08-10-15

DE WEERBARSTIGE SCHOONHEID VAN LES RENDEZ-VOUS D’ANNA

rendezvous-anna5.jpg

Gisteravond, twee dagen na het overlijden van Chantal Akerman, “uit het leven gestapt”, zag ik na vele jaren opnieuw ‘Les rendez-vous d’Anna’, met Aurore Clément in de titelrol. Anna is het alter ego van Chantal Akerman. In de film is iedereen ongelukkig, de zwijgzame maar alles observerende en aanvoelende Anna misschien nog het meest van allemaal. De film is adembenemend mooi, op elk gebied: fotografie, acteursprestaties, licht, locaties, dialogen en monologen, geluid. Hoewel ‘Les rendez-vous d’Anna’ al in 1978 uitkwam, Chantal Akerman was toen 28, is er niets verouderd of gedateerd aan. De locaties zijn veranderd, maar dat heeft geen belang. Of toch wel: het maakt de droefheid die van de beelden uitgaat nog intenser. Wie heeft beslist om het schitterende gebouw dat het Brusselse Zuidstation was zo te verminken? Ik was vergeten hoe mooi het was. De lokettenzaal, de prachtige art-deco cafetaria… En de sfeervolle cafés als je buitenkwam… Allemaal weg. Nu staan er aan beide zijden van het station niets dan 21ste-eeuwse misbaksels. Wat verderop lijkt het alsof er een burgeroorlog heeft gewoed. Verwoesting, braakland wachtend op wild ondernemerschap, ontwikkelaars die er vluchtige bunkers neer zullen zetten, zeer tijdelijke ruimtes voor financiële transacties, het verkopen van niets aan niemand. “De bouw van bedrijfsruimten en winkels neemt de komende jaren fors toe.”

Er gaat veel droefheid uit van de film, zeker, maar de beelden bieden ook troost, omdat ze zo mooi zijn. Waarom zijn ze zo mooi? Wat maakt ze zo mooi? Dat valt moeilijk uit te leggen. Je kunt het alleen maar zo verwoorden: kijk zelf een keer, twee keer, drie keer. De beelden spreken hun eigen taal, die traag is, aandachtig, goed gearticuleerd, zonder opsmuk. Onder de beelden zit niets, een station is een station, een telefooncel een telefooncel, een hotelkamer een hotelkamer. Onder de beelden zit niets, zoals er onder de pullover en de rok van Aurore Clément ook niets zit. Ze draagt geen ondergoed, dat is nergens voor nodig in een vluchtig bestaan, onderweg van de ene kamer naar de andere, nergens thuis. Een man zou zeggen: waar ik mijn hoed leg ben ik thuis. Maar die man is natuurlijk ook nergens thuis.

Chantal Akermans beelden zijn essenties. In de werkelijkheid zien een station  en een hotelkamer er net zo uit als in ‘Les rendez-vous d’ Anna’, maar toch anders, aangetast door de dagen, geschonden door voetstappen en blikken, door huid, zweet, urine, sperma. In de film zijn die sporen net zo goed aanwezig, maar je hoeft ze niet te zien, je kunt je bijvoorbeeld concentreren op de ogen van Aurore Clément, hoe ze wegkijkt van iemand, of hoe ze iemand aankijkt, met tristesse, geconcentreerd, geïnteresseerd, wegdromend, nooit met afschuw of boosheid. Aan haar ogen zie je dat Anna alles hoort, ook als ze lijkt te dagdromen. Anna luistert. Ze neemt de waarheid waar. Dat is wat Chantal Akerman zelf ook doet: de waarheid waarnemen en die in beelden omzetten, beelden van een sublieme, weerbarstige schoonheid. Zo weerbarstig dat je er twee uur lang geen seconde naast kunt kijken.
rendezvous-anna7.jpg

 

24-08-15

LEVE WOODSTOCK

joan baez woodstock-1970-03-g.jpg


Als twintigjarige keek ik neer op het hele gedoe dat Woodstock heet. Of ik er al in 1969 over gelezen of gehoord had, kan ik me niet herinneren: ik had geen televisie, geen radio en las geen kranten. Wel is de maanlanding me bijgebleven: ik zag er beelden van door het raam van een of ander huis of appartement ergens aan de Belgische kust toen ik daar een wandeling maakte. Omdat the Byrds er een mooie kleine song over maakten, ‘Armstrong, Aldrin and Collins’, herinner ik mij het evenement des te beter. Ook weet ik nog hoe de moorden van de Manson Family me schokten, en enkele beelden van Altamont zijn me eveneens bijgebleven.

De film Woodstock zag ik in 1970 in de Variétés, een mooie bioscoop met groot scherm, nu verloederd of afgebroken, zoals bijna alle waardevolle gebouwen in Brussel. Ondanks de technische hoogstandjes en de geweldige sound maakte hij niet veel indruk op me. Hoewel ik langharig en werkschuw was herkende ik me niet in de bezoekers van het festival, een kudde hippies, vond ik, die the Woodstock Nation werd genoemd, alsof elke festivalganger deel uitmaakte van een stralende nieuwe wereld, terwijl ze er toch alleen maar stoned bijliepen, ‘no more rain’ scandeerden en pret maakten in de modder. Joni Mitchell, die zelf niet in Woodstock optrad, benadrukte het utopische aspect in haar lied over het festival:

By the time we got to Woodstock
We were half a million strong
And everywhere there was song and celebration
And I dreamed I saw the bombers
Riding shotgun in the sky
And they were turning into butterflies
Above our nation

In weerwil van mijn afkeer, al is dat een te sterk woord, van wat ik in de bioscoop zag, was ik in die dagen toch ook zeer hoopvol gestemd en geloofde ik in de utopie die Joni bezong, al hoorde ik de versie van Crosby, Stills, Nash & Young toen liever. Ik denk dat ik nogal gespleten was: een idealistische dromer maar tegelijk tegen het spektakel en het kuddegedrag van de andere dromende jongeren. Woodstock zei me niets, maar ik las met vuur in mijn hart de berichtgeving in Rolling Stone en andere undergroundbladen over communes, ecologie, vrije liefde en zo meer.

Woodstock 1969-2.jpg

Doorheen de jaren veranderde er niet erg veel aan mijn kijk op het fenomeen Woodstock. Een te gek feest in de modder, met weliswaar geweldige muziek. Maar… things have changed. De voorbije maanden luister ik veel naar pop, rock en soul uit de sixties in de overtuiging dat de kwaliteit van die muziekgenres nooit werd of zal worden geëvenaard. Ik heb mijn best gedaan om iets beters – of ten minste even goed – te vinden, maar tevergeefs. Punk, New Wave, Paisley Underground, Grunge, R&B, Indierock, noem maar op: ik heb het allemaal op de voet gevolgd, en vaak was ik enthousiast, maar nooit was iets even opwindend als ‘I’m Down’ van the Beatles, ‘Paint It Black’ van the Rolling Stones of ‘I Want You’ van Bob Dylan. Ik zou hier honderden songs kunnen noemen, maar deze drie voorbeelden volstaan.

Een week geleden nam ik Woodstock op. Ik neem wel vaker films op die ik nooit bekijk. Enkele dagen geleden zag ik op Canvas terloops enkele fragmenten van Pukkelpop. Welke bands of zangers of zangeressen het precies waren weet ik niet: daar was mijn walging te groot voor. Ik werd er werkelijk misselijk van. Ik besefte, wellicht niet voor de eerste keer, dat een evenement als Pukkelpop in alles het tegenovergestelde is van de festivals in de jaren zestig. In de eerste plaats door de ondermaatse muziek, wat essentieel is, maar zeker ook omdat de droom ontbreekt, ook al is die naïef. Alles wat ik zag was fake. Maar omdat ik een verdediger ben van de populaire cultuur twijfelde ik meteen. Was het geen vooroordeel? Werd ik misschien toch oud?

Ter vergelijking bekeek ik vervolgens een flink deel van Woodstock. Glorieus, vond ik nu. Een wonder. Richie Heavens*, die ik nooit echt heb gemogen, was pure passie: Freedom, freedom, freedom. Canned Heat, met de beer Bob Hite en Blind Owl Alan Wilson, con brio geslaagde studenten van de blues, ingehouden intensiteit, bezetenheid, de ziel vastgeklonken aan iets hogers; en dan Joan Baez, waar ik evenmin een bewonderaar van was, die helemaal alleen met haar gitaar voor een half miljoen muisstille luisteraars, haar stem puur als de sneeuw van toen (niet van nu), het opzwepende vakbondslied ‘Joe Hill’ ten gehore gaf, vervolgens, nu alleen nog haar kristalheldere stem, zelfs geen gitaar meer, de oude negro spiritual ‘Swing Low, Sweet Chariot’. En wat te denken van Joe Cockers ‘With A Little Help From My Friends’? Vertel het me maar, ik heb er geen woorden voor, net zomin als voor de molenwiekende rockarbeider Pete Townshend tijdens de uitvoering van ‘Summertime Blues’. In 1970 hadden de blote borst van Roger Daltrey, de jurk van Richie Havens, het schijnbaar stuntelige gedrum van Adolfo de la Parra en het kapsel van Joan Baez me gestoord; nu zag ik in dat dat uiterlijke details waren, het echte grandioze zat hem in de muziek, in elk detail, in elke noot, maar ook in elk dromerig gezicht van elke festivalganger. Niet een van hen leek op een andere, ze waren stuk voor stuk individuen, jongeren op zoek naar een betere wereld in zichzelf en buiten zichzelf. Ik zag nu dat de jonge hippies de vlinders van Joni Mitchell waren – de bommenwerpers gingen door met bommen werpen.

Wij mogen ons gelukkig noemen. We zijn opgegroeid in vermoedelijk een van de mooiste en meest creatieve periodes in de recente geschiedenis. Lang leve Woodstock!

Woodstock 1969-1.jpg


...

*Jimi Hendrix, John Sebastian, Tim Hardin, Sly & the Family Stone, et cetera, heb ik nog niet herbekeken.

24-07-15

BLUE VELVET, OPNIEUW

BLUE VELVET 1.jpg

Gisteravond zag ik nog een keer ‘Blue Velvet’, de magistrale film van David Lynch. Na al die jaren – hij kwam uit in 1986 – is ‘Blue Velvet’ een andere film geworden. Films bestaan niet als ze niet worden bekeken. Geldt niet hetzelfde voor alle andere kunstvormen? Er wordt wel eens gezegd dat de tijd geen vat heeft op dit of dat werk – maar dat is niet zo. Weinig kunstwerken zijn niet gedateerd – ze zijn in grote mate bepaald door de tijd waarin ze werden gemaakt. De grootste kunstwerken echter zijn tijdloos, maar tegelijk moeten ze elke keer als ze worden bekeken of aangevoeld of op een andere manier waargenomen en ervaren terugkeren in de tijd. ‘Blue Velvet’ is zo’n paradoxaal tijdloos kunstwerk. Je kunt ‘Blue Velvet’ als toeschouwer niet heel precies situeren in een bepaalde periode, de jaren vijftig, zestig, zeventig of de tijd waarin hij werd gedraaid*. De plaats van handeling is een stadje in de Verenigde Staten, maar welk stadje? Ik heb er heel wat rondgereisd en ben gelukkig – of ongelukkig – nooit in zo’n ‘small town’ terechtgekomen. Lumberton lijkt een typisch Amerikaans slaapstadje, maar het bevindt zich nergens anders dan in Lynchland – en in het hoofd van de toeschouwer.
BLUE VELVET 3.jpg


‘Blue Velvet’ is een andere film geworden omdat je zelf een andere mens bent geworden. Je fascinatie voor de personages, die destijds mogelijk enige perverse trekjes had, is in mededogen veranderd. In mededogen voor vrouwen als Dorothy Vallens, in met afgrijzen gemengd begrip voor mannen als Frank Booth. Was Frank Booth in 1986 een waanzinnige sadist, van wiens geweld je in stilte genoot, dan is hij nu veel meer een clown, de ‘candy-colored clown’ uit ‘In Dreams’, de geniale song van Roy Orbison. Dat lied is niet alleen het muzikaal hoogtepunt van ‘Blue Velvet’, het is ook een commentaar op de film. Het verhaal is niet realistisch of surrealistisch maar het is een droom. Of noem het een mysterie. Zodra je het oor wordt binnengezogen beland je in het avontuur van Jeffrey Beaumont. Een jongeman met een goed hart en goede bedoelingen, die niet alleen de donkere zijde in de andere leert kennen maar ook die in hemzelf. Een mooie en wat dromerige, maar bijzonder nieuwsgierige jongen die de strijd aangaat met het Kwaad en daar als een geschonden maar toch gelouterde man weer uit tevoorschijn komt. Daarna mag je het oor weer uit en heel de nare geschiedenis vergeten in een zee van romantiek en kitscherige kleuren.

‘Blue Velvet’ is niet alleen een superieure film-noir in kleuren, niet alleen een geniale psychologische horrorfilm, niet alleen een ijzingwekkende en zenuwslopende thriller – het is een van de grootste films die in de Verenigde Staten ooit werden gemaakt. Dat hij Roy Orbison – een zanger op wie door de coole jongeren in die dagen met misprijzen werd neergekeken - opnieuw onder de aandacht bracht is mooi meegenomen. Zelfs al wilde Roy aanvankelijk niets te maken hebben met wat hij - samen met vele anderen - als de geperverteerde wereld van Lynch beschouwde. Terwijl het werk van Lynch, dat - toegegeven - bijna alle denkbare boosaardigheid toont waartoe de mens in staat is, toch in teken staat van het goede. Want David Lynch is een moralist, maar wel dan wel een moralist buiten categorie.
BLUE VELVET 2.jpg

*(De tijd waarin hij werd gedraaid: misschien vind je hier en daar enige sporen van Ronald Reagan en New Wave).

30-05-15

RUE DAGUERRE

IMG_2296.JPG

Ik was al eerder in rue Daguerre geweest, wellicht op zoek naar sporen van Agnès Varda, maar de straat had toen weinig indruk op me gemaakt. Mogelijk had ik er maar een stukje van gezien, van de kant van Avenue du Maine, in de dagen dat ik nog in hotel Istria in rue Campagne Première logeerde, aan de overzijde van het kerkhof van Montparnasse. Istria biedt weinig comfort of gezelligheid maar wel mythe en legende: Francis Picabia, Marcel Duchamp, Man Ray, Kiki de Montparnasse, Erik Satie, Rainer Maria Rilke, Tristan Tzara en Louis Aragon logeerden er ooit.

Onlangs verbleef ik, eerder toevallig, een week in een hotel in rue Daguerre. Meestal kan ik me in een grote stad goed oriënteren, maar niet als ik uit de metro boven de grond kom. Deze keer echter liep ik, samen met mijn vrouw, bijna blindelings van het station Denfert-Rochereau naar mijn tijdelijke verblijfplaats. Wat zag rue Daguerre er volkomen anders uit op die zondagmiddag! Overal op de terrasjes – ik verafschuw dat verkleinwoord, maar in dit geval kan het niet anders - zaten opgewekte mensen dicht bij elkaar te eten en te drinken. De kleine winkels waren open. De geuren en kleuren van de uitgestalde etenswaren deden me watertanden. Aardbeien, kersen, groene en witte asperges, artisjokken, huisgemaakte pasta’s in alle denkbare vormen, konijnen, eenden, parelhoenen, kwartels, worstjes, tientallen kazen uit alle hoeken van Frankrijk, verse en bereide vis, waaronder zeeduivel met sinaasappel bereid, en in de drankwinkels honderden wijnen, champagnes en likeuren.

In de war geraakt van het zien en ruiken van al die lekkernijen stapte ik het verkeerde hotel binnen. Er zijn twee hotels die Daguerre heten, maar niet op hetzelfde adres. Het duurde even voor de man aan de balie besefte dat we een eind verder in de straat, bijna op de hoek van Avenue du Maine, hadden geboekt.
Eens op het juiste adres, in de juiste kamer, op de vijfde verdieping, met een fraai uitzicht op de straat en de zinken daken aan de overkant en gelukkig niet op de afschuwelijke Tour Montparnasse, aten we boterhammen met kaas, meegebracht van thuis. Mijn financiële situatie is duidelijk niet aangepast aan het leven in Parijs.
IMG_2305.JPG

In rue Daguerre woont (of woonde) Agnès Varda. Op nummer 88 bevindt zich Ciné-Tamaris, waar je dvd’s en wat merchandise wordt genoemd van de regisseuse en van haar te jong gestorven echtgenoot Jacques Demy kunt aanschaffen. Demy is het genie uit Nantes, beroemd geworden met de unieke films ‘Lola’, ‘Les Parapluies de Cherbourg’, ‘Les Demoiselles de Rochefort’ en  ‘Peau d'Âne’. Zijn levensgezellin maakte over hem de film ‘Jacquot de Nantes’. Over haar straat en haar buren draaide ze in 1975 een documentaire, ‘Daguerrotypes’. Ik heb Varda’s werk in de vroege jaren zeventig leren kennen; vooral haar ‘Cléo de 5 à 7’ (1961) en zeker ook ‘Le Bonheur’ (1965) maakten grote indruk. Maar ook de documentaires die ze tien jaar later in de Verenigde Staten filmde, zoals ‘Lions Love’ (met Viva in een hoofdrol) en ‘Black Panthers’, waren boeiend.

Door vlakbij de woning van Agnès Varda te logeren ben ik meer over haar te weten gekomen. Dat ze in Elsene geboren werd, dat ze net als haar man een tweeling is, dat ze een van de weinige aanwezigen was op de begrafenis van Jim Morrison, en dat ze de Franstalige dialogen schreef voor een van mijn uitverkoren films, ‘Last Tango In Paris’ van Bernardo Bertolucci. Overigens ben ik vanwege die film op een ochtend naar de metrostations Bir-Hakeim en Dupleix gereden. Ik hoopte onder het viaduct boven Boulevard de Grenelle iets van de eenzaamheid en wanhoop van Paul, het personage van Marlon Brando, te kunnen voelen maar tot mijn spijt was het er net bijzonder druk vanwege een markt. Of maakte dat gekrioel van die menigte in de verte me net écht eenzaam en wanhopig? Melancholisch werd ik er zeker van. Even weinig als rue Daguerre nog lijkt op de beelden uit 1975 in ‘Daguerrotypes’ lijkt het metrostation Bir-Hakeim op de locatie in ‘Last Tango’: het behoort toe aan de vluchtige wereld van de toeristen die zich naar de Eiffeltoren spoeden. Als je niet voorzichtig bent word je er van de trappen geduwd en vertrappeld.
IMG_2724.JPG

Rue Daguerre is inderdaad veranderd, maar het blijft, zoals ik hierboven al aangaf, een prettige straat. Een keer werd ik onaangenaam verrast. Een winkelier maakte zich buiten alle proporties boos op me omdat ik een foto wilde maken van een grote vette eend, die er erg lekker uitzag maar toch ook mijn medelijden opwekte, met haar witte vel met kleine rode stipjes op. De man kon zijn razernij nauwelijks onderdrukken, ook niet toen omstaanders, mensen uit de buurt, hem tot kalmte probeerden aan te sporen. Laat die man toch rustig een foto maken, zeiden ze. Ik maakte me in stilte uit de voeten, me pas te laat realiserend dat de straat genoemd werd naar Louis Daguerre, een van de uitvinders van de fotografie. Zijn naam staat op de Eiffeltoren gegrift. Dat zal met die van mij nooit gebeuren, zeker niet als ik geen foto’s van dode eenden mag maken.

...

Foto's: Martin Pulaski, Parijs, 17-24 mei 2015

12-05-15

DRIE KLEUREN: ROOD

LEmpire-des-sens.jpg

LEMPIRE-DES-SENS-01.jpg

08.jpg

Rood van bloed. Rood van vuur. Rood van adem. Rood van de apocalyps. Rood van liefde en seks. Rood van vlees. Rood van steden. Rood van oorlog. Rood van passie. Verzengend rood.  Afschuwelijk rood. Magnifiek rood. Rood van de hemel. Rood van de bergen. Rood van de mijnen.

Onontgonnen rood. Jouw rood. Mijn rood.  Onbegonnen rood. Morgenrood. Avondrood.
...

Het woord rood, een leeg omhulsel, een nietszeggend beeld, een eindeloze metafoor. Het rood van ‘Rode Psalm’, van ‘La Chinoise’, van ‘Trois couleurs: rouge’, van ‘Het rijk der zinnen’, van ‘Le rouge et le noir’.
...

"La Chinoise is een film over rood als de kleur van het denken."
De fabel van de cinema, Jacques Rancière, 2001.

...

Beelden: Nagisa Oshima; Martin Pulaski.

13-04-15

AGNES MATZERATH

blechtrommel_szenenfoto_16_5_4_01_020_1024.jpg

Zuchtend sloeg Zwart de krant open, hierbij enige hinder ondervindend van de windvlagen. Op pagina 2 stond een foto van Françoise Villers afgedrukt, die hij met een onverklaarbaar gevoel van welbehagen aan een onderzoek onderwierp. Ze heeft behalve een mooie naam (Zwart las Villiers in plaats van Villers) ook nog een lief gezicht. Snoet is een afschuwelijk woord. Beledigend. Waarom dan? Ze heeft iets van een actrice. Bulle Ogier. De salamander. Nou. Ik zit vandaag wel met actrices in mijn hoofd. Stijl heeft ze vast, met die lange zwarte sjaal. Of zou het een andere kleur zijn? Niets is wat het lijkt. Bevallige hals en arm. Zwart bladerde door tot hij de Filmagenda vond. Niet één film die de moeite loonde. Of toch wel één, maar die had hij al een keer gezien.

Zodra de lichten waren gedoofd werd hij weer ondergedompeld in het afschuwelijke. Angst kneep hem de keel toe, zijn hart sloeg op hol. Hij vreesde dat hij zou verstikken. Zo onopvallend mogelijk slikte hij een valium. Elke beweging leek gevaarlijk; je zo stil mogelijk houden was de boodschap. Daar hij evenwel wist dat hij aan de duisternis zou wennen, werd hij al gauw rustiger en ging regelmatiger ademhalen. De filmische ruimte had ook een aandeel in deze herwonnen rust: het licht dat van het witte doek afstraalde werkte op hem in als een hypnoticum. Alleen zijn vochtige handpalmen rukten hem af en toe weg uit die zweverige toestand en stopten hem dan telkens gedurende enkele seconden weer in zijn sterfelijke, van angst verstarde, lichaam.

De naam Angela Winkler verbergt en onthult, ook voor wie de actrice niet kent, een bijna tastbare schoonheid. Voor Zwart was de film ‘De blikken trommel’ vooral het verhaal van Agnes Matzerath. Haar zachte, felle zinnelijkheid overrompelde hem. Hij betreurde het dat zij al halverwege het verhaal sterven moest. Maar dat was haar noodlot. De dood stond in al haar gebaren geschreven.

Hoe zou ik evenveel kracht kunnen leggen in mijn woorden als in deze kleuren? Dood proza. Onnodig te zoeken naar een equivalent voor dat zo erotische bloedwarme rood, voor het bruin van verdorde velden, puinen. Voor de kinderlijke alwetende ogen van Oskar Matzerath. Voor de stemmen van Bebra en Roswitha Raguna. Hier schiet elke vergelijking, elke metafoor tekort. Onnodig, inderdaad. De kritiek van Menno ter Braak op de tachtigers zou ik nooit mogen vergeten. Geen schilderijen, geen films maken met woorden.

Toen hij uit de bioscoop kwam trof hem het verblindende licht en de zachte, lichtzoete geur die in de straat hing. Tijdens de begrafenis van Agnes Matzerath was de zon door de wolken gebroken en onmiddellijk daarna was de wind gaan liggen. Mannen droegen hun regenjas onder de arm; sommigen floten een wijsje. Vrouwen, die net zo gewichtloos leken als in reclameclips, zweefden over de brede trottoirs. Nog half versuft keek Zwart om zich heen, hopend in een van de voorbijgangsters de vitale en melancholische trekken van Agnes Matzerath te ontdekken. Een ontroostbare jonge vrouw die rondzwierf in deze stad, op zoek naar hem.

AGNESMATZERATH.jpg

Fragment uit de onafgewerkte roman ‘De weg naar het centrum’ (1987-1990). Gedeeltelijk gepubliceerd in het tijdschrift Letters, 6de jaargang, nr. 4, december 1990.

14-12-14

DE BETOVERING VAN BOEKEN

viva 6.jpg

Elke stad bevat meerdere steden, sommige zichtbaar, sommige onzichtbaar. Gisteren trof ik in Brussel zo’n onzichtbare, ondergrondse stad aan. Ik had altijd al wel een vermoeden gehad dat ze bestond, maar nu weet ik het zeker.
Om vijf over tien kwam ik in het Hotel van Cleve in de Ravensteinstraat aan, goed op tijd dacht ik voor de boekenverkoop van het Filmmuseum (officieel Cinematek, een naam waar ik me nooit mee zal verzoenen), een van de fijnste instellingen van dit land. Enigszins verbaasd stelde ik vast dat er al vrij veel boekenliefhebbers in de grote ruimte aanwezig waren. In haast volstrekte stilte, alsof ze een eredienst  bijwoonden, stonden ze over tientalen dozen vol schitterende boeken over voornamelijk film gebogen. Ik zag dat sommigen al flinke stapels torsten. Het kleine publiek hier riep herinneringen op aan de tijd toen ik filosofie studeerde, evenals aan de periode dat ik ongeveer vijf avonden per week in het Filmmuseum doorbracht. Ernstige, gepassioneerde mensen, vervuld van een hartstocht voor schoonheid, voor wat ik alleen maar ‘het geestelijke’ kan noemen. Ieder voor zich maar toch verenigd in dezelfde passie.

Wat een prachtige boeken voor zo weinig geld. Het stemt wel tot nadenken dat ze nog maar zo weinig waard zijn; in Hotel van Cleve gemiddeld drie euro. Nieuw hebben ze stuk voor stuk een tienvoud gekost. Sommige zijn collector’s items. Maar ze moeten dan wel een collector vinden die erin geïnteresseerd is.

Hier een lijst van de trofeeën waarmee ik naar huis ben teruggekeerd. Gelukkig was ik niet alleen of ik had de helft van wat ik had geselecteerd achter moeten laten.

pierre_clementi_theredlist3.jpg

John Ford, door Joseph McBride en Michael Wilmington, in de mooie Cinema Two-reeks van Secker & Warburg.
Faulkner and Film, door Bruce F. Kawin. Over de interactie tussen film en literatuur, met aandacht voor de verfilmingen van Faulkners romans en de originele scenario’s van de schrijver.
Abel Gance, door Norman King, British Film Institute Books. Over een van mijn favoriete regisseurs, met veel aandacht voor zijn meesterwerk ‘Napoléon’. In ‘Napoléon’ speelt Abel Gance de rol van Saint-Just, wat geen toeval is.
Fields For President, door W.C. Fields. Een pocketuitgave uit 1972, toen Fields opnieuw werd erkend als een van de grootste komieken ooit, “one of the original antiheroes so currently in vogue with today’s “let it all hang out” generation.”
Memoirs of a Mangy Lover, door Groucho Marx. “The craziest Don Juan in the history of seduction.”
Samuel Fuller, door Nicholas Graham, in de Cinema One-reeks in samenwerking met het British Film Institute. Graham onderzoekt de thema’s en methodes van de grote Amerikaanse filmregisseur.
Quelques messages personnels, door Pierre Clémenti. Pierre Clémenti was een van de antihelden van mijn generatie. Hij acteerde in films van onder meer Bertolucci, Pasolini en Buñuel. De mooie, lieve jongen zat twee jaar in een Romeinse gevangenis opgesloten vanwege bezit van een kleine hoeveelheid cocaïne, zeer waarschijnlijk door de politie zelf in zijn kamer verstopt. Zo ging de gevestigde orde in die dagen om met wat nu iconen worden genoemd, in het oog springende exponenten van de tegencultuur. Brian Jones, Julian Beck en Judith Malina zijn andere voorbeelden.
The Rolling Stone Inverviews, Vol 2, verschenen in 1973, toen Rolling Stone nog een links tijdschrift was, een van de invloedrijkste bladen van de tegencultuur. Interviews met o.m. Bob Dylan, Van Morrison, Johnny Otis en Leon Russell.
Child of Satan, Child of God – Her Own Story, door Susan Atkins en Bob Slosser. Dit heb ik gekocht om mijn honger naar de Manson Family te stillen. “When she met Charles Manson, she felt she had met the world’s savior.” Het ironische is dat Susan Atkins er duivelser uitziet nadat ze de Heer heeft gevonden dan toen ze discipel was van Manson.
Superstar, door Viva. Hier ben ik werkelijk heel blij mee. Ik zoek er al tientallen jaren naar. Ooit gelezen in een vreselijke Nederlandse vertaling.
“The scandalous bestseller by the Underground film idol.” “A smashing stag movie set between covers!”.
Lovesick Blues. The Life Of Hank Williams, door Paul Hemphill. Verschenen bij Viking in 2005.
The Life and Times of Little Richard, door Charles White.
De schrijver wordt Dr. Rock genoemd, niet alleen omdat hij geneesheer is. En Little Richard? “After hearing Little Richard on record I bought a saxophone and came into the music business. Little Richard was my inspiration.” Dat zegt David Bowie.
Don’t Tell Dad. A Memoir, door Peter Fonda. Ik ken betere acteurs en regisseurs dan Peter Fonda, maar hij komt uit een bijzonder interessante familie en hij was een van de jongens die de sixties een gezicht gaven. Dit is het boek waar ik het meest nieuwsgierig naar ben.
Elia Kazan. A Biography, door Richard Schickel, uitgegeven door HarperCollins in 2005. In weerwil van zijn verraderlijke hart ben ik een groot bewonderaar van zijn werk.
Hoe kan het anders, met films als ‘A Streetcar Named Desire’, ‘On the Waterfront’, ‘America America’, ‘Baby Doll’ en ‘The Arrangement’?
Adventures Of A Suburban Boy, door John Boorman. Boorman is de regisseur van onder meer ‘Point Blank’, ‘Hell In the Pacific’, ‘Deliverance’ en ‘Zardoz’. Paul Auster schrijft over dit boek het volgende: “Boorman proves himself to be a master storyteller in this beautifully and deeply affecting memoir.”

Om elf uur verliet ik de onzichtbare stad en keerde met twee papieren zakken vol  leven, lijden en dromen – maar ongetwijfeld ook inzichten en levenslessen - terug naar onze eenzame vertrekken. Nu hoop ik alleen maar dat de winter heel lang mag duren. Geen donkere, maar stralend lichte dagen, zodat de blik scherp is en de letters duidelijk afgetekend zijn op het soms al wat vergeelde papier.

the-hired-hand-peter-fonda.png

Afbeeldingen: Viva en Agnes Varda tijdens het draaien van 'Lion's Love'; Pierre Clementi; Peter Fonda in 'The Hired Hand'.

20-11-14

HISTORISCHE STAD, HISTORISCHE ONTMOETING 2

baudelaire-nadar_68.jpg

Voor Geerten Meijsing

Omdat ik tijdens het verblijf in Sicilië een luchtwegontsteking had, heb ik toen helemaal niets genoteerd, ook niet de dagen na de ontmoeting met Geerten Meijsing. Toch herinner ik me nog veel van die nacht, zij het niet chronologisch. Wat ik nu ga doen lijkt een beetje op het neerschrijven van een droom, kort na het ontwaken, maar ik heb wel eerst al koffie gedronken.

Ik ben geen beroemdheid, alsjeblieft. Ik ben ook schuchter. Als het weer het toelaat zit ik buiten. Waarschijnlijk kennen we elkaars innerlijk al te goed om nog een compromisloos gesprek te kunnen voeren, maar who cares. Nee, ik ga nooit meer uit, en drink eigenlijk ook geen alcohol meer.

De dag van de ontmoeting bleef ik in bed, hopend dat ik me nog voor zonsondergang beter zou voelen. Mijn vrouw vond dat ik de afspraak niet kon afzeggen, en uiteindelijk vond ik dat zelf ook. Suf van de halfslaap en vage, verontrustende dromen verliet ik het hotel. In de buurt van de Fontana Aretusa, “waarin dikke karpers zwermen en witte eenden tussen de papyrus zwemmen”, aten we wat vis met weer van die zo verfrissende Siciliaanse wijn. Wijn combineren met cortisone en antibiotica beveel ik niet aan, maar ik hervond wel wat van mijn krachten en kon me  met voldoende zelfvertrouwen naar de Piazza San Rocco begeven. Het was inmiddels bijna half negen.

Hoewel ik de schrijver nog maar een keer had gezien en hij met de rug naar me toe was gekeerd, herkende ik hem meteen. Hij zat aan een tafeltje buiten, met een glas whisky en rookte een sigaar. Alsof hij aanvoelde dat ik er was draaide hij zich naar me om en stond op. Na de eerste warme handdruk beseften we beiden dat er altijd al een diepe vriendschap was geweest tussen ons, ook al hadden we elkaar nooit ontmoet.

De dagen die voorafgaan aan een ontmoeting, zelfs met de beste vrienden, ben ik altijd erg gespannen. Ik heb er geen idee van wat er in zulke periodes in mijn hoofd gebeurt. Waarschijnlijk houdt het verband met de verlatingsangst waar ik sinds mijn achtste onder gebukt ga. Ondanks jaren van psychoanalyse en andere therapieën raak ik daar niet van verlost. Zodra we echter samen zijn valt die stress van me af: ik verander in iemand anders, in iemand die ik altijd zou willen maar niet kan zijn, enthousiast, empathisch en sociaal. Dat was nu niet anders. Ik voelde me meteen goed. Hoe beschrijf je dat? Alsof je wegzinkt in een zachte wereld, alsof niets je nog pijn kan doen of van streek kan brengen.

Geerten bestelde wat antipasti voor hem en voor mij een Nastro Azzurro. Aan whisky waagde ik me niet, de volgende dag zou ik vroeg naar Taormina vertrekken. We praatten wat over mijn reis, over het hotel waar ik logeerde, over Syracuse, over gewone dingen. Ik vertelde hem van de cortisone. Dan is het einde nabij, zei hij. Hij wilde me graag wat bloed zien ophoesten. Als ik je blog lees stel ik me voor dat het bij jou op het huis van Usher lijkt. Ziekte, pijn, bleke vrouwen, gitaarimpromptu’s. Hij reciteerde de openingszinnen van dat mooie verhaal van Edgar Allan Poe. De schrijver die mijn allereerste leermeester was. Ik had hem ontdekt in ‘Zoek het eens op’, een jeugdencyclopedie uit de vroege jaren zestig. Of al die verschrikkelijke dingen die hij in ‘Tussen mes en keel’ beschrijft werkelijk gebeurd waren? Het is allemaal waar, zei hij. De depressie, de zelfmoordpogingen, de opname, de antidepressiva. Nu zag Geerten er echter goed uit, wat opgewonden, maar vooral vrolijk. Wel wat gebogen lopend, net als ik. Hij had veel last van reuma. Normaal dronk hij niet, maar nu kon hij het niet laten. Hij treurde nog erg om Doeschka, van wie hij veel meer houdt dan hij in ‘Moord & Doodslag’ wil toegeven. Tussen de regels kun je dat wel lezen, natuurlijk. Ze was nog maar kort tevoren overleden, in januari 2012. Over zijn vader, zijn broers, het huis in Haarlem. De boeken in dozen in dat huis. Ik had graag voor jou en je vrouw gekookt, zei hij, maar dat lukte niet meer.

We praatten over boeken en schrijvers. Hou je echt van Paul Auster, vroeg hij, met wat teleurstelling in zijn stem. Ik heb al zijn boeken gelezen, zei ik. Mijn favorieten zijn ‘Moon Palace’ en ‘The Book Of Illusions’, heel filmisch. En al die popmuziek van jou? The Rolling Stones, die jongens zijn toch zielig nu? Ik ben bevriend met George Kooijmans van the Golden Earrings, zei hij. Fijne man. Ik vermoed dat Mazzy Star je wel zal liggen. Met een ontzettend zwoele zangeres, Hope Sandoval. Ze heeft de stem van een muze, een heroïnenimf. Dat zoek ik morgen op, zei hij. Soms kan ik zomaar verliefd worden op een meisje dat ik heel vluchtig zie. Ja, dat heb ik ook wel. Baudelaire heeft daar over geschreven, ‘A une passante’, geloof ik. En als je ze dan aanspreekt lachen ze je uit. Wat wil die oude man van me? We hebben bijna dezelfde leeftijd, Geerten is twee maanden jonger dan ik. Ben je al in Catania geweest? De vrouwen van Catania zijn de mooiste van de wereld. Ik was er al geweest, maar dat was me toen niet opgevallen. Een week later keerde ik er terug en wilde er heel graag blijven: de mooiste meisjes van de wereld, maar alleen ’s avonds, als de toeristen in bed lagen.

Als je één van mijn boeken herleest raad ik je Cecilia aan, daar ben ik het meest tevreden over. Ik wil al je boeken herlezen. Nee, niet doen, je zal teleurgesteld zijn. Ik vertelde hem uitgebreid over mijn ervaringen met ‘Erwin’, waar ik hier eerder al over heb geschreven.

Landschappen, daar kan ik zo van genieten. Het blauw van de zee is goed tegen depressie. Ik leid hier een eenzaam leven. Maar gelukkig komt mijn dochter nogal eens op bezoek. Weet je wat je moet lezen? James Salter, ‘All That Is’. En ‘Eight White Nights’ van André Aciman. Geweldig, heel sensueel. Ken je Pascal Quignard, vroeg hij. Nee, die kende ik net zomin als Aciman en Salter. (James Salter’s ‘All That Is’ heb ik inmiddels gelezen, een schitterende roman.) Pascal Quignard is vooral bekend van ‘Tous les matins du monde’, dat in 1991 door Alain Corneau verfilmd werd. En van ‘Villa Amalia’. Ach, al die prachtige Franse films. Ik werk aan een boek over actrices, vooral Franse. Dat vond ik interessant. Vooral omdat ik niet wist dat Geerten zo van film hield. Isabelle Adjani, zegt hij. Isabelle Huppert. En hoe heet ze ook alweer, die andere Franse actrice. Bulle Ogier, zeg ik. Precies, zegt hij, Bulle Ogier. Hoe kon je mijn gedachten lezen? Dat weet ik ook niet, zei ik. Het was alleszins een magisch moment én grappig.

Was het niet een teken van boven dat ik je wilde vertellen over Bulle Ogier, niet op de naam kon komen, jij wist die wel en wist mij vervolgens veel meer over haar te vertellen dan ik al wist. Nu ben ik bezig deze lacune in mijn kennis in te halen, en heb op YouTube al veel stukjes met de geweldig geile Bulle, die ook een groot actrice en een groot kunstenaar is, gezien, o.a. de gehele film La maîtresse, in het Russisch nagesproken, maar je kon het Frans er nog net doorheen ontwaren. Jezus, wat een film; die zouden ze nu niet meer ongeknipt in de bioscoop durven uitbrengen.
bulle ogier (3).jpg

Nog maar wat bier en whisky. Binnen mag je geen sigaren roken, Geerten. We gingen naar een andere bar. Alleen om daar naar een meisje te kijken. Het werd al gauw rustiger, bijna stil in de omgeving van Piazza San Rocco. Ondanks al de whisky’s werd mijn nieuwe vriend niet dronken, en ik werd almaar nuchterder van de pils. De minuten duurden lang, de uren kort. Ik vertelde hem over mijn kinderjaren op het schip. De vreselijke tijd in de kinderkolonie, het altijd afscheid moeten nemen en de verlatingsangst die daar het gevolg van is. Geerten luisterde aandachtig, mededogen in zijn blik. Hij die zelf zoveel pijn voelt, niet alleen de pijn van de melancholie maar ook die van de liefde en van het hart. En die film van Chabrol, hoe heet die toch ook al weer? Dat wist ik helaas niet. Achteraf bleek dat hij ‘Que la bête meure’ bedoelde.

Ik moet mijzelf hier in bescherming nemen tegen de nachtelijke verleidingen, want anders loopt het heel snel heel slecht met mij af. Dat zal sowieso wel het geval zijn, maar ik moet nog minimaal vier grote romans schrijven. Dat zal je zeker lukken, Geerten, je ziet er goed uit, en energiek. Ach, op onze leeftijd verliezen we zoveel mensen. We denken dat we jong blijven, maar als we dan in de spiegel kijken… Ja, zoals in ‘The Picture Of Dorian Gray’. Je denkt heel lang dat de meeste mensen ouder zijn dan jij, en dan opeens… Veel vrienden van vroeger zijn al weggerukt. Kees Snel, wat een tragische geschiedenis... (Kees Snel maakte deel uit van het schrijverscollectief Joyce & Co.) Nog één broer en één zus heb ik. Na Doeschka’s dood ben ik gestopt met whisky drinken. Nu ja, vanavond maak ik een uitzondering. Laat mij maar Baudelaire zijn, dan ben jij Edgar Allan Poe. Goed, zeg ik, dat betekent dan dat jij me in het Frans hebt vertaald.

Edgar_Allan_Poe_daguerreotype_crop.png

Mijn vrouw belde me, ze was ongerust. Zou ik wel uit bed kunnen voor de trein naar Taormina? Geerten stelde voor dat ik terugkeerde naar mijn hotel, maar ik wilde nog wat blijven, kon geen afscheid nemen. Nu we daar eenmaal waren, op die plaats waar ik zo zelden kom. Je mag ook Félicien Rops zijn, zei hij. We hadden het over de vrouwen en de verliefdheden in ons leven. Een verslaving die je te gronde kan richten. Maar die willen we toch niet opgeven? We willen toch verliefd kunnen worden, kunnen blijven, tot de laatste snik?

Op de terugweg naar het hotel, bijna vier uur was het, wankelde ik wat. Toch had ik alleen Italiaans bier gedronken. Ik zal met je meelopen, zei Geerten. Op straat,  die er helemaal verlaten bijlag, ondersteunde hij me, of dat probeerde hij. Maar hij wankelde al net zo als ik, zodat ik op mijn beurt hem moest ondersteunen. Aan de Duomo in nachtlicht en volstrekte stilte gehuld, op dat gracieus plein in Syracuse, hebben we afscheid genomen.

Vanmorgen was ik natuurlijk nog altijd ziek. Maar we zijn toch in Taormina geraakt, met veel medicatie en wilskracht. Ik heb al heimwee naar Syracusa. Taormina is ooit mooi geweest, maar de voorbije twintig, dertig jaar is het ten prooi gevallen aan massatoerisme. En er waait een frisse wind, maar het is niet koud. Heerlijke zon, en de Middellandse zee zo groenblauwachtig. Wat heb ik een prachtige ervaring, een onvergetelijke ontmoeting, achter de rug. We wilden de nacht niet laten eindigen, maar ja... Mijn leven is veranderd.

Ik voelde mij meteen zéér nauw aan je verwant, en had het idee dat ik je al mijn hele leven heb gekend. Wees voorzichtig met je gezondheid, zodat we elkaar in de toekomst nog vaker kunnen ontmoeten. Hope Sandoval zal ik bekijken.

Ik ben gisteravond, op jouw aanraden, opnieuw begonnen in 'Cecilia'. Zevenentwintig jaar geleden verschenen. Wat een fijnzinnig, ontroerend, met hart en ziel geschreven boek. En zo overvloeiend van voorgevoelens. Ik herken je in het boek, zoals je nu bent, niet helemaal, maar toch. En ik herken ook iets van mezelf. Je voelde kennelijk al heel goed aan hoe je dertig jaar later ongeveer zou denken en leven. Toch schrijf je dit: "Met deze boeken heb ik door de jaren heen een geestelijke barrière opgeworpen tussen mijzelf en de wereld die zo moeilijk te nemen is dat ik geen contacten meer met de ander kant onderhoud en slechts met spijt dit papieren universum kan verlaten." Zo zag ik jou helemaal niet: boeken, films, muziek, leken net verbindingen, koppelingen, bruggen tussen ons. Ik mag je natuurlijk niet vereenzelvigen met je personages.

Buiten is de regen opgehouden. De zon breekt door de novemberwolken, de donkerste. Blauwe lucht, een rusteloze merel voor mijn raam. Wees niet boos en niet bedroefd. Ik zet iTunes aan. ‘Blue Mountains’ van Sam Amidon. Tadadada Tadadada Tadadada Dadada.

 

felicienropsmaturiteit-c-1886.jpg

 

09-10-14

IS THERE A MURDER IN YOUR FILM?

01_inland_empire.jpg

Neighbor: Is there a murder in your film?

Nikki: Uh, no. It’s not part of the story.

Neighbor: No, I think you are wrong about that.

Nikki: No.

Neighbor: Brutal fucking murder!

 

[David Lynch, Inland Empire, 2006]

03inland_empire.jpg

05inland_empire.jpg



08-06-14

OVER 'ZERO DE CONDUITE'

Enkele foto's uit Jean Vigo's anarchistische en anti-autoritaire film uit 1933, 'Zéro de conduite'. Van Jean Vigo, die ik zeer bewonder, nog meer voor zijn sublieme 'L'atalante', heb ik de titel van mijn radioprogramma gekregen (of noem je zoiets diefstal?). Waarom deze titel? Wat is het verband tussen de film en mijn kleine avondmuziekjes? De ondertitel van de film zegt misschien al meer: 'jeunes diables au collège'... Voor mij is popmuziek of rock & roll - inclusief alle voorlopers en subgenres ervan - voor altijd verbonden met jeugd en opstandigheid. Een jukebox is bijna per definitie 'rebellious', zoals in het lied van Mark E. Smith en The Fall. Populaire muziek was voor mij de enige beschavingsvorm die me – af en toe – in staat stelde om te ontsnappen aan de verstikkende, ellendige sfeer van het internaatsleven. ‘See You In September’ heb ik nooit graag gehoord. 'See My Friends' van the Kinks vond en vind ik nog steeds een meesterwerk.

 Zero de Conduite.jpg

Zero de Conduite 3.jpg

Zero de Conduite 1.jpg

18-04-14

LE MÉPRIS

le mépris 1.png
‘Le mépris’ van Jean-Luc Godard, een van de mooist in beeld gebrachte films ooit. Italië, Cinécittà, Casa Malaparte (woning van Curzio Malaparte, schrijver van “Kaputt”), Capri, de Middellandse Zee van Homerus, van de Odyssee en de Helleense goden, Dante’s “Lo maggior  corno della fiamma antica…”, het dichterberoep van Friedrich Hölderlin. Nicht behält er es leicht allein. ‘Viaggio in Italia’ van Roberto Rosselini. Fritz Lang als zichzelf, monocle en al. De verachtelijke paljas-producent die Prokosch heet, in het echt Jack Palance, over wie Van Dyke Parks een Caraïbisch liedje zingt. Een puzzel waarin Brigitte Bardot op haar mooist is, en voor een keer geloofwaardig, en Michel Piccoli op zijn elegantst en zo vol melancholie en onbegrip. Alles in technicolor-licht badend, zoals BB in de azuren zee. Maar de afwezigheid van de goden, even dood als de verstarde wereld van het profijt, de afgunst, de vernedering en het misprijzen. O, terugkeren naar Ithaka, naar Penelope, naar Telemachus, daar onder de olijfbomen rusten. Maar niets van dat alles: het eindigt met een crash.

lemepris3.jpg

 

‘Le mépris’ uit 1963 is losweg gebaseerd op de roman ‘Il disprezzo’ van Alberto Moravia, in datzelfde jaar in het Nederlands verschenen als Zwart Beertje met als titel ‘Het spoor der herinnering’.

 le mépris 2.png

 

 

03-03-14

TERUGKEER NAAR MARIENBAD

Last year at Marienbad8 (2).jpg

Alain Resnais is dood. Gisteren wilde ik een in memoriam schrijven, maar toen herinnerde ik me dat ik al een tijd geleden besloten heb dat nooit meer te doen. Er wordt te veel gestorven, niet alleen door beroemdheden en grote kunstenaars als Resnais, maar door mensen, dieren en planten in het algemeen. Het idee dat het doel van het leven de dood is, dat is zo absurd en, wat mij betreft, onaanvaardbaar. Van Alain Resnais zou je kunnen zeggen: mooie leeftijd, zo oud wil ik ook wel worden. Maar dat is onzin, alleen al omdat leeftijd relatief is. En zeker ook omdat tijd relatief is. Je zou zelfs kunnen beweren dat tijd niet bestaat, tenzij als instrument om de natuur aan ons te onderwerpen. De natuur om ons heen en de natuur in ons.

alain-resnais.jpg


Slechts op Facebook schreef ik iets korts om mijn respect voor Alain Resnais, voor zijn films, uit te drukken. Dat doe ik nu wel vaker als iemand overleden is die me in een of ander opzicht dierbaar is of belangrijk voor me is geweest. Dit waren mijn woorden:  “Een van mijn uitverkoren films*. De tijd, de bedrieglijkheid van het geheugen. Vanwege het 'Marienbad' in de titel ben ik ooit helemaal naar Mariánské Lázně gelift, nog voor de val van de muur en de fluwelen revolutie. De film is daar echter helemaal niet gedraaid. En ik kwam veel te laat, alles was er vervallen, lelijk zelfs. Nu lees ik over die stad in 'Austerlitz' van Sebald. De tijd staat niet stil, alles hangt samen, Alain Resnais is dood.”

Wat later besefte ik dat mijn eigen geheugen me bedrogen had. Mijn reis naar Mariánské Lázně in de zomer van 1989 kwam me opeens weer helder voor de geest. Ik had helemaal niet gelift. Uitgeput van langdurig astma ten gevolge van een combinatie van overvloedig stof in een ministeriekantoor en aanhoudende hitte was ik in het gezelschap van mijn geliefde, onzeker of ik mijn bestemming wel levend zou bereiken, in Brussel op de nachttrein naar Neurenberg gestapt. Daar vertrok al vroeg in de ochtend een trein naar Marienbad. Ik herinner me die treinrit nog levendig, vooral de taferelen die zich voordeden bij de halte in de grensstad Cheb – niets prettigs. De aankomst in Mariánské Lázně was een teleurstelling, maar had ook iets vrolijks. Van het Marienbad uit de film van Resnais was niets te zien, maar de stad was wel op een heerlijke manier vervallen, iets wat me in die dagen erg beviel. We mochten voor een spotprijs overnachten in een immens herenhuis uit de negentiende eeuw, in een ruim maar muf en ook al stofferig vertrek. Toch was ik, je zou het bijna miraculeus kunnen noemen, toen ik de volgende ochtend uit bed stapte helemaal genezen.
Het ooit zo luxueuze kuuroord leek in 1989 nog sterk op de beschrijving die het personage Austerlitz in ‘Austerlitz’ van W.G. Sebald er van geeft, terwijl hij er toch al in augustus 1972 verbleef. Voor lezers die er meer over willen weten verwijs ik naar dit geweldige boek. Een beter beeld van de stad vind je nergens anders.

Wat heeft dit nu met de dood van Alain Resnais te maken? Gaat het alleen maar om de plaatsnaam? Toch niet. Er is ook het beleven van de tijd, het verleden dat heden wordt en het heden verleden, de tijd van het verval en het verval van de tijd. Er is de herinnering en hoe de herinnering je vaak bedriegt. Enigszins grappig en ook typisch is dat ik in 1989 de tijd die in de titel verstrijkt, heb genegeerd. Want het is toch vorig jaar in Marienbad, niet nu, in 1989? Mijn reis in de ruimte was dus zinloos, ik had in de tijd moeten reizen, naar vorig jaar in Marienbad.

resnaistoute-la-memoire-du-monde-1956-02-g.jpg

Gisteravond zag ik nog een keer ‘Hiroshima mon amour’, Resnais’ eerste speelfilm, in samenwerking met Marguerite Duras, de vrouw van de herhaling. Wat is dat bij haar een mooi stijlmiddel, en in dit geval ook bij Resnais. En zeker de herhaling van de plaatsnamen, Hiroshima, Nevers, Hiroshima, Nevers. En wat is dit meesterwerk van Resnais een verbluffende weerlegging van de lineaire tijd. Daarna zag ik nog een documentaire over de film en over wat eraan voorafging, onder meer de indrukwekkende documentaire ‘Nuit et brouillard’ (1955) over Auschwitz, en ‘Toute la mémoire du monde’ (1956) over de Bibliothèque nationale de France. Een uurtje of zo later las ik nog wat in ‘Austerlitz’ (het is een boek dat je best traag leest). Het hoofdpersonage woont nu in Parijs. Eigenlijk zou het me niet meer mogen verbazen want het overkomt me zo vaak, maar toch verbaasde het me: een van de eerste tekstgedeelten – paragrafen zijn er niet – die ik las betreft die bibliotheek en alsof dat nog niet volstaat vermeldt Austerlitz, of de auteur, W.G. Sebald, de documentaire van Alain Resnais, ‘Toute la mémoire du monde’ en geeft er een korte beschrijving van.


Midden in de nacht werd ik badend in het zweet wakker. Ik had gedroomd dat ik aan mijn geliefde vertelde hoe bang ik als kind was geweest voor de oorlog. En terwijl ik in mijn droom over die angst vertelde had hij zich, zoals hij in mijn kinderjaren werkelijk was, met dezelfde gruwelijke intensiteit, gemanifesteerd.

... 

 

*Ik had het over ‘L’année dernière à Marienbad’.

21-01-14

JEAN SEBERG: EEN AMERIKAANSE TRAGEDIE

jean-seberg-breathless4.jpg

 

Gisteravond zag ik een magnifieke documentaire over Jean Seberg, ‘Eternelle Jean Seberg’ van Anne Andreu. Hoewel ik haar levensverhaal ken was ik opnieuw verontwaardigd. Een geweldige actrice, een voorvechtster voor gelijke rechten, voor individuele en artistieke vrijheid, een idealistische vrouw die iedereen zou moeten bewonderen – kapot gemaakt door de paranoïde J. Edgar Hoover en zijn FBI-agenten en, ook dat verhaal klinkt vertrouwd, de gewillige media. Een vrouw die voor ons allen een voorbeeld had kunnen zijn, de ‘heldin’ van ‘A bout de souffle’, het eerste meesterwerk van Jean-Luc Godard, werd door hypocriete moraalridders zo lang opgejaagd en geïntimideerd dat er voor haar maar een uitweg meer bleef: zelfmoord. (Als het al zelfmoord was, want de mogelijkheid dat ze vermoord werd is nog altijd niet uitgesloten.)

jeanseberg2.jpg

Ik wil haar levensverhaal hier niet nog eens herhalen. Probeer de documentaire te zien, en zeker een aantal van haar films. Hieronder een kort stuk uit Wikipedia over de methodes van de FBI om iemand te ‘neutraliseren’.

“During the late 1960s, Seberg provided financial support to various groups supporting civil rights, such as the NAACP and Native American school groups such as the Meskwaki Bucks at the Tama settlement near her home town of Marshalltown, for whom she purchased US$500 worth of basketball uniforms. The FBI was upset about several gifts to the Black Panther Party, totalling US$10,500 (estimated) in contributions; these were noted among a list of other celebrities in FBI internal documents later declassified and released to the public under FOIA requests. The financial support and alleged interracial love affairs or friendships are thought to have been triggers to a large-scale FBI program deployment in her direction.

The FBI operation against Seberg used COINTELPRO program techniques to harass, intimidate, defame, and discredit Seberg.The FBI's stated goal was an unspecified "neutralization" of Seberg with a subsidiary objective to "cause her embarrassment and serve to cheapen her image with the public", while taking the "usual precautions to avoid identification of the Bureau". FBI strategy and modalities can be found in FBI inter-office memos.
Jean_Seberg_Bonjour_Tristesse_Preminger.jpg

In 1970, the FBI created the false story, from a San Francisco-based informant, that the child Seberg was carrying was not fathered by her husband Romain Gary but by Raymond Hewitt, a member of the Black Panther Party.The story was reported by gossip columnist Joyce Haber of The Los Angeles Times and was also printed by Newsweek magazine. Seberg went into premature labor and, on August 23, 1970, gave birth to a 1.8 kg baby girl. The child died two days later. She held a funeral in her hometown with an open-casket that allowed reporters to see the infant's white skin which disproved the rumors. Seberg and Gary later sued Newsweek for libel and defamation and asked for US$200,000 in damages. Seberg contended she became so upset after reading the story, that she went into premature labor, which resulted in the death of her daughter. A Paris court ordered Newsweek to pay the couple US$10,800 in damages and also ordered Newsweek to print the judgement in their publication plus eight other newspapers.

The investigation of Seberg went far beyond the publishing of defamatory articles. According to her friends interviewed after her death, Seberg experienced years of aggressive in-person surveillance (constant stalking), as well as break-ins and other intimidation-oriented activity. These newspaper reports make clear, that Seberg was well aware of the surveillance. FBI files show that she was wiretapped, and in 1980, The Los Angeles Times published logs of her Swiss wiretapped phone calls. U.S. surveillance was deployed while she was residing in France and while travelling in Switzerland and Italy. Per FBI files the FBI cross-contacted the "FBI Legat" (legal attachés) in U.S. Embassies in Paris and Rome and provided files on Seberg to the CIA, U.S. Secret Service and U.S. Military intelligence to assist monitoring while she was abroad.

FBI records show that J. Edgar Hoover kept U.S. President Richard Nixon informed of FBI activities related to the Jean Seberg case via President Nixon's domestic affairs chief John Ehrlichman. John Mitchell, then Attorney General, and Deputy Attorney General Richard Kleindienst were also kept informed of FBI activities related to Jean Seberg.”

jeanseberg1.jpg

Jean Seberg was een unieke en moedige, maar soms ook wanhopige en rusteloze vrouw; over haar zou ongeveer hetzelfde kunnen geschreven worden als wat Antonin Artaud opmerkte in zijn 'Van Gogh le suicidé de la société': "Il y a dans tout dément un génie incompris dont l'idée qui luisait dans sa tête fit peur, et qui n'a pu trouver que dans le délire une issue aux étranglements que lui avait préparés la vie."

08-01-14

ALLE LUST WIL EEUWIGHEID: LARS VON TRIER EN JIMI HENDRIX

nymphomaniac-appetizer-chapter-5_-the-little-organ-school.jpg

Eergisteren zag ik eerst, in de bioscoop, deel 1 van ‘Nymphomaniac’ van Lars von Trier en daarna, op  televisie, de documentaire ‘Hear My Train’ (2013) over Jimi Hendrix. Beide films gaan over verlangen, lust, seks, eenzaamheid en muziek. Dat moest ik toch wel even laten bezinken. Een halve nacht met Jonathan Littell’s* ‘Triptych’, een meesterlijk boekje over Francis Bacon, heeft voor wat afleiding gezorgd, hoewel zeker lust, seks en eenzaamheid ook bijna altijd aanwezig zijn in Bacon’s werk.

‘Nymphomaniac’ is een soort van voorlichtingsfilm, in hoge mate educatief. Althans: ik heb er veel van opgestoken. Onder meer, maar niet alleen, over muziek. Over natuurkunde, fauna en flora. Over Edgar Allan Poe, zijn ‘The Fall Of The House Of Usher’, alcoholisme, delirum tremens. Over vliegvissen (en het gedrag van de vis in het algemeen). Over getallenmystiek en wiskunde. Over jaloezie. Over het eten van taartjes met of zonder vork en het belang hiervan in de klassenstrijd. Over verslavingen. Over verdriet. Over doodgaan.

De Middeleeuwse polyfonisten introduceerden de hoge en lage contratenor, een tweede en derde stem, naast de bestaande melodielijn van de gregoriaanse tenor, de cantus firmus. Vaak zingen de contratenoren in de eigen taal, terwijl de cantus firmus in het Latijn zingt.

In ‘Nymphomaniac’ legt Seligman (Stellan Skarsgård) dit compositorisch principe -  zoals Bach het heeft toegepast in zijn Orgelbüchlein  - uit aan Joe (Charlotte Gainsbourg), die er op haar beurt drie voorbeelden van vindt in haar drukke seksleven. Terwijl in het katholicisme en in de meeste andere religies het seksuele en het lichamelijke meestal als zondig en vuil worden beschouwd, ziet von Trier het lichaam en de verstrengelingen en penetraties net als sacraal en muzikaal. Bestaat er voor de mens iets mooiers, iets intensers, iets verheveners dan erotische gebaren en handelingen? Ach voor vissers is het misschien weer helemaal anders. Je mag nooit absoluut zijn, en dat is von Trier ook niet. Humor, relativeringsvermogen, ironie zijn zeer geschikte middelen om de metafysica van ballast te ontdoen.

Op het orgel zie je de stemmen van de voet en de twee handen, als gaat het om these, antithese en synthese in de Hegeliaanse dialectiek. De derde stem, fluisterend, geheimzinnig, de stem van de liefde. Cunnilingus en fellatio, penetratie, kussen (of klopt die volgorde niet?)

jimi-hendrix_2.jpg

De Jimi Hendrix-documentaire zag ik daarna geheel toevallig. ‘Nymphomaniac’ had veel indruk op me gemaakt. Weer thuis wist ik niet goed wat te doen. Lenin lezen leek me geen goed idee. Even kijken dan maar wat ik de voorbije maanden van televisie heb opgenomen, iets over muziek misschien? Voilà, daar heb je hem al: man van gitaren en alle vrouwen van de regenboog.

Klankingenieur en producer Eddie Kramer, die nagenoeg alle materiaal van Jimi Hendrix geremasterd heeft, komt in ‘Hear My Train’ uitgebreid aan het woord. Zo laat hij ook de gitaarpartijen uit ‘Little Wing’ horen, een kleine parel op ‘Axis: Bold As Love’; het zijn drie lijnen, of drie stemmen, afkomstig van drie afzonderlijk opgenomen gitaarpartijen, de eerste zuiver, de tweede lichtjes vervormd, de derde met veel effecten. Die worden dan samengevoegd en zo krijg je dat muzikale hoogtepunt. Geheim ontsluierd? Toch niet. Want bij Jimi weet je niet welke klank de liefde heeft. Of liever: het is allemaal liefde, cunnilingus, fellatio, penetratie, excuse me while I kiss the sky. Een immens maar veel te kort orgasme.

film, muziek, erotiek, seks, lust, verlangen, eezaamheid, orgasme, filosofie, religie, ethica, dialectiek, lars von trier, jimi hendrix, eddie kramer, bach, orgelbüchlein, wiskunde, theorie

...

*Bij de genitief gebruik ik veel liever de apostrof dan aaneen te schrijven.

 

14-12-13

EEN SPIEGEL IS GEEN FOTO

important-c-est-d-aimer-0.jpg

Tijdens een veeleer droefgeestige wandeling in het dorp Anderlecht, nee, helaas niet in het 14de arrondissement in Parijs, besefte ik dat ik ondanks alles en met enige spoed iets moest schrijven over de psychologische en psychoanalytische aspecten van foto’s in speelfilms, al was het maar om een voorbeeld te geven van de diepgang van het oppervlakkige.

Ik heb even de gordijnen toegedaan: de bijna volle maan scheen me te fel in de ogen.

Een spiegel is geen foto. In een spiegel ziet een personage zichzelf weerspiegeld, zoals Narcissus in het water. De protagonist kan tevreden zijn met dat beeld, er van schrikken, zich er boos op maken, of er een mix van tegenstijdige emoties bij voelen zoals Robert De Niro in ‘Taxi Driver’.

Een foto van de protagonist is niet zijn weerspiegeling. Het is een ander beeld, meer verwijderd van hem, behandeld, bewerkt, vervormd. In Fritz Langs ‘You Only Live Once’ toont de Wanted-foto van Henry Fonda een ander aspect van zijn persoonlijkheid, van zijn karakter. Je zou kunnen zeggen dat de samenleving (of de ‘gemiddelde’ burger) het Freudiaanse Über-ich is; de handelende Henry Fonda is dan het Ego en de foto staat ons toe een blik te werpen op zijn Onbewuste. Want het is natuurlijk niet waar dat het personage door en door goed is: de foto corrigeert die perceptie, ook al is hij door de politie bewerkt, heeft men van de goede man een boef gemaakt.

Het tragische is dat de ‘gemiddelde’ burger de brave man niet ziet, maar alleen Über-Ich ‘is’, dat hij slechts oog heeft voor wet en orde, en profijt. Hij ziet alleen de boef, degene die de wet overtreedt, de man die hem misschien zal bestelen, zijn vrouw verkrachten of hem zelfs vermoorden. Weg ermee! Weg met de boef!

...

 

Foto: L'important c'est d'aimer (1975), Andrzej Zulawski

DROMEN VAN FILMS EN FOTO'S

memento.jpg

Ik geloof niet dat ik ooit heb stilgestaan of –gezeten bij de rol van foto’s in de speelfilm. Misschien wel, omdat het onderwerp zo voor de hand ligt, maar dan ben ik het vergeten. Afgelopen nacht werd ik wakker nadat een oude vriend me uitgescholden had om iets wat ik gezegd had aan tafel, terwijl ik nochtans al de hele tijd had zitten zwijgen. Vervolgens viel zijn vriendin me aan, dat ik moest zwijgen over al dat onheil, en vooral over mijn kwalen, want dat ik van dat gekanker van mij vast kanker zou krijgen, en dat ik er anderen, mijn goede vrienden allemaal gezellig rond de tafel, ook kanker mee bezorgde. Helemaal wakker dacht ik opeens aan die foto’s in films. Ik probeerde me te herinneren welke films essentieel zijn in die context. Gelukkig duurde dat denken niet al te lang en viel ik weer in slaap. Een blauwe schuit voerde me over stille wateren en door kleine sluizen naar mijn bestemming, het Entella Hotel, dat zich in het 14de arrondissement in Parijs bleek te bevinden. Wat me nauwelijks verbaasde. Al gauw zat ik met een zekere Wanda Kosakiewicz de ene koffie na de andere te drinken, zodat ik opnieuw wakker werd en aan deze tekst dacht te kunnen beginnen.

Geen sprake van. Het zou een boek moeten worden. Tien delen, op z’n minst. Mijn geheugen is nog niet in gang geschoten of ik vind al enkele schitterende voorbeelden.

a you only live once lang fonda.jpg

Ik heb er geen idee van maar ik vermoed dat er alleen reeds over Antonioni’s ‘Blow-Up’ en de foto als belangrijk narratief element tientallen studies zullen verschenen zijn. Een paar dagen geleden zag ik nog een keer het geweldige ‘You Only Live Once’ van Fritz Lang met Henry Fonda en Sylvia Sydney. Daar komt de foto in voor zoals die in massa’s andere Amerikaanse misdaadfilms wordt gebruikt: een misdadiger wordt gezocht, er staat een prijs op zijn hoofd. “WANTED - $10.000 REWARD”. Alleen zien de foto’s bij Fritz Lang er beter uit dan in de doorsnee ‘crime films’. Henry Fonda, een man met een goede inborst en zachtaardige trekken, krijgt op de foto van de politie of FBI een groezelige kop aangemeten, de kop van iemand wiens slechtheid tot de verbeelding van de gemiddelde Amerikaan spreekt. Hoewel ze hem ongetwijfeld voor het geld aangeven. Je hebt die ‘Wanted’-foto’s natuurlijk ook in westerns, maar in dat genre zien ze er altijd wat kitscheriger uit, net zoals de decors.

bonnie and clyde.jpg

Van ongeveer dezelfde aard zijn de foto’s van misdadigers in kranten. Bijvoorbeeld in ‘Bonnie And Clyde’ van Arthur Penn: vond Clyde Barrow zo’n foto nu weer bijzonder geslaagd of werd hij er integendeel helemaal niet door gecharmeerd, dat kan ik me niet meer herinneren. Het is wel een typische scène. Er is ‘Alice in den Städten’ van Wim Wenders, die in zekere zin fotografie als onderwerp heeft. Ik denk dat Rüdiger Vogler van ongeveer alles foto’s maakt omdat hij de werkelijkheid van wat hij ziet in twijfel trekt. De foto’s moeten dan bewijzen dat wat er is er is, net zoals in het liedje van the Kinks (van in het begin al favorieten van Wenders):

People take pictures of each other
Just to prove that they really existed

aliceimg5za3.jpg

De film is heel wat meer dan dat. Het personage van Rüdiger Vogler leert anders naar de wereld en de mensen kijken dankzij het meisje Alice en uiteindelijk kan hij er zich mee verzoenen. In ‘Der Amerikanische Freund’, ook van Wim Wenders, maakt Ripley (Dennis Hopper) polaroids van zichzelf. Zeer waarschijnlijk omdat hij, als oplichter, twijfelt aan zijn identiteit.

hopper polaroids.jpg

In het sublieme ‘Memento’ van Christopher Nolan lijdt het hoofdpersonage aan geheugenverlies: Polaroids zijn veel meer dan een geheugensteun, ze nemen er de plaats van in.

Geen sprake van dus dat ik hier dieper op inga. Ik ben een man van de oppervlakte, wat niet betekent, mag ik hopen, dat ik oppervlakkig ben. De werkelijke diepte bevindt zich aan de oppervlakte – dat is toch een sterk vermoeden van me. Laat me dan liever aan de oppervlakte blijven en niet verdrinken in een zee van details.

...

Afbeeldingen:
Memento, Christopher Nolan; You Only Live Once, Fritz Lang; Bonnie And Clyde, Arthur Penn; Alice in den Städten, Wim Wenders; Der Amerikanische Freund, Wim Wenders. 

02-12-13

NUANCES OMTRENT HET GEZIN

one-flew-over-the-cuckoos-nest.jpg

Gisteren had ik het hier terloops over het ontspoorde gezin als steunpilaar van de maatschappij (“huis en auto’s moet afbetaald worden”), het huwelijk als dwangbuis en een vaak in gebreke blijvend onderwijs als negatieve elementen, hindernissen – of erger – op de levensweg van kinderen en adolescenten. Ik liet buiten beschouwing dat er uitzonderingen bestaan, goede ouders, degelijk onderwijs, en vooral alternatieven. Waar ik evenmin aandacht aan besteedde was de horror van de farmaceutische industrie, een  bepaald soort psychiatrie dat het ontwrichte gezin helpt in stand houden (daar heb ik in mijn leven al zoveel voorbeelden van gezien) en de geneeskunde in zoverre zij alleen winst nastreeft of dienstmaagd is van gigantische farmaceutische bedrijven. In deze grotere context is het gezin, het kerngezin (en zeker de liefdevolle band tussen moeder en kind, tussen vader en kind) eerder een beschermend cocon dan een instelling die ten koste van alles te bestrijden valt. Dat moest ik er nog aan toevoegen. Nuances zijn belangrijk. Liefde en vriendschap maken jonge mensen sterk en soms gelukkig. Zo kunnen zij opgroeien tot kritische enkelingen met voldoende gemeenschapszin, mannen en vrouwen die deze vermolmde, apocalyptische menselijke werkelijkheid, waar niemand meer tevreden schijnt te zijn, tegen alle verwachtingen in nog grondig zullen kunnen veranderen

Angelina-JolieGirl-Interrupted.jpg

Afbeeldingen:
1. One Flew Over The Cuckoo's Nest (1975), Milos Forman
2. Girl, Interrupted (1999), James Mangold. 

24-11-13

HET LEVEN EEN FILM: PAPER FLOWERS

waheeda rehman.jpg

In mijn jeugd was ik vaak vrolijk, of toch opgewekt en avontuurlijk, ondanks een zwakke gezondheid en soms erge pijn. Zoals heden kende ik echter ook dagen van melancholie, maar die waren zeldzaam en duurden niet lang. Bovendien wist ik helemaal niet wat melancholie was. Soms is het beter de dingen niet te kennen, er weinig over te weten. Vooral kan het onrust voorkomen de woorden die bij dingen en verschijnselen horen niet te kennen. Waar komt die zucht naar woorden vandaan en het ongelukzalige verlangen naar kennis en weten?

Vanaf mijn twintigste ongeveer raakte ik gefascineerd door zelfmoordenaars. Is daar een verklaring voor te vinden? Ik ken er maar een: de zelfmoord van mijn tante Georgette, die door iedereen tante Jos werd genoemd. Het is echter een fenomeen dat nogal veel voorkomt. ‘The imp of the perverse’, de fascinatie die uitgaat van het verschrikkelijke, van de horror. Jeroen Brouwers lijkt wat dat betreft op mij. Hij heeft veel en mooi over zelfmoordenaars geschreven, ik denk dan in de eerste plaats aan ‘De laatste deur’. Veel heb ik over het onderwerp geleerd van A. Alvarez, auteur van ‘The Savage God’ en vriend van Sylvia Plath. Overigens is Sylvia Plath wellicht de beroemdste bewoonster van de zevende kring in Dante’s Hel.

Op 2 juni 1987 – mijn verjaardag – zag ik een eerste keer het Indische meesterwerk ‘Kaagaz ke phoo’ (‘Paper Flowers’), een film uit 1959 van de legendarische Guru Dutt. Ik had nooit eerder van de regisseur gehoord, wist hoegenaamd niet dat hij enkele jaren na het beëindigen van dit werk, destijds een flop, zelfmoord zou plegen. Toch had ik het kunnen, had ik het moeten weten: er bestaan maar weinig films die zo naar de strot grijpen als ‘Paper Flowers’. Het is een van de triestigste liefdesverhalen die ik ken. Alles straalt daar diepe melancholie uit. Nee, niet alles, gelukkig maar, anders zou je als kijker bij het verlaten van de cinemazaal meteen onder een tram of bus springen. Als je nog zit te huilen begint er alweer een grappige scène of wordt er een geestig lied gezongen: een lach en een traan, maar de traan is van lood, de lach lichter dan een papieren bloem.

guru dutt,paper flowers,kaagaz ke phoo,waheeda rehman,geeta dutt,india,cinematiek,liefde,melancholie,verdriet,ondergang,vergetelheid,troost,schoonheid

Gisteren had ik het genoegen de film eindelijk op een groot scherm te zien, in het Filmmuseum (Cinematek) in Brussel. Opnieuw een openbaring, opnieuw die melancholie, opnieuw die door merg en been gaande muziek van S.D. Burman, gezongen door Geeta Dutt en Mohammad Rafi, opnieuw die adembenemende fotografie. Een nogal geschonden kopie die desondanks een even hoge kwaliteit laat zien als die van het werk van regisseurs als Orson Welles. ‘Paper Flowers’ is uitgesproken autobiografisch. Guru Dutt speelt de hoofdrol, de trotse filmregisseur Sinha, die gescheiden leeft van zijn vrouw en dochter en zich aangetrokken voelt tot de verbluffend mooie actrice Shanti (gespeeld door Waheeda Rehman, een jonge actrice die op z’n minst even aantrekkelijk en sensueel is als Hope Sandoval). Guru Dutt had in werkelijkheid ook een liefdesverhouding met Waheeda Rehman. Hij leefde gescheiden van zijn vrouw Geeta Dutt en zijn drie kinderen. De protagonist wordt verscheurd door de liefde voor Shanti en voor zijn dochter Pammi. Als Shanti de regisseur laat vallen wordt het gezin misschien herenigd: dat is wat Pammi heel sterk verlangt en waar Shanti, uit liefde voor Sinha, aan toegeeft. Overigens speelt het geroddel in de boulevardpers over haar vaders affaire  een belangrijke rol in de beslissing van Pammi om Shanti te verzoeken haar minnaar te verlaten. De moeder zal echter beletten dat Pammi haar vader nog te zien krijgt. Sinha, de regisseur, blijft alleen achter, een nog steeds trotse maar desondanks gebroken man. Hij geraakt aan lager wal, drank wordt zijn enige toevlucht. Zijn roem was van korte duur. Na de val keren al zijn vrienden hem de rug toe. Binnen de kortste keren is iedereen hem vergeten.

guru_dutt_.jpg

Ik vertel de film ogenschijnlijk na, maar eigenlijk doe ik dat helemaal niet. Het kan niet. Je moet hem zien, ondergaan, ervaren, je moet er bij zitten lachen, huilen, alle emoties moeten zich gedurende bijna drie uur van je meester maken, tot je uitgeput en aan zinsverbijstering ten prooi het licht in de zaal ziet aangaan. Het verhaal van de liefde en de val gaat ook niet alleen maar over Sinha, Shanti, Pammi en hun entourage. Het gaat over de wereld en het leven. Niets duurt hier lang, geluk is kortstondig, liefde duurt slechts een ogenblik, aan alles komt een einde, vrienden laten elkaar in de steek, geliefden gaan hun eigen weg. De tuin vol wonderlijke bloemen wordt een woestenij. Het enige wat overblijft is de herinnering aan de glinstering in de ogen van een bekoorlijke en lieve vrouw, en het zachte en troostende treuren in de stem van een zanger en een zangeres. De herinnering. 

...

Afbeeldingen: Waheeda Rehman, Geeta Dutt, Guru Dutt.

16-11-13

DE SLECHTE ONEINDIGHEID 3

IMG_4779.JPG

Ik krijg geen woord meer over mijn lippen, geen woord meer uit mijn pen, geen woord meer uit mijn klavier. Heb geen noten meer op mijn zang. Al mijn beelden staan stil. Aan bibberen en beven is een einde gekomen. Aan alle kleuren, aan wit en aan zwart. Aan fictie en aan politiek. Aan gedichten en slachtingen. Aan de Franse Revolutie en de kleine Johannes en vulkaanminnaars en Tristia en andere ballingschapsgedichten. Aan William Blake, Oscar Wilde en Van Morrison. Aan nachtwouden, maanbergen, het dak van de wereld, zenuwoorlog, misdaad en straf, toezicht en kamers met uitzicht, de seksuele revolutie en de geschiedenis van de waanzin. Aan het theater van de wreedheid, de grammatologie en al te intieme zonsopgangen. Aan drie mannen op weg naar een huwelijk of begrafenis. Aan het dagboek van een gek en de verkoop van dode zielen. De bloemen van het kwaad en het verloren paradijs. Aan kreten en gefluister, seizoenen in de hel, de liederen van de nachttripper, Liesje in Luiletterland, Rob Roy, Jimmie Reed, de Evangeliën, la vie de Jésus, een Spion in het huis van de liefde, de toekomst van een illusie, de fenomenologie van de geest en veel overwoekerde paden. Aan Hölderlin, Trakl en Celan. Aan talloos veel miljoenen. Aan Mozart, Beethoven en Phil Ochs. Aan de feesten van angst en pijn, aan diepe blues, rembetika, zydeco (les haricots sont pas salés), aan Paths of Glory en Fun in Acapulco. Aan het leven van Malcolm Lowry, Neal Casady en Arnold Schönberg. Aan the Beatles en het kapsel van de duivel op de heuvel. Aan de jacht op de walvis en de bende van de Stronk. Aan Daphne en Euridyke en Anna Domino. Aan al het ondermaanse, het vergankelijke en onvergankelijke. Aan verzamelingen, collecties, compilaties, naslagwerken, woordenboeken, grammatica, encyclopedieën, de Zohar, Zorba de Griek en de Apologie van Socrates. Aan Apocalypse Now en le Bonheur. Nee, geen woord meer, geen letter, geen noot, geen beeld: ik ben moe.

...

Foto: Martin Pulaski, 13 november 2013.

DE SLECHTE ONEINDIGHEID 2

IMG_4762.JPG

IMG_4770.JPG

IMG_4771.JPG

Foto's: Martin Pulaski