgenieter.

Om hem het leven zuur te maken met het leven.

Zoals het leven is.

En dan daalt de lift tot zij muziek wordt.

En de muziek ben jij, je voetstappen, je hart.

Jij die me van de verdoemenis redt.

Jij die me van verbrokkeling redt.

Uit de lift, uit de hal, zie je de meisjes.

Bloemen in bloei, zei de ene.

Bloemen des verderfs, de andere.

Sha la la la la, zingt de gekwetste.

Dit gebeurt in tweeduizend acht.

Zingt om niets te voelen van de nacht.

Om niets te voelen.

Sta op!

Ga eens eten met een vriend.

Drink met een vriendin een koffie, een martini dry.

De Bruges à Gand.

Zie dat het goed is op straat.

Omhels het sociaal contact.

Vergeet het gevaar, de stedelijke legendes.

Sta op!

Nu de zon je heeft gezien en jij de kleuren.

Sta op markies en droog haar tranen.

05-09-08

SCHRIJFOPDRACHT (MAAKT MACHT)


Schrijf oorlog.

Schrijf wraakzucht.

Schrijf afgunst.

Schrijf leugen.

Schrijf mystiek.

Schrijf water.

Schrijf kots, pulp.

Schrijf lichter, lood.

Schrijf machine, geweld.

Schrijf asbest, luchtweg.

Schrijf moeder, gewonde.

Schrijf wijn, genade, stomp.

Schrijf liefde, wortel, begin.

Schrijf koning, zilver, granaat.

Schrijf raad, cel, verwantschap.

Schrijf madrigaal, moord, benzeen.

Schrijf lam, roest, agaat.

Schrijf lust, offer, stof.

Schrijf koorts, atmosfeer, hoest.

Schrijf foto, tulp, musketier.

Schrijf arabesk, walnoot, erts..

Schrijf hemel, knikker, lof.

Schrijf laboratorium, sonate, vel.

Schrijf rust, middel.

Schrijf vijg, rivier.

Schrijf afstand, plezier.

Schrijf astrakan, man.

Schrijf opdracht, spel.

Schrijf glorie, gebergte.

Schrijf weg.

Schrijf stijl.

Schrijf stil.

Schrijf woede.

Schrijf obsessie.

Schrijf vocabulaire.

Schrijf en vergeet.

27-08-08

EEN BLEKE ZOMER IN BERLIJN


De zomer nog niet begonnen of hij hoort

Die zelfgenoegzame zanger al met zijn lied

Dat hij meezong in negentienzevenzestig

Als hij nabij de rivier wandelde, droomde -

Een laat-romanticus op zoek naar een kus.

Maar veel later de zomer opgezocht in gidsen

Waarin gevlogen, gevaren, per trein gereisd

Via tunnels en vulkanische resten.

Via boeken, zinnen, woorden, histories.

In de hoofdstad wordt weer geleefd als vroeger,

Perfecte verbindingen van A naar B

En lekker eten en drinken onder het maanlicht

Bij een Italiaan in de Auguststrasse.

Oude kunst gerestaureerd dwarrelt je voor de ogen

En boeken op de markt, van Fontane verzameld,

En de goede Herman Hesse in kleine letters.

Voor de verzamelaar insignes, verwijzingen.

Ook zegt de gids waar de wolf woonde

En waar hij onderdook. Daar stond zijn bunker.

Daar werd zijn gebeente gevonden,

Van zijn Eva, zijn getrouwen, hun kinderen.

Alles brutaal verzameld in een verhaal

Over een totaalkamp, al nagenoeg een mythe.

Het vuurwerk gedoofd, het brandhout op,

Het probleem van de doden niet uitgewist.

Hun namen in bomen, in gele en blauwe stenen.

Op het Museumeiland ga je voorbij aan

Babylons rivieren, hun blanke maagden -

Maar herinner je! de psalm die pop werd

voor  mensen die elkaar zoeken gingen

met dolken, met poppers en pamfletten.

Je keert terug naar Anselm Kiefers Duitsland,

Zijn vocabulaire, zijn boeken, zijn sterren

En sperma. - Onverzadigd uit de jaren tachtig gekomen

Met Dada!, en Neu! En Kraftwerk! en Bauhaus!

Ga je op zoek in Berlijn naar wat vrome leugens.

Of hoe wil je de woorden noemen

Die je kinderen vertellen wat Anselm vertelt?

Hoe kun je zeggen wat waar is voor jou

En wat waar is voor de wereld?

Als je jezelf alleen maar omver ziet vallen.

Telkens weer omver ziet vallen.

26-08-08

DE SEHNSUCHT VAN HERBERT PFOSTL


Wankelend maar zelfverzekerd

In een van die kleine kano’s van je ziel

Oker en grijs bewaard in terpentijn

Raak je me in mijn zijn met je sehnsucht.

Je aarde waar snelle tijd niet gedijt

Heb je gemaakt van wat je kunt voelen

En zien. De pony’s van de dood

Roepen kristallen levens op en morsen troost.

Je wereld is een offerblok, een scheepskist

Waarin je alles bewaren kan wat je nodig hebt

Voor de eindeloze reis

Over de zeven zeeën van de tijd.

Alles past in wat je maakt,

Ook de wet van soldaat en schizofreen

En weinig is verschrikkelijk,

Veel aan mij en jou inschikkelijk

Alsof we beiden kronen dragen:

Ik die gretig naar je kijk,

Je blinde pony’s, je graven van papier,

En jij die je laat zien, je sehnsucht.

...

E
nige uitleg bij dit gedicht lijkt me nodig. Deze woorden schreef ik als commentaar bij werk van Herbert Pfostl, werk dat ik nog maar enkele dagen ken, maar dat me zeer diep heeft geraakt. Hij maakt een wereld die ik zelf grotendeels heb opgegeven, zij het dat hij als ik slaap toch weer tevoorschijn komt. Herbert Pfostl gaat heel ver terug in de tijd, en brengt die naar hier, als een mythische taal, als mythische beelden. Behouden is niet altijd verkeerd. Zijn beelden zijn nodig voor een gefundeerde toekomst.

Ik maakte gisteren een ruwe Engelse vertaling van mijn gedicht. Herbert antwoordde met deze mooie woorden:

"dear martin - the poem is very beautiful.
thank you.

we are like sinking ships sending signals.
and the sinking and the signals are what is beautiful and important - not the ship."

Je kunt Herbert Pfostls werk hier en hier lezen en bekijken. Ik hoop dat mijn woorden geen afbreuk doen aan het unieke van zijn wereld.

25-08-08

VEELVULDIG ZIJN DE GEDACHTEN EN DE DINGEN


Dat hij als jongen naar de sterren keek.

Heel vaak als het donker was naar de donkere hemel

Waarin de sterren niet te tellen waren.

Later las hij in een bericht dat er meer sterren waren

Dan zandkorrels op onze ondermaanse stranden.

Hij lachte, hij huilde, hij brulde, toen hij over een brug liep

En dacht dat hij anders was.

Alles was anders en hij was ook weer anders.

Dat ze mij niet in een woord opsluiten, zei hij.

Dat ze mij niet verdingelijken.

Dat ze mij niet verdrinken.

Een uitweg zocht hij niet.

Hij koos wat hij zag en paste in elkaar wat hij had gezien.

Veel dingen vonden een plaats in zijn kosmos.

Dat ze het geen kleine wereld noemen, zei hij.

Dat ze het geen liefdeloze wereld noemen, zei hij.

Dat ze mij niet klein krijgen.

Dat ze mij niet verminken.

In de winter grepen donkere dingen hem naar de keel.

Er was geen maan, geen sterren.

In de zomer het licht, het overbelichte licht op zijn foto’s.

Dat ze niet zeggen dat wij geen gras zijn, zei hij.

Dat ze niet verklaren: wij zijn geen apen.

Dat ze niet zeggen, het is niet goed dat wij weer naar de grond gaan.

Want het is goed dat wij weer naar de grond gaan.

Dat wij weer in de grond gaan.

Het is goed te leven en goed is het te sterven.

De zon komt op in het Oosten, gaat onder in het Westen.

Alles wat wij weten is woord en wederwoord.

Alles wat wij zeggen is gezegde.

Alles wat wij zeggen is begrip.

Alles wat wij zijn is adem.

Nog kijkt hij naar de sterren.

Nog kijkt hij naar de atomen.

Nog maakt hij foto’s van blauwe zetels.

Nog is hij een mens onder de mensen.

Naar het ongebondene keert hij telkens terug

Waar hij zichzelf is, zijn geheimen vindt.

 

 

 

 

08-08-08

DUYSTERNIS MAAKT JE BANG


Boeken verliezen betekenissen

Als je ze tot bekentenis kunt herleiden.

De wereld ontbeert zin.

Liefde heeft een schroef los.

Of twee, drie.

Op het verlangen zit roest en roest rust.

Een zwaluw bracht lente in omloop

Met verfgeur en lokkend gevaar.

Je likte je baard, hoed op het hoofd.

Maar na wat lauwe regenbuien

Trekt de zomer nu aan je voorbij

Met mooie meisjes en talen die je niet spreekt.

Nutloos je woorden.

Op een zonnig terras zit je wat voor je uit te zwijgen

En neemt al gauw naar bed de tram.

Naar de winternacht die lang en donker als de grond is,

Donker als de afgrond.

De donkere winternacht.

En dan het woord afgrond ook nog eens een keer.

Verdwenen stemmen en raadsels.

In liefde gestemde akkoorden.

Je hoort muziek zonder wonden, zonder wonder.

De duysternis, zelfs, maakt je bang.

De duysternis maakt je bang.

29-07-08

UNTERTÄNIGST SCARDANELLI


Aan de dichters.

Met een zware last op de schouders loopt Scardanelli

Klerken en kannibalen tegemoet. Levenslang

Tegen het lijf, niet tegen het lijf, tegen de hersens.

(Je zag ze in een glazen pot in Berlijn. Dezelfde hersens.

Maar niet dezelfde.)  Scardanelli was namelijk zichzelf niet.

Hij nam niet deel aan de bleke herfst van Deutschland.

Hij nam niet deel. Hij bukte, boog trots het hoofd omhoog.

Onderdanig was de dichter op het onbeschofte af.

Altijd dank u mijnheer zo en zo, dank u mijnheer de bibliothecaris.

Ook als er een loodgieter langskwam, een bakker, een hulpje.

Moeder ik heb u zo gemist. Untertänigst Scardanelli.

Zuster, broeder schrijf me gauw want ik wil sterven.

Ik wil niet dood. De adem van koude lijken brengt mij aan het beven.

En ik heb niets, lege handen, niemand kan van mij iets erven.

Vergeef me!  Untertänigst Scardanelli.

Gebukt loop hij door de zomer en nog vlugger staat hij voor de deur

Van de herfst. Een deur die hij al lange tijd geopend had.

De poorten van een asgrijze winter en nog akeliger het ontkiemen

In de lente als de vogels zingen, en groene asperges staan op het veld.

Daarna weer moe en moedeloos de zomer in waar de boer sterft

Aan een verdriet maar eerst nog op de dag des heren

Het land verkent, zijn akkers, zijn gewassen waarop het onweer

Genadevol te keer ging. Alles groen, zoals ik dacht, zo kan ik sterven.

Scardanelli zweet en zwijgt en kijkt de hemel in. De zon toch weer

En mijn wandelstok en mijn hoed. De Grieken waren heilig in hun heuvels

Waar in elke struik een raadsel sluimerde. Voor elke ziekte

Een gewas, een kruid. Maar de woeste hitte van Bordeaux stuurt hem

Al naar het vaderland terug, aan de Neckar, waar de wijn zachter is,

En de meisjes klaterend lachen. Een bootje vaart wat wankel

Naar de horizon. Het wordt donker in mijn hoofd. In mijn hoofd

Wordt het helemaal donker. Pallaksch, pallaksch.

Untertänigst Scardanelli.

 

11-07-08

DE LATE HYMNEN

 


De late hymnen spoelen niet aan op een verlaten strand

Na een elektronische Apocalyps. Na een doodgewone schipbreuk evenmin.

Als je alleen op een strand staat onder het maanlicht

Snelt geen atoomduikboot of enige ander vaartuig op je toe

Om je broze huid, je leergierige ogen te redden.

De late hymnen? Niets van dat gedoe raakt koude kleren.

Liever verkleumt men in Alaska als ultieme avonturier

Dan het woord ‘Zeit’, het woord ‘Aber’, te lezen

En nog minder om er een berg bij te bedenken en een tweede berg.

De berg, namelijk van het denken, en die van de mythologie.

Thelonious zwijgt, geen spoor van God vandaag.

En morgen, morgen misschien? Morgen nog minder sporen.

Beter nog sta je voor het voetlicht en zing je een schunnig lied

Dan zo de lege stilte te gedogen en nooit een woord in te schakelen

Om de afwezige terecht te wijzen. Want sprak hij niet over zijn terugkeer

In die tijd toen de mensen hun hoofden in hun handen hielden

En het water zoet uit de oceanen het land in stroomde vol donkere

En lichte vissen en de schepen met vlaggen waren versierd

Alsof zij de boodschap van iets hogers verkondigden en niet alleen maar

Dat er vandaag verse vis was en misschien ook wel een vissersvrouw

Of twee en enkele bedgeheimen om op voort te bouwen?

06-07-08

KLEINE ZWAAN

 

Denk je dat ik van je hield vanwege je badkamergeur?

Je witte huid in de spiegel, je hals vol luchthavenparfum

Waarin toch altijd rozen, en kransen en wijwater?

Denk je dat je indruk op me maakte met je letterwoorden,

Met je computerspraak, en je bewuste dyslexie en je Latijn

Van Vergilius en zongedroogde zonnebrilpersonen?

Denk je dat ik in je wereld wilde leven waar niemand leeft

Maar waar je grote namen kent en veel illusies koestert

En waar een minister geen kans krijgt vanwege zijn couture?

Denk je dat je tepels uit je decolleté me uit mijn stoel

doen springen alsof het geen naam heeft, je borsten wit

en als wolken die voorbijgaan zonder meer of minder?

Denk je dat je in je witte jurkje sexy bent in de regen

Als je helemaal nat wordt en van op een afstand

Men zonder kijker je opgewonden kippenvel kan zien?

Ik  zag je in de spiegel passeren, kleren aan en uit.

Ik zag je donkere verlaten straten verlichten.

Ik zag je allerkleinste wonden van heel dichtbij.

Ik zag je met je vriendjes praten alsof de zon scheen

Om middernacht en je leek heel blij.

Ik zag je eyeliner over je wangen stromen en ook

Zag ik hoe je aan jezelf niet en nooit genoeg had.

Ik wilde je van alles verwijten, kleine zwaan.

Ik wilde je van binnen en van buiten bijten en verscheuren.

Ik dacht dat ik van je hield, je ogen en wat je deed

Met je haren, en elk ogenblik opnieuw dacht ik hetzelfde:

Ik houd van haar, ik houd van haar, van haar houd ik echt.

Maar nu gaat het slecht met me en ben ik droevig.

Ik luister naar de radio, de slechtste liedjes van the Beatles,

En ik denk, zal ik niet beter een berg beklimmen

En op de top in een mistig veld daar slapen, sterven.

   

04-07-08

N'OUBLIE PAS QUE TU VAS MOURIR II


Voor Xavier Beauvois

Van in den beginne had je een gruwelijke dood voor ogen

Nog voor de oorlog, - gewonnen of verloren, - begon.

Je was een boer in een kaartspel toevallig gedeeld

Terwijl droevig een cello het sinaasappelsap begeleidt

In je van groot geld verstoken ochtend.

Je dacht aan Lord Byrons leven, een door god geschapene

Voor ranke vrouwen en het gevecht. Druiven waren

Daardoor alleen nog maar metaforen, symbolen.

Want wilde je niet ontsnappen aan brutale stations

Waar nabij getatoeëerde dealers huizen,

Hun kamers van bloedrood brokaat en Slavische onderwerping?

Was je daar niet al een van de Meden tegen Sardanapulus?

Je ligt wakker, herinnert je een jongen met zonnebloemen

In zijn ogen, de witte huid van crack – en beelden van Hadrianus

Die tot rust komt in Rome, met zijn vele baden.

Je herinnert je daar bedelaars met verlepte rozen

En van oudere toeristen het tandengeknars.

Het is de liefde die je de dood geeft, duistere koningin –

Het zuchten naar je blauwe moeder met haar trofeeën

En haar gedweep met Engelen in het Oosten en het Westen,

Met haar gevolg van junkies in de laatste trein uit Amsterdam.

Het is de liefde die geen liefde is maar wetenschap,

Verlangen naar een andere plaats, ontdekking,

Opengesneden lichamen, hun zachte ledematen

Afgerukt, de inhoud van hun buik, hun warme testikels,

Hun magenta lippen die op kogels bijten en bloeden.

Zo zal het altijd zijn. Je daalt de oude trappen af

van een oude stad en verlaat wat zichtbaar is van de wereld.

Sterker is in jou de oorlog dan elke roes, dan elk genezen.

De oorlog ben jij met een homerische blik in je ogen

En dat je denkt dat er geen pijn is en geen verlossing.

Voorbij zijn de sombere, de blaffende wonden.