09-06-06

EEN FAMILIEGESCHIEDENIS


De Autobahn trok een zo goed als rechte lijn van Hier naar waar je moest zijn, namelijk nabij de zee in het Zuiden, de geur van sinaasappels in het witte zonlicht. Het witte zonlicht in je gezicht. Geen zonnebril die je daar tegen beschermt. Alsof er goden bij komen kijken, opeens, als insecten die uit machines komen kruipen. Alsof er weer wat moet worden gebloed voor een of andere schande. Maar dat waren andere tijden, andere normen en waarden. Stel je ze maar voor, goden met baarden.

Met een dodenhoed op kwam je nochtans glimlachend de hoek om, soms, met een zwarte teerling tussen de tanden geklemd. Of je daalde af in een familiegraf, met voor alle aanwezigen een vriendelijk of beleefd woord.

Recht naar de golven waar – graven en bunkers uit het oog verloren - ook gesurfd wordt. Maar eerst volgde een ruiker tulpen nog een gebogen lijn, namelijk toen je hem over het balkon gooide terwijl de te kostbare psychedelische vaas op tafel bleef staan.

Je bloedende ogen zochten een roofvogel boven de rotsen, terwijl je voetenin de plattelandsmodder wegzonken en je de namen van de bomen vergat.De namen, zoals ze in de boeken stonden genoteerd. Het laatste spoor dat ze nalieten.
Stel je de luxe voor, dakloze, naamloze, laatste mens, mens zonder woorden!

04-05-06

EEN PIZZA VOOR BACH


De boeken in zijn kamer verliezen betekenis.
De wereld zin.
In de schoenzolen van de liefde zitten gaten.
Waar zijn de vleugels van Chinees papier die destijds de rug rechtten?
De paarden trappelen niet onrustig op het biljartgroene gras.
Tijdens een lichte hagelbui onbekommerd naar dat grasveld teruggekeerd .
Vlakbij dampten kastanjebruine paarden.
Daarna grassprietjes in de natte haren.
In die dagen van de vurige dieren overal om ons heen en in ons dezelfde vurige dieren.

De boot van het verlangen ligt te roesten in het droogdok.
De kapitein zit wat te hoesten om de lente om te krijgen.
Waar hij niet aan denkt in zijn kamer.
Na wat lauwe regenbuien is de zomer finido.

Op een door een dennenboom beschaduwd terras
Zitten ze nog wat na te zwijgen en nemen dan de tram naar bed.
Alfa en omega van de gezegende wereld.
De lakens, het dekbed, de bedsprei.
Stofdeeltjesrazernij en het Noorden verliezen.

Je moet naar Zwitserland, zei dokter Couvreur.
Daar zijn bergen van denkers. Daar is de sneeuw wit als wit.
De ouders hadden er geen oren naar.
Het waren goede mensen, maar met een gebrek aan wat Bach zo nodig had.
Zelfs Brian Wilson had nog één goed exemplaar, stevig mono.
Waarmee hij lachte, ook al kende hij de weg niet
Naar de eerste de beste Whisky Bar.

Neen, er was geen volle maan te zien in de goot.
Er was geen goot.
Geen sterrenbeelden in het wijnglas weerspiegeld.
Ze straalden te traag en onthielden hun romances.

Winternacht hing lang en donker.
De weg ging naar het licht confuus en onwaarschijnlijk.
De winternacht met donkere onbenoemde vogels stil in de sierspar.
Zonder wonder speelde de muziek de kamers leeg.
Zwarte toetsen voor een half oor van Penthesilea.

Waanzin dan? Met gebroken kruiken en een gedroomde bloem in de hand?
Zoals de Prins van Homburg, de Hertog van Aquitanië.
Hoe de winter naar de winter reikt met niets daartussen.
Het hart, het verboden hart.
Het donkere hart dat niet bang is voor het donker.
En als dan toch plotseling de zomer, plotseling de zomer komt gefruit?

03-04-06

COWBOYS IN GREYHOUNDS


Cowboys in bussen zijn nuchtere Mexicanen.
Overal waar zij komen krimp je
Van heimwee ineen. Slak van de voorbijgang.

Cowboys in bussen zijn Indianen.
In de broekzakken sigaretten goedkoop,
Zilver, van goden geblauwde signalen.

Cowboys in bussen zijn naar Las Vegas
Onderweg zonder god noch gebod en geen spoor
Van zonsondergangswaanzin. De tranen,
de ogen, indigo druppels versteend.

Cowboys in bussen zijn verhalen verteld.
Ontrafelde stripjes, meisjes zonder kamers.
Gestreken hemden met versleten kragen
En gaten waar de soul gebrand heeft.

Zo was de ondergang van het Westen.

30-03-06

GEDICHT VOOR DE DAKLOZE


Als je me vindt voorbij de nacht en het vuur,
in lakens vergeten, vegeterend in een donkere hoek
van de hoofdstad.
Als mijn uur van Barbaar in het land voorbij is
na een halve eeuw hoofdstoten tegen een wall of sound
van bange mensen,
hun geweldig pas-de-deux-gegil niet meer verdurend.
Als je je voordeur openzwaait voor mijn moeilijke naam
die zo graag van rook wolken wil worden,
het veelvuldige willoze vlees achterna.
Een haas in het maanlicht gevangen,
en haastig zijn letters verpletterd.
Als je me herkent in een schaduw
en mijn vingers ziet natrillen
van eikenbladeren, van korrels zand.
Als je handen mijn ogen afwenden van wat ik zag
en jouw ogen zien wat ik zag
toen ik op de rand van de aarde lag
en daar het gras, het gewillige, het laatste gras.
En daar het tulpenverbijsterende gras vasthield.

22-03-06

JUNKIES IN DE HERFST



Leegte, niets groeit, je bestaan verkorzelt.
In schaduwen gaapt afgrond,
Voor dode zielen onbekende tekens.
Geheugen, ernstige steen des aanstoots.
Steeds weer het glas gevuld, de stad gezocht,
onder mensen zwaargewicht tot licht herleid.

Oude geur van heroïne waait in november
je kamer binnen. Levensmoe en moedig zuchten
naar een nieuwe lente, raadsel opgelost,
ander mysterie ontrafeld. Beelden verwaterd
in zoute oplossingen en wijn van de zon.

TEGEN DE TIJD



Tegen de tijd dat de zomer eindigt in het begin
Zijn we vanuit de buitenkant naar binnen gekomen
In opstand
In braakland
We hinken er lustig op los zonder enige expertise
Doordeweeks gekleed of op zijn zondags.

Dagen dat we proberen een trompet te vinden
In een houten Marokkaanse fluit
Zo'n ding waar je geen geluid uit krijgt
Je staat dan voor de spiegel als een trompe l'oeil
Of een thuisgebleven admiraal dat kan ook.

Nachten dat we liggen te tellen de sabels
Of allerlei vachten en daaronder verborgen
Instrumenten dodelijk nauwelijks omzwachteld
Een klier van een kerel die weer iemands buik openrijt
Legt jou daarna in de watten en van de weeromstuit
Moet je lachen maar huilen staat je nader.

Daar liggen we dan niet eens onder de sterren
Maar onder een al te bekend dak niet het onze
En even voor het ontwaken stoppen wij al deze dingen
Goed weg in laden in kastjes in donkere kamers
Voor het geval dat iemand toch nog iets recht
Komt trekken.

Tegen het begin van de zomer die eindigt in de lente
Zijn we vanuit de binnenkant naar buiten komen lopen
En leunen nu wat tegen onszelf aan
Midden in een veld van klaver
Daar sta je dan een vogelschrik in welstand.

01:11 Gepost in Gedicht | Permalink | Commentaren (1) | Tags: tijd, dag, nacht, landschap |  Facebook

21-03-06

NACHTELIJKE TOCHTEN



Ik loop met jou in een urinekelder.
Zwarte asters die met hun bladeren
Beschimmelde bakstenen bedekken.

In mezelf verbrokkelt de wereld
Zonder woorden om zin te geven
aan wat rest van de dagen.

Ik loop met jou door een dwazentuin
waar slaapwandelaars weelde vergaren
en gebral triomfeert.

Niets betekende wat jij zei.
"Spreek mij tegen
of ik zeg een verkeerd woord."

Ik loop met jou hand in hand
over Borges’ wereldkaart.
“No shit”, zei je.

Haat tegen de gouden tijd
Van de voorouders gloeit in onze ogen.
Tot wij met onze mobiele telefoontjes
Televisietoestellen stukslaan.

‘s Morgens braken we afschuw uit
Voor het dagelijks bestaan
En denken: ons geluk is opgebruikt.

10-03-06

VOETBALVELD IN BOSNIË


Anselm Kiefer, in loden boeken heb ik je naam neergeschreven. Al vloekende, al tierende. De geschiedenis heeft geen bril nodig om mijn letters te spellen. Ik zie je voetsporen in de sneeuw van een voetbalveld waar je talloze doden liggen, nabij de doelen. De menigte klapte in de handen voor het een of het ander. Veel drukte om niets, werd gespeeld in menig theater. In Sarajevo werd druk gescoord tegen Bosniërs, met bloed in hun haar. Men woelde alleen maar het groene gras om.

26-02-06

BLASBAND, LATERE VERSIE



's Avonds kwam hij wankelen,
modder in de ooghoek en bloed,
zijn hemd en broek gescheurd.
Hij gaf geen woord, verblinde
woede sloot hem in zijn adem op.

Een donkere kamer gaf zich
aan de beelden spuwende,
van ver gekomen. De onbeminde
verstrikt in heilige gevechten.
Een held met een zwarte hoed op,

voor de boven hem gaande. Hier
in dit land zou je voor minder
in de tribunes gaan schuilen
nabij het vertrouwde slagveld
met sterren die netjes geteld zijn.

01:14 Gepost in Gedicht | Permalink | Commentaren (3) | Tags: blasband, geweld |  Facebook

BLASBAND, VROEGE VERSIE


Avond kwam hij lopen
modder in het oog en bloed,
hemd en broek gescheurd.

Hij gaf geen woord.

Woede sloot hem in
zijn donkere kamer

af.

Spuwde beelden rode morgen

toe.

Heilige gevechten.

Blootshoofds,
huid van held gescheurd.

01:09 Gepost in Gedicht | Permalink | Commentaren (0) | Tags: blasband, geweld |  Facebook

30-01-06

ALCHIMIE VAN DE WANHOPIGE LIEFDE


Geen bloem op de wereld maakt
van mij een beter mens, mijn lief.
Zelfs niet de oriëntaalse papaver
die ik me verbeeld tussen het klaver.

Het woord dat mij geluk brengt
wordt niet uitgesproken onder de zon.
Het stomme dat ik het schrappen bespaar
lijkt er zelfs van verre niet op.

Maar wat verwacht ik van jou?
Dat je huid van de rupsen afstamt
en ook wil ik drinken uit je mond.
Mijn dorst is die van een matroos.

Dat je in mij meedanst door het dorp,
de verloren zoon, met zakken vol goud
en ogen door Venus aangetast -
als ik weer op mijn eigen bodem spuw.

23:38 Gepost in Gedicht | Permalink | Commentaren (5) | Tags: gedicht, dorst, liefde |  Facebook

LULU OP DE BRUG


Voor Paul Auster

Loulou staat op de brug en kijkt
naar de blauwe rivier. Stil liggen
daar schepen met meeuwen erboven.

Ik zit in de kamer, loop geen gevaar.
Niets te betekenen, denk ik: in mijn hoofd
maakt een clown kleine gebaren.

Loulou wilde naar buiten. Ver weg
van barre verblijven waarin mijn adem
zich op de wanden vereeuwigt.

Zij wil meer nog geheim worden.
In het donker houd ik geheimen niet vol:
zo koud ben ik nu eenmaal niet.

Loulou’s blik verandert gedurig.
Het water voegt haar dromen toe
aan de dromen van verdronkenen.

14-12-05

HET NIEUWE LEVEN


on the barge

Wat doe je op dit strand? Je weet het niet. Je loopt in de zon die het zout in je huid brandt. Achter je rug rijdt een Volkswagen voorbij. Een rode vlek die vermoeid klinkt. In een van de witte huizen zingt een vrouw een lied. Maar je luistert niet. Je hoort de koekoek roepen in de dennenbomen. Toen je klein was. Koekoek. Koekoek.Koekoek. Met je vogelborst was je zelf die koekoek. Harde kale berken stonden tussen de dennen. In de koude bossen.

Maar niet lang blijf je daar rondhangen. De hitte van Lissabon verjaagt je rijke gedachten. En rode wijn uit de witte stad danst in je hoofd. Er is geen schaduw. Alleen deze wrange smaak op de tong. Alleen de oceaan.

Met zijn rug naar Europa zit op een steen een neger. Een zwarte Homerus die niet meer vertelt. En jij? Vertel jij hém iets? Over je schaduwrijk land. Over de Noordenwind en zijn woeste zee. Onze gitzwarte zee. Onze koude wind. Hoor je zijn lied, Violetta? Hoor je de meeuwen schreeuwen? Mijn platteland schreeuwen ze. Onze meeuwen. Mijn platteland. Er hangt wat pek aan hun vleugels. Wat baggerspecie.

Als je zijn gegier terughoort stopt hij je weer tussen de arme lakens. In je donkere kamer. Achter de versleten gordijnen. Over Vlaanderens helden weet iedereen alles. Wie zij liefhebben en wie zij bedriegen. De kleur van hun ogen en van hun dasspeld. En dat zij allemaal te koop zijn. Maar wat gebeurt achter de gordijnen? Waar geen zout in de huid brandt. Waar je leeft op de gele bladzijden van de gelezen en leven zal op de witte bladzijden van de ongelezen boeken.

De Noordenwind. Je ontsnapt niet aan zijn streken. Mijn goede vriend, zegt hij. Je zwarte haren rukte ik uit. Je dromen sloegen voor mij als Arabische paarden op de vlucht, als Arabische vluchtelingen lieten ze alles achter. Wat wanhopige minnaars met zichzelf doen, dàt deed ik met je illusies. Ik gooide ze van het balkon naar beneden. Wat waren ze bloedeloos, die illusies van jou. Wilde je ze zelf buitenschoppen Had je genoeg van de verstikkende lucht die ze verspreidden? Metafysische systemen, zegt hij, die kreeg je voor niets. De zwarte sneeuw moest je er wel bijnemen. Dank zij mij, zegt hij, keerde je die dwaasheid de rug toe.

Ging het zo? Wie zal het zeggen? Wij zijn zo begaan met onze eigen mythologie. Ja, je ziet het al gebeuren. Je stapt in het vel van de verongelijkte minnaar. Gaat met de deuren slaan. Omdat je aan een ander denkt. Altijd iemand anders dan degene die je bent. Een die je zijn wil. Een die je graag was geweest. Een derde. En met een andere derde op nog een ander strand.

In dat kleine café aan de haven. Daar zat je nooit. Aangetrokken door het lied op de jukebox omstreeks middernacht. Liep je er voorbij. Liep je er nogmaals voorbij met je kop op het kussen. Alleen met je gedachten over het universum en op de pick-up Paul Anka's Hello Jim. Je hand voerde het ritueel uit om de kosmos en de liefjes te vergeten in onschuldige slaap. Binnenstappen deed je niet. Je was op je hoede voor het gevaar. De blauwe zeeman met het bloedgleufmes. Een vent als twee druppels water je vader. De dreiging uit zijn dronken ogen. De zatte broederschap van zes uur 's morgens. Het blote vlees op hoge hakken. De diepgang van gelogen liefde kende je uit het hoofd. De daad was overbodig.

Onverhoeds wat wrange woorden. Bitter tegen je dame uit de mond gemorst. Geen esdoornblad bij de hand. Geen Venetiaans masker. Als de wijngeest zijn dwarse danspassen zet in je dagdroom. Als hij zijn rode hoofd schudt en zijn blanke voeten verroert. Met je schampere tong een moment van geluk verspild. Onmin gezaaid. Maar weet je het dan niet? Je krijgt geen tweede kans. De tijd staat niet stil. En niet elk decennium baart een renaissance. Niets duurt hier lang. Het aftandse doek gaat op. Je zegt een paar woorden. Het aftandse doek valt. Ook Elvis werd dik en moest heengaan. De waarheid is eenvoudig. Op het einde doet iemand de deur dicht.

Hoor hem eens zingen, mijnheer. Hij is in de wind. 't Zal zo'n hula hula lied zijn. Hij valt nog steeds voor Hawaïanen. Met vreemd gestemde gitaren. Hùn muziek vond je niet op de jukebox. En niet in de platenwinkel in het dorp. Hij wist alles van de Hawaïanen. Dat ze goed waren, met eerlijke ogen. Hij zei, zo wil ik ook zijn. Met net zo'n vette buik en zo'n gekleurd hemd en zulke ogen.

Luister nu maar. Doe die was maar uit je oren. De kust is klaar.Alle gevaar is geweken. De rode Volkswagen is een kleine kever geworden, vlekje vermiljoen aan de horizon. Ja, nu hoor je al beter. 't Klinkt minder exotisch dan je vermoedde. 't Is geen blues wat zij zingt. Geen Tristan und Isolde. 't Is meer zo'n levenslied. Zo een waarin rake klappen worden uitgedeeld. Waarin alle leed toebehoort aan de zwakken en alle honger aan de armen. Verdriet schittert als diamant in de vergeten straat. Het bekende melodietje. Wat lijkt het op het oude deuntje. Van de kleine jongen in pied-de-poule met gouden polshorloge. Het brave mannetje dat zijn weg verloor.

Wat deed hij in de buitenwijken? Hij wist het niet. De stadsranden met hun geur van seringen. Wat verder de stinkende giftige krotten. Waar de ongewensten wonen. De propere mensen een doorn in het oog. Een doorn in het donker gestreeld en gekoesterd. Zijn wij niet proper! zeggen de propere mensen. Zijn wij niet goed! Ja natuurlijk, als je eerst de anderen slechtmaakt en uitbant.

Is het niet mooi, dan? Aan de drooglijn het ondergoed met woestijnvlekken in die geen waspoeder eruit krijgt. Moestuinen. Netels en pisbloemen tussen het puin. Een vermolmde sinaasappelkrat uit Spanje. Een Cortinawrak in het bosje. Een roestige Flandria-brommer. Daar verloor het brave ventje zijn weg.

De deuntjes lokken ons naar de steden. Die levens opbranden als regenwoud. Daar gaan wij op zoek naar schoonheid. Niet in de natuur. Die wij slecht noemden en hebben gedood. In de steden bezoeken wij de musea. De rotte appelen van Cézanne. Nature morte, still life. We aanschouwen beelden van goden, van engelen, van de natuur die wij verloren in een kinderspel. In de steden wandelen wij door groene parken. Bestuderen wij de namen van de bomen. Vieren wij Pasen vanwege het woord. Wij verliezen onze tijd. Slaan op de vlucht voor een wonder. Onze wieg stond in Hollywood. Daar ben ik geboren. Daar voel ik me thuis. Mijn moeder heet Marilyn. Mijn vader heet Marlon. Noem mij maar Elvis. In die naam voel ik mij thuis.

Gevoelens, zei je? Gevoelens zeggen niets. Het woord doet denken aan dikke kale priesters. Toeterzatte venten stinkend uit hun bek. Vrouwen van over de veertig verlangend naar de operatietafel. Zonsondergangen in Napels op digitale foto's. Zo'n karretje met koele watermeloenen. Een ritje op de rug van een kameel. Drie muntjes in de fontein. Altijd zoals in een lied. Wij dromen er lustig op los en weten het: Dromen zijn bedrog. Voor kostschoolmeisjes en Freudianen voedingsstof.

Three coins in the fountain. Each one seeking happiness. Verliezen is scheepsrecht, zeg je. De beste schippers staan aan de toog. Rollen over de vloer Lazarus achterna. Vestigen zich op het Eilandje En verliezen hun gezond verstand. Ballingen die graag thuis zouden komen. Waarom zou je iets voelen voor hen?

Jij gaat op zoek naar schoonheid. In de ogen van moordzuchtige cowboys. In het gekwek van zuipende wijven in louche kroegen. Op de wangen van jongetjes met puisten. Titaantjes die friet eten en voetballen. In de fervente ogen van jonge meisjes die pa en ma brutaal de rug toekeren. Op zoek naar schoonheid in schofterige seksfilms zonder actie of plot. In de dialogen van smakeloos geklede boeven tevreden met hun lot. Bij uitvretertjes thuis. Mislukkelingen die haring eten met mayonaise. Of sardientjes uit blik. Op met jenever doordrenkte bierviltjes kribbelen zij hun onsterfelijke verzen, denkend aan hun moeder, aan hun eerste lief tussen de dennenbomen, denkend aan Walt Whitman. Die schoonheid zoek je soms. Als je het aankunt. Als je lever nog meewil. Als je longen het toestaan. Als je bereid bent.

Neen, zeg je. Ik heb mijn buik vol Vlaanderens helden, zelfingenomen nulliteiten die rondzwerven op golfterreinen of door onze straten jagen in Jaguars. Hun huizen vol kitsch en schone kunsten. Voortaan hou ik van pure Vlaamse lelijkheid. Wat wij pure Vlaamse lelijkheid noemden, aldus beschouwden. Daar hou ik van. Dit is het nieuwe leven. Vanaf nu bewonder ik de baksteen. Ik ga op bedevaart naar Rupelmonde. Die duivenkoten. 'k Zie ze zo geire. Mosselen met friet. Een tripel van Westmalle en een boterham met plattekees. Vlaamse karbonade. Witlof en spruiten. Een heerlijk nieuw leven met een bord vol spek en bloemkool. Schipper naast Mathilde op DVD. Bobbejaan Schoepen op CD.

Je verbergt je waanzin in een houten kistje en gaat naar de kermis. De vrouw met de drie tieten ga je zien. De dame met de baard. De madam met de elf vingers. De koning der boksers. Op de kermis haal je je olie. Daar steek je je licht op. Vanaf heden ben je te vinden op de foor. Kramer onder de kramers.

Begin een nieuw leven. Houd van de taxichauffeur die kotst in het Centraal Station. Vraag de Brabantse dwerg in ruil voor de blonde jongen op het Lido. Dat Noorse matroosje van Visconti. Geef Madonna gratis en voor niks erbovenop. Verlang naar de WC-madam in de Quick. Dat is vast een goed mens. Een die veel peren heeft gezien. Die een wijsje kan meezingen. Na de dagtaak is ze wellicht een van die zuipende wijven in de louche kroeg. Sluit ook haar in je hart.

Je zit niet om raad verlegen? Al goed. Je moet niet overdrijven met het tegendraadse. Schoonheid kan ook doodgewoon schoonheid zijn. Zo'n beeld van Klee. Zo'n Zone van Apollinaire. Zo'n Atalante van Jean Vigo. Zo'n Blue Moon Of Kentucky. Zo'n Doodslied van Blind Willie McTell. Op doodsliederen heb je het wel begrepen. If the blues was whiskey I'd stay drunk all the time. Zo'n bottleneckgitaarsolo van Blind Willie Johnson. De duim over de bassnaren, de melodie van de langere vingers. And the people did run and pray. And the people did run and pray. And the people did run and pray. And the people did run and pray. And the people did run and pray. Dat antieke voorhoofd. Die Ethiopische trots. Emotie stroomt uit elke noot. Uit elke porie.

Hoe speel je het klaar? Je gooit je niet zomaar voor de leeuwen. Je weet hoe het moet. Je beheerst de dingen die je doet. En die doe je goed. Je hebt je beide handen onder controle. Je moet niet overdrijven met het tegendraadse. Je moet je kunsten kennen. Je talenten. Ze hangen aan je handen en je lippen. Schoonheid stroomt uit elke porie.

Wil je nog een goede raad? Luister dan. Je moet altijd naar alles en iedereen luisteren. Je moet alles horen. Luisteren naar het verdriet van Michelangelo. Luisteren naar de vrouwen die de kamer binnenkomen leuterend over baby's en tepelzweren, de stam van de holenbeer en de truitjes van Marc'O Polo. Het geheimzinnige van hun stemmen. Ook het gerinkel van hun koffiekopjes kan verrukkelijk klinken. Luisteren naar Connie Francis en Anneke Grönloh. Naar de rolschaatsers buiten op het trottoir. De trage wagens in de beregende straat. De dreunende bussen. Zo'n bellende tram met reclame van Captain Iglo op z'n flank. Die nu ook in dit gedicht zijn plaats vindt. Sponsor kom maar op met dat geld! Generale! De Leeuw! Vooruitzicht! Colombia! Baggerwerken De Paepe! Saddam Hoessein! Hier met dat geld! Ik zal je sandwichman zijn. Ik zal je naam door de straten dragen.

Luister. De steden zitten als brandkasten met goudstaven vol met verhalen die uitpuilen van schoonheid en gevaar. Je kunt er niet naast kijken. De parels liggen voor het rapen. De zwijnen doen er niets mee. Maar jij.

Drie muntjes in de fontein. De eeuwige liedjes stijgen je naar het hoofd. Door hùn woorden bekijk je de wereld. Maar je kunt er niet op dansen. Verloren gelopen jongetje in pied de poule pak met je gouden polshorloge. Met je nauwe schoenen. Met je stramme benen. Met je beeld uit de oude tijd dat je aankijkt in de spiegel. Wat heeft ie een gek hoedje op. Je luistert niet. Je maakt het jezelf lastig. Je verklaart jezelf gek. Je geeft je aan bij de instanties. Je stopt je ziel weer in het kistje. Terug in het houten kistje. Rustig.

Je zit op een steen in het brandende zand aan het water. Voor eeuwig in de zon. Alles is wit en verblindend. Je bent rustig. Gelukkig zonder verhaal. Je moet niets meer vertellen. Je bent thuis. Voor altijd bij het water.

11-12-05

HANDEN EN VLEUGELS


De zoon zit neer met in zijn handen zijn vaders postzegels uit alle landen van de wereld.Waarom zo'n verzameling, denkt hij. Wat heeft ze toegevoegd aan zijn leven? Wat blijft mij over? Is er een methode voor het bestaan?

Soms twijfelt hij aan de zinnen die zijn lichaam dragen. Af en toe, in vertwijfeling of wanhoop, gaat hij naar de haven toe, waar mannen met geruite hemden aan de schepen, die hun bonte vlaggen voeren, lossen en weer laden. Grote witte vogels spiegelen zich er in het water. Dokwerkers en meeuwen (geen leeuwentemmers, geen efemere fotomodellen) bezegelen opnieuw de zekerheid van zijn wereld met hun handen en hun vleugels.

07-12-05

BLUES VAN HET SCHIMMIGE BESTAAN



Voor Jim Jarmusch en Wim Wenders

Niet naar Berlijn rijdt deze trein.
Niet naar Berlijn breng ik deze bladen.
Deze lege volhheid,
Deze volle leegte.
Dit begin van een storm
Deze siddering in mijn leden
Breng ik niet naar Berlijn.

In de richting van een haven rijdt deze trein.
In de richting van een diepe rivier.
Ik denk aan het water in de haven.
Ik denk aan het water in de diepe rivier.
Want dat water weerspiegelt haar ogen.
Haar ogen weerspiegelen de hemel.
De hemel weerspiegelt haar ziel.

Ik probeer alle liederen te vergeten.
Ik probeer alle liederen te vergeten.
Ook die over de liefde probeer ik te vergeten.
De liederen over de ogen en de handen van mijn geliefde
Die nu bij de kapper zit in het helle licht
Probeer ik te vergeten.
Maar ik kan niet. De liederen over de liefde
Blijven in mijn leden sidderen.

Vanuit de trein zie ik vitrines
Waarin hoeren hun huid belichten.
Hoe zij daarin van haar verschillen.
Zij die haar eigen ogen belicht
En de ogen van haar vrienden
En de ogen van haar geliefde
De ogen van de dorpen en de steden
De ogen van de wereld.

Niet naar Berlijn rijdt deze trein
Vol vreemden, zo nabij en zo ver.
In een andere wereld lijken zij te leven.
Niet in de wereld die haar ogen belichten.
Niet in de woorden die zij spreekt.
Niet in haar naam die ik niet aankan.
Deze wanhoop breng ik niet naar Berlijn.

Ik zwijg en denk aan het water.
Ik denk aan niets en niemand.
Ik denk, ik heb geen leven.
Ik denk, er is geen trein.
Ik denk, ik kom nergens aan.
Ik kom nergens aan, denk ik.

Het enige wat ik wil is blijven.

02-12-05

HET TOEVAL WIL DE BOMEN


het toeval wil de bomen
zo kaal vandaag
gelaten laten wachten
op licht

het toeval wil de woorden
zo arm vandaag
als armen die niet tot de kruinen
reiken
alles wat is gebeurd
is ook niet gebeurd
in één zelfde ogenblik

en wij die de verschrikking
van de wereld zijn
wij vreemden hier voorbij
gewandeld

27-11-05

NATIONALE FEESTDAG, 1976


Uit antieke kanonnen buldert hun volkslied
en zomergekte overspoelt duizenden onderdanen;
overal op de boulevards in feestelijk badpak
onthullen zij hun eeuwenoude trotse geslacht.

(Soms plots een syncope:
staan zij met z'n allen
kaarsrecht in het gelid.)

Op het Omwentelingsplein houdt een maarschalk
zijn witgelakte reddingsbootjes paraat.
Vijf pompiers zitten met rode neuzen
om een ronde tafel en drinken nog een gueuze.

Aan de tricolor wappert een marmeren paleis.
De koning der Belgen verschijnt
minzaam glimlachend op het balkon
en strooit handenvol babelutten in het rond

Aan zijn zijde de koningin, die vraagt:
"Hoe sta ik met een rode hoed ?"
"Het is gewoon geen zicht, vorstin."
Ontstemd gaat zij weer hun woning in.

Mijn lief rookt rode libanon voor het raam.
"Onnozel zijn de mensen, het heeft geen naam."
"Kom hier", zeg ik tegen haar blote rug,
"dan smeer ik je nog eens met honing in."

12-11-05

VERVELING, LEEGTE VAN DE ZIEL


Verveling of de leegte van de ziel. Een vonkje, nog een vonkje, tot een veelvoud vuur vat en je de woorden influistert, inblaast; tot je zelf een vuur van woorden wordt. En in elkaar smelt. In wie? In wie wacht, met warhaar. Staaldraad van de tong gesmolten. Zo ga je gloeiend als een vallende ster de nacht in, waar de hartendieven je verwachten of niet verwachten.

02-10-05

PIZZERIA SANTA LUCIA


Het gezang en gevloek van de dronken vrienden beneden zit hem tot hier. Een zacht wapen van Brussel-Zuid ligt goed in de hand van de Italiaan als hij George Simon twee kogels door de kop jaagt en Knockaert recht in het hart schiet. Nu zwijgen ze zich de statistieken uit. De olifantvan Côte D'Or wendt gelaten het hoofd af. Waarom zou hij zich over iets opwinden: morgen gaat hij zelf tegen de vlakte.

Thuis hanteer ik de afstandsbedienaars, wapens om mijn eigen wereld in de hand te houden en wat stoort de mond te snoeren. Tot alles doodbloedt voor mijn zwakke ogen in langzaam, langzaam licht en donker.

19-09-05

BOERENPOLKA


jayne mansfield


Giftige liefde sluipt de telefooncel uit. Zoete woorden, zegt men. Maanschijn en abrikozen. Velletje! Je luistert naar een boerenpolka van een accordeonspeler uit een continent afkomstig waar stil staan als ijsbloemen: de danseurs. Waar dichters met de ogen half gesloten narcotisch glimlachen naar sterren, en als op wolken meewiegen op de sierlijke cadans van hun siliconen.

Plato kijkt toe van tussen de zuilen en geselt in stilte zijn vriend. Tijd berust in zijn droevige iconen.