16-11-05

MONTAIGNE'S VRIENDSCHAP


MONTAIGNE

Ja, zeker, ik herhaal het hier ook nog eens, voor de duizenden lezers van deze bijzonder populaire weblog, Montaigne maakt inderdaad een onderscheid. Hij maakt een onderscheid tussen toevallig tot stand gekomen 'vriendschappen' en de éne, unieke vriendschap, heel bepaald met La Boétie (1530-1563), "een vriendschap die zo volmaakt en totaal was, dat je iets dergelijks in de literatuur niet gauw zult tegenkomen en waarvan onder onze tijdgenoten al helemaal geen spoor te bekennen valt. Om een dergelijke vriendschap op te bouwen moeten zoveel gunstige omstandigheden samenwerken, dat het al veel is als het lot dat eens in drie eeuwen tot stand brengt." Motaigne schrikt niet terug voor enige overdrijving. Er zullen ongetwijfeld nog zulke ‘unieke’ vriendschappen bestaan hebben en nog bestaan. Maar kan ik zelf iets dergelijks beweren? Ik heb enkele heel goede vrienden, maar het gaat nooit om een vriendschap die volmaakt en totaal is. Niemand is perfect en totaal, niemand is af, we zijn altijd in wording. De beste vriend die ik ooit heb gehad, Jos D., is helaas al lange tijd dood. Hij is in oktober 1991 vrijwillig uit het leven gestapt, op een ogenblik dat ik hand in hand met mijn geliefde een wandeling maakte op het strand van het heerlijke Cadiz (waar ik vaak terugkeer, omdat ik er mijn hart heb verloren, maar niet toen, die eerste keer, toen Jos van een gebouw is gesprongen in Leuven).

Dat toeval toch altijd! Ik dacht net te schrijven: een vriend die ik me had toegewenst is Townes Van Zandt zaliger, en net op dat moment, zoals een paar dagen geleden met Patti Smith’s Free Money, speelt mijn jukebox Pancho and Lefty, uitgevoerd door Bob Dylan en Willie Nelson. (Bob Dylan en Willie Nelson zijn overigens ook bewonderaars van Townes).

BIJ MONTAIGNE IN DE LEER GAAN


Ik zou dagelijks een stukje in de Essays van Montaigne moeten lezen. Dat ‘werk’ (dat vanzelf lijkt tot stand te zijn gekomen, zonder inspanningen, etc) biedt zoveel inzicht, zoveel genoegen, zoveel ‘inspiratie’, zoveel uitwegen, zoveel ideeën om het leven eenvoudiger te maken, dat je je afvraagt waarom je zelf nog naar antwoorden zoekt op vragen die je stelt. De meeste antwoorden staan misschien wel in dit boek. (Maar je blijft natuurlijk altijd wel nieuwsgierig en twijfel is je tweede natuur, of zelfs je eerste…)

“Overigens is wat wij gewoonlijk vrienden en vriendschappen noemen niet meer dan een door een of ander toeval of voordeel tot stand gekomen bekendheid of vertrouwdheid met iemand, waarin de geesten elkaar vinden. In de vriendschap waarvan ik spreek, vermengen en versmelten beide geesten zich tot een zo alles omvattend samengaan, dat ze de naad die hen verbindt doen verdwijnen en niet meer terugvinden. Als men bij mij zou aandringen te zeggen waarom ik van hem hield, voel ik dat dat alleen uitgedrukt kan worden door te antwoorden: ‘Omdat hij het was, omdat ik het was.’”

Montaigne, Over vriendschap

KUNST IS DIEFSTAL


SARTRE LES MOTS


Dat beeld van boeken als kleine doodskisten heb ik van Sartre gepikt, als ik me niet vergis. Ik geloof dat het in Les mots staat. Kunst is diefstal. Je moet niet altijd alle namen noemen. Mallarmé, Lautréamont, Dylan en zo. Je woorden komen altijd wel ergens vandaan. Het zijn je eigen woorden en het zijn die van anderen. De lagen komen uit je persoonlijkheid tevoorschijn, maar ook uit de geschiedenis, uit de tijd. Echo's van Indianen, Ieren, Chinezen en Romeinen (om er maar enkele te noemen) zijn je niet vreemd. Cultuur is altijd intercultureel. Dat gezeur over interculturaliteit moet maar eens ophouden. Alsof men altijd maar zou herhalen: cultuur bestaat, cultuur bestaat. Heeft de keizer dan geen kleren aan?

15-11-05

OVER DE IJDELHEID VAN WOORDEN


ABACUS

“Ik weet niet of het anderen net zo vergaat als mij, maar wanneer ik onze bouwmeesters met die grote woorden uit hun jargon zoals pilasters, architraven, kroonlijsten, Corintische en Dorische stijl hun belangrijkheid hoor opblazen, kan ik niet verhinderen dat ik onwillekeurig word overvallen door fantasieën over het paleis van Apollidon, terwijl ik in werkelijkheid constateer dat ze het over de gammele onderdelen van mijn keukendeur hebben.Wanneer u hoort spreken over metonymie, metafoor, allegorie en meer van zulke benamingen, is het dan niet alsof men daarmee naar een zeldzame en exotische taal verwijst? En toch zijn het termen die betrekking hebben op het gebabbel van uw kamermeisje.”

Montaigne, Over de ijdelheid van woorden.

11-10-05

MEDEDOGEN MET PHILOCTETES


philoctetes 3

Philoctetes, onderweg om met de Grieken in de Trojaanse oorlog te gaan vechten wordt op het eiland Lemnos in de voet gebeten door een slang. Al kort daarna druipt stinkende pus uit zijn voet en vloekt hij het uit van de pijn. Zijn gezellen laten Philoctetes verzwakt en hulpeloos achter op het onbewoonde eiland. Philoctetes is kreupel en heeft geen andere hulpmiddelen dan zijn boog en zijn pijlen, "zonder andere vrienden dan de dieren die tevens zijn voedsel waren."
Tien jaar later komen de Grieken hem weer zoeken, want inmiddels hebben ze begrepen dat ze zonder de boog van Philoctetes de oorlog tegen Troje niet kunnen winnen. Ze komen niet terug om hem te helpen, of uit schuldgevoel en schaamte, maar alleen omdat ze hem kunnen gebruiken. Hij is niet meer dan een middel om een doel te bereiken.

Bij Sophocles, de schrijver van deze tragedie, is er echter de troost van het koor dat smeekt: "Heb mededogen met hem!"
En Philoctetes zegt het volgende:
"Red me, heb mededogen, in het besef dat elk sterfelijk leven vatbaar is voor gevaar en vreselijk onheil. Er kunnen goede dingen gebeuren, maar ook het omgekeerde is mogelijk. Iemand die niets te lijden heeft moet op zijn hoede zijn voor vreselijk onheil en vooral als het je goed gaat in het leven, moet je oppassen dat je niet onverwacht te gronde gaat."
Sophocles was kennelijk negentig toen hij deze tragedie schreef.

25-08-05

BEREKENENDE APEN


hussserl

Twee dagen geleden vermelde ik hier terloops mijn weerzin voor het boekhouden. Ik schreef ook dat ik geen sympathie heb voor de rekenende en berekenende mens. Ik bedoelde daarmee natuurlijk niet de wiskundigen en natuurwetenschappers. Daar heb ik net grote bewondering voor (ook al vind ik de materie vaak moeilijk, omdat mijn kennis van de wiskunde zo klein is). Op een mooie zomeravond, een tweetal weken geleden, heb ik nog vol ontzag zitten kijken en luisteren naar een alweer zeer geslaagde aflevering van Zomergasten met Robbert Dijkgraaf, hoogleraar mathematische fysica aan de Universiteit van Amsterdam. Zulke wetenschappers deel ik zeker niet in bij de berekenende en rekenende mensen. Ik dacht toen ik zo oneerbiedig over dat rekenen schreef aan het ‘berekenende denken’ van Martin Heidegger, dat hij als filosoof afkeurt. Bij hem gaat het natuurlijk heel wat verder dan vervelende apen die wat zitten te rekenen. Ik ben zelf helaas nog maar weinig met filosofie bezig. Ik weet dan ook niet hoe het nu gesteld is met de tegenstelling tussen wetenschap en filosofie. Bij Heidegger was dat ongetwijfeld een zeer belangrijk thema, net zoals de techniek dat was. Heidegger was van oordeel dat de filosofie werd achtervolgd door de vrees aan aanzien en zeggenschap te verliezen als ze geen wetenschap zou zijn. Dat zou dan gelden als een gebrek dat wordt gelijkgesteld met onwetenschappelijkheid. “In de technische interpretatie van het denken is het zijn als element van het denken prijsgegeven”, aldus Heidegger. Mijn gebrek aan sympathie voor de berekenaar en de technocraat plaats ik voor het gemak even in deze filosofische context. (Een belangrijke filosoof voor het verband tussen wetenschap en filosofie was natuurlijk ook Edmund Husserl, die daar dieper op in ging in onder meer Philosophie als strenge Wissenschaft).

Verwacht van mij nu niet dat deze notities er voortaan als filosofische beschouwingen zullen gaan uitzien. Ik blijf mijn grillige weg volgen, waarbij ik me vooral laat leiden door het toeval en waarbij ik zo waarheidsgetrouw mogelijk verslag uitbreng van wat in mij omgaat, van wat mij aanspreekt, van wat mij zegt wat ik moet zeggen. So don’t turn your back on me, baby, want ik blijf tot het einde mijner dagen lid van sergeant pepper’s lonely hearts club.

20-07-05

EEN AANTAL SPOREN


CINEMA2


Als ik niets te vertellen heb, kan ik ook niets bedenken. Ik heb geen fantasie en kan niet liegen. Als ik niets te vertellen heb zijn er drie mogelijkheden:

1.Ik geef je helemaal niets.
2.Ik geef je oude verzinsels.
3.Ik laat in mijn kaarten kijken (sporen).

Liefde

Liefde als een bron van groot moreel gevaar, “door haar partijdigheid en de ermee gepaard gaande extreme kwetsbaarheid, die de koppeling met jaloezie en woede vrijwel onontkoombaar maken.” Dat las ik tot mijn grote schrik in ‘Oplevingen van het denken’ van Martha Nussbaum.

Teleurstelling

“Het streven van gisteren gold voor het ik van gisteren en niet voor dat van vandaag. Wij zijn teleurgesteld dat datgene wat wij zo graag bereikt noemen, zo nietig blijkt te zijn.” Toen Samuel Beckett dit schreef in verband met Marcel Proust vertelde hij niets nieuws. Dit idee vinden we reeds bij Kant terug en, nog meer uitgewerkt, bij Schopenhauer. “Zodra we iets krijgen waarnaar we hebben verlangd ontdekken we dat het niets voorstelt, en leven we alweer in de hoop op iets beters, hoewel we tegelijkertijd ook vol spijt verlangen naar wat voorbij is. Met het heden nemen we maar voorlopig genoegen, en we beschouwen het alleen als de weg naar het doel.” Dat schrijft Schopenhauer in ‘Over de nietigheid van het bestaan.’Onze dorst naar bezit is onlesbaar, ongeacht het object van ons verlangen.

Dichtkunst

“De goede dichters van epen danken al die mooie poëzie niet aan vakmanschap, de oorzaak is dat zij van god vervuld en bezeten raken. Hetzelfde doet zich bij de goede lyrici voor. Zoals de korybantenvolgers als hun geest helder is niet kunnen dansen, zo maken de lyrici die mooie liederen niet als hun geest helder is. Maar wanneer ze onder invloed komen van harmonie en ritme, ontstijgen ze zichzelf en raken ze bezeten. Zoals de Bacchanten die honing en melk uit de rivieren scheppen wanneer ze bezeten zijn, maar dit nalaten wanneer hun geest helder is – zo werkt ook de ziel van de lyrici, naar ze zelf verklaren.
Want de dichters zeggen ons, dunkt me, dat hun zoete liederen die ze ons brengen, eerst uit de van zoete honing overvloeiende bronnen in zekere tuinen en dalen van de Muzen gepuurd hebben. De bijen gelijk – en vliegen kunnen zij ook al. Ze spreken de waarheid: een licht gevleugeld en heilig ding is de dichter, die niet kan scheppen eer hij vol van god en leeg van zinnen raakt, zijn verstand hem niet meer hindert. Zolang hij nog over zijn verstand beschikt, is geen mens in staat te dichten en te profeteren.” Plato, Ion.

16-07-05

TEGEN DE ARBEID: ANDRE BRETON


breton 2

Mijn korte vakantie
is gisteren begonnen. Eigenlijk al donderdagavond en vrijdagochtend, een heel stuk nacht waarvan ik me te weinig herinner. Dan ook maar beter – voorlopig dan toch, tot het allemaal wat bezonken is - zwijgen over restaurants, cafés, toevallige ontmoetingen, potentiële nieuwe vriendschappen. Om mijn vakantie in te leiden wil ik hier gewoon even citeren uit André Breton’s Nadja:

"En laten ze mij hierna niet spreken over de arbeid, ik bedoel over de zedelijke waarde van de arbeid. Ik ben gedwongen het denkbeeld van arbeid als materiële noodzaak te accepteren, in dit opzicht ben ik er een groot voorstander van dat het werk beter, dat wil zeggen rechtvaardiger wordt verdeeld. Dat de troosteloze verplichtingen van het leven mij tot werken nopen, het zij zo, maar als ze mij vragen erin te geloven, mijn werk of dat van anderen met eerbied te beschouwen, dat nooit. Nogmaals, ik loop liever in het donker dan dat ik mij verbeeld dat ik in het daglicht loop. Terwijl je werkt heb je er niets aan dat je leeft. De gebeurtenis waarvan ieder mens het recht heeft de openbaring van de zin van zijn eigen leven te verwachten, die gebeurtenis die ik misschien nog niet gevonden heb maar waarheen ik mijn weg zoek, kan door arbeid niet worden verkregen.”

22-06-05

WELKOM BIJ DE BARBAREN

hitte,brussel,spraakverwarring,pornografie,seks,heidegger,marco ferreri,bunuel,nerval,rimbaud,metro,pissen,surrealisme,ecriture automatique,blowjob,paul butterfield,michael bloomfield,blues,robert johnson,liederlijkheid,henri michaux,babylon,geert mak

Agnes Anquinet door Martin Pulaski, Antwerpen 1977.

 

Opnieuw in de hete kamer. De hitte maakt me euforisch, geeft me zin in een slapeloze nacht, hier thuis tussen mijn boeken en muziek of liever nog in de gevaarlijke straten en cafés van de stad. But goodbye to all that. De rust wacht op mijn omhelzing, de nacht zonder beven en zonder schaduw. Alsof ik de nachtzon weer wil oproepen, die van Gérald de Nerval, maar dat mag ik natuurlijk niet doen. Dat is iets van vroeger, nog iets van voor Bunuel, dat is de tijd van de romantiek, toen er nog post bestond en postduiven, zelfs. Toch blijf ik naar heldere dagen en heldere nachten verlangen. Vraag mij niet om twee uur helder bewust in een kunstmatig verlichte kamer door te brengen want dan vraag je gewoonweg troubles, diepe messteken zo je wil. Ik kan wel een godganse nacht in een kelder doorbrengen met luide muziek, sigarettenrokende zelfverminkers, in het gezelschap van hun aan levercirrhosis lijdende vaders, en kleine rode peertjes aan het plafond. Maar dan moet ik zelf ook stomdronken zijn van stella of rode wijn afkomstig uit wat de vertaler van Rimbaud een negorij noemde. Wack wack! De bedenking die ik me maak bij deze zelfcensuur is: waarom geen aangeklede bruidegom en pissijnen in de straten van de stad in plaats van in het museum. Nu pist iedereen in de metro en vele bejaarden vinden het enig om met hun roestige karabijnen de schaarse straatverlichting kapot te schieten. Of anders rijden ze je met hun gebrekkigenwagentjes zonder zelfs hun wenkbrauwen te fronsen van het trottoir. Dat had Marco Ferreri al voorspeld, net zoals de andere dingen die we elkaar en onszelf volgens hem zouden aandoen: uit verveling ons doodeten en drinken, van wanhoop als een cultuurtoerist in zee duiken op de plaats waar Lord Byron doodging in bed - van een lichte koortsaanval (in zijn strijd tegen de Turken). 
 
Alles is mogelijk, je werpt een dobbelsteen op tafel en sneller dan de bliksem zit je met een geletterde slet op schoot, met slechte adem weliswaar, zodat je bedankt voor een blowjob. Neen, jongens waar gaan we met de wereld naartoe? Het is allemaal om over naar huis te schreeuwen, als huis nog bestond. Maar we gaan allemaal overal op reis naartoe, en huizen bouwen we om er uit te weg te gaan en met in het achterhoofd dat het toch ook kleine WTC’s zijn. “Maar wil de mens ooit nog in de nabijheid van het zijn komen, dan moet hij eerst leren in het naamloze te bestaan. Hij moet de verleiding van het publieke domein evenzeer onderkennen als de onmacht van het privé-domein.” Heidegger vat het weer mooi samen.
 
En zo komen we bij de blues terecht en Paul Butterfield, met I got a mind to give up living and go shopping instead, met de ijzige gitaarstukjes van Michael Bloomfield. Beide heren rustend in het veld van de afwezigheid, slachtoffers van hun hybris, hun hete kamers, hun verveling en natuurlijk ook van de worp van hun dobbelstenen. Les jeux sont faits, mon ami. De hele namiddag hoorde ik Robert Johnsons Come On In My Kitchen. Liederen van liederlijkheid, bluf en doodsverachting. Geen mens die er niet van onder de indruk is. Maar wat is ons bestaan daar ver van verwijderd. Van die wereld die we barbaars mogen noemen, een barbaarsheid die natuurlijk ook verloren onschuld is, iets wat we niet kunnen noemen, zoals Beckett zei, iets wat we niet kunnen thuisbrengen, unheimisch, it’s just no longer here, with its satin eyes. Of precies het tegenovergestelde: want zijn wij dan niet de barbaren, zoals Henri Michaux vaststelde, al zeventig jaar geleden of zo, toen hij door Azië reisde, het land van de opgaande zon en het papier en het gekruide eten? Come on in my kitchen because it is going to be raining outdoors. Perfecte pornografie. Maar wij zijn blanke broeders en weten geen weg met onszelf en met onze seks en met ons doodsverlangen en met het einde van onze cultuur.
 
Je weet ook wat Heidegger zegt over de taal. “De taal is het huis van het zijn. In haar behuizing woont de mens. De denkers en de dichters zijn de behoeders van deze behuizing. Hun waken is het volbrengen van de openbaarheid van het zijn, voorzover zij deze door hun zeggen ter sprake brengen en in de taal bewaren.” De schrik voor Babylon slaat me op het hart als ik dat lees. Of voor anti-Babylon, de domme ontkenning van de absolute spraakverwarring die Brussel heet. Want wat schrijft Geert Mak (en het is de waarheid): “Een experiment voor Nederlanders: probeer eens om in deze officieel tweetalige stad uw eigen taal te spreken. U wordt bekeken als een boerenhufter, een gek. En, ernstiger, dit geldt ook voor ander Europese talen. (…) …overal elders bestaat, ondanks de problemen, een sterke wil om elkaar te verstaan. In Brussel niet. Hier heerst nog altijd een opvallende verkramptheid rondom het verschijnsel taal.” Wat nu gezongen? Elders het geluk gezocht? Het nieuwe Babylon. Ik wil jullie niet ontmoedigen, beste vrienden, maar de toestand is niet rooskleurig. Misschien hebben Faust en Johnson hun ziel voor niets aan de duivel verkocht? En wat is er met dat vuur gebeurd dat Prometheus van de goden stal? Een foto van een goede vriendin, geportretteerd als surrealistische nachtgodin, kan misschien enkele minuten troost bieden. Anders zul je zuster morfine moeten opzoeken of ander gezeik op een andere weblog.

19-06-05

SHAKESPEARE'S HELDEN


2


Het is me vaak overkomen dat ik me innerlijk leeg voelde. Even vaak moest ik dan onwillekeurig denken aan de woorden van Patti Smith:
 
Sometimes my spirit is empty
Don't have the will to go on
I wish that someone would send me
Energy!
 
en meestal hoor ik dan ook de melodie van dat lied, hoor ik die ergens in mijn hoofd, met als gevolg beterschap, want dan voel ik me niet meer alleen in deze ellendige toestand.
 
’s Nachts zoek ik soms soelaas in Shakespeare's theatrale wereld, die dan voor mij pas echt tot leven schijnt te komen, alsof ik dan, in mijn passiviteit (van het lezen), werkelijk actief word. Wat zijn de stervelingen, ikzelf inbegrepen, banaal in vergelijking met de helden van Shakespeare, wat is ons dagelijks bestaan zinloos en vooral kleurloos vergeleken bij het leven dat Shakespeare's personages leiden.
 
King Lear, Cordelia, Gloster, Glosters zoon Edgar (en zijn smeerlap van een broer Edmond): mensen van vlees en bloed, elk van hen een wereld op zichzelf, een afgrond, een noodlot. Wie, van allen die nu in leven zijn, kunnen wij daar tegenover, of daar naast plaatsen ? George Bush jr., Fidel Castro, Madonna, Tom Cruise, Guy Verhofstad, Condoleeza Rice, Koningin Paola, Bob Dylan, Osama Bin Laden, Philip Dewinter? Het lijken mij eerder figuren van bordkarton dan helden of gewoon hartstochtelijke mensen.
 
Misschien ligt de kracht, de onverwoestbaarheid van Shakespeare's personages in hun wezenlijke onechtheid, in hun 'fictionaliteit'. Maar ook aan fictieve helden is onze tijd arm. Er zijn geen helden, geen personages meer. Onze laatste idolen waren de gunfighters, de desperado's, de outlaws, de killers, de sheriffs en de marshalls uit de western. Niet John Wayne, Henry Fonda, Gary Cooper, Joan Crawford of Mercedes McCambridge maar de personages die zij vertolkten. Zij hebben nog steeds een waarde voor het leven.
 
Maar meteen trek ik al in twijfel wat ik hierboven heb beweerd. Want niet zelden verafschuw ik helden (dat doe ik althans in theorie); en heldenverering nog meer. Maar ik doe niet echt aan heldenverering: ik wilde in de eerste plaats een een onderscheid maken tussen echte en onechte personages, helden. "What's real and what is not". Mijn paradoxale vaststelling dat fictie echter, reëler is dan de realiteit verbaast me enigszins. Voor dergelijke conclusies moet ik ongetwijfeld op m'n hoede zijn.

11-06-05

EEN DEFINITIE VAN DE ZIEL


danny and dusty 3

Er is geen bepaalde reden waarom ik almaar terugkom op de ziel
.
Ik denk alleen dat er een verband is met mijn liefde voor soulmuziek. In een boek van Michel Onfray las ik iets over het sublieme in verband met de ziel (en zoals je weet was ik zo vol van ons subliem anders-zijn voor ik - nu bijna een week geleden - een toontje lager ben gaan zingen). Onfray schrijft dat het sublieme een vreugde is "die aangrijpend werkt op de ziel, ofwel op hetgeen in de materie de impulsen wekt waardoor je geschokt wordt - het door de cultuur gevormde zenuwstelsel, dat op zijn beurt vormgeeft aan de beschaving." Hier heb ik dan eindelijk een sluitende definitie van de ziel. Misschien kan ik er voortaan over zwijgen, er van uitgaande dat iedereen weet waarover ik het heb als ik me aan metafysische uitspraken te buiten ga, terwijl ik me tot de rock & roll zou moeten beperken.
 
Op dit ogenblik luister ik overigens naar een oude plaat van Green On Red, een van de betere bands uit de jaren tachtig, een van de weinige die toen nog gitaar durfde spelen en songs maken over het werkelijke bestaan. Als er iemand is die weet wat er met Dan Stuart is gebeurd: je kent mijn adres. That's what dreams are made for.

10-06-05

WAARDE VAN ZIEKTE

 

ziekte,nietzsche


Vandaag te slap en leeg in de ziel om wat dan ook te verzinnen. 
 
Dan maar bij Nietzsche te rade gaan. "Waarde van ziekte. De mens die ziek in bed ligt, komt er soms achter dat hij gewoonlijk aan zijn beroep, zijn bezigheden of zijn gezelschap lijdt en door hun toedoen alle voorzichtigheid met zichzelf verloren heeft: hij doet deze wijsheid op uit de ledigheid waartoe zijn ziekte hem dwingt." (Menselijk al te menselijk [289]).

Vorige 1 2 3 4 5 6