28-01-13

KAN IK DAN NIET LANGER WACHTEN?

Als op een teken van heil of onheil zat ik te wachten. Ik zat te wachten op iemand die mij aansprak. Die mij aansprakelijk maakte. Aansprakelijk voor de wereld in de ogen van goede mensen. Ik zat te wachten op wat komen moest. Kan ik dan niet langer wachten, vraag ik mij soms af.

Als een oude soldaat stond ik op wacht. Nochtans lijd ik aan zinsbegoocheling noch shock. Als ik lijd is het aan eigen leegte. Nee, zelfs wie mij dierbaar is gun ik die leegte niet, of het zou in lege woorden moeten zijn en zinloos.

Als op een krekel in de zomer zat ik te wachten maar het was winter en ik was doof, en donker in mijn donkere kamer zat ik gebogen over oude wapens. Mijn raadselachtige decoraties had ik in het vuur geworpen. Nog restte mij de ontrouw die ik moest zweren aan wie mij haat of liefheeft en aan het vaderland.

Als op het gezang van engelen zat ik te wachten alsof ik niet wist dat zij al sinds de herfst staken: vogels met vleugels van as, met ogen van steen. Ik zat in mijn kamer verlangend naar gramschap scherp geslepen op de vuursteen van mijn hart. Als op een onmiskenbaar teken van heil of onheil zat ik te wachten.

23-01-13

IK DACHT NOG

Zeventien keer vroeg ik het je al.
Ik had net zo goed niets kunnen vragen.
Of was het achttien?
Je antwoordde zeventien of achttien keer niet.
Wat doe je met wit, vroeg ik.
Wat doe je met zwart, vroeg ik.

Ik zei je dat ik je niets verwijt.
Het is gewoon een vraag zoals een andere.
Wat doe je met de andere kleuren, die ertussenin?
Vond je er geen woorden voor?
Niet iedereen is Rimbaud, dat weet ik wel.
Al weet ik niet veel – dat wel:
De alchimie van het woord.

En vragen, ik ken heel veel vragen.
Vraag mij niet om antwoorden, die ken ik niet.
Stel je vraagt me: hoe gaat het met je?
Ik weet het niet.
Gelukkig ben ik niet.
Maar ben ik daarom ongelukkig?
Mij moet je het niet vragen.

Ik schreef je dat het tijd wordt.
Zeventien keer al dat ik iets moet gaan doen.
Met mijn leven, met jouw leven.
Maar wat? Iets tussen wit en zwart?
Zeg het me nu toch eindelijk, want ik weet het niet.
Vandaag dacht ik nog: er is niets te doen.
Ik dacht nog: er is helemaal niets te doen.

20-01-13

BESTEMMING

 

Je leeft zeventien levens tegelijk.

Je leeft in zeventien namen.

Ik ben er een van, ken er twee van, of drie.

Prijs me gelukkig.

Prijs me en heb me lief, zeventien keer.
 

In een naam alle kleuren, in alle kleuren een naam.

Korenbloemblauw in de Kempen.

Aardebruin in vergeten gehuchten.

Antraciet in de Borinage van Henri Storck en Joris Ivens.

In een luxueus pand in Brussel rood van tomaten.
 

In je oog immer het licht van een vonk.

Geen zwavel in de vele e’s van je begin.

Wierook die je verdooft, op pad stuurt

Naar een bijna bedolven bestemming

Waar je onder de notenboom meezingt.
 

Je leeft zeventien levens tegelijk.

Je leeft in zeventien regels.



17-01-13

AAN EEN SLECHT DOEL VERSPILD

Hij hield geen rekening met zijn dichter.
Gaf je het hele hart, rode zonsondergang,
Gaf je handen van vuur, bezong zijn onmin,
Reisde je naar eindstations in herfstzon achterna,
Volgde bleke voetsporen in je bleke sneeuw.

Voor altijd weg.

Maar hoe het nu bonkt, motor in een machinekamer.
Z’n huis waar luid ‘Out Of Focus’ tegen de wanden spat.
(Hoe kan muziek zo wellustig kronkelen?)
Maar hoe het nu bonkt in zijn lichaam.
Hoe het nu struikelt over zichzelf, over zijn naam.

Oude rivieren woest in zijn herinneringen
En aan jou die ik nu ben, blijf zijn, ouder bestaan.
Niets anders bleef, blijft,  dan dat ritme.
In z’n rode kamers, een twee drie, opnieuw.
Alle andere organen aan een slecht doel verspild.

10-01-13

HET HELE HART


Hield geen rekening met de dichter.
Gaf je het hele hart, rood van zonsondergangen, onmin, eindstations in herfstzon, zelfs bleke Winter.

Hoe voel ik het dan nu kloppen in de machinekamer hier?
Terwijl op de achtergrond Wharf Rat.
In mijn lichaam, alle organen aan een slecht doel geschonken.

Oude rivieren woest in mijn herinneringen aan jou die ik nu ben - en niets anders bleef, blijft
in mijn net zo rode kamers, een twee drie.

03-01-13

BLIJVEN, VERTREKKEN


Je bloeddoorlopen ogen.

Je verwelkende handen op mijn koude aders.
Op het altijd andere gras.
Hoe kun je je herinneren?
De dingen? De stemmingen die ze brengen?
Alsof je mensen golven zijn, komen en gaan,
de wind uit zoveel streken en weer weg.
Met hun manieren, hun gemompel en getrek.
Met je blijven en vertrekken.

Soms lijkt het erop dat wij adders eten,
niet als laatste voedsel, om te overleven,
of duingras, salie - nee, om een punt te zetten
met braaksel en smurrie, olie, terpentijn
en zwavelzuur. Alsof we genoeg hebben gehad
van alle genoegens die het leven biedt.


03-12-12

AURORA - EEN VERGETEN RUIMTE?

aurora.jpg
Onze kinderen in Ruimte Aurora, Antwerpen 1980.
Foto: Martin Pulaski.

Ik vind het nog altijd vreemd en onterecht dat je via google of andere zoekmachines zo weinig aan de weet komt over het in veel opzichten baanbrekende tijdschrift Aurora, van de gelijknamige filosofische kring. Aan een min of meer objectief artikel daarover waag ik mij niet: het is allemaal te lang geleden en ik ben maar een viertal jaar lid geweest van de redactie. Aurora zag het daglicht in 1976 aan de VUB, toen die universiteit nog geen eigen campus had, wat ik heerlijk vond. De stichter van het tijdschrift was de enigszins controversiële filosoof Leopold Flam, schrijver van talloze filosofische werken, die nog altijd zeer het lezen waard zijn. Stuwende kracht was de eigenzinnige schilder en schrijver Paul Rigaumont. Mijn vrienden en ik zijn Leopold Flam altijd als een mentor blijven beschouwen. 

Het secretariaat van ‘Aurora’ bevond zich niet in Brussel maar in Antwerpen. Spoedig werden in het pand aan de Lange Leemstraat allerlei boeiende activiteiten georganiseerd. Voor mij was dat een aansporing om na het behalen van mijn filosofiediploma en enkele mislukte experimenten met door Antonin Artaud geïnspireerd theater – in ons appartement in Sint-Joost-Ten-Node en in ‘Doorndal’ – naar mijn geboortestad terug te keren. In Ruimte Aurora werd werk tentoongesteld van toen nog onbekende kunstenaars (onder meer Ria Pacquée*, Guillaume Bijl, Guy Rombouts), er werden lezingen gehouden over poëzie, literatuur en uiteraard filosofie; er werden poëzienamiddagen georganiseerd, soms werd er zelfs gedanst.
Wat evenmin zou mogen vergeten worden zijn de talloze gesprekken, vaak een dialoog van kunst en filosofie. Naast het driemaandelijks tijdschrift publiceerde Aurora werk van Leopold Flam, Annie Reniers, Eldert Willems, Eric Min en anderen.


In het tijdschrift verschenen essays, beschouwingen, gedichten, experimentele teksten van bekende en minder bekende auteurs. Ik heb een sterk vermoeden dat er tussen decenniaoud kaf nog heel veel koren aan te treffen valt. Het is de hoogste tijd dat dit werk wordt ontsloten. Het is tevens de hoogste tijd dat Aurora als unieke experimentele ruimte de aandacht krijgt die ze verdient in de cultuurgeschiedenis van dat deel van België dat zich Vlaanderen noemt en zo begaan is met zijn cultureel erfgoed.


*”Na zelf enkele performances te hebben geïnitieerd, solo of in groep, stelt ze in 1977 samen met Guillaume Bijl tentoon in de Filosofische Kring Aurora in Antwerpen. Pacquée presenteert er assemblages met goedkope spulletjes die ze in een supermarkt had gestolen.” Koen Brams, Dirk Püttau, in: De Witte Raaf.
~~~
Oorspronkelijk gepubliceerd op 24-11-2012. 

27-08-12

MAASTRICHT

 

Met een zware vracht
in mijn verraderlijk hart
uit regengebied terug.

Taal van mijn vader
die ik in die dagen
niet horen wilde.

Kerken zo oud
als de tijd daar
die ik niet betrad.

Water van de stroom
waarin ik niet ging 
verdrinken.

Spreeuwen in de wei-
landen die ik er voor altijd
achterlaat.


15-08-12

WOORDEN ZIJN SEKS, ZEI JE

De hemel was niet staalblauw.
De hemel was blauw.
Je lippen waren niet scharlaken
Je lippen waren rood.
Het zilver schitterde niet.
Het zilver was zilver.
De dagen waren niet lang.
De dagen waren niet kort.
De dagen waren dagen.
Niets leek op een bloem.
Alleen bloemen leken op bloemen.
Er was geen naderend onheil.
Er was alleen onheil.

Je had niets om het lijf.
Je riep begeerte op.
Lust rijmde niet op rust.
Lust was in een andere taal.
Versta je?

Niemand verbaasde zich ergens over.
Alles was zoals het was.
Geen gedoe.
Geen drukte.
Omdat er woorden waren.

Je zei, dit is een woord.
Het begint met een woord, zei je.
Begin jij niet met een woord, zei je.
Begin met een woord, zei je.
Woorden zijn seks, zei je.
Ogen is een woord, zei je.
Zilver is goud, zei je.
Nergens is nergens, zei je.
Je bent overal, zei je.



09-07-12

VREEMDE VERWANTSCHAPPEN

P1070144.JPG

Stockholm, 1 juli 2012. Foto: Martin Pulaski.
 

Je bent zo vreemd, zo ver weg van jezelf.
Heel ver, ja, alsof ik niet echt besta.
Wat ik voelde was dat ik alleen was met mezelf.
Ik ver weg, jij heel dicht bij jezelf?
Nee, wat je zei leek door mezelf uitgesproken.
Jouw woorden waren diep in mij aanwezig.
Als een virus?
Als goedaardige gezellen.

Bizar toch dat die lieve vrouw hier zo opeens komt rusten.
Welke lieve vrouw?
Die lieve vrouw daar, onder de vijgenboom van Lorca.
Ik denk dat ze van jou gaat dromen.
Wat zou ze van mij wel mogen dromen?
Dat het morgen goed komt, morgen komt het goed.
Een goedaardige gezellin, dus?
Misschien, mogelijk droomt ze ook van een lange reis.
Een lange reis naar waar?
Een lange reis door dag en nacht, naar overmorgen.
... 

Weet je nog wat je een uur geleden schreef, of ben je ‘t al vergeten?
Ach, Desdemona, ik vergeet alles, zelfs mijn naam vergeet ik.
Je schreef dat alles goed komt, je schreef dat morgen alles goed komt.
Ach, dat weet ik zeker niet meer, wat ik over morgen schreef.
En dat je jezelf niet was en dat ik ook mezelf niet was.
Ja, en dat dat zo nauw aansluit bij elkaar, dat schreef ik, ja. 

05-07-12

MADONNA VAN DE KORENBLOEMEN

 

Het was een trieste tijd, maanden van ademnood, slijk,
Wachten op een schip naar een gestameld koninkrijk.
Die dag zag ik je terug, Madonna van de Korenbloemen,
Met in je doornige vingers een verboden amulet.
Geknield voor Jezus, bad je mijn lichtzinnig gebed.
Je was alleen in je gebied gebleven, eenzaam als tranen.
Elke stap die je daarna zette was een stap in het licht.
Heldere hemel, je kon je aangezicht nergens verbergen.
Je viel ten prooi aan gedachten, dromen van overvloed.
In je hoofd schonk niets je genade voor schaarse misstappen
die je nog zetten moest, slechts dat je nog moest begaan.
Uit dat denken, dromen, bleven woorden resoneren,
Diep in je lichaam naar binnen gebracht, als een sonde.

Wat ik die dag in je blik gereflecteerd zag blijf ik overal
Zoeken, om het dan op alle plaatsen waar ik kom
Tot het einde in zicht is tegen je te kunnen herhalen.

30-06-12

REFLECTIES iii


Wie van jullie een vrouw in een blauwe jurk voorbijloopt

Die nooit lang blijft en daarin op wolken en rendieren gelijkt

Die snel weer vertrekt, niet omkijkt, zoals in de mythe,

Het oude lied, waarin niemand terugkeert naar zijn bron

Die gelukkig is in vergeten en zich herinnert wat de regen

Fluisterde; de wind in de haartjes op haar geschaafde knie.

 

Zeg me wat jullie in haar ogen zagen en wat ze jullie zei.

Had ze pleisters op haar tenen, op andere tere plekken

Van haar lichaam en haar geest, met elkaar verstrengeld

als leven en dood, afgrond en grond, rode wijn en brood?

Was ze gewond als de sperwer die ik verzorgen moest -

Toen ik een jongen was - opdat hij weer vliegen kon?

 

Zag je hem aarzelen voor hij terugvloog naar zijn bron?

 

 

(Züla Kök & Bar, Stockholm)

REFLECTIES ii

P1060695.JPG

20-06-12

BLUES (ZONSONDERGANG)

De zon kwam op en nu gaat ze weer onder, zei ze.
Zo ver en zo nabij, zei hij.
En wat heb jij ondertussen gedaan, zei ze.

Ik heb een paar huizen gebouwd, zei hij.
Huizen, zei ze, en je handen dan?
Huizen van woorden, zei hij.
Je hebt niet stilgezeten, dat zie ik, zei ze.
Toch wel, zei hij, ik heb ook wijn gedronken.
Je ziet er nochtans niet dronken uit, zei ze.
Het was met een vriend, zei hij.
Daar aan de vijvers van Elsene zeker, zei ze.
Ja, zei hij, daar.
Je weet wel, zei hij, waar meisjes voorbijlopen met zilver en goud.
En je vriend dan, zei ze.
Met hem heb ik gepraat en geweend, zei hij.
Wilde hij weer naar Noorwegen terug, zei ze.
Ja, zei hij, naar de meren en de bergen daar en de stilte.
Dat dacht ik al, zei ze.
Je zou het eens moeten weten, zei hij.
Hoezo, zei ze.
Er kwamen zangers voorbij, gitaristen, zo droef, zei hij.
En toen kon je niet meer spreken, zei ze.
We werden overstemd door hun blijdschap, zei hij.

19-06-12

ROUW EN HUWELIJK

 Voor Richard Hawley

duanemichals01Thisphotograph ismyproof1974.jpg
Duane Michals - This Photograph Is My Proof, 1974
 

Wat zeg je over de geur van onze lelies, zei ze.
Een code van berouw, zei hij
Jij warhoofd vol kronkels, zei ze.
Het is maar een lied, zei hij.
Dat hoor ik, zei ze, maar een droef lied.
De stem van de wereld, zei hij.
Ondergangsstemming, dat is wat het is, zei ze.
Als nu de zon nog zou schijnen, zei hij.
Ja, zei ze, lang genoeg rouwkleren gedragen.
Rouw is altijd wel stijlvol, zei hij.
Rouw en huwelijk, zei ze.

18-06-12

PARKIETEN

 

Op het terras at ik een lekker haantje
zoals ik toen ik jong was zo vaak
met mijn ouders deed – onbewust
van wat ik in hun ogen zou vergeten.
Ik dacht aan mijn vader en moeder,
lang dood nu, keek naar de hemel op zoek
naar een engel of iets engelachtigs.

Wat een lawaai toch maken die parkieten, zei je.
Waar, vroeg ik, waar zijn die parkieten?
Daar, zei ze, in de bomen, zie je ze dan niet?
Ik zie geen groen in al dat groen, zei ik,
Ik geloof dat ik weer blind word.
Daarop zag ik een parkiet wegvliegen
van de ene boom naar de andere

en daarna een tweede parkiet -
en dacht aan de dood. Hoorde een lied,
‘how was I to know you cared’?
vol oude gloed en diep verdriet.

26-05-12

MAAT VAN ALLE DINGEN

 

duanemichals 2.jpg
Foto: Duane Michals

 

Sommige mensen gaan stuk van sport.
Sommige van gul lachen.
Sommige van zwaarlijvigheid.
Sommige van myasthenia gravis.
Sommige mensen gaan stuk van motoren.
Sommige mensen van eenzaamheid.
Sommige van te lang alleen zijn.
Sommige van geruchten en rumoer.
Sommige van meditatie.
Sommige van de nabijheid van een idyllisch park.
Sommige van opgezette haaien.
Sommige mensen gaan stuk van het zien van een lelie.
Of van een andere bloem.
Sommige van zuchten.
Sommige van twijfel.
Sommige van te lang vliegen.
Sommige mensen gaan stuk van Paul Auster.
Sommige van ijverzucht.
Sommige van Tristan en Isolde.
Sommige mensen gaan stuk van verveling.
Sommige van teveel.
Sommige van te weinig.
Sommige van kogels.
Veel mensen gaan stuk van honger.
Veel meer van dorst.
Sommige mensen gaan stuk van bommen.
Sommige van misprijzen.
Sommige van haat.
Sommige van bezittingen.
Sommige van exotische vlinders.
Sommige mensen gaan stuk van liefde.

21-05-12

MIDNIGHT COWBOY

 

MIDNIGHT.jpg

Midnight Cowboy - John Schlesinger. Met Dustin Hoffman en Jon Voight.

Macadam, zo werd de Midnight Cowboy genoemd.
De jonge man die zich aan oudere vrouwen zou verkopen.
In de bruisende stad Brussel was dat zijn naam.
Midnight Cowboy, Macadam.

Leg jij dan maar het verband tussen nacht, asfalt en cowboys.
Of noem het beton.
Zo vaak je blik rust op dat materiaal.
Maar zie je het?
Weet je wat het is? 
Een laag beton over koude aarde.

Bijna niets voor jou.
Niets om over naar thuis te schrijven.
Tot je een ogenblik je blik scherp stelt.
Aan het denken slaat.

Wat een gedoe op die harde grond.
Voetsporen, speeksel, sperma, bloed.
Een hele beschaving is er gepasseerd.
Dagen, nachten stapten daar avonturiers.
Vagebonden van het alles en niets.
Moedeloos of overmoedig gingen ze over de lijn.
Want waar een grens als alles glanst?

Nee, op lijnen kon je niet rekenen.
Grenzen brachten je niet nader.
Op water dan?
Op hitte?
Op vogelgezang?

Wat was er opeens zo raadselachtig aan steen?
Fabriekssteen.
Je wist het niet.
Er waren alleen magere woorden voor.
Zo moest je dan Indiaan worden, met je hoofd op de grond.
Zo kon je misschien nog een spoor horen.
Van Macadam, nacht, nuchtere cowboys.

12-04-12

ARCHEOLOGIE VAN DE ONWETENDHEID

Memling mystiek huwlijk (2).jpg

Hans Memling, Het mystiek huwelijk van de Heilige Catharina.

 

O wat duurt dit levenslied lang als ik op je wacht. Lang als het leven van de gevreesde en geliefde vader. Die van mij twintig jaar dood, die van jou levend als de zomerregen. Vertelde ik al hoe hij  in zijn zwarte Consul de smalle wegen bereed nog lang voor de verlichting? Met een dunne sigaret tussen z’n dunne lippen. Een man van die mensheid nog die ondanks loopgraven en vliegende bommen, die ondanks prevelen en knielen voor valse goden niet moe was. Ook niet van blootshoofds op het veld in hete zon te ploegen (sommige mannen en vrouwen met een strooien hoed op, dat wel). Of hoe ze na elke vervelende eredienst biljartten en kaartten, hun bier geel als graan, het schuim zacht als de huid van hun vrouwen?


Was het een wonder dat vrouwen zo zongen en lachten? Ik vergelijk dat maar niet met iets wat van voorbijgaande aard is. Het zou vals klinken, of buitensporig. Zo’n gezang past in geen register. Zoek er maar naar in het Latijn of het slang van San Diego:  er blijft geen spoor van over, niets daar dan overbelichte ruïnes van badhuizen, Korintische zuilen, mean streets, gehuil, moordlust in de ogen, schel hondengeblaf, uitputting. Niets dan prikkeldraad, do not cross, woede, afgunst, woeker en de illusies die weelde levert.

In Brussel stap ik op de trein naar Brugge, maar kom in Tienen aan. Waar mijn vriend J. verbleef voor hij zich aan eeuwig zwijgen overgaf. Onderweg ontmoet ik de man die zijn haar kort liet knippen. Onvermijdelijk op een trein der traagheid die zich van richting vergist. Suikerstad in plaats van die van de mistige dood, van de zingende Memlinc-meisjes. De man die mijn kaartje knipt heeft een vetvlek op zijn kraag. Als hij zich omdraait zie ik een zeepspoor achter zijn oor. Wordt hij daarom doodgeschoten? Nee, dat nog niet, dat nog niet.

O wat duurt dit levenslied kort als je van me weggaat. En kort wat wij tussen begin en einde doen: trappen op en af gaan, ons vasthouden aan zilveren balustrades en dansen op India Song van Marguérite Duras, in zwijgen  erop los dromen, ons elkaars vaderland en moederland herinneren. (Dezelfde regen die op Strawberry Fields viel valt nu op de mijnen van destijds, in de omgeving de mijnwerkers onrustig in hun exotische graven, onmogelijk dat ze denken aan hun vaderland van stof en as, fijn stof dat ik nu inadem, of zijn het vaderdeeltjes die jij zo diep inademt tot je dauwachtige druppels bloed ophoest?) Een neonlicht bar binnenstappen waar de pianist achterover is gevallen van teveel gin-tonic of een beroerte, weten we veel. Het koper klinkt alsof het achterstevoren wordt afgespeeld, wat niet ongewoon was toen ik mij nog tegen de heerschappij van mijn vader verzette: mijn ziel was van koper. Ik weet niet van wat jouw ziel was, nu is ze een merel. Die van mij is een zalm die de Hudson opzwemt richting Central Park, waar engelen nog steeds Give Peace A Chance zingen en Power To The People. In Penn Station – helemaal uit woorden opgetrokken - nemen onze troebele ogen en tintelende handen afscheid, na die zo korte dag.

Gedaan met de lange en de korte duur, met de uren en de dagen, de jaren. Opnieuw in mezelf op zoek naar de verloren tijd gaan. Was dat toen John Sebastian dat lied zong, Oh Darling Be Home Soon? Het lied dat hij maar zingen blijft, en jij die maar niet naar huis komt. En wat te denken van deze tijd van misnoegdheid, wat van deze dagen van dode zalm en stille merel, aan de bomen de bladeren met tegenzin groen?

 

09-04-12

OORLOG EN VREDE

Voor Habakuk II De Balker, lijdend aan manisch-depressiviteit (wordt beweerd).

O wat duurt dit lied lang zo lang als als als
vroeger langs de smalle wegen nog niet verlicht
en de mensheid ondanks loopgraven vliegende bommen
en valse goden niet moe blootshoofds in de hete zon
was het een wonder wat ze zongen en hoe ze lachten
na elke vervelende dienst en biljarten en bier geel
als het graan en de zon zo is niets waar het op lijkt
ook al vergelijk je nog zoveel en gebruik je oude registers
en nieuwe van latijn naar amerika van argot naar slang
en terug naar brussel en brugge en tienen met de trein
en de man die zijn haar kort liet kappen
om je kaartje te knippen wordt zelfs niet doodgeschoten
vanwege een vlek op zijn kraag of wat zeep achter zijn oren.

O wat duurt dit lied kort dit afscheid dit algebraïsch op
en af gaan van trappen zich vasthouden aan balustrades
er lustig op los dromend alsof ze een mijn zijn de dromen
een mijn zonder mijnwerkers onuitputtelijk als het graf
ga je dan op de loop voor die stilte als het opeens stopt
de pianist ligt al achterover de toetsen gebarsten
en wat betekent dat beetje koper achterstevoren
als een zalm in de hudson of waar zalmen loodzwaar worden
van al dat gevis ja de jongen heeft te veel gezongen hoor mama
ja de jongen heeft weer in zijn bed gepist mama
kom maar kom met propere lakens die zo lekker rieken
want gedaan is het liedje nu geen pijn meer te horen.