20-03-13

EEN NIEUWE ETHICA

IMG_5344.JPG

Foto: Martin Pulaski, Evora, 25 maart 2007.

Sinds gisteren ben ik opnieuw aan het werk, noteerde hij met enige tegenzin. Maar ik wen er niet aan. Het lijkt allemaal zo zinloos, zo overbodig. Wat voegen we toe aan de wereld? Wat geven we? Je kunt beter een boek lezen, of wat overpeinzingen in je dagboek neerschrijven. Regende het maar, dan kwamen de mensen wat minder buiten. Iedereen zou beter binnen blijven, dan zou ik ook graag binnen blijven en me bezig houden met mijn ware opdracht. Nu is er altijd die onrust en een verlangen naar datgene waar al die andere mensen naar verlangen, wat zou dat toch zijn?

We hebben werkelijk behoefte aan een nieuwe ethica, vervolgde hij. Op café zei een mooie jongen me, - hij had net een joint gerookt, zei hij - dat je  het woord misdaad niet mag uitspreken, omdat dat een veroordeling is, een moreel oordeel. We beginnen in kringetjes te denken, antwoordde ik, en verliezen elk houvast. Sommigen blijven zeker van hun stuk, dat wel, maar het is duidelijk dat hun, sorry, óns, discours op drijfzand is gebouwd. Jacques Derrida schrijft dit en dat, Claude Lévy-Strauss is een romanticus, de edele wilde bestaat niet. Et cetera. De conclusie van al dat gepraat is meestal dat idealen dom zijn, dat je moet leven in de werkelijkheid zoals ze zich aan ons voordoet. Je kunt in deze bittere tijd toch geen utopist zijn, man, zei de mooie jongen. Ja, toch wel, vind ik, ik ben een communist, kijk maar ik heb een rood hemd aan. Met een grapje onttrok ik me aan de ernst van mijn toevallige kameraad, en aan mijn eigen ernst. Hij lachte. Hij besefte niet dat ik het meende. Dat ik blijf dromen van een betere wereld.

Hoewel ik tegelijk denk dat wij niet veel meer zullen veranderen. Ik geloof dat ik in mijn leven niets heb veranderd, of het zouden de steentjes en zeeschelpen moeten zijn die ik een andere plaats heb gegeven. Maar misschien is dat ook niet slecht, want degenen die de wereld echt veranderd hebben, mannen zoals Stalin en Hitler, hebben tragedies en genocides veroorzaakt.

Veel mensen beoordelen je op je functie, schreef hij. Of op hoe je eruitziet. Je werkelijke leven ontsnapt aan hun aandacht. ‘La vraie vie est ailleurs’, zei Mallarmé. Wat bedoelde hij daar toch mee? We hebben een nieuwe ethica nodig, besloot hij. Tijd voor een kop koffie en wat facebook-zelfverlies.

28-02-13

AWOPBOPALOOBOP ALOPBAMBOOM

2012_11_PORTO_VOLLEDIG 336.JPG

Foto: Martin Pulaski, 2012.

Bernard, de illusie van rock & roll heb ik al lang opgegeven. Heb ik ze ooit gekoesterd? Het ging denk ik meer om een droom in verband met het geheel. Met versmelting in klanken, ritmes en woorden zonder betekenis.  Awopbopaloobop alopbamboom. Een bijna religieuze droom van eenwording, van transsubstantiatie. Een droom die leek op die van Martin Luther King en van John Lennon. Maar John Lennon zong het lang geleden al: “the dream is over”. Wat voor mij daarna bleef was een soort van leeg ritueel, hoewel dat soms gevoelens van welbehagen kan teweegbrengen, en heel af en toe diepe emoties laat opflakkeren.

 

Ik weet dat ik geen nar ben op het narrenschip, maar het is tegelijk heel moeilijk om dat van jezelf te beweren omdat je zelf op dat schip vaart. Je hebt ervoor gekozen om mee te varen, aan te monsteren, zo je wilt. En elke dag maak je die keuze opnieuw, als een blinde, dove, stomme, onwetende nar. Tot het schip doormidden breekt of tegen een ijsberg aan vaart. Als je het zinkende schip verlaat ben je geen nar maar een rat. Van rottigheid gesproken.

31-01-13

EEN WERELD ZONDER DICHTERS?

2012_11_PORTO_VOLLEDIG 195.JPG

Regen. Martin Pulaski, november 2012.

 

'Schaf het stadsdichterschap af en engageer deze schrijvers om nieuw inzicht te geven in de geschiedenis van de Vlaamse literatuur, in wat zij nu schrijven.’ Dat zijn de woorden van een NVA-politicus in Antwerpen. Stonden gisteren in de Vlaamse ‘kwaliteitskranten’. Het ging over de stadsdichter, een nutteloze functie. Tom Naegels, een schrijver, was van mening dat dichters en hun verwanten teveel ophef maakten over wat onschuldig gewauwel. Kranten publiceren zulk gekwetter om aandacht te trekken, beweerde hij. Verontwaardiging was nergens voor nodig. Tom Naegels zal wel weten waarom kranten gekwetter publiceren: ga maar na. Maar hij vergist zich: verontwaardiging is altijd nodig. En indien niet altijd, nu zeker. De domme uitspraken van de Vlaams-nationalistische politicus lijken een bagatel, en zijn dat misschien ook. Maar soms – er zijn helaas voorbeelden - leidt een bagatel tot een catastrofe.

Alles in dienst van het nut is het uitgangspunt van bepaalde politici, dienaren van bankiers, traders en casinobezitters. Maar we weten dat alles van waarde kwetsbaar is en nooit is het nuttig. Poëzie is niet nuttig, dichters zijn evenmin nuttig. Wat dichters zeker niet zijn: historici van de Vlaamse literatuur. Dichters schrijven en lezen gedichten en zijn kwetsbaar en van geen enkel nut, maar openen werelden. Zij laten zien dat de Vlaamse literatuur Nederlandstalig is, en dat de Nederlandstalige literatuur niet aan een streek is gebonden, maar tot de wereld behoort. Poëzie, in welke taal ook, is een wereldtaal. Ik ben een kosmos, zei Walt Whitman. Hoe zielsveel dichters ook houden van wat hen nabij is (hun geliefde, hun dorp, een stukje touw), het zal nooit hun opdracht kunnen zijn om dat nabije in een vacuüm te plaatsen, om dat nabije als behorend tot een stam, een volk voor te stellen. Wat zij echter in zo’n geval kunnen doen is het nabije met hun woorden openen en het op die manier onderbrengen in het grote geheel. Nuttig is dat niet, maar het heeft ongetwijfeld zin. Het vaderland van de dichter is niet de bodem, maar is het water, de rivier naar de oceaan en in de hoge lucht staat hij met zijn voeten stevig op de grond.

Een wereld zonder gedichten is een ongrond, een afgrond; een wereld zonder dichters is een catastrofale wereld.

11-12-12

MELANCHOLISCHE WARMTE IN PORTO EN ELDERS

porto,vriendschap,gesprek,restaurant,eten,drinken,wijn,lezen,schrijven,nederlands,portugees,guimarães,taal,kafka,joyce,hölderlin,pessoa,horror,western,aki kaurismäki,tavern man,humanisme,zwarte humor,mededogen

Matti Pellonpää in 'La Vie de Bohème', Aki Kaurismäki.

Op een frisse novemberavond in Porto zat ik met mijn goede vriendin Cristina in restaurant Vitoria. Een rustige, aangename plek, die ik op mijn eentje nooit had gevonden. Ik had een immens bord vol lamskoteletten, waar ik niet bijzonder veel zin in had. Maar je kunt toch niet elke dag twee keer vis eten? Het was mij meer om de rode wijn te doen, een lekkere Dialogo – en nog veel meer om het gesprek. Een dialoog met Cristina is altijd een vrolijke gebeurtenis, zelfs al is de ondertoon melancholisch, soms bijna fatalistisch. Alleen al om dat te kunnen meemaken reis ik graag naar Porto. We houden van heel uiteenlopende dingen, maar zijn denk ik toch zielsverwanten. We praten graag over kwalen en ziektes, maar doen dat niet zonder zelfspot en bevrijdend lachen.
Onze gesprekken zijn associatief: zo heb ik ze het liefst. Zowel Cristina als ik lezen weinig auteurs van ‘eigen bodem’.  Welke Portugese auteurs moet ik lezen, vraagt ze zich af. Welke Nederlandstalige auteurs moet ik lezen, vraag ik me af? Wat hebben ze ons te vertellen? Maar verarmt onze woordenschat daardoor niet? En door zoveel Engels te lezen, want dat doen we beiden, ontspoort onze syntaxis misschien wel? Misschien wel, ja. Maar is een arme woordenschat een ramp? Ik heb altijd van de magere taal van iemand als Kafka gehouden. Zijn wereld spreekt me veel meer aan dan die van bijvoorbeeld James Joyce in ‘Finnegans Wake’. En Hölderlins ontspoorde syntaxis, wellicht te wijten aan zijn vertalingen uit het Grieks, maakt zijn poëzie net zo uitzonderlijk.

Door ons niet te verdiepen in de ‘eigen’ literatuur blijft onze taal authentiek; we worden niet beïnvloed door geografisch bepaalde trends en hypes, zielige opflakkeringen van bijna uitgedoofde geesten. Desondanks zullen we altijd beïnvloed worden door wat dieper stroomt, door filosofische ideeën, door globale ‘evenementen’, door gesprekken, door wat ons uit sociale netwerken tegemoet komt. Het zijn onvermijdelijke en misschien wel noodzakelijke invloeden. Tegelijk onderhevig aan de fenomenen die onze tijd bepalen en oneigentijds (“unzeitgemäss”, bij Nietzsche) zijn, daar is het ons om te doen, denk ik.

Tijdens ons lang, intens gesprek hadden we het over angstaanvallen, astma, paniek, horror (‘The Shining’, ‘Rosemary’s Baby’), poezen, hoe je een kat kunt oproken, allergieën, William Burroughs en de beat generation, mijn liefde voor westerns, het verschil tussen ‘linkse’ en ‘rechtse’ westerns (Fred Zinnemans ‘High Noon’ tegenover John Fords ‘The Searchers’: de revolutionaire Jean Luc Godard had een zwak voor de republikeinse, soms racistische John Ford), over geesten, werkelijke en onwerkelijke spoken, de vraag ‘wat is realiteit’, Paul Auster (zijn werk verschijnt eerder in het Nederlands dan in het Engels, zo ben ik gedwongen een meestal niet erg elegante Nederlandse vertaling te lezen), Haruki Murakami (‘Kafka On The Shore’, ‘Norwegian Wood’), ‘Le Rouge et le Noir’, vakanties, reizen, vliegangst, ziekenhuizen, hallucinaties, openbaringen, onthullingen, liefde en het verdriet dat daarmee gepaard gaat, mensen die zich willen dooddrinken (dachten we aan Fernando Pessoa?), hedendaagse kunst, onafhankelijke platenlabels, boeken aanschaffen via internet, de onbetrouwbaarheid van de Brusselse post en Guust Flater.

Cristina vertelde me dat Guimarães, de geboortestad van haar vriend José, culturele hoofdstad van Europa 2012 is. Ze zei dat ze nog niet zo lang geleden de kans had gehad om met Aki Kaurismäki, wiens werk we beiden bewonderen, te praten in een bar in Guimarães. Maar ze heeft het niet gedaan, wellicht uit schuchterheid. Of was het er te druk?
Samen met Manoel de Oliveira, Pedro Costa en Victor Erice was de Finse filmregisseur door de Stichting Cidade de Guimarães gevraagd om een film te maken over het collectieve, historische, geheugen van Portugal (onder de gemeenschappelijke noemer ‘Centro Historico’). Kaurismäki’s bijdrage, ‘Tavern Man’, vertelt het verhaal van een eenzame barman in het historische centrum van de stad. Een typisch onderwerp voor de zwarthumoristische Fin, lijkt me.
Ik heb de film nog niet gezien. Variety schrijft er dit over: “and humanity spreads to every corner of the frame with compassionate, melancholy warmth.” Meer verwacht ik van Kaurismäki niet. Evenmin verwacht ik meer van mijn vrienden, in Portugal, in België, waar dan ook.

 

03-12-12

MISLUKKING EN SUCCES

adjani5.jpg

Isabelle Adjani in 'Possession', Andrzej Zulawski.

Is het geen vorm van zelfbehoud om over je teleurstellingen en vooral over je mislukkingen te schrijven? Anderzijds vraag je je soms af of je ooit wel echt teleurgesteld bent geweest: verwachtte je dan zoveel van het leven, van de dingen, van de andere mensen? Was je uitgangspunt niet al heel vroeg de ontnuchtering en de teleurstelling? En hoe kun je mislukken als je nooit – diep in je hart – succes hebt nagestreefd, als je succes meestal, tenzij in momenten van verblinding en zelfbedrog, als een valkuil hebt beschouwd?

 

Toch waren er die andere, belangrijke momenten. Plotse opflakkeringen van een diep vertrouwen in het goede dat in elke mens op zijn minst potentieel aanwezig is, in zijn aangeboren zin voor rechtvaardigheid en broederlijkheid. Als je heel eerlijk met jezelf bent moet je ook toegeven dat je niet alleen maar behoefte aan succes, aan erkenning hebt gehad in momenten van zwakheid, van koorts, van algemene negativiteit. Dat er ook zulke verlangens de kop opstaken op heldere dagen, als je je goed voelde. De vraag is zelfs of niet elke mens succes en zeker erkenning nastreeft, op welk gebied dan ook. Het is niet eens een vraag.

Je moet over je teleurstellingen en mislukkingen schrijven.  Maar doe je wel iets anders? Verraadt niet elk woord dat je neerschrijft je falen, je ontgoocheling – en, als gevolg daarvan, je verbittering en je eenzaamheid?

Wat beteken dat, falen, mislukken,  een succesvol leven leiden? Misschien moet je andere mislukte levens onder de loep nemen? Maar als die mislukkelingen – je bondgenoten - bestudeerd kunnen worden, zijn ze dan wel mislukt? Wellicht hebben ze buiten hun wil om toch erkenning gekregen, zij het in veel gevallen na hun dood, zoals onder meer Fernando Pessoa. In de jaren zeventig kende nog bijna niemand hem, ook jij niet. Enkele jaren later stond hij al afgebeeld op een bankbiljet van 100 escudo’s. Nu zie je hem, in wapperende regenjas en met hoed op, zich door de straten van alle middelgrote en grote Portugese steden spoeden – waarheen zal altijd een raadsel blijven.

Ja, je schrijft over die bondgenoten om jezelf te behoeden, te behouden, om niet aan eenzaamheid ten onder te gaan, om je niet dood te drinken, of een te hoge dosis morfine te nemen. Om te kunnen volharden in je dagelijks bestaan. Jij hebt je mislukkelingen nodig, richt er schrijnen voor op, zoals de jonge Antoine Doinel* dat voor zijn literaire helden doet. Het is een vorm van broederschap. De mislukkelingen zijn de goede mensen. Degenen die hen niet hebben erkend zijn de slechten. En wat daarna komt is collectief schuldbesef. Waarom hebben we niet eerder ingezien wie er onder ons heeft geleefd? Waarom hebben we hen niet bedankt voor wat ze ons hebben gegeven, waarom hebben we hen niet hartstochtelijk omhelsd, waarom hebben we hen niet onze onvoorwaardelijke liefde gegeven?


*Met name in 'Les quatre cents coups' van François Truffaut uit 1959. Antoine Doinels grote held in dit meesterwerk van de nouvelle vague is Honoré de Balzac. Dat de jonge Doinel een schrijfmachine steelt is ook niet zomaar een trouvaille van de regisseur.

400Balzac.jpg

Jean-Pierre Léaud als Antoine Doinel in 'Les quatre cents coups', François Truffaut.

~~~

Oorspronkelijk gepubliceerd op 29-11-2012. 

ZONDER MEER

zondermeer.jpg
Brussel, 2005.

"Altijd wekte hij de indruk dat hij nergens bijhoorde maar wel ergens bij zou willen horen."

Pascal Mercier, De pianostemmer. 

Deze foto van mezelf op een Brusselse tram, in het najaar van 2005, met een communistische pin op de rever van mijn jas – bovendien had ik een rood hemd aan  - vond ik passen bij het citaat van Pascal Mercier. Die pin ben ik kwijt, het was slecht materiaal, uit de Sovjet-Unie. Gekocht op een rommelmarkt in Berlijn in 1998.

Waarom droeg ik die dag - en ik geloof alleen die dag - die pin? Waarschijnlijk om andere tramgebruikers op stang te jagen. Ik denk namelijk dat veel inwoners van deze en andere Belgische steden zich meer ergeren aan zo'n onbenullig symbool dan aan bijvoorbeeld een gewelddaad in de publieke ruimte of waar dan ook. Ik weet het niet met zekerheid. In juni 1997 hebben crapuleuze types mij op een zonnige avond in elkaar geklopt; ik was bijna dood (heb er foto's van, polaroids die mijn gezellin gemaakt heeft als bewijsmateriaal voor de verzekering - die laat ik niemand zien, voorlopig toch niet, het is werkelijk een horrorshow): auto's reden voorbij, zelfs voetgangers liepen door alsof er niets aan de hand was. Maar ik dwaal af...

Ik ben nooit lid geweest van een communistische partij; heb een ambiguë 'verhouding' met het communisme. Er is zo'n kloof tussen de praktijk (Sovjet-Unie, DDR) en de vaak heel goede ideeën van Marx, Gramsci, Sartre, Zizek en anderen. Tegen wil en dank ben ik een individualist (maar nog steeds op zoek naar een gemeenschap). Zoals Mercier schrijft: ik wek de indruk dat ik nergens bijhoor, maar zou zeker wel ergens bij willen horen. Wat ik heel goed weet is waar ik niet bij wil horen. Ik vermoed dat lezers van hoochiekoochie dat net zo goed weten. Maar wat ik niet weet is waar ik wel bij wil horen. 

~~~

Oorspronkelijk gepubliceerd op 27-11-2012 

DOMHEID EN DENKEN

P1030307.JPG
Lissabon, 2009.
Foto: Agnes A.

Je zou lang moeten nadenken over wat domheid is. In een documentaire hoorde ik een meisje zeggen: vroeger las ik de hele New Yorker uit, nu gaat dat niet meer, vanwege Facebook. Is dat dom, of getuigt het van aanpassingsvermogen en inzicht? Mij blijft veel meer bij van wat ik in de New Yorker lees, dan van van wat ik op Facebook aantref. Maar de New Yorker lees ik alleen maar als ik vlieg. Het is het enige tijdschrift dat me mijn vliegangst kan doen vergeten. Terwijl ik van Facebook soms vliegangst krijg, of het gevoel dat ik in een afgrond ga storten. Soms is dat een prettig gevoel (dat ik overigens met veel mensen deel).

Domme vragen zijn minder dom dan domme antwoorden. Een niet-weten met de perceptiedeuren open valt te verkiezen boven een weten dat voltooid is. Meningen beletten het ontstaan van gedachten. Wat je in de pers leest zijn doorgaans meningen. Je wordt daar helaas door beïnvloed, of je het nu wilt of niet. Alles wat je omgeeft beïnvloedt je. Moet je je daar dan tegen wapenen? (Geen nieuws meer beluisteren en bekijken, geen kranten meer lezen, geen pulptijdschriften bij de arts?). Maar als je ‘gewapend’ bent, bang, verkrampt, geharnast – kun je dan nog wel denken? Nogmaals: er is voor alles openheid nodig. In gesloten kamers versterven we.

Er schijnen maar weinig mensen te bestaan die kunnen denken. Zelf behoor ik ook niet echt tot die categorie. Ik probeer het wel, maar stel vaak tot mijn schaamte vast dat ik het niet kan. Het is echter mogelijk dat je van jezelf niet weet dat je kunt denken. En zelfs al zou ik niet kunnen denken, dan weet ik toch met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat ik niet dom ben. Alleen al omdat ik nergens een mening over heb. En als ik toch doe alsof ik een mening over iets heb, bijvoorbeeld over ‘wat zijn de vijftig beste songs van the Rolling Stones’ of ‘wat is de meest beklijvende roman van Cesare Pavese’ dan is dat maar om te spelen. Domme vragen stellen, (net niet) in afgronden storten en spelen – that must be what it’s all about.

~~~

Oospronkelijk gepubliceerd op 26-11-2012 

AURORA - EEN VERGETEN RUIMTE?

aurora.jpg
Onze kinderen in Ruimte Aurora, Antwerpen 1980.
Foto: Martin Pulaski.

Ik vind het nog altijd vreemd en onterecht dat je via google of andere zoekmachines zo weinig aan de weet komt over het in veel opzichten baanbrekende tijdschrift Aurora, van de gelijknamige filosofische kring. Aan een min of meer objectief artikel daarover waag ik mij niet: het is allemaal te lang geleden en ik ben maar een viertal jaar lid geweest van de redactie. Aurora zag het daglicht in 1976 aan de VUB, toen die universiteit nog geen eigen campus had, wat ik heerlijk vond. De stichter van het tijdschrift was de enigszins controversiële filosoof Leopold Flam, schrijver van talloze filosofische werken, die nog altijd zeer het lezen waard zijn. Stuwende kracht was de eigenzinnige schilder en schrijver Paul Rigaumont. Mijn vrienden en ik zijn Leopold Flam altijd als een mentor blijven beschouwen. 

Het secretariaat van ‘Aurora’ bevond zich niet in Brussel maar in Antwerpen. Spoedig werden in het pand aan de Lange Leemstraat allerlei boeiende activiteiten georganiseerd. Voor mij was dat een aansporing om na het behalen van mijn filosofiediploma en enkele mislukte experimenten met door Antonin Artaud geïnspireerd theater – in ons appartement in Sint-Joost-Ten-Node en in ‘Doorndal’ – naar mijn geboortestad terug te keren. In Ruimte Aurora werd werk tentoongesteld van toen nog onbekende kunstenaars (onder meer Ria Pacquée*, Guillaume Bijl, Guy Rombouts), er werden lezingen gehouden over poëzie, literatuur en uiteraard filosofie; er werden poëzienamiddagen georganiseerd, soms werd er zelfs gedanst.
Wat evenmin zou mogen vergeten worden zijn de talloze gesprekken, vaak een dialoog van kunst en filosofie. Naast het driemaandelijks tijdschrift publiceerde Aurora werk van Leopold Flam, Annie Reniers, Eldert Willems, Eric Min en anderen.


In het tijdschrift verschenen essays, beschouwingen, gedichten, experimentele teksten van bekende en minder bekende auteurs. Ik heb een sterk vermoeden dat er tussen decenniaoud kaf nog heel veel koren aan te treffen valt. Het is de hoogste tijd dat dit werk wordt ontsloten. Het is tevens de hoogste tijd dat Aurora als unieke experimentele ruimte de aandacht krijgt die ze verdient in de cultuurgeschiedenis van dat deel van België dat zich Vlaanderen noemt en zo begaan is met zijn cultureel erfgoed.


*”Na zelf enkele performances te hebben geïnitieerd, solo of in groep, stelt ze in 1977 samen met Guillaume Bijl tentoon in de Filosofische Kring Aurora in Antwerpen. Pacquée presenteert er assemblages met goedkope spulletjes die ze in een supermarkt had gestolen.” Koen Brams, Dirk Püttau, in: De Witte Raaf.
~~~
Oorspronkelijk gepubliceerd op 24-11-2012. 

13-10-12

AAN DE RAND VAN EUROPA: CABO DE SÃO VICENTE

 

2012_09_ALGARVEpanasonic 062.JPG
"... angst voor de dood, die geen angst is om de wereld te moeten verlaten maar de angst om daar achter te blijven waar geen wereld meer is."
Roland Breeur, De tijd bestaat niet. Essays over domheid, vrijheid en emoties. 

03-10-12

MOGELIJKHEDEN WAAROVER MENSEN MOETEN KUNNEN BESCHIKKEN

 

modigliani.jpg

Amedeo Modigliano, Nu couché aux bras levés, 1916. (De emotionele hechting van de schilder aan zijn model.)

Ook al geloof ik niet in essenties, al niet meer sinds ik me op mijn dertiende afkeerde van het katholicisme, moet ik soms toch tot een bepaalde vorm van essenties, van geboden, richtlijnen, morele normen, terugkeren. Zoals Martha Nussbaum doet in haar diepgravend werk over de menselijke emoties, ‘Oplevingen van het denken’. Essentieel voor Martha Nussbaum is bij de mens het mededogen. In een hoofdstuk getiteld ‘Mededogen in het publieke domein’ somt zij de tien - voor haar - belangrijkste mogelijkheden op waarover mensen moeten beschikken. Ik wil er op dit ogenblik een daarvan nog eens onder de aandacht brengen, met name de mogelijkheid in verband met de emoties zelf (die lijkt mij, zeker in de context van haar boek, de meest pertinente):

 

“Mensen moeten de mogelijkheid hebben zich te hechten aan dingen en mensen buiten zichzelf, ze moeten mensen kunnen liefhebben die hen liefhebben en om hen geven en verdriet kunnen hebben als die er niet zijn; in het algemeen moeten mensen de mogelijkheid hebben liefde, verdriet, verlangen, dankbaarheid en gerechtvaardigde woede te ervaren. De emotionele ontwikkeling van mensen mag niet worden verijdeld door angst en vrees.”

Waarmee ik niet wil zeggen dat de negen andere belangrijke mogelijkheden die Nussbaum opsomt voor mij onbelangrijk zijn. Je kunt ze terugvinden op pagina 357 van haar boek, een werk dat iedereen die om zichzelf en om andere mensen geeft, en niet alleen om andere mensen, maar ook om dieren en planten, zou moeten lezen, ook al is het soms een harde noot om te kraken. Maar om bewust en weldoordacht het goede te kunnen doen moet je je soms al eens inspannen. 

26-05-12

MAAT VAN ALLE DINGEN

 

duanemichals 2.jpg
Foto: Duane Michals

 

Sommige mensen gaan stuk van sport.
Sommige van gul lachen.
Sommige van zwaarlijvigheid.
Sommige van myasthenia gravis.
Sommige mensen gaan stuk van motoren.
Sommige mensen van eenzaamheid.
Sommige van te lang alleen zijn.
Sommige van geruchten en rumoer.
Sommige van meditatie.
Sommige van de nabijheid van een idyllisch park.
Sommige van opgezette haaien.
Sommige mensen gaan stuk van het zien van een lelie.
Of van een andere bloem.
Sommige van zuchten.
Sommige van twijfel.
Sommige van te lang vliegen.
Sommige mensen gaan stuk van Paul Auster.
Sommige van ijverzucht.
Sommige van Tristan en Isolde.
Sommige mensen gaan stuk van verveling.
Sommige van teveel.
Sommige van te weinig.
Sommige van kogels.
Veel mensen gaan stuk van honger.
Veel meer van dorst.
Sommige mensen gaan stuk van bommen.
Sommige van misprijzen.
Sommige van haat.
Sommige van bezittingen.
Sommige van exotische vlinders.
Sommige mensen gaan stuk van liefde.

21-05-12

MIDNIGHT COWBOY

 

MIDNIGHT.jpg

Midnight Cowboy - John Schlesinger. Met Dustin Hoffman en Jon Voight.

Macadam, zo werd de Midnight Cowboy genoemd.
De jonge man die zich aan oudere vrouwen zou verkopen.
In de bruisende stad Brussel was dat zijn naam.
Midnight Cowboy, Macadam.

Leg jij dan maar het verband tussen nacht, asfalt en cowboys.
Of noem het beton.
Zo vaak je blik rust op dat materiaal.
Maar zie je het?
Weet je wat het is? 
Een laag beton over koude aarde.

Bijna niets voor jou.
Niets om over naar thuis te schrijven.
Tot je een ogenblik je blik scherp stelt.
Aan het denken slaat.

Wat een gedoe op die harde grond.
Voetsporen, speeksel, sperma, bloed.
Een hele beschaving is er gepasseerd.
Dagen, nachten stapten daar avonturiers.
Vagebonden van het alles en niets.
Moedeloos of overmoedig gingen ze over de lijn.
Want waar een grens als alles glanst?

Nee, op lijnen kon je niet rekenen.
Grenzen brachten je niet nader.
Op water dan?
Op hitte?
Op vogelgezang?

Wat was er opeens zo raadselachtig aan steen?
Fabriekssteen.
Je wist het niet.
Er waren alleen magere woorden voor.
Zo moest je dan Indiaan worden, met je hoofd op de grond.
Zo kon je misschien nog een spoor horen.
Van Macadam, nacht, nuchtere cowboys.

14-05-12

GENEALOGIE VAN EEN MYSTERIE

familie klepkens.jpg
De familie Klepkens. Foto: Martin Pulaski, 20ste eeuw.

In ‘Winterlogboek’ van Paul Auster trof ik enkele zinnen aan die me vertrouwd in de oren klonken. “Want je weet niets over waar je vandaan komt, je hebt lang geleden besloten aan te nemen dat je een mengsel bent van alle rassen van het oostelijk halfrond, een deel Afrikaans, een deel Arabisch, een deel Chinees, een deel Indiaas, een deel Kaukasisch, de smeltkroes van vele vijandige naties in één enkel lichaam. Het is eerst en vooral een moreel standpunt, een manier om het rassenvraagstuk te elimineren, dat volgens jou een onzinvraagstuk is, een vraagstuk dat degene die het aanroert enkel te schande kan maken, en daarom heb je er bewust voor gekozen om iedereen te zijn, om iedereen in je jezelf te omarmen teneinde volledig en vrijelijk jezelf te zijn, omdat wie je bent een mysterie is en je geen enkele hoop koestert dat het ooit wordt opgelost.” 

Vertrouwd in de oren, ja. Want A. las me op mijn verzoek deze passus, en wat eraan voorafgaat, voor.  Waar kende ik dit van? Waar kwam dit vandaan? Van wat was dit een echo? Deze woorden leken wel mijn eigen intentieverklaring, lang geleden geformuleerd, nog altijd van kracht. Na een kwartier pijnigen van de hersenen had ik het gevonden (in mijn hoofd). Het was ongetwijfeld een fragment van de experimentele tekst ‘Stasis’, die ik in de winter van 1977-1978 schreef en wat later in het tijdschrift Aurora publiceerde. Wat is ‘Stasis’? Wat betekent die tekst? Als ik hem nu probeer te lezen denk ik, dat is ofwel waanzin ofwel genialiteit. En ik denk, waarom heb ik zoveel talent opgeofferd om alleen maar wat tegendraads te zijn, een narcistisch genot te beleven in het onderscheid – het verschillen van de anderen? De energie die me die ene tekst van een vijftiental bladzijden heeft gekost had kunnen volstaan voor een tiental Vlaamse bestsellers, denk ik dan. Misschien maar goed dat ik een narcist ben en een man zonder eigenschappen.

Ik heb ‘Stasis’ inderdaad niet alleen in mijn hoofd teruggevonden, maar ook in aflevering 9 (jaargang 3) van Aurora, verschenen in 1978. Lang heb ik niet moeten zoeken naar de schoenendoos waarin het tijdschrift zat opgeborgen. Een kwartier ongeveer, terwijl een troostende lentezon mijn kamer begon te verwarmen.

“Wie ben je? Wat ben je? Waar kom je vandaan? Welke taal spreek je? Wat komt van Attica? Wat is van flarden Romeinse tongval de echo? Wat van Attila en Bleda? Wat van de Visigoten? Wat van Egypte en het gouden Nubië? Wat blijft in jou resoneren van Philips ii, van Margaretha van Parma, van de hertog van Alva, van don Lodewijk van Zuniga van Requesens, landvoogd der Nederlanden, van don Juan van Oostenrijk, zoon van Barbara Blomberg, van Hieronymus Kegel, van Matthias van Oostenrijk, van keizer Rudolf ii, van Don Pedro Enriquez de Acevedo, graaf van Fuentes, van aartshertog Albrecht van Oostenrijk, echtgenoot van de Infante Isabella, die haar laatste jaren doorbracht in een klooster in Tervuren, een plek ongeveer tien kilometer verwijderd van waar je woont? Wie bent je? Wat ben je? Waar kom je vandaan?”

De in Aurora verschenen tekst is zonder interpunctie. Ik heb alle namen opgezocht in Wikipedia. Ze kloppen allemaal. In 2012 duurt opzoekingswerk dat in 1978 drie maanden duurde een half uur. Paul Auster schrijft nog altijd met de pen, en vervolgens op een oude, mechanische schrijfmachine. En net zoals ik is hij een mysterie dat nooit wordt opgelost. 

23-12-10

DE ALLERSLIMSTE MENS VAN DE WERELD

 

Anorak.gif

“The circumstances which surround different classes and individuals, and shape their characters, are daily becoming more assimilated. Formerly, different ranks, different neighbourhoods, different trades and professions, lived in what might be called different worlds; at present, to a degree in the same. Comparatively speaking, they now read the same things, listen to the same things, see the same things, go to the same places, have their hopes and fears directed to the same objects, have the same rights and liberties, and the same means of asserting them. Great as are the differences of position which remain, they are nothing to those which have ceased. And the assimilation is still proceeding.”

 

Dit schreef John Stuart Mill in 1859 in ‘On Liberty’. Zeer waarschijnlijk zou de filosoof zich doodschrikken als hij zich heden in om het even welke winkelstraat zou wagen, of even plaatsnemen voor de televisie, en geconfronteerd worden met bijvoorbeeld ‘De allerslimste mens van de wereld’, waarin hij Vlaanderens populairste politicus, de grote historicus Bart De Wever, de clown zou zien uithangen.  Nee, dat zou John Stuart Mill niet overleven. And the assimilation is Still proceeding.

29-11-09

HET ONVERWACHTE

heraclitus


Indien het onverwachte niet verwacht wordt zal men het niet ontdekken, omdat het dan niet na te speuren valt en ontoegankelijk blijft.

Heraclitus, Fragmenten, 27

15:30 Gepost in Filosofie | Permalink | Commentaren (6) | Tags: heraclitus |  Facebook

21-09-09

IK ZEI 'JA' AL HEEL VROEG

 

Ik zei ‘ja’, al heel vroeg.

Maar ik zei vooral ‘nee’.

‘Laat me met rust.

Laat me niet met rust'.

“Deze wereld is jullie makelij.

Niet die van mij.

Ik ben maar een passagier.

Een niemendal.

Een strijkijzer op een operatietafel.

Ik ben geen dit en geen dat.

Een aasgier ben ik niet.

Ik heb geen naam.

Met de ene rug het beest.

Wankel in de winkelstraten

Met jullie merkwinkels

Waar al het lelijke wordt verhandeld.

Al het lelijke van de wereld.

Al het overbodige.

Aan mij heb je een lastige klant.

Een armoedzaaier.

Zie me zaaien: zint het je niet?”

Ik zei ‘ja’, al heel vroeg.

Maar ik zei vooral ‘nee’.

‘Laat me met rust.

Laat me niet met rust'.

“Klimmen naar de top van de ijsberg

Is niet mijn sterkste kant.

Ik keek van boven naar beneden

En zag tinnen soldaten bloed vergieten

Voor een emmer vloeibaar goud.

Of voor een emmer stront.

Dat maakte niet uit.

Het kwam op winnen aan.

En een naam in de annalen gegrift.”

Ik zei ‘ja’, al heel vroeg.

Maar ik zei vooral ‘nee’.

‘Laat me met rust.

Laat me niet met rust.’

“Van beneden naar boven keek ik

En ik zag laarzen, modieuze schoenen

Me schoppen waar het pijn deed.

Vrienden beten in het stof:

Ze kozen de zachte dood.

Alles liever dan door jullie

Uitgehongerd, uitgelachen, uitgerangeerd

Te worden.

Met woorden uit het leven uitgesloten

Te worden.

Alsof ze geen geestdriftige mensen waren

Met hun ogen glinsterend van de plannen.”

Ik zei ‘ja’, al heel vroeg.

Maar ik zei vooral ‘nee’.

‘Laat me met rust.

Laat me niet met rust.’

“Ik had een schorre stem.

Ik sprak niet.

Ik zei ‘I don’t care anymore’.

Je weet maar nooit

Wie je vijanden zijn.

Maar als je naar beneden gaat,

Naar de vallei,

Dan weet je het al snel,

Wie je vrienden zijn.

Als je honger lijdt

En iemand geeft je brood

En wijn en woorden.

Ook al heb je een schorre stem

Geeft toch een vrouw je liefde.

En haar kus

Is de proef op de som.”

Ik zei ‘ja’, al heel vroeg.

Maar ik zei vooral ‘nee’.

‘Laat me met rust.

Laat me niet met rust.’

“Mijn hart vanavond is gevuld met wrok.

Maar niet voor lang.

Morgen dans ik weer, een derwisj,

Morgen dans ik in de armen van sjamaan.

Morgen omhelst me mijn geliefde.

Morgen geef ik je kussen.

De kleuren en de geuren van de wereld.

Morgen ben ik er voor jou.

En voor jou.

Come rain or come shine.

Ik val voor je neer, met onbedekt hoofd

Als voor de bliksem.

Ik ben je geliefde, je bruidegom in de avond.

Je hebt vele namen, maar blijft onbekend

Als een god die nog niet is ontsluierd

Een bloem die moet ontluiken

In heel veel toekomst.
Ik ben je donker dier.

Je mededogen ben ik en jij dat van mij.

Ik ben je tijger.

Ik ben je lekkere kip.

Maar smaak ik ook goed?

Mijn hart vanavond is gevuld met wrok.”

Ik zei ‘ja’, al heel vroeg.

Maar ik zei vooral ‘nee’.

‘Laat me met rust.

Laat me niet met rust.’

“Laten we nu dansen schat,

Naar de zijkant van de wereld.

Laten we dansen voor de doden

En voor degenen die nog leven

Met een vonk in hun ogen.

Eerlijke leugenaars, valse vrienden,

Bedriegers die talloos veel

kwalen helen.
Laten we nu dansen schat,

En de nacht, de dag vergeten –

Alsof zij even niet bestaan.

Evenmin als de klootzakken

Die je hart, je zenuwen verzuren.

Laten we nu dansen en bidden

Voor wat nog rest

Van het vuur in ons, het vonkje.”

 

10-07-09

WAT BETEKENT HET OM HEDEN REVOLUTIONAIR TE ZIJN? SLAVOJ ZIZEK


Slavoj Žižek - What does it mean to be a revolutionary today?



Even de tijd voor nemen.
"A false clock ticks out my time.' 

15-06-09

DE DREMPELVREES VAN SOCRATES


SOCRATES_RAFAELLO

Socrates werd vaak uitgenodigd bij rijke en intelligente heren. Maar altijd weer bleef hij op de drempel aarzelen. Nooit ging hij meteen binnen, wat nochtans van hem werd verwacht. Hij bleef even praten met een buurvrouw, met een bakker, met een stel ontevreden slaven… Dat duurde tot een dienstbode of slaaf van de heer des huizes, waar Socrates werd verwacht, hem over de drempel trok. Echt trekken was het natuurlijk niet, maar er was toch enige overredingskracht voor nodig om de filosoof naar binnen te loodsen.

Afbeelding: Socrates door Raffaello Sanzio.
Bron: Magazine Littéraire, juni 2009.

22-05-09

HET THEATER IN DE TWINTIGSTE EEUW


brecht

Ik lees een bijzonder boeiend werk van Alain Badiou over de twintigste eeuw. Hij stelt onder meer dat de vorige eeuw die “van het toneel als kunst” is. “De twintigste eeuw heeft het begrip regie uitgevonden. Hij verandert het denken over de voorstelling zelf in kunst. Copeau, Stanislavski, Meyerhold, Craig, Appia, Jouvet, Brecht, vervolgens Vilar, Vitez, Wilson en vele anderen hebben dat wat slechts de opbouw van de voorstelling was in kunst veranderd. Zij hebben een type kunstenaar doen verschijnen op wie noch de kunst van de schrijver noch die van de vertolker van toepassing is, maar die in het denken en in de ruimte een bemiddeling tussen beide tot stand brengt. Een regisseur is een denker over de voostelling als zodanig, hij steunt een zeer complexe bemiddeling over de verhoudingen tussen de tekst, het spel, de ruimte en het publiek.”

Zelf denk ik nog aan belangrijke theatermakers als Peter Brook, Christoph Marthaler, en Heiner Müller en dichter bij ons Jan Decorte, Anne Teresa De Keersmaeker, Lucas Van Der Vorst, Sam Bogaerts, Guy Cassiers, en vele anderen. In hun werk bevestigen zij de stelling van Alain Badiou. Welk belang het toneel in de 21ste eeuw zal hebben is voor mij nog niet duidelijk maar het is zeker interessant om hier in de nabije toekomst stil bij te staan.

Overigens is de twintigste eeuw, zoals iedereen weet, niet alleen de eeuw van het toneel maar vooral van de oorlog. Ook daarover vertelt Badiou in zijn boek interessante dingen. Onder meer over de slechte en de goede oorlog. De goede oorlog zou dan een eind moeten maken aan alle slechte oorlogen en het rijk van de vrede stichten. Dat is uiteraard een illusie gebleken.

 

15-04-09

SPELEN IN VIRTUELE RUIMTES


glissements-progressifs-du_plaisir 2

Sommige lezers van mijn weblog, evenals vrienden en kennissen die ik in het ‘gewone’ leven ontmoet stellen me vragen over mijn ‘zwerftochten’ op Facebook. Ze lijken zich zorgen te maken over mijn geestelijke gezondheid (of mijn gezond verstand, maar dat heb ik gelukkig nooit gehad). Dat begrijp ik niet goed. Ik ben nooit een zogeheten ‘nerd’ geweest. Ik heb bij wijze van spreken talloze interesses: liefde, eros, literatuur, kunst, muziek, film, theater, etcetera. Miljoenen zijn gek op voetbal, tennis, wielrennen, racen en weet ik veel wat nog allemaal. Waarom ook niet? Dat zijn gewoonweg mijn zaken niet (behalve dat racen de lucht vervuilt en veel lawaai maakt). Hoewel een aantal personen lijkt te denken dat het een uitvinding van de duivel is, vind ik wat ik op Facebook doe een fijne en prettige tijdsbesteding. Misschien is er helemaal niets mis met duivel. Hij danst alleszins rock ‘n’ roll, zoals je op ‘Goat’s Head Soup’ van The Rolling Stones kunt horen.

Vanmorgen in de metro las ik toevallig een interessante ‘verdediging’ van het spelen in virtuele ruimten:

“Playing in virtual spaces enables individuals to discover new aspects of ‘self’, a wealth of shifting identities, and thus to experience the ideological mechanism of the production of self, the immanent violence and arbitrariness of this production/construction.”

Slavoj Zizek, Interrogating the real, p. 99.

A wealth of shifting identities, inderdaad. Ik kan het zelf niet beter en juister uitdrukken.

Afbeelding: Glissements progressifs du plaisir, Alain Robbe-Grillet.