25-03-12

VANUIT EEN SLAAPTREIN

 

Ik droomde een warme nacht in jou Maastricht
Op een veelkleurig lonkende kaart van wegen
Waarheen ze leiden weet niemand in dit land
Gezocht: andere streken voor het verhoren
van onze gebeden gepreveld nabij diepe rivieren.

Ik droomde een koude nacht in jou Berlijn
Of was het aan de Rijn van mijn dichter
Zijn woorden dwarrelen hier neer
Waterdruppels op donker lava staal steenkool
In deze slaaptrein onderweg naar daar.

Ik droomde een zoute dag in jou toekomst
En verleden in mij in kamers met licht
Van je lichaam het mijne doorschijnend
En van vurige lust overtuigd die niemand kent
Die iedereen kent die zich plotseling

Zo bekwaamt in beminnen overal waar je
Op de huid of in zinnen een plek vindt
Die weet hoe stilte in alles kan zingen
Iedereen die je in een droom laat beginnen
tot vloeibaar goud koren honing genotsboom.

12-03-12

ZOMERHAVEN

 

P1040326.JPG
Foto: Martin Pulaski, 2011.


Schrijf je dan maar neer dat hij hier zit, de onmogelijke duiveluitdrijver?
Noem hem een misplaatste engel met een bos tulpen en een paraplu.
Augustus vult hem op met stro, zijn hersens broeiend, niet groter dan een vlo.
Dat hij hier zit, met in zichzelf dat weinige dat stenen smelten doet.
Dat hij opkijkt: daar ligt de stad die kreunt onder de voeten van vrouwen.

En vervolgens voeg je toe:
Dat hij denkt: zoveel begeerte heeft deze schaduw van kerncentrales niet verdiend.
Maar de schepen van de haven heeft een wat afwijkende mening over die topic.
Kijk maar, dames en heren.
Poederdoosmeisjes stappen uit hun ondergoed, vlijen zich neer in mijn koelte.

Dat hij hier zo traag zit, een schim bezeten van tijd, onderworpen aan schaduwgroei.
Lang geleden gevlucht voor wat speels was onder de zon, leeuwen en leeuweriken.
In open plekken was dat in donkere bossen waar nu oorlog woedt.
Waar de wereld boete doet voor hij weet niet wat precies.
Waar de aarde bloedt tot ze geen longen meer heeft en de zon geen hart.
 

Schrijf tenslotte zijn slotsom neer:
Topic: het begrip kenobject stamt uit de kennistheorie en wetenschapsfilosofie.
Pas sinds Immanuel Kant (1724-1804) wordt duidelijk onderscheid gemaakt tussen het kennend subject en de werkelijkheid als Ding an sich.
Oever 27 / 12 + 12 + 12 + 12 = 48

 

10-03-12

THUISKOMST

"Mes amis, je veux qu'elle soit reine!" 
Arthur Rimbaud.



Herinner je in dichte mist het lied dat je voor hen zong.

Valse mannen die vriendschap met je wilden sluiten,

alsof je een veroverbare sirene was.  Die op een veilige boot

alleen maar hun ogen opensperden, hun zwarte voeten zwaar

van het bloed op het dek dat glinsterde in mediterrane zon.

 

Hoe jij je lippen sloot om het mondstuk van ‘n trompet,

met wat gevaarlijke funk hun solide dromen vermorzelde,

de noten op je zang rubberen kogels, scherp ijs, vlammen.

Sterk en toch zwak zag je O. in zijn droom tekeergaan

tegen die kudde zielige jagers, hun opgewonden tekort.

 

Op een winderige dag kwam hij je vinden. Vuil tussen de

tenen, z’n haren schaars, wild van eindeloos ontberen.

Ouderwets knielde hij voor je neer als een afstammeling

van aardige apen. Zo lang was er geen vermaak mogelijk

geweest, maar nu was de tijd rijp: je omhelsde hem weer.

 

Je was zijn koningin, hij je koning, je zei: “Take all of me…”


***

Bronnen: Odyssee (Homerus), Ulysses (James Joyce), Strangle Me With You Love (Defunkt), Royauté (Arthur Rimbaud), “Heroes” (David Bowie), Home At Last (Steely Dan), All Of Me (Billie Holiday), The Greek Myths (Robert Graves).

13-02-12

WIT BLAD

 

Zij heeft zich niet ontzien

om deel van de wereld te worden.

Nachten op ijzig gras gedanst

rondom een Offervuur waarin

Moeder en Vader werden verbrand,

zich laten zalven met zaad en spuug

van mannen die ze niet kende.

 

Alleen een handvol kleine sterren

stond haar na als het haar duizelde.

De goden van wie ze gehoord had

spraken geen woord en de engel

wiegde haar niet in diepe slaap.

Alleen de adders van het verdriet

kronkelden onder haar deur door.

 

Geur glijdt van haar lijf

onder de zon die alles bevriest.

In haar meisjesvel verpakt draagt zij

haar niemandsgeschenk naar het water :

steen van vlees tegen het stromen. 

...

Dit gedicht schreef ik in 1994 of 1995 na het zien van La Page Blanche van Olivier Assayas, met Virginie Ledoyen (in de reeks van negen films voor de Franse televisie,  "Tous les garçons et les filles de leur âge..", die stuk voor stuk van een hoge kwaliteit waren. Zeker ook de bijdrage van Chantal Akerman). Later in hotel La Luna in Lucca maakte ik een Engelse vertaling, met als titel Page Unwritten # 1.







05-02-12

NARCISSUS

1903_Waterhouse_Echo-and-Narcissus-1903.jpg

Echo and Narcissus - John William Waterhouse

Ik kijk uit het raam. Daar waar niets is kijkt de dood mij niet in de ogen maar dwars door me heen. Alsof ik al niet meer besta. Als ik de tijd dood, doodt de tijd mijn mooie en donkere dagen.


Dagen van plezier, spelend bij de grote rivier of, groen, het kanaal, waar ik op mijn vriendinnen wachtte met hun haren rood en bruin en geel, met hun appels voor mijn sappige dorst.

Dagen van lijden in bed, buiten de wassende maan, die mijn adem stal, en mijn gedachten terneer drukte, tot diep in de grond – zodat ik bij niemand troost vond, ook bij jou niet, geliefde, zo dicht bij mij, zo ver van huis.

Nu drink ik een glas witte wijn uit de heuvels, eet een kleine vlekkerige banaan, wandel door lelijke straten met een mooie vrouw. Boven mij een hemelsblauwe hemel waaronder verzonken en dronken de laatste mensen in hun lelijke lijfelijkheid.


De laatste mensen waar ik zo graag niet bij zou horen, als ik minuten tel om de tijd te doden en schapen als de tijd mij doodt. Mij en mijn bloeiende, openbloeiende, gewonde, genezen, onvergetelijke dagen. De tijd met zijn dagen van zon, regen en sneeuw.


18-01-12

AAPACHTIG LIED

 

Herinnering aan het lied dat ze voor je zongen in de nevel,
de valse vrienden die vriendschap met je wilden sluiten,
alsof je een sirene was, of een dolfijn en zij op een veilige boot
alleen maar hun ogen opensperden, hun zware voeten veilig
op het dek dat zo glansde in de junizon*. Veilig, veilig verklaard.

Zodat jij je lippen opende om het mondstuk van de trompet,
en met wat gevaarlijke funk hun solide dromen vermorzelde,
de noten op je zang rubberen kogels, scherp ijs, ranzige hitte.
Als een dum dum girl zag de Herinneraar je te keer gaan
tegen de stroom van melige jagers, hun opgeblazen verdriet.

Op een winderige dag kwam D. je groeten. Vuil tussen de tenen,
zijn haren schaars maar wild van het eindeloze reizen en afzien -
en ouderwets knielde hij voor je neer als een afstammeling
van nog waardige apen. Zo lang was er geen vermaak mogelijk
geweest en nu was de tijd gekomen: je omhelsde hem weer.

Je was zijn koningin, hij je koning, je zei: “Take all of me…”


*16 juni.

15-01-12

NIET ALLE OEFENING BAART KUNST

 

Niet alle oefening baart kunst maar om in jouw gunst te komen
lijkt het een goed begin. Armoede, honger, dorst, verlangen,
welvaart. Goed op weg, voorbij de horizon, voorbij het donker
en het licht. Je ene verblijf staat je andere niet in de weg.
Er schuilt geen adder onder het gras. Er is geen adder, geen gras.

Toen de motoren nog ronkten, de schroef schreef een  wit spoor,
ademde je al de zilte lucht in, die je nu benevelt als een geest
uit een fles. Oude avonturier in een schommelstoel, de schimmel
weggewaaid uit je dromen; de sterren verteld en verklaard
zijn je zege - maar over wat zegevier je dan wel in deze oude vallei?

Het moet over je mond zijn, in stilte of zacht van de rode wijn,
over de woorden, en de regio’s die zij ontdekken in je bestaan.
En zegevier je niet over je voorgevoelens,  je stom verdriet,
over je geraas en gebral, je voorbarige oordelen en verwensingen
om niets, je dwaasheid, je luie nachten zonder moedertaal?

Niet alle oefening baart kunst, maar je bent dan toch vertrokken.

31-12-11

IN HET NIEUWE JAAR

Opgedragen aan de verwanten.


In het nieuwe jaar schenk je je parels
aan de varkens. Als je ze niet cadeau
doet komen zij ze zelf wel stelen.
Met hun hebberige poten, hun bloedbanken.
De stank van hun bestaan zonder geweten.
Wat weten zij van het leed van miljoenen?
Zij weten er alles van, meer dan wijzelf.
De kleine varkens van George Harrison –
wat maken zij je boos met hun gulzigheid
en niets en niemand ontziende vraatzucht.

Maar de kleine mensen die als schimmen
door het leven sluipen alsof zij dieven zijn
en altijd in het zweet huns aanschijns
ademhalen, wachten in angst en beven –
die zo verlangen naar een feest van lach
en heerlijk dwaas zijn, naar een samen
met elkaar, met jou, engel, en zo groeien
in het wilde als vruchtbare woestijnvrucht:
hen bied je je waken, je nuchtere wensen.

19-12-11

WORLD'S END

kiefer_goldhair.jpg


Voor Patti Smith en PJ Harvey


Paarden in dromen, zoogdieren die ons dienden tot niets, nergens toe leidden - wij van troebel water en schaduwgebieden afgedaald naar lagere regionen van de kou. In zones van beheersing door fantomen en hun pijnstillingen bedwelmd. Dwergen jagen op wolven, met revolvers te groot voor hun handklappende handjes.

Alles gaat verstand te boven als het weg wordt gefluisterd, als het onbezongen blijft, van zinnen verstoken. Maar op een laat uur onderweg naar het einde, wegen woorden geen ons . Als bij doven en blinden vuurwerk blaft en waakhonden in hun witte kooien angstig zwijgen. Maretak, nachtegaal, ‘n zestal witte hengsten, geboortegejubel, doodsbedlinnen.


Nergens is het woord, voortaan, ook als je zwerft op een vlotte melodie naar wat opnieuw beginnen moet. Pas als je herhaalt kun je vergeten:  de dierenriem en wat je van oudsher bepaalde. Je driften, lusteloosheid, je verontreinigingen. Stekels altijd overeind, een filosoof van de twijfel. Een filosoof die liever het aambeeld verzwijgt waar de hamer op hamert.

De daver op het lijf in je eigen haard en boezem. De aarde opgeteld, grashalmen, zand, graankorrels, zorgenkinderen. De som gelijk aan zero grond, nul ademkristal, van generlei waarde. Afgerond staat netjes in een jurk van gewapend metaal.

Met baarden staan mannen de laatste vrouwen op te wachten tot ze vergeten waar hun mond is en hun uitingen, zich zelfs verslikken in hun wolfachtige fonemen.


Verminkte paarden leiden tot niets. Tot niets van enige waarde. Of ze galopperen tot World’s End,  waar evenmin iets in het oog springt, tenzij een dronken horizon, zwaar van verzopen schipperskinderen. Nee. Alleen niets, en geen troost voor jankende beesten, geen troost voor gewervelde en ongewervelde dieren. Niets dan een hongerig Europa hongerig naar niets.

Maar daar staan jouw paarden te grazen, hongerig naar jou. Wie zal na die dagen van afdalen je schapen hoeden, met ganzen spelen en uit je boezem de adder wegrukken, zijn gif opzuigen? Wie zal een levenslied, een doodslied voor je zingen? Wie zal die lijkwade van zich afschudden, en brullen, gedaan met slapen, gedaan met al dat gedoe. Het is tijd. Of is het geen tijd, misschien. Komen wij al te laat?

 

16-12-11

CYDIA POMONELLA ii

gerhard richter_appelbomen3b.jpg

Gerhard Richter, appelbomen.

 

Sap van appels zijn je oude woorden

als de appels in de boom van je buren

rijp voor de oogst in opgespaarde zomer,

ongeplukt, geur en smaak in de lucht

als huid van onbegrepen vrouwen.

Na zonnige Europese doem in oktober

rotten ze op te weinig bezongen gras,

elke zondag zo zorgvuldig gemaaid.

 

Je denkt als een havik aan David Lynch

zijn trage escapade, een laat weerzien

met broer: wat woorden over vader,

moeder, stoppen met roken, dit en dat.

Omdat ver verwant wat familie volhardt.

 

Je ziet een gedicht: maak ik terzines,

binnenrijm, tel ik afgunstig voeten

als waren het Dante's of van m'n zestien?

 

Wat essentie beweert men zou blijven,

niet van appels, van vrouwen niet. Nee,

van duidelijke woorden. Essentie

van de essentie als het lukken mocht:

op goede voet te staan als gewervelde

met het vruchtbare sap van de wereld.

Dan blijven die kleine druppels nog even

tegen slecht spijsverteren, bloedbaden,

tegen schrik en beven, tegen vergeten.

14-12-11

CYDIA POMONELLA

Voor Amy Winehouse

 

Sap van appels in je appelboom,
groen in de boom van de buren.
Rijp voor de oogst in late zomer
ongeplukt, geur en smaak in de lucht
als huid van onbegrepen vrouwen.
Na Belgische zomer in oktober
rotten ze op te weinig bezongen gras
elke zondag zo zorgvuldig gemaaid.

Je denkt meteen aan David Lynch

en trage escapades, een laat weerzien:
wat woorden over vader, moeder
en stoppen met roken en dit en dat.
Omdat wat familie volhardt, ver verwant.

Je ziet een gedicht: maak ik terzines,
binnenrijm, tel ik afgunstig voeten
als waren het Dantes of van m'n zestien?

Wat essentie zou blijven bestaan,
niet van appels, van vrouwen, maar
van woorden wordt gezegd. Essentie
van de essentie als het je lukt
met het sap van de wereld
op goede voet te staan als gewervelde.
Dan blijven die kleine druppels nog even
tegen slechte spijsvertering, oorlogen,
tegen schrik en beven en tegen vergeten.

05-12-11

INDISCH GEZANG

 

geetadutt3.jpg

Geeta Dutt.
 

Op 2 juni 1987, mijn zevenendertigste verjaardag, zag ik de Indische film Kaagaz Ke Phool (1959) van Guru Dutt. In Sight and Sound staat hij op de 160ste plaats van beste films allertijden. Dat wist ik toen natuurlijk nog niet, er bestond geen internet, geen YouTube en geen Wikipedia. Er was maar heel weinig informatie te vinden over de film.  Ik wist dat hij in het Frans Fleurs de papier heette en in het Engels Paper Flowers. Het verhaal zal ik hier niet uit de doeken doen, het gaat over film, mislukking en depressie. De muziek is van S.D. Burman, de aangrijpende liederen worden gezongen door Geeta Dutt en Mohammad Rafi.

De film was bijzonder mooi, maar het gezang boorde nog dieper in de ziel, vooral Dekhi Zamane Ki Yaari (Mohammad Rafi) en Waqt ne kiya kya haseen sitam (Geeta Dutt). Deze melancholische muziek nam mij op die lang vervlogen avond stevig in zijn greep en liet me niet meer los. Ik heb nog altijd geen soundtrack gevonden en ook geen dvd van de film, maar luister af en toe naar een van de hemelse liederen op YouTube of bekijk soms een filmfragment.

Naar aanleiding van de film en de muziek schreef ik destijds een gedicht, waar ik ondanks tientallen pogingen, door de jaren heen, nooit tevreden over ben geweest. Het kon nooit de schoonheid en de diepte van de filmmuziek evenaren. Desondanks wil ik het gedicht – in zijn huidige vorm – nu publiek maken.

film, muziek, gedicht, india, guru dutt, geeta dutt, mohammad rafi, subliem, schoonheid, paper flowers, fleurs de papier, kaagaz ke phool, verjaardag, 1987

INDISCH GEZANG

Bruilofstgasten trekken hun jassen aan,
verlaten wankelend een sprankelend feest.
Vergeten wordt de zanger uit Benares
tussen gebroken glazen en bijna lege flessen.

Iedereen neemt van iedereen afscheid.
Elk telefoongesprek eindigt met een klik.
Een geliefde stapt in een taxi, een vliegtuig.
Een vader wordt toegevoegd aan de aarde.

Het gezang heeft mij naar buiten gejaagd.
Ik ben in het stadspark gaan zitten en zie
hoe de lauwe regen stil op het gras valt.

De aarde is een blauwe, eenzame bol
schreiend tussen talloze heldere sterren.
Hoe vind ik in deze stad nog een vriend?

26-10-11

DUIVEL IN DETAILS


Er is nog voldoende donker brood.

En water, geen wijn, heb ik gedronken.
Van wijn ga ik naar andere vrouwen lonken
Als een laf en onbetrouwbaar beest.
De dokter is nog altijd niet geweest.
Komt hij niet meer, wil hij me liever dood?

17-10-11

DE VRIENDINNEN VAN DE KNUFFELBEER


Met knuffelbeer bracht Meisje

in Loksbergen een weekend door.

 

Gefietst en gewandeld,

hand in hand, zijn kleine kant.

 

Op de trampoline in z'n donkere tuin 

de gloeiende sterren begluurd.

 

Later nog op een verlaten terras

aan een cafetaria in natuurreservaat.

 

Goedlachs liet hij Haar los,

de knuffelbeer, vlug op z'n paard.

 

Kabouter klus, man van ijzer -

waartegen geen verweer.

 

Keek je de beer eerst in het oog,

Keek je de knuffel eerst in het oog?

04-10-11

RENAISSANCE (EEN SPROOKJE)

Je schreef je naam neer, vergat hem meteen,

in een donker boek in het donkerste zwart -

je enige, onverbloemde, onbezonnen naam. 

 

Niemand had je ontdekt, een roos naar je genoemd.

In geen categorie, geen verzameling, geen naam-

woordenboek vond je onderdak.

 

Geboren? Niet in deze streken. Geen mens

bezat ogen om je onbegonnen letters te zien,

geen oren op hun frequentie afgestemd.

 

Alsof je anders aan de schandpaal zou staan,

zo stil zweeg je over je naam. Klinkers

noch medeklinkers verlieten je keel.

 

Niemand hoorde zijn klank, niet in de woestijn,

niet als echo in een vallei, niet boven de vijvers

van het verdrinken, niet in de kamers in de stad.

 

In het water waarin het roestige staal zingt

voor de snoek en karper en het riet, het

water waarboven een zwaluw de lente maakt.

 

Daar kwam ik roeien tussen de lelies

van mijn verdriet. Mijn roeispaan peilde diep,

mijn arm in het blauw haalde je boven.

 

Hoor, een alledaags wonder, herboren.

je naam die nog moet wennen aan de wind

en de zon en de vreemde seizoenen.

30-09-11

ARCHAISCH GEVLOERD

Voor Lucebert.


Als van de luchtmens de adem gesnoerd

kent de engel alleen zijn adres

want weet hij niet af van de aanvang:

hoe zijn armen gestrekt, zijn handen gevouwen

in wat leek op een macaber gebed,

zijn alfa en omega belegen op de vloer?

De engel beheerst dezelfde woorden 

die hij beheerste, nadat hij ze bijviel -

tot barse stemmen ze kamen verwensen.

Zelfs 'genade' viel in slechte aarde,

alles archaïsch van generlei waarde.

...

Hoe heet je, vroeg hij, voor wie ik dit schrijf?

Deze parabel van bloed en tranen

waaruit purperen gif komt gevloeid

en de ziel voor altijd verbannen

naar een strafkolonie van dwazen.

Hoe heet je dan, duivel en engel?

Duizend namen genoemd, een blijft

in de kou liggen tussen de resten

van wat werd gekoesterd en nodig gehad.

Tussen wat niet langer gemist.

Smeulende asse in modder, in vuil.

 

(Al wat van goud is wordt verkwist.

Met parels tooien zich pooiers en dieven.)

26-09-11

VERZONKEN SCHAT

Een verzonken schat in je garage schittert

als de nacht uit de sterren komt vallen

zwaar en dan weer licht op ons vel -

wij onvolkomen terecht in het donker.

 

Ze lonkt in een woord, wenkt in een droom

die van mijn boomstam de gouden takken

bezingt terwijl ik bejubel je torenhoge slaap

en de treden die je betreedt, hoger dan ooit.

 

Daar in je landschap zo vlak als het Westen

van deze vijandige streken, zo vol heuvels

van zinnen die mijn spreken begeren - de taal

die diep in je oren is binnengedrongen

 

Op die avond van gloed, gloednieuwe maan.

17-05-11

HONGER

Rodin_Danaid-.jpg


Opgedragen aan Toutou, de Geliefden op de Purperen Heide, het Model van Rodin, Adriaan, Uvi, SaS, Lonesome Zorro, Cowboy, Ella Louise en Madame La Marquise.

Daar was ik aan toe, toen je zei, ik heb er genoeg van.
Ik trilde, je naam in mijn oren, maar van jou nooit genoeg.
Je zou me begraven en ik zou je het leven geven
met een geheime spreuk, een donkere gave gaf me die in
maar het is nooit genoeg. De ene noot volgt de andere.
Niemand wil sterven, niemand zo lang leven tot
hij geen honger meer heeft naar jou of iemand als jou.

 

De zinnen kwamen niet, er waren geen vrienden, tenzij
degenen die me vergaten. Sommigen dachten dat ik dood was
tussen de rupsen. Waar zacht wordt gezongen als in de kerk
toen ik nog klein was en in jou geloofde, die niet bestaat
tenzij als een woord op een zerk, in een tempel
waar in het zweet des aanschijns elke dag wordt gewerkt.
De zinnen die kwamen verbijsterden, legden je het zwijgen op.

 

In die jaren stegen de stemmen ten hemel, en de gitaren,
verrukkend, verbrijzelend, een geluk met een ongeluk.
Het ongeluk was het lijf dat zo voorbijgaat en niet altijd
in zo'n extase kan blijven, bevangen door rook en verlangen.
Het geluk was in blinde ogen die vingers uitstrekten
naar geslacht en verbod. De marmeren vingers die
marmer bezielden en je bezingend over glazen gingen.

 

Uit de hemel kwamen wij gevallen, als uit een sekte
en wij gingen van deur tot deur en vertelden leugens,
de waarheid, er was niets, zal niets komen, we zijn
ten einde raad en hebben geen boodschap. Leugens
over liefde en wat schoon is vertellen we niet. Alles
is in jou aanwezig. Wil je me strelen? Streel me dan.
Wil je met me spelen, speel met me tot het gedaan is.

 

Kom bij me, en speel met me tot het gedaan is.

06-05-11

IN HET LEER

 

Nu zou ik graag op jou zitten

wachten.

 

(Pas op om acht uur ‘s avonds

zonder een Murakami.)

 

Morgen ontvang je me

onder gesloten omslag –

 

En niet in je vinger, in je vinger

snijden want

 

Een machteloze macho

lust geen bloed.

 

Past zwart leer bij Celan?

Meer bij Céline, misschien,

 

En bij stoere venten

die benzine drinken

 

bij hun benzedrine.

 

 

10-03-11

SERAPHIM ii

Voor Anselm Kiefer


De hemel in het grijs van deze streken

Maar eerst de lucht blauw

In het wit van je ogen.

 

Je weerspiegelt de tijd en de woorden

Die niemand kent hoor ik in je accenten.

Opeens zie ik het donkerste grijs.

 

Als een opgebrande vriend je aanspreekt

En je je opnieuw opricht

Uit datgene wat je vernietigt.

 

Als dwazen boven je uit torenen

Of aan je voeten liggen

Hun wonden likkend.

 

(Een kunst op zichzelf

Die nooit af zal nemen:

Die van het misplaatst predicaat.)

 

Terwijl op de achtergrond pianissimo

Ontstemd vogelgezang, zwart,

De weelde van het onvolmaakte.

 

Nooit was je mooier dan op je ladder

Naar de grijze hemel, opeens blauw,

Vuilwit, verwachtingen scheppend.