22-10-14

STIJL EN VERBLINDING

Niccolò_Machiavelli_by_Santi_di_Tito.jpg

Ten aanzien van politici - en zeker ten aanzien van invloedrijke en machtige politici met een diploma geschiedenis op zak – ben ik bijzonder voorzichtig en kritisch als zij dwepen met extreemrechtse voorgangers, ideologen, collaborateurs en zo meer. En niet alleen als zij ermee dwepen, ook als zij ze afdoen als ongevaarlijk omdat zij tot het verleden behoren. De uitspraken van Bart De Wever van de voorbije dagen zijn verwerpelijk. Voor hem is de eerste helft van de twintigste eeuw een oude geschiedenis. We moeten de problemen van deze eeuw aanpakken. Hoe cynisch kun je zijn? Hebben Rimbaud, Vermeer, William Blake, Shakespeare, the Beatles geen invloed meer op de hedendaagse mens en meer bepaald op de jeugd? De Poolse auteur Jan Kott noemde Shakespeare terecht een tijdgenoot. Hetzelfde geldt helaas voor misdadige ideologen als Alfred Rosenberg, hoofdredacteur van de Völkischer Beobachter, Joseph Goebbels, minister van Volksvoorlichting en Propaganda onder Hitler, cineaste Leni Riefensthal en vele anderen. Ik vermoed dat de huidige voorzitter van de Vlaams-nationalistische partij Machiavelli in zijn boekenkast heeft staan. Of toch niet? Misschien vindt hij het werk van die denker het lezen niet waard vanwege te lang geleden te boek gesteld?
jan kott 001.jpg

Politici en historici moeten duidelijk zijn; ze mogen de waarheid geen geweld aandoen. Het is onze morele plicht hun eventuele leugens, bedriegerijen en uitvluchten aan te klagen. Maar hoe gaan wij om met ‘bedenkelijke’ kunstenaars en schrijvers uit het verleden? En hoe met schrijvers en kunstenaars van nu die – bijvoorbeeld – fascistische, nazistische en antisemitische kunstenaars en schrijvers bewonderen? Hoe gaan wij om met Ezra Pound, Louis Ferdinand Céline, Heidegger, Paul Morand, Roger Nimier en - de door Eddy Du Perron bejubelde - Pierre Drieu la Rochelle? Hoe gaan wij om met hun werk, met onze mogelijke bewondering voor hun werk, en met de uitgesproken bewondering van anderen voor dat werk?

Nimier.jpg

Wat mezelf betreft wil ik op dit ogenblik alleen kwijt dat ik van Ezra Pound nooit veel begrepen heb, enkele Pisaanse Canto’s (vertaald door Paul Claes en Mon Nys) niet te na gesproken; dat ik Heidegger grondig heb gelezen toen ik filosofie studeerde en sommige van zijn boeken soms nog wel eens ter hand neem, vooral zijn ‘Erlauterungen zu Hölderlins Dichtung’ en dat ik daar geen spoor van totalitarisme en nog minder van antisemitisme in aantref; dat ik van Céline alleen ‘Reis naar het einde van de nacht’ (vertaald door E.Y. Kummer) en ‘Moord op krediet’ (vertaald door Frans van Woerden) heb gelezen, lang geleden, meesterwerken vond ik beide romans, dat ik me daar nu soms voor schaam, ook al wist ik destijds niet hoe ver het antisemitisme van Céline reikte; de andere schrijvers heb ik geweigerd te lezen.

Gabriele-DAnnunzio.jpg
Waarom breng ik dit nu ter sprake? Omdat ik al een hele tijd omcirkelende bewegingen maak rond Geerten Meijsing en meer bepaald rond mijn ontmoeting met de eminente schrijver in mei 2013. Ik wist en weet van Geerten dat hij met een aantal - vooral Franse en Italiaanse - fascistische schrijvers dweept. Hij heeft daar nooit dubbelzinnig over gedaan. Ik weet dat hij een zwak heeft voor dandy’s als Gabriele d'Annunzio, toch een proto-fascist en Pierre Drieu La Rochelle, collaborateur en antisemiet; veel meer vanwege hun stijl, hun levenswijze, hun decadentie dan hun ideologie. D’Annunzio had bijvoorbeeld verhoudingen met heel wat beroemde vrouwen; dat speelt voor onze held zeker een rol.  Het sterk door de jonge Flaubert beïnvloede werk van D’Annunzio is gedateerd, in tegenstelling tot dat van Flaubert zelf, dat tijdloos is. Of Geerten opkijkt naar de rechtse non-conformist Charles Maurras, leider van de reactionaire beweging Action Française, weet ik niet. Wel weet ik dat hij Guy Dupré en Roger Nimier (snelle auto’s!) nogal bewondert, die beiden gerekend worden tot de Huzarenbeweging, een groepje literatoren dat zich vooral tegen het existentialisme van Sartre keerde. Deze beweging ken ik maar oppervlakkig. Dat de groep zich tegen Sartre afzette lijkt me geen misdaad. En hun stijl (1) spreekt ook mij wel aan.


Nu kan het lijken dat ik Geerten toch niet als een vriend beschouw, dat mijn bewondering helemaal niet zo groot is als ik aanvankelijk beweerde. Niets is minder waar. Maar mijn achting is niet onvoorwaardelijk. Ik doe niet aan idolatrie. Geerten Meijsing is geen fascist, geen antisemiet, geen racist. Hij is veeleer een apolitieke outsider, een non-conformist, een dandy en een begenadigd auteur. Hij dweept met schrijvers als D’Annunzio vanwege hun decadentie, en ook, denk ik, omdat zij wegens hun foute politieke overtuigingen werden verstoten uit het intellectuele en maatschappelijk leven. Ik betreur deze bizarre voorkeuren van hem ten zeerste. Maar daartegenover staat zijn liefde voor zoveel schoonheid – die niet door politieke idiotie is aangetast – en voor het leven in het algemeen, daartegenover staat zijn generositeit die tot uiting komt in al zijn boeken maar ook in de schaarse interviews die hij geeft. Geerten Meijsing is een warme man die veel afgezien heeft maar die desondanks zijn levenslust en zijn humor heeft kunnen behouden.

...

(1)
Le style du hussard, c’est le désespoir avec l’allégresse, le pessimisme avec la gaieté, la piété avec l’humour.
C’est un refus avec un appel. C’est une enfance avec son secret.
C’est l’honneur avec le courage et le courage avec la désinvolture.
C’est une fierté avec un charme ; ce charme-là hérissé de pointes.
C’est une force avec son abandon. C’est une fidélité.
C’est une élégance. C’est une allure.
C’est ce qui ne sert aucune carrière sous aucun régime.
C’est le conte d’Andersen quand on montre du doigt le roi nu.
C’est la chouannerie sous la Convention.
C’est le christianisme des catacombes.
C’est le passé sous le regard de l’avenir et la mort sous celui de la vie.
C’est la solitude et le danger. Bref, c’est le dandysme.

Pol Vandromme, Roger Nimier le grand d'Espagne

...

Illustraties: 
Niccolò Machiavelli door Santi di Tito; Jan Kott's 'Shakespeare tijdgenoot'; Roger Nimier; Gabriele D’Annunzio.

 

21-10-14

MOORD EN DOODSLAG

geerten meijsing,doeschka meijsing,moord en doodslag,dubbelroman,duoroman,misdaad,crime,sicilië,syracuse,vriendschap,uitgever,contact,kennismaking,hagiografie,nuance

The continuing saga… Een tussendoortje. Hoewel ik al sedert mijn kinderjaren ordelijk en netjes ben vind ik niet terug wanneer en waar precies ik ‘Moord & Doodslag’, de duoroman van Doeschka Meijsing en Geerten Meijsing heb gekocht. Ik denk in 2006, maar het heeft weinig belang. Het boek, zowel het eerste deel, ‘Moord’ van Doeschka, als het tweede, ‘Moord en doodslag’ van Geerten, was onderhoudend, fascinerend en zelfs meeslepend. Het verhaal navertellen doe ik niet, wie geïnteresseerd is moet maar op zoek gaan naar deze merkwaardige roman. Alleen dit: het onderwerp is een bezoek van Doeschka aan haar broer: Geerten is onlangs in Syracuse in Sicilië gaan wonen, een plek waar ik toen ik er voor het eerst kwam, in juni 1998, meteen verliefd op werd. Dat Geerten Meijsing daar nu woonde maakte me toch wel wat jaloers. Ik vond het zelfs een geruststelling te lezen dat het er in de winter erg koud kan zijn.

Zoals de meeste lezers wil ik graag weten hoe een roman of een verhaal afloopt. Bovendien heeft Geerten in zijn deel een soort van misdaadverhaal verwerkt, waarvoor hij, althans voor de vorm, inspiratie gezocht heeft bij onder meer Edgar Allan Poe, Georges Simenon en Jef Vermassen. Spannend dus. Helaas ontbraken de laatste acht bladzijden. Wat frustrerend! Eerst wilde ik een nieuw exemplaar aanschaffen, in die periode had ik nog een behoorlijk salaris, maar ‘Moord & Doodslag’ bleek uitverkocht. Schoorvoetend heb ik dan maar contact opgenomen met de Belgische afdeling van de uitgeverij. Schoorvoetend omdat ik dacht, misschien denken ze wel dat ik een verhaaltje verzin om hen een gratis boek te ontfutselen. Het antwoord op mijn briefje was niet bepaald vriendelijk van toon maar de uitgever zou me wel een nieuw exemplaar sturen. Dat duurde een poos. Op een dag zat er een pakje van Geerten Meijsing in de bus. Het was zijn boek en een begeleidend briefje waarin hij zich boos maakte op de uitgeverij. Hij had van een werknemer van de uitgeverij vernomen dat ze me nog altijd niets hadden toegestuurd. Dat vond hij werkelijk schandalig. Wat later kreeg ik toch ook nog een exemplaar van de uitgever. Daardoor heb ik er nu drie: het boek met acht ontbrekende bladzijden, het cadeau van Geerten Meijsing (gesigneerd in groene inkt, op 24 januari 2007), en het boek dat de uitgever me stuurde. En ik was nu ook in het bezit van Geertens adres, telefoonnummer en emailadres.

Deze stukjes gaan als geheel wellicht op een hagiografie lijken. Hoogste tijd dus voor wat nuancering. Dat is voor morgen. Je zal dan merken dat mijn bewondering voor Geerten Meijsing niet onvoorwaardelijk is.

2013_05_SICILIE-CANON 041.JPG

...
Foto onder: Syracuse, 12 5 2013, Martin Pulaski.

17-10-14

WE MELT INTO EACH OTHER WITH PHRASES

La_maman_et_la_putain.png

Dat ik – zoals ik gisteren beweerde - maar één collega vond met wie ik over boeken kon praten moet ik nuanceren. Zeker kon ik met meerdere collega’s praten over boeken, soms lange gesprekken voeren zelfs. Maar er zijn verschillende manieren om dat te doen. Ik denk nu aan twee manieren, maar dat er meer zijn hoeft niet betwijfeld te worden.

De eerste manier is vrijblijvend en gezellig: je zit met een vriend, kennis of collega in een café, op de trein, of thuis en vertelt over wat je aan het lezen bent, of je het goed vindt, waarom, waarover het gaat, et cetera. Een plezierige manier om de tijd te verdrijven, niets verkeerd mee. De tweede manier is die van de versmelting, waar ik het gisteren al over had. Jij en je gesprekspartner worden naarmate de dialoog vordert meer en meer één met de boeken, met de schrijvers, zoals, opnieuw, in de film ‘Fahrenheit 451’ van Truffaut. Tegenover jou zit Edgar Allan Poe, zit Arthur Schopenhauer, zit Jorge Luis Borges, zit Virginia Woolf. Sterker nog: terwijl jullie over boeken praten versmelten jullie met elkaar. Virginia Woolf drukt het in haar roman ‘The Waves’ zo uit:
“But when we sit together, close,’ said Bernard, ‘we melt into each other with phrases. We are edged with mist.
We make an unsubstantial territory.”


Ik vermoed dat je in je leven maar weinig mensen ontmoet met wie je zulke diepe (of beter: intense) gesprekken kunt voeren, niet alleen over romans, gedichten, filosofische verhandelingen, maar ook over films, kunstwerken, theater, muziek, en meer nog over het leven, over jullie levens, over emoties zoals verdriet, pijn, boosheid, teleurstelling, genot. Niet de emoties op abstracte wijze natuurlijk, maar zoals ze zich in je dagelijks leven manifesteren. Over blijdschap en vreugde gaan de gesprekken zelden: dat zijn emoties die je op zulke momenten voelt. Die weinige mensen zijn je ware vrienden. Wat niet betekent dat je andere vrienden vals zijn, onecht, zeker niet. Maar met hen heb je een andere band; hen kun je vaak niet duidelijk maken waarom je hen graag ziet; dat weet je meestal zelf niet eens.

Dat was de nuance die ik aan mijn woorden van gisteren wilde toevoegen. In de jaren negentig was er maar één collega met wie ik, als de sterren goed stonden, op die tweede manier kon praten. Het gebeurde niet elke dag, niet elke week, maar het gebeurde en dat was goed.

 

2012_11_PORTO_VOLLEDIG 245.JPG

...

Foto's: La maman et la putain, Jean Eustache; Porto 11 11 2012, Martin Pulaski.

16-10-14

TEGEN DE STROOM

trial3.jpg

Dagen, maanden, jaren vlogen voorbij. Ik was arm, werkloos, werkte op het veld van de taal - van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. ’s Nachts dronk ik porto en bourbon en praatte ik met talloze vrienden, ging dansen, vrijde, was gelukkig en ongelukkig. Het was een intens leven, de woorden en herinneringen waar ik mee worstelde, de taal, de beelden, de liefde, de wrok en afkeer, de haat. De boeken die ik las waren intens, en ik las ze als een bezetene. Mijn boeken waren als mijn vrienden, als mijn muziek: ik herkende me erin, ze werden deel van me, we versmolten met elkaar. Mijn boeken waren personen, zoals in het boek van Ray Bradbury en de film van François Truffaut. Ik herinner me niet veel Nederlandse literatuur die ik in die tijd las. Patrizio Canaponi, Habakuk II De Balker, Martinus Nijhoff, Lucebert, Maurice Gilliams, Willem Frederik Hermans en, om wie het in deze reeks herinneringen gaat, Geerten Meijsing.

leven,tijd,herinneringen,werken,schrijven,lezen,vriendschap,boeken,geerten meijsing,armoede,geld,depressie,schuchter

 

Na zeven magere jaren, die heftig waren, boordevol extase, verdriet, dronkenschap, vreugde, ontgoocheling, lust, seks, waanzinnige poëzie en honger, vond ik wat de meeste mensen écht werk noemen: ik verdiende er geld mee en kon er redelijk goed van leven. Dat werk bestond vooral uit vergaderen, verslagen en jaarverslagen schrijven, adviezen redigeren, met delegaties buitenlandse jeugdorganisaties bezoeken en vooral toenadering zoeken tot mensen die altijd een min of meer ‘normaal’ leven hadden geleid. Dat was moeilijk. Na enkele jaren vond ik één collega met wie ik over boeken kon praten, ook over die van Geerten Meijsing. Onze bewondering voor zijn werk was groot. Dat was in de periode van ‘Veranderlijk en wisselvallig’, ‘Altijd de vrouw’, ‘De grachtengordel’ en het beklemmende ‘Tussen mes en keel’.

Ik begon me beter te voelen tussen mijn soortgenoten, ik werd bijna een van hen. De foto’s die van mij zijn gemaakt in die periode durf ik haast niet meer te bekijken. Hoe gewoon ik eruitzag, hoe zielloos mijn kleren, mijn haarsnit, mijn bril. Ik was aan het verdwijnen. Maar hoezeer ik me ook inspande om te integreren in het functionarissenbestaan, mijn zogenaamde ware ik kon ik niet klein krijgen. Een vonkje van poëzie, van woorden die vele lagen hebben en het geijkte denken kunnen ontwrichten, van een taal die tegen de taal van de politiek en de ambtenarij maar ook die van de media inging, bleef branden. Wat een cliché is. Maar het is de waarheid. Dat vonkje van protest, van verzet, van ontevredenheid, hield me op de been.

Naarmate de jaren negentig vorderden ging ik weer meer tegen de stroom in varen, zoals ik op school en op de universiteit had gedaan. Op de achtergrond waren er altijd schrijvers en muzikanten. En een van hen was Geerten Meijsing, die ik bleef bewonderen, hoewel hij nu een gevestigd auteur was, een die prijzen had gewonnen en geld bezat. Soms vroeg ik me af of hij nu zijn ziel had verkocht aan de markt. Maar ik dacht van niet. De roman die gebaseerd is op zijn zware depressie is daarover duidelijk. En ‘De grachtengordel’ natuurlijk ook. Een keer ging ik naar een lezing – of was het een interview – van Geerten Meijsing, in de hoofdstedelijke bibliotheek. Hoewel hij ouder geworden was, was hij nog steeds een dandy. Ik hield van zijn stijl, hoewel ik nog altijd meer naar ‘het nieuwe’ opkeek, naar wat ik in tijdschriften als i-D en Dazed & Confused zag. Maar zijn hoeden, zijn wandelstok, zijn wit pak stonden hem goed. Zijn stijl paste bij de stijl van zijn geschriften. Wat had ik na afloop graag met hem gepraat, maar dat durfde ik niet. Ik was veel te schuchter en mijn geloof in mezelf was uiterst klein. Dat heb ik hem later verteld. Wat jammer, zei hij. We hadden meteen goed kunnen opschieten, je moest eens weten hoe schuchter ik zelf ben.
santiago de compostela bewerkt.jpg

...

Foto's: The Trial, Orson Welles; Fahrenheit 451, François Truffaut; In Santiago de Compostella, oktober 1998, Martin Pulaski.

06-10-14

ECHOLALIA: ANA TORFS

IMG_9952.JPG

Ja, ik ben verslingerd aan echolalie. Aan het woord en aan wat het woord betekent. Sinds ik de tentoonstelling  ‘Echolalia’ van Ana Torfs in Wiels heb gezien is de ziekte nog erger geworden, als het al een ziekte is. Indien wel dan smaakt ze eerder zoet, zoals de jaloezie bij Patricia Highsmith. Freud schrijft dat de neurose verdwijnt als de neuroticus zich bewust wordt van wat tevoren onbewust was. In mijn geval van die echolalie; maar ik ben niet genezen, en dat vind ik een goede zaak.

‘Echolalia’ van Ana Torfs is werkelijk interessant als je er je tijd voor neemt. Vanuit het Zuidstation ga je best te voet naar Wiels, via de industriezone in Anderlecht. Onderweg kun je een blik werpen op de Zenne, een rivier die een nogal schimmig bestaan leidt. Als je niet van woorden en van taal houdt blijf je beter thuis.

IMG_9934.JPG

Eén afdeling van de tentoonstelling heet ‘TXT (Engine Of Wandering Words)’. Het gaat om zes prachtige wandtapijten waarin telkens vijfentwintig beelden verwerkt zijn die verband houden met gember, saffraan, suiker, koffie, tabak en chocolade. Wat de zes wandtapijten met elkaar verbindt is een fragment uit Swift’s ‘Gulliver’s Travels’, dat verbluffend geestige boek (waarvan nog vaak wordt verondersteld dat het voor kinderen werd geschreven); met name een paragraaf uit ‘A Voyage To Laputa’ waarin onder meer deze merkwaardige zin voorkomt: “The first project was to shorten discourse by cutting polysyllables into one, and leaving out verbs and particles, because in reality all things imaginable are but nouns.” Maar, hoe kan het anders, ook deze zin: “The other project was a scheme for entirely abolishing all words whatsoever; and this was urged as a great advantage in point of health as well as brevity.” Omdat woorden slechts benamingen zijn voor dingen, is het beter voor de gezondheid en de communicatie dat mensen rechtstreeks gebruik maken van de dingen om met elkaar te ‘praten’. Personen die over diverse dingen willen praten moeten natuurlijk een veel zwaarder gewicht torsen dan degenen die maar weinig te vertellen hebben. Maar enkele slaven lossen dat dan wel op. Een van de (honderdvijftig) illustraties op een tapijt van Ana Torfs is trouwens een advertentie voor een slavenverkoop. Ondanks hun vele verwijzingen naar lang vervlogen tijden en gebruiken zien de tapijten er hedendaags uit: de honderdvijftig prenten lijken op icoontjes op internet. Dat je er niet op kunt klikken is een bijkomend voordeel: het zet je tot denken en lezen aan, de beelden maken je nieuwsgierig. Als je thuiskomt neem je toch zeker al ‘Gulliver’s Travels’ uit het boekenrek. En dat is slechts het begin van een nieuwe aanval van echolalie.

Een tweede deel, ‘Family Plot’ is al net zo boeiend. Het gaat ook weer over classificaties, met als lichtend voorbeeld Carl Linnaeus, de Zweedse natuuronderzoeker en taxonoom. ‘Family Plot’ is een imaginaire stamboom, een grillige maar tegelijk zeer ordelijke encyclopedie van ontdekkingsreizigers, botanici, bloemen, vruchten, wereldkaarten, gebieden. Dit gedeelte is wellicht het vermoeiendste. Je hebt er goede ogen voor nodig.

Het meest oogstrelende deel draagt de titel ‘Stain’. Dit is een echolalie-encyclopedie van bijzondere kleuren: mauve, Bismarckbruin, Pruisisch blauw, Bengaals roze, malachietgroen, Aurantia (een kleur die ik niet kende; in de Webster vond ik dit: “a poisonous red-brown crystalline alcohol-soluble dye C12H8N8O12 used in biological staining, in desensitizing photographic plates, and in colored photographic filters —the ammonium salt of hexanitrodiphenylamine”); Indisch geel. Over ‘Stain’ kan het moeilijkst worden gepraat of geschreven, je moet het zien en horen. Bij Mauve hoor je bijvoorbeeld een vrouwenstem iets uit Oscar Wilde’s ‘The Picture Of Oscar Wilde’ citeren: “Never trust a woman who wears mauve, whatever her age may be, or a woman over thirty-five who is fond of pink ribbons. It always means they have a history”.

 oscar1-wilde.jpg

Een voor mij wat minder boeiend gedeelte, ‘Legend’, behandelt de geschiedenis van het Canarisch eiland La Gomera. Het eiland kent voor mij nog maar weinig geheimen: ik heb vier keer als het hier koud was vrij lang rondgehangen, vooral in het idyllische hippiedorp Valle Gran Rey. Geen spoor van de generalissimo daar.

Bij ‘Displacement’ schrok ik toch wel even. De beelden riepen herinneringen op aan een film van Chantal Akerman. Dezelfde leegte en zinloosheid, veel ongemakkelijke stiltes, verveling, vervreemding. Maar het verhaal dat erbij verteld wordt... Opeens wist ik het: het was dat van het meesterwerk van Roberto Rosselini, ‘Viaggio in Italia’. De film spreekt me meer aan, de beelden van Rosselini doen me meer. En je hebt de geweldige rol van Ingrid Bergman.

viaggio-in-italia_2.jpg

Voor het laatste gedeelte, ‘The Parrot & The Nightingale, a Phantasmagoria’ was ik te moe. Zeker, het is een vermoeiende tentoonstelling. Maar je wordt er als gezegd op een prettige manier ziek van. De echo’s brengen andere echo’s voort, die op hun beurt voor weer nieuwe echo’s zorgen: mijn kamer is een volmaakte echokamer geworden; uit al mijn boeken stijgen stemmen op. Ik heb me voorgenomen voor lange tijd niet meer buiten te komen, zelfs niet om een reis naar La Puta of La Gomera te maken.

03-10-14

IRINA EN EVA IONESCO

 

my little princess.jpg

Van ‘Erwin’ via ‘Moord & Doodslag’ en ‘Siciliaanse vespers’ naar Syracuse (16 mei 2013) is een lange weg. Die moet ik helemaal in woorden afleggen, waarbij ik niet alleen hoop mijn doel te bereiken – het aantal hindernissen neemt elke dag toe – maar tevens een plaats te bereiken die in de toekomst ligt, een bestemming die nu nog in donkere nevelen is gehuld en naamloos is. Geduld, moed en ontvankelijkheid zijn hierbij, zoals bij zoveel belangrijke ondernemingen, onontbeerlijk.

Onlangs zag ik de film ‘My Little Princess’ (2011) van Eva Ionesco. Ik had hem een paar dagen tevoren opgenomen vanwege de thema’s (fotografie, grensoverschrijdend gedrag, uitbuiting, incest) maar vooral vanwege Isabelle Huppert, sinds vele jaren mijn uitverkoren actrice. Pas na het zien van de erg mooie maar verontrustende film besefte ik dat andere, onbewuste drijfveren mij tot opname hadden aangezet. En nee, er is niet meteen een verband met het werk van Geerten Meijsing, tenzij misschien het jonge meisje, een verbluffende rol van de onbekende Anamaria Vartolomei, en meer algemeen de decadentie en het narcisme.
my little princess 3.jpg

Al bij het begin van de film herinnerde ik mij opeens een kostbare, vrij grote map met foto’s van Irina Ionesco die ik bij Boekhandel Corman, waar ik toen werkte, meermaals voorzichtig had geopend om een blik te werpen op de perverse afbeeldingen van meisjes en jonge vrouwen. Ik vond het mooie en opwindende foto’s, echte kunstwerken; het was duidelijk dat er hard was aan gewerkt, zeker ook aan de enscenering en de kleding (en ontkleding). Ik herinner me niet of er foto’s bij waren van een jong meisje, van een kind. Het is mogelijk. Ook in die dagen – de eerste helft van de jaren zeventig - waren dergelijke beelden nog altijd pervers en opwindend, maar schokken deden ze nauwelijks (1). In West-Europa leek de censuur eindelijk voorgoed te zijn afgeschaft. Wat mij betreft waren afbeeldingen van seks met kinderen een stap te ver. De daad zelf kon ik me zelfs niet voorstellen (en ik kan dat nog altijd niet). Ik heb ooit een aflevering van het undergroundtijdschrift Suck gekocht, waar ik zulke foto’s in aantrof. Hoe walgelijk en wansmakelijk! Niet zo bij de foto van Germaine Greer, auteur van de bestseller ‘The Female Eunuch’, die trots haar vagina tentoon spreidt. Maar beroemde vagina of niet, van Suck wilde ik niets meer horen. Het ging bij dat tijdschrift ook helemaal niet om de vrijheid: er werd een nieuwe markt aangeboord, die van de pornografie, van lust als handelswaar.
Ionesco1.jpg

De foto’s van Irina Ionesco, zoals ik ze mij van die map herinner, waren niet pornografisch in de betekenis die dat adjectief vandaag heeft. Geen sprake van penetratie, cunnilingus, fellatio en al helemaal geen ‘cum shots’. Maar de fotograaf dwong haar kleine dochtertje, Eva, om de rol van een obscene Lolita te spelen. Aanvankelijk had Eva, jong als ze was, daar geen bezwaar tegen. Gaandeweg echter kwam ze meer en meer in opstand tegen haar moeder, ze begon zich gebruikt en misbruikt te voelen. Als volwassen vrouw spande ze een proces aan tegen Irina; pas in 2012 kwam er een uitspraak: Eva’s moeder moest haar dochter een boete (of smartengeld) betalen van 200.000 euro.

Ten minste drie dingen vind ik vreemd aan dit hele verhaal. Waarom was ik Irina Ionesco en haar foto’s vergeten; waarom had ik nooit iets over die moeder-dochterrelatie gelezen (of was ik het vergeten?); waarom maakte Eva Ionesco zo’n oogstrelende en zelfs opwindende film over dat pijnlijke onderwerp, over het misbruik waar zij het slachtoffer van was? ‘My Little Princess’ is, nogmaals, een schitterend in beeld gebrachte film, met veel aandacht voor decors, kostuums en belichting.(2) Maar mag een kunstwerk dat voor de kunstenaar (en voor de toeschouwer) voor loutering, voor catharsis moet zorgen wel zo mooi zijn? Moet hij niet veel rauwer, wreder, lelijker zijn? Een moeder die haar dochter uitbuit en misbruikt verdraagt geen schoonheid, hoe mooi en opwindend haar kunst ook mag wezen.

[Eva Ionesco lijdt wellicht aan wat Freud herhalingsdwang noemt – of is het een bewuste beslissing om het gedrag van haar moeder te herhalen? Wat zij met de jonge actrice Anamaria Vartolomei doet is misschien niet echt misbruik maar ook zij maakt van het meisje een Lolita, een verleidelijk wezentje, niet alleen aantrekkelijk voor het artistieke ‘Humbert Humbert’-type maar zeker ook voor mannen of vrouwen die wat minder esthetisch zijn ingesteld.]

 IrinaIonesco35.jpg

 ...

(1) Schokken deden ze nauwelijks. Op 23 mei 1977 sierde een foto van de jonge Eva Ionesco de voorpagina van Der Spiegel. De tijden zijn evenwel veranderd. Als je naar het archief van Der Spiegel gaat zie je alle afleveringen netjes geklasseerd, alleen die waarop Eva staat afgebeeld is niet zichtbaar.

(2) “Il faut donc rendre grâce à Eva Ionesco, à son talent et à son courage, d'avoir signé ce film si personnel dans un esprit de drôlerie”. Jacques Mandelbaum in Le Monde.

...

Foto's: Anamaria Vartolomei en Isabelle Huppert in 'My Little Princess'; Anamaria Vartolomei in 'My Little Princess'; foto van Irina Ionesco; foto van Irina Ionesco.

28-09-14

LA COUPOLE

IMG_0121.JPG

 

IMG_0124.JPG

 

IMG_0132.JPG

 

[Als ik in Parijs ben ga ik altijd een keer in La Coupole ontbijten. Voor twaalf euro - niet echt goedkoop - krijg je een kannetje echte koffie, een groot glas vers geperst sinaasappelsap, viennoiseries, een croissant, een broodje en confituur. En echte vorken en messen en glazen en kopjes en schoteltjes. In de goedkopere en vaak groezelige brasseries aan de stations kun je al ontbijten voor zeven of acht euro. Dan krijg je iets wat op sinaasappelsap lijkt, een kleine koffie en je hebt tevens de keuze tussen een croissant en een stukje brood met een klein potje smakeloze confituur. Geen bestek, of indien wel dan in plastiek. De herrie om je heen moet je er dan ook nog bijnemen. In La Coupole geniet ik bovendien van de vriendelijke, geciviliseerde sfeer. Er wordt nog gelezen en zelfs geschreven.]

Foto's: Martin Pulaski, Parijs, 23 september 2014.

16-09-14

ERWIN: HET BOEK

corman, brussel, mathieu corman, boekwinkel, filosofie, diploma, 1975, werk, loopbaan, radicaal, schrijven, revolutie, liefde, vriendschap, 27, roken, brian jones, blankenberge, schrijverschap, captagon, leopold flam, erwin, joyce & co, geerten meijsing, romantiek, decadentie, more, pink floyd, beat generation, stijl

In de zomer van 1975 nam mijn leven een nieuwe wending. Nog altijd vreesde ik dat ik jong zou sterven. Zes jaar eerder, in Blankenberge, had een jongeman uit Brussel me voorspeld dat ik niet ouder zou worden dan zevenentwintig: net als Brian Jones leed ik aan astma, zei hij, en net als hij was ik een kettingroker. En daar bovenop die joints (terwijl hij zelf voor onze bevoorrading zorgde) en een dieet van frieten en oudbakken brood… Ik herinner me nog hoe de dealer, als ik hem zo mag noemen, naast me op een – letterlijk - luizig bed lag, druk gesticulerend en schaterend als een tandloze kanunnik, op de platenspeler het pastorale ‘More’ van Pink Floyd.
corman, brussel, mathieu corman, boekwinkel, filosofie, diploma, 1975, werk, loopbaan, radicaal, schrijven, revolutie, liefde, vriendschap, 27, roken, brian jones, blankenberge, schrijverschap, captagon, leopold flam, erwin, joyce & co, geerten meijsing, romantiek, decadentie, more, pink floyd, beat generation, stijl

Nooit had ik goed geweten wat ik zou gaan doen met mijn leven of wat de toekomst mij zou brengen. Ondanks mijn pessimisme geloofde ik dat het lot voor mij aangename verrassingen in petto had. Die zomer, trotse bezitter van het diploma filosofie, besefte ik dat ik mij geheel op het schrijven moest gaan toeleggen. Het werken aan mijn thesis had mij enige discipline en wat zin voor structuur bijgebracht; de waardering die ik ervoor kreeg had me geholpen met het gedeeltelijk overwinnen van mijn aangeboren onzekerheid. Ja, ik ging mij op het schrijven toeleggen maar wilde in geen geval een commercieel auteur worden, net zomin als ik les wilde geven: de school was net als het burgerlijke gezin, het leger en de gevangenis een steunpilaar van een vermolmde maatschappij; het onderwijs maakte kinderen en jongeren onderdanig en plichtbewust. Mijn denkwereld, besef ik al enkele tientallen jaren, was revolutionair, negativistisch, bijna jakobijns (hoewel ik in tegenstelling tot de echte jakobijnen niets tegen ‘vreemde’ talen had). Ik geloofde alleen nog maar in abstracta (die gelukkig af en toe concrete vorm aannamen): liefde, vriendschap en revolutie.
corman, brussel, mathieu corman, boekwinkel, filosofie, diploma, 1975, werk, loopbaan, radicaal, schrijven, revolutie, liefde, vriendschap, 27, roken, brian jones, blankenberge, schrijverschap, captagon, leopold flam, erwin, joyce & co, geerten meijsing, romantiek, decadentie, more, pink floyd, beat generation, stijl


Daar ik mij aan de handel in letteren onttrok – een houding die mijn belangrijkste prof, Leopold Flam, aanzienlijk versterkt heeft – kon ik niet van de taal noch van de filosofie leven. Via een vriend vond ik werk als verkoper bij mijn geliefkoosde boekhandel Corman in de Ravensteinstraat te Brussel. Daar had ik als student menig uur doorgebracht; daar zou ik nu mijn brood verdienen. Ik dacht het schrijven en mijn eerste echte baan te kunnen combineren. Waarom ook niet: ik deed het werk graag, de klanten waren over het algemeen van het alternatieve type, en uiteraard zeer geïnteresseerd in literatuur, kunst en theater. Ik denk dat het de beste, meest veelzijdige boekwinkel van België was. Alleen al omdat hij viertalig was, was hij een unicum. Je vond er de nieuwste Nederlandse, Franse, Engelse en Duitse publicaties maar ook, zo verschillend van deze tijd, een behoorlijke stock. Je trof er bijvoorbeeld oude Gallimard-uitgaven van Apollinaire en Breton aan (spotgoedkoop omdat ze nog aan de oorspronkelijk prijs werden verkocht) én ongeveer alles van de geweldige City Lights-uitgeverij. Ik was in die dagen voornamelijk in Franse literatuur, Duitse romantiek en Beat Generation geïnteresseerd, maar was tevens goed op de hoogte van de Nederlands letteren. Ik bladerde elke dag in de nieuwe boeken die binnenkwamen, of toch in wat me interessant leek.

Op een zachte herfstdag viel mijn oog op de omslag van ‘Erwin’, de eerste roman van het schrijverscollectief Joyce & Co. Wat trok het meest mijn aandacht, de mooie decadente tekening of de naam ‘Erwin’? Ik herinner me dat ik in die dagen nog van Beardsley hield, maar niet meer met hart en ziel. Mijn vriend Erwin was ik verre van vergeten; ik dacht dagelijks aan hem. Met hem had ik zulke gelukkige, avontuurlijke en vooral dwaze uren beleefd; hem had ik altijd een beetje gezien als een personage in een undergroundfilm of in een Kerouac-achtige roman (hoewel we nooit samen ‘on the road’ waren geweest). Hoe het ook zij: ik voelde meteen aan dat de roman als het ware voor mij was geschreven, een absurde gedachte natuurlijk, maar op die manier kronkelden mijn hersens in die koortsachtige tijd. Het gebruik van Captagon om twee levens te kunnen leiden, één bij Corman overdag, één aan mijn schrijftafel tot diep in de nacht, zal mijn denken ook wel enigszins ontwricht hebben. Niet dat ik daar ooit spijt van heb gehad. De ontwrichting van de zintuigen en van het denken was, zeker in de jaren zeventig, een missie. En dat ik op die manier kennis heb gemaakt met de wereld van ‘Erwin’ en later met het overige, adembenemende werk van Geerten Meijsing betreur ik al helemaal niet, wel integendeel. Net zoals voor Gerrit Komrij blijft het boek “een romantisch-decadente gooi naar het allerhoogste”. Ik zal niet beweren dat ik 'Erwin' heb verslonden, daar was hij te vreemd, te grillig, te eigenzinnig, stilistisch te rijk voor. Ik heb hem, alsof het morfine of opium was, met kleine dosissen tot me genomen. Toen ik het boek uit had, was ik niet alleen geheel uit mijn evenwicht gebracht: ik was er verslaafd aan. Of was ik verslaafd aan Erwin, aan zijn wereld, aan zijn ondergang? 
corman, brussel, mathieu corman, boekwinkel, filosofie, diploma, 1975, werk, loopbaan, radicaal, schrijven, revolutie, liefde, vriendschap, 27, roken, brian jones, blankenberge, schrijverschap, captagon, leopold flam, erwin, joyce & co, geerten meijsing, romantiek, decadentie, more, pink floyd, beat generation, stijl

...

De geschiedenis van Mathieu Corman en zijn boekhandels verdient veel meer aandacht. Een uitstekend artikel is: ‘Brandbom tussen de boeken. Mathieu Corman, gedreven literator’ van Frank Okker.

Zie: 
http://www.dbnl.org/tekst/_par009200201_01/_par009200201_01_0004.php

Dit gebeurde kort voor ik bij Corman aan het werk ging:

"In december 1974 werd de inmiddels drieënzeventigjarige Corman aangehouden en ervan beschuldigd dat hij een twaalfjarig meisje een erotisch drukwerkje had verkocht. Hij zat ruim een maand opgesloten, voordat hij in januari 1975 voorlopig werd vrijgelaten. Of het kwam door de maand die hij in een cel had doorgebracht of dat hij zich niet meer tegen het proces opgewassen voelde, is niet zeker. Wél dat Corman op 15 februari 1975, precies op zijn verjaardag, een eind aan zijn leven maakte.

Zoals vaak ging het na de dood van de eigenaar bergafwaarts met de boekhandels van Corman. In 1986 werden het filiaal aan de Ravensteinstraat in Brussel en de hoofdvestiging in Oostende gesloten. Alleen de winkel aan de Kustlaan in Knokke-Het Zoute bleef behouden. In december 1996 echter keerde boekhandel Corman terug in Oostende, nu aan de Witte Nonnenstraat. De schrijversportretten van Labisse verhuisden helaas niet mee. De panelen waren al eerder in Antwerpen geveild. Een aantal van de portretten werd aangekocht door boekhandel De Markies van Carrabas in Hasselt. Maar het herkenbaarste kunstwerk van Labisse zit nog altijd om de boeken van Corman."
Frank Okker

14-09-14

ERWIN: DE NAAM

1973-holsbeek24.JPG

In 1969 kwam ik als filmstudent in Brussel terecht. Na enkele eenzame weken trok mijn nieuwe vriend Erwin bij me in. Die jongeman wilde dringend van huis weg; hij dreigde daar te verstikken. Zijn vader was een overtuigd nazi, zo vertelde Erwin me, een man die ’s ochtends met genoegen zijn SS-laarzen aantrok en zijn kinderen bevelen toesnauwde. Ik heb de vader een keer ontmoet. Erwins woorden waren niet overdreven geweest. De man droomde nog steeds van de Endlösung; alle ellende in de wereld was de schuld van de joden.

In mijn gezelschap leek Erwin gelukkig. Vaak zaten we op mijn kamer in de Karmelietenstraat muziek te beluisteren van Led Zeppelin, Soft Machine, the Velvet Underground en vooral ‘Let It Bleed’ van the Rolling Stones. Een andere liefhebberij was film. Op het Ritcs (de toenmalige film- en toneelschool, waar we beiden ingeschreven waren) konden we elke dinsdagmiddag twee speelfilms zien. Soms gingen we ook naar de bioscoop, en zagen we films als ‘Easy Rider’, ‘Hell In The Pacific’ en ‘Yellow Submarine’. Meestal rookten we eerst een joint. Op weg naar huis herhaalden we hele stukken dialoog. It’s all in the mind, man! was onze geliefde uitspraak.

Erwin was pas hélemaal gelukkig als zijn Hollands liefje Josefien erbij was en zij zich in Breda van voldoende rode Libanon hadden voorzien. Hij kon buitensporig genieten van de boeken van Jan Wolkers en Henry Miller. Tegen het einde van het jaar begon ik een relatie met het mysterieuze meisje dat mijn eerste vrouw zou worden. Voor Erwin was er vanaf dan geen plaats meer op mijn kamer. Nog een paar dagen mocht hij op de sofa logeren, maar we vonden het niet prettig hem erbij te hebben als we vrijden.

Erwin heeft die laatste dagen toch nog gauw de dichtbundel ‘De val van de tandloze kanunnik’ geschreven, waarna hij naar Gent is verhuisd, waar hij in de gevangenis werd opgesloten vanwege een dagboeknotitie over hasjiesj. Nog later is Erwin in psychiatrische instellingen verder geestelijk verwoest.

Vijf jaar later belde hij onverwachts aan. Ik woonde toen in een appartementje in de buurt van de Leuvensesteenweg. Erwin zag er geestelijk verward uit en was van oordeel dat ik verantwoordelijk was voor zijn ‘schizofrenie’ (een ziekte waar ik niet in geloofde). Hij was eveneens van mening dat de mensheid in twee soorten kon ingedeeld worden, de ene soort had blauwe ogen en blonde haren, de andere bruine ogen en donkere haren. Het zal wel geen verbazing wekken dat de eerste soort uit louter goedheid was opgetrokken, de tweede was destructief, satanisch. Nog een geluk dat ik blauwe ogen en lichtbruine haren heb. Toch was Erwin niet echt boos op me. We gingen samen naar het Vossenplein, waar Erwin in een platenwinkel ‘Metal Machine Music’ beluisterde. Geweldig, zei hij, zijn ogen fonkelden. Ik luisterde ook even en vond er niets aan. Misschien is het een geniale plaat, ik heb ze nooit willen horen.

In 1977 heeft Erwin me nog geholpen bij mijn verhuizing naar Antwerpen. In die stad heb ik mijn banden met Brussel grotendeels verbroken, een stommiteit die ik nog altijd betreur. Van Erwin heb ik nooit meer iets gehoord. Het was een korte, intense, en tot mislukken gedoemde vriendschap. Zeer waarschijnlijk heb ik aan de dagen met Erwin wel mijn fascinatie voor het werk van Geerten Meijsing overgehouden. 
1970-vossenplein14b.jpg

...

Foto's uit mijn archief: Erwin, in Holsbeek, circa 1973; Vossenplein, Brussel, circa 1971. 

10-09-14

GEERTEN MEIJSING, SCHRIJVER EN VRIEND

GEERTENMEIJSING5 001.jpg

“Tenslotte schuilt de schoonheid geenszins in de roem of het succes, maar in de verheven pracht van ons werk en zijn onontkoombare resultaten.”
Geerten Meijsing, Haarlem, 11 april 1975.

 

Eergisteren had ik het hier bijna terloops over Geerten Meijsing, over mijn bewondering voor de schrijver, mijn vriendschap voor de man. Gisteren stond hij, tot mijn verbazing, in Humo. Het is zelfs een goed en leesbaar interview. Wat er staat is waar: het is een schandaal dat niet één boekwinkel nog een werk van Geerten in aanbieding heeft, toch niet in België. Hoe is zoiets mogelijk?

Mijn eigen herinneringen aan onze ontmoeting in Syracuse wil ik al lang neerschrijven, al van de dag erna, 17 mei 2013; bescheidenheid en schroom hielden me tegen. Ik had het gevoel dat het nog te vroeg was, dat het ongepast was, ja, zelfs dat een verslag mijn vriend schade zou kunnen berokkenen. Hoe kortzichtig was dat. Nu besef ik dat elk woord aan hem gewijd hem goed doet, de schrijver en de mens. Nu besef ik dat ik veel eerder over hem had moeten schrijven, niet alleen over die historische ontmoeting maar ook over zijn boeken, die ik allemaal gelezen heb, behalve ‘De ongeschreven leer’ (het beste bewaar ik altijd tot al de rest op is), over zijn vertalingen, over zijn belang voor onze cultuur.

Over onze ontmoeting heb ik destijds niets neergeschreven, omdat ik net toen hoge koorts en een ernstige luchtwegeninfectie had. Toch staat bijna alles me nog helder voor de geest. Het zal dan ook niet heel moeilijk zijn om een reconstructie te maken van die feestelijke nacht. Daar ga ik me de volgende dagen over ontfermen. Want je moet weten dat de woorden nog maar heel traag tot me komen. Voor één geslaagde zin heb ik soms een dag, soms zelfs een week nodig.

GEERTENMEIJSING2 001.jpg

08-09-14

NAAKTE LUNCH

goya- saturn_1000.jpg

‘Saturnus verzwelgt een van zijn zonen’, een beeld van Goya als illustere voetnoot bij mijn tekst over het kannibalisme in Canto XXXIII van Dante’s ‘Inferno’. Een reproductie van dit werk siert ook de kaft van de eerste Nederlandse uitgave van William Burroughs’ ‘Naakte Lunch’. Een roman, als je dat werk zo kunt noemen, die destijds veel indruk op me heeft gemaakt, en nog altijd blijft nazinderen, zij het meer en meer latent. De voortreffelijke vertaling was van Joyce & Co., een groepje verfijnde literatuurminnaars dat bestond uit Erwin Garden en Keith Snell. In 1972, toen die vertaling verscheen, had ik geen idee wie die heren waren.

Drie jaar later, ik werkte toen in Boekhandel / Librairie Corman te Brussel, kwam daar verandering in. Zoals Saturnus zijn zoon verzwelgt, verslond ik elk woord waaruit de roman ‘Erwin’ van het schrijverscollectief was opgetrokken. Net als de naakte lunch was het een trage maaltijd, vanwege de moeilijkheidsgraad, met name de taalregisters waar ik als niet-classicus weinig of niet vertrouwd mee was. En net als ‘Naked Lunch’ zou ‘Erwin’ me bijblijven; samen met ‘The Romantic Agony’ van Mario Praz gold het als een introductie tot de zwarte romantiek.

Niet veel later bleek dat ‘Erwin’ vooral het geesteskind was van Geerten Meijsing. Tot op vandaag blijft hij voor mij een van de grootste Nederlandstalige schrijvers. Ooit wilde ik worden als hij, wat me niet is gelukt – uiteindelijk een goede zaak, want in deze Lage Landen is maar plaats voor één prins. Een van de volgende dagen (of weken, met mij ben je nooit zeker) vertel ik over onze ‘historische ontmoeting’ (zijn woorden) in Syracuse in mei 2013. Geerten Meijsing zal in mijn relaas verschijnen als een hedendaagse Charles Baudelaire – Geerten heeft ‘Pauvre Belgique vertaald - in ballingschap, ikzelf als een hoestende, naar liefde hunkerende Edgar Allan Poe. Een fototoestel had ik niet bij me, gelukkig: zo zie ik Geerten Meijsing nu weer helder voor me als hij zegt “ik ga hier niets drinken, ik wil alleen maar even naar dat meisje kijken...” of als hij zich luidop afvraagt wanneer ik eindelijk eens wat dichtersbloed ga ophoesten. Ja, en zoveel andere dingen herinner ik me, hier in mijn eigen House Of Usher.

 

“Toen wij in de winter van ’67 op ’68  met een koffertje vol boeken naar Calci (Pisa) liften om in de boekbinderij van het kartuizerklooster aldaar onze lievelingsboeken, in navolging van Des Esseintes uit A Rebours, in leren bandjes met gouden lettertjes te binden, was Naked Lunch één van die boeken.” (Uit het nawoord van Geerten Meijsing en Kees Snell bij de vertaling van ‘Naked Lunch’)

saturnus, goya, william burroughs, naked lunch, naakte lunch, voetnoot, dante, inferno, vertaling, joyce & co, geerten meijsing, erwin, italië, sicilië, syracuse, ontmoeting, charles baudelaire, edgar allen poe

07-09-14

INFERNO, CANTO XXXIII

ugolino-2.jpg

Ruggieri degli Ubaldi, aartsbisschop van Pisa en leider van de Ghibellijnen in die stad, bracht graaf Ugolino della Gherardesca, uit dezelfde stad, verraderlijk ten val. In 1288 liet de aartsbisschop Ugolino met zijn twee zoons, Gaddo en Uguccione, en zijn twee kleinzoons, Brigata en Anselmo, opsluiten in de klokkentoren van het Palazzo dell’Orologio. Daar kwamen alle vijf van honger om. Deze tragische geschiedenis vertelt ons Dante in de drieëndertigste zang van ‘de hel’ in zijn ‘Goddelijke Komedie’. Kunnen we ons de eeuwigheid voorstellen? Zo lang kauwt in de tweede regio van de negende kring Ugolino aan de schedel en de nek van aartsbisschop Ruggieri:

Dante en zijn gids Vergilius 

… gingen heen en zagen met ontzetting
twee schimmen, in een bijt zo vastgevroren,
dat de een z’n hoofd tot hoed voor ’t andere strekte.
En evenals men brood verslindt bij honger,
zo beet die boven lag gestaag in de andere,
waar nek en hersenpan zich samenvoegen.

Ik weet niet waar ik het vandaan haalde, maar vroeger dacht ik dat Ugolino van het levend vlees van zijn kinderen en kleinkinderen had gegeten. Waarom zat de graaf anders zo diep in de hel; was dat dan slechts de straf voor zijn wraakzucht?

Bij Dante vraagt een van de kinderen zelf om de vader tot voedsel te dienen:


‘O, vader, minder, minder werd ons lijden,
als ge at van ons; hebt gij ons eens omhangen
met dit armzalig vlees, neem gij ’t ook weder.’

De vader weigert daar uiteraard op in te gaan en ziet de kinderen vervolgens de een na de ander sterven. Daarna gebeurt dan toch het onuitsprekelijke, dat Dante desondanks onder woorden brengt:

En blind reeds, zocht ik ze één voor één te strelen
en riep ze nog drie dagen na hun scheiden.
En sterker dan de smart bleek toen de honger.

Kennelijk was mijn verbeelding gruwelijker dan de werkelijkheid, of toch zeker gruwelijker dan de verbeelding van Dante. Ruggieri had wel van het vlees van zijn kinderen en kleinkinderen gegeten, maar pas na hun dood en na dagen van diepe smart. Is dood vlees van je kinderen eten minder erg dan als het nog levend is? Wie zal daarover oordelen? Het is kannibalisme van de ergste soort, de overschrijding van een grens die niet eens zou mogen bestaan, het doorbreken van een taboe dat zwaarder weegt dan wat Oedipus deed.

In zijn gedicht ‘The Tower Of Famine’ verwijst Percy Bysshe Shelley, die samen met zijn vrouw Mary Godwin en Claire Clairmont enige tijd in Pisa woonde, zijdelings naar de gruwelen. In een voetnoot van Shelley (of van Mary, dat is onduidelijk) lezen we het volgende: “At Pisa there still exists the prison of Ugolino, which goes by the name of ‘La Torre della Fame’; in the adjoining building the galley-slaves are confined. It is situated near the Ponte al Mare on the Arno.”

De Shelleys en Claire Clairmont woonden aan de Lung'Arno Galileo Galilei op de bovenste verdieping van  wat Tre Palazzi di Chiesa heette, met uitzicht op de Ponte Fortezza. Door hun ramen konden ze Lord Byrons Palazzo Lanfranchi zien, aan de overkant van de Arno. Maar op die romantische geschiedenis, hoewel heel wat boeiender dan Witse, ga ik hier niet dieper in. Later misschien. Ik heb er veel notities over. In de jaren zeventig was ik verslingerd aan de romantische beweging en de vrije liefde. Meermaals ben ik in die dagen naar Pisa en Firenze gelift.


Dat is allemaal lang geleden, nu lijken alle minuten, alle dagen op elkaar. Borges echter, of zijn personage Villari, beweert in het verhaal ‘Het wachten’ “dat er geen dag is, zelfs niet in de gevangenis of het ziekenhuis, die geen verrassing brengt, die tegen het licht gehouden geen netwerk vol piepkleine verrassingen vormt.” Niet toevallig speelt ook in dat verhaal de ‘Divina Commedia’ een rol. Villari, die aan hevige tandpijn lijdt, begint “stelselmatig in dat kapitale werk te lezen; voor het eten las hij een canto en vervolgens, in strikte volgorde de noten. Hij achtte de helse pijnen niet onwaarschijnlijk of buitensporig en dacht niet dat Dante hem zou hebben veroordeeld tot de laatste kring, waar Ugolino’s tanden onophoudelijk knagen in Ruggieri’s nek.”

ugolino-doré.jpg

En zo blijkt weer dat alles met alles samenhangt en vooral dat het aantal verhalen eindeloos is. Maar de werkelijkheid? Net zoals er nog resten bestaan van Ugolini en zijn kinderen – ze werden opgegraven - bestaan er nog resten van de Gherardesca-familie. In 2002 voerde de paleoantropoloog Francesco Mallegni DNA-testen uit op de dode resten en vergeleek ze met het levende DNA van de nazaten. Het onderzoek leverde geen enkel bewijs voor kannibalisme. Het toont zelfs aan dat Ugolino in de maanden voor zijn dood helemaal geen vlees at. Bovendien was hij stokoud: hoe kon hij langer in leven blijven dan zijn kinderen en kleinkinderen?

...

Geraadpleegde werken:

Dante, De goddelijke komedie (vertalingen van Christinus Kops en Frans van Dooren), De Nederlandsche Boekhandel, Ambo Olympus

Dante, La divine comédie. Index. Avec une introduction à la Bibliographie Dantesque, par Alexandre Masseron, Editions Albin Michel

Shelley, Poetical Works, Oxford University Press

Richard Holmes, Footsteps: Adventures of a Romantic Biographer, Hodder and Stoughton

Jorge Luis Borges, ‘De Aleph en andere verhalen’, De bezige bij


Tekeningen: Gustave Doré

Foto Pisa, Piazza dei Cavalieri, 
Palazzo dell’Orologio: Martin Pulaski, juli 2014

 

IMG_9724.JPG

 

11-07-14

TIJD OM TE LEZEN?

IMG_8491.JPG

Zou ik nu ik schijnbaar over meer tijd beschik dan vroeger minder lezen? Ik neem aan dat ik minder boeken lees – maar daartegenover staat al het vluchtige dat ik online tracht te ontcijferen. Nog altijd heb ik het gevoel dat die laatste manier van lezen minderwaardig is. Bovendien maakt ze mij onrustig en ontevreden, vaak voel ik het aan als ‘tijdverlies’, weer minder tijd om klassieke romans, gedichten en filosofische werken te lezen. Hoe lang ben ik nu al niet met ‘De idioot’ van Dostojewski aan het worstelen! Niet met de idioot zelf, en het is ook helemaal geen worstelen, want het is een enorm genoegen (ook al is het geen voortreffelijke vertaling), maar het duurt wel lang.

Waar ik helemaal zeker van ben is dat ik veel minder boeken dan nog niet zo lang geleden van mijn reizen en reisjes meebreng. Ik herinner me dat ik voor ik in september 1991 uit New York terugkeerde een extra reistas moest aanschaffen voor alle boeken die ik in The Strand en kleinere winkels had gekocht. Dat zal me nu niet meer overkomen. Van Valle Gran Rey, in februari, bracht ik helemaal niets mee, van Praag alleen wat reproducties van Tsjechische filmaffiches (op klein formaat) en nu uit Londen al wat meer, maar toch bijna uitsluitend dunne boekjes. Dat laatste is nu wel een trend, maar ik ben er zeker mee opgezet. Van wat ik uit Londen meebracht e
en lijstje dan maar:


On The Pleasure Of Hating – William Hazlitt
Politics And The English Language – George Orwell
An Apology For Idlers – Robert Louis Stevenson
One Way Street And Other Writings – Walter Benjamin
Dylan On Dylan – Edited by Jonathan Cott
Cash. The Autobiography Of Johnny Cash – Johnny Cash with Patrick Carr
Young Adam – Alexander Trocchi
Artful – Ali Smith
Junky – William S. Burroughs
The Subterraneans – Jack Kerouac
Event.
Philosophy In Transit – Slavoj Zizek


Dat lijkt misschien veel, maar het zijn niet veel pagina’s. Bovendien zijn er boeken bij die ik al bezit en al heb gelezen. Waarom koop ik boeken die ik al heb? Ik weet het niet goed; wel heb ik de indruk dat ik dat almaar meer begin te doen, ook met muziek. Zo kocht ik gisteren alle cd’s van Nick Drake - die ik al allemaal op vinyl heb en dan ook nog eens de eerste editie op cd. Geldverspilling, terwijl ik het helemaal niet breed heb? Misschien gaat het om een vlucht in het verleden, naar mijn vertrouwde wereld, misschien maakt het nieuwe, het onbekende me bang. Dat zou ik erg vinden: ik heb altijd van mezelf gedacht dat ik erg nieuwsgierig was, open voor het andere, een voorloper zelfs, iemand met een oog en oor voor wat aanvankelijk aan de aandacht van de meeste mensen ontsnapt. Ben ik dan zo veranderd? Of heb ik me in mezelf vergist?

Ik ben echter wel blij dat ik überhaupt nog lees en ik vind het altijd een genoegen dat ik andere mensen zie lezen. In Londen in de tube, waar ik gretig gebruik van maak, is het mij opgevallen hoeveel de passagiers daar lezen. Een lust voor het oog. Gisteren in de metro hier in Brussel heb ik even rondgekeken en wat ik in Londen al vermoedde kwam uit: ik zag niet één reiziger met een krant, boek of tijdschrift in de handen. Wat zegt dat over deze stad? En wat zeggen de in de Underground lezende mensen over Londen?

IMG_8567.JPG

Foto's, Martin Pulaski, London, juni 2014.

05-07-14

BLUE

blue 2.jpg

Vorige week zag ik in Tate Modern in Londen Derek Jarman’s laatste film, 'Blue' (1993). Jarman beëindigde de film kort voor zijn dood; hij was toen al grotendeels blind. De titel ‘Blue’ dekt helemaal de lading: de hele film is een enkel shot van de kleur blauw, ongeveer hetzelfde blauw als dat van Yves Klein. Helemaal? Niet echt, want het is hem zeker ook om de soundtrack te doen, die op mij een diepe indruk maakte, ook al begreep ik niet alles van de tekst. ‘Blue’ is de aangrijpende en zeer intieme getuigenis van iemand die gaat sterven: Derek Jarman zelf. “The virus rages fierce. I have no friends now who are not dead or dying. Like a blue frost it caught them. At work, at the cinema, on marches and beaches. In churches on their knees, running, flying, silent or shouting protest.” Droevig, melancholisch, sereen, en subliem in de ware zin van het woord. De verbluffende soundtrack laat geluiden, muziek, stemmen horen van Brian Eno, Danny Hyde, Gini Ball, Hugh Webb, James Mackay, Jan Latham Koenig, John Balance, Kate St. John, Marden Hill, Markus Dravius, Marvin Black, Miranda Sex Garden, Momus, Peter Christopherson, Richard Watson, Simon Fisher-Turner, Tony Hinnigan, Vini Reilly, Derek Jarman, John Quentin, Nigel Terry en Tilda Swinton.

blue12-yves-klein-theredlist.jpg

Op het terras, met uitzicht op de Theems en de Londense skyline, uitgeput door zoveel opwindende en saaie kunst in die grote fabriek, opperde ik, wat onnadenkend en met weinig respect voor de kunstenaar, dat alles al gedaan is. Met weinig respect omdat ik nog maar eens een keer aan mezelf dacht. Toen ik er enkele jaren geleden aan dacht om al mijn foto’s van blauwe luchten – het waren en zijn er heel wat - in een serie onder te brengen en er teksten bij te schrijven wist ik waarschijnlijk al wel dat dat niet zo’n origineel idee was, zoniet had ik er wel iets mee gedaan. Nu ik ‘Blue’ gezien had vond ik mijn voornemen van toen ronduit bespottelijk.

Wat later ging ik in de boekwinkel van Tate op zoek naar een boek met kleurfoto’s van William Eggleston. Op de immense tafels vond ik alleen zijn zwart-witfoto’s. Na wat zoeken in de rekken trof ik echter een mijn onbekend werk met de fascinerende titel ‘At Zenith’ aan. Ik had het kunnen en moet weten, maar ik wist het niet: ‘At Zenith’ bevatte niets anders dan foto’s van de wolken en de blauwe lucht.

“During a 1978 road trip from Georgia to Tennessee, Eggleston photographed the sky from the car window using an early instant camera. The resulting images evoked small fragments of classical frescoes. The following day, he lay on the ground and continued to shoot the sky above. “At Zenith” brings together fifteen pigment prints from the Wedgwood Blue cloud series, in which Eggleston takes celestial zenith--the point of sky directly overhead—as his exclusive subject. These meditative images of wispy clouds interspersed with cerulean blue are painterly variations on a universal theme that has inspired artists from John Constable to Gerhard Richter. The photographs represent a broadening of Eggleston’s quotidian subjects—an exploratory, sky-gazing caesura within the lush panorama of his oeuvre.”*

Ondanks deze wijze en juiste woorden en mijn obsessie voor toevallige gebeurtenissen was ik teleurgesteld. Waar ik felkleurige Americana-foto’s verwachte trof ik bijna monochrome blauwe luchten aan – hoe saai, hoe vervelend! Het is alsof je de bioscoop binnenstapt om ‘Singing In The Rain’ te zien, en dan ‘Touch Of Evil’ te zien krijgt.
blue - william eggleston at zenith 14.jpg

Alles is al gedaan, er is niets nieuws onder de zon. Toch kan het misschien geen kwaad om alles, of misschien niet alles maar datgene wat goed (agathos) was en is, nog eens over te doen? Zeker loont het de moeite om wat goed is te zien, terug te zien en om het allemaal goed te bekijken en niet te snel een oordeel te vellen, zoals ik daar uitkijkend over Londen met de blauwe foto’s van William Eggleston deed.

...

*Uit de inleiding bij een tentoonstelling van deze werken in de Gagosian Gallery in New York in 2013.


18-06-14

LONDENSE IMPRESSIES

9192374072_454f2dea58_o.jpg

In Tate Modern (juni 2013)

Foto’s van William Eggleston, fotograaf uit Memphis. Bijna archetypische Amerikaanse beelden: de poëzie van het banale, Coca Cola, garages, autobanden, lost highways... Verwantschap met Andy Warhol en pop art in het algemeen, ook met Wim Wenders. Ik las dat Eggleston een langdurige verhouding had met Viva, een van de supersterren van Warhol. Zij was met de popartkunstenaar aan de telefoon toen Valerie Solanas hem neerschoot. Omstreeks 1970 was ik ‘verliefd’ – ik weet niet hoe ik anders moet noemen - op Viva en op Edie Sedgwick. Viva’s autobiografische ‘Superstar’ heb ik verslonden. Later kwam er het geweldige ‘Edie’ van Jean Stein.
viva 5.jpg

Grote, indrukwekkende werken van Gerhard Richter. Feesten van bloed en wijn van Cy Twombly. Offers van schoonheid, aan schoonheid, zoals bij de antieken. Rothko’s rode stilte.  John Heartfield keert nu ook weer terug in mijn leven, bijna net zo vaak als Pablo Picasso en zijn vrouwen. Overigens zijn de vrouwen hier op straat mooier dan die van Picasso. Dat heb ik altijd gevonden van de Londense vrouwen, dat ze zo mooi zijn. Misschien is het daarom een van mijn uitverkoren steden? Maar ga ik niet om het even waar heen voor de meisjes, de vrouwen? Zijn ze niet overal mooi? Het is zoals met vlinders, onmogelijk te beweren dat er een niet bevallig en sierlijk is. In Londen lopen de vrouwen je in alle kleuren voorbij, veel meer tinten nog dan in Brussel. Net als in Brussel lijken ze dichtbij maar zijn ze toch onbereikbaar. Wat me aan het gedicht over de passante van Baudelaire doet denken. Altijd die droefheid na voor enkele seconden verliefd geweest te zijn op een voorbijgangster of – een ogenblik langer – op een Aphrodite in de metro. Ja, veel meer kleuren, en ook alle stijlen door elkaar, zoals bij Neo Rauch.

tonight-lets-all-make-love-in-london-movie-poster-1967-.jpg

In Tate Modern zie ik de postmoderne massa die wat ‘cultuur wil meepikken’, cultuurtoeristen zoals ik - maar ben ik dan echt niet anders? In de eerste plaats kom ik hier al voor die vlinders, en voor de trottoirs waarboven ze rondfladderen en zich laten bewonderen, voor de straten waar geen eind aan komt, voor de straatnamen, voor de rivier die me sinds 1980 altijd aan the Clash doet denken, die associatie ligt denk ik voor altijd vast. Daarvoor doemde als ik aan de Theems dacht meestal Virginia Woolf op, soms Wiliam Blake, nu al zo lang die bijna militaire dreun, maar de rivier zelf blijft vredig kabbelen. Nooit heb ik de Theems wild gezien.

In Hampstead (juni 2013)

Alessandro Baricco beweert in ‘De barbaren’ dat we nog in de romantische periode leven. Bij het Keats House in Hampstead zou je dat niet meteen zeggen. Geen mens te zien daar. Maar ik kwam er al laat aan, bijna tegen sluitingstijd. In de tuin dacht ik aan de dichter en zijn geliefde Fanny Brawne, aan hun brieven, en aan het lange gedicht dat ‘Bright Star’ heet, nee, niet werkelijk een gedicht maar een film van Jane Campion. Still, still to hear her tender-taken breath, / And so live ever — or else swoon to death. In de tuin daar kwam ik volkomen tot rust, zoals eerder al bij de pagode van Boeddha, waar ik enkele minuten zat te peinzen en me af te vragen of ik toch maar geen boeddhist zou worden, hoewel de zon al stilaan onderging.

9189606159_d5b3edb91b_o.jpg

Londen overspoelt me met namen.  Geen namen van notabelen, van voorzitters en secretarissen van raden van beheer, neen, namen van kunstenaars, schrijvers, grote historische figuren, namen van mensen die hier ooit zijn geboren of naar hier zijn gekomen en van hier de wereld hebben veroverd, sommigen van hen letterlijk. Veel verleden, maar ook veel toekomst in deze straten. Dat laatste heeft deze reusachtige stad gemeen met het kleinere Brussel. De toekomst die aan de jongeren toebehoort, maar ook aan onszelf: we mogen de stad, Brussel bedoel ik nu, niet aan zichzelf overlaten, we moeten haar koesteren, we moeten haar verzorgen, ze is een kwetsbaar, levend organisme. In dat opzicht moet ik zeker mijn leven veranderen. Veel minder in mijn kamer zitten piekeren, tijd verliezen met wachten op dingen die nooit zullen gebeuren, maar buiten gaan, kijken wat er rondom mij gebeurt, nu, en mezelf ook tonen aan de stad, aan de andere mensen. En dan weer zelf met nieuw voedsel thuiskomen.
Welke namen schieten mij nu spontaan te binnen? George Orwell. Shakespeare. Karl Marx. Virginia Woolf. Lytton Strachey. Bloomsbury. Thomas Carlyle (nochtans een Schot). Rolling Stones. Beatles (musicerend op het dak). The Fool (Simon & Marijke). The Clash. Guy Stevens. Abbey Road. Carnaby Street. Hampstead. Primrose Hill. Donovan’s ‘Sunny South Kensington’. Terence Stamp. Julie Christie.
Deze opsomming roept weer een andere op: Borges, Foucault, Eco*, Buñuel, Sebald en, niet vergeten, Don Giovanni. Opsommingen, lijsten, classificaties, reeksen liggen vaak aan de basis van kunst, film, literatuur. Aan de hand van lijsten wordt gepoogd de realiteit te vatten, in te delen, begrijpelijk te maken.

Wat geeft je zo’n aangenaam gevoel in plaatsen als Hampstead? Gaat het om een soort van nostalgie, een verlangen naar wat voorbij is… Een verlangen dat niet naar bevrediging vraagt, dat aan zichzelf genoeg heeft? Een romantisch bewustzijn, geheel voorbijgestreefd door de geest van het postmoderne? Vermoedelijk.

 

londen,2013,juni,musea,tate modern,saatchi,pubs,schrijven,kunst,literatuur,vrouwen,schoonheid,wandelen,stad,rivier,thames,namen,lijsten,opsommingen,postmodernisme,romantiek

 

In Bradley’s Spanish Bar (juni 2013)

Kunstwerken ontstaan niet toevallig en zeker niet vanzelf. Er is altijd eerst voorbereiding, oefening, geduld, talent, openheid, invloeden, keuze, selectie, verlangen… Is het dat wat ons zo’n ontzag inboezemt, is het daarom dat we op bedevaart gaan naar musea, is het daarom dat we literatuur als heilige tekst beschouwen en muziek als iets goddelijks, een doorlopende boodschap van de engelen?

Vrij vaak heb ik de indruk dat ik in musea en kunstgalerijen heel wat meer vrouwen zie dan mannen. Klopt die vaststelling, of gaat mijn aandacht gewoonweg veel meer naar vrouwen dan naar mannen uit? Zie ik de mannen niet staan? Bovendien ontwaar ik veel meer beelden van vrouwen, portretten van vrouwen - en ik denk aan de vrouwen van Henry James, Dante, Flaubert (hoewel er in de literatuur natuurlijk veel onvergetelijke mannelijke helden voorkomen, de man zonder eigenschappen voorop)… Zijn er nog steeds minder vrouwelijke dan mannelijke kunstenaars? Dat geloof ik niet. Sinds het midden van de vorige eeuw is er wat dat betreft gelukkig veel veranderd. Toch denk ik soms dat vrouwen meer tevreden zijn met zichzelf, dat ze graag behagen en het bijgevolg niet nodig vinden iets naast zichzelf, iets buiten zichzelf te ontwerpen. Een voorbijgestreefde, romantische gedachte natuurlijk, maar het zij zo. Soms denk ik dat mannen meer van zichzelf vinden dat ze tekortschieten, dat een man iets aan zichzelf moet toevoegen om te kunnen behagen, om het gevoel te krijgen dat er naar hem verlangd kan worden.  Wat een romantische gedachten houden mij toch bezig!

londen,2013,juni,musea,tate modern,saatchi,pubs,schrijven,kunst,literatuur,vrouwen,schoonheid,wandelen,stad,rivier,thames,namen,lijsten,opsommingen,postmodernisme,romantiek

...

*At first, we think that a list is primitive and typical of very early cultures, which had no exact concept of the universe and were therefore limited to listing the characteristics they could name. But, in cultural history, the list has prevailed over and over again. It is by no means merely an expression of primitive cultures. A very clear image of the universe existed in the Middle Ages, and there were lists. A new worldview based on astronomy predominated in the Renaissance and the Baroque era. And there were lists. And the list is certainly prevalent in the postmodern age. It has an irresistible magic.
Umberto Eco, Spiegel International, November 11, 2009

Foto's: Martin Pulaski, uitgezonderd Viva, Tonite Let's All Make Love in London, Julie Christie

 

 

 

17-06-14

IN DE ROOS

vaderschiet 001.jpg

Vader op de kermis. Datum onbekend (jaren vijftig).

Ik heb ook een tijdje vrij goed met de luchtbuks kunnen schieten, tot mijn zestiende ongeveer. Tot dan was James Bond mijn held: ik geloof dat ik meer van agent 007 hield dan van mijn vader. Maar het is goed mogelijk dat ik me daarin vergis, want wat weet ik nog van wat ik in die dagen voelde? Alleszins heeft mijn vader me niet leren schieten. Ik heb hem alleen maar vanop een afstand geobserveerd, als ik daar al de kans toe kreeg. Het grootste deel van de tijd was ik ver van hem en van mijn moeder weg. 

16:42 Gepost in Autobiografie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: vader |  Facebook

16-06-14

1958

expo58-bruxelles.jpg

Nadat ik vertrouwd was geraakt met het rumoer, met het onophoudelijke geklop, gehamer, gebonk van machines en motoren, die de stilte in mij verstoorden, de stilte die een aangeboren hoedanigheid leek, iets wat tot het wezen van ons zijn behoorde, een vaststelling die echter in tegenspraak was en is met het ritme van ons hart en met de onduidelijke geluiden die ons ongetwijfeld een gevoel van veiligheid hadden geschonken toen we nog in de baarmoeder vertoefden, geluiden waar het geronk van de scheepsmotor een echo van was, waardoor ik zo heerlijk kon slapen vroeg in de ochtend als mijn ouders al met het schip vertrokken waren, op weg naar een andere bestemming, naar een andere haven, moest ik van het ene moment op het andere wennen aan een nieuw geluid, dat van de bossen, het leven in de bomen, de takken, in de lucht daarboven en tussen de struiken en in het gras en op de bodem. Aan het gekwetter, getsjilp, getsjidik, geroekoe, gesnater, gekwek, gegak, gerikkekik, getsjirp, gekir, getjokkel, geoehoe, kortom, aan de duizenden geluiden van vogels, zoogdieren en insecten, en van honderden kinderstemmen: de kinderkolonie midden in het bos.

kinderdorprekem3.jpg

De breuk, want een overgang was het voor mij niet, werd niet alleen bepaald door geluid en ritme maar zeker ook door geuren en smaken en door de kwaliteit van de lucht. De geur van paddenstoelen, van varens die ouder leken dan de tijd, van dennenbomen, en van hun appels, van de moerassen, de rottigheid, van eikels en nutteloze bosvruchten, van de dode dieren, van onszelf, ons zweet en andere lichaamsgeuren, van oude matrassen; de smaak van een ander soort water, van bosbessen, van grenadine, van pap en alle viezigheden die we te eten kregen… Die breuk zal zeker traumatisch geweest zijn. Zij heeft er vooral toe bijgedragen dat ik aan een ernstige verlatingsneurose lijd, die met de jaren en mede dank zij psychoanalyse milder is geworden. Het is nog altijd mijn overtuiging dat rock & roll en literatuur mijn redding zijn geweest. Zonder die twee kunstvormen en mijn eigen passie had ik die grensoverschrijding waarschijnlijk niet aangekund. Dan was ik van het kinderdorp naar het gekkenhuis verhuisd, wat geen bruuske overgang zou zijn geweest – en het was in de buurt: het gesticht van Rekem, waar de vader van mijn latere boezemvriend als verpleger tewerkgesteld was. Gelukkig heeft Lou Reed ook in mijn geval gelijk: my life was saved by rock and roll. Wordt vervolgd.
kinderdorprekem9.jpg

INMIDDELS...

In 1958 moest ik afscheid nemen van mijn ouders en werd ik naar het bos gestuurd dat op mij de indruk maakte van een oerwoud groter dan het Amazoneregenwoud. Onmogelijk daar ooit uit te ontsnappen. In dat bos bevond zich een schoolkolonie, het kinderdorp Molenberg. Daar zat ik vier jaar van mijn jong leven vast, even lang als de idioot, vorst Mysjkin, in een Zwitsers sanatorium, waar hij heel gelukkig was. Was ik er gelukkig? Hoewel het oord in mijn herinneringen soms een paradijs is, is het er meestal toch een gevangenis en een hel

 

school,bos,gevangenis,kinderdorp molenberg,hel,paradijs,rapport

(Op het rapport staat tweede termijn omdat ik meteen naar het tweede studiejaar mocht.)

08-06-14

OVER 'ZERO DE CONDUITE'

Enkele foto's uit Jean Vigo's anarchistische en anti-autoritaire film uit 1933, 'Zéro de conduite'. Van Jean Vigo, die ik zeer bewonder, nog meer voor zijn sublieme 'L'atalante', heb ik de titel van mijn radioprogramma gekregen (of noem je zoiets diefstal?). Waarom deze titel? Wat is het verband tussen de film en mijn kleine avondmuziekjes? De ondertitel van de film zegt misschien al meer: 'jeunes diables au collège'... Voor mij is popmuziek of rock & roll - inclusief alle voorlopers en subgenres ervan - voor altijd verbonden met jeugd en opstandigheid. Een jukebox is bijna per definitie 'rebellious', zoals in het lied van Mark E. Smith en The Fall. Populaire muziek was voor mij de enige beschavingsvorm die me – af en toe – in staat stelde om te ontsnappen aan de verstikkende, ellendige sfeer van het internaatsleven. ‘See You In September’ heb ik nooit graag gehoord. 'See My Friends' van the Kinks vond en vind ik nog steeds een meesterwerk.

 Zero de Conduite.jpg

Zero de Conduite 3.jpg

Zero de Conduite 1.jpg

30-05-14

AARDBEIENJAM EN BITTER: MIJN FIFTIES

 elvis army 2.jpg

 Als ik er iets mee ga doen, met die notities, dan zal het in muzikale zin zijn. Hoe ben ik doorheen mijn jaren tot de muziek gekomen waar ik nu van houd, of waarvoor ik nog uit mijn zetel kom om een of andere geluidsdrager in gang te zetten, voldoende luid, zonder enige rekening te houden met de buren, zodat ik er al bij al nog enig plezier aan kan beleven?

Dat was de opdracht. Dit is het eerste deel van de jaren vijftig. Meer sociologie dan musicologie, maar zo zoet als aardbeienjam en zo bitter als een of ander Italiaans digestief drankje.

mitzietc.jpg

De jaren vijftig waren voor mij, zoals voor de meeste kinderen in het Westen, zowel een tijd van intens, bijna paradijselijk geluk als van allesdoordringende angst. De vreselijkste en meest mensonterende oorlog ooit was voorbij, alles in West-Europa veranderde razendsnel, maar diezelfde oorlog wierp nog een donkere schaduw op het dagelijks leven van mijn ouders, mijn familie, ons land, Europa en het grootste deel van de wereld. De wonden waren niet geheeld, de herinneringen aan de verschrikkelijke gebeurtenissen (bombardementen, ‘vliegende bommen’, nazi-uniformen, bunkers, prikkeldraad, gevangenschap) waren nog levendig. Het ergste, wat ons allen tekent, is me pas later verteld, maar niet veel later.

Over die tijd, hoe ik hem beleefde, heb ik al té vaak geschreven; ik wil niet in herhaling vallen. Ik wil me aan mijn voornemen houden: mijn muzikale ontwikkeling beschrijven. En daarmee bedoel ik geenszins dat ik ooit een muzikant ben geweest: ik weet nauwelijks iets van muziek, kan geen enkel instrument bespelen, zing vals, kan geen noten lezen… noem maar op. In deze nieuwe notities heb ik het niet over spelen, maar over mijn passionele liefde voor muziek, die van emotionele aard is, zoals bijna alles in mijn leven. Van in het begin al ben ik gevoelig, romantisch, sentimenteel, om niet te zeggen hypersensitief. Mijn wereld is een kleine wereld, een wereld van verwondering, nieuwsgierigheid, verlangen en angst om verlaten te worden, allemaal karaktertrekken waar je in zekere zin mee geboren wordt, of die in je kindertijd ontstaan en tot rijping komen.

Tot mijn achtste, het jaar van expo 58, heb ik op een kleine aak geleefd, zo’n schip van veertig meter dat vrachten vervoert van de ene streek naar de andere, met mijn ouders en mijn broer. Ik had weinig contact met andere kinderen, nog minder met grote mensen. Ik weet nog altijd niet waar die schrik vandaan komt, maar ik was voor iedereen bang, met uitzondering van mijn moeder. Mijn broer was intern op een schippersschool in Brugge, mijn moeders familie woonde in Antwerpen, die van mijn vader in Neerharen en Lanaken. Ik was altijd aan boord, als baby, kleuter, kleine cowboy, Jan zonder vrees en fan van Elvis Presley en Bobbejaan Schoepen.

Mijn ouders waren niet bepaald muzikaal. Moeder had een mooie mandoline, die ze als jong meisje had bespeeld, vertelde ze me soms, maar ik geloof niet dat ze er, eens volwassen, ooit op gespeeld heeft. Mijn vader bezat een gele accordeon, het merk ben ik vergeten, waar hij één liedje op kon spelen, ‘J’attendrai’, meen ik mij te herinneren. Dat speelde hij zo vaak dat ik al gauw geeuwerig werd van Franse liederen en van valse musette in het bijzonder. Echter, als ik nu zulke deuntjes hoor smelt mijn hart en zie ik meteen mijn vader voor me als een soort van Jean Gabin met Arletty in zijn armen. Hij kon mooi fluiten, wat mij altijd weer ontroerde. Fluiten, roken, de blik in zijn ogen, verhalen over de oorlog, over zijn krijgsgevangenschap en zijn kleine heldendaden in het verzet. Vreemd genoeg was er in vaders verhalen meer fascinatie voor de vijand dan voor de vriend. Ik heb hem nooit iets horen vertellen over de Engelsen, Canadezen en Amerikanen, maar wel over de Duitsers en de Oostenrijkers. Vooral over de Oostenrijke boerendochters kon hij urenlang doorgaan; hij was een jaar lang krijgsgevangene geweest niet ver van Innsbrück. Mijn fascinatie voor alles wat Midden-Europees is komt van hem, denk ik nu, van wat hij vertelde aan andere schippers op lange zomeravonden, als er licht bier werd gedronken en veel gelachen. De vrouwen bevestigden wat werd gezegd, hun schaars commentaar leek op een modern Grieks koor, zonder drama, zonder tragische implicaties. Later zag ik zulke situaties terug in films van Rainer Werner Fassbinder, de regisseur die deze periode het best in beeld heeft gebracht. En hoe het zo ver gekomen is zie je in zijn ‘Berlin Alexanderplatz’, een van de grootste films van de twintigste eeuw, met een geweldige, bijzonder sentimentele soundtrack. En in ‘Heimat’, van Edgar Reitz. Kijk, hier heb je al mijn gehechtheid aan Duitsland, maar het is in mijn ogen net dat Duitsland dat de nazi’s wilden uitroeien, waar ze – en dat is de tragedie – gedeeltelijk in geslaagd zijn.

Wij hadden zo’n grote lampenradio aan boord, met korte, midden- en lange golf. Voor mij was die radio een andere wereld, magisch, mysterieus, onbereikbaar. De namen van de zenders alleen al waren toverformules, Beograd, Hilversum, Moskwa, Istanbul, Belgrado, Luxembourg, Beromünster… Onder meer Sam Shepard, John Cale en Van Morrison hebben daar ontroerend over geschreven en gecomponeerd. Luister maar eens naar John Cales ‘Risé, Sam and Rimsky-Korsakov’, op tekst van Sam Shepard, een man in wie ik me vanwege die emotionele kwaliteiten herken. Risé, de toenmalige vrouw van John Cale, reciteert de tekst en het timbre en de kleur van haar stem doen me altijd weer terugdenken aan mijn kinderjaren, toen de radio een boodschapper van een ander sterrenstelsel voor me was.

De radio was voor mij als kind vooral een taal- geluidsfenomeen. Ik luisterde vaak, vooral als het donker was, naar de vreemde klanken die uit de luidspreker kwamen als je aan de zenderknop draaide. Het waren klanken uit die vreemde wereld ergens in het verleden verdwenen, maar eveneens uit de toekomst opdoemend en voor mij als kind en nu nog altijd verwant aan de wetenschap, die in de verte een geheim was dat moest worden ontsluierd. Sindsdien is er wat dat betreft weinig veranderd. Hoeveel we ook mogen weten over DNA, kanker en de big bang. De flarden gesproken woord die ik hoorde, in onverstaanbare talen, meestal waren het vrouwenstemmen, gaven me zin om in de radio te kruipen en op zoek te gaan naar de mysterieuze steden en landen van waar die klanken de ruimte in werden gestuurd. Meestal was er op de achtergrond het rumoer van de wind op het water, de Schelde, de Maas, het Albertkanaal, het gedaver van de scheepsmotor en de chaotische geluiden van de activiteiten in de havens waar we aanmeerden en het schip werd gelost en geladen.

Maar hoe kwam ik dan in aanraking met rock & roll en hoe is het zo ver gekomen dat ik nu naar concerten van Emmylou Harris en the Flaming Lips ga? Daar moet ik nog wat over nadenken, de volgende dagen lees je er meer over. Ik weet wel al zeker dat ik het over vonken zal hebben. En spatten. De poëzie van Meister Eckhart en de schilderijen van Jackson Pollock.

vader1.jpg