12-02-10

ERGERE DINGEN ZIJN DENKBAAR


pneumonia: 8th day

Al acht dagen met longontsteking in bed of op de canapé. Gelukkig ben ik thuis en lig ik niet weg te kwijnen in een Brussels ziekenhuis. Er zijn altijd ergere dingen denkbaar, maar prettig is het niet. Vooral niet omdat je niets kunt doen. Alleen maar op genezing wachten.

Foto: Crystal Eye.

09-02-10

VROEGER IS NU


Twombly_wilder shores of love


Als stro zijn de dagen, ook al zie je geen velden, geen heuvels, geen vuren branden. Je ruikt een korte, felle brand, en daarna, terwijl je een glas bier drinkt, het smeulen. Je zit op een krat te piekeren over de voorbije weken en maanden. Is alles echt gebeurd? Heb je geleefd tijdens die maanden, of was het maar een droom? Was je werkelijk in Umbrië, in Rome, in Berlijn, in Wenen, in Porto, in Lissabon, in Barcelona? Zag je er alles wat je gezien hebt. De heuvels van Spoleto, het drukke verkeer, de oudste kerk van Rome door het raam van je hotelkamer, liep je opnieuw over de Auguststrasse en in Prenzlauerberg? Werd je uitgenodigd voor een Vietnamees etentje ergens in Kreuzberg en werd je zo dronken van de wodka dat je er scheel van zag? ’s Anderendaags op het vliegtuig. Het lijkt op een droom.

Ook in Porto. Je vrienden, de nachten, de kunstgaleries, de sterren van José, het museum waar Cristina jullie de weg wijst, waar A. ten val komt, de lekkere Portugese wijn in café Guarany, en aan de oceaan waar de golven wild te keer gaan. Wat blijft nog over van Wenen? Altijd maar dat MuseumQuartier, een hele week lang, vaak in de regen. Waar je Cy Twombly ontdekt, een kunstenaar van wie je alleen de naam maar kende en die je nu verheerlijkt, op een even hoog niveau plaatst als Anselm Kiefer.

En Ray Johnson, haast vergeten, de wanhoop van Jesper Just, de indrukwekkende tentoonstelling ‘Silences’, bijeengebracht door Marin Karmitz, in Lissabon. De nieuwe kennismaking met het werk van Tadeusz Kantor. Het onzichtbare dansen boven je hoofd in een Berlijnse kunsthal – een installatie van Allora & Calzadilla.

En van al de vrienden die je ontmoette. De geliefden. De omarmingen. De dode broer. De dode helden. De wandelingen door de stad, de terrassen van leven en dood. Waarom kus je elkaar? Heb je elkaar dan niet innig lief? In de zomer of in de koude cafés van de winter, als een profeet met blijde getijden welkom zou zijn, zo net na een vreselijke aardbeving.

Nachten van waanzin en euforie in Antwerpen, in Gent op het huwelijk van je vriendin I., lezingen, concerten van Bob Dylan en the Duke & the King, de cafés in Brussel... Back to the starting point. Gesprekken met arbeiders over hout, centrale verwarming, sleutels… Taxichauffeurs die je behoeden voor het gevaar. Met hun verhalen en hun scherpzinnig ogen.

De stad puilt uit van liefde en haat, maar je zoekt slechts liefde. Omdat zo de wereld opnieuw ontstaat. Je moet puzzels ontwarren, als waren het knopen in lange, weelderige haren. Wat betekent dit allemaal, een nachtmerrie kan het niet zijn, als er trompetgeschal bij weerklinkt en beelden van engelen je gezicht vertroebelen. Je gelooft niet in het bovennatuurlijke, nee. Maar een engel is een mens. Dat weet je van Rilke en van Wim Wenders. Engelen, en jij met je hoofd in de voor een keer niet giftige wolken.

Maar nu heb je hoge koorts en moet je weer gaan rusten. Niet alleen taxichauffeurs beschermen je tegen het gevaar. Niet alleen engelen. Je moet jezelf ook in bescherming nemen. Je moet zien dat je overleeft, het positieve accentueren.

Afbeelding: Cy Twombly, Wilder Shores Of Love, copyright Cy Twombly.

 

01-02-10

EEN JAAR IS EEN DAG, EEN DAG IS EEN JAAR


kantor

Een jaar is een dag, warm en tegelijk koud, afschuwelijk en verrukkelijk. Ik maak er mij niet echt druk meer over. Het eenvoudige antwoord is dat tijd niet bestaat, tenzij als einde: ooit is het met ons allen gedaan.
Soms zit ik in een tram of bus en zie mijn reisgenoten, die van alle streken van de wereld hierheen zijn gekomen om te leven en geluk te vinden, en denk: op een dag zijn wij allen dood. Wij bevinden ons voortdurend op gewijde grond: miljarden mensen liggen onder onze voeten, doden, een vredige dood gestorven of als slachtoffer van een oorlog of een ramp. Als gevolg van liefde of haat, of iets daartussenin. De enen zijn voor het vierkant, de anderen voor de cirkel – om zulke principes slaan ze elkaar soms de kop in. Nee, ik maak er mij niet druk meer over. De ene dag ben ik voor de cirkel, de andere voor het vierkant. Een man van principes ben ik nooit geweest en zal ik hopelijk ook nooit worden. De enige stelregel waar ik mij poog aan te houden is dat je een ander niet aandoet wat jij niet wilt dat jou geschiedt. Het principe van het mededogen lijkt mij van het grootste belang, naast dat van de strijd om te overleven, wat ook wel eens drift of verlangen wordt genoemd. En omdat ik, zoals ik hierboven al zei, maar korte tijd een gast ben van moeder aarde, wil ik haar met eerbied bejegenen.

Kies nooit voor de onderdrukkers, kies voor de onderdrukten. Maar dat komt op die eerste en ‘enige’ stelregel neer.

Over dat jaar van een dag wilde ik graag wat schrijven. Wat is me bijgebleven? Wat heeft me gelukkig gemaakt? Wat heeft me pijn gedaan, gekweld. Wat heeft liefde bij me opgeroepen, wat weerzin en zelfs haat.

Een lange stilte volgt. Het is de stilte van het vergeten.

V
ergeten ben ik al hoeveel mensen die me dierbaar waren zijn gestorven. Ik kan een kleine opsomming maken van de doden die me bijgebleven zijn, maar dat wil ik niet: niemand mag worden vergeten. Bij wijze van spreken zelfs een vlieg niet. Is een vlieg geen wonderlijk schepsel? Of een spin. (Niet dat ik ooit een spin heb gedood. Spinnen kunnen mij soms in verrukking brengen, ecologische architecten als ze zijn.)

Daar wil ik al weken lang over schrijven. En ik heb het ook al gedaan. Maar het lijkt onbegonnen werk. Want een dag is een jaar. Begin er maar eens aan. Alleen al de Dodenklas van Tadeusz Kantor, waar ik in Lissabon tien minuten naar heb staan kijken – niet naar het stuk, maar naar enkele foto’s, is het waard om honderden bladzijden over te schrijven.

Toch geef ik de moed niet op. De volgende dagen en maanden bericht ik over het jaar dat maar een dag duurde. Of omgekeerd?

Beeld:
Tadeusz Kantor, "Master Veit Tout Court C'est Moi (Self-Portrait)" , acrylic, marker, pastel, wernix on paper, 01.01.1985, 31,8x21,5 cm, private collection, deposed in National Museum, Cracow.

 

27-01-10

PROZAC, VOETBAL EN DE ZIN VAN MELANCHOLIE


bettyelavette

As soon as you’re born
word je gedefinieerd. ‘Men’ deelt je in in groepen, gewichten, lengtes, strontkleur, pipikaka, haargroei, liggen als een big of rechtop lopen als een homo sapiens, ‘men’ deelt je in in types, categorieën, soorten. Blijf vooral niet liggen als een big, dan loopt het verkeerd met je af. Leer heel gauw lopen en praten en schrijven. Lezen is niet zo belangrijk. Voetballen, vechten, al de andere onzin die we allemaal kennen. Ik ben nu ingedeeld, en niet voor de eerste keer, bij de ‘depressieven’. Vroeger waren wij de romantici, die meestal aan tbc leden, nu is het een psychisch probleem. Waar het op neerkomt is dat we anders zijn. We moeten ‘geneesmiddelen’ nemen om hetzelfde te worden als de rest. Vroeger zong ik mee met The Kinks, ‘I’m not like everybody else’, maar dat doe je niet meer op mijn leeftijd. Je luistert, bereidwillig, alsof je meespeelt in een eenvoudig spel. Mens Erger Je Niet, of iets dergelijks uit lang vervlogen tijden. De dokter zegt, ik zou het maar eens proberen met antidepressiva. Goed, dat probeer je dan, hoewel je eigenlijk op voorhand al weet dat je niet ‘depressief’ bent, omdat je die categorie niet aanvaardt, en dat bijgevolg dat geneesmiddel niet zal genezen. Sindsdien – twee of drie jaar geleden, misschien wel langer – heb ik al tientallen antidepressiva geprobeerd. Negentig procent wekte braakneigingen op, of deed me naar het toilet snellen om echt te kotsen. Trek had ik niet meer. Of ik at de hele tijd zoete koekjes, tot ik tien kilo zwaarder was geworden en dacht, nu is het genoeg geweest. Ik verdraag geen antidepressiva, net zoals ik geen antibiotica verdraag. Antibiotica zijn tegen het leven, antidepressiva tegen melancholie. Melancholie is een sterke kracht in je – je kan en mag die niet onderdrukken. Het is beter om er naar te luisteren. Melancholie kan je net redden van de middelmatigheid, het ongeluk, de zelfmoord. Melancholie is als zodanig al het medicijn.

Toch wilde ik naar mijn werk kunnen gaan, zijn als de anderen, mijn collega’s, mijn kennissen, sommige van mijn vrienden. Om die reden nam ik het enige middel waar ik niet  van moest kotsen: Fluoxetine, beter bekend als Prozac. De eerste weken voel je niets, daarna ontstaat een soort van euforie, je denkt dat je veel meer aan kan dan je kunt. Maar daardoor put je je reserves uit, en al snel word je moe. Van wat ben ik nu toch zo moe, denk je eerst. Je legt niet meteen het verband. Maar een mens denkt na en legt al snel wel verbanden. Je bent moe omdat je je reserves gebruikt voor taken die niet van tel zijn in je leven – in het leven dat je waarachtig wilt leven. Je put je uit om geld te verdienen. Om de leugen in stand te houden. Welke leugen? De leugen van de welvaart in het Westen. Bij ons is het allemaal veel beter. Vreemd is ook dat je van Fluoxetine heel veel zin krijgt in alcohol, in mijn geval in Duvel. Zo word je geleidelijk in plaats van iemand die aan een ‘depressie’ lijdt een ‘alcoholicus’: je moet elke dag je twee Duvels hebben, bovenop je Prozac.

Vanavond was er geen drank in huis. Ik begaf me door de sneeuw naar een nachtwinkel, net voorbij het Constant Vanden Stockstadium. Onderweg snelden tientallen gedachten door mijn hoofd. Waarom houd ik niet van voetbal? Waarom ben ik geen supporter van Anderlecht? Ik herinnerde mij een match in Barcelona, we waren uitgenodigd door de burgemeester, ereplaatsen – maar het was de koudste nacht van mijn leven en zelden heb ik er zo naar verlangd dat de tijd heel snel voorbij zou gaan, ondanks de schoonheid van het spel, het enthousiasme van de vrienden, het extreme groen van het gras, de schoonheid van de voetballers… Eens in de nachtwinkel wist ik niet goed meer wat ik moest hebben. De kou en de sneeuw hadden mij gegeven wat ik nodig had. Waarom dan nog Duvels, waarom nog medicijnen?

Wat je nodig hebt zijn je vrienden, je geliefden, je broer, de wereld om je heen, de echte wereld, niet die op televisie. Je wilt omhelsd worden, gestreeld, gekust. Degenen die om je geven mogen de geur van je gevangenschap ruiken, want hoelang zit je al niet in een kooi? Geen enkele pil, geen enkele pils, geen enkele Duvel zal de tralies buigen of breken. Je moet gewoon het slot openen met je sleutel.

Foto: Martin Pulaski, zelfportret met Bettye Lavette t-shirt.

IN CAFE GUARANY


no smile

Hier zit ik dan in een van mijn favoriete cafés, Guarany in Porto. Ik geloof dat AA deze foto van me nam op 3 of 4 november 2009. Waarom kijk ik zo droef? Aan wat denk ik? Ik weet het niet. Ongelukkig was ik niet, maar het had de hele dag geregend. Kan dat echter zulke blik verklaren?

Sindsdien ben ik thuis in Brussel en het is mogelijk dat ik nog altijd een droeve blik heb, ik kijk zelden in de spiegel, scheer me als een blinde. Alleen om mijn teennagels te knippen moet ik uitkijken. Een verkeerde beweging en ik ben een teen kwijt. Een teen zou nog niet zo erg zijn, maar twee...

In Brussel regent het niet, maar het is wel koud, en vooral donker. Weer voor winterdorpen, niet voor buitenwijken, waar shopping centers en brede straten de velden van weleer hebben vervangen. En als er sneeuw valt wordt alles hier meteen een grijsbruine brij.

Wat doet een mens dan? In mijn geval slapen, winterslapen. En lijsten maken, zoals nu een lijst van de beste platen uit de periode 2000-2010. Een hele klus! Het is tijd voor andere tijden.

07-01-10

IN MEMORIAM HERMAN J. CLAEYS

  

herman

Foto: Martin Pulaski

Als een eenzame jongeman kwam ik in september 1969 in Brussel aan. Ik zou er film studeren aan het Ritcs. Na enkele dagen was ik echter al goed bevriend met Marc Didden. Marc en ik praatten bijna voortdurend over ‘alternatieve’ muziek en over undergroundtijdschriften zoals het Nederlandse Aloha, het Britse it (International Times) en het Amerikaanse Rolling Stone, die we bij Herman Claeys in de Free Press Bookshop gingen kopen. Marc hielp daar soms een handje, als Herman een glas wijn ging drinken in de Florio of een dringende boodschap moest doen. Dat gebeurde allemaal tijdens de laatste maanden van 1969. Altamont moest nog plaatsvinden; wij waren onschuldig en geloofden in een betere toekomst, een andere samenleving. Was het daarom dat wij zoveel belang hechtten aan zulke tijdschriften en aan muziek? De undergroundkranten brachten ons op de hoogte van nieuwe, experimentele vormen van samenleven in de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Nederland en de muziek hielp ons vergeten in wat voor strontland wij leefden. Het leek wel alsof utopische ideeën nu eindelijk konden worden verwezenlijkt. Vreemd was wel dat Marc zeer hevig gekant was tegen hippies, terwijl hij lange haren had, en ik er al helemaal als een hippie uitzag. Ik was trouwens gek op ‘Hippie Boy’ van the Flying Burrito Brothers. Af en toe discussieerden we daarover, maar onze standpunten lagen niet zo ver uiteen omdat ik zelf ook geen ‘echte hippie’ was: ik leefde niet in een commune, deed niet aan groepsseks, gebruikte weinig of geen drugs, dronk slechts bij speciale gelegenheden, maar rookte wel heel veel sigaretten van het merk Lucky Strike.

Ik vond Herman Claeys een beetje een vreemde man. Hij was zeker tien of vijftien jaar ouder dan ik. Een oude kerel. Moest zo iemand niet al lang dood zijn, ‘My Generation’ van the Who indachtig? Nee, hij verkocht liever schunnige blaadjes aan langharig werkschuw tuig. Herman keek je niet aan als hij met je sprak. Al spoedig had hij zijn eigen, zeer verlieslatende club, De dolle mol, op de Kaasmarkt. Voorheen was het een jazzkelder geweest. Er hingen veel hippies rond in De dolle mol. Die zaten daar maar en dronken niets. Wel rookten ze joints, wat voor het voortbestaan van de club een groot gevaar was. Een zekere Vranckx was in die dagen minister van justitie, een socialist, die kennelijk in de leer was geweest bij Stalin. Soft drugs, dat bestond in zijn ogen niet. De gevangenis in met het gespuis dat zich daarmee drogeerde, en zeker met de waarden die dat gebruik gedoogden.

Op een zomerdag in 1970 was er geen geld meer. Evenmin was de brandveiligheid gegarandeerd, geen vergunning dus.  De dolle mol ging toe. Maar we beslisten om het café illegaal te openen in een appartement boven de club. Op dat ogenblik werd ik onbezoldigd barman boven in het Dolle Mol-appartement. Daar was geen kraantjeswater en ook geen tap. Om glazen uit te wassen moest ik telkens de kelder afdalen, om een emmer met vers water te vullen. Dat stelde ik altijd zo lang mogelijk uit. Toen ik daar op een nacht aan het werk was werd mijn zoontje geboren. De volgende nacht dronk ik uitzonderlijk een keer mee met de schrijvers en dichters die er vaak zaten te kletsen, Jeroen Brouwers, Julien Weverbergh, Marcel Van Maele, Paul Snoek (geloof ik toch) en Herman zelf.

Eten deed ik eigenlijk niet. Omstreeks zes of zeven uur ’s avonds gaf Herman me enkele franks, waarmee ik me een kommetje rijst kon aanschaffen aan de overkant van de straat. Pita-bars waren er toen nog niet aan de Kaasmarkt.

Na ongeveer een maand verhuisden we opnieuw naar de kelder. Ik hield veel meer van de kamer boven. Herman had weinig oog voor hygiëne, en daar hadden we soms wel eens conflicten over. Achter de toog op de grond lagen planken, waaronder zich plassen stinkend zwart water bevonden. Die werden groter met de dag. Op een keer zag ik wormen kruipen. Die wormen moeten hier weg, zei ik tegen Herman. Met veel tegenzin zijn we dan maar gaan schoonmaken. Een vreselijke stank.

Marcel Van Maele zat drie weken lang aan de bar te brallen: “Wie werkt voor vrouw en kind, ’t Is vader”. Meer zei hij niet. Een vrouw toonde me foto’s van de orgieën waar ze aan had deelgenomen. Lelijke foto’s, niet eens pornografisch. Op een middag werd de Belgische vlag op de vloer opengevouwen. Herman en een vriendin zouden er een nummertje op maken. Hermans idee van revolutie: neuken op de Belgische vlag. Gelukkig waren de wormen toen al weg. Een fotograaf, wiens naam ik vergeten ben, heeft die ‘happening’ vastgelegd voor de toekomst, nu dus. Ik weet nog dat ik zo bang was voor minister Vranckx en de gevangenis dat ik de fotograaf gesmeekt heb die negatieven waar ik op de achtergrond misschien wel herkenbaar was te vernietigen. Herman was een held met kleine kantjes en grote gebaren. Hij schrok er niet voor terug om vanop een Amerikaanse tank die op het De Brouckèreplein stond – naar aanleiding van de film ‘Patton’, geloof ik – de rijkswacht en de BOB uit te dagen.

Op een dag had ik genoeg van die anarchie. Ik was gehuwd, had een zoontje en wilde opnieuw gaan studeren. Het Ritcs had ik opgegeven omdat ik vond dat er teveel kleinkunstenaars met ringbaardjes rondliepen, maar ook omdat ik een afkeer had van de vakken elektriciteit en scheikunde. Ik begreep niet waarom je al die formules moest kennen om een film te maken zoals Bergman of Bo Widerberg. Samen met mijn toenmalige echtgenote ben ik filosofie gaan studeren aan de VUB. In De dolle mol kwam ik niet meer. We leefden een ander leven, een leven van anarchistische, revolutionaire intellectuelen. De dolle mol is in die periode naar de Spoormakersstraat verhuisd.

Ik ben er nog een keer geweest, toen ik al in Antwerpen woonde. Ik kwam van een verbluffend concert van Bruce Springsteen & the E-Street band en moest naar Antwerpen terug, maar er waren geen treinen meer. Dan maar de nacht in de kroeg van Herman doorgebracht, die er trouwens niet was.

Net zoals ik is Herman later naar Antwerpen verhuisd. Daar hebben we elkaar opnieuw ontmoet en heb ik ingezien dat ik de man enigszins onderschat had. Zijn gedrevenheid, zijn altijd opnieuw beginnen, zijn totale inzet voor de poëzie en de tegencultuur. Er was niemand zoals hij in Nederlandstalig België. We hebben een viertal keer samen op het podium gestaan, of na elkaar dan toch, en een keer ben ik nog eens dronken geworden met mijn oude vriend, in het 'oude' Brussel waar ik nu alweer vele jaren woon.

Een paar jaar geleden heeft Herman me uitgenodigd om te komen voorlezen in De Muziekdoos in Antwerpen. Hoewel Syd Barrett enkele dagen voordien was gestorven zag Herman er goed uit, in bloemetjeshemd gehuld. Ik heb een poëziehappening gehouden, we hebben met z’n allen een liedje van Syd Barrett gezongen (The Gnome) en met Herman heb ik over de oude tijd gepraat, De dolle mol, de dolle dagen, het grote avontuur van 1969-1971. Dat deden we altijd als we elkaar terugzagen. En bier drinken.

Het vreselijk aan het leven is dat we allemaal dood gaan en dat het dan gedaan is. Het vreselijke aan de dood van Herman is dat ik nooit met hem meer over de dolle dagen zal kunnen praten en ’s nachts in de straten van Brussel of Antwerpen verdwalen.

Herman, je was een eigenzinnig man, onverzettelijk en volkomen open. Ik zal je missen tot ik zelf in rook opga of onder de grond word gestopt. Vaarwel, broeder des woords! Vaarwel lieve anarchist!

04-12-09

LANG VERHAAL KORT: 40 JAAR


memories 1b



 

 

memories 2b

The Cool World.

25-10-09

ALS EEN BLOEDERIGE RIVIER


bed2

Als dit dan toch een kroniek is, zal ik daar maar wat aan doen. De voorbije weken zijn echter in een koortsachtige, meer negatieve dan positieve roes aan me voorbijgegaan, als een vervuilde, bloederige rivier, een rivier uit een boek van Boris Vian, een schrijver waar ik al jaren niets meer van heb gelezen, terwijl hij dat toch zeker wel verdient. Ik herinner me desondanks zijn bloederige rivier, waar ik mijn voeten in waste in 1973, tijdens een andere koortsachtige periode, waarbij ik zes weken in bed moest blijven, alleen om me wat te wassen en zo mocht ik er even uit.

Net zoals in die lelijk-mooie ziekteperiode heb ik ook nu gelezen, zij het veel minder dan destijds. Niet alleen minder, maar ook minder intens. Als je jong bent lees je geen zinnen maar dring je telkens je de eerste pagina van een ‘nieuw’ boek begint te lezen een andere wereld binnen, raak je in betovering, leef je een leven dat niet het jouwe is, maar tegelijk ook wel. Wat mij betreft kan ik meteen drie boeken uit mijn kinderjaren noemen waarin ik zulke andere levens heb geleefd: ‘De graaf van Monte Cristo’ van Alexandre Dumas, ‘Het rood en het zwart’ van Stendhal en ‘De ellendigen’ van Victor Hugo. Maar er zijn er veel meer.

De voorbije weken las ik ‘De twintigste eeuw’, van Alain Badiou, een bijzonder heldere en eigenzinnige terugblik op de filosofie en politiek van de 20ste eeuw, ‘Angst voor de Barbaren’ van Tzvetan Todorov, een realistische kijk op Europa sinds de Verlichting, en hoe sommige ideeën (zoals die van Rousseau en Montesquieu) nog steeds bruikbaar zijn. Zijn onderscheid tussen cultuur en beschaving is erg nuttig in deze verwarde tijden, waarin jan en alleman zich voor een islamkenner uitroept. Het boek gaat over angst voor de Barbaren. Maar het is duidelijk dat we allemaal potentiële Barbaren zijn. Elke vorm van etnocentrisme vertoont barbaarse trekken. Lees echter zelf het boek, je overwint meteen je angst voor de Barbaren en verzoent je tegelijk met je ‘eigen’ cultuur. Bij mij ging die verzoening gepaard met het luidkeels meezingen van liedjes van Heintje en Corry & De Rekels, hiertoe – vanop een schijnbaar onoverbrugbare afstand - aangespoord door mijn jonge vriendin D.

Vrolijk werd ik ook van ‘romans’ (of zijn het sprookjes?) van Italo Calvino, boeken die al een eeuwigheid op mijn verlanglijst stonden. Ik genoot van elke zin in ‘De onzichtbare steden’ en ‘De gespleten burggraaf’. Hoewel ik al essayistisch werk van Calvino had gelezen was dit het begin van een mooie vriendschap.

Er waren nog andere boeken, vooral met poëzie gevuld (met name Federico Garcia Lorca). Maar lezen is niet alles. Ik zag ook films, op DVD, de grote troost voor eenzame mensen. Je duwt op een knop en je kamer wordt gevuld met de meest innemende, groteske, seksueel aantrekkelijke, gevaarlijke en gruwelijke personages. Zowel om artistieke als financiële redenen grijp ik graag terug naar films uit het verleden. Ik bekeek films van Buñuel, ‘Belle de jour’, ‘Cet obscur objet du désir’ en ‘Le charme discret de la bourgeoisie’. Alleen de titels al! Ik vond niets oubolligs aan deze werken, integendeel, de hedendaagse Hollywoodfilms lijken mij honderd jaar ouder, en niet door geniale regisseurs maar door apen te zijn gemaakt.

Door mijn ‘huisarrest’ moest ik heel wat missen: concerten (onder meer Sonic Youth), theater, ontmoetingen met vrienden, etentjes en mijn werk. In die korte periode waarover ik het hier heb traden vrienden van me in het huwelijk, kregen ze kinderen, kwam er bij een goede vriendin een sterfgeval voor. Op facebook werden debatten gevoerd over het hoofddoekenverbod (waar ik tegen ben), over verliefdheid en liefde (voor), er werd met enthousiasme over boeken en muziek gepraat; meestal probeerden wij elkaar voor bepaalde muziekvormen of voor afzonderlijke songs te winnen door het tonen van clips die we op YouTube zochten. YouTube is heerlijk: het is een soort van collectief visueel geheugen, waar niet aan uitsluiting wordt gedaan. Je treft er alle culturen aan, en uitingen van zowel ‘hoge’ als ‘lage’ cultuur, een onderscheid dat ik overigens in de jaren zestig voor mezelf al heb afgeschaft. Op YouTube vond ik de intense virtuositeit van Bukka White, Son House en Rainer Ptacek terug, de innemende nonsens van Leapy Lee, Hurricane Smith en Dave Dee, Dozy, Beaky, Mick en Tich, de erotische melancholie van Hope Sandoval, de exotische smart van Geeta Dutt, de haast religieuze verhevenheid van Bill Viola. Wat heeft een mens nog meer nodig? Ja, ik weet het, medicijnen.

De mooiste muziek die ik de voorbije dagen heb gehoord kwam van Bach, the Beatles, Richard Hawley (‘Truelove’s Gutter’), the Soulsavers, Richmond Fontaine,  Howlin’ Wolf, Billie Holiday en Hope Sandoval & the Warm Inventions. Wat is haar ‘Through The Devil Softly’ toch weer een sublieme verzameling liederen geworden… Haar stem is een zalf die elke wonde geneest – en elk liefdesverdriet lost op in wolkjes warme smart.

 


Foto: Martin Pulaski. 

 

15-10-09

MEXICAANSE GRIEP


MANUEL MANILLA


Die laatste zin, ik zeg geen gebenedijd woord meer, had ik beter niet geschreven. Sindsdien heb ik ook geen woord meer geschreven. Dat voelt vreemd aan, niet schrijven als je weet dat het zou moeten en als je er zelfs alle tijd voor hebt. Zou het lijken op een vogel die niet kan vliegen? Ik kan het aan geen vogel vragen, ik ken de vogeltalen niet.

Ik wil almaar schrijven, maar heel vaak doe ik het niet. Soms beslis ik ertoe omdat ik weet dat het betekenisloze dingen zouden worden, uit verveling ontstaan, andere keren doe ik het niet omdat ik alcohol heb gedronken, onder invloed waarvan je wel mooie woorden en beelden kunt oproepen, maar zonder samenhang noch evenwicht, nog andere keren, zoals nu, omdat ik er de energie niet voor heb.

Voor veel schrijvers lijkt schrijven de eenvoudigste zaak van de wereld. Elk jaar zitten ze op de Boekenbeurs met een nieuw ‘product’, dat er vanzelf lijkt gekomen te zijn. Hoe doen ze het toch? Is het dan allemaal overbodige rotzooi, wat ze schrijven, of zitten er echt parels tussen? Ik zal het wellicht nooit weten, aangezien ik geen werken lees van hedendaagse Nederlandse schrijvers. Alleen voor Geerten Meijsing, Arnon Grunberg en Remco Campert maak ik een uitzondering. Die laatste kun je natuurlijk moeilijk hedendaags noemen – maar voor mij is hij het desondanks. Ik maak tevens een uitzondering voor dichters en dichteressen, degenen die woorden opnieuw uitvinden of een nieuwe kleur / geur geven.

De avond waarop ik mijn vorige tekst schreef zal ik ongetwijfeld al wat koorts hebben gehad. Het stukje heeft inderdaad een koortsachtig toon. Maar ik wist nog niet dat ik ten prooi was gevallen aan de Mexicaanse griep. Hoewel het niet veel uitmaakt waar de griep vandaan komt: ik ben er bijzonder gevoelig voor, zoals alle mensen met zwakke longen. In normale omstandigheden ben ik gevaccineerd, maar door het vroege opduiken van het virus was dat nu niet het geval. Ik ben er gevoelig voor, en meestal zijn er, zoals nu, verwikkelingen. Sinds zondag heb ik een pijnlijke hoest, symptoom van bronchitis, en slik ik antibiotica. Het zal nog wel een week duren eer ik helemaal genezen ben. Ondertussen zie ik door het raam de nazomer voorbijtrekken, de herfstdagen, zie ik de eerste sporen van de winter. Ik heb altijd van de winter gehouden, tot voor enige jaren – opeens kreeg ik het koud, en kon ik geen warmte meer vinden. Doordat die koude zo storend was – en duur – kreeg ik een fysieke afkeer van dat seizoen. Zo erg, dat ik nu alweer naar de zomer snak. Maar ik mag niet altijd maar snakken, want op die manier is mijn leven voorbij voor ik het weet. En dan heb ik de mooiste jaren ervan niets anders gedaan dan gesnakt. Hoe mooi en onvergetelijk de zomer van 2009 ook mag geweest zijn, toch ga ik me, zodra ik genezen ben, onderdompelen in de late herfst en vooral in het zinderende licht van de winter. En wat er dan met mij, met jou gebeurt, daarover ga ik schrijven. Maar eerst nog enkele dagen rusten, slapen, wat lezen en veel nadenken en me herinneren. Er is nog zoveel dat ik me niet herinner.

Afbeelding: Skeletten, door Manuel Manilla. Ik heb een reproductie van dit werk ingelijst op mijn werkkamer hangen. Het is een memento mori. Voor mij heeft die prent niets lugubers, eerder iets feestelijks. De tekening is overigens gemaakt voor het Mexicaanse feest van de doden.

 

01-09-09

GIN HOUSE BLUES


meisjes in archiduc2


Over de vier seizoenen misschien? Dat de zomer? Of de laatste films, de nieuwste, de beste? Wat  vertelt Zizek toch weer? Ik lees zijn boeken, zoals nu ‘Violence’, en vergeet ze bijna meteen, en ga door met mijn leven. Mijn leven, jouw leven, ons leven. De pathos ervan – hoezeer ik me ook afkeer van elk pathetisch genoegen. Wat moet je anders doen dan doorgaan met je leven? Het is niet dat ik geen plezier beleef. Mijn genot kan immens zijn. Ik kijk overal om me heen en zie vrouwen, rivieren, mooi rood plastic, nieuwe buildings, schoenen steviger en stijlvoller dan sportwagens. Ik hoor John Fogerty, the Great Lake Swimmers, Archie Shepp, Moe Tucker, Bright Eyes (“I keep drinking ink from my pen”), het klinkt allemaal opwindend. All the way to Canada, waar mijn nichtje woont, nu al een oudere vrouw, de – destijds - mooie dochter van nonkel Frans. De familie, een bodemloze put, ik begin er niet aan.

Heb je elkaar nog iets te vertellen, werd je gevraagd. Wie stelt zulke vragen? Theatermakers. Ze moeten hun publiek toch iets vertellen. Vaak leven mensen in vrede naast mekaar, zonder dat ze nog enig contact hebben; ze leven hun eigen levens of bijna-levens, denken ze. Of dat is hun premisse. De premisse van sommige theatermakers. Hoe vals…Dat ze hun eigen huwelijksproblemen analyseren, zoals August Strindberg deed. De country songs – die nu ook John Fogerty weer zingt – vertellen het hele verhaal. Het is eenvoudig: je houdt van elkaar, ziet elkaar graag, en haat elkaar, je verlangt naar het eeuwige leven samen, maar tegelijk wil je de wereld zien en het andere, altijd het andere, dat overal is, behalve hier. Voorbij die berg daar, of nog twee straten lopen en we zijn er.

Daar ben je dan. Lang geleden dat we elkaar nog hebben gezien. Hoe gaat het met je?  Heb je de laatste Tarantino gezien? Drink je nog iets? Je hebt je mooiste blouse aangetrokken. Toch niet voor mij? Een spin die zoveel lawaai maakte… Dat kan toch niet. Een spin hoor je niet. Het moet een rat zijn geweest, zoals in ‘De battre mon coeur c’est arrêté’, een buitengewoon mooie film. Wist je dat hij gebaseerd is op ‘Fingers’, van James Toback. Mijn vriend Jos had me die destijds aangeraden. In oktober 1991 maakte hij er eind aan. Hij had niets meer te vertellen. Het woord ‘dood’ vatte alles samen. Sindsdien probeer ik hem te vergeten, aan mezelf te denken. Maar ik kan niet aan mezelf denken, ik kan niet eens denken.  Als er iets is wat ik niet kan is het denken. Ik kan wel nadenken, maar niet denken. Het spijt me, maar zo is het.

Ik zit graag in cafés om naar mensen te luisteren die ik niet ken. Al spoedig blijkt dat we veel gemeen hebben, dat onze verhalen, onze levens op elkaar lijken. Ik houd van de mensen in de cafés, ik omhels ze, letterlijk of figuurlijk. Soms begrijpen ze dat niet, alsof ik Nietzsche ben en zij het paard, in Turijn. Maar meestal valt het mee. Meestal weten we dat we in dezelfde Sloop John B. zitten, dat we naar huis willen, maar dat we tegelijk niet naar huis willen. Want is er nog wel een huis? Een thuis? Soms denk ik, sinds de dood van mijn grootmoeder en de dood van Brian Jones en dood van Sandy Denny (en al de anderen) is er niets meer dan de bliksem en het verlangen en het gezelschap, de troost van vreemden. Ja, de troost van vreemden, die verwarmt je hart toch nog het meest – ook als je in de koude ochtend al in de armen van je geliefde ligt.

Dronken in de armen van je geliefde heb je haar veel te vertellen. Maar er is geen mens onder de maan of de zon die zulke verhalen zou willen horen. En als dat wel zo zou zijn, zou ik ze niet vertellen. Het zijn verhalen van en voor vreemden. Het zijn verhalen voor de bewoners van het Gin House. Ze hebben de bodemloze put gezien. Ze zeggen, zwijg nu maar, jongen en luister naar dat lied van Nina Simone.

meisje in de daringman2d
 
Foto's: Meisjes in de Daringman en in de Archiduc (Brussel), Martin Pulaski, 2009.

24-08-09

OPGEJAAGD WILD


richardgerstl-self_portrait_laughing

I think that maybe I’m dreaming
… Opgejaagd wild, wild opgejaagd door lust en onlust. Ontevreden met mijn berusting, met mijn uitputting, met mijn duistere en glasheldere verlangens. Zo reis ik  van de ene streek naar de andere, van de ene stad naar de andere, van het ene kasteel naar het andere. Op zoek naar je-ne- sais-quoi. Amuseer ik me ook, geniet ik van wat ik ruik, voel, zie, hoor, neem ik de scherven wereld in mij op, om er later op mijn manier van te getuigen? Ik weet het niet. Soms denk ik, jazeker, soms denk ik, zeker niet. Je weet dat ik een twijfelaar ben. Je weet dat ik weet dat ik weinig weet en van nog minder zeker ben. Je weet dat ik tevens weet dat het ‘beter’ is weinig te weten dan te denken dat je veel of zelfs alles weet. Je weet dat ik vaak niet eens weet wat ik doe. Opeens, bijvoorbeeld, ontwaak ik in een stilstaande trein in een uithoek van België. Verdoem mijn ziel, wat doe ik hier. Snel de trein terug op. De kaartjestknipper trekt niet eens zijn schouders op als hij mijn treinkaart knipt. Ik weet dat ik dat woord niet mag gebruiken, kaartjesknipper, maar dat is wat hij doet. Of hij zet er een stempel op. Een verdwaalde reiziger, zal hij denken. Of hij denkt helemaal niets, het zijn z’n zaken niet. Door mijn onverantwoord gedrag verwijder ik mijn vrienden van me. Niet dat ik me van mijn vrienden verwijder. Het is omdat ik zo graag bij ze blijf dat ik treinen mis, of te veel drink en me daarna van richting vergis, een verkeerde beslissing neem. Straks blijft er niemand over. Zulke dingen doe je niet ‘op mijn leeftijd’. Alsof mathematische leeftijd bestaat. Net zoals mijn schoonbroer, een psychiater, word ik opnieuw zestien, maar op hevigere, bewustere wijze dan toen. De opstandigheid is niet langer op een gevoel van onrechtvaardigheid gebaseerd, maar op jarenlange waarneming van een absurde realiteit.  De afkeer van een valse rechtvaardigheid, van een valse naastenliefde, van een valse liefde, van een vals geluk en van dwaze doelen, waar velen zelfs willen voor sterven, of op zijn minst hun lustgevoelens willen voor onderdrukken. Op een jarenlang ondergedompeld zijn in de realiteit is onze opstandigheid gebaseerd. Maar wacht, tegelijk is de jeugdige onnozelheid gebleven - onduidelijkheid, verwarring, een aan psychose grenzende negativiteit (zoals die van Bob Dylan in ‘Just Like Tom Thumb’s Blues’ – waar echter poëzie hem uit de maalstroom van het verderf redt).

Het zijn op hol geslagen driften en de aantrekkingskracht van het weinig bekende en gekende. Ik wil geen gevaarlijk leven leiden, dat is belachelijk, maar ik wil evenmin berusten in gerieflijkheid, het behangpapier van degenen die naar de dood verlangen. Verlang ik zelf dan niet naar de dood? Ja, natuurlijk – zoals iedereen, omdat het onze bestemming is. Het is een heel stille stem, die echter niet ophoudt ons te roepen; zij kent al onze namen. Het is stompzinnig om niet te verlangen naar wat onverschillig op je wacht. Maar verlang ik daarom naar jouw dood? Zeker niet. Ik wil niet dat je onheil onverkomt, ik wil je niet afnemen wat je hebt. Wat zou ik er mee doen? Ik heb weinig nodig, ook al omring ik mij met veel kleinigheden. Ik trek een muur rond me op, bestaande uit scherven werkelijkheid, of echo’s, afgietsels ervan. Die muur moet me wellicht verhinderen om te vertrekken. Maar ik wil voortdurend vertrekken. Het is waar dat als ik in Venetië of Madrid ben, dat ik dan weer naar huis verlang, zoals de matrozen van de Sloop John B. Maar eenmaal thuis wil ik meteen weer vertrekken. Naar een andere streek, naar een andere stad, naar een ander kasteel. Waarschijnlijk is het doordat ik zo hartstochtelijk bij je wil blijven dat ik almaar weg wil, naar waar de wind me voert, of duidelijker gezegd, het openbaar vervoer, de trein, de boot, het vliegtuig.

Als ik gelovig zou zijn, zou ik meezingen met Take My Hand Precious Lord, maar ik ben niet gelovig. Ik geloof alleen maar in de liefde, en de liefde maakt me ziek en wanhopig. Ik geloof alleen maar in de lust, maar de lust voert me naar de dood. Ik geloof alleen maar in de vriendschap, maar de vriendschap vertroebelt mijn zicht, doet me mijn gezicht verliezen. Zo voel ik me dan schuldig en denk ik dat ik door iedereen in de steek word gelaten. Zo denk ik aan vertrekken – en zo zal het blijven tot het einde, amen. Of?

MORTELLERANDONNEE


Afbeelding 1: Richard Gerstl, Zelfportret lachend, 1908.

Afbeelding 2: Isabelle Adjani in 'Mortelle Randonnée van Claude Miller, 1982.

16-08-09

BLIJDE VERWACHTING


wieneraktion


De wereld is geen lachertje. Ik hoop dat je hart niet altijd gebroken blijft. Als ik niet meer van je houd. Of net wel. Een gebroken hart is een country song, maar is ook een werk van Mark Rothko, van sommige dronkaards die nog willen schilderen, schrijven, zingen. Johnny Cash, Arshile Gorky, Virginia Woolf. Een gebroken hart is een mooi hart omdat het bloedt, in zichzelf, zonder hechting aan een grond, een volk, een dom ideaal. Een gebroken hart is gebroken als porselein, als een 78-toerenplaat, in een hoog oplopende ruzie, je denkt meteen aan Arletty (wier kut internationaal was, zoals zij zelf verklaarde), uit liefde, uit woede.

 

Voor het vertrek naar een gedoemde, verdoemde stad, of naar om het even welke andere stad drink je jezelf lazarus. Ja Larry, zo is het nu eenmaal. De spanning van het al te bekende en onbekende, het altijd nieuwe onderdrukken – of al de lust voelen van het ontdekken of herontdekken. Dronken zoals Edgar Allen Poe nooit geworden is. De man werd zat van twee glazen wijn. Jij hebt wel wat meer nodig. Wine, women and whisky, zingt de blueszanger, Papa Lightfoot, uit Natchez. Zo erg is het met mij niet gesteld. Ik zou zeggen, life, love and moving my arms and legs (and the smaller stuff I’m made of). Maar ik ben geen blueszanger en ik ken de troubles niet die zij hebben gezien en gevoeld. Of hun ouders, grootouders, familie. Ik heb het goed gehad, heb het goed. Mijn leven is niet iets om over te klagen. Ik zou het wel kunnen, natuurlijk. Maar ik houd me even in. Ik ben nu tevreden, heb wat muziek beluisterd, Levon Helm vooral, Emmylou Harris, heb wat gelezen in Zizek, heb lekkere wijn uit Portugal gedronken bij een eenvoudige maaltijd, die mijn lieve vrouw had bereid, ondanks de hitte in de keuken, en het vele werk bij het pakken van de koffers.

 

Ik ben een luiaard. Ik doe niets. Ja, ik zorg er wel voor dat we kunnen reizen, ik reserveer vluchten, hotels, maak prints, zoek allerlei dingen op, controleer of we niets vergeten (bijvoorbeeld een kurkentrekker), check of we onze identiteitskaarten hebben en al de andere noodzakelijke stuff. Ik pak mijn koffer in, wik en weeg, schrijf nog iets naar de vrienden, zet foto’s op flickr, je weet maar nooit, bekijk facebook, want daar zijn veel vrienden – en ga zo maar door. Maar mijn vrouw doet al de rest. En de rest is een heel lelijk woord voor wat zij doet.

 

Straks zijn we in Wenen. Een verjaardagsgeschenk voor A. Het is een stad waar we van houden. Eergisteren liep ik mijn oude vriend Max Borka tegen het lijf. Naar Wenen, riep hij uit. Fantastisch! Niets dan kunst, niets dan musea! En je kunt er lekker eten! Hij gaf me mondeling enkele adressen, die ik meteen vergat. En op het einde van de maand geef ik een feest en jullie moeten zeker komen, zei hij.

 

Veel mensen denken dat Wenen kitsch is, Mozartpralines, etc., maar dat is niet zo. Niet alleen omdat Max het zegt, maar omdat ik er zelf nog niet zo lang geleden geweest ben. De kunst en de schoonheid zijn er nog altijd even levendig aanwezig als in het begin van de 20ste eeuw. Nu moet de politiek nog volgen. Dan hoeven de inwoners van Wenen zich niet langer te schamen voor hun ‘leiders’ – en daarin lijken wij op elkaar. Want schamen wij, Belgen, ons niet voor onze kortzichtige ‘leiders’? Natuurlijk wel. Wij willen zelfs geen leiders. Wij willen alles zelf doen. Frieten eten zoals we ze echt willen, vergif en al, en koterijen bouwen. Voor ons bestaat de toekomst niet. Wij leven er maar op los. Niemand zal ons daar voor straffen.

kunst,wenen,gebroken hart,country,heartbreak hotel,kut,arletty,nick cave,drinken,blues,papa lightfoot,levon helm,emmylou harris,gospel,papieren,werken,liefde,max,max borka,kitsch,politiek,verandering



Illustraties: Hermann Nitsch: Aktion am 3.3.1964 en Nicholas Roeg, Bad Timing (met Theresa Russell en Art Garfunkel)
 

13-08-09

RIJKE MAANDEN


berlinfriends

De voorbije maanden zou ik rijke maanden durven noemen, zoals de velden en boomgaarden waar ik met de trein voorbijreed en de door volle maan verlichte straten van de steden waar ik verbleef. Wij slingerden elkaar geen verwijten naar het hoofd. Zelf sliep ik weinig, imsonia, maar bleef er toch rustig bij. Op een vreedzame manier bekogelden wij elkaar met rijke lijstjes – ze gingen de halve wereld rond. Deels wilden we elkaar tonen wie we waren, deels wilden we dat de anderen zouden worden zoals wij, en wij zoals hen. Ook wilden we bewijzen dat we niet de eersten de besten waren, dat we niet zomaar konden worden vervangen, in weerwil van het adagium dat iedereen vervangbaar is.

Dat is gewoonweg niet waar. Je bent onvervangbaar. Niet omdat je Marcel Proust, Virginia Woolf, Herodotus, Céline of Thomas Hardy hebt gelezen; Bob Dylan, Bach, Joy Divison, Bessie Smith, Bill Evans of Ornette Coleman hebt beluisterd. Niet omdat je de hele nacht extatisch rock & roll heb gedanst (terwijl dat muziekgenre al lang niet meer bestaat). Niet omdat je van Wong Kar Wai, Wim Wenders, Nicholas Ray, Ingmar Bergman of Antonioni houdt. Niet omdat je in Waterloo was, aan de Grand Canyon of in Timboektoe. Niet omdat je whisky, tequila, porto, absint of Orval hebt gedronken. Nee, daarom niet, maar om al deze redenen samen - en vele andere - die je tot een uitzonderlijke enkeling maken. Iemand die een eigen project heeft en iets aanvangt met wat hij op zijn weg ontmoet, met wat hem in de schoot wordt geworpen. En jou, en jou.

Zonder in details te willen treden waren de voorbije maanden voor mezelf rijke maanden. Ik heb nauwelijks iets geschreven, wat nochtans het essentiële is van wat mij onvervangbaar zou moeten maken. Of dat werkelijk zo is laat ik in het midden. Hierboven heb ik het over de kunst van het combineren gehad, en eerder deze maand schreef ik over het schervenbestaan. Ook als je niet schrijft, als je niets doet, draag je bij aan de wereld.

Ik heb door Italië gereisd, vooral Umbrië en het altijd zinderende Rome. Musea heb ik er nauwelijks bezocht; ik heb er gewandeld, gegeten, gedronken, het leven gevierd. In Brussel zag ik een mooie tentoonstelling van het werk van Sophie Calle (waar ik al eerder over schreef). Ik had bovendien het genoegen kennis te maken met nieuwe vrienden, ongetwijfeld voor wat mij nog rest van mijn leven. Vriendinnen eigenlijk, uitzonderlijke vrouwen. Waarom vrouwen? Wellicht omdat ik zelf nogal vrouwelijk ben. Ik ben geen macho, niet competitief, spreek niet luid, streef niet naar een belangrijke positie in de maatschappij (dat laatste is niet echt vrouwelijk meer; bestaan het echt vrouwelijke en het echt mannelijke wel? Is het ook wat dat betreft niet een combinatie?). Ik zie graag vrouwen, letterlijk en figuurlijk, ben graag in hun gezelschap, vind het fijn met hen, met jullie, te converseren – bijna een van jullie te zijn. Ook al ben ik tevreden met mijn huwelijk ben ik toch ook altijd verliefd. Sommigen schrikken daar voor terug, wellicht omdat dan plots de man in mij naar boven komt. Dat spijt me, maar zonder die verliefdheid, zonder die eros zou ik niet lang leven. Eros is wat mij, als ik uiteengevallen ben, weer in elkaar steekt, zoals een mechanieker een oude Bugatti. Eros vuurt mij aan en helpt mij, soms, de woorden vinden die ik niet zoek. Degene die ik zoek zijn de bekende, versleten, degene die ik niet nodig heb. Eros probeert mijn scherven weer aan elkaar te lijmen. Wat niet lukt, maar het is wel – tijdelijk – een groot genoegen.

Toch heb ik niet alleen twee fijne vrouwen beter leren kennen: in Berlijn maakte ik kennis met een andere zielsverwant, een Duitse Texaan. Tijdens warme Berlijnse nachten praatten we over reizen, soulmuziek, vrouwen, Hongaren, tequila, mezcal en andere geneugten des levens. Dronken werden we van Tsjechisch bier en wodka. Berlijn drong bij mij langs elke porie naar binnen (dat doet het altijd – het is de stad waar ik het liefst verblijf). In mijn hotel maakte ik kennis met een zwarte familie die alle kleuren van de regenboog had en over heel de wereld verspreid leefde: nu waren ze bij elkaar voor een huwelijk van een ‘ver’ familielid. Ik was welkom aan hun tafel en samen dronken we wijn tot net voor de zon opging. Deze mensen zal ik nooit meer ontmoeten, ze zijn met te veel, te verspreid, te rhizomatisch. De Texaan - hij lijkt op Harry Dean Stanton -zal ik zeker nog weerzien. Alleen al om hem te horen vertellen over zijn oude vrienden Nick Cave en Blixa Bargeld. Nick Cave woonde bij hem in ten tijde van The Birthday Party. Hij schreef er, onder invloed van alle mogelijk drugs, ‘And the Ass Saw the Angel’.

En zo ging ik de afgelopen maanden op en neer, ging ik weg en keerde ik weer. Zat ik de gek uit te hangen in de Daringman of een ander Brussels café en treurde ik om de dood van Willy Deville, Michael Jackson en de anderen die nu voorgoed begraven liggen in de zomer van 2009. Ook wat de dood aangaat was het een rijke tijd. Maar de dood is niet het einde, het is het begin, niet in de wederopstanding, daar geloof ik allemaal niet in, maar in dit leven zelf. De verwezenlijkingen van de doden, hun nu stille woorden, hun versteende daden, komen in een nieuw daglicht en inspireren zo nieuwe, jonge mensen, degenen die deze planeet zullen koesteren en in stand houden. Ik hoop dat ze niet vergeten dat ze veel redenen hebben om boos te zijn en te blijven. Ik hoop dat ze de tegenstellingen waaruit de wereld en waaruit wij bestaan nooit uit het oog verliezen.

Maar ook als mijn hoop nergens op slaat waren het rijke maanden.

Foto: Martin Pulaski, Berlijn, juli 2009, Jelena, Mari & Ed.

06-08-09

DE WEG NAAR HET LICHT

26 vlaamsesteenweg2.jpg
Renée Verheyen, Vlaamsesteenweg, 30 juli 2009. Foto: Martin Pulaski

29-06-09

DOOD EN VERDERF


sam_cooke death

Het was een vreemde week. Ik denk dat ongeveer iedereen dat vond. De week was zo vreemd dat ik nog maar moeilijk mijn weg naar huis en naar mijn vertrouwde ‘omgeving’ vond. Want als je eenmaal je huis gevonden hebt betekent dat nog niet dat je thuis bent en dat je alles in dat huis ‘vertrouwt’. A house is not a home.
Voor mij begon het vreemde al op zaterdag 20 juni, nadat ik afscheid had genomen van mijn vriendin Diotima. Ja, ik heb plotseling zin om je Diotima te noemen. Zoals meestal waren we op mijn ‘bijna-aandringen’ gaan eten in de Vismet. Waarom niet eens iets anders geprobeerd? Herhalingsdwang, zullen de psychologen zeggen. Het zij zo. Maar waarom zou je ergens anders gaan als je eindelijk een degelijk en betrouwbaar adres hebt gevonden?
 

Eigenlijk is het nu te warm om te schrijven. Ik weet niet of ik er veel van terecht ga brengen. Het weer is meer geschikt om met iemand als Diotima zeeduivel te gaan eten, en een frisse Chardonnay te drinken. Maar ja, ik zit hier nu, met een glaasje Limoncino bij de hand (het heeft de geur van afwasproduct, door die overweldigende Limoni di Sicilia). Ik zit hier en hoor The Ovations ‘It’s Wonderful To Be In Love’ zingen.

ovations

Soul, man, that’s where it’s at… En je moet altijd verliefd zijn. Zodra je niet meer verliefd ben, ben je ten dode opgeschreven. Nadat ik Diotima in de trein naar Antwerpen had ‘helpen’ instappen keerde ik op mijn stappen terug naar het café waar we net vandaan kwamen. Ik zit graag aan de bar te praten met mensen die ik niet ken. Zo heb ik uren zitten praten met Marzouk. Het was een fijn gesprek, maar vraag me niet waarover het ging. Mijn korte termijngeheugen is om zeep. Wat zit ik daar dan nog te doen, in plaats van braaf afscheid te nemen van mijn vriendin en de laatste metro te nemen? Omdat de lichten van de stad me altijd hebben gelokt. De grootstad, relatief gesproken, is mijn geluk en mijn miserie. Maar als je mij al vaker hebt gelezen weet je dat al.

Zo werd het zondag, dag voor schuldgevoelens, katers en andere ellende, en dan is het maandag. Karel Van Miert was dood. Wie had dat nu verwacht? Een man toch waar ik meermaals voor heb gestemd, in de jaren zeventig, en die ik, ondanks zijn coiffure, nog echt bewonderd heb. Maar het waren zulke mooie dagen en ik voelde me voor een keer echt goed. Ik voelde me sterk, had de indruk dat ik het leven en het werk weer aankon. Geen tijd voor verdriet. (Overigens zeggen mijn vrienden filosofen dat je niet kan rouwen om een idool, een held, iemand waar je naar opkeek, je rouwt alleen maar om familieleden en intieme vrienden.) Daarna stierf Sky Saxon, de zanger van the Seeds, een van de betere sixties punk rock bands. ‘You’re Pushin’ Too Hard’, en ‘Can’t Seem To Make You Mine’ zijn in mijn geheugen gegrift. Sky Saxon is altijd een punk gebleven, een outsider, iemand die volgens zijn eigen wetmatigheden leefde. Voor velen daarom een gek. Ik geloof dat op dezelfde dag Yasmine een punt zette achter haar leven. Een vrouw met wie ik geen affiniteit had. Maar ik houd er niet van dat mensen zulke drastische stappen zetten vanwege een liefdesgeschiedenis. Je moet altijd verliefd zijn en blijven, ook al houd je hartsgrondelijk van iemand. Een moralist wil ik niet zijn, maar zo zie ik het. Evenmin wil ik vals spelen en Yasmine nu opeens gaan verheerlijken. Ik houd niet van het Vlaamse lied, zelfs niet van het betere. Ik ken maar weinig ‘goede’ Belgische zangers. Er zijn er wel, met als uitschieters Rocco Granata, Salvatore Adamo, Jacques Brel (en de zangeres van Les Tueurs De La Lune De Miel, van wie ik de naam vergat) en natuurlijk ook Roland. Ik leef niet hartstochtelijk mee met de vrienden van Yasmine, maar ik begrijp hun verdriet. De wereld hield nog steeds niet op met draaien rond de zon.

Michael Jackson kreeg een hartstilstand. Een van de populaire muzikanten die het meest invloed hebben uitgeoefend op de generaties die na mij kwamen. Ik was geen fan van Michael Jackson. Eigenlijk liet hij me nogal onverschillig. Maar zijn invloed was terecht. Hij was een componist van perfecte popsongs als ‘Billie Jean’ en ‘Beat It’ en zette de traditie voort van enerzijds de succesvolle en vindingrijke danser, zoals Fred Astaire en Mick Jagger, en die van de perverse, romantische kunstenaar en uitvinder. Wat dat laatste betreft een combinatie van Robert Johnson, Charles Baudelaire, Thomas Chatterton en Howard Hughes. Ook was hij een komediant en een gijzelaar van de spektakelmaatschappij. Hij is nooit opgegroeid. Ik heb niet om hem gerouwd. We wisten allemaal dat hij zou sterven en dat de media de wetten van het spektakel zouden respecteren. Wel heb ik nog eens geluisterd naar ‘Thriller’, maar ik heb er niet op gedanst. Maar vandaag heb ik drie paar schoenen gekocht. En nu zit ik alweer naar soul te luisteren. Let the good times roll. En vergeet Sam Cooke niet. Geen outsider, maar wel een slachtoffer. En vergeet de mensen niet die werken of niet werken, maar lijden. Die afzien in de hitte en de kou. Degenen over wie niemand spreekt, tenzij ze toetreden tot de orde van het spektakel.

sam-cooke


30-05-09

CARPE DIEM i


janebirkin3


Morgen reizen we voor de derde keer naar Umbrië. Op mijn verjaardag, de laatste die ik nog echt wil vieren, ben ik in Spoleto, een kleine, lieflijke stad, die me dierbaar is. Het zal er regenen, en kouder zijn dan hier, maar dat maakt niet uit. Het leven is er intenser; de natuur, die de stad lijkt te omhelzen, werkt dat in de hand. In die omgeving wil ik best wel ouder worden, come rain or shine. Ik zal over de Romeinse brug lopen, die Goethe in zijn ‘Italiaanse reis’ vol bewondering beschrijft, en aan de overkant waar kruiden en wilde bloemen groeien een heidens gebed bedenken. ’s Avonds wordt er goed gegeten, truffel is de specialiteit van de streek, en de wijn uit Montefalco lest bijzonder goed de dorst. Ja, na alle voorbije ellende, kijk ik er naar uit, zoals alle mensen die op reis gaan of vakantie nemen.

Meestal ben ik ziek alvorens ik op reis vertrek, maar nu niet. Nu is mijn zoon ziek en ligt hij in een hospitaal, met een onduidelijke aandoening. Maar het gaat beter met hem, bloedanalyses wijzen op niets kwaadaardigs, en hij eet weer. We houden contact en als zijn toestand toch zou verergeren ben ik vanuit Rome snel in Parijs. Maar zijn toestand zal niet verergeren, daar vertrouw ik op.

Het zal de eerste keer in mijn leven zijn dat ik niet ga stemmen. Maar lig ik er wakker van? Nee, niet echt. Ik lig van andere dingen wakker, onnoemelijke dingen, maar niet meer van de spektakelpolitiek. Politici willen ons almaar vrijheid verkopen, en andere leuke dingen, maar we weten heel goed dat we niet vrij zijn. Zelfs vogels zijn niet vrij, zong Bob Dylan al toen hij nog heel jong was. De enige vrijheid is de dood. Dat is geen pessimistische gedachte, integendeel: we zijn niet vrij, maar wel verantwoordelijk voor onze daden. Daarom zou ik, ondanks mijn wantrouwen en vaak zelfs afkeer van het politieke circus, zeker gaan stemmen. Mijn keuze was al gemaakt: ik zou voor de groenen stemmen, wellicht voor Ecolo hier in Brussel, of anders voor Groen!: het is het minste kwaad. Zij hebben een project voor de toekomst. De financiële belangen, die bij de andere partijen zo’n grote rol spelen, en het fascisme van de zwarte partijen zullen dat project natuurlijk proberen te dwarsbomen – maar we mogen niet berusten in hun donkere macht. Elke burger in dit land moet zich verzetten tegen het wilde kapitalisme, het ‘empire’, dat blind en boosaardig vernietigt wat mooi en kwetsbaar is. Er is niet veel verschil meer tussen de traditionele en de extreemrechtse partijen: zij hanteren stuk voor stuk een nationalistisch discours. ‘Eigen volk eerst’ is de onuitgesproken slogan geworden van bijna elke politicus die graag op televisie komt. Overigens blijven de media dit oprukkend nationalisme in de hand werken. Bijvoorbeeld in hun bewieroken van extreme nationalisten als Bart De Wever, de “intelligentste en meest geliefde politicus” van Vlaanderen. Ik geloof dat iemand als Bart De Wever nog schadelijker is voor dit land en voor onze toekomst dan om het even welke Vlaams Belang-politicus. Als je die mannen al politici mag noemen, demagogisch en demonisch als ze zijn.

Ik zou vooral voor de groenen stemmen, Nederlands- of Franstalig, omdat zij de solidariteit tussen alle bevolkingsgroepen belangrijk blijven vinden, en omdat zij begaan zijn met de toekomst van onze kleine planeet. Ik ben in een bepaald opzicht een voorstander van het Carpe Diem, maar niet tegen elke prijs. Doch ik ga niet stemmen, ik onttrek me aan mijn verantwoordelijkheid, ik ga de dagen plukken. De eerste keer in mijn leven.

Mogelijk bereik ik meer met deze tekst dan met het uitbrengen van alleen maar een eenzame stem? Hoochiekoochie is toch ongelooflijk populair! Ik heb over de hele wereld verspreid duizenden trouwe lezers! Laat me dat als troost, of excuus. En over veertien dagen ben ik terug om de mogelijke schade onder ogen te zien. De schade die extremisten mogelijk aan mijn dierbaar België hebben aangericht. Geniet alvast van de mooie, lange dagen! En vergeet eros niet, Dionysos, de liefde, het verlangen, de lust, de genoegens van de zomer. Carpe Diem!

 

 


Afbeelding: Jane Birkin plukt de dag.
 

 

28-05-09

LORD PROTECT MY CHILD


Ik had de voorbije weken en dagen weinig mee te delen. Wat heb je aan al dat gezeur en geklaag? Misschien dat iemand denkt, met mij is het zo erg nog niet, misschien voelt iemand zich getroost... Misschien herkent iemand zich in me. Maar meer dan dat gebeurt er niet. Ik voeg geen schoonheid aan de wereld toe.

Ik was gisteren zo goed als genezen van een darminfectie, die maar enkele dagen heeft geduurd, en waar ik niet al te veel last van heb gehad. Net toen kreeg ik het bericht dat mijn zoon, terug van een reis naar Japan, in zijn thuisstad Parijs in het ziekenhuis ligt met een ernstige darminfectie. Hij heeft al vier dagen niet mogen eten. Niet dat hospitaalvoedsel te vreten is, maar toch. Een mens krijgt honger en moet eten. En krijgt dorst en moet drinken. Ik maak me zorgen, ben ongerust, verward. Ik hoop dat hij snel geneest. De song van Bob Dylan, een outtake uit 'Infidels' (een elpee die ik destijds van mijn levensgezellin en mijn zoon cadeau heb gekregen) draag ik op aan mijn zoon, Jesse. Niet dat ik in god geloof, maar wel in de kracht van de muziek.

Het lot van mijn zoon is ongeveer het enige wat nu mijn gedachten beheerst. Mijn verbeelding is uitgeschakeld.

17-05-09

STEALING TOMORROW FROM TODAY


Great-Lake-Swimmers


Voor Bernard Dewulf

Hoe vind je de weg terug naar de woorden? Hoe vind ik de weg terug naar jou? Vertel ik je gewoonweg de waarheid over mijn dagen, over mijn tijd, over mijn leven? Dat was toch van in het begin al de bedoeling? Hoe komt het dan dat ik stil ben gevallen? Dat deze droogte blijft voortduren? Een dagboek dan maar? Alles opnieuw leren, duidelijke taal spreken, nuances, subtekst, stijl, ritme – het vermijden van fait divers en banaliteiten. Van overbodige banaliteiten, want het banale kan soms interessant zijn. Je zou bijvoorbeeld kunnen beweren dat er niets opmerkelijks is aan het ontslag van enkele medewerkers van een krant. Er worden alle dagen mensen ontslagen. Inderdaad een banaliteit, maar in dit geval een waar dieper op in moet worden gegaan. En dat gebeurt. Op Facebook is al een groep opgericht om te protesteren tegen het ontslag van Bernard Dewulf en de andere medewerkers van De Morgen. Net zoals de financiële en de economische crisis wijzen deze ontslagen op een kapitalisme dat niet blind is, zoals soms wordt beweerd, maar doelgericht bepaalde mensen – en instellingen – vernietigt, of dat alleszins probeert. Een zeer doelgerichte machine, in handen van enkele machtige en wrede geldwolven. Of is dit weer zo’n paranoïde samenzweringstheorie?

Er is op Facebook een groep opgericht… Maar wanneer kranten het zwijgen wordt opgelegd is de tijd rijp voor verstrekkendere,meer  ingrijpende acties. Je denkt dan al gauw aan opstand, staking, sabotage, revolutie. Maar dat is natuurlijk gemakkelijker gezegd dan gedaan. Voor mij zeker, omdat ik zwak ben en ten prooi aan – opnieuw – een zware aanval van donkere melancholie. Het is alsof mijn hoofd vol modder zit, mijn hele lichaam zit in de modder, ik kan amper ademhalen, amper bewegen. Elke poging tot een gedachte doet pijn. Ik wil echter niet klagen. Ik probeer te ontsnappen aan deze toestand door bijvoorbeeld naar een concert te gaan, zoals gisteren naar de sublieme Great Lake Swimmers in de Botanique. Maar hoe mooi het concert ook was, de pijn ging niet weg. Ja, even, toen ik aan de bar stond om een pils te bestellen en in gesprek raakte met enkele jonge mannen. Ze hadden mijn communistisch insigne gezien, in mijn knoopsgat – een kleinood dat ik ooit in Berlijn op een rommelmarkt heb gekocht. Is dat nu ernstig of is het ironie, vroegen ze (in het Frans). Ik zei dat het zowel het ene als het andere was. We lachten. Niemand van deze mensen gelooft nog in de traditionele partijen, zelfs Ecolo en Groen! gaan niet ver genoeg.  En toch lachten we. We bleven wat staan praten. We waren echte Belgen; een jongen kwam uit Antwerpen, maar sprak Frans, een andere uit Brussel, nog iemand uit Eupen en was drietalig. Niemand van ons wilde dat aan België werd geraakt: ik niet, Laura niet, en die jonge mensen nog veel minder. Maar welke doordeweekse politicus springt in de bres voor België?

Later, toen de taxi voor onze deur stopte vroeg ik aan de taxichauffeur hoeveel het was. Negentien euro, zei hij. Ik vond het nogal veel, maar was blij dat ik thuis was en gaf hem een briefje van twintig. De man reed al tweeëntwintig jaar met een taxi, ongeveer zo lang als ik voor de overheid werk. Nu het licht was in de taxi zag hij mijn communistisch insigne. Dat is wel iets bijzonders, wat jij daar je in je knoopsgat hebt zitten, zei hij. Ik wist niet goed hoe ik moest reageren… Een communist die twintig euro betaalt voor een taxirit? Hij gaf me vijf euro terug. Twintig is veel te veel, zei hij. Waarna hij uitstapte en naar zijn koffer ging. Kom, zei hij, ik heb iets voor je. Het was een pamflet van de Pvda+: “Stop het politieke circus” las ik.

En zo ben ik weer in gang geschoten. Zo kom ik weer dichter bij jou. Schrijven is geen tijdverdrijf voor gecultiveerde mensen. Schrijven is een zaak van leven en dood. Schrijven is een vorm van haat en een vorm van liefde.

De titel verwijst naar de song 'Stealing Tomorrow' van Great Lake Swimmers.

communist shoes

 

27-04-09

WOESTIJN, WINDSTILTE, WERVELWIND


Ik heb niets te vertellen. Alsof ik een woestijn ben waar nooit een wind waait. Hoe lang gaat dit nog duren? Maar mijn hoofd zit vol beelden en muziek. De melodieën lossen elkaar af, als een wervelwind, een vuurzee. Een voorbeeld: 'That Teenage Feeling' van Neko Case.

14-04-09

IK HOOR THE MARVELETTES ZINGEN

postbode,antwerpen,sixties,vrijheid,pop,vriendschap,liefde,telefoon,rock,scheepvaart,popcultuur,namen,bob dylan,spelen,autobiografie,fotografie,surrealisme,tanden,eenzaam,soul,rolling stones,the beatles,k,songs,stoned,motown,nico,facebook,beach boys,barack obama,aretha franklin,brian jones,bulle ogier,francois brouns,matti b,marvelettes,jacques dutronc,les tricheurs,smokey robinson,schipperszoon,schippersleven,straatsburgdok,herbert tobias,supremes

Ik hoor the Marvelettes zingen. Er zit teveel vis in de zee en er gaat iets mis met de post. Postman, stuur me een brief! Wat gebeurt er toch met deze wereld, als de jager gevangen wordt door zijn wild? The Beatles waren gek op the Marvelettes, en op Smokey Robinson, volgens Bob Dylan de beste dichter ooit. Later vroeg hij zich af of hij niet te zat, te stoned,  was geweest en eigenlijk Rimbaud had bedoeld. Ik denk het niet. De wereld is surrealistisch of is niet. Je moet gevaarlijk leven, liefhebben als een gek en spelen. Spelen en een tricheur zijn, zoals Jacques Dutronc en Bulle Ogier. Noem ik teveel namen? Wil je dat ik persoonlijker word? Het privé-leven uitgestald. Nee. Ik ben het Noorden niet kwijt, evenmin als het Zuiden, zeker het Zuiden niet, waar zij leven die hun hoofd onder een oksel dragen.


Altijd gaat het zo: beste postbode, is er een brief voor mij? Nee. Voor jou niet, wanhopige jongen, je zou beter wat minder drinken, je stinkt uit je bek, mag ik zo eerlijk zijn? Wacht nog even, postbode, ik zal mijn tanden poetsen met mineralen, gemalen bisschoppenruggengraat, vlinderstof, op mijn gouden borstel diamanten… Maar is er geen nieuws van K.? Met de donkere ogen, met de twistende letters. Ik keek naar een portret van Nico in ‘Cocktailkleid von Oestergaard’, een foto van een onvolprezen fotograaf, Herbert Tobias.

The Marvelettes zingen nu over een playboy, maar laat die maar passeren.  K. met de donkere ogen heeft bezit van mijn gedachten genomen. Mijn telefoonnummer is “Beechwood 4-5789, any old time”. Een hese stem, en ik, mijn lichaam, afstevenend op de dood, zoals dat van iedereen die je nu kent of niet kent. Alleen weet ik wat een voorsteven is, een boot, de voorkant, het Straatsburgdok, Strawberry Fields Forever. Die dingen komen altijd terug. Een leven lang. Alles verandert maar tegelijk verandert niets. Vreemd, ik weet het. Daar aankomen, in het Straatsburgdok, met die pure popmuziek op de transistorradio, God Only Knows, Like A Rolling Stone, Reflections, en niemand die van iets weet. De freaks moeten nog vanonder de stenen komen. Dat zullen ze doen, en dan is alles om zeep (die ze zelden gebruiken). Ik ben weer een Steve Marriott, een Otis Redding, een Aretha Franklin, een Brian Jones. Nu. Niet gelukkig en niet ongelukkig, maar in het moment.

Dank aan the Marvelettes. Dank aan Barack Obama. Dank aan facebook en aan alle vrienden die me inspireren. Dank aan rock & roll. I love you, that’s the way that it goes. Forever. For sentimental reasons.

nico - herbert tobias

Afbeeldingen: 
Boven: The Marvelettes
Onder: Nico - Ohne Titel (Nico im Cocktailkleid von Oestergaard) / Herbert Tobias.