22-12-09

IN EEN KOUDE STAD



daring3

Foto, Martin Pulaski.

Consuela zocht je in de koude stad

Waar de sporen.

Langsheen een fontein, bevroren, sneeuw nog wit.

Sneeuw nog wit.

Sommes des Bruxellois, zei ze.

Je bent vriendelijk of je bent niet.

Een glimlach berokkent geen schade.

Een glimp van je blonde lokken.

De rode rok pas later.

Maar geen schade je blik, verwonderd, verward.

Alsof de dagen nog komen moesten.

En voorbij al waren.

De winter, lente, herfst.

De dagen toen wij elkaar nog konden kussen.

De dagen van wat dood zijn en dramatisch gedoe.

De dagen van ziekte en valse gezondheid.

Genotloos.

In de winter begon het feest.

Je had je truien aangetrokken

Want buiten was het Noordpool.

Moest je niet tot aan de evenaar?

 

Een warme vrouw kun je toch niet koud maken?

Een warme vrouw kun je smaken.

Een verloren gegroeide oester.

(Oester als een woord dat veiligheid betekent.

Koppelen oesters, zijn zij tevreden in mijn mond

Als ik ze savoureer?)

Met het langer worden van de dagen

Groeit de verwarring van liefde.

Zekerheid als een precisiebom is er nooit geweest.

Zekerheid is een misdrijf.

Je zegt niet tegen je geliefde: je bent een beest.

Je bent van goud, zeg je.

Ik wil de hele nacht met je dansen.

Ik wil de hele nacht met je dansen als de zon.

Als de zon opkomt.

En dan, waar is de nacht gebleven.

Consuela, waar is de nacht, de dag

De sterren. Vergaten we niet veel woorden

En zitten onze zielen niet met gaten?

Maar.

11-12-09

PLUIMGEDICHT

 

Dagen dat je blij was verstreken met de dagen

En droefheid kleurde je bomen in tinten van vergif

En stervende heuvels, dor, bijna plat. Je bomen

Van goud en groen van kikkers, van kicks

in het morgenlicht als in een pluimgedicht -

een pluim die nooit liegt, zwart van de inkt.

Doet het jou geen pijn als de wereld sterft

Onkreukbaar op papier, waarop geen noot ontbreekt

Tenzij wat de sterren zingen en onkruid?

Waar wil je heen met je duistere bruid, je formules,

Je afzichtelijke geluid – omdat je een motor bent

Een mortier, een splinterbom – een zakencijfer?

Waar wil je heen met je vervalste erecties

Je geparfumeerde heilige geschriften –

Dodelijk voor degenen die stinken, de armen,

De heiligen van de aarde en de liefdes?

Degenen zonder stem, geen taal dan klanken.

Degenen die je engelen noemen zou en duivels.

 

10-12-09

GLAS EN DIAMANTEN


Toen New York er nog niet was noch Brasilia -

de altijd verwonderde architecten. Pianoloos

Hoorde je van de moeders, het leven de geluiden.

Van in het begin was je je eigen broeder

In de modder.  Een spin die niet kon weven.

Erts ontgonnen voor een nieuw begin, een raster

Bestaande uit fysica, film en zinken planeten.

Je vader verwijderde zich in asbestwolken

Met pijp in de mond. Zijn bestofte overall.

Terwijl zwarte ganzen wurgden de lente, zomer

En jij ouder al tegen donkere muren piste

Als een rat, een ratelslang, uit Amerika, geliefde.

Dan opeens Broadway en het Strijkijzergebouw

En uit Harlem stegen stemmen op van glorie:

Hier nu, zongen ze, hier vind je de vrijheid.

Hier nu, zongen ze, in deze, deze glorieuze tijd.

Want als je wakker wordt wordt het beton weer zand

En de sterren worden weer sterren en jij blaast glas.

Jij blaast als je ontwaakt glas en diamanten.

11:30 Gepost in Gedicht | Permalink | Commentaren (0) | Tags: voor eric v |  Facebook

30-11-09

HET MARTIN PULASKI-PLEIN

 

good bar,job,piggy,dodenklas,ahab

Wordt dit het Martin Pulaski Plein? 

Niet de strategie van de spin maar die van de verschroeide aarde, waar geen hibiscus, geen paardenbloem meer bloeit. Iemand beschildert de straten met afbeeldingen van verkeerde Amerikaanse presidenten. Er is geen weg terug, ook al zing je burgerlijke ongehoorzaamheid.

Het witte schip vaart voorbij Kaap de Goede Hoop, en dan op de klippen. Zelfs geen kapitein Ahab om de breuk te herstellen, geen Ismaël, geen Vrijdag om je te verwelkomen op zijn enig eiland.

Wie denk je dat je bent om zomaar met de vijand mee te zingen? Met leider van het zwarte koor. Alsof je niet in de Poolse dodenklas zat, bij de andere verdronken kinderen? Je nacht is tot lust in staat, maar veel meer nog tot moord en doodslag en overgave. Waar er vijandschap is, is er liefde zeg je. Hier heb je al mijn ogen. Hier heb je mijn vergeelde brieven, uit de tijd toen je nog over mijn vurige paarden heerste, en met een glitterzwaard je demonen verjoeg, alsof je een soort mister Goodbar was. Maar een mister Goodbar ben je nooit geweest. Eerder opgejaagd wild, een Piggy met een stukgeslagen bril. Hoestend en piepend. Eerder een Job, die liever nooit geboren was.

 

(En als ze nu eens een plein naar u noemen? Of een vallende ster? Zoudt ge dan tevreden zijn. Zoudt ge dan beter slapen en minder pillekes slikken?)

26-10-09

MISVERSTANDEN

Voor Roman Polanski

Over liefde zullen veel misverstanden bestaan -

Geliefde waternimf als je zijn echo nabootst,

binnendringt in donkere lagen van zijn zijn,

Zijn hart, longen, de kern waar hij zorgen baart.

Op een zonnige dag in mei zal hij je vermoorden.

Een rake klap met de hand, op een trage boot naar China

Een spat bloed op de kajuitwand. Geen vogel die er naar tsjilpt.

Weg uit de wereld, weg uit zijn zijn, zijn pijn verzacht.

Zeeziekte lijkt hem een minder erge kwaal dan Valentijn

En rozen zijn rozen zijn rozen, geuren zonder betekenis

In zijn leven beheerst door briljante abstracties.

Hij kwam je liefde stelen en trof je verschil aan.

Hoe je hem onwetend doorboorde door anders te zijn.

Je viel niet met zijn huid, met zijn zintuigen samen.

 

 

 

21-09-09

IK ZEI 'JA' AL HEEL VROEG

 

Ik zei ‘ja’, al heel vroeg.

Maar ik zei vooral ‘nee’.

‘Laat me met rust.

Laat me niet met rust'.

“Deze wereld is jullie makelij.

Niet die van mij.

Ik ben maar een passagier.

Een niemendal.

Een strijkijzer op een operatietafel.

Ik ben geen dit en geen dat.

Een aasgier ben ik niet.

Ik heb geen naam.

Met de ene rug het beest.

Wankel in de winkelstraten

Met jullie merkwinkels

Waar al het lelijke wordt verhandeld.

Al het lelijke van de wereld.

Al het overbodige.

Aan mij heb je een lastige klant.

Een armoedzaaier.

Zie me zaaien: zint het je niet?”

Ik zei ‘ja’, al heel vroeg.

Maar ik zei vooral ‘nee’.

‘Laat me met rust.

Laat me niet met rust'.

“Klimmen naar de top van de ijsberg

Is niet mijn sterkste kant.

Ik keek van boven naar beneden

En zag tinnen soldaten bloed vergieten

Voor een emmer vloeibaar goud.

Of voor een emmer stront.

Dat maakte niet uit.

Het kwam op winnen aan.

En een naam in de annalen gegrift.”

Ik zei ‘ja’, al heel vroeg.

Maar ik zei vooral ‘nee’.

‘Laat me met rust.

Laat me niet met rust.’

“Van beneden naar boven keek ik

En ik zag laarzen, modieuze schoenen

Me schoppen waar het pijn deed.

Vrienden beten in het stof:

Ze kozen de zachte dood.

Alles liever dan door jullie

Uitgehongerd, uitgelachen, uitgerangeerd

Te worden.

Met woorden uit het leven uitgesloten

Te worden.

Alsof ze geen geestdriftige mensen waren

Met hun ogen glinsterend van de plannen.”

Ik zei ‘ja’, al heel vroeg.

Maar ik zei vooral ‘nee’.

‘Laat me met rust.

Laat me niet met rust.’

“Ik had een schorre stem.

Ik sprak niet.

Ik zei ‘I don’t care anymore’.

Je weet maar nooit

Wie je vijanden zijn.

Maar als je naar beneden gaat,

Naar de vallei,

Dan weet je het al snel,

Wie je vrienden zijn.

Als je honger lijdt

En iemand geeft je brood

En wijn en woorden.

Ook al heb je een schorre stem

Geeft toch een vrouw je liefde.

En haar kus

Is de proef op de som.”

Ik zei ‘ja’, al heel vroeg.

Maar ik zei vooral ‘nee’.

‘Laat me met rust.

Laat me niet met rust.’

“Mijn hart vanavond is gevuld met wrok.

Maar niet voor lang.

Morgen dans ik weer, een derwisj,

Morgen dans ik in de armen van sjamaan.

Morgen omhelst me mijn geliefde.

Morgen geef ik je kussen.

De kleuren en de geuren van de wereld.

Morgen ben ik er voor jou.

En voor jou.

Come rain or come shine.

Ik val voor je neer, met onbedekt hoofd

Als voor de bliksem.

Ik ben je geliefde, je bruidegom in de avond.

Je hebt vele namen, maar blijft onbekend

Als een god die nog niet is ontsluierd

Een bloem die moet ontluiken

In heel veel toekomst.
Ik ben je donker dier.

Je mededogen ben ik en jij dat van mij.

Ik ben je tijger.

Ik ben je lekkere kip.

Maar smaak ik ook goed?

Mijn hart vanavond is gevuld met wrok.”

Ik zei ‘ja’, al heel vroeg.

Maar ik zei vooral ‘nee’.

‘Laat me met rust.

Laat me niet met rust.’

“Laten we nu dansen schat,

Naar de zijkant van de wereld.

Laten we dansen voor de doden

En voor degenen die nog leven

Met een vonk in hun ogen.

Eerlijke leugenaars, valse vrienden,

Bedriegers die talloos veel

kwalen helen.
Laten we nu dansen schat,

En de nacht, de dag vergeten –

Alsof zij even niet bestaan.

Evenmin als de klootzakken

Die je hart, je zenuwen verzuren.

Laten we nu dansen en bidden

Voor wat nog rest

Van het vuur in ons, het vonkje.”

 

31-07-09

WOORDEN EN WEGEN

Voor Blue.
 

In het begin waren je woorden van donkere klei

Later witte kiezelstenen recht uit de Maas in de mond.

Je was klein nog en twijfelde aan de wonden niet

Vanwege alles wat je heilig noemde, je pijn en verdriet.

Diep in het bos hoorde je de koekoek roepen

En speurde je naar het schuwe, geheimzinnige ree.

In de winter viel de stilte in teerbeminde sneeuw. -

Meibloesem, Tarzans lianen, nieuw geloof ontstond.

Je woorden noemden het weerlicht, de bliksem

En als je in de spiegel keek, keken anderen mee.

Niet langer alleen met onweerswoorden, gedeelde

Pracht en waanzin, angst - tezamen overweldigd.

In die dagen volgden je getrouwen je als was je

Bahamontes vloekend de groen bevlekte heuvels op.

Gingen je voor, drankwinkels binnen, in vertrouwen

Wachtend op je woorden: whisky, gin fizz, whisky.

Nu ben je ouder, twijfelt, en trager dan een koning.

De weg omhoog is die naar beneden, dezelfde.

Waarom naar geluksklaver gezocht, naar een woning nog

En het ultieme lied in deze schaduwrijke dagen?

07-07-09

BARROCCO

 

Ik  wil die donkere wolken boven je hoofd niet

En evenmin boven het mijne.

Een steelse blik, een koude blues, schuld en boete

Als je de avond vat in een openbloeiende bloem,

Een borst vol seks en wonder, een schouder


Om tegenop te dromen en te vloeken.

Ik wil dat zachte gerinkel niet aan mijn hoofd

En evenmin aan het zachte jouwe:

Een eenzaam gepiep als van een oude herenfiets,

Krakende gewrichten, domme woorden, onzeker gehijg

En plotseling een kil briesje.

Wil ik iets? Alsof instrumenten wild uiteenspatten

In waanzinstreken. Filmbeelden branden,

Zalen op stelten. Gekrijs van raven, mindere vogels.

Vuur in de vlaktes en in je ogen.

Vuur in je ziel die niet bestaat en wel bestaat.

Ik hoor je schaduw die nooit heeft gelogen.

Een dwarsboom die zich Hercules noemt

Maar tegelijk romantisch door ons heenkijkt

Op zoek naar zachte aders en daders.

Alsof je een ziek meisje bent en geen sterke vrouw.

Ik zie je komen, een schim vol lichte tonen,

En je voetstappen ritme van een nieuwe wereld

Waar kinderen leeuwen worden, zacht van aard

En ongeduldig vanwege onze domme wetten.

Een nieuwe wereld waar het heel kleine heerst.

Het beheerst geschreeuw van saxofonen.



***

(
"I was just sort of mythologically in love, if you know what I mean, without having evidence in fact or in deed...But I was as close as anybody could be to the real thing" Michael Brown, The Left Banke).

 

(Achtergrond, Paroah Sanders' 'Thembi' en 'There's Gonna Be A Storm' van The Left Banke.)

***

caravaggion


16-06-09

SPOLETO, 2 JUNI 2009

 

Verjaar in stilte moe.

Laat de wijn wachten tot de avond valt

Zie daar de horizon en heuvels, bergen in de verte

Hoe meer nabij hoe langer je kijkt.

Verjaar in stilte moe.

Verjaar ingetogen.

Niet als heavy metal thunder

Verjaar sober blauw als een blues

Van Blind Willie Johnson.

Verjaar ingetogen.

De zon heb je niet nodig.

Je hebt de wind, de wolken

En de regen. Je hebt natte voeten -

Evenals de kracht van wat je niet kent.

De zon heb je niet nodig.

Laat anderen uit liefde vechten.

Blijf jij bij jezelf en je weinige beminden

In het groen en het blauw, het donker

Met rode vlaggen, vlammende lippen.

Laat anderen uit liefde vechten.

Verjaar in ademvolheid.

Verjaar als iemand die leven liefheeft,

Als een geliefde, een beminde,

Als een ziel, een lichaam, en het onbekende.

Verjaar in ademvolheid.

Je hebt het geruis van anderen nu niet nodig.

Je bent zelf de anderen.

Je hoort je echo in de vallei beneden

En het geblaf van brave honden.

Je hebt het geruis van anderen nu niet nodig.

Laat de avond vallen.

Regen op je hoofd, wind in je haren.

De bittere, zachte wijn troost je jaren.

Je bent jezelf een beetje zat.

Laat de avond nu maar vallen.

12-05-09

HERINNERINGEN BLIJVEN JE NIET LANG TROUW

 

Als de tijd je rust brengt en herinneringen.

Als je terug kunt kijken op je rijk en zijn grenzen.

Als je je hart herinnert zoals het klopte in de lente.

Schenk je dan nog een glas wijn in en drink.

Want herinneringen hebben een roes nodig

Om in te gedijen, een denkbeeldig kussen

En de geur van zweet, van gardenia’s -

Herinneringen blijven je niet lang trouw.

Je leven is afscheid nemen van namen, van

Onvergetelijke woorden, van fluwelen huid,

Van motoren en vrachten en oude rivieren.

Je leven vloeit wreed en diep naar de oceaan.

Je leven is een zachte bries, een sluimertijd,

Onopgemerkt in luxueuze huizen, waar gewikt

Wordt en gewogen en niets aan het toeval.

Voor hun dobbelen daar hebben ze je niet nodig.

Dat is goed. Als je je woede maar koestert

En de sterren, de volle maan, rode lippen,

Glinsterende ogen, vreemde liefde, waanzin,

Fietsende kinderen en vuurvogels zingen

Hun lange liederen over het stof, de aarde.

07-05-09

AVALANCHE

 

Nu het nog kan kun je me beter versieren als een levende ziel

Zonder zwarte kater op zijn schouder op een zondag

Als ik met een gitaar en krant te goochelen zit. In het

Wit misschien, stoned als een countryzanger de dood nabij

Maar toch heel levendig, met veel geel en groen -

Heb je mijn ogen al gezien als ik onnozel doe

En blij ben omdat je bij me bent als een dagdroom

Die je niet vergeet, ook niet tussen de mensen op trottoirs

Die overal heen snellen, als blinden stoten ze tegen je aan?

Dat jij me niet vergeten bent hoor ik in elk lied

Als ik nuchter ben en luister en op signalen van liefde wacht

En opeens zit iemand op een viool te krassen en zingt:

Ma chérie je veux danser avec toi, toute la nuit.

Chagrin, pitié, faut oublier tout ça, mal à la tête,

Non, oui, je te veux, je te veux, comme une avalanche.

 

10-04-09

IN TROEBEL WATER (ZELFPORTRET ZONDER ZELF II)


Je zwemt in troebel water.

Je bent geen vis, niet zuiver op de graat.

Auto’s gaan slippen als je praat.

Je schrijft met onzichtbare inkt.

Je leest geen woorden, geen zinnen.

Je leest organen, rook, melkwegen.

Je leest gelach, schrik, weefsels.

Je bent geen Beatles; geen Michael Stipe.

Je gelooft niet in karma.

Je gelooft niet in het lot.

Je gelooft niet in hele avonden in cafés.

Je gaat neerliggen in negatieve velden.

Maar je gelooft in begin noch slot.

(De dode zon van Ray Charles

Op een gesolariseerde foto,

Op een flou artistique van een Naams danseresje

Schijnt.)

Bergen papieren om je heen.

Je moet nog leren klimmen.

Springen van klip tot klip.

Herinner je je Kevin Coyne’s False Friends?

Hoeveel plezier je daar aan beleefde.

Toch dacht je aan je vrienden

Die niet eens vals waren.

Een berg mieren, en de bekende stier

Die je naar bodega’s lokken wil.

Als je nog eens blokrijdt naar het Zuiden.

Weggeknipt uit een film.

Was je geen extra, immers.

Extraterrestriaal, magistraal, onwetend.

Moet er niet wat structuur worden aangebracht?

De logica zoek?

Ach, de hoofdletters vanzelf aan het begin van

Elke regel: dat kan volstaan als verklaring

In het troebel water, waar niet wordt gevist

En niet gevangen - of vang je ze al?

Tot slot nog wat dansen aan de rand.

Een calypso, ‘n bossa nova, met Olive Oyl -

En Check Mister Popeye in de gevarenzone.

Dansen in een open plek in het woud

Tussen de bomen en ver van steenvlaktes

Waar dwergen vuurtje stoken en zo.

Nee, je valse vrienden gingen niet op de loop

Met je idee van geluk.

Ze waren niet eens vals.

Gesteld dat ze in andere tijden leefden.

Terwijl jij zweefvliegde en zwom in troebel water.

25-03-09

THEORIE VAN DE LIEFDE

 

Ik heb geen theorie van de liefde.

Heb sabeldans noch -bont begrepen.

Ik ken de passen niet, het zacht gekus

Van een zacht neervallende ster.

Ik zag dieren venijnig en woest.

Niet in de woestenijen, maar braaf

getemd, zonder opstandige stem.

In een landschap waar wevers de stad.

Ik heb geen theorie van weefsels,

Getijden, dwalen en falen, zich verliezen

In analyses van afwijkende wijknamen

Of gezichten die nergens op lijken.

Is het geen dwaasheid dan om alsnog

te leven alsof er iets aan de hand is?

Je weet niets, je kent niets, je kiest niets.

Alleen tegendraads zijn almaar, of zwijgen.

Is niet alles al volmaakt van tevoren -

En je bent voor niets geboren? Onbestemde
Steen haalde het vel van je woorden,

Die van water waren, boomschors.

 

12-03-09

THERESE RÊVANT

 

Op ‘t eerste gezicht valt het aardse bruin op

Waarin het meisje in dagdroom verzonken ligt.

Op de voorgrond likt een zwangere poes ‘n bord leeg.

Het meisje leunt achterover in het licht

Alsof niemand in de kamer aanwezig is:

Rode pantoffels, een been opgetrokken.

Haar rode rok omhoog geschoven; gefluisterd

Wordt nog over de vouwen in haar onderbroek,

Sneeuwwit als de dagdroom van een meisje.

Achter haar handen samengevouwen

Op haar bruine haren, die donkere gordijnen

Waarachter – ongetwijfeld - een meute toekijkt

Tot zij haar ogen opent. Tot zij iets doet.

Tot zij eindelijk iets anders doet dan dromen.

Haar rok glad strijken, haar onderbroek weg.

Opdat de wereld weer wereld, weer wereld

Worden zou, mogelijke dreiging als een deken

Opgevouwen en elke zucht, elke vloek in het gelid.

Wie wil niet dat groene kussen zijn dat haar rug

De wereld biedt? Dicht tegen haar ruggengraat

Waar al haar stemmen klinken en haar hart klopt.

...

Voor Thérèse, en alle poezen die dit (waarschijnlijk) niet kunnen lezen.

 

 

09-03-09

BIJNA STA JE OP JE HOOFD

 

Bijna sta je op je hoofd en leest een spannend boek

Van achteren naar voren terwijl de afwas -

en waarom geen blauwe auto op een maandag?

Geen motor in je leven, alleen multicolour prentjes.

Echter wel Joe the Lion en miljoenen wortelstokken

Van bij je geboorte af, tot het graf.

Het houdt nooit op. De twijfel aan jezelf,

Aan je laffe heldenmoed, je ontzeggen,

Je ongedwongen amoureus zijn maar altijd

In je gedachten – vanuit een schemering

Sturen schemerige vrouwenfiguren je dagen

En  nooit in ademnood wordt iets beslist.

Terwijl je in donker België godganse dagen

De hemel zit af te smeken een zon, een maan

En talloze sterren. De hele maandag door

Evenals de maannacht. De volle maannacht

Als om je heen geruchten en geruis - en

Heldjes met speldjes op hun frak de benen strekken.

Allen werden ze afgelikt en vetzakken genoemd

Door die en die. Hun kloten koninklijk voor een dag,

Uitvinders van raketten waaraan niemand kan weerstaan.

Zonen met ballen die Bowie en Rimbaud vergeten zijn,

En de dochters van de stille tijd die desondanks blijven

Zelfs als je op je hoofd staat, tegendraads, ondersteboven.

De volle maan. Vanavond nog het vliegtuig nemen?

Naar de hemel, de maan, Venus daarboven?

Mijn tong tussen je tenen, mijn ogen omhoog

Langs je benen tot hoog boven de heuveltoppen

En wat is geluk? Wat betekent het omgekeerde

Van wat alles betekent en wat nog bekennen, liefste?

27-02-09

REBEL WITHOUT A PAUSE : ZELFPORTRET ZONDER ZELF

 

Opgedragen aan Rick Rubin en Def Jam (deel 1)
Opgedragen aan Eva V. (deel 2)


1.

 

 

"I need a radio inside my head".
"Vanuit een verte lijk je op Kate Moss”,

Zegt ze.

...


“Veertig jaar geleden als ik wandel in een bos

Of neerlig in het struikgewas.

Je zag me nooit in een Cadillac

Maar hoe je op me geilde in mijn wit linnen pak

In Firenze gekocht zonder centen.

Een voorschot met hasjiesj als rente.”

Geen al te grote voeten, een kleine tafel

En een pen om Dante na te bootsen.

“In 1970 werd ik wakker op honderd gram

Rode Libanon.

Jongen wat werd ik ziek van dat spul.

En onze sleutels weggegooid.

Onze weg naar huis geschooid.

Mijn huid nog niet leer gelooid

Door de ellendige tijd."

""Je denkt toch niet dat ik over mezelf ga rijmen.

Of ben je gek of zo?

Ofwel is het teveel ofwel is het te weinig.

Een rebel, je moet wel dwaas zijn,

Een rebel in een beschaving

Waar niemand geschaafd is.""

Drink beter tequila als een nijlpaard.

Drink absint als Van Gogh en Strindberg.

Drink whisky als Warren Oates.

Maar fuck al die andere shit.

Vroeger was je misschien wit.

Nu ben je zwart en schrik je in je spiegel.

“Terminator”, zegt ze.

“Ik word nog eens een terminator,

Gonna clean up this town, pussycat,
Al die lavabo gestapo’s de keel oversnijden.”

 


2.

V
erschil je van een reptiel

In dit moment dat twee uur duurt

En je wil zomaar iemand kussen om te kussen

(maar je bent er niet)?

Wie ben je als je in het station staat te wachten

Op de trein naar Oostende, naar Eupen?

Wie ben je als je zegt, "ik word nooit oud,

Ik heb daar het vel niet voor"?

Wie ben je eigenlijk?

Wat doe je, wat doe je met je leven?

Als je vrienden sterven, je vrienden weggaan

Voor altijd of op bedevaart naar graven

Van bewonderde schrijvers, muzikanten.

(Bidden doen ze niet, wees maar gerust.)

Ooit was er een tijd toen je je zo fijn kleedde.

Een kort jurkje, een doorkijkbloes.

Begeerde je alleen haar borsten, haar venuslippen?

Zij was goed opgevoed.

Spuwde niet op de grond maar in je gezicht.

Zo verwarrend, jongen, dat je de persoonsvormen vergat.

"Ben ik Shaft", zei je? "Dirty Harry"?

"Ben ik Captain America, Julien Sorel"?

Of gewoon een bankbediende met je haar geknipt,

Een scheiding aan de linkerzijde?

Je vader was in het verzet, zat in een kamp.

“Maar in Duitsland vond ik mijn vrouwen en dichters,

Margareta von Trotta, Rainer Werner, Rilke, Hölderlin

En al de anderen. Ik wil zo weinig mogelijk namen noemen

In een gedicht.

In een gedicht over mijn aangezicht.

Dat ik bijvoorbeeld van Italië houd, zeg ik niet.”

Je bent eenvoud.

Een punk met drie akkoorden.

Een mogelijke dief, avonturier, dichter, cracker,

Iemand die bij financiën werkt, of subsidies geeft

Aan mannen met revolvers en zieke kinderen.

In winderige steden en aan zee

Waar iedereen alles vergeet altijd.

Je hebt de champagne en het feest begint.

Iedereen heeft respect voor je.

Anders slaan je jongens je wel op je smoel.

Niet letterlijk natuurlijk (en het zijn ook geen jongens).

Je roept namen om.

Je kunt het niet laten.

Robert Musil, Bob Dylan, Gustav Mahler,

Max Beckmann.

Zo’n soort god ben je.

Niet achterdochtig over wie je omroept.

Je bent een goedgelovige omroeper.

Een punk ben je.

Je kent maar enige namen die iets betekenen.

Schippers, zwaardvechters, Humphrey Bogarts.

De mensen zien je dronken en zeggen:

Hij is weer zat.

Ze zien niet dat je weer opstaat (anastasis).

Dat je vuistslagen krijgt van engelen

Op zoek naar geld voor crack.

Ze zien niet dat je weer opstaat

En terugkeert naar je lege landschap,

Niets dan zand met in de verte een mysterieuze toren.

Een mysterieuze toren.

Van die toren lig je wakker tot het einde.

 

 

22-02-09

HET LEVEN WAS VURRUKKULLUK

Voor Vivian Smekens

Zij waren gelukkig, zagen de Westerse hemel

En wachtten tot wat anderen hen zouden brengen.

En wachtten tot wat anderen hen zouden brengen.

Hij hield van hynmen en van de ‘Hums’

van the Lovin Spoonful.

Zo zong zij, de mooiste, die zo kon dansen

Dat je margrieten en korenbloemen vergat,

Enkele hymnen en ‘Rain Of the Roof’

En kuste hem uiteindelijk op de mond.

Het maakt hem niet bang.

Het was alsof hij een vogel was, even.

Of  verse melk die overkookte.

En er waren overal kleine vogels, vogeltjes.

Ze kuste hem, en hij kon alleen nog maar lispelen

Als Thomas Rapp

Alsof hij al enigszins beroemd was.

Een droom van een groupie.

Appels aten zij toen en dronken jasmijnthee.

Uit Amsterdam als vlinders kwamen de vrienden

Geschenken brengen voor hun komende zoon.

Metaforen over de dood hadden ze nog niet bedacht.

Zelfs niet over het leven.
Zij vielen samen met hun verrukkulluk* leven

En gingen zo bijna naakt naar het voedingssalon

Waar ze Congolese koffie dronken

Waarna ze neukten als negers,

Wat toen nog niet was verboden.

Zij haatten de hele Nederlandse literatuur

Maar discussieerden over de waarde van Gerard Reve

En Harry Mulisch en werden geil van Remco Camperts

Kleine woorden en verhalen. Jan Wolkers

Had hen geleerd wat Turks Fruit was.

Maar minder bedroefd lagen zij in bed

Met Henry Miller en streelden elkaars penis, clitoris

Tot de zon hun lichamen bleekblauw kleurde.

Zij waren gelukkig, zagen de Westerse hemel

En wachtten tot wat anderen hen zouden brengen.

En wachtten tot wat anderen hen zouden brengen.



*zei Panda.

11:30 Gepost in Gedicht | Permalink | Commentaren (0) | Tags: blues, 1970, utopie, idylle |  Facebook

16-02-09

JE BENT HEM OP HET SPOOR GEWEEST

 

Je bent hem op het spoor geweest:

Vreemde tekens in verzadigd zand

Zijn oude vleugels het feesten moe.

In zijn kleuren liep hij voor je uit

Aan de rand van de Atlantico:

Geen vlucht meer, het fluiten vergeten.

In liefde en vrijheid ontgoocheld

Zoekt hij naar de kalmte van zijn kooi.

Naar uitdoven snakt zijn restverlangen.

Nee. Je weet het. Je wist zijn sporen uit,

Spuwt ze weg, vertrappelt ze.

Zijn laatste levenstekens weiger je.

10-02-09

CRUISE OP DE NIJL


Voor Tom Waits, Tom Barman en Tom Sawyer.

Altijd oog in oog met het gedicht

Van de ezel en de krekel en de mier.

Sigarenrook in vervalste bars

waar verkreukelde dames dienen

en heren kortstondig in het teken staan

van de stier, de dichter, de dode priester.

Hij heeft zijn gereedschap neergelegd.

Het houten huis is verlaten, helemaal leeg.

Tenzij de zolder waar verfpotten wachten.

Acryl, olie, gouache, en potloden, penselen.

Oude affiches van oude sekssymbolen

Die voor Alzheimer vielen, voor Down.

Het vel wordt geel en de chromosomen

Als ze geteld zijn lijken bloemen op een graf.

Symptomen en symbolen houden hem
Nochtans in leven in een donkere wereld -

En jij daar dichter, wat zeg je nu

Als de kraaien zwijgen en het heilig graf

Gif verspreidt onder gelovigen en apen

Verstrengeld in een laatste wals op een tanker

Of een schip van dwazen terwijl de schipper

Gewoonweg afvaart op de bronnen van de Nijl.
Nu je oog in oog staat met zwijgende goden,

razende blinden, genadeloze beulen, satrapen.

21:47 Gepost in Gedicht | Permalink | Commentaren (0) | Tags: gedicht, dichter |  Facebook

01-02-09

VERGEET NIETS, VERGEET NIEMAND


Je staat open in het veld van de taal en wacht tot iets groters, iets hogers, iets anders je aanspreekt. Er zijn dagen waarop je jezelf wilt verliezen in een niemendalletje, in een niets, in een leegte. Er zijn dagen waarop je weet dat het spel is gespeeld, dat er niets is, dat niets op je toekomt. Er zijn dagen waarop je niet eens meer huilt maar doodeenvoudig je nagels knipt. Alsof er niets aan de hand is.

Je staat onder een donkere hemel, met wolken van staal en uitgedoofde sterren, de maan een sikkel in de hand van een waanzinnige dronkaard. Je loopt over een duistere landweg, alleen, op weg naar de mogelijkheid van een feest. Je loopt naar een mogelijkheid. Je mond vol leugens op zoek naar een waarheid en bevestiging. Je loopt naar het licht, naar het water, naar een volmaakte verstrengeling met iets, iemand.

Het volmaakte is verstrengeld, vastgehecht aan de fossielen van het kwaad. De grond is met doornen bedekt, met grauwe krantenknipsels, met waardeloos geworden geld. De grond onder je voeten is vuil. Je raakt verstrikt in de braamstruiken van je geschiedenis. Je roeit echter je geschiedenis niet uit.

Net achter de horizon klinkt een mondharmonica, een fluitje, hinnikende paarden. Bliksem raakt een eenzame es. Zie je de engel op je schouder zitten? Hij fluistert je nieuwe woorden in. Ik ben een vrouw, zegt hij. Ik ben een engel. Niets heeft me gestuurd, niemand verwacht me. Jaag me nu niet meteen weg. Wacht, blinde jager, vergeet je warme jas niet, vergeet je verdriet niet, je vertrouwen, je trouw aan jezelf. Vergeet niets.