21-03-13

EEN ZACHTAARDIGE HOND

De voorbije nacht had ik niet een vriend meer, alleen maar vijanden. Ze zaten achter me aan, wilden me dood. Maar op het moment van mijn grootste wanhoop en diepste verdriet kwam een zachtaardige hond me tegemoet. Ik zag meteen dat hij beter was dan alle mensen die ik als mijn vrienden had beschouwd. Voortaan bleef hij bij me, zodat ik mijn weg vond en niet meer alleen was. En zodat ik een uitweg vond uit de donkere nacht van mijn ziel. All in a dream, all in a dream.

Ik ontwaakte met tranen in de ogen, eerst. Dat gebeurt soms. Tranen van verdriet, maar meteen al troost biedend, om een vooralsnog onduidelijke reden. Of toch wel. De droom was geen nachtmerrie: de zachtaardige hond was een te sterke aanwezigheid. De hond was een metafoor voor ik weet niet precies wat. Een mens kampt in zijn leven met talloos veel problemen. De hond bood een uitweg, een oplossing. Maar het is nu aan mij om die een andere, menselijke gestalte te geven.

Na het noteren van deze droomresten dacht ik onwillekeurig aan polaroids van Andrej Tarkovski. Vooral door de zachtaardige hond. Maar ook door de hele sfeer van eenzaamheid, van mysterie, van de sterke tegenwoordigheid van een oplichtende natuur. In de wereld die Tarkovski in zijn beelden oproept zou ik graag rondzwerven, maar niet al te lang. Zoals Hans Castorp ook niet te lang op de Toverberg mag vertoeven. Op een dag moet je terug naar de ‘gewone’ wereld, naar je vrienden, familie, relaties, naar wat Menno Ter Braak ‘het carnaval der burgers’ noemde.

Hieronder een selectie van polaroids uit ‘Lumière Instantanée’, een boek waarin de cineast zijn foto’s zelf op de hem in al wat hij doet zo eigen manier becommentarieert.

tarkovsky_polaroids_05.jpg

tarkovsky_polaroids_04.jpg

tarkovsky_polaroids_07.jpg

tarkovsky_polaroids_10.jpg

Alle foto's: copyright Andrej Tarkovski

20-03-13

DROOMWANDELING

a trip to guimaraes

Foto: Martin Pulaski, 2012.

11-03-13

DE TUIN

il-giardino-dei-finzi-contini.jpg

Il giardino dei Finzi Contini, Vittorio De Sica


Achter je woning bevond zich een weelderige tuin, die op zonnige dagen meer weg had van een park, en soms, vroeg in de ochtend,  op een vakkundig aangelegd bos leek (waarin je ondanks het planmatige je weg kon verliezen). Elke keer als ik je een sein gaf, op papier of elektronisch, stond je me er met al wat verrukking in je blik op te wachten. Het gebeurde nooit dat je er niet was, op de gebruikelijke plaats, in de schaduw van een van de esdoorns wat verderop in de tuin; zelfs als ik vermoedde dat je belet zou zijn zag ik van ver al een glimlach op je mond. Ik had heel goede ogen.

Hoe vaak we hand in hand in je tuin wandelden, zonder er daadwerkelijk te verdwalen, weet ik niet meer: het lijkt zo lang geleden, alsof het in een andere eeuw gebeurde, de negentiende misschien. En mogelijk had een vriend-tuinarchitect van Goethe of Schiller de heerlijke omgeving wel bedacht. Er was zelfs een doolhof te zien, een beetje zoals in The Shining, maar zonder de lugubere connotaties. We spraken er altijd op zachte toon, of fluisterden, en lachten om allerlei dwaze dingen.

Wat keek ik uit naar die zorgeloze momenten, daar in jouw tuin.  Het speels en toch innig samenzijn had iets sensueels, sensueler denk ik nu dan het strelen van je clitoris, sensueler zelfs dan wanneer je zachte lippen de gevoelige huid van mijn penis in beweging brachten.

Op een dag moest je naar een stoffenwinkel. Je had een stof gekocht, ik herinner me niet welk textiel het was; je kon er patronen in ontwaren die naar het mariene leven verwezen. Ik wist hoe goed je kon naaien: het zou ongetwijfeld een jurk worden in de stijl van Alexander McQueen, zonder dat je hem zou imiteren.

Nu moest je de rekening betalen. De verkoopster haalde een lijvig document uit een lade: de factuur. Talloze bladzijden vol ingewikkelde letters, cijfers en andere symbolen. Je begreep er niets van en werd boos. Het ontging me wat er aan de hand was en durfde me er niet in mengen. Uiteindelijk slaagde je er toch in om het verschuldigde bedrag te betalen. Weer op straat wierp je me enkele boze blikken toe. Zo had ik je nooit eerder gezien, alsof ik tot op dat ogenblik in je nabijheid altijd betoverd was geweest – en nu niet meer. Ik vroeg je wat er scheelde. Je zei dat ik me geen zorgen moest maken, het zou wel overwaaien. Bovendien had je je maandstonden, dan was je altijd prikkelbaar, zei je.

Tijdens een lange busrit naar het Zuiden verloor ik je uit het oog. Ik moest in een stad zijn, heuvelachtig, pittoresk, waarvan ik de naam vergeten ben. Daar bevond zich de boekwinkel met de beste en vooral qua design mooiste boeken. Hoewel het geen grote stad was vond ik de weg naar de winkel niet. Niemand kon me uitleg geven omdat in die stad een taal werd gesproken die ik niet kende. Ik geloof dat ik alle straten al twee of die keer had doorzocht toen de lucht opeens onheilspellend donker werd. Zomaar: eerst stralende zon, dan alles purper en zwart. De mensen om me heen begaven zich gehaast naar een plek, ergens bergafwaarts. Ik volgde hen, ongerust als ik was. De verzamelplaats bleek een tunnel of een grot te zijn. Daar was het niet zo donker als buiten.

Inmiddels was de lucht helemaal zwart geworden. In de verte hoorde ik geronk, gedaver van motoren. Vliegtuigen? Bommenwerpers? Ik probeerde dichter bij de uitgang te komen, wat moeilijk was met al dat volk. Ik vroeg een man en een vrouw of ze wat plaats wilden maken. Waarom, vroegen ze. Ik vertelde hen dat ik nog niet lang geleden geopereerd was. Dat ik drie maanden in een ziekenhuis had gelegen, waarvan twee weken in coma, dat ik nog erg zwak was en dat mijn wonde nog niet helemaal was genezen. De man en de vrouw bekeken me nu aandachtig. Maar daarbuiten bleek nu de Apocalyps toch werkelijk te zijn begonnen. We hielden onze adem in, wachtend op een openbaring.

19-02-13

OP ZOEK NAAR VERLOREN DAGEN


Verstrikt in de lianen van een droom, verdwaald in een labyrint van venijnbomen, terwijl woorden gezongen door een communistisch meisjeskoor me overspoelden, zag ik Rainer Maria Rilke bij zonsondergang als garnaalvisser op een wit paard over het strand van Oostduinkerke galoperen. Ik weende zoete tranen; bevochtigde een dundrukpagina van ‘A la recherche du temps perdu’.

---

 

(Deze woorden vond ik terug op de achterzijde van een toegangskaart voor de 47ste Handelsbeurs van Brussel in de lente van 1974, een jaar waarin ik veel naar Rock Bottom, Pretzel Logic, Kimono My House en Pin Ups luisterde. Na al die jaren proef ik nog steeds de Ethiopische koffie die we daar in een van die paleizen op de Heizel dronken.)

07-02-13

AAN DE OVERZIJDE

alfredkubin.jpg
Alfred Kubin, Waanzin.

Het ‘fantastische’ blijft in het vacuüm van mijn onbewuste opgesloten. ’s Nachts in mijn dromen en nachtmerries kan het van zich laten horen. Soms herinner ik me er flarden van. Het is een kwestie van oefening. Vroeger hield ik een nachtboek bij. Dat stond na een tijd vol fantastische verhalen: fragmenten van dromen. Ik ben ermee opgehouden omdat ik liever in de realiteit leefde, tussen echte mensen, wandelend in de schaduw van echte bomen, met aan de horizon echte bergen, en dichterbij het ruisen van een echte rivier. In mijn armen wilde ik een echte vrouw houden. Haar wilde ik kussen en nog veel meer. 


Maar inmiddels voel ik me weer verleid door die andere wereld, aan de overzijde, een werkelijkheid waar visionaire ontdekkingsreizigers als Edgar Allan Poe, Alfred Kubin, Gustav Meyrink en Henri Michaux me ooit hebben verwelkomd.

22-12-12

NACHTGEDACHTEN

cyclopodilonredon.jpg
Odilon Redon, De cycloop, 1898-1900.

’s Nachts wervelen mijn gedachten, zwerven ze koortsig van de ene onbestemde plek naar de andere, altijd onbeheerst, altijd gehaast. Zoals Don Giovanni, met zijn boekje, van de ene vrouw naar de andere. Grillig, ongegrond, niet als tulpen of andere bloemen, ontworteld, zinloos, op zoek – misschien – naar een zin. De donkere nachten van december. Op de tast in de richting van een nieuw verhaal, een nieuwe liefde. In de verte, aan het voeteinde van het bed, de contouren van een muze, het kloppende hart van een syntaxis even streng als de Grondwet.

 

19-01-11

ZIELSVERWANTEN

 edgar tytgat2 .jpg

Ik zie je daar zitten bij de bankier, je hoofd nog vol schuld en boete, niet de geestesgesteldheid maar het verhaal. Raskolnikov. Een klein beetje schaamte vanwege je schaamteloosheid. Een nieuwe lening. Wie zal dat betalen? Wie heeft zoveel geld? Gevangenschap voor vrijheid, roekeloosheid voor ruimte, ramen met een uitzicht op een weide waar paarden iets wat op eeuwigheid lijkt uitademen in de ijzige, grijze lucht.

Je waadt door levens als door een groene vijver waarop waterlelies zuchten. En soms hoor ik als ik weer eens door de wandelgangen slenter jouw eigen diepe zucht. Als een donkere wolk je naar de keel grijpt en je begrijpt dat de zanger geen woorden vindt voor zijn emoties. Geluk wordt droefheid zo zonder taal. Je blik lijkt te sterven in je hoofd dat tussen dove sterren zweeft. Je lichaam zwak, afgetakeld.

Maar dan sta je op, alsof een speler de trompet aan de lippen heeft gezet en je ziel nieuwe veerkracht heeft gekregen. Je bent een jong dier, een veulen kort bij de merrie in de weide. En het is zomer en je gaat op je knieën zitten voor de paardenbloemen, de klaprozen. Je klapt in de handen. Je geliefde zingt een lied. Hij heeft enkele woorden gevonden. Woorden die elke gedachte aan geld, aan schuld, aan zwaarte naar een donker woud verbannen. Om daar te branden in een vreugdevuur dat zielsverwanten brandend houden. Zodat jij en ik onze gang kunnen gaan. Wij die elkaar graag in de ogen kijken en willen lachen en dansen en kussen.

 

19:23 Gepost in Droom | Permalink | Commentaren (1) | Tags: harvest, neil young |  Facebook

22-03-10

LENTE


Le Sacre du Printemps by Preljocaj

Le Sacre du Printemps by Stravinsky choreographed by Angelin Preljocaj. Performed in La Maison de la Danse de Lyon, 2004.

Ik verzin je in de lente in een jonge tuin betoverend. Geef je vleugels en zeldzame woorden, die mijn zinnen verbijsteren en verrijken. Ik hul je wit tulpenlichaam in zijde en hang een slinger van seringen om je slanke hals. Je danst op de muziek van de sterren, die de aarde raken met hun ritme en licht. De donkere zon houdt de trompet aan de mond, Venus zit aan de drums, een engelenkoor als op een schilderij van Van Eyck duikt op uit de laurierbossen, met harpen en triangels. Er valt geen god te bespeuren. Ik plaats een diadeem op je hoofd en begeleid je naar je troon. Zweetdruppeltjes op je huid: schitterende diamanten. Nu ben je mijn koningin. Mijn heldin voor het leven. Ik schenk je een vonk van mijn ziel. Maar wie wakkerde het vuur aan?
Na een diepe slaap en koortsige dromen geef ik je zintuigen zin in alle zinnelijkheid van de wereld. En avant! De trein rijdt het station binnen. Het wordt een lange reis als we zo bezeten willen beminnen.

 

04-12-09

LANG VERHAAL KORT: 40 JAAR


memories 1b



 

 

memories 2b

The Cool World.

29-01-08

CHAMPAGNE

 

champagne,droom,schip,verdriet,scheepvaart,schippers,stroming

Ik droomde van champagne. De droom stond, denk ik, symbool voor alles wat voorbij en verloren is. Ik bevond me op een schip, stond op het voordek te kijken naar twee flessen champagne: een hing aan een touw bengelend aan de stuurboordzijde, de andere aan de bakboordzijde van de rijnaak. De flessen waren open, maar nog vol, dat kon ik afleiden uit het schuim dat er uit opborrelde. Door de stroming kwam eerst de ene fles los, en daarna, toen er een schip uit de andere richting voorbijvoer, de andere. Een schipper op de andere aak kon die tweede fles nog opvissen, maar de champagne spoot er meteen uit, zodat de arme man er ook niets meer aan had, tenzij hij een flessenverzamelaar was.

Ik voelde me verdrietig, want ik had zeer graag een glas gedronken.

17-01-08

DE VROUWEN VAN MIJN DROMEN

 

droom,vuil,barakken,matras,drinken,roken,seks,verlangen,vrouwen,erotiek,wassen,plassen,festival,dali,southern comfort,syd barrett,kafka,david lynch,kunst,literatuur

De meeste lezers lezen niet graag dromen. Maar dromen maken een belangrijk deel uit van het leven, ze vormen er de ondergrond van, en ze kunnen veel dingen die je niet goed begrijpt verduidelijken. Dromen liggen aan de basis van veel kunst en literatuur. Ik denk aan Coleridge, Kafka, Dalí, Syd Barrett, David Lynch. Ik vertel hier een droom omdat ik op dit ogenblik wel moet. Ja, zo is het, ik moet.

Ik heb er deze voormiddag twee uur over gedaan om te douchen, nagels te knippen, haren te wassen, etcetera. Ik voelde me erg vuil door een droom die ik had.


Ik bevond me in een stadje waar een zeer chaotisch festival gaande was. Lang na middernacht, nadat ik gedronken en gerookt had in groezelige bars, moest ik een slaapplaats vinden. Na lang zoeken, door modder en vuilnis ploeterend, vond ik een aantal bouwvallige barakken, met rood- en blauwgeverfde deuren. Ik opende een deur. Daarbinnen lag op een oude, stinkende matras een zeer bevallige vrouw, die ik tevoren al begeerd had. (Het was de vrouw van mijn dromen). Nu wenkte ze me naar binnen. Ik moest dicht tegen haar aan komen liggen, om het warm te krijgen. Maar eerst moest ik me wassen - en dringend plassen. Daar ik nergens een badkamer of wc vond, ging ik van lieverlede vuil en met volle blaas terug naar die mooie vrouw, maar ik de vond deur van haar hok niet meer.
Een andere vrouw had me uitgenodigd om bij haar thuis te komen slapen, daar was een bed en alles wat ik maar wenste, maar ik was niet op haar voorstel ingegaan; nochtans was die vrouw even verleidelijk als de eerste. Ik herinner me dat ze beiden zeer licht, niet zwaarder dan donsdekens waren. Een ex-collega gaf me Southern Comfort te drinken en wilde me heftig kussen, maar dat wilde ik niet, want zag ze dan niet dat ik mijn hart had verpand aan die bevallige vrouw nummer 1?
Ik werd vaak wakker tijdens de droom, maar ik beval mezelf verder te dromen, omdat ik wilde weten hoe hij afliep, alsof ik naar een film zat te kijken, en ik droomde verder en verder. Een miereneter met cactussen begroeid, kruiste mijn weg. Ik zag hoe hij zichzelf opat en vroeg me af hoe dat mogelijk was. Het beest was zo aardig dat ik het wilde aaien, maar door de stekels kon ik dat niet. Op het einde, na vele omzwervingen, was ik alleen. Ik had geen duidelijke keuze gemaakt. Ik had al mijn kansen verspeeld.

30-04-07

DODE KONINGEN

dood,koningen

Sally Mann, Untitled, 2001

Ik droomde van dode koningen, velen in gouden gewaden gehuld. Ze waren dood, sommigen in stukken gehakt; hun mantels en kronen glinsterden in de wat doffe, stofferige zon. De koningen, en samen met hen vele edellieden, werden met bulldozers in grote aantallen in kleiputten geschoven. Deze koningen verschilden nauwelijks van de uitgemergelde joden die in de concentratiekampen werden aangetroffen bij de bevrijding.

24-02-07

DE TWEE IRENES


Ik zou gaan lunchen met mijn vriendin Irene. Maar dan bleek dat ik ook nog met een andere vrouw had afgesproken, die eveneens luisterde naar de naam Irene. Ik werkte in een ministerie waar tevens les werd gegeven. Het was een oud gebouwencomplex, met een patio in het midden.

Omstreeks tien uur ‘s morgens kreeg ik het bericht dat een inspecteur met me zou komen praten over een nieuwe methode die in het werk zou worden toegepast. De methode was op wiskunde gebaseerd. Die mededeling irriteerde me mateloos. Ten eerste omdat de man tijdens de lunchpauze zou komen, ten tweede omdat ik een afkeer had van wiskunde en ook niets aan mijn werkmethode wilde veranderen. Om twaalf uur stipt klopte de inspecteur op de deur van mijn bureau. Op een pleintje wat verderop zag ik Irene ongeduldig staan wachten op me. Toen ik merkte dat ze mij door het raam zag kijken deed ik haar teken dat het nog een vijftal minuten zou duren.

Maar geheel onverwachts stonden mijn broer en mijn moeder nu in mijn kamer. En waar was de tweede Irene? Wat moest ik doen? De inspecteur liet ik duidelijk verstaan dat een wiskundige werkmethodehervorming mij niet aanstond. Ik zou er weliswaar over nadenken en later weer contact met hem opnemen. De man, die een zekere autoriteit uitstraalde, was duidelijk beledigd. Ik zou nog problemen krijgen, dat was duidelijk te voelen aan de handdruk bij het afscheid. Mijn moeder en mijn broer toonde ik waar ze het brood en het beleg konden vinden. Ze mochten eten wat ze wilden, zei ik.

Een volgend probleem was de verdwijning van mijn schoenen. Ik vroeg me af of ik op mijn sokken met de twee Irenes kon gaan lunchen. Misschien kon ik onderweg gauw een paar nieuwe schoenen kopen. Maar dan moest ik nog kunnen verklaren waarom ik met die twee Irenes tegelijk had afgesproken.

23-02-07

IK SLOEG EEN VETTE KEREL


Vorige nacht sloeg ik een vette kerel, een misdadiger die al was gevangen genomen, recht in het gezicht. Hij had de vreselijkste misdaden gepleegd, maar spijt scheen hij niet te hebben. Hij zat recht voor me in bloot bovenlijf en lachte luidkeels, trots op zijn daden. Daarom klopte ik hem ook nog met mijn haarborstel op het hoofd. Het enige wat ik zo bereikte was dat hij mij nu volop uitlachte. Ik sloeg harder en harder, ook op zijn wit, papperig bovenlijf, maar ik had net zo goed op een zak bloem kunnen slaan. Dit alles vond ik hoogst onbevredigend.

19-02-07

HET SPOOR GEVONDEN


Ik droomde van een reis en vooral van de terugkeer. Op de terugreis naar de hoofdstad moesten we onverwacht ergens overstappen. In the middle of nowhere zoals sommige mensen zeggen. Er viel nauwelijks een station te bespeuren. Wel was het landschap rondom van een intense schoonheid. Duizenden klaprozen in de zonovergoten velden naast de sporen. Blauwe korenbloemen in de wilde velden. Jonge sparren erachter. Geen wolk in de lucht. Ik wist dat we op spoor twee moesten zijn. Nergens was een richting aangegeven. Geen pijl, geen nummer, geen naam. Na lang zoeken, via overwoekerde paden en ondergrondse doorgangen, had ik het juiste spoor gevonden. Ik voelde iets van een triomf. Veel later kwamen de medereizigers aan. Eerst deden zij net of ze me niet zagen. Ze wilden niet toegeven dat ik lang voor hen het juiste spoor had gevonden. Na een tijdje zei een van hen: o, ben jij hier ook al? In een droom.

05-09-06

DEZE TREIN STOPT HIER NIET LANGER


Ik droomde over mijn vader, mijn moeder, mijn broer, mijn oude schoolvrienden. Heftige emoties hadden me in hun greep. Je moet naar hen toe, je moet het hen zeggen. Wat? Wat er in je hart omgaat… De landschappen die ik zag tijdens mijn reis lagen te zuchten onder een genadeloze zon. Of hevige regen veranderde akkers en boomgaarden in bruine modderpoelen. Vaak kon ik niet verder. Veel wegen waren versperd. Iedereen scheen de aarde te hebben verlaten en toch waren overal werken aan de gang. Onzichtbare arbeiders hadden diepe gaten in het asfalt geboord. Maar nu hing de stilte van een sneeuwvlakte boven afgronden. Mijn vijanden konden me niet van mijn plan afbrengen om mijn moeder op te zoeken. Maar ik kon haar niet vinden. Mijn vader was ver weg in een vergeten land. Wat ik hem nooit gezegd had. Mijn liefde voor hem. Wat hij nog steeds voor me betekende. Donkere en dreigende schaduwen waar ik zijn gezicht zocht. Nergens zijn stem of de geur van zijn lichaam, die ik me zo goed kon herinneren. Tabak, aftershave, brillantine. In Limburg reisde ik door kleine dorpen, duizenden kilometers van elkaar verwijderd en op geen enkele kaart aangeduid.
Het openbaar vervoer was een chaos. Bussen en treinen brachten me overal en nergens heen. Mijn naam was Niemand, maar zonder muziek van Ennio Morricone op de achtergrond. De namen van mijn oude schoolvrienden zaten wel nog diep in mijn geheugen gegrift. Hen moet ik zien. Ik huur een hotelkamer in Maastricht. Ik nodig hen uit. We gaan drinken, lachen. Maar hoe kon ik hen bereiken? Ik had geen adressen en ik was vergeten hoe ze eruit zagen. Ik voelde me uitgeput, een oude kerel. Veel te oud voor de reünie die ik voor ogen had gehad. Iedereen zou me uitlachen als ik met zulk voorstel op de proppen zou komen. Of moest ik toch Ivo maar eens aanspreken. Hij is de geknipte persoon om een reünie te organiseren. Of zou ik aanbellen bij de ouders van Josiane. Ik kom in vrede, ik heb jullie mooie dochter goed gekend. Neen. Ze zouden me niet geloven. Ze zouden allerlei dingen zoeken achter de woorden die ik zou uitspreken. Bijvoorbeeld achter het voltooid deelwoord ‘gekend’. Met tranen in de ogen dacht ik terug aan de tijd toen ik Josiane’s blonde haren streelde. Waar ben je? Waar is iedereen naartoe? Ik moet dringend bij mijn broer op visite, voor het te laat is. De tijd staat niet stil. Het begin van de wereld snelt naar het einde van de wereld.
Deze trein stopt hier niet langer, mijnheer. Neen, dat station is al een tijdje geleden afgebroken. Het spijt me zeer, ik kan u niet helpen.

01-07-06

DROOM, KEERPUNT EN ORAKEL

schip,neerharen,badpak,moord,lacan,baltasar gracian,moeder,broer,1978

Mijn moeder werd lafhartig vermoord: dit pijnlijke feit kwam ik pas later aan de weet. Met Laura ben ik, voor een paar dagen, in Neerharen. Bij Frankie, in de nabijheid van het schip. Zowel hij als Elfriede en ook de kleine Octavio gedragen zich geheimzinnig. Ik weet dat die geheimzinnigheid twee dingen kan betekenen: ofwel zwemmen, ofwel fotograferen. Alleszins heeft het met seks te maken. Je ondergoed uit doen en een badpak aantrekken. Want het is mooi weer. Mijn broeder neemt een afwachtende houding aan. Daarom wandel ik een eindje langs het kanaal tot aan de ijzeren brug. Aan de voet van een van de pijlers aan de kant van het dorp is de weg op zo'n ongewone wijze geplaveid dat je er niet naast kan kijken. Hoewel het min of meer normale plaveien zijn, doet het geheel denken aan een mozaïek. Het zijn rechthoekige stenen met een inscriptie erin. Elke steen draagt een boodschap. Op dat moment wordt het voor mij duidelijk dat mama dood is.


Niet alles wat ik verneem over mama's overlijden staat in de stenen ingegrift. Gedeeltelijk komt het mij verbaal ter ore, als verhaal, gedeeltelijk wordt het mij in beelden meegedeeld.
Mama loopt aan de andere oever van het kanaal, in de buurt van de kiezelgroeve. Terwijl het schip wordt volgeladen met grint maakt zij een wandelingetje. Een arbeider van de kiezelwasserij komt in haar richting gelopen. Zodra hij haar ziet ondergaat hij een gedaanteverwisseling. Hij neemt een dreigende houding aan en houdt haar tegen. Een grijns verschijnt op zijn gezicht. Mama weet instinctmatig dat er onheil te wachten staat.
"Dacht ge dat ik altijd in de grint gewerkt had?" vraagt hij, "dan zit ge er lelijk naast. Want vroeger was het wel anders." Een brutale lach.
"Vroeger... Toen stopte ik de vergaste lijken in de kisten. Ja, toen stopte ik de lijken in de grond..."
Mama begrijpt te laat met wat voor smeerlap zij af te rekenen heeft. Niet alleen een smeerlap, een salaud, maar een gevaarlijke kerel. Met deze man valt niet te praten. Ze grijpt vliegensvlug een baksteen die daar op de grond ligt en slingert hem naar zijn hoofd.
Ik hoor haar dit vertellen. Het is een verhaal dat zich afspeelt in de verleden tijd. Haar stem klinkt alsof zij van ergens onder water komt.
"Dat was een grote vergissing," zegt ze, "dat ik die baksteen naar zijn hoofd heb geslingerd. Ik had onmiddellijk weg moeten lopen, misschien had hij me dan niet meer te pakken gekregen."
Hoe heeft de nazi mama vermoord? Met zekerheid valt dat niet te zeggen. Er zijn twee mogelijkheden: ofwel heeft hij haar gewurgd, ofwel heef hij haar hoofd onder water gehouden tot ze verdronken is. In ieder geval heeft hij haar dood of levend in één van de oude kiezelgroeven geworpen, een van de putten die zich met water hebben gevuld en die er nu uitzien als slecht onderhouden, door oorlog geschonden vijvers.
Ik betreur het nu dat ik zoveel van de inscripties op de plaveien vergat.Op één van de stenen las ik :

LIEVE ZOON
LIEVE LAURA

Ze is er niet meer. Ik barst in tranen uit. Ik mis je, mama, ik mis je. Haar liefde voor Laura, zoals zij daar op die steen geschreven staat, in synthesewoorden die symbolen zijn, die duizend woorden en niet-woorden samenvatten, verhevigt mijn verdriet. Toch rijst er ook twijfel: wie is die 'lieve zoon', is dat mijn broer, ben ik het, zijn wij het beiden?
Voor haar dood heeft mijn moeder nog een onderzoek ingesteld naar de identiteit van haar moordenaar. De resultaten daarvan staan ook op de stenen als waarschuwing voor de overlevenden. Een uiting van haat of wraaklust ten aanzien van haar moordenaar kan ik me niet herinneren.

Na het ontwaken vertel ik de droom aan Laura. Zij wijst me op de afwezigheid van vader. Ik schrik. Want ik denk aan Lacans theorie van de psychose; de verwerping van de naam van de vader. Zou het dan toch waar zijn? Voor ik deze droom vertelde had ik nog een nachtmerrie.Een wedstrijd: hardlopen. Het gaat om een marathon die allesbehalve olympisch is. Geen van de lopers is werkelijk gemotiveerd. Het lopen is maar een middel, het doel een onbenulligheid, iets absurds. Ik denk: deze renners zouden even weinig gemotiveerd de dood tegemoet lopen en misschien is het dat wat ze hier doen.Het parcours is een kunstzinnig uitgevoerd labyrint, grotendeels in wit dennenhout uitgevoerd. Het geheel drijft op een wateroppervlak. Aan weerszijden van de loopstroken is er water. Hindernissen zijn er natuurlijk ook. Een van de lopers, een jonge man, speelt vals. Hij kort namelijk het verplichte traject eigenhandig in; soms springt hij van de ene strook op de andere. Door de bosjes en plantsoentjes raakt hij echter, na dergelijke sprongen over het water, gedesoriënteerd: hij weet niet meer welke richting hij uit moet. Vele, zo niet alle supporters sympathiseren met hem - waarschijnlijk precies omdat hij vals speelt - en wijzen hem de juiste richting.De loper en ik komen samen aan bij een openbaar toilet. Het is alleen maar een houten raamwerk - ook de deuren zijn doorzichtige ramen. Het is tegelijk ook een stortbad, merk ik nu. Een jongensachtige figuur, helemaal nat, maar glimmend, glibberig als een aal, opent de deur en komt naar buiten. Ik voel onmiddellijk een fysieke afkeer voor hem. Angst dat hij me zal aanraken. Hij is naakt en naar het mij wil voorkomen geslachtloos.
"Je bent zeker mijn vijand", zeg ik.
"Neen", antwoordt hij, "dat is niet waar!"
Vervolgens verdwijnt hij.

Nu zijn we al met zijn drieën, de jongen, het meisje en ik. We bereiken de grootste hindernis - een hoge, steile berg, die net als al de rest onnatuurlijk, kunstmatig is. Het is een bijzonder ingenieuze constructie in steen, hoekig, loodrecht als een flatgebouw, zeer solide. Er zijn platte stenen in verwerkt, een soort plaveien die afgerond zijn aan de rand en die ook wat uitsteken: ze moeten de beklimming van de berg mogelijk maken.

Met z'n drieën moeten we nu deze berg beklimmen - het blijkt niet zo moeilijk te zijn Het meisje is lief, ik merk dat ze bezorgd is om mij, wat me een warm gevoel geeft. We zijn aangkekomen. Of toch niet? We weten niet of we ons doel bereikt hebben. Althans: ik weet het niet.
Plotsklaps stort het meisje in een afgrond. En als ik haar hartverscheurende kreet hoor ga ik zelf wankelen, alsof ik ook val. De andere jongen is zo snel beneden…dat gaat mijn petje te boven. Het meisje is nog in leven. Nu is ze nog meer begaan met mijn lot. Vanuit de afgrond roept ze me toe:
"Blijf daar toch niet hangen of je zal vallen! Kom naar beneden, voorzichtig!" Maar afdalen kan ik niet. Alle stenen zitten los, en bovendien zijn ze nog glad ook. Ik kan me nergens meer aan vasthouden. Ligt dat aan mij of aan de berg? Ik val... En daarna ontwaak ik uit de leegte waarin ik neerviel en vertel ik de dromen aan Laura in dezelfde volgorde als ze hier neergeschreven zijn...

 

schip,neerharen,badpak,moord,lacan,baltasar gracian,moeder,broer,1978

Eindelijk wakker nam ik het boek ter hand dat op mijn nachtkastje lag, Baltasar Gracians Handorakel en kunst der voorzichtigheid: 

“Uitwegen vinden! De vrucht van een fortuinlijke levendigheid van geest! Dank zij die vlugheid en beweeglijkheid hoeft men verrassingen noch moeilijkheden te duchten. Menigeen overlegt lang, om zich daarna toch nog totaal te vergissen. Anderen bereiken alles zonder enig voorafgaand beraad. Er zijn van die antiperistatische naturen, die hun volle maat pas geven als zij in de knel zitten: onberekenbare wezens, wie zonder voorbereiding alles gelukt, en met overleg niets. Wat hun niet terstond invalt, vinden zij nooit; voor hen bestaat geen hoger beroep. De vluggen verwerven dus bijval omdat zij blijk geven van wonderlijke bekwaamheid: fijnheid in het denken en geschiktheid in het handelen.”

Die dromen droomde ik en dat boek lag op mijn nachtkastje op een vrijdag in november in 1978. Wat betekende dat allemaal? Wie legt het mij uit? Ik heb de indruk dat er sindsdien weinig is veranderd in mijn droomleven, en het citaat van Baltasar Gracian kwam tegemoet aan mijn ideale ik. Tot dan had ik op die manier geleefd. Fortuna lachte me toe. Waar had ik dat aan verdiend? Ik weet het niet. Maar het mooie liedje zou niet blijven duren. Mijn kansen zouden keren. Al heel snel zou ik slechte kaarten krijgen. Zelfs een schoppenboer was mij niet langer gegund. Ik vraag me af of dat toen een keerpunt in mijn leven was, die vrijdag, die droom, dat boek.

10-04-06

TWEE BROERS

fietsen,eiland,vliegtuig,broer,station,ds,el paso,engels,spaans,border radio,soul,hippie,tim buckley,kolenmijn,mijnwerker,vader,streekkrant,moeder,dood,alleen,aldi,bier,rio grande,verwelkt,leeg,texas,deejay

Hoe vervoert hij zijn fiets naar het eiland en van het eiland weer naar huis? Hij vraagt zich af of hij ermee op het vliegtuig kan, in de trein en de bus. Hij is op weg naar zijn broer, maar het is niet duidelijk of hij droomt of waakt. Zijn broer woont nog steeds thuis, in het dorp aan de rivier en het kanaal. Zal zijn broer hem komen oppikken als hij aankomt in het station van G. (want hij heeft beslist om toch maar de trein te nemen)? Hij weet het niet. Wij weten het ook niet. Evenmin weten we of het een kanonschot is, achter de horizon, of een donderslag, of een oude auto misschien. Het zou wel eens een DS kunnen zijn. Hij vraagt zich af of hij zijn broer nog wel zal herkennen. Misschien is zijn gezicht gerimpeld en opgezwollen van de drank. Hij is lang weggeweest. Een soort van zelfgekozen ballingschap in El Paso, Texas. Hij heeft er Engels geleerd, zij het op de Texaanse wijze uitgesproken, en een beetje Spaans, tussen de immigranten uit Latijns-Amerika, verschoppelingen die in donkere stegen hun wijsheid moeten verbergen. You just can't live in Texas, if you don't have a lot of soul. Dat liedje werd veel gedraaid op zo'n border radio. De deejay was een oude hippie waarschijnlijk, want hij draaide ook wel eens Wings van Tim Buckley.


Zijn broer was er niet. Hij heeft twee uur gewacht en dan maar de bus genomen. Nu komt hij in zijn geboortedorp aan, waar het donker is als in de gangen van een kolenmijn. Zijn vader, die lange tijd mijnwerker is geweest, heeft hem daar vaak over verteld, over die donkerte. Zijn broer zit aan tafel, bij het licht van een lamp van 40 watt. Met ogen die er vermoeid uit zien, maar dan kan ook door dat zwakke licht zijn, zit hij de zoekertjes in de Streekkrant uit te pluizen. Of zijn het de overlijdensberichten? In de kamer ruikt het naar oude koffie en bier. Zijn broer stelt voor om wat te gaan fietsen. Een goed idee, zegt hij. Maar als hij buiten komt is het alsof hij blind is. Ze fietsen naar het kanaal. Hij is er gerust in dat hij niet in het water zal rijden. Hij voelt instinctmatig welke weg hij moet volgen; bovendien rijdt zijn broer aan zijn zijde, als een door god verwenste engelbewaarder.
Eerst is de weg van beton, maar al snel wordt het mulle grond, waar het moeizaam rijden is. Ze zullen in het bos aangekomen zijn. Gaandeweg klaart de hemel op. Daar komt de zon al op. Het heeft allemaal niets te betekenen, denkt hij. Het leven stelt niet veel voor, of het nu donker is of licht. Toch begint de hele omgeving nu licht te weerkaatsen, alsof alles betoverd raakt door hun aanwezigheid. Van zijn broer en hem. Dat licht gaat zijn verstand te boven. In Texas heeft hij alles wat idyllisch of pittoresk kan worden genoemd afgezworen. We kunnen hem moeilijk ongelijk geven. Wat verder is de bodem vervuild. Donkerbruine olievlekken ontsieren het witte Kempense zand.

Hun moeder is gestorven. Zou hij haar durven kussen, of eens knuffelen? Neen, dat kan niet, dat is iets wat zij zelf ook nooit deed. Het zou ongepast zijn om dat nu wel te doen. Het moet een koud weerzien zijn. Terugfietsend beseft hij dat hij alleen is op de wereld. Zijn broer is er nog wel, ja, maar die blijft hier in het bijna leegstaande huis. Hij mag bij zijn broer intrekken, heeft hij gezegd. Ze kunnen kaarten, haring eten, grote flessen bier van de Aldi drinken, fietstochten maken naar de mergelgroeven, of nog verder, tot in Duitsland. Voor hem heeft het geen zin meer, na Texas. Na wat daar is gebeurd, bij de Rio Grande.
Zijn broer zegt dat hij een deksel voor de theepot zal kopen. Die theepot staat op een traptrede, een porseleinen pot met een tinnen deksel. Immens droefgeestig maakt dat ongerijmd beeld hem. Het zal nooit meer beter worden. Het is een lege, verwelkte wereld.

17-03-06

DE STAD COCAIGNE


torenbabel


Laura en ik bevinden ons ergens in het Oosten, in een land dat op Nepal lijkt. We bereiken een stad die waarschijnlijk ‘Cocaigne’ heet. Ze heeft niets gemeen met de toeristische foto's die je vaak te zien krijgt maar beantwoordt wel enigszins aan de 'Heilige Stad' die ik soms in mijn verbeelding zie. Bepaalde scènes uit Pasolini's '1001 Nacht' komen in de buurt van wat ik bedoel. In deze Stad bestaat geen tijd, ze is er altijd geweest. ‘Cocaigne’ straalt een verblindende schoonheid uit. (Literatuur is benadering, meestal zinloze poging, kunstmatigheid; schoonheid is echt.) Komen er geen reizigers naartoe? Toch wel. Vooral pelgrims willen deze Stad bezoeken. Het reusachtige bouwwerk waar we nu binnengaan heeft maar één functie: de stad laten zien. Daartoe zijn helemaal boven in gebouw kijkgaten gemaakt, net iets groter dan schietgaten. Het bouwwerk, dat spiraalsgewijs hemelwaarts klimt, en in dat opzicht doet het denken aan Breughels ‘Toren van Babel’, is voorzien van reusachtige roltrappen waarlangs duizenden mensen stijgen en dalen. Ondanks dat grote aantal bezoekers wordt de stilte hier niet verstoord. Lange tijd blijven we door de kijkgaten de betoverende pracht van de 'Heilige Stad' aanschouwen. Nog helemaal onder de indruk gaan we weer naar beneden. Pas na een tijd valt me de hoge snelheid van de roltrappen op. Plotseling dreig ik Laura te verliezen: haar roltrap schiet opeens nog veel sneller dan de mijne de diepte in. Zonder ook maar na te denken ruk ik aan een noodrem, met als enig resultaat dat mijn roltrap bruusk tot stilstand komt en Laura voorgoed in de diepte verdwijnt. Nooit zal ik haar terugvinden. Toch zoek ik, blijf ik zoeken, binnen en buiten en aan elke uitgang ook al is het aantal uitgangen van dit gebouw niet te tellen. Aan welke uitgang heb ik de meeste kans om haar terug te zien? Ik zal er een moeten uitkiezen en daar op de uitkijk blijven staan, hopend op een gelukkig toeval. Maar ik weet dat het zinloos is in deze menigte, in dit labyrint. Had ik toch maar haar adres.

15-03-06

HET BARRE LAND, DE RIVIEREN EN HET GROTE MEER



Ik wandel in een landschap van ondiepe plassen en riviertjes. Waarschijnlijk heerst hier al lange tijd droogte. De dorre onvruchtbaarheid geeft de omgeving een ongewone schoonheid. Roestbruine en rode vlekken, desolaatheid. Geblakerde aarde. Overal in het rond liggen koperkleurige stenen. Een riviertje met bijna stilstaand water en roestige kiezelsteentjes op de bedding. Ik wandel niet langer. Zonder me ervan bewust te zijn heb ik plaats genomen in een lichte kano en roei zonder bestemming. Het water is transparant als kristal van Val-Saint-Lambert. Hier en daar verheffen zich eilandjes boven het oppervlak. Stenen, rotsblokken. Het riviertje is nu zo ondiep dat roeien bijna niet meer mogelijk is. Ik raak de grond met mijn riemen. Iemand die me begeleidt wijst me in de verte een plek aan, waar het beter is om te roeien, en toch ook niet gevaarlijk.
Maar ik moet wel aan land gaan - het riviertje mondt immers niet uit in dat meer. De bodem is hier nog net zo dor en overweldigend als waar ik vandaan kom. Mijn kano draag ik zelf, wat niet moeilijk is, het is een lichtgewicht model.
Er is nauwelijks een niveauverschil tussen het wateroppervlak van het riviertje en het vasteland en tussen het vasteland en het wateroppervlak van het meer ook niet - water en land liggen in elkaars verlengde. Geen sprake van hoogte of laagte.
”Dit is hier het gebied van het barre land, de rivieren en het grote meer”, zegt mijn begeleider.

Nu vaar ik op het meer. Wat is het hier kalm, vredig. Geen wind, geen storende geluiden. Niet lang kan ik van die harmonie genieten. Een stem in mij dwingt mij ertoe rechtsomkeert te maken. Maar waarom altijd terugkeren?

De doorgang, de lange engte gelegen tussen het meer en de rivier waarlangs ik moet terugvaren is omhooggestuwd. In plaats van het land verheft zich dreigend een hoge stenen muur. Waarschijnlijk is het een stuwdam. Het water zal gezakt zijn zonder dat ik het heb gemerkt. Maar wat nu?De muur is, wat je er ook van zeggen mag, een zeer kunstzinnig bouwsel. Hij lijkt enigszins op een (uitgedijde) sculptuur van Henry Moore. De steen is gepolijst en de openingen in de muur hebben ronde, vrouwelijke vormen. De hele muur is een spel van gebogen lijnen.

Ik sta boven op de muur. Tot mijn ontzetting stel ik vast dat er aan de andere zijde ook een afgrond gaapt. Dat brengt me aan het duizelen, de muur biedt geen houvast meer, ik moet loslaten, eerst de handen, daarna de voeten.