21-02-11

STILTE

 

 

1. Heidegger

 

Het is stil.

Het blijft stil.

De rivieroever je naam.

De oceaan je naam.

De volle maan je naam.

De bars met hun Manzanilla en Mahou je naam.

Bar El Cura je naam.

Bar Central Station je naam.

 

Overal roept het je.

Overal waar het stil is.

Wenkt het je.

Ze wenken je.

Gebaren je.

Je krijgt tekens.

 

Denk je dat getekend geketend is?

Je denkt het niet?

 

Ze wenken je.

Ze willen zeggen.

Ze aarzelen.

Stotteren, wie, wie, wie.

Ze willen je zeggen wie je bent.

Ze willen zeggen wat je bent.

Ze vragen naar je zijn.

Je dagelijkse pijn.

 

Het lachen tussendoor.

Als een entr’acte.

Als een attractie.

 

Je denkt iets te verstaan.

Je denkt iets te begrijpen.

Of ze je verstaan?

Of ze je begrijpen?

Een vreemde taal is het.

De woorden worden niet uitgesproken.

Wit als spoken zijn ze.

Witte taal op witte pagina’s.

Witte woorden.

Uitgewiste woorden. Zoals gedachten

Weg uit het geheugen.

 

Het is stil.

Het blijft stil.

De stilte van een storm.

Als je niets meer hoort.

Tenzij je wilde gedachten.

De stilte van een storm

Die je een nacht wakker houdt.

De stilte van een oceaan.

Met zijn golvende razernij.

Eerst ver, dan zo nabij.

 

 

Spoken, geesten op het toneel

Verschijnen als sterren in een spektakel.

Als in een opera de volle maan.

Desdemona en Hamlet kussen elkaar.

 

Gelaten laten ze zich gaan op de wind.

In de wind, streng uit het Westen.

Eerst wit.

Daarna opeens veelkleurig

Zoals de baljurken van MGM-filmsterren.

Of van vlinders in een vlinder-Abu Graib.

 

Spoken, geesten in de wind.

En gedoofd vuur.

Verstilde adem.

Na het laatste uur de laatste tocht.

Over de laatste muur geklommen.

 

De stilte -

Voor de woorden.

Er is nog niets bedacht.

Seks, spoedgevallen, voetbalschoenen.

Niets.

Ook niet waar je overnacht.

 

De dingen zeggen geen woord.

Nee, zeker de dingen niet.

Ook al ben je in hun midden.

In hun geraas en gebral.

Ook al maken de dingen je gek

Met woorden in je hoofd.

De dingen zwijgen.

 

Alleen je hartslag 

Neemt zienderogen toe.

 

 

2. Wittgenstein

 

Je empirische hart

Dat niets kan vatten

En niets vertaalt.

Heel je leven lang

Dit en dat door elkaar haalt.

Blind als het is.

Zonder een jong hoofd van jou

Om het ritme, cadans 

En begrip te geven.

Om wat klein beven te schokken.

En elke schok te beleven.

 

Als was het een vis aan de haak

In een zwarte haven

Snakt de maan naar lichte woorden.

Of zijn het moorden

Als je ze droomt? Als je bij me komt.

Als je naam binnenregent

Regeert je vloedgolf in mijn bloed.

 

  

 

(17 februari 2011, Volle maan,  Sanlucar de Barrameda)

 

21-12-10

ZOETE GAL: VOOR CAPTAIN BEEFHEART

Captain+Beefheart.jpg


regenboogvogel vis varken

dieptelood in open haard

kompels harken steenkool voor wat waarde heeft

oren onder water

trompetten kinderen op een bal

 

geschal vier klavers op het droge

naast de bij de stal de kwezel

zag je haar onder haar jurk?

d’r  juk nukkig verbrand

je verf loopt tegen de sterren op

loop loop loop! ren ren ren!

kip kakelt doe doe doe toedeloe

met je muts op in brussel

vergeet je kalf noch koe

 

cactussen beklimmen maanbergen

als zweden verdrinkt

waarzeggers zijn kinderen in mindere mate

dan kinderen en dat is de clou

en ook: de beste kapitein

spuit zoete gal kleinood

ja ja de lippen der wetenschap

eten van het varken de winterslaap

lang

 

 

19-12-10

VERTEL ME SPROOKJES


Dit gedicht in prozavorm is grotendeels ontstaan uit de film Les regrets van Cédric Kahn, met Valeria Bruni Tedeschi en Yvan Attal.

1.

Het koude klimaat wordt een situatie waar we moeilijker mee kunnen omgaan dan ooit tevoren. We weten niet waarom we er minder tegen opgewassen zijn dan bijvoorbeeld twee of drie jaar geleden. Ooit is het kouder geweest; ik hoor mijn vader nog vertellen over lange, koude winters, de kanalen waren toegevroren en hij kon niet anders dan zich, als nauwelijks geletterd man, tot de kunst van het houtsnijden wenden. Tijd moest worden gedood als het zo koud was. Nu is het anders: wij snijden geen hout, wij doden geen tijd, en wij kunnen ons alleen aan elkaar verwarmen. Wat missen we in onze levens?

1958.jpg
Vader (rechts), 1958. Fotograaf onbekend.

 Ik kijk je in de ogen. Je huivert even en daarna huil je. Het is geen spelletje, je huichelt niet. Het is koud. Je bloedt in mijn kamer. Je bloedt mijn aders vol en je rood loopt nu door mijn ogen. Wat zullen de mensen straks denken? The walking wounded, opening their veins and bleeding in public. Je bloedt in mijn haren en je bloedt op de stoel. De bloedstoel. Ik sta verstomd, vergeet je bloed te drinken, word zienderogen ouder. Een vermolmde vampier.

catherine_the hunger.jpg

Cathérine Deneuve, The Hunger.

Tranen bestaan niet in een betoverde wereld. Beelden van tranen bestaan en - misschien klinkt dit vreemd – idioten die onze levens aan banden willen leggen. Beelden van beelden van ons gemis en van wat liefde heet en dood. Een wurger in een scène wurgt je niet, en een pyromaan steekt je huis niet in brand. We praten over films. Waarom? Omdat de werkelijkheid zich in die films aan ons voordoet, veel meer dan in onze eigen woorden, schijnen we te denken.

Maar wie neemt je blik weg? Er is geen beeld, geen metafoor voor je ogen, voor je uitzinnige tranen van geluk en verdriet. Voor iets tragisch dat niemand anders kent. Alleen enkele dichters en zangers, misschien. Je zegt geen gebenedijd woord. Ik probeer te raden wat je denkt, maar ik zit er ongetwijfeld naast, zoals ik naast je zit en dan één met je word. Dat is het mooie van waanzin, dat ze geen zin heeft en dat ze chaotisch noch gestructureerd is.

Je zegt dat je structuur nodig hebt en ik beaam. Maar onze zinnen ontregelen we, als ezels die een wedstrijd lopen, vooral die twee ezels met goud en zilver. Ja, zeg je. Ja, zeg ik. We praten door elkaar, omdat we elkaars woorden zijn. Heeft free jazz structuur nodig? Is het niet mooi als een orgasme stelselmatig wordt opgebouwd, als een vergelijking in de analytische meetkunde?  Is het niet subliem hoe je de weg aflegt naar dronkenschap, ook al zwerf je ernaartoe, zonder vooropgezet plan? Waar we zeker van zijn: alles keert terug, plan, structuur, chaos, orgasme, waanzin, zin, verrukking.

2.
Vertel me sprookjes. Vertel me over kinderen – ik weet niet wat kinderen zijn omdat ik als ik bij jou ben zelf een kind ben. Ik word dom en stekelig als je je even van me afwendt om iets in een mobiele telefoon te fluisteren of om wat bloed te gaan uitstorten in een vreemde cel. En dan zit ik me af te vragen wie je werkelijk bent, beantwoord ongestelde vragen, word stil, blijf gespannen zitten wachten tot het gefluister ophoudt en het bloeden is gestelpt.

Vertel me over je kleine dingen. Over het licht dat door je gordijnen dringt om je lichaam te belichten, hoe je met je borstel je haren in de war brengt, over het vuil in je auto dat schittert in de nacht, over de plannen die ik in je ogen zie ontstaan, over wat je me verzwijgt, vertel me de geheimen die je met me wilt delen (maar niet je geheime geheimen). Vertel me je hartgeklop en hoe je de nagels van je vingers en je tenen knipt, en waar. Vertel me je geheime naam. Vertel me waar je in je dromen woont en hoe slangen en schorpioenen je daar bedreigen en roodborstjes en koolmeesjes je met hun kleuren wakker maken en bevrijden van alle beklemming van de nacht.

salmahayek.jpg

Salma Hayek

Vertel me alles wat je me kunt vertellen. In mij verdwijnt niets van jou. Ik draag je hart in mij.

Je bent mijn hart, zoals ik het jouwe ben. In de koudste nachten en de hitte van midzomer. Zeg me hoe het moet met jou en mij en met de harde wereld waarin we leven. Zeg me iets over onze waanzin, over onze schoonheid, over onze tranen, zeg me waarom je zo moet lachen en waarom ik zo moet lachen. Zeg me waarom je je handen vol hebt aan mij en ze toch leeg lijken te blijven en blijven verlangen naar iemand in Mexico of nog verder weg, een ander ik, dat niet kan bestaan, nooit zal bestaan. Zeg me wat de wereld is voor jou en wie ik ben in jouw wereld. Vertel me over je kleur, je bomen, je vogels, je kogels, je liefdevol gewurg, hoe je op je paard reed, op je fiets, wie je vriendjes waren, en waar je van droomde toen je zes was en in bed wachtte op zoete slaap.

3.
Ik draag je hart naar een verre plek waar ogenschijnlijk niets bestaat. Ik breng je naar de rand van de tijd. Naar de rand van de afgrond. Waar liefde heerst als een slaaf. Waar alles in elkaar stort en weer wordt opgericht, als een stad, als een geslacht, als een als. Ik voer je mee in mijn zegewagen naar de rand van alles, waar niets de plak zwaait. Taal valt weg, ook die van jou en mij. Er is geen tussen meer. Geen verschil, geen huid, geen schil. 

25-11-10

JE HUID IS MIJN HEROÏNE, JE BLOED MIJN WATER

 

Je huid is mijn heroïne, je bloed mijn water

Tot ik uit je armen losbreek, week als een welp.

Nee, geen sprake van: er is geen uitweg

Uit je ogenblik, me zien is me verlammen.

Je blik is een vorm van verfijnde anesthesie,

een grote ontsnapping staat alleen de tijd toe,

onafwendbare dief, voor wie iedereen huivert.

 

In jouw omgeving druppelen de dagen

in diepe kommen van wit porselein.

 

Ik zat naast je. Iedereen hield je borsten

in het oog. Alleen ik niet, ik was van jou.

Jij was de appel die ik at, en het brood

En je was de zachte, bloedrode wijn.

Er trad voorlopig geen ontwenning op.

Ik dacht aan je, aan wie je morgen

Zijn zou, zonder mij, en ik zonder jij.

 

In jouw omgeving druppelen de dagen

in diepe kommen van wit porselein.

 

Ik was gelukkig in je schaduw en treurde

En zag niets, hoorde niets, verbrijzelde

Elke seconde. We konden lachen als dwazen,

Niemand die zag wat ons zo bezielde:

Dat ik naast je zat in je zegewagen

Naar Amerika op weg, Alaska, het Zuiden.

Naar andere oorden, waar citroenen bloeien.


In jouw omgeving druppelen de dagen

in diepe kommen van wit porselein.

 

Degenen die ons toch even bekeken

Dachten vast: onmogelijke geliefden,

Heloïse en Abélard, Tristan en Isolde,

Bonnie en Clyde. Wij echter wisten beter.

Geen pijl kon ons treffen, of toch wel:

Die van amor, met zijn zoet en droef gif.

Amors pijl, met zijn zoet en droef gif.

 

In jouw omgeving vang ik de dagen op

in diepe kommen van wit porselein.

12-11-10

OMDAT JE MIJN STEM ZO GRAAG HOORT

 

Nu ik me teruggetrokken heb uit de wereld en de tijd

Moet ik dit gedicht maar schrijven, dit gedicht

Dat als een slang, een schorpioen in je kamer komt

Binnengeslopen door een kier onder de deur

Of als je op een dag je raam open laat staan

Omdat je het plezier van jonge dansers zo graag hoort.

 

Dit gedicht dat over de liefde wenst te gaan en muziek

In het hart heeft – de muziek die ziek maakt en gezond

En zingt over lust en neuken en donkere lichte ogen

Zonder een oordeel of een intonatie, zonder mededogen

Maar als iets wat als zand is dat verschuift, altijd maar,

En vogels en voeten op dat zand en sporen en gekreun.

 

Nu ik me teruggetrokken heb uit de wind en de regen

En schuil voor de toorn van een ontzette stem, alsof

Ze op de storm wil lijken, op doodsgereutel en ondergang.

Nu ik maar een schaduw ben en jouw stem hoor vol zon

En het ontpoppen van vlinders en je tong van champagne

Wil ik je bij me roepen omdat ik je nodig heb, zo laat nog.

Om het vroeg te maken in de ochtend en je te laten zeggen,

“Je bent zo mooi, nog lang niet dood, huil niet mijn liefste.

Je haren zijn wild als die van een zwijn of een wilde ezel.

Drink nog een glas, een laatste, en nog een voor mij mijn held.

Drink er nog een. Dan voer ik je in mijn zegewagen naar je huis

Waar je zo afziet, tot ik je vleugels geef en je naar me toe vliegt

 

In de wereld en de tijd waarin wij elkaar omhelzen en elkaars

Namen noemen, die niet zwaar zijn en niets betekenen, tenzij Wij.

Vleugels voor een gedicht over mij, dat van mij een ster maakt,

Een muze, een godin, iemand die met je wandelt in de bergen,

Die je hand streelt en je ogen en je penis likt. Die je kust.

Omdat je mijn stem zo graag hoort. En omdat je tijd zo kort is.”
 

28-09-10

WINTERSLAAP

 

De herfst drong na korte winterslaap

Diep bij je naar binnen, net zo lang

En diep als het seizoen - en volgende seizoenen

Werden maar ineens meegerekend.

 

Het was een lange herfstsnacht in een grot

Zonder herders die lagen te wachten.

De lucht was blauwer dan goud

Door het tegenlicht van enkele kleine planeten.

 

Omdat onze woorden zo onooglijk waren,

Minimale kometen van liefde, kende niemand ze,

Maar wij verspilden ze aan elkaar in overvloed

Omdat we wisten wat komt na elke eb.

 

Overvloed is overbodig in de liefde.

Spoed is nooit goed. Je moet elke porie proeven

En elke zweetdruppel tellen, van nul tot

Mateloos, en je verliest elk idee van gewicht

 

En zwaartekracht. Wat weet je nog, geliefde,

Van wat je ooit gezellig noemde, wat weet je nog

Van gerieflijkheid en binnenskamers genieten?

Niets! Open deuren en ramen voor je geliefde!

P1010392.JPG

20-09-10

OOGBLAUW

 

Hoe vaak je oogblauw zich op mijn pagina werpt

Soms tot ademloos toe en je schaduw
Op elke hoek een blik in mijn rug boort
Maar zacht, de kleur van boter en appelsienen.

Je hoort me sinds mensenheugenis toe
Maar niet altijd hoor je mijn stille woorden -
Hoe zou je kunnen. In stilte is nooit iets uitgesproken.
Toch heb je mijn adem, mijn leven geroken.

Ik zei dat je mijn zwaan was, maar dat was niet waar.
Zwanen bestaan niet zo in jouw nabijheid.
En engelen staken hun vervelend gezang als je zwijgt
Of spreekt. Je stem is de toekomst en het verleden.

Voortaan zie ik het licht uit je ogen, geen schaduw
Maar oranje gespat op grijze muren en dagen
En op mijn versplinterd gezicht. Op mijn ontwaken:
Je oranje driften die een blinde man weer laten zien.

En de lamme in het licht van de donkerte lopen.

17-07-10

VLIEGMACHINE

 

Vandaag was je aan zee, de Noordzee, de Noordzee.

Je vierde je lange verjaardag.

Samen met koeien en varkens en vogels en onbekende passanten.

Je drinkt dan champagne en luistert naar de regen, ronde korrels zand,

Maar zachter. Zacht haar huid of haar tong in je mond.

 

Je was aan zee en je leerde vliegen.

Iets wat dichters nooit leerden, nooit leren.

Tenzij Leonardo of iemand, maar een dichter?

Nochtans is het eenvoudig, je hebt niet veel nodig.

Het is een spel, waar je alleen nodig voor hebt:

 

De handen van je geliefde, en enkele woorden.

Je boort met een eenvoudige elektrische boor

Een mooi rond gat in je van verliefdheid gekke borst.

Je boort en je boort en je boort en je zwijgt

Tot het gat open is en het bloed vloeit en dan

Stop je er een mooi doorzichtig buisje in.

 

Je leerde vliegen omdat zij dat buisje op haar hart aansloot

En zo ontstond een sterke motor, magisch maar tegelijk echt.

Om te vliegen heb je namelijk twee soorten bloed nodig:

Dat van een geliefde en dat van een geliefde.

Daarna komen de vleugels en vlieg je weg.

 

Je hebt niet veel nodig. Schuim, de kussen van je geliefde

En wat verbeelding. En dan vlieg je over velden, over stadjes,

En kus je elkaar. Want ook zij vliegt op jouw bloed.

Je vliegt weg van de Noordzee naar een wat grotere stad

Waar alles op stapel staat om te vertrekken.

 

Maar jullie vliegen nu niet. Jullie blijven in die mogelijke stad.

 

19-05-10

DRINKEN


picasso_absinth1901

Mijn glas is nog halfvol, zei hij.

Dat van mij is bijna leeg, zei ik.

Jij hebt een kleiner glas, zei hij.

Wel veel sterkere drank, zei ik.

Je moet niet zo somber zijn, zei hij.

Somber is dat pessimistisch, vroeg ik.

Dat er geen andere tijden komen, zei hij.

Dat je dat denkt, voegde hij er aan toe.

Goede tijden, slechte tijden, zei ik.

Geen mens die er van wakker ligt, zei ik.

Een visser denkt aan zijn pieren, zei ik.

En dan zit hij daar tot de vis bijt, zei ik.

In Andalousië gaan ze op bedevaart, zei hij,

En ze geloven niet eens meer in god, zei hij.

Is dat dan niet niets, vroeg hij.

Ze geloven niet eens meer in de goede god, zei hij.

Je glas is nu wel helemaal leeg, zei ik.

Dan bestellen we nog een rondje, zei hij.

Voor mij niet meer, mijn lever, zei ik.

Zie je wel, je bent een pessimist, zei hij.

18-05-10

DE WERELD HEEFT JOU NIET NODIG - EEN ELEGIE

 

De wereld heeft jou niet nodig.

Het gras en de vergeet-me-nietjes.

De zwaluwen die als ze alleen zijn de lente

niet maken. De besneeuwde Fuji-berg.

Een witte fiets, met glinsterend spaken

In een oogverblindende zon.

De groene heuvels van Umbrië,

hun huizen zonder enige tijd.

Een blonde vrouw die na de dagtaak

Tevreden naar huis rijdt,

Haar ogen blauw als het maanlicht

In een van de weinige lentes die het leven telt.

Is het maanlicht niet blauw, of wat?

En de stem van de zangeres klinkt als zeewier.

Een eiland, smaragd in de wind.

Een vraagteken in een vers over de liefde.

Rode daken begroeid met mos.

Brievenbussen vol ongelezen letters

En cijfers en kleine tekeningen van kinderen.

Het muziekje van de ijsboer.

Aan de kade boten naar het Noorden

En in je straat een oude man met een pet op.

Het kippenvel, soms, van je geliefde

Noch haar verwarmende benen.

Films van Bergman over angst en verdriet.

Jacques Demy die iedereen laat zingen.

Francis Bacons liefdevol geweld en lijden.

Brancusi’s dromen en gebeden.

De wereld heeft jou niet nodig.

Vandaag niet en morgen nog minder.

Je hebt de dagen een voor een geteld.

De wereld heeft jou niet nodig.

 

20:05 Gepost in Gedicht | Permalink | Commentaren (0) | Tags: gedicht, verdriet |  Facebook

06-05-10

MEI

  

Je eenzame wolfman.

Je moe vogeltje.
Je dronken egel.

Je giftige wijndrinker.

Je zondvloed.

Je regenbui op de grote markt.

Je favoriet.

Je zonovergoten landschap.

Je dyslexicograaf.

Je korenbloem.

Je fladderende slaaf.

Je goddeloze aanbidster.

Ik vind je leuk.

Ik vind je link leuk.

Ik vind je leuk.

Ik vind je link leuk.

 

16:05 Gepost in Gedicht | Permalink | Commentaren (0) | Tags: gesprek, lente |  Facebook

08-04-10

LAATSTE ONAFWENDBARE TANGO IN BRUSSEL

 

Hermetisch zwart is de meester die zwijgt.
Wat vraagt hij zo met zijn stille ogen en lippen?

Wat wil je, wat heb je nodig voor je leven?

Zoek je naar een boodschap of een hart?

Wat hij je geven kan is bloed uit zijn aders,

Zijn bloot, donker lijf, oud als schuimende wijn

Van de zwarte markt of van er vlakbij

voor een prikje. Een kickje, zeg maar azijn.

Liggen vijanden op de loer? Niets ergs.

Maak van hen je vrienden – met hun messen

Scherpgepunt op je hart gericht, op je lever.

Neem mij maar, zeg je, ik ben van jou.

Ik heb je lief als geen ander. Omdat wat ik bezit

Niets is en zelfs minder dan dat, namelijk

Door de inktvlekken op het papier en de streepjes.

En ook dat ik een lied ben, ad lib, ad lib.

Zing het, zing het als je kotst des morgens

In de vuile pompbak. Op gemak zing het lied,

Het gestolene: dat je zo eenzaam bent

Dat je wel huilen kunt als een treurwilg

En dat je je hoofd gewillig op de treinsporen

Liegt als was het in een film, een lied van.

Daarom schiet me maar neer, schiet me dood

Want je kent me niet, mijn naam, mijn woorden.

Ik ben niet voor mij, niet voor jou.

Ik beteken niet, maak er geen teken van.

Schiet me maar dood mijn liefste lief.

Ik ben, ik ken hier niemand die mij meerder is.

 

 

 

28-03-10

APFELBÄUME

 Voor Gerhard Richter.


Ik wandelde naar negentienzeventachtig

Voorzichtig als naar een kwetsbaar jaar

Doorzichtig en zelf onmachtig in de Republiek.

Wat te doen, Lenin, wat te beginnen?

Mystiek, revolutie, ongedwongen elkaar beminnen?

Maar daar zag ik je appelbomen, twee, drie

En de appelbomen van mijn kinderjaren, duizend

En meer en muziek die bij appelbomen hoort.

Ik zag je weg slingeren naar een kleinere boom

Die er niet echt bijhoort, maar toch, de kleuren.

Ik kon je verf ruiken, al was er geen verf

Al was er niets en niemendal:  er waren geen jaren.

Wie maakt het wat uit wat in die tijd gebeurde.

Iedereen en alles was zo goed als dood

Van onbekende bommen of zat in kelders

Te blowen, te drinken, te dansen op Clint Eastwood

& General Saint. Zat te vergeten hoe het was op 2 juni

En al die andere dagen dat we opstandig waren

En alles zouden veranderen. Er was niets in dat jaar.

Er viel niets te verwachten. De mensen sliepen onbehaaglijk.

Maar dan je bomen, je eeuwenoud landschap.

Hoe de wereld bestaan en verstaan  moest.

Een horizon van kleuren en vriendschap.

Een horizon van verbeelding en appels, appels

Die in mijn mond vielen en me verzoenden met de dagen.

 

24-03-10

IN EUROPA


Voor Renée V.

Je dacht weer aan de heuvels waar je naar de zee keek
En de golven hoorde breken op betonnen blokken
En als je je omkeerde de vallei met haar zachte tinten
En  het aan het oog onttrokken geweld tussen mannen en vrouwen,
Gehuwd, gescheiden, verliefd, verloren (soms herboren).

Je zag illegale rook ten hemel stijgen, als offer
Aan een planetaire god, aan een alien, een engel.
Rook voor donkere wolken, nog onzichtbaar,
Om ze aan te zetten tot regen, tot vruchten in je schoot,
Aardse moeder, die ons willens nillens brood schenkt.

Je liep over wegen in Frankrijk, op weg naar andere geuren
Dan die van de lage landen, van aardse en hemelse,
Deuren naar een intenser, een sterker bestaan.
Op weg naar woorden die je uit boeken kende
Maar in je oren wilde horen klinken als in een kathedraal.

Je wandelde door Europa op zoek naar een dichter,

Langs overwoekerde paden in Italië en Duitsland,

Dante, Shelley, Hölderlin en Paul Celan achterna.

Maar wat zocht je? Het leven, de dood, nieuwe woorden?

Sporen, denk je, zocht je, levenstekens, genoegdoening.


Wat je zocht was je stem. Een rechtvaardiging voor je zijn

In de wereld. Je zijn dat er niet om gaf en waar niet

Werd om gegeven. Hoeveel je ook wilde geven.

Wat je zocht was een houding, een vaste grond onder je zinnen

En  bovendien een gemeenschap van geesten.

 
Nu ben je ouder en jonger en wijzer en dommer.

Je zit in een tuin waar nog niets bloeit, geen tomaten,

Geen appels, geen donkere en lichte gedachten.

Je voelt je uit een tijdloze winterslaap ontwaken

En ziet de herinnering aan bergen en paden vervagen.

Je bent thuisgekomen. Je bent jezelf. Niet iemand

Die om niemand geeft. Vanavond is iedereen je beminde.

 

04-03-10

LOOP NIET WEG KLEINE GARNAAL

Opgedragen aan Gil-Scott Heron en Toutou.

Je bent jezelf niet, nooit.

Je hebt geen identiteit.

Maar je bent zo trots op jezelf

Alsof je een Lord Byron bent

(die ook maar van een griepje omkwam,

Niet van een Turks kromzwaard.)

Je bent trots op jezelf

Omdat je dit en dat weet en denkt

Ik ben de enige.

Maar Wikipedia, en mensen met een inschikkelijk

Geheugen?


(Of was het verschrikkelijk?

Is er iets vreselijks gebeurd?

Iets wat je je niet meer herinnert?

Verzonken met zeeroversschatten, dubloenen,

Verzonken met Atlantis in de oceaan.)

Je moest de slimste zijn.

De snelste.

Ook al ontbrak de adem

En de lange arm van oudere generaties.

Wat kon je doen?

Kotsen in een of ander bouwvallig centraal station.

Hopeloos wachten op een vrouw

Die je haar geslacht zou tonen,

Haar clitoris, desnoods.

Er was geen centraal station.

Er stopte af en toe een bus naar nergens.

Daar slikte je pillen zoals de beatniks deden.

Cafeïne, onschuldig, onschuldig – heilig.

Koffie. Voor de moed, het zelfvertrouwen.

In Antwerpen kwam je terecht.

The Incredible String Band in een kroeg klonk

Als muziek uit een voorbije, nieuwe wereld.

Terwijl je praatte met je vrienden groeiden je haren

Uit je hoofd en uit je oren.

Er was geen wanhoop, geen doelgroepenbeleid,

Er was verstandhouding, verstand verliezen

In gras, in donkerbruine smurrie,

Of rood uit Afghanistan. Het land

Van de ellende, waar nu kinderen sterven.

Je bent een van die soldaten die kinderen doden.

Je schakelt jezelf uit in alcohol.

Je schakelt jezelf uit in rock & roll.

Je schakelt jezelf uit in Apocalypse Now.

In de filosofie van Deleuze & Guattari

Een Oedipus ben je nooit geweest.

Duizend plateaus om je onzekerheid te rechtvaardigen.

En toch zing je al al die jaren

I’ll take care of you, I’ll take care of you.

En je meende en meent het.

Waar is de nacht heen? Vraagt de dichter.

Ik had wakker moeten zijn en handelen

In plaats van dronken in bars bier zitten te drinken

En te lullen. De lucht is blauwgrijs. De duiven

Vliegen langs mijn raam.

Zal ik in mijn handen klappen?

Ben je gelukkig als je op het groezelige trottoir

Met eeuwenoude kauwgum

Een edele steen vindt? Een edelsteen?

Nee, je bent niet gelukkig.

Hoe kun je gelukkig zijn als niemand het is?

De lucht is blauwgrijs. Je bent nuchter

Na jaren verzonken rood en blauw.

Je lacht in je vuist. Je lacht in de plooien van je mouw.

Je lacht omdat niets zeker is en vast en omdat niets blijft.

Loop niet meer weg, kleine garnaal.

Ik zal je pellen. Je bent zo lekker.

Je lekkere nek. Loop niet weg, warme zuidzeevis.

Je hebt duizend handen, duizend dromen,

Je hebt duizend geloven in duizend goden.

Maar voor alle zekerheid  kom ik je toch onttoveren.

Voor alle zekerheid kom ik je ontvoeren, ontroeren.

Want elke vervoering van mij en elk woord daarover,

Elke vingerwijzing, elke stroomopstoot,

Is jouw vervoering. (Jouw ontroering is = mijn ontroering.).

En altijd is er wat er is en stroomt naar de zee de rivier.

Altijd is er in het dier een verlangen dat ongebonden gaat

Naar waar het gaat. Trouw zijn echter deze dieren

En uitzinnig de mensen die op de nacht wachten

En op de volle maan om zich elkaar volledig te geven.

27-02-10

REIS OP DE VIS


max beckmann reise auf dem fisch 1934

Voor een verpleegster


In een rood schuimende zee zwom hij tegenwinds,
naar nieuwe streken verlangend. Maar
golven ijzig water verlamden zijn longen.
Tot hij op een strand belandde, zijn voeten zeer,
in zijn gedachten niets meer, zin noch betekenis.

Circe was daar. Jij varkenskop, jij donkere vis, zei ze.
Ik eet je met huid en haar. Verslind je zwarte geslacht.
Van je vinnigheid laat ik geen spoor over.
Ik versmacht je met mijn winterse stem, mijn ver-
leidelijk gefluister. IJstijd, gevaarlijk zon. Stasis.

Vluchten was het woord. Vluchten naar mollige oorden.
In zoet, in zuur, in baarmoederwater, zwarter
dan verzonken Atlantis. Tot hij zijn naam hoorde
in het woord van de blauwe vis. De vis riep hem toe,
kom op mijn rug, laten we reizen, tezamen.

Als in een sprookje, een kunstwerk, een bedenksel.
Naar het lichtblauwe, naar de lucht, naar de witheid
van het abstracte waar niets je nog pijnigt.
Naar lichtblauwe ogen in een lichtblauwe lucht,
niet lauw, maar verzengend van liefde en lust.
 

 Afbeelding: Max Beckmann, Reise auf dem Fisch, 1934
 

17-02-10

ALSOF WOORDEN GELEGEN MOETEN KOMEN


Alsof woorden, gedichten, gelegen moeten komen. Alsof er een gelegenheid moet zijn om ze aan vast te haken. Alsof gedichten horen bij iets, bij rampen, liefdes, afgronden. Alsof woorden in gedichten niet de barsten tonen, het ontembare, datgene wat nergens kan staan en liggen.

Alsof rood de kleur is van bloed en wijn, en bruin die van brood en vissen, die zich eeuwig vermenigvuldigen. Honger niet meer bestaat. Alleen het rood van de eros, van de erosie, van wat nooit wordt toegelaten in kerken en kloosters. Rood de kleur van de jouwe, van alle troostende lippen.

Alsof rood een kleur is en niet de hitte van het vuur, de hitte waar geen woord, geen kleur voor bestaat. Zodat je moet liegen, een andere wereld uitvinden, waar iedereen  thuis is, en niemand krast met scherpe nagels haar polsen open. Niemand die het voor jou doet. Je polsen, je dikke blauwe aders.

Alsof woorden geen begeerte zijn. Je woorden vormen vormen, maar onvolmaakt, omdat misschien zelfs het volmaakte niet bestaat, maar dan nog minder het woord om te zeggen hoe volmaakt je bent. Terwijl je niets eens volmaakt bent, maar in de buurt komt van wat hij zich ervan voorstellen kan.

Gelukkig niet volmaakt. Want alles wat volmaakt is is overbodig. Een vrouw schrijft onvergetelijke woorden, stopt haar hoofd in een oven – en alles is af. De volmaakte vrouw, denkt ze. Hoe ze zich vergist heeft,  Sylvia Plath. Perfectie bestaat niet. Luister naar the Beatles, altijd hoor je ergens iets wat er niet hoort.

Niets komt gelegen of ongelegen. Wij liggen graag neer op de aarde, als kind al deden we dat graag. Of we gaan met krukken de berg op en vallen en worden weer naar beneden gebracht, zodat voor ons wordt gezorgd. Eindelijk weg uit die donkere sneeuw, dat vreemde, onheilspellende zaad.

Gedichten komen ongelegen. Verklaren ronduit de liefde aan een ambassadrice. Aan een bowling ball. Aan een werkongevallige. Aan een hemelse en duivelse hoer, aan een zwart schaap. Aan het geloof en het ongeloof. Aan god die niet bestaat en aan het einde der tijden. Aan vier woorden van jou. Aan je adem. Aan je geur, je genoegen, aan hoe je staat en loopt en ligt. Aan je genadeloze ongelegenheid.

Gedichten moeten altijd met je liggen. Op het grasveld terwijl de anderen spelen. Op de natte grond, die nazindert van een zomers onweer. Op een kale matras, die iedereen ziek maakt. In een hoek van een stomdronken kroeg. In je armen. Gedichten moeten altijd met je liggen en je in de ogen zien. Omdat je ogen de woorden zijn die de vormen van gedichten vormen.

13-02-10

VLUCHT VIA HET WESTEN


man_of_the_west_1958_1


Een sterke man trekt hun paarden door de rivier, door het dal, door woestenij, lava. Van het Zuiden naar het Noorden.

(De nacht valt. Een uitgeputte slavin. Van fluweel de donkere rozen: niet langer dromen van bloed en pijn.)

Weken, maanden voordien viel hij in de schaduw neer van een magere vrouw. Ik heb nu genoeg geleden, zei ze. Neem me, neem me met je mee.

Op de oever, niet ver van het vee, werden zij bruid en bruidegom, de sterren vlak bij hun ogen. De sterren vlak bij hun mond.

(Daarop moeten zij vluchten. De geschiedenis in.)

Als zij zich met zijn haren, met zijn geslacht heeft getooid en ingestreken met zijn bloed en ingestreken met zijn faeces valt zij de vijandige stad binnen, waar hij door allen werd geminacht.

Ik kom voor mijn kroon, zegt ze. Ik kom voor zijn kroon, zegt ze. Met mijn schadeclaims brand ik jullie stad af.  Jullie hebben nog een uur om van elkaar af te zien. Jullie hebben nog een uur om elkaar te doden.

Daarna heers ik over jullie ruïnes tot er geen einde meer is, onzichtbaar de maan en de sterren.

Afbeelding uit Man Of The West, Anthony Mann.

21-01-10

FONTEIN VAN DE JEUGD



Lucas-Cranach-the-Elder-Fountain-of-Youth-1546

Ben je bang voor de dood? Het leven en de liefde, het bebloede gras. Nachtegalen, krekels, de zoete geur van een moeras.

Ben je bang voor hem? Voor zijn korte duur. Zijn onbekend uur. Zijn donkere getijden, zijn zure oprispingen. Voor zijn donker theater.

Ben je bang voor jezelf? Je driftigheid, je onlesbare dorst. Je angst voor de angst en elke vorm van paniek. Je muren van wassen beelden, van woorden. Het zwart op wit dat uitloopt in tijd, stille doodshoofdspin, vol spinsels.

Ben je bang voor de beginselen van een geloof in iets anders dan wat je kent? Schaduwen, nachtwakers, dagslapers, onbegonnen personen. Gewaagde sprongen in onbekende vertrekken.

Ben je bang voor een eigenschap? Kwaliteiten, gezag, worstelend overeind komen en opnieuw aan de gang, zonder victorie en zonder triomfboog, zonder gezang.

Ben je daar bang voor? Is dan niet het ogenblik daar voor de fijne pijn van het goede, het vergenoegen, het genot van een anders zijn, aan de overkant kijken naar andermans lichtzinnigheid en eindelijk diep ademhalen en rusten in het groenere gras.

Want als je bang bent moet je weg uit die ruïne, moet je losmaken wat je vasthaakt  aan spoken uit het verleden. Moet je op zoek gaan naar een moment dat je weer nieuw maakt. Een moment zonder einde, omdat je er altijd terugkeren kunt. Zoals je ook altijd naar een rivier kunt of blootshoofds wandelen in de regen.


Afbeelding: De fontein van de jeugd, Lucas Cranach de oudere, 1546. 

12-01-10

VOULEZ-VOUS DANSER AVEC MOI?

 

Op een zomeravond liep ik wat wankelend

over straat en dacht aan een vrouw

op mijn knie. Of was ik het op de knieën

van een zomeravondse vrouw, wachtend

zolang al –  dat ze nooit kon bestaan?

Trof ik haar niet in stilte in een moeras,

natte voeten, natte haren, natte lippen?

Vogeltjes piepten in doodstrijd

of was het gekrijs van genot, vervulling?

Vond ik het allemaal voor me uit?

Ik zit hier nu in de put van de winter

en geloof in genade, vervoering, tover –

alsof het leven een verhaal is dat goed afloopt

met een vrouw op je knie in de ci-cinema

en daarna nog veel centen voor champagne.