28-03-06

VLEES

vlees,lichamelijkheid,seks,genot,zintuigen,ziekte,psychoanalyse,requiem,schaterlach,naam,woord,foto,martin pulaski

Waarom willen wij ons lichaam liefst vergeten? Eraan verzaken in extase, roes, hallucinatie, droom of transcendentie? Zijn wij dan zulke goede katholieken? Ik dacht van niet? Er was wel die opvoeding, die diepe en langdurige onderdompeling in wijwater. De liturgie en de schoonheid van de rituelen. Maar toen ik dertien was zei ik 'goodbye to all that'.


Waarom kunnen wij dan niet ten volle genieten van alles wat het lichaam ons geeft? Werkelijk zintuiglijk genieten, zonder de afstand die het denken schept? Waarom, ook, hebben wij het zo vaak in negatieve bewoordingen over ons lichaam. Het lichaam dat zich aan ons opdringt, met zijn symptomen, kwalen, honger, dorst, begeertes. Hoezo aan 'ons'? Zijn wij dan niet ons lichaam? Wie of wat is 'ons'? Wie zijn wij, waar zijn wij? Waar denken wij? Wie denkt ons? Allemaal vragen. Zoals wij er zo vaak stellen. Soms schijnen wij ‘wij’ te zijn, soms ‘jij’, soms zijn wij zelfs ‘ik’. Altijd zijn wij vreemden voor onszelf en nooit weten wij wat wij doen. Altijd is onze toon wat plechtig, door het hemelse en helse aangetast. Hier wordt weinig gelachen. Een requiem staat ons nader dan een schaterlach. Waarom? Omdat het lachen zo lijfelijk is en een doodslied het lijf te boven gaat, vooral in de echo's die van overal worden weerkaatst? Het lachen zo vlezig? Zijn wij dan toch alleen maar dit lichaam dat zich onverzettelijk tegen zichzelf keert? Het schijnt ontevreden te zijn met zijn eigen wetten en voorwaarden, het betwist al zijn gegevens, normen en zekerheden. Het sluit zoveel mogelijkheden om gelukkig te zijn uit. Waarom?


In het levende organisme zit een dood lichaam verscholen. Het is een verschrikkelijke macht die zich langzaam – en in sommige gevallen snel - van het leven meester maakt.

Misschien is daarom alleen de naam en alles wat met die naam samenzweert van betekenis in de wereld. Het woord is vlees geworden, zo staat geschreven. Het laatste woord (hierover) is nog niet gesproken.

22-03-06

OP DRIFT / LA DERIVE


Je zou de indruk kunnen krijgen dat ik alle kanten op ga met de - meestal autobiografische – verhalen, beschouwingen, gedichten, verwensingen, grotesken en lofzangen die ik hier publiek maak. Ik laat me inderdaad leiden door het toeval, door datgene wat mijn weg kruist, waar mijn oog op valt, door commentaren van lezers, door gesprekken met vrienden en vreemden en vooral door dromen. Ik sla zijpaden in, ik wijk af, ik raak op drift, ik doe aan wat in het Frans ‘la dérive’ wordt genoemd. Guy Debord schreef daar in nummer 2 van het tijdschrift Internationale Situationniste (verschenen in december 1958) onder meer het volgende over:
“Entre les divers procédés situationnistes, la dérive se présente comme une technique de passage hâtif à travers des ambiances variées. Le concept de dérive est indissolublement lié à la reconnaissance d’effets de nature psychogéographique, et à l’affirmation d’un comportement ludique-constructif, ce qui l’oppose en tous points aux notions classiques de voyage et de promenade.”
Ik pas ‘la dérive’ tot mijn spijt niet veel meer toe in de letterlijk ruimtelijke betekenis ervan, maar volg veeleer een geestelijk parcours, of ik laat me gewoonweg leiden door de zinnen.

Hoewel mijn teksten op drift raken en vaak zijwegen inslaan, overwoekerde paadjes soms, denk ik toch dat er ergens in mij een centrum is dat het allemaal samenhoudt en dat wat ik voortbreng daardoor ook een samenhang bezit. Maar ik wil geen kunstmatige samenhang opdringen aan wat ik schrijf. Ik beschik over geen enkele theorie en dat vind ik goed. (Ook de theorie van ‘la dérive’ hak ik in stukjes en ik kies er daarna de beste uit.) Ik maak geen systeem en in onderwerp me er ook niet aan.

17-03-06

SPREKEN OF NIET SPREKEN


Probleem van het begin van de 21ste eeuw: de onmogelijkheid om te spreken over de werkelijkheid. Alles is oppervlakte, stijl, metataal, beeld. Velen zitten opgesloten in hun lichaam en kunnen niets uiten over wat er rondom hen gebeurt. Wat er rondom hen gebeurt is het andere, het vreemde. Zelfs hun eigen lichaam ervaren ze als iets vreemds, als iets wat moet veranderen. In de magazines gaat het vaak over zulke mensen: plastische chirugie, een andere kop voor mij. Andere oren, poten. Ook op televisie, in talkshows, in reality-shows. Hun lichaam is niet van hen. Weg ermee! Andere symptomen: zelfverminking, body art, autisme, toxicomanie en seksverslaving.

Jijzelf spreekt ook niet graag meer. Als je sommige mensen - vooral beroemdheden, popsterren en dergelijke, maar ook ‘belangrijke’ mensen zoals vorsten, politici en hoge ambtenaren - bezighoort, denk je vaak: zwijg toch, jongen, wat een gelul, wat een nietszeggendheid. Blaas niet zo hoog van de toren! De werkelijkheid is elders. Niet in jouw woorden. Ga eens een kijkje nemen, buiten. Je denkt dat niet altijd, er zijn uitzonderingen. Willem Dafoe hoor je graag praten, alleen al voor het timbre van zijn stem. Mark Lanegan heeft ook zo'n stem. Heel mannelijk, denk ik. Het zijn stemmen die me soms wel eens aan houthakkers doen denken. Ik was beter zelf houthakker geworden, houthakkers moeten niet praten. Tenzij tegen de bomen. Of spreek ik mezelf weer tegen? (Denk nu niet dat ik niet graag vrouwenstemmen hoor.)

13-03-06

BEGIN IN DROMEN

muziek,pop,live,botanique,country

Max Ernst, The Eye Of Silence, 1943

 

In dromen begint je verantwoordelijkheid, schreef Delmore Schwartz. En als je wakker wordt blijf je verantwoordelijk.

Met dromen is er net zoveel mis als met het nuchtere bestaan. En net zo weinig. Droom en werkelijkheid zijn verstrengeld, zoals geliefden, zoals dag en nacht, zoals leven en dood, zoals oorlog en vrede, zoals het bewuste en het onbewuste.

 

Uit westerns heb ik geleerd dat er vooral iets mis is met mensen die vals spelen. Maar ook zij hebben hun redenen (die ze niet noodzakelijk kennen).

09-03-06

MIJN CREDO

moraal,schrijven,gedragsregels,credo,foto,martin pulaski,regels

Als je ziek bent heb je tijd om wat aan ‘bezinning’ te doen. De ziekte is een moment van rust in het gejaagde bestaan. Wat klink ik plechtig, herderlijk bijna. Het zij zo. Ik zat er aan te denken om ooit nog eens een soort van credo te formuleren. 

Bijvoorbeeld. Dat ik altijd verantwoordelijk moet zijn voor mijn daden. Dat een persoonlijke mislukking betekent dat ik zelf misluk en niet dat anderen mij doen mislukken. Dat goed en slecht niet perfect van elkaar te scheiden zijn. Dat er geen zuiverheid bestaat. Dat je altijd naar de jongeren moet luisteren en kijken. Zij brengen het nieuwe in de wereld en wijzen de weg naar de schoonheid en het ongewone. Zij geven ademruimte aan de ziel. Dat je altijd naar de ouderen moet luisteren en kijken. Zij kennen alle nuances van het bestaan. Dat je je eigen gedachten niet mag prijsgeven, maar dat je je ook niet mag opsluiten in je eigen gedachten. Dat je op elk moment moet luisteren, zien, voelen, ruiken: the politics of experience. Dat je nooit iemand mag verraden. Dat je de anderen moet behandelen zoals je zelf behandeld wilt worden. Dat je geen slaaf mag zijn van je gewoonten. Dat je tot het einde strijd moet leveren tegen berusting, moedeloosheid, verbittering, cynisme en ziekte. Strijden tegen de ziekte is ook strijden tegen de chaos. (Of moet je de chaos aanvaarden? Misschien toch wel. Het leven is chaos…)
Dat je het schrijven en de kunst nooit mag opgeven. De poëtische existentie. Ofwel schrijven ofwel niets. Leven in het ‘echte’, maar ook esthetisch leven. Dat betekent je wapenen tegen waanzin, geweld en vernietiging. Wapenen? Wil je wel wapens gebruiken? Liever instrumenten, toestellen, machines. Schrijven als reconstructie van een waardevol verleden en als verkenning van een raadselachtige toekomst. De ‘grote voorbeelden’ verzoenen met de ‘gewone mensen’. Geen hiërarchie aanbrengen. De blik van Walt Whitman, van Max Ernst, van Virginia Woolf.

TEPELS ALS HOORNIGE DUIVENSNAVELS


tepels

De vergelijking was een burgerlijk stijlmiddel. De burger was niet tevreden met wat hij om zich heen zag, dus verving hij het door een beeld. Dit heb ik niet zelf bedacht, het idee komt van Robert Musil, zoals uit het citaat hieronder zal blijken.
Inmiddels is de hele samenleving een burgerlijke samenleving geworden. Een arbeiderscultuur is ver te zoeken. En waar zijn de bohémiens en de beatniks en de hippies gebleven? Die draven op in talkshows of laten zich opsluiten in het huis van Big Brother. Er zijn wellicht nog wel wat echte ‘outsiders’, maar veel laten ze niet van zich horen. Misschien is dat maar best ook, anders worden zij toch maar deel van het grote spektakel, genaamd Circus Wereld.

De tijd waarin wij leven is, zoals we allemaal heel goed weten, die van het beeld: iets bestaat pas echt als er een beeld van bestaat. Het beeld heeft ogenschijnlijk meer werkelijkheid dan de realiteit. Maar dat is paradoxaal in die zin dat de werkelijkheid verdwijnt in het beeld, alsof het een zwart gat is dat alles opslorpt. ‘People take pictures of each other, just to prove that they really existed’, zong Ray Davies al lang geleden. En dat klopt, maar terwijl zij die foto’s maken bestaan ze niet echt, ze gaan op in het poseren en het fotograferen. We weten dat uit ervaring omdat we zelf natuurlijk ook veel foto’s maken en bijzonder graag poseren.

Het belang van het beeld viel goed te zien aan de recente oorlogen en burgeroorlogen die hebben gewoed – met als begin de oorlog in Vietnam - en de oorlog die nu gaande is in Irak. Wij zien het allemaal ‘live’ op televisie (als we onszelf dat toestaan), net de Olympische Spelen of de Ronde van Frankrijk! Wat zouden we er ons nog zorgen over maken! Het moet wel spannend blijven en het mag niet te lang duren.

In ‘De man zonder eigenschappen’ schrijft Robert Musil het volgende:“Het schijnt dat de brave, praktische werkelijkheidsmens de werkelijkheid nergens volmaakt liefheeft en serieus neemt. Als kind kruipt hij onder de tafel, om de kamer van zijn ouders, als zij niet thuis zijn, door deze geniaal eenvoudige truc avontuurlijk te maken; hij hunkert als jongen naar een horloge; als jongeling met horloge naar de bijpassende vrouw; als man met horloge en vrouw naar de betere positie; en als hij deze kleine cirkel van wensen voorspoedig tot stand heeft gebracht en daarin kalm als een slinger heen en weer zwaait, schijnt zijn voorraad onvervulde dromen nochtans niets verminderd te zijn. Want wil hij daar boven uitstijgen, dan gebruikt hij een vergelijking. Omdat sneeuw hem klaarblijkelijk veel minder bevalt, vergelijkt hij die met zachtglanzende vrouwenborsten, en zodra de borsten van zijn vrouw hem beginnen te vervelen vergelijkt hij ze met zachtglanzende sneeuw; hij zou ontzettend schrikken als haar tepels op een dag hoornige duivensnavels zouden blijken te zijn of ingezette koralen, maar poëtisch windt het hem op.”

27-02-06

SCHOONHEID VAN BOUWWERVEN

stad,steden,architectuur,paradijs,bijbel,adam,doodsdrift,psychoanalyse,verlangen,sneeuw,foto,god,psychose,bouwwerf,martin pulaski,berlijn,einstein

De tegenstelling natuur/cultuur. Michelangelo in de Sixtijnse kapel: God schenkt leven en ziel aan Adam. Adam ontstaat uit de natuur, uit de grond, als een bloem, is nog natuur, moet zich eruit losrukken. Dat lukt door de ziel die God hem inblaast. Die ziel is niets anders dan de cultuur, het inzicht, het project van de toekomst, het vooruitzicht, de taal - dat alles geeft aan de mens Adam de mogelijkheid zich los te scheuren van het natuurlijke en onschuldige leven.Dat natuurlijke en onschuldige leven in de natuur is de paradijselijke toestand. Het is de toestand voor de mens zich bewust is van zijn bestaan, van het lijden, van de arbeid, van de sterfelijkheid. Alles is dan nog ongedifferentieerd. Naar deze toestand blijft elke mens bewust of onbewust verlangen. Het beste is nooit geboren te zijn: in hoeveel teksten klinkt geen variatie op dit thema door... Kunnen we dat verlangen gelijkstellen aan de doodsdrift? 


De val uit het paradijs begint op het ogenblik dat God Adem een ziel inblaast. Dit is natuurlijk een metafoor. De val begint met de cultuur, de zorg, het ontwerpen van een toekomst. Het bouwen van een stad. Waar de natuur was is nu de stad. Het verlangen naar de terugkeer - naar de natuurlijke staat - wordt bij de mens in evenwicht gehouden met een ander verlangen, een verlangen naar een betere toekomst, een menselijk-ideale samenleving, een schitterende stad of staat. Dat is de utopie. Ook hier weer bewust of onbewust (want niet iedereen weet waar hij naar streeft) en met gradaties: het evenwicht kan worden verstoord. Doodsdrift kan de overhand krijgen, of de euforie kan de overhand krijgen, een soort van manische psychose kan zich voordoen.

Als ik een bouwwerf zie ben ik tevreden. Zolang er gebouwd wordt kan ik niet ontstemd worden. Maar het resultaat kan me vaak zeer ontmoedigen. De meeste gebouwen storen me uitermate. Wat hier vroeger stond, was mooier, zeg ik dan. Want meestal stond er vroeger iets anders. Of de natuur die verwoest is om plaats te maken voor dit gedrocht was mooier. Dit zeg ik nooit wanneer ik mensen zie bouwen. Dat is dan een duidelijk spoor van mijn behagen in de cultuur. Het wordt allemaal beter, denk ik vaak. Er staan ons nog mooie dingen te wachten. Maar de momenten van melancholie en walging worden talrijker en heviger. Zal ik de twee polen in evenwicht kunnen houden? Zoals die zo schitterend in evenwicht worden gehouden in het kunstwerk van Michelangelo?

De sneeuw die door de mensen wordt vertrappeld. Dat kan mij enorm storen en bedroeven. Als vogels door de sneeuw trippelen laten ze een spoor na dat bij de sneeuw hoort, dat het tapijt zelfs verfraait. Maar onze voetstappen zijn altijd een verstoring. Wij zijn een ziekte van de aarde, een wanklank. Wij horen hier niet. Zo denk ik dan. En zit dit gevoel niet geworteld in de menselijke geschiedenis? Want waarom zouden wij anders ooit zover zijn kunnen komen in het uitvinden en verbeteren van vernietigingswapens? Toch omdat wij als mensen onszelf teveel vinden op deze wereld, ongepast.

LICHAMELIJK SCHRIJVEN


Artaud-par-Pastier 2


Soms betreur ik het dat ik de mensen niet haat. Ik geloof namelijk dat mensenhaat een zeer geschikt middel is om tot rust te komen. Op dit ogenblik woedt er een vernietigende strijd in mij. Mijn handen beven niet, maar ik voel een soort trillen van mijn zenuwen. Misschien stel ik me dat trillen alleen maar voor... Is het daarom echter minder erg? Ik denk het niet. Ik val samen met mijn lichaam, er is geen afstand meer tussen ik (of het zelf) en mijn lichaam. Dat maakt een activiteit als schrijven haast onmogelijk, aangezien je om te schrijven je lichaam moet vergeten, jet moet het als het ware te slapen leggen (hoewel het nog een gering aantal activiteiten moet kunnen uitvoeren). Of schrijven is wel nog mogelijk, maar alleen nog op biologische wijze: het is het lichaam dat zichzelf uitdrukt. Om iets waardevols te schrijven, iets dat je de anderen kunt schenken, moet je boven de lichamelijkheid kunnen uitstijgen, en dat betekent: vergeten.

Maar hoe zit het dan met Antonin Artaud, een man die me al zo lang fascineert. Was hij dan niet hét prototype van de lichamelijke schrijver? Waarschijnlijk wel. Maar ben jij bereid om zo ver te gaan als hij en zo te lijden?

17-02-06

OVER DE EENZAAMHEID VAN HET BESTAAN

job,boeken,tragedie,sophocles,oedipus,milton,lamartine,schopenhauer,freud,breton,cyberwereld,internet,eenzaamheid,octavio paz,geboren worden

Is eenzaamheid een goede zaak? Waarschijnlijk is de mens het enige wezen dat het gevoel van eenzaamheid kent. De eenzaamheid is de ballingschap uit het paradijs. Je vertoeft niet langer in de buik van de moeder. De navelstreng is doorgeknipt. Je kinderjaren, doorgebracht in tuinen en boomgaarden waar je je veilig voelde, dicht bij klaprozen en zachte merries, of hele dagen in de bomen dromend, zijn voorbij. Ook je adolescentie, toen je een held was, een genie; de gelukzalige dagen waarop vanuit de spiegel Narcissus je in de ogen keek, heb je achter de rug. 

Je bent op zoek gegaan naar een vrouw, hebt een geschikt huis gevonden, bomen geplant voor je kinderen, een boek geschreven. Je bent ouder geworden, eenzamer. Op een dag zat je alleen in je kamer te mijmeren. Plotseling hoorde je iemand zingen: “my book is closed, I read no more”. Die stem van een waanzinnige greep je naar de keel, maar tranen kwamen er niet. Je kunt niet huilen als je alleen bent. Je dweept niet met melancholie.

Wat Octavio Paz zegt is waar: “Wij zijn gedoemd om alleen te leven maar ook om onze eenzaamheid te boven te komen en de banden die ons in een paradijselijke verleden met het leven verbonden weer te herstellen. Heel ons streven is erop gericht om onze eenzaamheid te doorbreken.”
Je wilt jezelf zijn, jezelf beter leren kennen, maar je wilt ook uit jezelf treden, de extase omhelzen. Je hele leven lang zoek je de andere. De verloren helft die naar je weet ergens op de wereld moet te vinden zijn. Je vindt geen rust. Ergens bevindt zich een verborgen schat, een zin in een boek, een reeks noten in een muzikale compositie. Hereniging brengt rust en geluk. Maar welke hereniging?“Geboren worden en sterven zijn ervaringen van eenzaamheid”, schrijft Octavio Paz. “Wij worden alleen geboren en wij sterven alleen. Niets is zo ernstig als de eerste onderdompeling in de eenzaamheid, tenzij die andere val in het onbekend die de dood is.”

In alle tijden hebben schrijvers benadrukt dat het leven op aarde geen pretje is; beter is het zoals Job klagend uitroept, nooit geboren te zijn:

“En ach waarom hebt Gij mij uit de baarmoeder voortgebracht? Ach, dat ik de geest gegeven hadde, en geen oog mij gezien hadde! Ik zoude zijn alsof ik niet geweest ware, van moeders buik zoude ik tot het graf gebracht zijn geweest.”
(Job, X, 18-19).

Waarvan we de echo horen bij Sophocles:

Niet geboren zijn is het allerbeste,
Dan, als tweede dat wie in het licht verscheen
Snel weer daarheen weer keert vanwaar hij kwam,
Want wanneer jeugd verdwijnt met haar onbezonnenheid,
Wat plaag van smart is ’s mensen lot dan vreemd?
(Sophocles, Oedipus in Colonus, 1225-1229)

En in Miltons Paradise Lost:

Did I request thee, Maker, from my clay
To mold me man, did I solicit thee
From darkness to promote me, or here place
In this delicious garden? As my will
Concurred not to my being, it were but right
And equal to reduce me to my dust,
Desirous to resign and render back
All I received, unable to perform
Thy terms too hard, by which I was to hold
The good I sought not.
(Milton, Paradise Lost, X, 743-752)

En bij Lamartine:

Quel crime avons-nous fait pour mériter de naître?
(Lamartine, Le désespoir).

Voor Schopenhauer is de wereld een boeteoord, een strafkolonie, net als voor de échte christenen. Schopenhauers epigoon, Sigmund Freud, is niet minder fatalistisch: het levenloze was eerder aanwezig dan het levende en al wat leeft neigt naar een herstel van deze oorspronkelijke toestand. Met andere woorden: het doel van het leven is de dood.

Fatalisme, pessimisme, een tragisch leven waarin elk plezier wordt overschaduwd door de dood. Lijnrecht tegenover deze ellende staat de liefde, stralend en licht, die in Dantes Paradiso kernpunt is van het leven en er de kosmos doet bewegen (“l”amor che muove il sole e l’altre stelle.”) Volgens Octavio Paz heft de liefde de tegenstelling van leven en dood op. Schepping en vernietiging versmelten in de liefdesdaad. Maar is liefde mogelijk? “Om zich te kunnen verwezenlijken is liefde genoodzaakt de wetten van de wereld te breken. In onze tijd is liefde schandaal en wanorde, overtreding: die van twee hemellichamen die de noodlottigheid van hun banen doorbreken om elkaar midden in de ruimte te ontmoeten”, schrijft Octavio Paz.De liefde ('amour fou' bij André Breton) is onverzoenlijk en gevaarlijk. Zich aan de liefde overgeven is zich overgeven aan de waanzin.

Kijk waar ik ben uitgekomen. Ik wilde over de eenzaamheid schrijven, met in mijn achterhoofd de mogelijkheden van internet om aan de eenzaamheid te ontsnappen, een middel om troost te zoeken bij vreemden, ver weg of dichtbij in de cyberwereld. Maar ik ben afgedwaald en bij geboorte, dood en liefde aanbeland. Alle wegen leiden daar naartoe. Ik ben weer aan land.

15-02-06

SCHOPENHAUER'S HORROR STORIES


"Between Montaigne's birth in 1533 and the publication of the third book of his Essays in 1588, the native population of the New World is estimated to have dropped from 80 to 10 million inhabitants." Dat schrijft Alain De Botton in 'The Consolations Of Philosophy'.
Ik breng dat even in verband met een andere uitspraak, van Schopenhauer, aangehaald in 'Statusangst' van dezelde Alain De Botton: "Het zal ons langzaam maar zeker onverschillig laten wat in het bewustzijn van andere mensen omgaat, wanneer we voldoende doordrongen raken van de oppervlakkige en futiele aard van hun gedachten, de bekrompenheid van hun standpunten, de onbeduidendheid van hun gevoelens, de verdorvenheid van hun dwalingen [...]Dan zullen we beseffen dat wie veel belang hecht aan de mening van anderen hun te veel eer bewijst..." Als dit geen stof is om over na te denken!

03-02-06

TWIJFEL EN VERTWIJFELING IN PALOOKAVILLE

rod steiger,afgrond,thoreau,twijfel,vertwijfeling,wanhoop,palookaville,marlon brando


Soms maakt de twijfel zich meester van me. Ik kan dan niet meer denken, niet meer handelen, ik kan alleen nog twijfelen. Het is niet zomaar alledaags ‘twijfelen’, evenmin is het ‘gezonde’ scepsis. Het is erger. Die alledaagse vorm van twijfel vind ik wel goed. Zolang ik tot handelen en beslissen in staat ben. Eigenlijk is alles wat ik schrijf, wat ik meedeel, op twijfel gebaseerd. Dat is niets nieuws. Twijfelen is voor mij bijna hetzelfde als ademhalen. Maar soms ga ik te ver, neen, ik ga niet zelf, ik word meegenomen, meegesleurd, als in een lawine, een wervelstorm. Ik stort in de afgrond. De afgrond van het denken en handelen. Er is dan geen grond meer. 


Misschien lijd ik aan twijfelzucht, een obsessieve, neurotische vorm van twijfelen. Je twijfelt aan de juistheid van je eigen handelingen en van je uitingen, vooral dat laatste. Je gedraagt je nog wel, maar op dwangmatige wijze.

Misschien val ik ten prooi aan het wat vroeger vertwijfeling werd genoemd, een woord dat niet vaak meer wordt gebruikt. Wanhoop? Despair, in het Engels? Maar als ik dat Engelse woord hoor denk ik meteen: ik ben niet alleen. “The mass of men lead lives of quiet desparation…” schreef Henry David Thoreau in ‘Walden’. ‘Desperaat’ wordt overigens ook in het Nederlands gebruikt. In Van Dale lees ik bij vertwijfelen: beginnen te wanhopen, de moed verliezen, geen uitweg meer zien. No exit. No future. No nothing. Niets. Palookaville! Ja, zoals Marlon Brando in ‘On the Waterfront’, in wellicht de mooiste scène uit de filmgeschiedenis:

“You don't understand! I coulda had class. I coulda been a contender. I coulda been somebody, instead of a bum, which is what I am. Let's face it…”

Zag je dat ‘wellicht’ staan? Het zou ‘zeker’ moeten zijn, maar ik betwijfel of wat ik beweer wel helemaal waar is. Bestaan er nog geen betere, mooiere, sterkere scènes in de filmgeschiedenis? Ik betwijfel het. Ik ben er zeker van.

Do I contradict myself? Ik betwijfel het. Ben ik onduidelijk? Goed zo! De wereld is onduidelijk, waarom zou ik dan geen onduidelijke taal spreken? Hoewel de taal mijn grootste liefde is. Mijn onduidelijke liefde. Mijn dwarrelende liefde. Mijn weerbarstige liefde. Mijn wanhopig stemmende liefde. Jij, die mij het woord vertwijfeling aanreikt, de lettergrepen, de syntagmata, de letters.

20-11-05

GASTON BACHELARD EN HET MIJMEREN

flickr,dansen,bachelard,foto s,langspeelplaten,wijn,citeren,psychoanalyse

Weinig woorden vandaag. De voorbije nacht muziek beluisterd, wat danspasjes gewaagd en (teveel) wijn gedronken. Vandaag foto's gemaakt van favoriete langspeelplaten, historische voorwerpen bijna. Een aantal van die foto's op flickr gepost en nu ben ik heel moe. Ik denk dat ik wat ga rusten. Waarom vertel ik dit eigenlijk? Het getuigt van een immense banaliteit.


Ik zal nog iets 'geleerds' citeren, als afsluiter, dan voel ik me misschien wat minder dom, na het doven van de lichten. Maar ik citeer het hier niet zomaar, zonder reden.

"Ondanks de huidige wetenschappelijke ontwikkeling zijn de ontstaansvoorwaarden voor het mijmeren onaangetast gebleven. Zelfs de geleerde grijpt terug naar primitieve waarden wanneer hij zich niet met zijn vak bezig houdt. Het zou dus nutteloos zijn de historische ontwikkeling te beschrijven van een denken dat voortdurend de lessen van de wetenschapsgschiedenis tegenspreekt. Ik zal daarentegen een deel van mijn inspanningen aanwenden om aan te tonen dat de mijmering steeds primitieve thema's herhaalt en zich voortdurend als een primitieve psyche ontwikkelt, ondanks de successen van het methodische denken, ja zelfs tegen wat de wetenschappelijk ervaringen ons leren."

Dat schreeft Gaston Bachelard in 1949 in Psychoanalyse van het vuur.

16-11-05

MONTAIGNE'S VRIENDSCHAP


MONTAIGNE

Ja, zeker, ik herhaal het hier ook nog eens, voor de duizenden lezers van deze bijzonder populaire weblog, Montaigne maakt inderdaad een onderscheid. Hij maakt een onderscheid tussen toevallig tot stand gekomen 'vriendschappen' en de éne, unieke vriendschap, heel bepaald met La Boétie (1530-1563), "een vriendschap die zo volmaakt en totaal was, dat je iets dergelijks in de literatuur niet gauw zult tegenkomen en waarvan onder onze tijdgenoten al helemaal geen spoor te bekennen valt. Om een dergelijke vriendschap op te bouwen moeten zoveel gunstige omstandigheden samenwerken, dat het al veel is als het lot dat eens in drie eeuwen tot stand brengt." Motaigne schrikt niet terug voor enige overdrijving. Er zullen ongetwijfeld nog zulke ‘unieke’ vriendschappen bestaan hebben en nog bestaan. Maar kan ik zelf iets dergelijks beweren? Ik heb enkele heel goede vrienden, maar het gaat nooit om een vriendschap die volmaakt en totaal is. Niemand is perfect en totaal, niemand is af, we zijn altijd in wording. De beste vriend die ik ooit heb gehad, Jos D., is helaas al lange tijd dood. Hij is in oktober 1991 vrijwillig uit het leven gestapt, op een ogenblik dat ik hand in hand met mijn geliefde een wandeling maakte op het strand van het heerlijke Cadiz (waar ik vaak terugkeer, omdat ik er mijn hart heb verloren, maar niet toen, die eerste keer, toen Jos van een gebouw is gesprongen in Leuven).

Dat toeval toch altijd! Ik dacht net te schrijven: een vriend die ik me had toegewenst is Townes Van Zandt zaliger, en net op dat moment, zoals een paar dagen geleden met Patti Smith’s Free Money, speelt mijn jukebox Pancho and Lefty, uitgevoerd door Bob Dylan en Willie Nelson. (Bob Dylan en Willie Nelson zijn overigens ook bewonderaars van Townes).

BIJ MONTAIGNE IN DE LEER GAAN


Ik zou dagelijks een stukje in de Essays van Montaigne moeten lezen. Dat ‘werk’ (dat vanzelf lijkt tot stand te zijn gekomen, zonder inspanningen, etc) biedt zoveel inzicht, zoveel genoegen, zoveel ‘inspiratie’, zoveel uitwegen, zoveel ideeën om het leven eenvoudiger te maken, dat je je afvraagt waarom je zelf nog naar antwoorden zoekt op vragen die je stelt. De meeste antwoorden staan misschien wel in dit boek. (Maar je blijft natuurlijk altijd wel nieuwsgierig en twijfel is je tweede natuur, of zelfs je eerste…)

“Overigens is wat wij gewoonlijk vrienden en vriendschappen noemen niet meer dan een door een of ander toeval of voordeel tot stand gekomen bekendheid of vertrouwdheid met iemand, waarin de geesten elkaar vinden. In de vriendschap waarvan ik spreek, vermengen en versmelten beide geesten zich tot een zo alles omvattend samengaan, dat ze de naad die hen verbindt doen verdwijnen en niet meer terugvinden. Als men bij mij zou aandringen te zeggen waarom ik van hem hield, voel ik dat dat alleen uitgedrukt kan worden door te antwoorden: ‘Omdat hij het was, omdat ik het was.’”

Montaigne, Over vriendschap

KUNST IS DIEFSTAL


SARTRE LES MOTS


Dat beeld van boeken als kleine doodskisten heb ik van Sartre gepikt, als ik me niet vergis. Ik geloof dat het in Les mots staat. Kunst is diefstal. Je moet niet altijd alle namen noemen. Mallarmé, Lautréamont, Dylan en zo. Je woorden komen altijd wel ergens vandaan. Het zijn je eigen woorden en het zijn die van anderen. De lagen komen uit je persoonlijkheid tevoorschijn, maar ook uit de geschiedenis, uit de tijd. Echo's van Indianen, Ieren, Chinezen en Romeinen (om er maar enkele te noemen) zijn je niet vreemd. Cultuur is altijd intercultureel. Dat gezeur over interculturaliteit moet maar eens ophouden. Alsof men altijd maar zou herhalen: cultuur bestaat, cultuur bestaat. Heeft de keizer dan geen kleren aan?

15-11-05

OVER DE IJDELHEID VAN WOORDEN


ABACUS

“Ik weet niet of het anderen net zo vergaat als mij, maar wanneer ik onze bouwmeesters met die grote woorden uit hun jargon zoals pilasters, architraven, kroonlijsten, Corintische en Dorische stijl hun belangrijkheid hoor opblazen, kan ik niet verhinderen dat ik onwillekeurig word overvallen door fantasieën over het paleis van Apollidon, terwijl ik in werkelijkheid constateer dat ze het over de gammele onderdelen van mijn keukendeur hebben.Wanneer u hoort spreken over metonymie, metafoor, allegorie en meer van zulke benamingen, is het dan niet alsof men daarmee naar een zeldzame en exotische taal verwijst? En toch zijn het termen die betrekking hebben op het gebabbel van uw kamermeisje.”

Montaigne, Over de ijdelheid van woorden.

11-10-05

MEDEDOGEN MET PHILOCTETES


philoctetes 3

Philoctetes, onderweg om met de Grieken in de Trojaanse oorlog te gaan vechten wordt op het eiland Lemnos in de voet gebeten door een slang. Al kort daarna druipt stinkende pus uit zijn voet en vloekt hij het uit van de pijn. Zijn gezellen laten Philoctetes verzwakt en hulpeloos achter op het onbewoonde eiland. Philoctetes is kreupel en heeft geen andere hulpmiddelen dan zijn boog en zijn pijlen, "zonder andere vrienden dan de dieren die tevens zijn voedsel waren."
Tien jaar later komen de Grieken hem weer zoeken, want inmiddels hebben ze begrepen dat ze zonder de boog van Philoctetes de oorlog tegen Troje niet kunnen winnen. Ze komen niet terug om hem te helpen, of uit schuldgevoel en schaamte, maar alleen omdat ze hem kunnen gebruiken. Hij is niet meer dan een middel om een doel te bereiken.

Bij Sophocles, de schrijver van deze tragedie, is er echter de troost van het koor dat smeekt: "Heb mededogen met hem!"
En Philoctetes zegt het volgende:
"Red me, heb mededogen, in het besef dat elk sterfelijk leven vatbaar is voor gevaar en vreselijk onheil. Er kunnen goede dingen gebeuren, maar ook het omgekeerde is mogelijk. Iemand die niets te lijden heeft moet op zijn hoede zijn voor vreselijk onheil en vooral als het je goed gaat in het leven, moet je oppassen dat je niet onverwacht te gronde gaat."
Sophocles was kennelijk negentig toen hij deze tragedie schreef.

25-08-05

BEREKENENDE APEN


hussserl

Twee dagen geleden vermelde ik hier terloops mijn weerzin voor het boekhouden. Ik schreef ook dat ik geen sympathie heb voor de rekenende en berekenende mens. Ik bedoelde daarmee natuurlijk niet de wiskundigen en natuurwetenschappers. Daar heb ik net grote bewondering voor (ook al vind ik de materie vaak moeilijk, omdat mijn kennis van de wiskunde zo klein is). Op een mooie zomeravond, een tweetal weken geleden, heb ik nog vol ontzag zitten kijken en luisteren naar een alweer zeer geslaagde aflevering van Zomergasten met Robbert Dijkgraaf, hoogleraar mathematische fysica aan de Universiteit van Amsterdam. Zulke wetenschappers deel ik zeker niet in bij de berekenende en rekenende mensen. Ik dacht toen ik zo oneerbiedig over dat rekenen schreef aan het ‘berekenende denken’ van Martin Heidegger, dat hij als filosoof afkeurt. Bij hem gaat het natuurlijk heel wat verder dan vervelende apen die wat zitten te rekenen. Ik ben zelf helaas nog maar weinig met filosofie bezig. Ik weet dan ook niet hoe het nu gesteld is met de tegenstelling tussen wetenschap en filosofie. Bij Heidegger was dat ongetwijfeld een zeer belangrijk thema, net zoals de techniek dat was. Heidegger was van oordeel dat de filosofie werd achtervolgd door de vrees aan aanzien en zeggenschap te verliezen als ze geen wetenschap zou zijn. Dat zou dan gelden als een gebrek dat wordt gelijkgesteld met onwetenschappelijkheid. “In de technische interpretatie van het denken is het zijn als element van het denken prijsgegeven”, aldus Heidegger. Mijn gebrek aan sympathie voor de berekenaar en de technocraat plaats ik voor het gemak even in deze filosofische context. (Een belangrijke filosoof voor het verband tussen wetenschap en filosofie was natuurlijk ook Edmund Husserl, die daar dieper op in ging in onder meer Philosophie als strenge Wissenschaft).

Verwacht van mij nu niet dat deze notities er voortaan als filosofische beschouwingen zullen gaan uitzien. Ik blijf mijn grillige weg volgen, waarbij ik me vooral laat leiden door het toeval en waarbij ik zo waarheidsgetrouw mogelijk verslag uitbreng van wat in mij omgaat, van wat mij aanspreekt, van wat mij zegt wat ik moet zeggen. So don’t turn your back on me, baby, want ik blijf tot het einde mijner dagen lid van sergeant pepper’s lonely hearts club.

20-07-05

EEN AANTAL SPOREN


CINEMA2


Als ik niets te vertellen heb, kan ik ook niets bedenken. Ik heb geen fantasie en kan niet liegen. Als ik niets te vertellen heb zijn er drie mogelijkheden:

1.Ik geef je helemaal niets.
2.Ik geef je oude verzinsels.
3.Ik laat in mijn kaarten kijken (sporen).

Liefde

Liefde als een bron van groot moreel gevaar, “door haar partijdigheid en de ermee gepaard gaande extreme kwetsbaarheid, die de koppeling met jaloezie en woede vrijwel onontkoombaar maken.” Dat las ik tot mijn grote schrik in ‘Oplevingen van het denken’ van Martha Nussbaum.

Teleurstelling

“Het streven van gisteren gold voor het ik van gisteren en niet voor dat van vandaag. Wij zijn teleurgesteld dat datgene wat wij zo graag bereikt noemen, zo nietig blijkt te zijn.” Toen Samuel Beckett dit schreef in verband met Marcel Proust vertelde hij niets nieuws. Dit idee vinden we reeds bij Kant terug en, nog meer uitgewerkt, bij Schopenhauer. “Zodra we iets krijgen waarnaar we hebben verlangd ontdekken we dat het niets voorstelt, en leven we alweer in de hoop op iets beters, hoewel we tegelijkertijd ook vol spijt verlangen naar wat voorbij is. Met het heden nemen we maar voorlopig genoegen, en we beschouwen het alleen als de weg naar het doel.” Dat schrijft Schopenhauer in ‘Over de nietigheid van het bestaan.’Onze dorst naar bezit is onlesbaar, ongeacht het object van ons verlangen.

Dichtkunst

“De goede dichters van epen danken al die mooie poëzie niet aan vakmanschap, de oorzaak is dat zij van god vervuld en bezeten raken. Hetzelfde doet zich bij de goede lyrici voor. Zoals de korybantenvolgers als hun geest helder is niet kunnen dansen, zo maken de lyrici die mooie liederen niet als hun geest helder is. Maar wanneer ze onder invloed komen van harmonie en ritme, ontstijgen ze zichzelf en raken ze bezeten. Zoals de Bacchanten die honing en melk uit de rivieren scheppen wanneer ze bezeten zijn, maar dit nalaten wanneer hun geest helder is – zo werkt ook de ziel van de lyrici, naar ze zelf verklaren.
Want de dichters zeggen ons, dunkt me, dat hun zoete liederen die ze ons brengen, eerst uit de van zoete honing overvloeiende bronnen in zekere tuinen en dalen van de Muzen gepuurd hebben. De bijen gelijk – en vliegen kunnen zij ook al. Ze spreken de waarheid: een licht gevleugeld en heilig ding is de dichter, die niet kan scheppen eer hij vol van god en leeg van zinnen raakt, zijn verstand hem niet meer hindert. Zolang hij nog over zijn verstand beschikt, is geen mens in staat te dichten en te profeteren.” Plato, Ion.

16-07-05

TEGEN DE ARBEID: ANDRE BRETON


breton 2

Mijn korte vakantie
is gisteren begonnen. Eigenlijk al donderdagavond en vrijdagochtend, een heel stuk nacht waarvan ik me te weinig herinner. Dan ook maar beter – voorlopig dan toch, tot het allemaal wat bezonken is - zwijgen over restaurants, cafés, toevallige ontmoetingen, potentiële nieuwe vriendschappen. Om mijn vakantie in te leiden wil ik hier gewoon even citeren uit André Breton’s Nadja:

"En laten ze mij hierna niet spreken over de arbeid, ik bedoel over de zedelijke waarde van de arbeid. Ik ben gedwongen het denkbeeld van arbeid als materiële noodzaak te accepteren, in dit opzicht ben ik er een groot voorstander van dat het werk beter, dat wil zeggen rechtvaardiger wordt verdeeld. Dat de troosteloze verplichtingen van het leven mij tot werken nopen, het zij zo, maar als ze mij vragen erin te geloven, mijn werk of dat van anderen met eerbied te beschouwen, dat nooit. Nogmaals, ik loop liever in het donker dan dat ik mij verbeeld dat ik in het daglicht loop. Terwijl je werkt heb je er niets aan dat je leeft. De gebeurtenis waarvan ieder mens het recht heeft de openbaring van de zin van zijn eigen leven te verwachten, die gebeurtenis die ik misschien nog niet gevonden heb maar waarheen ik mijn weg zoek, kan door arbeid niet worden verkregen.”