16-09-14

ERWIN: HET BOEK

corman, brussel, mathieu corman, boekwinkel, filosofie, diploma, 1975, werk, loopbaan, radicaal, schrijven, revolutie, liefde, vriendschap, 27, roken, brian jones, blankenberge, schrijverschap, captagon, leopold flam, erwin, joyce & co, geerten meijsing, romantiek, decadentie, more, pink floyd, beat generation, stijl

In de zomer van 1975 nam mijn leven een nieuwe wending. Nog altijd vreesde ik dat ik jong zou sterven. Zes jaar eerder, in Blankenberge, had een jongeman uit Brussel me voorspeld dat ik niet ouder zou worden dan zevenentwintig: net als Brian Jones leed ik aan astma, zei hij, en net als hij was ik een kettingroker. En daar bovenop die joints (terwijl hij zelf voor onze bevoorrading zorgde) en een dieet van frieten en oudbakken brood… Ik herinner me nog hoe de dealer, als ik hem zo mag noemen, naast me op een – letterlijk - luizig bed lag, druk gesticulerend en schaterend als een tandloze kanunnik, op de platenspeler het pastorale ‘More’ van Pink Floyd.
corman, brussel, mathieu corman, boekwinkel, filosofie, diploma, 1975, werk, loopbaan, radicaal, schrijven, revolutie, liefde, vriendschap, 27, roken, brian jones, blankenberge, schrijverschap, captagon, leopold flam, erwin, joyce & co, geerten meijsing, romantiek, decadentie, more, pink floyd, beat generation, stijl

Nooit had ik goed geweten wat ik zou gaan doen met mijn leven of wat de toekomst mij zou brengen. Ondanks mijn pessimisme geloofde ik dat het lot voor mij aangename verrassingen in petto had. Die zomer, trotse bezitter van het diploma filosofie, besefte ik dat ik mij geheel op het schrijven moest gaan toeleggen. Het werken aan mijn thesis had mij enige discipline en wat zin voor structuur bijgebracht; de waardering die ik ervoor kreeg had me geholpen met het gedeeltelijk overwinnen van mijn aangeboren onzekerheid. Ja, ik ging mij op het schrijven toeleggen maar wilde in geen geval een commercieel auteur worden, net zomin als ik les wilde geven: de school was net als het burgerlijke gezin, het leger en de gevangenis een steunpilaar van een vermolmde maatschappij; het onderwijs maakte kinderen en jongeren onderdanig en plichtbewust. Mijn denkwereld, besef ik al enkele tientallen jaren, was revolutionair, negativistisch, bijna jakobijns (hoewel ik in tegenstelling tot de echte jakobijnen niets tegen ‘vreemde’ talen had). Ik geloofde alleen nog maar in abstracta (die gelukkig af en toe concrete vorm aannamen): liefde, vriendschap en revolutie.
corman, brussel, mathieu corman, boekwinkel, filosofie, diploma, 1975, werk, loopbaan, radicaal, schrijven, revolutie, liefde, vriendschap, 27, roken, brian jones, blankenberge, schrijverschap, captagon, leopold flam, erwin, joyce & co, geerten meijsing, romantiek, decadentie, more, pink floyd, beat generation, stijl


Daar ik mij aan de handel in letteren onttrok – een houding die mijn belangrijkste prof, Leopold Flam, aanzienlijk versterkt heeft – kon ik niet van de taal noch van de filosofie leven. Via een vriend vond ik werk als verkoper bij mijn geliefkoosde boekhandel Corman in de Ravensteinstraat te Brussel. Daar had ik als student menig uur doorgebracht; daar zou ik nu mijn brood verdienen. Ik dacht het schrijven en mijn eerste echte baan te kunnen combineren. Waarom ook niet: ik deed het werk graag, de klanten waren over het algemeen van het alternatieve type, en uiteraard zeer geïnteresseerd in literatuur, kunst en theater. Ik denk dat het de beste, meest veelzijdige boekwinkel van België was. Alleen al omdat hij viertalig was, was hij een unicum. Je vond er de nieuwste Nederlandse, Franse, Engelse en Duitse publicaties maar ook, zo verschillend van deze tijd, een behoorlijke stock. Je trof er bijvoorbeeld oude Gallimard-uitgaven van Apollinaire en Breton aan (spotgoedkoop omdat ze nog aan de oorspronkelijk prijs werden verkocht) én ongeveer alles van de geweldige City Lights-uitgeverij. Ik was in die dagen voornamelijk in Franse literatuur, Duitse romantiek en Beat Generation geïnteresseerd, maar was tevens goed op de hoogte van de Nederlands letteren. Ik bladerde elke dag in de nieuwe boeken die binnenkwamen, of toch in wat me interessant leek.

Op een zachte herfstdag viel mijn oog op de omslag van ‘Erwin’, de eerste roman van het schrijverscollectief Joyce & Co. Wat trok het meest mijn aandacht, de mooie decadente tekening of de naam ‘Erwin’? Ik herinner me dat ik in die dagen nog van Beardsley hield, maar niet meer met hart en ziel. Mijn vriend Erwin was ik verre van vergeten; ik dacht dagelijks aan hem. Met hem had ik zulke gelukkige, avontuurlijke en vooral dwaze uren beleefd; hem had ik altijd een beetje gezien als een personage in een undergroundfilm of in een Kerouac-achtige roman (hoewel we nooit samen ‘on the road’ waren geweest). Hoe het ook zij: ik voelde meteen aan dat de roman als het ware voor mij was geschreven, een absurde gedachte natuurlijk, maar op die manier kronkelden mijn hersens in die koortsachtige tijd. Het gebruik van Captagon om twee levens te kunnen leiden, één bij Corman overdag, één aan mijn schrijftafel tot diep in de nacht, zal mijn denken ook wel enigszins ontwricht hebben. Niet dat ik daar ooit spijt van heb gehad. De ontwrichting van de zintuigen en van het denken was, zeker in de jaren zeventig, een missie. En dat ik op die manier kennis heb gemaakt met de wereld van ‘Erwin’ en later met het overige, adembenemende werk van Geerten Meijsing betreur ik al helemaal niet, wel integendeel. Net zoals voor Gerrit Komrij blijft het boek “een romantisch-decadente gooi naar het allerhoogste”. Ik zal niet beweren dat ik 'Erwin' heb verslonden, daar was hij te vreemd, te grillig, te eigenzinnig, stilistisch te rijk voor. Ik heb hem, alsof het morfine of opium was, met kleine dosissen tot me genomen. Toen ik het boek uit had, was ik niet alleen geheel uit mijn evenwicht gebracht: ik was er verslaafd aan. Of was ik verslaafd aan Erwin, aan zijn wereld, aan zijn ondergang? 
corman, brussel, mathieu corman, boekwinkel, filosofie, diploma, 1975, werk, loopbaan, radicaal, schrijven, revolutie, liefde, vriendschap, 27, roken, brian jones, blankenberge, schrijverschap, captagon, leopold flam, erwin, joyce & co, geerten meijsing, romantiek, decadentie, more, pink floyd, beat generation, stijl

...

De geschiedenis van Mathieu Corman en zijn boekhandels verdient veel meer aandacht. Een uitstekend artikel is: ‘Brandbom tussen de boeken. Mathieu Corman, gedreven literator’ van Frank Okker.

Zie: 
http://www.dbnl.org/tekst/_par009200201_01/_par009200201_01_0004.php

Dit gebeurde kort voor ik bij Corman aan het werk ging:

"In december 1974 werd de inmiddels drieënzeventigjarige Corman aangehouden en ervan beschuldigd dat hij een twaalfjarig meisje een erotisch drukwerkje had verkocht. Hij zat ruim een maand opgesloten, voordat hij in januari 1975 voorlopig werd vrijgelaten. Of het kwam door de maand die hij in een cel had doorgebracht of dat hij zich niet meer tegen het proces opgewassen voelde, is niet zeker. Wél dat Corman op 15 februari 1975, precies op zijn verjaardag, een eind aan zijn leven maakte.

Zoals vaak ging het na de dood van de eigenaar bergafwaarts met de boekhandels van Corman. In 1986 werden het filiaal aan de Ravensteinstraat in Brussel en de hoofdvestiging in Oostende gesloten. Alleen de winkel aan de Kustlaan in Knokke-Het Zoute bleef behouden. In december 1996 echter keerde boekhandel Corman terug in Oostende, nu aan de Witte Nonnenstraat. De schrijversportretten van Labisse verhuisden helaas niet mee. De panelen waren al eerder in Antwerpen geveild. Een aantal van de portretten werd aangekocht door boekhandel De Markies van Carrabas in Hasselt. Maar het herkenbaarste kunstwerk van Labisse zit nog altijd om de boeken van Corman."
Frank Okker

10-09-14

GEERTEN MEIJSING, SCHRIJVER EN VRIEND

GEERTENMEIJSING5 001.jpg

“Tenslotte schuilt de schoonheid geenszins in de roem of het succes, maar in de verheven pracht van ons werk en zijn onontkoombare resultaten.”
Geerten Meijsing, Haarlem, 11 april 1975.

 

Eergisteren had ik het hier bijna terloops over Geerten Meijsing, over mijn bewondering voor de schrijver, mijn vriendschap voor de man. Gisteren stond hij, tot mijn verbazing, in Humo. Het is zelfs een goed en leesbaar interview. Wat er staat is waar: het is een schandaal dat niet één boekwinkel nog een werk van Geerten in aanbieding heeft, toch niet in België. Hoe is zoiets mogelijk?

Mijn eigen herinneringen aan onze ontmoeting in Syracuse wil ik al lang neerschrijven, al van de dag erna, 17 mei 2013; bescheidenheid en schroom hielden me tegen. Ik had het gevoel dat het nog te vroeg was, dat het ongepast was, ja, zelfs dat een verslag mijn vriend schade zou kunnen berokkenen. Hoe kortzichtig was dat. Nu besef ik dat elk woord aan hem gewijd hem goed doet, de schrijver en de mens. Nu besef ik dat ik veel eerder over hem had moeten schrijven, niet alleen over die historische ontmoeting maar ook over zijn boeken, die ik allemaal gelezen heb, behalve ‘De ongeschreven leer’ (het beste bewaar ik altijd tot al de rest op is), over zijn vertalingen, over zijn belang voor onze cultuur.

Over onze ontmoeting heb ik destijds niets neergeschreven, omdat ik net toen hoge koorts en een ernstige luchtwegeninfectie had. Toch staat bijna alles me nog helder voor de geest. Het zal dan ook niet heel moeilijk zijn om een reconstructie te maken van die feestelijke nacht. Daar ga ik me de volgende dagen over ontfermen. Want je moet weten dat de woorden nog maar heel traag tot me komen. Voor één geslaagde zin heb ik soms een dag, soms zelfs een week nodig.

GEERTENMEIJSING2 001.jpg

07-09-14

INFERNO, CANTO XXXIII

ugolino-2.jpg

Ruggieri degli Ubaldi, aartsbisschop van Pisa en leider van de Ghibellijnen in die stad, bracht graaf Ugolino della Gherardesca, uit dezelfde stad, verraderlijk ten val. In 1288 liet de aartsbisschop Ugolino met zijn twee zoons, Gaddo en Uguccione, en zijn twee kleinzoons, Brigata en Anselmo, opsluiten in de klokkentoren van het Palazzo dell’Orologio. Daar kwamen alle vijf van honger om. Deze tragische geschiedenis vertelt ons Dante in de drieëndertigste zang van ‘de hel’ in zijn ‘Goddelijke Komedie’. Kunnen we ons de eeuwigheid voorstellen? Zo lang kauwt in de tweede regio van de negende kring Ugolino aan de schedel en de nek van aartsbisschop Ruggieri:

Dante en zijn gids Vergilius 

… gingen heen en zagen met ontzetting
twee schimmen, in een bijt zo vastgevroren,
dat de een z’n hoofd tot hoed voor ’t andere strekte.
En evenals men brood verslindt bij honger,
zo beet die boven lag gestaag in de andere,
waar nek en hersenpan zich samenvoegen.

Ik weet niet waar ik het vandaan haalde, maar vroeger dacht ik dat Ugolino van het levend vlees van zijn kinderen en kleinkinderen had gegeten. Waarom zat de graaf anders zo diep in de hel; was dat dan slechts de straf voor zijn wraakzucht?

Bij Dante vraagt een van de kinderen zelf om de vader tot voedsel te dienen:


‘O, vader, minder, minder werd ons lijden,
als ge at van ons; hebt gij ons eens omhangen
met dit armzalig vlees, neem gij ’t ook weder.’

De vader weigert daar uiteraard op in te gaan en ziet de kinderen vervolgens de een na de ander sterven. Daarna gebeurt dan toch het onuitsprekelijke, dat Dante desondanks onder woorden brengt:

En blind reeds, zocht ik ze één voor één te strelen
en riep ze nog drie dagen na hun scheiden.
En sterker dan de smart bleek toen de honger.

Kennelijk was mijn verbeelding gruwelijker dan de werkelijkheid, of toch zeker gruwelijker dan de verbeelding van Dante. Ruggieri had wel van het vlees van zijn kinderen en kleinkinderen gegeten, maar pas na hun dood en na dagen van diepe smart. Is dood vlees van je kinderen eten minder erg dan als het nog levend is? Wie zal daarover oordelen? Het is kannibalisme van de ergste soort, de overschrijding van een grens die niet eens zou mogen bestaan, het doorbreken van een taboe dat zwaarder weegt dan wat Oedipus deed.

In zijn gedicht ‘The Tower Of Famine’ verwijst Percy Bysshe Shelley, die samen met zijn vrouw Mary Godwin en Claire Clairmont enige tijd in Pisa woonde, zijdelings naar de gruwelen. In een voetnoot van Shelley (of van Mary, dat is onduidelijk) lezen we het volgende: “At Pisa there still exists the prison of Ugolino, which goes by the name of ‘La Torre della Fame’; in the adjoining building the galley-slaves are confined. It is situated near the Ponte al Mare on the Arno.”

De Shelleys en Claire Clairmont woonden aan de Lung'Arno Galileo Galilei op de bovenste verdieping van  wat Tre Palazzi di Chiesa heette, met uitzicht op de Ponte Fortezza. Door hun ramen konden ze Lord Byrons Palazzo Lanfranchi zien, aan de overkant van de Arno. Maar op die romantische geschiedenis, hoewel heel wat boeiender dan Witse, ga ik hier niet dieper in. Later misschien. Ik heb er veel notities over. In de jaren zeventig was ik verslingerd aan de romantische beweging en de vrije liefde. Meermaals ben ik in die dagen naar Pisa en Firenze gelift.


Dat is allemaal lang geleden, nu lijken alle minuten, alle dagen op elkaar. Borges echter, of zijn personage Villari, beweert in het verhaal ‘Het wachten’ “dat er geen dag is, zelfs niet in de gevangenis of het ziekenhuis, die geen verrassing brengt, die tegen het licht gehouden geen netwerk vol piepkleine verrassingen vormt.” Niet toevallig speelt ook in dat verhaal de ‘Divina Commedia’ een rol. Villari, die aan hevige tandpijn lijdt, begint “stelselmatig in dat kapitale werk te lezen; voor het eten las hij een canto en vervolgens, in strikte volgorde de noten. Hij achtte de helse pijnen niet onwaarschijnlijk of buitensporig en dacht niet dat Dante hem zou hebben veroordeeld tot de laatste kring, waar Ugolino’s tanden onophoudelijk knagen in Ruggieri’s nek.”

ugolino-doré.jpg

En zo blijkt weer dat alles met alles samenhangt en vooral dat het aantal verhalen eindeloos is. Maar de werkelijkheid? Net zoals er nog resten bestaan van Ugolini en zijn kinderen – ze werden opgegraven - bestaan er nog resten van de Gherardesca-familie. In 2002 voerde de paleoantropoloog Francesco Mallegni DNA-testen uit op de dode resten en vergeleek ze met het levende DNA van de nazaten. Het onderzoek leverde geen enkel bewijs voor kannibalisme. Het toont zelfs aan dat Ugolino in de maanden voor zijn dood helemaal geen vlees at. Bovendien was hij stokoud: hoe kon hij langer in leven blijven dan zijn kinderen en kleinkinderen?

...

Geraadpleegde werken:

Dante, De goddelijke komedie (vertalingen van Christinus Kops en Frans van Dooren), De Nederlandsche Boekhandel, Ambo Olympus

Dante, La divine comédie. Index. Avec une introduction à la Bibliographie Dantesque, par Alexandre Masseron, Editions Albin Michel

Shelley, Poetical Works, Oxford University Press

Richard Holmes, Footsteps: Adventures of a Romantic Biographer, Hodder and Stoughton

Jorge Luis Borges, ‘De Aleph en andere verhalen’, De bezige bij


Tekeningen: Gustave Doré

Foto Pisa, Piazza dei Cavalieri, 
Palazzo dell’Orologio: Martin Pulaski, juli 2014

 

IMG_9724.JPG

 

11-07-14

TIJD OM TE LEZEN?

IMG_8491.JPG

Zou ik nu ik schijnbaar over meer tijd beschik dan vroeger minder lezen? Ik neem aan dat ik minder boeken lees – maar daartegenover staat al het vluchtige dat ik online tracht te ontcijferen. Nog altijd heb ik het gevoel dat die laatste manier van lezen minderwaardig is. Bovendien maakt ze mij onrustig en ontevreden, vaak voel ik het aan als ‘tijdverlies’, weer minder tijd om klassieke romans, gedichten en filosofische werken te lezen. Hoe lang ben ik nu al niet met ‘De idioot’ van Dostojewski aan het worstelen! Niet met de idioot zelf, en het is ook helemaal geen worstelen, want het is een enorm genoegen (ook al is het geen voortreffelijke vertaling), maar het duurt wel lang.

Waar ik helemaal zeker van ben is dat ik veel minder boeken dan nog niet zo lang geleden van mijn reizen en reisjes meebreng. Ik herinner me dat ik voor ik in september 1991 uit New York terugkeerde een extra reistas moest aanschaffen voor alle boeken die ik in The Strand en kleinere winkels had gekocht. Dat zal me nu niet meer overkomen. Van Valle Gran Rey, in februari, bracht ik helemaal niets mee, van Praag alleen wat reproducties van Tsjechische filmaffiches (op klein formaat) en nu uit Londen al wat meer, maar toch bijna uitsluitend dunne boekjes. Dat laatste is nu wel een trend, maar ik ben er zeker mee opgezet. Van wat ik uit Londen meebracht e
en lijstje dan maar:


On The Pleasure Of Hating – William Hazlitt
Politics And The English Language – George Orwell
An Apology For Idlers – Robert Louis Stevenson
One Way Street And Other Writings – Walter Benjamin
Dylan On Dylan – Edited by Jonathan Cott
Cash. The Autobiography Of Johnny Cash – Johnny Cash with Patrick Carr
Young Adam – Alexander Trocchi
Artful – Ali Smith
Junky – William S. Burroughs
The Subterraneans – Jack Kerouac
Event.
Philosophy In Transit – Slavoj Zizek


Dat lijkt misschien veel, maar het zijn niet veel pagina’s. Bovendien zijn er boeken bij die ik al bezit en al heb gelezen. Waarom koop ik boeken die ik al heb? Ik weet het niet goed; wel heb ik de indruk dat ik dat almaar meer begin te doen, ook met muziek. Zo kocht ik gisteren alle cd’s van Nick Drake - die ik al allemaal op vinyl heb en dan ook nog eens de eerste editie op cd. Geldverspilling, terwijl ik het helemaal niet breed heb? Misschien gaat het om een vlucht in het verleden, naar mijn vertrouwde wereld, misschien maakt het nieuwe, het onbekende me bang. Dat zou ik erg vinden: ik heb altijd van mezelf gedacht dat ik erg nieuwsgierig was, open voor het andere, een voorloper zelfs, iemand met een oog en oor voor wat aanvankelijk aan de aandacht van de meeste mensen ontsnapt. Ben ik dan zo veranderd? Of heb ik me in mezelf vergist?

Ik ben echter wel blij dat ik überhaupt nog lees en ik vind het altijd een genoegen dat ik andere mensen zie lezen. In Londen in de tube, waar ik gretig gebruik van maak, is het mij opgevallen hoeveel de passagiers daar lezen. Een lust voor het oog. Gisteren in de metro hier in Brussel heb ik even rondgekeken en wat ik in Londen al vermoedde kwam uit: ik zag niet één reiziger met een krant, boek of tijdschrift in de handen. Wat zegt dat over deze stad? En wat zeggen de in de Underground lezende mensen over Londen?

IMG_8567.JPG

Foto's, Martin Pulaski, London, juni 2014.

28-04-14

DE ANATOMIELES VAN DOCTOR NICOLAES TULP

 

The_Anatomy_Lesson.jpg

Ik was al een heel eind gevorderd in ‘De ringen van Saturnus’, het eigenzinnige verslag van een pelgrimage door het Oost-Engelse graafschap Suffolk, met onverwachte zijsprongen naar bijzondere momenten in de wereldgeschiedenis, naar ongewone aspecten van het dagelijks leven, naar zonderlinge personen, naar vergeten wetenschappers en schrijvers, evenals naar grote voorbeelden als Flaubert, Jorge Luis Borges, Descartes en Joseph Conrad, eer ik me afvroeg wanneer nu eindelijk Hölderlin aan bod zou komen. Want ik wist dat dat zou gebeuren: het gaat bij zo’n weten bijna altijd om een sterk aanvoelen, een vermoeden; ‘Ahnung’ is een woord dat Hölderlin zelf graag gebruikt, vooral dichters hebben zulke sterke vermoedens, voorgevoelens, bijvoorbeeld van ‘het heilige’.

Een dag voor ik ‘De ringen van Saturnus’ begon te lezen had ik de Duitse film ‘Barbara’ van Christian Petzold gezien, met de mooie en geweldige actrice Nina Hoss. Het verhaal vertelt de geschiedenis van een vrouwelijke arts die Oost-Duitsland wil verlaten maar daar door een aantal pijnlijke voorvallen – en door verliefdheid – niet in slaagt. De film bevat meerdere lagen, de laag van ‘The Adventures Of Huckleberry Finn’, die van ‘De anatomieles van doctor Nicolaes Tulp’ van Rembrandt, en is doordrongen van paranoia, achterdocht, verraad, pijn, ziekte en liefde.
NINA HOSS2.jpg

Op pagina twintig van ‘De ringen van Saturnus’ las ik over Thomas Browne, die in Leiden de graad van doctor in de geneeskunde behaalde. Tot mijn grote verbazing vermeldt Sebald daar dat Browne zeer waarschijnlijk bij de anatomieles van doctor Nicolaes Tulp, zoals vereeuwigd door Rembrandt, aanwezig was. Op de volgende twee bladzijden trof ik een reproductie aan van het werk, zoals er ook een in het laboratorium in ‘Barbara’ aan de wand hing. Net als de collega van Barbara – een verklikker voor de Stasi – gaat Sebald dieper in op het werk, vooral op de ongerijmdheden ervan.

Dat Sebald wat later aandacht schenkt aan Borges’ ‘Boek van de denkbeeldige wezens’, een van de werken die ik koesterde toen ik nog veel moest leren, verbaast mij al niet meer. Ik lees door en laat me verrassen, door elke zin, door elk woord.

Ik was al een heel eind gevorderd en dacht nauwelijks nog aan Hölderlin. Op pagina 178 begeeft Sebald zich naar het plaatsje Middleton, waar hij de schrijver Michael Hamburger wilde opzoeken, die daar toen al bijna twintig jaar woonde. Michael Hamburger is me niet onbekend: ik las zijn werk over moderne poëzie ‘The Truth Of Poetry’ in dezelfde periode als ‘Het boek van de denkbeeldige wezens’ en wist dat het hier nog ergens moest rondslingeren. Het bevond zich helemaal op de laagste plank van een rek in de donkerste hoek van mijn kamer. Eerst moest ik een stapel tijdschriften opzijschuiven, waaronder een exemplaar van ‘Photo’ met een zich masturberende Madonna op de kaft. De foto’s – uit haar boek ‘Sex’ - zegden mij niets meer, ze waren hopeloos gedateerd. Hadden ze mij ooit opgewonden? J’aime ma chatte. Parfois je contemple dans la glace quand je me déshabille en me demandant à quoi elle ressemblerait sans plus de poils que quand j’étais bébé?
madonna sex2.jpg

Ik las de korte biografie in de Pelican-uitgave van Michael Hamburger. Net als Sebald een émigré woonachtig in Groot-Brittannië, maar van een oudere generatie. In 1933 uit Duitsland gevlucht. Docent aan de universiteiten van Londen en Reading, dichter, vertaler van Baudelaire en Hölderlin. Nu zouden we het krijgen… Op pagina 184 bij Sebald las ik: “Dagen- en wekenlang breek je je tevergeefs het hoofd, je zou geen antwoord weten op de vraag of je blijft schrijven uit gewoonte of uit geldingsdrang, of omdat je niets anders geleerd hebt, of uit verwondering over het leven, uit waarheidsliefde, uit wanhoop of verontwaardiging, en ook zou je niet kunnen zeggen of je van het schrijven nu wijzer of dwazer wordt.” Hier kan alleen maar een excursie naar de wereld van Hölderlin op volgen, naar de man die zijn brieven unterthänigst ondertekent met de naam Scardanelli, met zijn zeer geciviliseerde gasten die hem als een zeldzaam dier in een kooi gevangen kwamen begluren en hem desondanks aanspraken met Uwe Hoogheid en Majesteit. En Sebald besluit dit stuk met: “Welke tijdspanne kunnen geestverwantschappen en analogieën overbruggen? Hoe komt het dat je in een ander mens jezelf ziet en zo niet jezelf, dan toch je voorganger?”

michael hamburger.jpg

Een dag later las ik het fragment over het schrijven voor aan mijn psychiater. Ik geloof dat het de eerste keer was – sinds augustus 1997 – dat ik haar iets voorlas. De hele context en reikwijdte scheen ze niet te bevatten. Ik geloof niet dat ze Sebald, Hölderlin, Borges, kent. Maar ze weet alles over duizelingen en wanhoop. Ik besef nu wel dat schrijven voor jou existentieel is, zei ze. Schrijven is je identiteit, zei ze. Dat vond ik goed, dat iemand die ik zo goed ken en tegelijk helemaal niet ken me zei dat schrijven mijn identiteit is. Maar wat maakte me dat opeens bang.

 

19-03-14

TERUG NAAR VERONA

Verona_Italy_San_Anastasia.JPG

“Schrik onttrekt de levenssappen aan het bloed.”
Giacomo Casanova

Vreemd is het je duizelig te voelen als je al in bed ligt. Het overkomt me vaker. Daarom hoeft het niet te verbazen dat ik de voorbije nacht in die gesteldheid lag te lezen in ‘Duizelingen’ van W.G. Sebald, alweer een magistraal boek. Mijn duizeligheid en koorts hebben niets te maken met de titel van het werk of de toestand van de verteller. Ik weet niet wat er met me aan de hand is en misschien wil ik het ook niet weten. Het is iets periodieks, zoals maanziekte, en begint met een koortsaanval, hoofdpijn en, na anderhalf uur slaap, overvloedig transpireren. Meestal duurt het een tweetal dagen, ik voel me dan zwak, moe en moet me erg inspannen om te kunnen lezen. Gelukkig ben ik al altijd hersteld van zulke toch enigszins beangstigende aanvallen.

Los daarvan is het werk van Sebald toch ook al duizelingwekkend. Ongeveer elk woord of toch elke zin die erin voorkomt geeft me zin in iets. Lees ik de naam van een Weense straat wil ik daar ook ronddolen of verdwalen; een nummer van een bepaalde tramlijn geeft me goesting om in die tram te zitten; ik wil opnieuw naar Venetië, niet zozeer uit nostalgie, bijvoorbeeld naar de hotels waar ik ooit verbleef, maar naar de plaatsen en vervoermiddelen die Sebald vermeldt, zoals een bar aan de Riva degli Schiavoni, of een boot die voorbij het eiland vaart waar de lijken worden verbrand, “een doodstil betonnen gebouw onder een rookpluim”, en later wil ik er de volledige memoires van Casanova herlezen, niet alleen het deel over zijn ontsnapping uit de Piombi*.
1977-munchen 001.jpg

Soms komt er wel nostalgie naar boven. Als Sebald (of de verteller) zijn treinreis van Wenen naar Venetië beschrijft, meer hallucinatie dan waarneming, denk ik zelf terug aan een nacht op de trein van München naar Verona (op weg naar Rome via Pisa en San Giuliano). Veel details herinner ik er mij niet van, alleen dat het in juli 1977 was. Ook zie ik meteen de groene kaft van Aeschylus’ ‘Tragediën” voor me, waarin ik die nacht heb zitten lezen. Wacht, ik ga het boek even zoeken. Ik zie nu dat ik veel onderlijnd heb in ‘Prometheus geboeid’. Zoals

“Want in de tirannie zit deze ziektekiem
Dat zij zelfs in haar vrienden geen vertrouwen stelt.”
aeschylus 001.jpg

Nu herinner ik me eveneens dat Aeschylus in mijn rugzak zat omdat ik in die periode Shelleys ‘Prometheus Unbound’ aan het bestuderen was. Soms dommelde ik in en droomde van de mooie Antwerpse meisjes, waarbij het geschommel van de trein nogal wat lustgevoelens bij me opwekte. Eens de zon was opgekomen, omstreeks halfzes, zag ik voor het eerst het betoverende landschap van Noord-Italië; de wild stromende Adige liet mijn aandacht niet meer los tot de trein het station van Verona binnenreed. Het was nog vroeg toen ik mijn intrek nam in hotel Aurora. In die tijd reserveerde ik nog geen kamers maar ging op goed geluk op zoek naar een betaalbaar verblijf. Dit hotel, of misschien was het een albergo, trok me meteen aan omdat het dezelfde naam had als het filosofisch tijdschrift waar ik in die dagen voor werkte. Omdat de kamer nog niet vrij was maakte ik een wandeling naar het Palazzo Giusti, met de bijzonder mooie tuin in late renaissancestijl. Ik vermoed dat ik over de tuin gelezen had bij Goethe of het kan ook bij Nabokov geweest zijn (in wiens labyrint ik in die jaren opgesloten zat). 

1977-verona 001.jpg

 

1977-verona2 001 (2).jpg

Het vreemde is dat ik bijna niets bewaard heb van dat verblijf in Verona en er ook niets over heb geschreven. Het enige** wat ik nog bezit is een stadsplan en toegangsbiljetten – van mij en mijn levensgezellin, met wie ik deze, en tientallen andere reizen maakte - voor de Giardino Giusti, identiek dezelfde als de kopie ervan in het boek van Sebald. Alleen de nummers verschillen – en alleen daaruit zou je kunnen afleiden dat ik er eerder geweest ben dan de Duitse auteur (of de verteller van het verhaal). En zo kom ik vanuit een nostalgische dagdroom toch weer bij de zinnen van de schrijver uit, die me zo’n zin geven in alles. En zo stel ik vast dat je nooit uit het labyrint ontsnapt, hoeveel je ook aan de Minotaurus offert, hoezeer ook Ariadne je genegen is.

Verona_Italy_San_Anastasia.JPG

 

*Deel vier van de uitstekende Nederlandse vertaling door Theo Kars.

** Alleen deze wat infantiele notitie, geschreven tijdens of na een bezoek aan Sant’Anastasia: “Marmer dat nog tot leven komt… Het is warm, de huizen schitteren, trillen als klinkers. Het volk is moe en lacht en hoest. In Sant’Anastasia gaat het bidden door, je hoort de echo van een oudere tijd, bijna zoals die van het water in de Adige. Maar in tegenstelling tot dat kalmerend geruis heeft het bidden een macabere klank. Niet eens de klank van wapengekletter, en zeker niet van stroomversnelling of waterval. Is het niet de klank van mensen die sterven gaan?”

14-03-14

THERAPIE, BOEKEN, THERESIENSTADT

IMG_7100.JPG

IMG_7101.JPG

 

Na een sessie bij mijn therapeut, een keer per week, voel ik bijna elke keer een innerlijke dwang om boeken of muziek te gaan kopen. Gelukkig voor mijn budget zijn die sessies niet altijd overdag en 's avonds zijn ze net zo gezellig, alleen wat gevaarlijker.
Gisteren kwam ik thuis met onder meer enkele zeldzame oude boekjes uit de bibliotheek van een overleden baron. In de Pêle-Mêle in Brussel, voornamelijk Franstalig, vind je soms wel eens van die juweeltjes, en dat voor een prikje. Er is ook een muziekafdeling. Daar kocht ik twee nieuw uitgegeven platen van Sandie Shaw, waaronder ‘Hello Angel’, waarop ze begeleid wordt door the Smiths. Een ding is duidelijk: Sandie Shaw haalt nooit het niveau van Dusty. Ik las dat ze een keer met Jimi Hendrix naar bed is geweest, en dat ze beter kon dansen dan Tom Jones, ook al deed ze het op blote voeten. Ze denkt dat ze in Europa – daarmee bedoelt ze de hele beschaafde wereld die niet tot het Verenigd Koninkrijk behoort – populair was vanwege haar minirokken en kapsel en in Engeland vanwege haar popmuziek.

Het is duidelijk dat ik geblokkeerd ben, al een hele tijd. Ik heb geen zin om te schrijven, ik heb geen zin in seks, ik vind niets de moeite waard. ’s Morgens sta ik vroeg op en voor ik het weet is het weer avond en kijk ik naar een film die me niet echt interesseert. Een vliegtuig verdwijnt van de radar en wij ademen het fijn stof in. Alleen films in de bioscoop doen me soms nog iets, zoals vorige maandag ‘Nebraska’ van Alexander Payne, vijftig tinten écht grijs. Zo ontroerend en reëel en droef en toch bijzonder grappig ook. Ja, in de bioscoop kom ik weer tot leven, daar vind ik mezelf terug.

theresienstadt 001.jpg


Over 'Requiem Theresienstadt' (1963)* van de Tsjechische auteur Josef Bor valt heel wat te vertellen. Ik wist maar heel weinig over wat zich daar in Terezin heeft afgespeeld. W.G. Sebald gaat er in 'Austerlitz' - een meesterlijke roman - dieper op in. Er staan foto's bij, niet eens van slachtoffers, maar van gebouwen, poorten, deuren, die je elke lust in wat dan ook ontnemen. Gisteren, in de Pêle-Mêle sloeg ik het boekje van Josef Bor open en las dit:
"Het belangrijkste camouflage-project, het grote verzamelkamp 'Ghetto Theresienstadt', tot dusver een oord van leed, honger en dood, werd in slechts enkele weken tijds omgebouwd tot en opgetuigd als een gigantisch filmdecor, klaar voor het op een na laatste bedrijf van de Theresienstadt-tragedie. Volgens het draaiboek van Eichman maakten ook levende mensen deel uit van dit decor. En zij begonnen te geloven, te hopen en te leven."

...

*Nederlandse vertaling: 1965. Er werden honderd exemplaren van gedrukt op Boston Tekst Vergé. Mijn exemplaar kreeg nummer 86.

Foto's: Martin Pulaski.

22-01-14

GEDACHTESTREPEN

cy twombly3.jpg

Zou iemand gedachtestrepen al ooit vergeleken hebben met trapezes? Erwin Mortier deed het in zijn ‘Gestameld liedboek’, niet bepaald een opmonterend verslag van de fysieke en mentale aftakeling van zijn moeder. Maar de schoonheid van de woorden, de taal, de zinsbouw, overstijgt alle verdriet, zonder het onder een laag rococo te bedelven – zo slaagt Mortier erin om, als een alchimist, uit een rouwproces een onvergetelijk portret van een moeder te distilleren.

Dit is de zin: “Alleen al om aan gedachtestrepen – de trapezes van de syntaxis – heel even gewichtloos in de nok van een zin te kunnen hangen, laat ik deze woorden los.”

...

Beeld: Cy Twombly.

15-01-14

TESTAMENT

philbloomhoeplatv1967.jpg

“Vreemd is het leven toch, die geheimzinnige, genadeloos logische opeenvolging van gebeurtenissen, die nergens toe leiden. Het beste dat ervan te hopen valt, is dat je iets over jezelf leert – en dat komt dan te laat; je houdt er alleen een flinke dosis onuitwisbare spijtgevoelens aan over.”
Joseph Conrad, Hart der duisternis.

Begin negentienzevenenzestig richtte ik samen met enkele vrienden (Jan De Pooter, Henry Janssen, Guy Bleus, Luc Verjans) een alternatief schooltijdschrift op. De naam, Testament, had ik van Boudewijn De Groot/Lennart Nijgh, de vorm vonden we bij Nederlandse provotijdschriften, met hun typische afmetingen van 13,75 op 10,5 cm. Qua stijl was het een megelmoes van pop, pulp, jeugdpuistjespoëzie en flauwe humor. Inhoudelijk stelde het tijdschrift niet erg veel voor. Niemand van ons was een groot literator of een diep denker. Dat kon moeilijk anders, jong en naïef als we waren kenden we ternauwernood Rimbaud; van Baudelaire hadden we een beetje een afkeer omdat we zijn ‘Les aveugles’ – “Ils sont vraiment affreux… et cetera” - uit het hoofd moesten kennen. Nogal wat teksten schreven we over uit poptijdschriften als teenbeat, muziek express en tiq, waarin de dichteres Elly De Waard debuteerde.
als een jonge hond 001 (2).jpg

Toch zat er ook iets van onszelf in het blad, onze hoop, onze verwachtingen, onze dagdromen, ons geloof in een betere wereld, in wereldvrede, en bovenal onze liefde voor (alternatieve) popmuziek. Als onvoorwaardelijke bewonderaar van Bob Dylan was ik Dylan Thomas gaan lezen. Hugo Claus had zijn verhalenbundel ‘Als een jonge hond’ (‘Portrait Of The Artist As A Young Dog’) vertaald. Ik heb het mooi uitgegeven Zwarte Beertje hier nu voor me liggen, evenals alle exemplaren van Testament, met uitzondering van het eerste. Is dat wel verschenen, vraag ik me nu af? Zijn we niet meteen met nummer twee begonnen? Overigens veranderde het tijdschrift net zo snel als de tijdsgeest en als wij. Ook de titel veranderde meermaals. In 1968 heette het al Subterranean, nog wat later Sunshine World Magazine. In 1969, toen ik de middelbare school verliet en in Brussel film ging studeren, hield ik het voor bekeken. Mijn vriend Guy Bleus heeft op z’n minst nog een aflevering (Subterranean 2) uitgegeven.
1967a 001.jpg

In de vergeelde tijdschriften, met covers van Guy Bleus en Jan De Pooter, durf ik ternauwernood bladeren. De gedichten die ik schreef waren in weerwil van mijn ‘omgang’ met Dylan Thomas en Hugo Claus beneden alle peil. In die dagen dacht ik echter dat ze geniaal waren. Hoe naïef kun je zijn! Mijn platenbesprekingen waren aaneenschakelingen van clichés, en ga zo maar door. We kopieerden ook zomaar fragmenten uit boeken van pulpschrijvers als Leslie Charteris (“The Saint”). Over de grappen van occasionele medewerkers wil ik het al helemaal niet hebben. Gelukkig was ik zelf helemaal niet grappig, integendeel: ik had een grondige afkeer van ‘moppen tappen’. Het leven was dan wel mooi en groovy en pow wow wow, maar tegelijk ook door en door ernstig.

testament 001.jpgNaast de schaamte is er ook trots. Ik schreef gedichten en proza geïnspireerd door Edgar Allan Poe en Louis Paul Boon, mijn vrienden en ik bewonderden de nieuwe stromingen in de popmuziek, de underground. We luisterden naar Radio London en Superclean Dream Machine, we keken naar televisieprogramma's op VPRO (wie herinnert zich niet de mooie blote Phil Bloom) en zeker ook naar het bijzonder hippe Duitse Beat-Club, we lazen provotijdschriften, we lazen de boeken waar in de klas niet over gesproken werd, werken van Simon Vinkenoog, Hugo Raes, Jan Wolkers, Henry Miller, Louis Paul Boon en Franz Kafka. Onze bijbel was evenwel het Nederlandse tijdschrift Hitweek/Witheek/Aloha. Al die dingen waren nieuw en ongewoon in het brave Limburg, Vlaanderen, België.

Er waren, dachten we, weinig gelijkgezinde zielen, tenzij hier en daar aan de universiteiten, maar daar hadden we helaas geen contact mee. Ons tijdschrift zat in dezelfde stroming als Jazz Bilzen, vooral de editie van 1968, die helemaal in het teken stond van underground en progressieve rock. Ja, hoe naïef en stuntelig ook, we waren voorlopers van wat later de ‘swinging sixties’ en ‘mei ‘68’ zou worden genoemd. Voor ons, een vijftal vrienden, waren die sixties wel swingend, maar de meeste andere leerlingen waren al druk bezig met zich voor te bereiden op een carrière als tandarts, ingenieur, leraar aardrijkskunde of wiskunde. Een beetje zoals in Bob Dylan's 'Tangled Up In Blue'. Wij droomden van een leven als zwervers, als schooiers, als kunstenaars, als dichters, als verlichte nietsnutten. Een droom die gedoemd was te mislukken. Of toch niet?

 ...

 

De elpeehitparade uit Testament nummer vijf, november 1967:

1. The Piper At The Gates Of Dawn – Pink Floyd
2. Procol Harum – Procol Harum
3. The Doors – The Doors
4. Absolutely Free – The Mothers Of Invention
5. Surrealistic Pillow – Jefferson Airplane
6. Bee Geest 1st – Bee Gees
7. Love-In – Wally Tax
8. Are You Experienced? – Jimi Hendrix Experience
9. Da Capo – Love
10.Small Faces – Small Faces

smallfaces album.jpeg

Beelden: Phil Bloom in Hoepla (VPRO) met onder meer Simon Vinkenoog en Johnny The Selfkicker; 'Als een jonge hond' van Dylan Thomas vertaald door Hugo Claus; mijn vrienden en ik na de voorstelling van mijn toneelstuk 'De droom'; Testament nummer drie, maart 1967; The Small Faces op Immediate.

26-11-13

NO MAN'S LAND

2013fuckbook 001.jpg

Tijdens het klasseren van heel die massa boeken hier in mijn kamer vind ik soms vreemde drukwerken. Vreemd omdat ik ze vergeten was, vreemd omdat ik vergeten was hoeveel uren ik doorbracht met Crumb en Willem en Marcel Van Maele en vele andere dichters, tekenaars, muzikanten, nachtraven, mislukkelingen, werkschuwen, zieke geesten en zo meer. Het moet allemaal gebeurd zijn in een ander leven, het echte leven misschien, het leven dat al geruime tijd voorgoed voorbij is. Maar dan denk ik meteen dat elk leven echt is, ook dit leven vandaag, met Dostojewski en Tift Merritt en groene thee en het scannen van enkele memorabilia.

marcel 001.jpg

billythekid 001.jpg

 

16-11-13

DE SLECHTE ONEINDIGHEID 3

IMG_4779.JPG

Ik krijg geen woord meer over mijn lippen, geen woord meer uit mijn pen, geen woord meer uit mijn klavier. Heb geen noten meer op mijn zang. Al mijn beelden staan stil. Aan bibberen en beven is een einde gekomen. Aan alle kleuren, aan wit en aan zwart. Aan fictie en aan politiek. Aan gedichten en slachtingen. Aan de Franse Revolutie en de kleine Johannes en vulkaanminnaars en Tristia en andere ballingschapsgedichten. Aan William Blake, Oscar Wilde en Van Morrison. Aan nachtwouden, maanbergen, het dak van de wereld, zenuwoorlog, misdaad en straf, toezicht en kamers met uitzicht, de seksuele revolutie en de geschiedenis van de waanzin. Aan het theater van de wreedheid, de grammatologie en al te intieme zonsopgangen. Aan drie mannen op weg naar een huwelijk of begrafenis. Aan het dagboek van een gek en de verkoop van dode zielen. De bloemen van het kwaad en het verloren paradijs. Aan kreten en gefluister, seizoenen in de hel, de liederen van de nachttripper, Liesje in Luiletterland, Rob Roy, Jimmie Reed, de Evangeliën, la vie de Jésus, een Spion in het huis van de liefde, de toekomst van een illusie, de fenomenologie van de geest en veel overwoekerde paden. Aan Hölderlin, Trakl en Celan. Aan talloos veel miljoenen. Aan Mozart, Beethoven en Phil Ochs. Aan de feesten van angst en pijn, aan diepe blues, rembetika, zydeco (les haricots sont pas salés), aan Paths of Glory en Fun in Acapulco. Aan het leven van Malcolm Lowry, Neal Casady en Arnold Schönberg. Aan the Beatles en het kapsel van de duivel op de heuvel. Aan de jacht op de walvis en de bende van de Stronk. Aan Daphne en Euridyke en Anna Domino. Aan al het ondermaanse, het vergankelijke en onvergankelijke. Aan verzamelingen, collecties, compilaties, naslagwerken, woordenboeken, grammatica, encyclopedieën, de Zohar, Zorba de Griek en de Apologie van Socrates. Aan Apocalypse Now en le Bonheur. Nee, geen woord meer, geen letter, geen noot, geen beeld: ik ben moe.

...

Foto: Martin Pulaski, 13 november 2013.

DE SLECHTE ONEINDIGHEID 2

IMG_4762.JPG

IMG_4770.JPG

IMG_4771.JPG

Foto's: Martin Pulaski

DE SLECHTE ONEINDIGHEID 1

IMG_4743.JPG

IMG_4754.JPG

IMG_4761.JPG

Foto's: Martin Pulaski

31-10-13

FERNANDO PESSOA, EEN GESCHENK

Met dank opgedragen aan de nagedachtenis van Jos Dorissen, die me in 1980 Fernando Pessoa cadeau gaf.

Deze ‘culturele genealogie’ verschijnt hier niet zonder horten en stoten. Prettige herinneringen worden soms verdrongen door het opeens weer opduiken van droeve gebeurtenissen, van frustraties, mislukkingen, van ziektes en overlijdens van familieleden en vrienden. Hoe dan ook wilde ik dit verhaal niet chronologisch vertellen, al krijgt mijn jeugd er een belangrijke rol in toebedeeld.
PESSOA1.jpg

Het is 1978, ik woon al een jaar in de Dolfijnstraat in Antwerpen. Misschien is het zomer, ik heb er het raden naar. We hadden daar aan de Dageraadsplaats via vrienden in 1977 een klein huis kunnen huren en leefden er arm maar redelijk gelukkig. Het was een huis waar je je meteen goed voelde, ook al hebben we er niet altijd fraaie dingen meegemaakt.  Alleszins heb ik daar vaak feest gevierd, veel gelezen en veel geschreven. Wat mij dreef – benevens een innerlijke noodzaak - was het tijdschrift voor filosofie Aurora. Daar kon ik met mijn nogal experimentele teksten terecht – zelfs een essay over Hölderlin werd er aanvaard. Vreemd genoeg kende ik bijna niemand die ooit van de grote dichter had gehoord. Hölderlin en Rimbaud pasten helemaal in mijn manier van denken en ik wilde ook leven als zij, onverschrokken, gevaarlijk, onderzoekend, bovenal in dienst van het woord. Wilde ik beroemd worden? Dan had ik wel heel slechte voorbeelden gekozen. Van beide dichters verscheen tijdens hun leven één dun boek.

In de boekenbijlage van Vrij Nederland lees ik dat jaar een artikel over een mij volstrekt onbekende Portugese dichter: Fernando Pessoa. Iedereen kent nu zijn verhaal, zijn spel met de heteroniemen, zijn eenzaamheid, zijn alcoholisme, zij Lissabon, maar in die dagen was het een man van en voor ingewijden. Niemand lag wakker van die bizarre Portugees. Ik kende zelfs nauwelijks iemand die geïnteresseerd was in Portugal, dat kleine, arme land. Na lectuur van het artikel ging ik in de bibliotheek in de Lange Nieuwstraat op zoek naar een boek van de dichter, maar vond volstrekt niets. Ook in de boekwinkels ving ik bot. Ik zette Fernando Pessoa en zijn heteroniemen uit mijn hoofd en ging door met mijn werk en mijn extases.

Op een dag in maart 1980, ik werkte toen op de redactie van het hierboven genoemde Aurora, kwam mijn toenmalige boezemvriend en drinkebroer Jos Dorissen het kantoortje binnen met een vierkant boek in zijn rechterhand. Ik had net deze twee zinnen in mijn dagboek genoteerd:
“Wij hebben ervan afgezien een onderscheid te maken tussen lichaam en geest. Maar zijn we aan dat dualisme voorbij? De geschreven taal immers is er nog helemaal van doordrongen, en zeker het spreken.”
Geen idee naar aanleiding van wat ik dat schreef, maar het is wel een mooie coïncidentie. Jos overhandigde me meteen dat boek: ‘Fernando Pessoa. Gedichten. Vertaling August Willemsen’. Twee jaar eerder uitgegeven bij De Arbeiderspers in Amsterdam. “Je hebt Pessoa!”, riep ik uit en sloeg het mooi uitgegeven werk op een willekeurige plek open en las dit:

“Ik heb gefaald in alles.
Daar ik nooit één plan gemaakt heb, was alles misschien niets.
De wijze lessen die men mij gegeven heeft
Heb ik verlaten door het achterraam.
Ik ging het land op vol van grote plannen.
Maar daar vond ik alleen gras en bomen,
En als er mensen waren, waren die net als de anderen.
Ik keer van het raam af, ga zitten in een stoel.
Waar zal ik eens aan denken?”*

Gelukkig zat ik zelf ook in een stoel, zoniet was ik omver gevallen. Dit was het, dit was de poëzie waar ik van gedroomd had. Walt Whitman, maar dan door en door modern. Zulke gedichten wilde ik zelf ook schrijven, even melancholisch, even echt en waar, even tijdloos, even eenvoudig - en voor altijd modern. Maar zou ik het ooit kunnen? Het fragment dat ik gelezen had was van Alvaro de Campos, een personage dat Pessoa heeft gecreëerd, wellicht om orde in de chaos van stijlen en vormen te brengen (lyrisch, elegisch, episch, dramatisch). Naast Alvaro de Campos zijn Pessoa’s bekendste personages of heteroniemen Alberto Caeiro en Ricardo Reis; maar er zijn er meer. De dichter schrijft er zelf het volgende over: “Men moet in geen daarvan ideeën of gevoelens van mij zoeken, want vele ervan drukken ideeën uit die ik niet aanvaard, gevoelens die ik ooit heb gehad. Men moet ze eenvoudig lezen zo als ze zijn, hetgeen trouwens is zoals men moet lezen.”

In die twee stappen is Fernando Pessoa, de moderne dichter bij uitstek, in mijn leven gekomen en er gebleven: eerst via een krantenartikel en wat later, doorslaggevend, dankzij de empathische vriendschap van Jos D. Ik heb tot juli 1988 moeten wachten eer ik voldoende geld had om naar dat arme land te reizen en vooral naar die mooie witte stad aan de Taag, Lissabon, de stad van Fernando Pessoa. Sindsdien is het samen met Porto de plaats waar ik me het meest thuisvoel. Luiheid en een slecht geheugen hebben me belet om de mooie Portugese taal te leren, wat ik eigenlijk een schande vind. Maar zo is het leven en zo is mijn karakter. 
PESSOA 3.jpg

Het toeval wil dat Jos D., aangespoord door mijn enthousiasme, in augustus van dat jaar zelf naar Lissabon reisde. Op 25 augustus in de vroege ochtend werd hij samen met de andere gasten geëvacueerd uit een pension in het Chiado. Enkele uren later had een hevige brand een belangrijk deel (8000 m²) van Lissabon verwoest.
Maar sindsdien leeft Fernando Pessoa er meer dan ooit tevoren. Op het Chiado verwelkomt zijn standbeeld de toevallige passanten en de bezoekers van ‘Café A Brasileira’, waar de dichter zelf ooit een stamgast was.

a brasileiro.jpg

Café A Brasileira, Martin Pulaski, 11 november 2009.

...

*Fragment uit: 'Sigarenwinkel',  Alvaro de Campos

22-10-13

WAT IS WERKELIJK?

IMG_5329.JPG

Wat hier volgt is niet veel meer dan een voetnoot bij ‘Leven en dood in de Van Praetlei’. Het betreft het begrip ‘defunctus’.

Wanneer precies het woord* zich in mijn bewustzijn heeft genesteld weet ik niet meer, 1978 of 1979 dat zeker, maar ik herinner me wel waar: het was in een kleine werkkamer op de eerste verdieping van het huis dat wij huurden in de Dolfijnstraat vlakbij de Dageraadplaats in Antwerpen. Ik las het in een dun boekje van Samuel Beckett over Marcel Proust.

Helemaal op het einde van het boek komt Beckett tot de conclusie dat de verteller in tegenstelling tot Charles Swann, die de ‘kleine frase’ in de Sonate van Vinteuil met zijn geliefde Odette de Crécy identificeert, die bijgevolg van iets buitenruimtelijks (muziek) iets ruimtelijks maakt, “l'air national de [leur] amour”, ziet de verteller in de rode frase van het Septet “de ideale onstoffelijke weergave van de essentie van een unieke schoonheid; van een unieke wereld, de onveranderlijke wereld en schoonheid van Vinteuil, schuchter uitgedrukt als een gebed in de Sonate, smekend als een inspiratie in het Septet; de ‘onzichtbare realiteit’, die het leven van het lichaam op aarde veroordeelt als opgelegde taak en de betekenis van het woord ‘defunctus’ onthult.”

Bij het lezen van dat woord 'defunctus' herinnerde ik me dat ik het eerder had opgemerkt in een boek dat ik van de bibliotheek had uitgeleend, een verzameling essays van Schopenhauer - met door de Nederlandse uitgever van de belachelijke titel 'Er is geen vrouw die deugt'** voorzien. In het essay 'Over het lijden van de wereld' trof ik dit aan: "Zeer te benijden is niemand, zeer te beklagen zijn talloze mensen. Het leven is een taak die af moet: in die zin is defunctus een mooi woord voor dood."

Ik besefte dat Beckett's 'Proust' grotendeels al door Arthur Schopenhauer was bedacht. Maar dat was niet zo belangrijk. Ik had dat woord gevonden. Misschien kan het geen kwaad hierbij te vermelden dat ik in die dagen vaak meer gefascineeerd was door woorden dan door zinnen; zelfs verhalen hadden niet meer zoveel belang. Dat zal wel verband hebben gehouden met de moderne poëzie. Ik had daar op mijn negentiende over gelezen in ‘De eendimensionale mens’ van Herbert Marcuse en wat later in ‘Le degré zéro de l’écriture’ van Roland Barthes. “Het woord weigert het verbindende, verstandige bewind van de zin”, schrijft Marcuse en bij Barthes luidt het: “Het woord dat zich heeft losgemaakt van de korst van geijkte clichés, en van de technische reflexen van de schrijver, verliest daarmee elke verantwoordelijkheid voor iedere mogelijke context; het brengt slechts één summier, dof geluid voort, dat in zijn gedemptheid zijn eenzaamheid en dus zijn onschuld bevestigt.”

Later heb ik deze theorieën en ‘inzichten’ weer voor het grootste deel verloochend en ben ik teruggekeerd naar de zin en het verhaal. Dat heeft mijn leven er heel wat eenvoudiger en plezieriger op gemaakt.

Dat Proust hier op het toneel verschijnt is overigens niet verwonderlijk. Als het over herinneringen en het geheugen gaat, het terugvinden van fragmenten uit de verleden tijd, komt Marcel wel vaker om de hoek kijken. Want toegegeven: de reeks ‘genealogie’ is ook de vrucht van wat hij 'onvrijwillig geheugen' noemt. Het geheugen en de herinnering – allesbehalve betrouwbaar, zoals zoveel schrijvers, waaronder Stendhal en W.G. Sebald, al hebben aangetoond. Zo neemt mijn ‘genealogie’*** ook een loopje met de werkelijkheid. Maar wat is werkelijk?

IMG_5318.JPG

*Hier past een dankwoord voor Gislinde Vercammen, die me – onrechtstreeks – om uitleg vroeg over het begrip ‘defunctus’ en zich enigszins uitdagend afvroeg of het wel bestond.


**In het Duits: ‘Parerga und Paralipomena, kleine philosophische Schriften’.

*** Genealogie. De reeks bestaat nu uit:
DE DOOS VAN PANDORA
HOE HET DAN ALLEMAAL BEGONNEN IS?
DE FOTO VAN BOB DYLAN EN SARA NOZNIZSKY
AUGUST STRINDBERG EN KURT COBAIN

Foto's: Martin Pulaski, 17 maart 2007, Capela dos Ossos, Evora. In deze kapel zijn de wanden en zuilen bedekt met de schedels en beenderen van meer dan vijfduizend monniken. Boven de deur staat het opschrift: "Nós ossos que aqui estamos pelos vossos esperamos" (Wij beenderen hier wachten op uw beenderen). 

12-10-13

HOE HET DAN ALLEMAAL BEGONNEN IS?

van straten 001 (2).jpg

Enkele dagen geleden ben ik van start gegaan met schetsen voor een ‘geestelijke’ genealogie. In het eerste deel behandelde ik August Strindberg en, heel kort, Kurt Cobain. Vandaag wilde ik het over de Duitse schilder Max Beckmann (Leipzig, 12 februari 1884 - New York, 27 december 1950) hebben. Zeker niet in de eerste plaats omdat hij gestorven is in het jaar dat ik ben geboren. Ik besefte echter dat ik die kunstenaar niet zomaar, zonder enige introductie, op het podium kon roepen. Voor mijn verhaal over Max Beckmann zal het om die reden nog even wachten zijn.
moeder-vader.jpg

Hoe zit het met de kunst en de kunstenaars in mijn leven? Hoe ben ik tot de kunst gekomen en hoe de kunst tot mij? Alvast niet via mijn opvoeding, noch thuis noch op school. Mijn ouders waren wat ‘eenvoudige lieden’ wordt genoemd, hoewel hun bestaan verre van eenvoudig wàs. Ze hadden weinig school gelopen; mijn moeder wel iets langer en met betere resultaten dan mijn vader. Op kostschool in Lokeren was zij gedwongen geweest Frans te leren en boeken, zij het met het nihil obstat van de Katholieke Kerk, waren er niet verboden. Mijn vader was de zoon van een arme boerin in de Maasvallei in Limburg: enkele jaren lagere school moesten volstaan om hem klaar te stomen voor het werk op de boerderij of in de koolmijn. Kunst en literatuur behoorden niet tot zijn wereld. Wel was er de volksmuziek van feesten, kermissen, cafés en dancings. Via mijn vader en later mijn broer, zes jaar ouder dan ik, ben ik als een bezetene van muziek gaan houden. (Film was belangrijk voor mijn ouders, en zeker ook voor mijn broer en mezelf, maar als ‘ontspanning’, als ‘vlucht’.)

Op de lagere school werd er niet over kunst gesproken, alleen over de Goddelijke Drievuldigheid, de heiligen in de hemel, Jezus en de Heilige Maagd Maria. In de klas werd gelezen en geschreven en gerekend. Essentieel waren goed gedrag en zeden en Godsdienst. Later, op het Koninklijk Atheneum in Tongeren, waren kunst en kunstenaar bijna scheldwoorden. Ik herinner me leraren die lachten met het werk van Picasso (die ik niet kende, dus zal ik wel meegelachen hebben). Ik herinner me niet één leraar die me interesse voor welke kunstvorm dan ook heeft bijgebracht. Hopelijk laat mijn geheugen me hier even in de steek.

Hoe het dan allemaal begonnen is? Geen idee. Wat ik met zekerheid weet is dat ik door dat gebrek aan opvoeding, door dat afschuwelijke onderricht, nu nog altijd niet in staat ben om over kunst te spreken of te schrijven. Als ik een kunstwerk zie word ik sprakeloos. Er valt geen woord aan toe te voegen. Het werk is er en dat volstaat voor mij. Ik ben ook helemaal niet kritisch ten aanzien van kunst. Wat ik niet mooi vind vind ik niet mooi, wat mij aantrekt en aanspreekt vind ik goed en mooi en soms overweldigend. Ook al heb ik al buitengewoon veel kunst gezien – wellicht, onbewust, om de achterstand van mijn kinderjaren en middelbare schooltijd in te halen – en er voldoende over gelezen, niet alleen biografieën maar ook veel theorie, kunstkritiek, manifesten, esthetica, et cetera, toch blijf ik grotendeels een analfabeet en een idioot inzake kunst.  (Waarbij ik nog een keer wil benadrukken dat ‘idioot’ voor mij geen negatieve betekenis heeft.)

Ik herinner me dat ik toen ik ongeveer zeventien was een stapel monografieën aantrof in een wc op het Koninklijk Atheneum in Tongeren. Pico bello boekjes uitgegeven door De Sikkel te Antwerpen. Op het bovenste deeltje had iemand al enkele druppels urine gemorst. Om ze voor nog meer onheil te beschermen heb ik ze mee naar huis genomen. Toegegeven, ik was toen al verslingerd aan boeken, vooral Zwarte Beertjes vond ik te gek, zeker die van Georges Simenon, Leslie Charteris en Ian Fleming. James Bond was een tijd lang mijn stichtend voorbeeld: zo wilde ik later ook leven! Maar ik las ook nogal veel van wat er in de Reinaert-reeks verscheen, Dostojewski (‘De Speler’), Hendrik Conscience, Ernest Claes, Felix Timmermans en Seu Nai An. De pockets van LJ Veen vond ik al even boeiend, in de eerste plaats die van Edgar Allan Poe, Alexandre Dumas, en Poesjkin. Omstreeks 1966 kregen de Salamanders mij in hun greep, met name Franz Kafka en Louis Paul Boon. Wat een geweldige wereld ging er toen voor me open. En mijn wereld was al zo geweldig, dank zij de popmuziek en de mooie kleren en de meisjes en de vrienden en mijn Bahamontes-fiets en de magische transistorradio en de gele platenspeler en mijn singles en elpees en allerhande tijdschriften over popmuziek en meisjes – en de lange dromerige zomers.

seu nai an.jpg

Ik nam die monografieën mee naar huis. Naast die van boeken en muziek was dit de derde wereld die voor me openging. Dagenlang zat ik gefascineerd de meestal zwart-witte reproducties te bestuderen. Felix De Boeck, Rik Slabbinck, James Ensor, Frans Masereel, Antoine Mortier, Oscar Jespers… Nog een trapje hoger: Gustave Van De Woestijne (ik ontdekte dat hij een broer was van Karel Van De Woestijne, wiens ‘De boer die sterft’ ik had verslonden), Edgar Tytgat (met zijn wonderlijke zigeuners, bruiloften, kermistenten en boeteprocessies) en Leon Spilliaert (zijn zelfportret uit 1907 sloot ongetwijfeld aan bij de sombere gemoedsstemmingen die zich soms, ’s nachts, van me meester maakten, stemmingen die ik ook terugvond in de verhalen van Edgar Allen Poe.) Bovenal hield ik van het werk van de nu wat vergeten kunstenaar Henri van Straten. In zijn  houtsneden herkende ik zowel mijn milieu, dat van de binnenscheepvaart en de haven van Antwerpen, als dat van Louis Paul Boon. Bovendien kon ik heerlijk fantaseren bij zijn vele blote meisjes. Het boekje uit 1955 is nog altijd in mijn bezit.  In het voorwoord van Frank Van Den Wijngaert lees ik dit: “Henri van Straten was een niet alledaagse verschijning. Slank en lenig, gaf zijn wijdbeense, deinende gang, gepaard aan zijn donkere huidskleur, gitzwarte haren, dito ogen en scherp getekend profiel hem veeleer het uitzicht van een uitheems zeeman die vele oceanen had bevaren, dan van een geboren en getogen Antwerpse landrot aan wiens rasecht accent zich trouwens niemand zou bedrogen hebben.”

En weet je wat: al die mooi uitgegeven monografieën behandelden Belgische kunstenaars. Ik vermoed derhalve dat mijn liefde voor de kunst in een toilet van het Koninklijk Atheneum Tongeren is begonnen en dat de auteurs van de De Sikkel-boekjes mijn eerste leermeesters waren.

kafka 001.jpg

In volgende stukjes zal ik het over de kunstenaar par excellence Max Beckmann hebben, maar ook eerst nog over de rol van de televisie als educatief medium; een korte periode van dwepen met Salvador Dalí; pop art; het symbolisme; het surrealisme; Nicolas de Staël; Malevitsj en het suprematisme; 1973 en Europalia Groot-Brittannië; William Blake; William Turner, Francis Bacon en mijn onderdompeling in de Antwerpse kunstscène aan het eind van de jaren ’70. Wat daarna volgt kan moeilijk nog genealogie worden genoemd.

...

Illustraties:

Boven: La Java, van Henri van Straten, uit de gelijknamige monografie, uitgegeven door De Sikkel, met een voorwoord van Frank Van Den Wijngaert.
Midden 1: Mijn ouders, vroege jaren '50.
Midden 2: Seu Nai An, De Chinese Rovers, Reinaert-Uitgaven, Brussel 1962, Zedelijke kwalificatie IV-V.
Onder: Franz Kafka , Een hongerkunstenaar en andere verhalen, Salamander, Amsterdam, 1969.

10-10-13

AUGUST STRINDBERG EN KURT COBAIN

STOCKHOLM 069.JPG


“Op de vensterruit staan de initialen van mijn naam geschilderd: A.S., zwevend op een zilverwitte wolk, met daarboven een regenboog. Omen accipio want het doet mij denken aan Genesis waar geschreven staat: ‘Mijn boog stel ik in de wolken, opdat die tot een teken zij van het verbond tussen mij en de aarde.’” August Strindberg, Inferno 20-21.

Gisteren na de lunch lag ik wat te rusten. Opeens dacht ik dat het misschien een goed idee zou zijn om een soort van ‘geestelijke’ genealogie uit te werken. Autobiografisch werk dat op zoek gaat naar de wortels van een bestaan moet niet noodzakelijk het leven en de wederwaardigheden van ouders, grootouders (familie) behandelen. Iets wat auteurs als Amos Oz en, dichter bij huis, Stefan Hertmans, wel al voortreffelijk hebben gedaan. Naast tientallen, honderden andere schrijvers van autobiografische geschriften.

De eerste twee geestelijke voorouders die me voor de geest kwamen waren August Strindberg en Kurt Cobain, al is het woord ‘voorouder’ in het geval van de zanger-gitarist (1967-1994) wat misplaatst.

Omdat het om een vluchtig idee gaat, een idee dat ik zeer waarschijnlijk niet zal uitwerken, wat zo vaak bij mij het geval is – in mijn leven is veel gedoemd om voorlopig, om onafgewerkt te blijven -, wil ik het ook niet meteen uitdiepen.

In augustus dit jaar was ik voor een tweede keer in het prachtige August Strindberg Museum in Stockholm en werd er overweldigd door de aanwezigheid van de schrijver/dramaturg/schilder/alchimist. Overweldigd worden door een groot kunstenaar is natuurlijk niet voldoende om hem als geestelijke ‘voorouder’ uit te kiezen. Welke overeenkomsten zijn er dan? Dat is een moeilijk te beantwoorden vraag, omdat het meer om een aanvoelen gaat dan om een op feiten berustende zekerheid.

Strindberg werd honderd jaar voor mij geboren – alleen dat al schept een band. Hij was erg schuchter en tegelijk opstandig, hij was een atheïst die zich aangetrokken voelde door het religieuze en het mystieke. Zijn tegenstanders (en niet alleen zij) noemden hem een vrouwenhater, maar in werkelijkheid hield hij van vrouwen. Hij was drie keer getrouwd; in zijn werk komen heel wat ‘sterke’ vrouwen voor. Zelfs in een donker werk als ‘Inferno’, boordevol haat, zelfhaat en paranoia schrijft hij nog – hier en daar – met tederheid over zijn tweede echtgenote.

De schrijver werd geplaagd door periodes van diepe melancholie en verlammende paranoia. Hij schreef gedichten, verhalen, romans, toneelstukken, essays, wetenschappelijke en religieuze verhandelingen, politieke pamfletten, hij schilderde, speelde gitaar, deed aan alchimie en was een uitstekend fotograaf. (Nogmaals, ik wil me niet in de feiten met hem vergelijken.)

Het oeuvre van Strindberg speelde in mijn persoonlijk leven een grote rol. Mijn eerste echtgenote en ikzelf waren van toen we nog jong waren en filosofie studeerden bewonderaars van zijn werk, vooral vanwege zijn kijk op het huwelijk. Mijn echtgenote schreef een licentiaatsverhandeling over de schrijver. Dat had ik zelf ook graag gedaan, maar ik voelde me als halve hippie ook aangetrokken tot de denkbeelden van Henry David Thoreau, vooral bekend van ‘Walden’ en ‘On The Duty Of Civil Disobedience’. Toen ik echter zijn dagboeken doorbladerde viel ik al gauw in slaap van zijn geleuter over de kleurenpracht van bloemen en het gekwinkeleer van vogels. Ik koos dan maar voor een onderwerp dat in die dagen erg actueel was en aanleunde bij het werk van onze geliefkoosde Zweedse ‘vrouwenhater’: het einde van het gezin. Ik liet me daarbij vooral inspireren door ‘Antigone’ van Sofokles, de rechtsfilosofie van Hegel, ‘De oorsprong van het gezin, van de particuliere eigendom en van de staat’ van Friedrich Engels, het feminisme van Aleksandra Kollontaj en Germaine Greer, de antipsychiatrie van David Cooper en Ronald Laing,  en ‘L’anti-oedipe’ van Gilles Deleuze en Félix Guattari. En nog heel wat toen modieuze namen die ik me niet meer kan herinneren.

August Strindberg is samen met Sofokles de enige auteur uit die groep die ik nu nog lees. Bijna altijd als ik een boek van de Zweedse schrijver opsla denk ik terug aan die periode, waar ik onlangs ook al over schreef, waarvan ik nu denk dat ik toen gelukkig was, al weet ik dat uitgerekend dat pril huwelijksleven soms op een inferno leek. Ik kies er echter heel bewust voor om me de mooie momenten te herinneren en wat minder fraai was te vergeten. Zeker wil ik de donkerste momenten niet uit hun verband rukken en ze als hoofdtonen van die eerste grote liefde presenteren.

Net als Sofokles reikt Strindberg de woorden aan om het persoonlijke leed (of geluk) in een groter geheel te plaatsen, met andere woorden om het ego te transcenderen en zo in een oogwenk de stap te zetten van het bijzondere naar iets universeels.

En Kurt Cobain dan? Ik denk dat het best is hem te vergeten, ik bedoel in genealogisch opzicht. De naam zal me te binnen geschoten zijn omdat ik kort tevoren een interview met de tegendraadse muzikant had gelezen, hem afgenomen door de onvolprezen Jon Savage, auteur van onder meer ‘England's Dreaming: Sex Pistols and Punk Rock’. Een aantal uitspraken van Cobain hadden mij diep geraakt, ik voelde me verwant met hem, ik zag verbanden tussen zijn jeugd en die van mij. Vooral zijn problematische omgang met jongens, met hun machogedrag, waardoor hij maar weinig vriendjes had en zich meer aangetrokken voelde tot meisjes, herkende ik goed. Maar ik zou te kwader trouw zijn mocht ik hem werkelijk als een verwante geest uitroepen. In dat geval zou ik een geheel ander leven leiden.

 

Uitverkoren van August Strindberg in Nederlandse vertaling:

De rode kamer
Apologie van een gek
Eenzaam
De zoon van een dienstbode
Tijd van gisting
Inferno
Droomspel
Freule Julie
De vader
De sterkste

STOCKHOLM 071.JPG

Foto's: Martin Pulaski, Stockholm, Strindberg Museum, 18 augustus 2013.

01-08-13

MOMENTEN VAN VRIENDSCHAP

PARIJSBISTROT.jpg

Tussen hittegolven, onweders, opwellingen die beter niet op zouden wellen maar wat doe je eraan, spiritistische séances op facebook en andere evenementen door lees ik in een bijzonder origineel boek over – voornamelijk Amerikaanse - fotografie:  ‘The Ongoing Moment’ van Geoff Dyer.

Ik wil er nu het zo warm is graag iets uit citeren, niet over fotografie, maar over vriendschap, ook al omdat het verhaal ‘Storm’ daarover handelt.  Of Dyers bewering klopt weet ik niet, maar ik vind ze op zijn minst treffend:

“At a certain point friendships arrive at a balance between memories of shared times and the beckoning future. They begin to unravel with the tacit awareness that the store of memories exceeds any that will be generated in the future. This can be followed by a realization that the friendship is all memory-based, when there is nothing but memory, and that in order to protect these memories it is best to call a halt. This is why there is often a feeling of considerable satisfaction in knowing that a friendship is effectively over.”


...

Foto: in Parijs, circa 1996. Foto gemaakt door de uitbater van Au Bon Coin. 

08-07-13

VERFRAAIDE HERINNERINGEN

ny-onthebeach.jpg

Te warm om te denken, zong David McComb. Te warm om te schrijven. Maar dat is geen reden om te gaan klagen: we kunnen nog bier en koude wijn drinken en we kunnen nog lezen, zeker van die volstrekt gekke en enigszins geniale boeken, zoals ‘Waging Heavy Peace’ van Neil Young. Je moet er niet veel inspanning voor doen; alleen maar bewonderen, heel vaak in de lach schieten en doorlezen.  Het helpt ook dat Neil Young geen moeilijke woorden gebruikt, maar eenvoudige. Zijn eenvoud is echter niet banaal en wijkt sterk af van de onnozele ‘eenvoud’ van ondingen als ‘FC De Kampioenen’. Neil Young’s eenvoud is niet beledigend maar respectvol en dwingt daarom ook respect af.

Tussen twee korte slaapsessies in – even niet doorgelezen - las ik dit:

“Old memories are wonderful things and should be held on to as long as possible, shared with others, and embellished if need be.”

Heel eenvoudig, inderdaad. Maar er staat wel: “and embellished if need be”. Dat is minder simpel dan het lijkt. Er zit een ander levensverhaal achter, het verhaal – of een van de vele verhalen – die onze held niet vertelt. Onze herinneringen zijn altijd verfraaiingen, verdraaiingen, verzinsels, maar ze zijn dat (we maken ze zo) altijd of toch bijna altijd met de beste bedoelingen. Wij willen niemand kwetsen en voor onszelf willen wij ons de mensen die we hebben gekend (en vaak nog kennen) op de best mogelijke manier herinneren. 

20-06-13

VALE PAARDEN, MOOIE BOEKEN

zweig3.jpg

Pas nu, achttien dagen later, stel ik vast dat van de drie boeken die ik voor mijn verjaardag heb aangeschaft er twee bij zijn van auteurs die zich het leven hebben benomen: Stefan Zweig en Walter Benjamin. Het derde, waarover ik het al eerder had, ‘Naaktheden’, is van Giogio Agamben, een leerling, of op zijn minst een bewonderaar, van het werk van Benjamin. Ik maak me sterk dat Agamben nooit zelfmoord zal plegen en dat ik het zelf, hoe wanhopig ik ook mag worden, evenmin ooit zal doen.

Nu ik Stefan Zweig toch heb genoemd wil ik hem graag even citeren. Ik geloof dat hij in deze geschriften nooit eerder is opgedoken. In zijn autobiografie, ‘De wereld van gisteren’ schrijft hij de volgende bijzonder actuele en pertinente woorden:

“Al de vale paarden van de apocalyps zijn door mijn leven gestormd, revolutie en hongersnood, geldontwaarding en terreur, epidemieën en emigratie; ik heb de grote massa-ideologieën onder mijn ogen zien groeien en zich verspreiden, het fascisme in Italië, het bolsjevisme in Rusland en bovenal die oerpest, het nationalisme, dat de bloei van onze Europese cultuur heeft vergiftigd.”

Deze ‘herinneringen van een Europeaan’ verschenen in 1944, maar werden nog voor de tweede wereldoorlog geschreven. De oerpest, het nationalisme, vernietigt nog steeds onze Europese cultuur.

Eergisteren kocht ik, omdat ze er zo mooi uitzagen, boeken van William Faulkner, Henry James, Patrick Conrad, Robert Louis Stevenson en Richard Neville. Wat zou het verband zijn tussen deze werken, naast hun aantrekkelijke uiterlijk, hun verleidelijke façade (waar ik zo moeilijk aan kan weerstaan)?