17-03-06

DE STAD COCAIGNE


torenbabel


Laura en ik bevinden ons ergens in het Oosten, in een land dat op Nepal lijkt. We bereiken een stad die waarschijnlijk ‘Cocaigne’ heet. Ze heeft niets gemeen met de toeristische foto's die je vaak te zien krijgt maar beantwoordt wel enigszins aan de 'Heilige Stad' die ik soms in mijn verbeelding zie. Bepaalde scènes uit Pasolini's '1001 Nacht' komen in de buurt van wat ik bedoel. In deze Stad bestaat geen tijd, ze is er altijd geweest. ‘Cocaigne’ straalt een verblindende schoonheid uit. (Literatuur is benadering, meestal zinloze poging, kunstmatigheid; schoonheid is echt.) Komen er geen reizigers naartoe? Toch wel. Vooral pelgrims willen deze Stad bezoeken. Het reusachtige bouwwerk waar we nu binnengaan heeft maar één functie: de stad laten zien. Daartoe zijn helemaal boven in gebouw kijkgaten gemaakt, net iets groter dan schietgaten. Het bouwwerk, dat spiraalsgewijs hemelwaarts klimt, en in dat opzicht doet het denken aan Breughels ‘Toren van Babel’, is voorzien van reusachtige roltrappen waarlangs duizenden mensen stijgen en dalen. Ondanks dat grote aantal bezoekers wordt de stilte hier niet verstoord. Lange tijd blijven we door de kijkgaten de betoverende pracht van de 'Heilige Stad' aanschouwen. Nog helemaal onder de indruk gaan we weer naar beneden. Pas na een tijd valt me de hoge snelheid van de roltrappen op. Plotseling dreig ik Laura te verliezen: haar roltrap schiet opeens nog veel sneller dan de mijne de diepte in. Zonder ook maar na te denken ruk ik aan een noodrem, met als enig resultaat dat mijn roltrap bruusk tot stilstand komt en Laura voorgoed in de diepte verdwijnt. Nooit zal ik haar terugvinden. Toch zoek ik, blijf ik zoeken, binnen en buiten en aan elke uitgang ook al is het aantal uitgangen van dit gebouw niet te tellen. Aan welke uitgang heb ik de meeste kans om haar terug te zien? Ik zal er een moeten uitkiezen en daar op de uitkijk blijven staan, hopend op een gelukkig toeval. Maar ik weet dat het zinloos is in deze menigte, in dit labyrint. Had ik toch maar haar adres.

15-03-06

HET BARRE LAND, DE RIVIEREN EN HET GROTE MEER



Ik wandel in een landschap van ondiepe plassen en riviertjes. Waarschijnlijk heerst hier al lange tijd droogte. De dorre onvruchtbaarheid geeft de omgeving een ongewone schoonheid. Roestbruine en rode vlekken, desolaatheid. Geblakerde aarde. Overal in het rond liggen koperkleurige stenen. Een riviertje met bijna stilstaand water en roestige kiezelsteentjes op de bedding. Ik wandel niet langer. Zonder me ervan bewust te zijn heb ik plaats genomen in een lichte kano en roei zonder bestemming. Het water is transparant als kristal van Val-Saint-Lambert. Hier en daar verheffen zich eilandjes boven het oppervlak. Stenen, rotsblokken. Het riviertje is nu zo ondiep dat roeien bijna niet meer mogelijk is. Ik raak de grond met mijn riemen. Iemand die me begeleidt wijst me in de verte een plek aan, waar het beter is om te roeien, en toch ook niet gevaarlijk.
Maar ik moet wel aan land gaan - het riviertje mondt immers niet uit in dat meer. De bodem is hier nog net zo dor en overweldigend als waar ik vandaan kom. Mijn kano draag ik zelf, wat niet moeilijk is, het is een lichtgewicht model.
Er is nauwelijks een niveauverschil tussen het wateroppervlak van het riviertje en het vasteland en tussen het vasteland en het wateroppervlak van het meer ook niet - water en land liggen in elkaars verlengde. Geen sprake van hoogte of laagte.
”Dit is hier het gebied van het barre land, de rivieren en het grote meer”, zegt mijn begeleider.

Nu vaar ik op het meer. Wat is het hier kalm, vredig. Geen wind, geen storende geluiden. Niet lang kan ik van die harmonie genieten. Een stem in mij dwingt mij ertoe rechtsomkeert te maken. Maar waarom altijd terugkeren?

De doorgang, de lange engte gelegen tussen het meer en de rivier waarlangs ik moet terugvaren is omhooggestuwd. In plaats van het land verheft zich dreigend een hoge stenen muur. Waarschijnlijk is het een stuwdam. Het water zal gezakt zijn zonder dat ik het heb gemerkt. Maar wat nu?De muur is, wat je er ook van zeggen mag, een zeer kunstzinnig bouwsel. Hij lijkt enigszins op een (uitgedijde) sculptuur van Henry Moore. De steen is gepolijst en de openingen in de muur hebben ronde, vrouwelijke vormen. De hele muur is een spel van gebogen lijnen.

Ik sta boven op de muur. Tot mijn ontzetting stel ik vast dat er aan de andere zijde ook een afgrond gaapt. Dat brengt me aan het duizelen, de muur biedt geen houvast meer, ik moet loslaten, eerst de handen, daarna de voeten.

13-03-06

BEGIN IN DROMEN

muziek,pop,live,botanique,country

Max Ernst, The Eye Of Silence, 1943

 

In dromen begint je verantwoordelijkheid, schreef Delmore Schwartz. En als je wakker wordt blijf je verantwoordelijk.

Met dromen is er net zoveel mis als met het nuchtere bestaan. En net zo weinig. Droom en werkelijkheid zijn verstrengeld, zoals geliefden, zoals dag en nacht, zoals leven en dood, zoals oorlog en vrede, zoals het bewuste en het onbewuste.

 

Uit westerns heb ik geleerd dat er vooral iets mis is met mensen die vals spelen. Maar ook zij hebben hun redenen (die ze niet noodzakelijk kennen).

12-03-06

ALLES IS VERGEVEN EN VERGETEN

stad,boulevard,droombeelden,droom,kinks,pop,lusco-fusco,kunstberg,brussel,afgrond

Ik begeef me naar de stad. Daar wandel ik over een boulevard die een typische Parijse sfeer uitstraalt. Zal ik naar De Slegte gaan? Neen. Ik stap een tweedehands vinylzaak binnen. Aangename verrassing: ik vind een aantal platen van the Kinks waarvan ik het bestaan niet eens kende. Het blijken geïmporteerde elpees te zijn. Ik neem ze uit het rek om de hoesnotities vlug te lezen en ze eventueel aan te schaffen. 

"Deze is veel beter", zegt de jonge verkoper, een misprijzende blik op de Kinks-platen werpend. Hij toont me een zeldzame grammofoonplaat van iemand die ik ook graag hoor - beweert hij - maar ik ben niet geïnteresseerd, nu toch niet. De verkoper blijkt Jean D. goed te kennen. Er volgt een gesprek over ditjes en datjes en wat later sta ik weer op straat. Ik besluit toch naar De Slegte te gaan. Maar met dit cahier zo los in mijn handen zal ik niet durven binnengaan... Welk cahier? Nu pas stel ik vast dat ik het niet meer bij me heb. Ik keer terug naar de platenzaak. Gelukkig ligt het nog op de toonbank. Als ik de platenzaak weer verlaat loop ik Gina tegen het lijf.
"Alles is vergeten en vergeven", zeg ik tegen haar. We lachen, opgelucht.

Later, als de avond valt, loop ik met Lemmens door de lusco-fusco straten. Hij vindt dat ik te weinig moeite doe om deze stad beter te leren kennen. We bereiken de Kunstberg. Nu moeten we naar beneden, langs de gevaarlijk gladde trappen. Beneden mij lonkt de diepte. Ik voel op voorhand al de kilte als van in een lege sluis. De omgeving is in een donkerblauwe nevel gehuld. Licht gaat aan en uit. Als vuurwerk spat het open. Soms is de lucht blauwglanzend als een spiegel van water. De verticale stootborden van de treden zijn zo hoog dat ik niet zomaar van de ene op de andere kan stappen. Ik moet telkens een sprongetje maken. Aangezien het plat van de treden zeer smal is, waag ik daarmee mijn leven. Lemmens is al beneden. Ik geloof dat hij een andere weg heeft gevonden.

Afbeelding uit Der Himmel über Berlin van Wim Wenders.

HET DODE MEISJE EN DE BLOEMEN


collage 2

’s Nachts maakt een mens wat mee! Stuff voor allerlei diepgravende analyses!

Ik ga geregeld naar ons tuintje kijken. Het achterste stuk, zowat de helft, is in twee ongeveer gelijke delen verdeeld. Op het linkergedeelte deponeren we ons afval: etensresten, rotte groenten, enzovoort, een stinkende brij. Opeens heb ik de indruk dat de brij hard is geworden, dat er eigenlijk geen verschil meer is tussen de twee delen. Ik wil dat toch eens van dichterbij bekijken. Maar zodra ik mijn voeten op de toch nog altijd stinkende massa zet zakken zij erin weg. Dat wekt een grote walging bij mij op. Ik stel nu vast dat het daar krioelt van de wormen.
Wat later. Ik heb een schop in mijn handen. Tussen het afval zoek ik naar wormen. Telkens als ik er eentje gevonden heb, verpletter ik hem met mijn schop.

Een zomerdag in een grote, schilderachtige tuin, een beetje zoals in Bertolucci's 'Strategie van de spin'. Rechts in de tuin ligt een man in het gras met het geweer in de aanslag. Maar het is duidelijk dat hij ernstig gewond is. Hij heeft niet lang meer te leven. Op ongeveer twee meter van hem verwijderd staat de persoon op wie de liggende man zijn geweer probeert te richten. Ben ik zelf deze persoon? Hij staat daar heel stil, alsof hij niet kan bewegen. Misschien denkt hij dat het geen zin meer heeft zich nu nog uit de voeten te maken? De man in het gras zal hem toch neerschieten. Nu maakt de liggende man, nog steeds op zijn buik, zeer traag een draai van 180 graden. Waarom doet hij dat? Toch lijdt het geen twijfel dat zijn laatste kogel de staande persoon, die zelfs van deze kans geen gebruik maakt om zich te verwijderen, dodelijk zal treffen. Wat verderop, enigszins aan het zicht onttrokken door enkele bloeiende rozenstruiken, speelt een klein meisje met lange blonde lokken met een springtouw. Een schot weerklinkt. Het meisje stort neer. Bloed stroomt uit een wond in haar borst. Ze is dood.

Nu komt haar vader op haar toegesneld. "Bloemen!" roept hij, met stem die verstikt in zijn verdriet. "Bloemen!". Onmiddellijk daarop komt er een dame uit het huis en loopt op de vader toe met een vaas vol delicate paarse tulpen in haar handen. Een zusje van het gestorven meisje komt met een tuiltje vergeet-mij-nietjes en viooltjes aangelopen. Nog andere mensen brengen andere bloemen, waarvan ik de namen niet ken. Alle aanwezigen gaan in een kring om het dode meisje staan. Ook de man die dreigde neergeschoten te worden voegt zich bij de rouwenden. Hij heeft het geweer van de liggende man bij zich.
Ze gaan hem van deze moord beschuldigen. Dat kan toch niet, denk ik in een moment van paniek, hij is toch onschuldig.
Op kalme toon vraagt de vader of hij de fatale kogel heeft afgevuurd.
"Neen", antwoordt de man met het geweer, "de liggende man heeft het gedaan."
Een van de aanwezige vrouwen, die blijkbaar alles gezien heeft, bevestigt deze uitspraak. Maar zelfs zonder dit getuigenis, besef ik nu, zou niemand de staande man hebben durven beschuldigen. Zijn "neen" klonk zo ondubbelzinnig en direct, dat niemand had durven betwijfelen dat het de waarheid was.

26-08-05

BROODJE HAM


Heerlijke parmezaanse hammen liggen in een vitrine uitgestald.
De meisjes achter het buffet snijden er behendig flinke stukken af, waarmee ze grote broodjes beleggen. De mensen die voor en naast me staan te dringen krijgen allemaal van die lekkere, grote broodjes. Na lang wachten is het mijn beurt. Mijn broodje is wel bijzonder klein uitgevallen. Ik probeer mijn teleurstelling te verbergen en neem nog vlug twee aan elkaar klevende wafels mee, omdat het minuscule broodje mijn honger niet zal stillen. Maar twee wafels is dan weer teveel van het goede. Ik wil een exemplaar aan een tafelgenoot geven. De man neemt mij beide wafels af en werpt ze woedend op de grond.
"Ik zal u eens een paar motten geven", zegt hij.
“Legitieme mehari”, zeg ik.

08-07-05

ELEMENTAIRE DEELTJES


OOSTDUINKERKE KLEIN


Wij zaten beiden op de ronde tafel.
Jij luisterde naar m'n verhaal en vertelde me over weinig fraaie dingen die sommige mensen - die ik zelf ook bleek te kennen - je hadden aangedaan. Dat je zo openhartig met me was ontroerde me en gaf me nog meer moed om mezelf bloot te geven. Maar dan kwamen mijn ouders de kamer binnen. Ze gingen aan een kleine tafel naast de onze tegenover elkaar zitten en begonnen een gesprek. Het leek alsof ze deden alsof wij er niet waren maar ik kon me niet van de indruk ontdoen dat ze wilden horen wat ik je allemaal toevertrouwde. Jij besefte wat er in me omging: ik zag de woede zich van je meester maken. Ook voor jou waren mijn ouders indringers, ja, misschien nog wel meer voor jou dan voor mij. Je stond op - pas nu viel het me op dat je niet langer samen met mij op de tafel zat, maar heel gewoon op een stoel - stapte op m'n ouders toe en riep zonder enige twijfel in je stem: "buiten!" Daarbij maakte je een volstrekt duidelijk gebaar in de richting van de deur. Op dat moment bewonderde ik je, neen, bewondering is een te zwak woord, ik had het gevoel dat je deel van me werd, dat we ons verenigden in een gezamenlijke strijd tegen de vijand.

Ik voelde me ellendig en alleen op de wereld. De enige die me kon helpen, dacht ik, was G. Maar G. weigerde. Hij wilde niet inzien wat er in me omging, hoe wanhopig ik wel was. Ik smeekte, ik huilde, ik greep hem bij z'n hals. "Help me, G., zo kan ik niet meer verder leven…" Hij bleef me afwijzen, hoewel ik op het laatste moment toch heel even het gevoel had dat hij enig begrip begon te krijgen. Dat er ergens een opening in hem ontstond waardoor mijn ontreddering, mijn wanhoop druppelsgewijs bij hem naar binnen kon sijpelen. Nee, niet de wanhoop zelf maar sporen daarvan, heel kleine deeltjes, elektronen, of nog kleiner.

Dit moet ik later hernemen.

Foto: Martin Pulaski

25-06-05

DROMEN ZIJN GEEN BEDROG


TOUCH OF EVIL 4

Ik zat aan mijn bureau te werken aan een verhaal. De mechanische schrijfmachine waarop ik mijn tekst intypte veroorzaakte allerlei problemen, onder meer door letters die bleven hangen. Erger waren de andere moelijkheden waar ik mee te kampen had. Mijn levensgezellin had last van mijn aanwezigheid, of van de aanwezigheid van dat bureau in de kamer waarin ik zat te werken. Er ontstond een woordenwisseling. Ik kreeg de indruk dat zij geen respect had voor mijn 'scheppend' werk, voor de kunstenaar in mij. Dat ze op die manier mijn ziel miskende en zodoende niets om me gaf. Deze ijskoude vaststelling deed een verlammende droefheid ontstaan. Ik wilde mijn wanhoop uitschreeuwen, maar dat was niet mogelijk. Ik zag haar de trap afgaan, met ons kind op de arm, en ik kreeg heel sterk het gevoel dat het nu voor goed gedaan was: zij zouden niet meer terug komen. Toen ik dat besefte begon ik te schreeuwen, zij het nog altijd met moeite, en het klonk theatraal, alsof ik het niet meende. 'Ik spring naar beneden', riep ik. 'Nu maak ik er een eind aan. Kom terug naar boven of ik doe het…' De trapleuning was beschadigd, wat mij het springen heel wat vergemakkelijken zou. Voor de deur beneden draaide ze zich nog een keer om, en toen ze me daar boven zag staan moet ze iets gevoeld hebben, moet het tot haar doorgedrongen zijn dat ik het meende. Op het moment dat ik zag dat ze aanstalten maakte om terug naar boven te komen, voelde ik een grote troost in mij opwellen en warme tranen begonnen over mijn wangen te rollen. Het was lang geleden dat ik nog zo bevredigend gehuild had. Bij het ontwaken was mijn gezicht helemaal vochtig.
 
Dat speelde zich een paar nachten geleden af.
 
Afgelopen nacht bevond ik mij in een vuile kamer. Vermoedelijk had er een feestje plaatsgevonden. De gasten hadden hun afval en stof laten rondslingeren. Mijn moeder, mijn broer en nog wat mensen zaten gezellig bij elkaar in de kamer ernaast. Ik werd ziek van het vuil, maar er was niemand die daar enige aandacht aan schonk. Van lieverlede begon ik dan zelf maar alles aan de kant te zetten en te stofzuigen. Dat maakte mij natuurlijk nog zieker. Wat het allemaal moeilijker maakte was een bepaald zelfmedelijden dat me parten speelde. Met het stofzuigen hield ik al snel op. Ik viel uit tegen mijn moeder: dat ze niets om me gaf, dat zij het was die me ziek had gemaakt, door me als baby te weinig te beschermen, te weinig te koesteren, te weinig liefde te geven. Ze bleef echter onverschillig. 'Laat hem zijn stukje nog maar eens een keer opvoeren' scheen ze te denken. Ik werd hoe langer hoe woedender, maar voelde tegelijk aan dat dat geen enkele zin had.
 
Ik was met A. en een aantal vrienden op reis, in een land dat op Marokko leek. Oogverblindende kleuren, sterke geuren van Noord-Afrika. Overal waren kraampjes met warm eten, drank, fruit. Het was de tijd van het ontbijt, het ogenblik van de dag waarop mijn honger het grootst is. Als ik dan niet op tijd iets in mijn maag krijg, word ik slap en ga ik moeilijk doen. Dat was nu niet anders. Mijn vrienden, zelfs A, die anders nooit ontbijt, hadden zich van allerlei lekkernijen voorzien. Op de een of andere manier had ik mijn kans gemist. Of was het omdat ik niets had gezien dat ik lekker vond? Misschien was ik wel bang voor bacteriën? We liepen door gangen, kamers, straten, over pleinen. Ik voelde me almaar zwakker worden, en bozer. Dit was toch wel bijzonder onrechtvaardig en wreed van mijn vrienden, en vooral van A, dat zij zich zo te goed deden aan hun lekkernij en mij honger lieten lijden. Ik maakte me boos op A, maar ze scheen mijn klachten niet te horen. Toen we op het strand kwamen moest ik meteen gaan zitten, ik kon geen stap meer zetten. A kwam naast me zitten en vroeg wat er aan de hand was. Gaf ze me een hap van haar broodje? Werd ik op die manier getroost?