03-12-12

AURORA - EEN VERGETEN RUIMTE?

aurora.jpg
Onze kinderen in Ruimte Aurora, Antwerpen 1980.
Foto: Martin Pulaski.

Ik vind het nog altijd vreemd en onterecht dat je via google of andere zoekmachines zo weinig aan de weet komt over het in veel opzichten baanbrekende tijdschrift Aurora, van de gelijknamige filosofische kring. Aan een min of meer objectief artikel daarover waag ik mij niet: het is allemaal te lang geleden en ik ben maar een viertal jaar lid geweest van de redactie. Aurora zag het daglicht in 1976 aan de VUB, toen die universiteit nog geen eigen campus had, wat ik heerlijk vond. De stichter van het tijdschrift was de enigszins controversiële filosoof Leopold Flam, schrijver van talloze filosofische werken, die nog altijd zeer het lezen waard zijn. Stuwende kracht was de eigenzinnige schilder en schrijver Paul Rigaumont. Mijn vrienden en ik zijn Leopold Flam altijd als een mentor blijven beschouwen. 

Het secretariaat van ‘Aurora’ bevond zich niet in Brussel maar in Antwerpen. Spoedig werden in het pand aan de Lange Leemstraat allerlei boeiende activiteiten georganiseerd. Voor mij was dat een aansporing om na het behalen van mijn filosofiediploma en enkele mislukte experimenten met door Antonin Artaud geïnspireerd theater – in ons appartement in Sint-Joost-Ten-Node en in ‘Doorndal’ – naar mijn geboortestad terug te keren. In Ruimte Aurora werd werk tentoongesteld van toen nog onbekende kunstenaars (onder meer Ria Pacquée*, Guillaume Bijl, Guy Rombouts), er werden lezingen gehouden over poëzie, literatuur en uiteraard filosofie; er werden poëzienamiddagen georganiseerd, soms werd er zelfs gedanst.
Wat evenmin zou mogen vergeten worden zijn de talloze gesprekken, vaak een dialoog van kunst en filosofie. Naast het driemaandelijks tijdschrift publiceerde Aurora werk van Leopold Flam, Annie Reniers, Eldert Willems, Eric Min en anderen.


In het tijdschrift verschenen essays, beschouwingen, gedichten, experimentele teksten van bekende en minder bekende auteurs. Ik heb een sterk vermoeden dat er tussen decenniaoud kaf nog heel veel koren aan te treffen valt. Het is de hoogste tijd dat dit werk wordt ontsloten. Het is tevens de hoogste tijd dat Aurora als unieke experimentele ruimte de aandacht krijgt die ze verdient in de cultuurgeschiedenis van dat deel van België dat zich Vlaanderen noemt en zo begaan is met zijn cultureel erfgoed.


*”Na zelf enkele performances te hebben geïnitieerd, solo of in groep, stelt ze in 1977 samen met Guillaume Bijl tentoon in de Filosofische Kring Aurora in Antwerpen. Pacquée presenteert er assemblages met goedkope spulletjes die ze in een supermarkt had gestolen.” Koen Brams, Dirk Püttau, in: De Witte Raaf.
~~~
Oorspronkelijk gepubliceerd op 24-11-2012. 

13-10-12

AAN DE RAND VAN EUROPA: CABO DE SÃO VICENTE

 

2012_09_ALGARVEpanasonic 062.JPG
"... angst voor de dood, die geen angst is om de wereld te moeten verlaten maar de angst om daar achter te blijven waar geen wereld meer is."
Roland Breeur, De tijd bestaat niet. Essays over domheid, vrijheid en emoties. 

03-10-12

MOGELIJKHEDEN WAAROVER MENSEN MOETEN KUNNEN BESCHIKKEN

 

modigliani.jpg

Amedeo Modigliano, Nu couché aux bras levés, 1916. (De emotionele hechting van de schilder aan zijn model.)

Ook al geloof ik niet in essenties, al niet meer sinds ik me op mijn dertiende afkeerde van het katholicisme, moet ik soms toch tot een bepaalde vorm van essenties, van geboden, richtlijnen, morele normen, terugkeren. Zoals Martha Nussbaum doet in haar diepgravend werk over de menselijke emoties, ‘Oplevingen van het denken’. Essentieel voor Martha Nussbaum is bij de mens het mededogen. In een hoofdstuk getiteld ‘Mededogen in het publieke domein’ somt zij de tien - voor haar - belangrijkste mogelijkheden op waarover mensen moeten beschikken. Ik wil er op dit ogenblik een daarvan nog eens onder de aandacht brengen, met name de mogelijkheid in verband met de emoties zelf (die lijkt mij, zeker in de context van haar boek, de meest pertinente):

 

“Mensen moeten de mogelijkheid hebben zich te hechten aan dingen en mensen buiten zichzelf, ze moeten mensen kunnen liefhebben die hen liefhebben en om hen geven en verdriet kunnen hebben als die er niet zijn; in het algemeen moeten mensen de mogelijkheid hebben liefde, verdriet, verlangen, dankbaarheid en gerechtvaardigde woede te ervaren. De emotionele ontwikkeling van mensen mag niet worden verijdeld door angst en vrees.”

Waarmee ik niet wil zeggen dat de negen andere belangrijke mogelijkheden die Nussbaum opsomt voor mij onbelangrijk zijn. Je kunt ze terugvinden op pagina 357 van haar boek, een werk dat iedereen die om zichzelf en om andere mensen geeft, en niet alleen om andere mensen, maar ook om dieren en planten, zou moeten lezen, ook al is het soms een harde noot om te kraken. Maar om bewust en weldoordacht het goede te kunnen doen moet je je soms al eens inspannen. 

26-05-12

MAAT VAN ALLE DINGEN

 

duanemichals 2.jpg
Foto: Duane Michals

 

Sommige mensen gaan stuk van sport.
Sommige van gul lachen.
Sommige van zwaarlijvigheid.
Sommige van myasthenia gravis.
Sommige mensen gaan stuk van motoren.
Sommige mensen van eenzaamheid.
Sommige van te lang alleen zijn.
Sommige van geruchten en rumoer.
Sommige van meditatie.
Sommige van de nabijheid van een idyllisch park.
Sommige van opgezette haaien.
Sommige mensen gaan stuk van het zien van een lelie.
Of van een andere bloem.
Sommige van zuchten.
Sommige van twijfel.
Sommige van te lang vliegen.
Sommige mensen gaan stuk van Paul Auster.
Sommige van ijverzucht.
Sommige van Tristan en Isolde.
Sommige mensen gaan stuk van verveling.
Sommige van teveel.
Sommige van te weinig.
Sommige van kogels.
Veel mensen gaan stuk van honger.
Veel meer van dorst.
Sommige mensen gaan stuk van bommen.
Sommige van misprijzen.
Sommige van haat.
Sommige van bezittingen.
Sommige van exotische vlinders.
Sommige mensen gaan stuk van liefde.

21-05-12

MIDNIGHT COWBOY

 

MIDNIGHT.jpg

Midnight Cowboy - John Schlesinger. Met Dustin Hoffman en Jon Voight.

Macadam, zo werd de Midnight Cowboy genoemd.
De jonge man die zich aan oudere vrouwen zou verkopen.
In de bruisende stad Brussel was dat zijn naam.
Midnight Cowboy, Macadam.

Leg jij dan maar het verband tussen nacht, asfalt en cowboys.
Of noem het beton.
Zo vaak je blik rust op dat materiaal.
Maar zie je het?
Weet je wat het is? 
Een laag beton over koude aarde.

Bijna niets voor jou.
Niets om over naar thuis te schrijven.
Tot je een ogenblik je blik scherp stelt.
Aan het denken slaat.

Wat een gedoe op die harde grond.
Voetsporen, speeksel, sperma, bloed.
Een hele beschaving is er gepasseerd.
Dagen, nachten stapten daar avonturiers.
Vagebonden van het alles en niets.
Moedeloos of overmoedig gingen ze over de lijn.
Want waar een grens als alles glanst?

Nee, op lijnen kon je niet rekenen.
Grenzen brachten je niet nader.
Op water dan?
Op hitte?
Op vogelgezang?

Wat was er opeens zo raadselachtig aan steen?
Fabriekssteen.
Je wist het niet.
Er waren alleen magere woorden voor.
Zo moest je dan Indiaan worden, met je hoofd op de grond.
Zo kon je misschien nog een spoor horen.
Van Macadam, nacht, nuchtere cowboys.

14-05-12

GENEALOGIE VAN EEN MYSTERIE

familie klepkens.jpg
De familie Klepkens. Foto: Martin Pulaski, 20ste eeuw.

In ‘Winterlogboek’ van Paul Auster trof ik enkele zinnen aan die me vertrouwd in de oren klonken. “Want je weet niets over waar je vandaan komt, je hebt lang geleden besloten aan te nemen dat je een mengsel bent van alle rassen van het oostelijk halfrond, een deel Afrikaans, een deel Arabisch, een deel Chinees, een deel Indiaas, een deel Kaukasisch, de smeltkroes van vele vijandige naties in één enkel lichaam. Het is eerst en vooral een moreel standpunt, een manier om het rassenvraagstuk te elimineren, dat volgens jou een onzinvraagstuk is, een vraagstuk dat degene die het aanroert enkel te schande kan maken, en daarom heb je er bewust voor gekozen om iedereen te zijn, om iedereen in je jezelf te omarmen teneinde volledig en vrijelijk jezelf te zijn, omdat wie je bent een mysterie is en je geen enkele hoop koestert dat het ooit wordt opgelost.” 

Vertrouwd in de oren, ja. Want A. las me op mijn verzoek deze passus, en wat eraan voorafgaat, voor.  Waar kende ik dit van? Waar kwam dit vandaan? Van wat was dit een echo? Deze woorden leken wel mijn eigen intentieverklaring, lang geleden geformuleerd, nog altijd van kracht. Na een kwartier pijnigen van de hersenen had ik het gevonden (in mijn hoofd). Het was ongetwijfeld een fragment van de experimentele tekst ‘Stasis’, die ik in de winter van 1977-1978 schreef en wat later in het tijdschrift Aurora publiceerde. Wat is ‘Stasis’? Wat betekent die tekst? Als ik hem nu probeer te lezen denk ik, dat is ofwel waanzin ofwel genialiteit. En ik denk, waarom heb ik zoveel talent opgeofferd om alleen maar wat tegendraads te zijn, een narcistisch genot te beleven in het onderscheid – het verschillen van de anderen? De energie die me die ene tekst van een vijftiental bladzijden heeft gekost had kunnen volstaan voor een tiental Vlaamse bestsellers, denk ik dan. Misschien maar goed dat ik een narcist ben en een man zonder eigenschappen.

Ik heb ‘Stasis’ inderdaad niet alleen in mijn hoofd teruggevonden, maar ook in aflevering 9 (jaargang 3) van Aurora, verschenen in 1978. Lang heb ik niet moeten zoeken naar de schoenendoos waarin het tijdschrift zat opgeborgen. Een kwartier ongeveer, terwijl een troostende lentezon mijn kamer begon te verwarmen.

“Wie ben je? Wat ben je? Waar kom je vandaan? Welke taal spreek je? Wat komt van Attica? Wat is van flarden Romeinse tongval de echo? Wat van Attila en Bleda? Wat van de Visigoten? Wat van Egypte en het gouden Nubië? Wat blijft in jou resoneren van Philips ii, van Margaretha van Parma, van de hertog van Alva, van don Lodewijk van Zuniga van Requesens, landvoogd der Nederlanden, van don Juan van Oostenrijk, zoon van Barbara Blomberg, van Hieronymus Kegel, van Matthias van Oostenrijk, van keizer Rudolf ii, van Don Pedro Enriquez de Acevedo, graaf van Fuentes, van aartshertog Albrecht van Oostenrijk, echtgenoot van de Infante Isabella, die haar laatste jaren doorbracht in een klooster in Tervuren, een plek ongeveer tien kilometer verwijderd van waar je woont? Wie bent je? Wat ben je? Waar kom je vandaan?”

De in Aurora verschenen tekst is zonder interpunctie. Ik heb alle namen opgezocht in Wikipedia. Ze kloppen allemaal. In 2012 duurt opzoekingswerk dat in 1978 drie maanden duurde een half uur. Paul Auster schrijft nog altijd met de pen, en vervolgens op een oude, mechanische schrijfmachine. En net zoals ik is hij een mysterie dat nooit wordt opgelost. 

23-12-10

DE ALLERSLIMSTE MENS VAN DE WERELD

 

Anorak.gif

“The circumstances which surround different classes and individuals, and shape their characters, are daily becoming more assimilated. Formerly, different ranks, different neighbourhoods, different trades and professions, lived in what might be called different worlds; at present, to a degree in the same. Comparatively speaking, they now read the same things, listen to the same things, see the same things, go to the same places, have their hopes and fears directed to the same objects, have the same rights and liberties, and the same means of asserting them. Great as are the differences of position which remain, they are nothing to those which have ceased. And the assimilation is still proceeding.”

 

Dit schreef John Stuart Mill in 1859 in ‘On Liberty’. Zeer waarschijnlijk zou de filosoof zich doodschrikken als hij zich heden in om het even welke winkelstraat zou wagen, of even plaatsnemen voor de televisie, en geconfronteerd worden met bijvoorbeeld ‘De allerslimste mens van de wereld’, waarin hij Vlaanderens populairste politicus, de grote historicus Bart De Wever, de clown zou zien uithangen.  Nee, dat zou John Stuart Mill niet overleven. And the assimilation is Still proceeding.

29-11-09

HET ONVERWACHTE

heraclitus


Indien het onverwachte niet verwacht wordt zal men het niet ontdekken, omdat het dan niet na te speuren valt en ontoegankelijk blijft.

Heraclitus, Fragmenten, 27

15:30 Gepost in Filosofie | Permalink | Commentaren (6) | Tags: heraclitus |  Facebook

21-09-09

IK ZEI 'JA' AL HEEL VROEG

 

Ik zei ‘ja’, al heel vroeg.

Maar ik zei vooral ‘nee’.

‘Laat me met rust.

Laat me niet met rust'.

“Deze wereld is jullie makelij.

Niet die van mij.

Ik ben maar een passagier.

Een niemendal.

Een strijkijzer op een operatietafel.

Ik ben geen dit en geen dat.

Een aasgier ben ik niet.

Ik heb geen naam.

Met de ene rug het beest.

Wankel in de winkelstraten

Met jullie merkwinkels

Waar al het lelijke wordt verhandeld.

Al het lelijke van de wereld.

Al het overbodige.

Aan mij heb je een lastige klant.

Een armoedzaaier.

Zie me zaaien: zint het je niet?”

Ik zei ‘ja’, al heel vroeg.

Maar ik zei vooral ‘nee’.

‘Laat me met rust.

Laat me niet met rust'.

“Klimmen naar de top van de ijsberg

Is niet mijn sterkste kant.

Ik keek van boven naar beneden

En zag tinnen soldaten bloed vergieten

Voor een emmer vloeibaar goud.

Of voor een emmer stront.

Dat maakte niet uit.

Het kwam op winnen aan.

En een naam in de annalen gegrift.”

Ik zei ‘ja’, al heel vroeg.

Maar ik zei vooral ‘nee’.

‘Laat me met rust.

Laat me niet met rust.’

“Van beneden naar boven keek ik

En ik zag laarzen, modieuze schoenen

Me schoppen waar het pijn deed.

Vrienden beten in het stof:

Ze kozen de zachte dood.

Alles liever dan door jullie

Uitgehongerd, uitgelachen, uitgerangeerd

Te worden.

Met woorden uit het leven uitgesloten

Te worden.

Alsof ze geen geestdriftige mensen waren

Met hun ogen glinsterend van de plannen.”

Ik zei ‘ja’, al heel vroeg.

Maar ik zei vooral ‘nee’.

‘Laat me met rust.

Laat me niet met rust.’

“Ik had een schorre stem.

Ik sprak niet.

Ik zei ‘I don’t care anymore’.

Je weet maar nooit

Wie je vijanden zijn.

Maar als je naar beneden gaat,

Naar de vallei,

Dan weet je het al snel,

Wie je vrienden zijn.

Als je honger lijdt

En iemand geeft je brood

En wijn en woorden.

Ook al heb je een schorre stem

Geeft toch een vrouw je liefde.

En haar kus

Is de proef op de som.”

Ik zei ‘ja’, al heel vroeg.

Maar ik zei vooral ‘nee’.

‘Laat me met rust.

Laat me niet met rust.’

“Mijn hart vanavond is gevuld met wrok.

Maar niet voor lang.

Morgen dans ik weer, een derwisj,

Morgen dans ik in de armen van sjamaan.

Morgen omhelst me mijn geliefde.

Morgen geef ik je kussen.

De kleuren en de geuren van de wereld.

Morgen ben ik er voor jou.

En voor jou.

Come rain or come shine.

Ik val voor je neer, met onbedekt hoofd

Als voor de bliksem.

Ik ben je geliefde, je bruidegom in de avond.

Je hebt vele namen, maar blijft onbekend

Als een god die nog niet is ontsluierd

Een bloem die moet ontluiken

In heel veel toekomst.
Ik ben je donker dier.

Je mededogen ben ik en jij dat van mij.

Ik ben je tijger.

Ik ben je lekkere kip.

Maar smaak ik ook goed?

Mijn hart vanavond is gevuld met wrok.”

Ik zei ‘ja’, al heel vroeg.

Maar ik zei vooral ‘nee’.

‘Laat me met rust.

Laat me niet met rust.’

“Laten we nu dansen schat,

Naar de zijkant van de wereld.

Laten we dansen voor de doden

En voor degenen die nog leven

Met een vonk in hun ogen.

Eerlijke leugenaars, valse vrienden,

Bedriegers die talloos veel

kwalen helen.
Laten we nu dansen schat,

En de nacht, de dag vergeten –

Alsof zij even niet bestaan.

Evenmin als de klootzakken

Die je hart, je zenuwen verzuren.

Laten we nu dansen en bidden

Voor wat nog rest

Van het vuur in ons, het vonkje.”

 

10-07-09

WAT BETEKENT HET OM HEDEN REVOLUTIONAIR TE ZIJN? SLAVOJ ZIZEK


Slavoj Žižek - What does it mean to be a revolutionary today?



Even de tijd voor nemen.
"A false clock ticks out my time.' 

15-06-09

DE DREMPELVREES VAN SOCRATES


SOCRATES_RAFAELLO

Socrates werd vaak uitgenodigd bij rijke en intelligente heren. Maar altijd weer bleef hij op de drempel aarzelen. Nooit ging hij meteen binnen, wat nochtans van hem werd verwacht. Hij bleef even praten met een buurvrouw, met een bakker, met een stel ontevreden slaven… Dat duurde tot een dienstbode of slaaf van de heer des huizes, waar Socrates werd verwacht, hem over de drempel trok. Echt trekken was het natuurlijk niet, maar er was toch enige overredingskracht voor nodig om de filosoof naar binnen te loodsen.

Afbeelding: Socrates door Raffaello Sanzio.
Bron: Magazine Littéraire, juni 2009.

22-05-09

HET THEATER IN DE TWINTIGSTE EEUW


brecht

Ik lees een bijzonder boeiend werk van Alain Badiou over de twintigste eeuw. Hij stelt onder meer dat de vorige eeuw die “van het toneel als kunst” is. “De twintigste eeuw heeft het begrip regie uitgevonden. Hij verandert het denken over de voorstelling zelf in kunst. Copeau, Stanislavski, Meyerhold, Craig, Appia, Jouvet, Brecht, vervolgens Vilar, Vitez, Wilson en vele anderen hebben dat wat slechts de opbouw van de voorstelling was in kunst veranderd. Zij hebben een type kunstenaar doen verschijnen op wie noch de kunst van de schrijver noch die van de vertolker van toepassing is, maar die in het denken en in de ruimte een bemiddeling tussen beide tot stand brengt. Een regisseur is een denker over de voostelling als zodanig, hij steunt een zeer complexe bemiddeling over de verhoudingen tussen de tekst, het spel, de ruimte en het publiek.”

Zelf denk ik nog aan belangrijke theatermakers als Peter Brook, Christoph Marthaler, en Heiner Müller en dichter bij ons Jan Decorte, Anne Teresa De Keersmaeker, Lucas Van Der Vorst, Sam Bogaerts, Guy Cassiers, en vele anderen. In hun werk bevestigen zij de stelling van Alain Badiou. Welk belang het toneel in de 21ste eeuw zal hebben is voor mij nog niet duidelijk maar het is zeker interessant om hier in de nabije toekomst stil bij te staan.

Overigens is de twintigste eeuw, zoals iedereen weet, niet alleen de eeuw van het toneel maar vooral van de oorlog. Ook daarover vertelt Badiou in zijn boek interessante dingen. Onder meer over de slechte en de goede oorlog. De goede oorlog zou dan een eind moeten maken aan alle slechte oorlogen en het rijk van de vrede stichten. Dat is uiteraard een illusie gebleken.

 

15-04-09

SPELEN IN VIRTUELE RUIMTES


glissements-progressifs-du_plaisir 2

Sommige lezers van mijn weblog, evenals vrienden en kennissen die ik in het ‘gewone’ leven ontmoet stellen me vragen over mijn ‘zwerftochten’ op Facebook. Ze lijken zich zorgen te maken over mijn geestelijke gezondheid (of mijn gezond verstand, maar dat heb ik gelukkig nooit gehad). Dat begrijp ik niet goed. Ik ben nooit een zogeheten ‘nerd’ geweest. Ik heb bij wijze van spreken talloze interesses: liefde, eros, literatuur, kunst, muziek, film, theater, etcetera. Miljoenen zijn gek op voetbal, tennis, wielrennen, racen en weet ik veel wat nog allemaal. Waarom ook niet? Dat zijn gewoonweg mijn zaken niet (behalve dat racen de lucht vervuilt en veel lawaai maakt). Hoewel een aantal personen lijkt te denken dat het een uitvinding van de duivel is, vind ik wat ik op Facebook doe een fijne en prettige tijdsbesteding. Misschien is er helemaal niets mis met duivel. Hij danst alleszins rock ‘n’ roll, zoals je op ‘Goat’s Head Soup’ van The Rolling Stones kunt horen.

Vanmorgen in de metro las ik toevallig een interessante ‘verdediging’ van het spelen in virtuele ruimten:

“Playing in virtual spaces enables individuals to discover new aspects of ‘self’, a wealth of shifting identities, and thus to experience the ideological mechanism of the production of self, the immanent violence and arbitrariness of this production/construction.”

Slavoj Zizek, Interrogating the real, p. 99.

A wealth of shifting identities, inderdaad. Ik kan het zelf niet beter en juister uitdrukken.

Afbeelding: Glissements progressifs du plaisir, Alain Robbe-Grillet.

01-02-09

VERGEET NIETS, VERGEET NIEMAND


Je staat open in het veld van de taal en wacht tot iets groters, iets hogers, iets anders je aanspreekt. Er zijn dagen waarop je jezelf wilt verliezen in een niemendalletje, in een niets, in een leegte. Er zijn dagen waarop je weet dat het spel is gespeeld, dat er niets is, dat niets op je toekomt. Er zijn dagen waarop je niet eens meer huilt maar doodeenvoudig je nagels knipt. Alsof er niets aan de hand is.

Je staat onder een donkere hemel, met wolken van staal en uitgedoofde sterren, de maan een sikkel in de hand van een waanzinnige dronkaard. Je loopt over een duistere landweg, alleen, op weg naar de mogelijkheid van een feest. Je loopt naar een mogelijkheid. Je mond vol leugens op zoek naar een waarheid en bevestiging. Je loopt naar het licht, naar het water, naar een volmaakte verstrengeling met iets, iemand.

Het volmaakte is verstrengeld, vastgehecht aan de fossielen van het kwaad. De grond is met doornen bedekt, met grauwe krantenknipsels, met waardeloos geworden geld. De grond onder je voeten is vuil. Je raakt verstrikt in de braamstruiken van je geschiedenis. Je roeit echter je geschiedenis niet uit.

Net achter de horizon klinkt een mondharmonica, een fluitje, hinnikende paarden. Bliksem raakt een eenzame es. Zie je de engel op je schouder zitten? Hij fluistert je nieuwe woorden in. Ik ben een vrouw, zegt hij. Ik ben een engel. Niets heeft me gestuurd, niemand verwacht me. Jaag me nu niet meteen weg. Wacht, blinde jager, vergeet je warme jas niet, vergeet je verdriet niet, je vertrouwen, je trouw aan jezelf. Vergeet niets.

21-02-08

ZONDERLINGE COMBINATIES

cultuur,tegencultuur,academia,john cale,frank zappa,bob dylan,paul celan,friedrich holderlin,combinaties,beat generation,geld,verzoekingen,filosofie,leopold flam,mystiek,william blake,popcultuur,protest

Het is zondag in mijn hoofd als ik ‘dingen’ kan en mag combineren. De combinatie van John Cale / Friedrich Hölderlin, gisteren, lag niet voor de hand. Maar ‘Hanky Panky Nohow’ op de iPod zorgde voor een kortsluiting in mijn gedachtestroom met als resultaat de tekst ‘Jubel en waanzin’.

T
oen ik filosofie studeerde aan de VUB, in het begin van de jaren zeventig, legde ik ook al zulke verbanden in scripties. Professoren vroegen zich dan af wie bijvoorbeeld Ray Davies of Frank Zappa was. Professor Leopold Flam bleef Bob Dylan met Dylan Thomas verwarren. Misschien zeg je nu, hij is weer bezig zijn 'pioniersrol' te benadrukken - o ijdele Pulaski! - maar in die dagen werd nergens hoge cultuur met lage cultuur in verband gebracht, zeker niet aan universiteiten. Ik denk dat de begrippen hoge en lage cultuur nog niet waren uitgevonden. Is het trouwens niet schandalig dàt ze zijn uitgevonden? Lage cultuur, stel je voor. De tegencultuur van die tijd - en de mogelijke tegencultuur van nu - is op zijn minst even hoog als de gevestigde cultuur. Het is met culturen zoals William Blake het formuleert in verband met godsdiensten: "All religions are one". Geleerde heren – geleerde dames waren er nog niet veel – beschouwden tot nog niet zo lang geleden populaire muziek als iets laags, iets waar geen plaats voor was in Academia. Die geleerde heren hadden natuurlijk ‘Venus In Furs’ niet gehoord, of ‘Sad Eyed Lady Of the Lowlands’; ze hadden Jules Deelder niet horen voorlezen. Zelfs Allen Ginsberg, Jack Kerouac en William Burroughs werden niet als volwaardige dichters en schrijvers aanvaard. Als er al over gesproken werd. Op de lagere school hadden schoolmeesters mij al geleerd dat Picasso een knutselaar was, “dat kan een klein kind ook”.

Nu is alles anders, natuurlijk. Alles is cultuur, alles is het bestuderen waard, alles behoort tot het spektakel en alles is vermakelijk. Buiten de wet leven en toch eerlijk zijn, zoals Bob Dylan zong, dat gaat niet meer. Er is maar een globale wet en dat is die van het geld, en wie binnen die wet leeft is niet eerlijk. Buiten de wet sterf je zeer waarschijnlijk van honger of dorst. Elke cultuurvorm wordt opgevreten door de grote geldmachine, elk werkelijk opstandig individu wordt gebroken. Misschien – en dat hoop ik – zijn er desondanks nog tegenstemmen, zoals Hölderlin destijds, en later Paul Celan, die weerstand bieden. Maar ik ken ze niet. Waar houden ze zich op? Wat zijn hun drijfveren? Zullen ze nog in staat zijn het tij te keren? Of is het allemaal Hanky Panky?

In afwachting maak ik mystieke wandelingen naar de Delhaize en terug. Onderweg beschouw ik als iconen de reclamepanelen en overal om mij heen zijn verzoekingen. Maar als een echte heilige zeg ik ‘noli me tangere’ en loop verder, met mijn hoofd in wolken muziek. ’s Nachts vecht ik tegen monsters, die mijn ratio keer op keer weer loslaat uit hun cellen. ’s Morgens, van het vechten moe, sta ik mijn verlangen stapvoets af aan de wetten van de werkelijkheid. Medicijnen en koffie helpen mij om die wrede grens te overschrijden. Want een pionier ben ik al lang niet meer. Nee, ik ben mezelf niet, ik behoor anderen toe. Deze tijd die de mijne is, is de mijne niet werkelijk.

31-01-08

EEN UITGESTOTEN POMPOENSOEPETER

 

leopold flam,maatschappij,anti-maatschappij,griep,melancholie,uitgestoten,jeanne moreau,pompoensoep,eenzaamheid,slapen,wanhoop

Leopold Flam.

Het is vier uur. Ik heb van elf uur tot nu geslapen. Heel even ben ik opgestaan om pompoensoep te eten. Ik voel me niet beter dan vanochtend. Op mijn vorige tekst, die nochtans in zekere zin een hulpkreet is, komt geen enkele reactie. Misschien heb ik de ernst van mijn situatie verborgen achter die speelse toets in de vorm van een konijn? Ach, ik heb geen reactie nodig, ik zal er desnoods zelf een schrijven. Ik ben niet echt alleen, rondom mij bevinden zich duizenden stemmen, niet in het minst die van Leopold Flam. En ik hoor de tachtigjarige Jeanne Moreau nog zeggen hoezeer ze de eenzaamheid (solitude) koestert.

Ziehier Leopold Flams precieze verwoording van wat ik, al stamelend, keer op keer probeer te zeggen:

“De uitgestotene blijft uitgestoten. Indien hij zich hiervan bewust wordt, komt hij tot een zeer bepaalde houding, die belangrijk voor hem wordt wat zijn historiciteit betreft. Niemand kan een bepaalde historiciteit loochenen, maar de uitgestotene weet dat hij eigenlijk tot geen enkele kring behoort, dat hij op niemand beroep kan doen, want hij is een geweigerde, eerst zonder zijn toedoen misschien, maar in elk geval bewust. Hij is een onwelkome gast, die iedereen uit de weg gaat en waarmee geen fatsoenlijke of ernstige mens wenst zich te compromiteren. Aan dit punt dient vastgehouden te worden door de uitgestotene. Indien hij iets voortbrengt, weet hij dat het op voorhand afgekeurd en geweigerd zal worden. Waarom handelt of leeft hij dan? Wenst hij zich toch te doen goedkeuren en aanvaarden juist door hen die hem afgekeurd en geweigerd hebben of doet hij beroep op anderen, die hem wel zullen begrijpen? Die anderen moeten totaal en radicaal anders zijn dan zij die hem uitgestoten hebben. Ze zijn zelf uitgestotenen en geweigerden. Zo vormt zich een stille band van uitgestoten, vervloekte, geweigerde enkelingen, met de wanhoop in het hart, er ontwikkelt zich een antimaatschappij in de maatschappij - geen misdadigers, want zij behoren tot de maatschappij.

De antimaatschappij is de negatie van de maatschappij, ze veronderstelt dus haar bestaan, zoals het lichaam door het bewustzijn verondersteld wordt. De uitgestotene ontdekt op die wijze zijn buitentijdse betekenis en hoe diep ook zijn leed moge wezen, het zet zich om in brandende activiteit, in leven en in werkelijkheid, het buiten-tijdse geschiedt in de tijd.”

Uit: Leopold Flam, ‘Zelfvervreemding en Zelfzijn’, Wereldbibliotheek, Amsterdam-Antwerpen, 1966.

10-01-08

SPEL, FILOSOFIE EN AVONTUUR

woorden,terminologie,managers,drank,afscheid,denken,hitchcock,taalfilosofie,filosofie,sartre,zizek,camus,kindertijd,dromen,utopie,heidegger,opstand,spel,psychoanalyse,film,deconstructie,westerns,literatuur,verbeelding,tijd,maatschappij,revolte,revolutie,nieuw,communisme,sixties,lacan,duvel


Dit is een moeilijk begin. Kleed ik het in of spreek ik rechtuit en zeg ik heel hedendaags ‘what the fuck’? What the fuck! Mijn Zizek-gekte is voorbij. Via de modieuze ‘filosoof’ raakte ik bijna weer in de ban van Jacques Lacan, een ‘denker’ waar ik meer dan een decennium geleden al afscheid van had genomen. Zizeks charme was zijn liefde voor film, een liefde die ik met hem deel. In zijn ‘filosofische’ traktaten heeft hij het vaak over Hitchcock en, nog vaker misschien, over westerns als ‘3.10 To Yuma’, ‘Shane’, ‘High Noon’, stuk voor stuk meesterwerken van de klassieke film (die helaas niet iedereen kent). Zo weet hij filmliefhebbers – en dat zijn er dan toch wel weer meer dan je denkt - te verleiden, te vangen in zijn spinnenweb van ‘leugens’ en ‘mooie praatjes’ (van ‘analyse’ en ‘deconstructie’).
Ik geloof niet langer in die beminnelijke man met zijn baard. In andere tijden zouden we hem een hansworst noemen, maar nu blijven we beleefd en zeggen niets, met uitzondering van die baard. Voor de rest: rien. Alleen nog dit: als je je enkele van ‘zijn’ Lacaniaanse termen toe-eigent kun je de moeilijkste discours construeren om de ‘mooiste’ kunstwerken te deconstrueren en al dan niet te analyseren.

Eigenlijk geldt het vorige net zo goed voor Heidegger, met het verschil dat de Duitse filosoof beter schrijft en het niet de hele tijd over de popcultuur en film heeft. Heidegger keert terug naar de oorsprong of probeert dat te doen en begint van daaruit te denken. Filosofie is vaak een kwestie van een terminologie leren hanteren: de hegeliaanse, die van Kierkegaard, die van Heidegger, die van de Frankfurter Schule, etcetera, net zoals je het managerstaaltje kunt aanleren, om je ontoereikendheid, om je domheid als mens die in het leven zou moeten staan te maskeren; alleen gaat het in de filosofie over iets, met name over het al dan niet bestaan van god, metafysica, over de vraag of alles niet tot taalspelletjes kan worden herleid.

Op dit ogenblik, een moment in de voortschrijdende tijd, ben ik van mening – niets nieuws onder de zon – dat je alleen maar in jezelf én in de maatschappij kan leven. Leopold Flam, een zeer belangrijke – en door mij gewaardeerde - ‘Vlaamse’ en ‘universele’ filosoof, noemde dat de dialectiek van ‘eenzaamheid  en gemeenschap’. Ik denk, zoals in de antipsychiatrie destijds werd beweerd, herinner je Ronald Laing en David Cooper, dat je de ‘absolute’ regels van de maatschappij waarin je leeft in jezelf moet zien terug te vinden en die regels die je niet zinnen, die niet overeenstemmen met wat je zelf denkt, vervolgens moet weten uit te bannen. Zodat je zuiver of onzuiver zoveel mogelijk en zeker nog meer jezelf wordt, tot je alleen een kern overhoudt, waaruit de wereld opnieuw kan ontstaan, alsof hij er nooit eerder is geweest. Je moet die nieuwe wereld zelf maken, vanuit je kern, die tot de oudste tijden teruggaat, en niet slechts tot ‘In het begin was het woord…’.
Op de middelbare school heb ik de woorden van Kloos van buiten moeten leren, ‘ik ben een God in het diepst van mijn gedachten’, maar dat vers gaat niet ver en niet diep genoeg; we zijn allemaal goden, als we die kern binnendringen, en van daaruit alles weer opnieuw nieuw maken, goden aan de binnen- en de buitenkant. Goden voor elkaar in een nieuwe Civitas Dei, een civitas zonder god. We zijn allemaal goden als we spelen, luieren, onzin vertellen, zogenaamd oppervlakkig zijn, uitsluitend met onze huid leven, op de tast, als we rondzwerven zonder doel voor ogen. Als we terugkeren naar onze oorsprong en van daaruit vertrekken. Al dan niet met de oortjes van een iPod in de oren.

Zijn we niet gelukkig als we taalspelletjes, kinderspelletjes spelen? En houdt de tijd dan niet op zoals in sommige dromen waaruit we niet graag ontwaken omdat de tijd dan opnieuw begint?
Waarom dan geen taalspelletjes, kinderen spelen toch altijd ernstig? Daar weer naartoe keren, die 'onschuldige' taalspelletjes die we speelden om de taal te ontdekken, te doorgronden. De grond van de taal die we ons eigen maakten. Hoe oud waren we? Een jaar, twee jaar, maar ook later, op de lagere school, tijdens de speeltijd, en nog later, op de middelbare school, altijd gingen we door met het spel. Het spel was, is wat ons leven boeiend maakte, avontuurlijk, anders. Het spel dat we speelden had regels die voortdurend veranderden. Als ik eraan terugdenk, herinner ik me dat ik aan die taalspelletjes zoveel plezier beleefde. ’s Nachts keerden ze terug in onze dromen, en we speelden ze met onze geliefden, later met onze kinderen. Naar die bron kunnen we terugkeren en alles opnieuw maken. Een werk van de verbeelding. Daar komt het op neer denk ik. Veel geduld oefenen in de maatschappij waarin je leeft, in het dagelijks leven, en daarnaast dat andere werk, dat een andere maatschappij voorbereidt. Het lijken nog steeds de idealen van de jaren zestig, die uit het surrealisme en communisme voortvloeiden, maar ze hebben zich ‘aangepast’ aan de nieuwe tijd.

Literatuur speelt in mijn leven – in eenzaamheid, niet in gemeenschap - wellicht de belangrijkste rol, meer nog dan muziek en film. Het geschreven woord van gisteren, nu en morgen. Ik merk daarbij op dat ik alleen literair begaafde filosofen de moeite waard  vind om te lezen. Dat is geen filosofische houding, maar het zij zo. Als je niet behoorlijk kunt schrijven kun je evenmin interessante gedachten formuleren.  Nietzsche, Schopenhauer, Kierkegaard - eventueel nog Freud. Heidegger misschien. Foucault en Roland Barthes. Er zijn er nog wel wat. Wie, bijvoorbeeld, heel goed kon schrijven was Albert Camus, maar dat was niet echt een filosoof, veeleer een denkende literator. Sartre was dé filosoof in de cafés in het toenmalige Parijs, hij schreef veel af van Heidegger en Husserl, maar hij kon het in het Frans soms heel goed verwoorden – het is geweten dat de Fransen meestal alleen hun eigen taal begrijpen - en daar keken de anderen naar op, naar die schele kerel die nog lang een aanhanger van Stalin was geweest, toen al lang bekend was wat de rode dictator voor vreselijks en onmenselijks had aangericht. Het zal natuurlijk heel moeilijk zijn geweest om het ideaal van het communisme op te geven. Dat begrijp ik goed. Daarom heb ik Sartre altijd wel wat bewonderd. Het was een echte vent, ook al keek hij scheel, maar waarom zou hij niet?  De man hield van vrouwen, amfetamine en whisky. Scheel is beautiful en ik ben Jack Kerouac, just for a  day. Schatje, krijg ik nu nog een Duvel?

04-10-07

HET GEHEUGEN, HET ZELF EN DE TIJD

tijd,geheugen,gevecht,herinnering,mijmering,geschiedenis,balans,onderzoek,wereld,proust,wonen,handelingen,schrijven,vergetelheid,politiek

Foto: Martin Pulaski, 2007.

Is de tijd gekomen om een balans op te maken van mijn leven? Het zou niet de eerste keer zijn. Een kritisch ‘onderzoek’ dat licht moet werpen op het nu. Wat doe ik, waarom doe ik het? Wat zijn mijn beweegredenen? Verwerpen wat dient te worden verworpen. Het is een gevecht met mezelf, een afrekening ook, bijna zoals je met een vijand afrekent. Waar en wanneer heb ik mezelf iets voorgelogen? Welke conclusies, welke handelingen waren verkeerd? Het is een moeilijke opdracht, maar wellicht noodzakelijk. 
 

Is er in mijn wereld nog plaats voor idolen? Valse idolen moeten van hun voetstuk vallen – en welke idolen zijn echt?


Op dit ogenblik heb ik de indruk dat ik me tot dusver voornamelijk met bijkomstigheden heb beziggehouden, dat ik dus eigenlijk veel van de mij toegemeten tijd heb verspild. Dan is het echt wel nodig om vanaf nu voor de tijd die me nog rest in de richting van de ‘essentialia’ te gaan.


Waarom zit ik hier, in dit appartement, in deze kamer, die ik zoveel als mogelijk heb ingericht naar mijn eigen smaak? Wat heeft die smaak te betekenen? Ben ik dat, druk ik mezelf daar in uit, of is het een toegeving aan dwingende factoren waar ik geen vat op heb? Want heel vaak lijkt die smaak verkeerd, heel vaak heb ik de indruk dat ik in de verkeerde kamer zit, dat bijvoorbeeld al die boeken weg zouden moeten, dat een quasi lege ruimte veel meer aan mijn ‘karakter’ zou beantwoorden.


Heeft het weinige wat ik nu doe – en het is echt minimalistisch – enig belang in het geheel van mijn bestaan en in het grotere geheel waar mijn bestaan een - slechts bij wijze van spreken - microscopisch deeltje van vormt: de wereld, de geschiedenis, het universum? In zekere zin is deze vraag tevens een antwoord. Maar zo’n uitspraak zegt weinig.


Een gevecht met mezelf is een gevecht met mijn verleden, met mijn geschiedenis. De vragen zijn wapens die kunnen verwonden, doden zelfs. In hoeverre ben ik het zelf die ze stel, en komen ze niet als vreemde voorwerpen in mijn hoofd terecht, opgedoken uit het duistere, onbekende? Voel ik nu een behoefte aan controle? Het vragen zelf is problematisch, de manier waarop een vraag wordt geformuleerd is altijd op zijn minst gedeeltelijk bepaald door vormen uit het verleden.


Er is niets dat niet is aangetast door de tijd. Er bestaat geen vacuüm waarin voorwerpen en gedachten onaangeroerd bewaard blijven. Er is geen positie van waaruit we gevoelloos en objectief kunnen terugkijken op wat was, op wat we hebben verricht of nagelaten. Het geheugen zelf faalt, omdat het net zo goed aan de tijd is onderworpen. Zijn zuivere en juiste herinneringen mogelijk? Als ik me niet vergis dacht Proust van wel. Misschien is het hoogmoedig van mij om Prousts hypothese te betwijfelen, maar zo is het nu eenmaal. Ik geloof er niet in. Wij vervormen alles. Van A maken wij A kwadraat en B geven we  – misschien onterecht – een negatieve waarde.


Gelukkig, zeggen we meer dan eens, is er de vergetelheid. Zelfs essentiële gebeurtenissen uit ons leven, vooral uit de kinderjaren, kunnen we vergeten – soms voor altijd, ook een lange psychoanalyse weet ze niet weer op te rakelen. Zo’n falen werpt een schaduw op elke ‘verhelderende’ herinnering, op elke analytisch-onderzoekende, kritische terugblik. Er is zelden helderheid, ook al kauwt de halve wereld op het woord ‘verlichting’. Iemand heeft het licht uitgedaan, er schijnen alleen nog wat waakvlammetjes te branden. We kunnen wel geregeld de aangename indruk krijgen dat we onszelf wat beter kennen – we zijn oud genoeg om het nu wel te weten – maar zeker kunnen we daar nooit van zijn.


Wij leven in een politieke en culturele wereld waar het geheugenverlies toeneemt. Wijst dat niet op verval en ontbinding?


Als ik aan een gevecht denk, denk ik meteen ook aan een reis. Het afrekenen waarover ik het hierboven had gebeurt tijdens een reis door de tijd. Ik reken af met mijn vijand, de vijand in mij, en tegelijk reken ik af met stukken tijd, met ‘het verleden’, waarvan ik niet weet of het wel het juist herinnerde verleden is. Ik heb dan wel oude, vermolmde normen en waarden verworpen, maar wat ik overhoud is onzekerheid en chaos. Daar moet ik het mee doen, daar moet ik mijn toekomst op bouwen. Een moeilijk begin voor een tweede of derde adem. Maar als het moet spreek ik mezelf wel tegen.

12-07-07

VRIENDSCHAP EN TEGENSPRAAK


poe 1

Hoe vertaal je opposition in de volgende uitspraak van William Blake: ‘Opposition is true Friendship?” Is het tegenstand, tegenstelling, oppositie, tegenspraak? Of zijn de vier vertalingen geldig? Ik denk het, omdat ze alle vier van toepassing zijn op ware vriendschap. Mensen die over alles hetzelfde denken kunnen moeilijk vrienden zijn. Wat zouden ze van elkaar leren? Wat zouden ze elkaar vertellen? Een vriendschap heeft verhalen nodig. Het verhaal is het ‘andere’, datgene wat de vriendschap spannend houdt. Het verhaal is de cement die de vrienden bijeen houdt. Vrienden kennen elkaars verhalen niet. Geleidelijk aan leren ze ze kennen. Is die ontdekkingsreis niet de kern van elke vriendschap. In ‘The Marriage Of Heaven and Hell’ schreef William Blake ook dit nog: ‘This Angel, who is now become a Devil, is my particular friend; we often read the Bible together in its infernal or diabolical sense, which the world shall have if they behave well’.

Nu ik dit gelezen en geschreven heb twijfel ik toch weer. Want hoe zit het dan met de vrienden die elkaars spiegelbeeld of dubbelganger zijn? En met de diepzinnige uitspraak van Aristoteles (en van Pythagoras), veel later overgenomen door Borges, dat een vriend een ander zelf is? De vriend als dubbelganger. Maar ogenschijnlijk staat daar dan weer de lange traditie van rampzalige ontmoetingen met dubbelgangers tegenover, traditie die het best tot uitdrukking komt in ‘William Wilson’ van Edgar Allan Poe. In het verhaal van Poe is de dubbelganger het geweten van de held. Als hij de dubbelganger doodt, sterft hij zelf. En zo kom ik toch terug bij het begin uit, want wie zijn dubbelganger doodt is er ongetwijfeld in oppositie mee.

21-06-07

EEN INWONER VAN EEN LAND HEEFT MINSTENS NEGEN KARAKTERS

tijd,droom,robert musil,karakter,muze,graz,oostenrijk,verloren,labyrint

Terwijl ik zat te wachten op de muze, bold and beautiful, en ze mij al een zin had aangereikt, met name de zin: "De zin van het leven is het leven zelf", en zij, de muze, meteen weer was vertrokken, zodat ik opnieuw op haar zat te wachten… Ik begin opnieuw. Terwijl ik zat te wachten op de muze bladerde ik wat in Musils ‘De man zonder eigenschappen’ en stootte op deze stof tot nadenken :

“Een inwoner van een land heeft minstens negen karakters, een beroeps-, een nationaal, een staats-, een klasse-, een geografisch, een geslachts-, een bewust, een onbewust en misschien ook nog wel een privékarakter; hij verenigt deze in zich, maar ze lossen hem op en eigenlijk is hij niets anders dan een kleine, door die vele straaltjes uitgespoelde poel, waar ze in binnensijpelen een waar ze weer uit stromen, om samen met andere beekjes weer een andere poel te vullen. Daarom heeft elke wereldbewoner ook nog een tiende karakter, en dat is niets anders dan de passieve fantasie van de ongevulde ruimten; het staat de mens alles toe, behalve dat ene: serieus te nemen wat zijn op z’n minst negen andere karakters doen en wat er met ze gebeurt; dus met andere woorden, juist niet dat wat haar eigenlijk zou moeten vullen. Deze, zal men moeten toegeven, moeilijk te omschrijven ruimte is in Italië anders van kleur en vorm dan in Engeland, omdat alles wat ertegen afsteekt een andere kleur en vorm heeft, en toch is het zowel hier als daar dezelfde, gewoon een lege, onzichtbare ruimte, waarin de werkelijkheid erbij staat als een door de fantasie in de steek gelaten stadje van bouwdoossteentjes.”

Overigens droomde ik afgelopen nacht dat ik verloren was gelopen in de straten en in een ondergronds labyrint van de stad Graz in Oostenrijk. Ik heb zo’n vermoeden dat ik een groot deel van de nacht in Oostenrijk heb doorgebracht.