18-06-14

LONDENSE IMPRESSIES

9192374072_454f2dea58_o.jpg

In Tate Modern (juni 2013)

Foto’s van William Eggleston, fotograaf uit Memphis. Bijna archetypische Amerikaanse beelden: de poëzie van het banale, Coca Cola, garages, autobanden, lost highways... Verwantschap met Andy Warhol en pop art in het algemeen, ook met Wim Wenders. Ik las dat Eggleston een langdurige verhouding had met Viva, een van de supersterren van Warhol. Zij was met de popartkunstenaar aan de telefoon toen Valerie Solanas hem neerschoot. Omstreeks 1970 was ik ‘verliefd’ – ik weet niet hoe ik anders moet noemen - op Viva en op Edie Sedgwick. Viva’s autobiografische ‘Superstar’ heb ik verslonden. Later kwam er het geweldige ‘Edie’ van Jean Stein.
viva 5.jpg

Grote, indrukwekkende werken van Gerhard Richter. Feesten van bloed en wijn van Cy Twombly. Offers van schoonheid, aan schoonheid, zoals bij de antieken. Rothko’s rode stilte.  John Heartfield keert nu ook weer terug in mijn leven, bijna net zo vaak als Pablo Picasso en zijn vrouwen. Overigens zijn de vrouwen hier op straat mooier dan die van Picasso. Dat heb ik altijd gevonden van de Londense vrouwen, dat ze zo mooi zijn. Misschien is het daarom een van mijn uitverkoren steden? Maar ga ik niet om het even waar heen voor de meisjes, de vrouwen? Zijn ze niet overal mooi? Het is zoals met vlinders, onmogelijk te beweren dat er een niet bevallig en sierlijk is. In Londen lopen de vrouwen je in alle kleuren voorbij, veel meer tinten nog dan in Brussel. Net als in Brussel lijken ze dichtbij maar zijn ze toch onbereikbaar. Wat me aan het gedicht over de passante van Baudelaire doet denken. Altijd die droefheid na voor enkele seconden verliefd geweest te zijn op een voorbijgangster of – een ogenblik langer – op een Aphrodite in de metro. Ja, veel meer kleuren, en ook alle stijlen door elkaar, zoals bij Neo Rauch.

tonight-lets-all-make-love-in-london-movie-poster-1967-.jpg

In Tate Modern zie ik de postmoderne massa die wat ‘cultuur wil meepikken’, cultuurtoeristen zoals ik - maar ben ik dan echt niet anders? In de eerste plaats kom ik hier al voor die vlinders, en voor de trottoirs waarboven ze rondfladderen en zich laten bewonderen, voor de straten waar geen eind aan komt, voor de straatnamen, voor de rivier die me sinds 1980 altijd aan the Clash doet denken, die associatie ligt denk ik voor altijd vast. Daarvoor doemde als ik aan de Theems dacht meestal Virginia Woolf op, soms Wiliam Blake, nu al zo lang die bijna militaire dreun, maar de rivier zelf blijft vredig kabbelen. Nooit heb ik de Theems wild gezien.

In Hampstead (juni 2013)

Alessandro Baricco beweert in ‘De barbaren’ dat we nog in de romantische periode leven. Bij het Keats House in Hampstead zou je dat niet meteen zeggen. Geen mens te zien daar. Maar ik kwam er al laat aan, bijna tegen sluitingstijd. In de tuin dacht ik aan de dichter en zijn geliefde Fanny Brawne, aan hun brieven, en aan het lange gedicht dat ‘Bright Star’ heet, nee, niet werkelijk een gedicht maar een film van Jane Campion. Still, still to hear her tender-taken breath, / And so live ever — or else swoon to death. In de tuin daar kwam ik volkomen tot rust, zoals eerder al bij de pagode van Boeddha, waar ik enkele minuten zat te peinzen en me af te vragen of ik toch maar geen boeddhist zou worden, hoewel de zon al stilaan onderging.

9189606159_d5b3edb91b_o.jpg

Londen overspoelt me met namen.  Geen namen van notabelen, van voorzitters en secretarissen van raden van beheer, neen, namen van kunstenaars, schrijvers, grote historische figuren, namen van mensen die hier ooit zijn geboren of naar hier zijn gekomen en van hier de wereld hebben veroverd, sommigen van hen letterlijk. Veel verleden, maar ook veel toekomst in deze straten. Dat laatste heeft deze reusachtige stad gemeen met het kleinere Brussel. De toekomst die aan de jongeren toebehoort, maar ook aan onszelf: we mogen de stad, Brussel bedoel ik nu, niet aan zichzelf overlaten, we moeten haar koesteren, we moeten haar verzorgen, ze is een kwetsbaar, levend organisme. In dat opzicht moet ik zeker mijn leven veranderen. Veel minder in mijn kamer zitten piekeren, tijd verliezen met wachten op dingen die nooit zullen gebeuren, maar buiten gaan, kijken wat er rondom mij gebeurt, nu, en mezelf ook tonen aan de stad, aan de andere mensen. En dan weer zelf met nieuw voedsel thuiskomen.
Welke namen schieten mij nu spontaan te binnen? George Orwell. Shakespeare. Karl Marx. Virginia Woolf. Lytton Strachey. Bloomsbury. Thomas Carlyle (nochtans een Schot). Rolling Stones. Beatles (musicerend op het dak). The Fool (Simon & Marijke). The Clash. Guy Stevens. Abbey Road. Carnaby Street. Hampstead. Primrose Hill. Donovan’s ‘Sunny South Kensington’. Terence Stamp. Julie Christie.
Deze opsomming roept weer een andere op: Borges, Foucault, Eco*, Buñuel, Sebald en, niet vergeten, Don Giovanni. Opsommingen, lijsten, classificaties, reeksen liggen vaak aan de basis van kunst, film, literatuur. Aan de hand van lijsten wordt gepoogd de realiteit te vatten, in te delen, begrijpelijk te maken.

Wat geeft je zo’n aangenaam gevoel in plaatsen als Hampstead? Gaat het om een soort van nostalgie, een verlangen naar wat voorbij is… Een verlangen dat niet naar bevrediging vraagt, dat aan zichzelf genoeg heeft? Een romantisch bewustzijn, geheel voorbijgestreefd door de geest van het postmoderne? Vermoedelijk.

 

londen,2013,juni,musea,tate modern,saatchi,pubs,schrijven,kunst,literatuur,vrouwen,schoonheid,wandelen,stad,rivier,thames,namen,lijsten,opsommingen,postmodernisme,romantiek

 

In Bradley’s Spanish Bar (juni 2013)

Kunstwerken ontstaan niet toevallig en zeker niet vanzelf. Er is altijd eerst voorbereiding, oefening, geduld, talent, openheid, invloeden, keuze, selectie, verlangen… Is het dat wat ons zo’n ontzag inboezemt, is het daarom dat we op bedevaart gaan naar musea, is het daarom dat we literatuur als heilige tekst beschouwen en muziek als iets goddelijks, een doorlopende boodschap van de engelen?

Vrij vaak heb ik de indruk dat ik in musea en kunstgalerijen heel wat meer vrouwen zie dan mannen. Klopt die vaststelling, of gaat mijn aandacht gewoonweg veel meer naar vrouwen dan naar mannen uit? Zie ik de mannen niet staan? Bovendien ontwaar ik veel meer beelden van vrouwen, portretten van vrouwen - en ik denk aan de vrouwen van Henry James, Dante, Flaubert (hoewel er in de literatuur natuurlijk veel onvergetelijke mannelijke helden voorkomen, de man zonder eigenschappen voorop)… Zijn er nog steeds minder vrouwelijke dan mannelijke kunstenaars? Dat geloof ik niet. Sinds het midden van de vorige eeuw is er wat dat betreft gelukkig veel veranderd. Toch denk ik soms dat vrouwen meer tevreden zijn met zichzelf, dat ze graag behagen en het bijgevolg niet nodig vinden iets naast zichzelf, iets buiten zichzelf te ontwerpen. Een voorbijgestreefde, romantische gedachte natuurlijk, maar het zij zo. Soms denk ik dat mannen meer van zichzelf vinden dat ze tekortschieten, dat een man iets aan zichzelf moet toevoegen om te kunnen behagen, om het gevoel te krijgen dat er naar hem verlangd kan worden.  Wat een romantische gedachten houden mij toch bezig!

londen,2013,juni,musea,tate modern,saatchi,pubs,schrijven,kunst,literatuur,vrouwen,schoonheid,wandelen,stad,rivier,thames,namen,lijsten,opsommingen,postmodernisme,romantiek

...

*At first, we think that a list is primitive and typical of very early cultures, which had no exact concept of the universe and were therefore limited to listing the characteristics they could name. But, in cultural history, the list has prevailed over and over again. It is by no means merely an expression of primitive cultures. A very clear image of the universe existed in the Middle Ages, and there were lists. A new worldview based on astronomy predominated in the Renaissance and the Baroque era. And there were lists. And the list is certainly prevalent in the postmodern age. It has an irresistible magic.
Umberto Eco, Spiegel International, November 11, 2009

Foto's: Martin Pulaski, uitgezonderd Viva, Tonite Let's All Make Love in London, Julie Christie

 

 

 

17-06-14

IN DE ROOS

vaderschiet 001.jpg

Vader op de kermis. Datum onbekend (jaren vijftig).

Ik heb ook een tijdje vrij goed met de luchtbuks kunnen schieten, tot mijn zestiende ongeveer. Tot dan was James Bond mijn held: ik geloof dat ik meer van agent 007 hield dan van mijn vader. Maar het is goed mogelijk dat ik me daarin vergis, want wat weet ik nog van wat ik in die dagen voelde? Alleszins heeft mijn vader me niet leren schieten. Ik heb hem alleen maar vanop een afstand geobserveerd, als ik daar al de kans toe kreeg. Het grootste deel van de tijd was ik ver van hem en van mijn moeder weg. 

16:42 Gepost in Autobiografie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: vader |  Facebook

16-06-14

1958

expo58-bruxelles.jpg

Nadat ik vertrouwd was geraakt met het rumoer, met het onophoudelijke geklop, gehamer, gebonk van machines en motoren, die de stilte in mij verstoorden, de stilte die een aangeboren hoedanigheid leek, iets wat tot het wezen van ons zijn behoorde, een vaststelling die echter in tegenspraak was en is met het ritme van ons hart en met de onduidelijke geluiden die ons ongetwijfeld een gevoel van veiligheid hadden geschonken toen we nog in de baarmoeder vertoefden, geluiden waar het geronk van de scheepsmotor een echo van was, waardoor ik zo heerlijk kon slapen vroeg in de ochtend als mijn ouders al met het schip vertrokken waren, op weg naar een andere bestemming, naar een andere haven, moest ik van het ene moment op het andere wennen aan een nieuw geluid, dat van de bossen, het leven in de bomen, de takken, in de lucht daarboven en tussen de struiken en in het gras en op de bodem. Aan het gekwetter, getsjilp, getsjidik, geroekoe, gesnater, gekwek, gegak, gerikkekik, getsjirp, gekir, getjokkel, geoehoe, kortom, aan de duizenden geluiden van vogels, zoogdieren en insecten, en van honderden kinderstemmen: de kinderkolonie midden in het bos.

kinderdorprekem3.jpg

De breuk, want een overgang was het voor mij niet, werd niet alleen bepaald door geluid en ritme maar zeker ook door geuren en smaken en door de kwaliteit van de lucht. De geur van paddenstoelen, van varens die ouder leken dan de tijd, van dennenbomen, en van hun appels, van de moerassen, de rottigheid, van eikels en nutteloze bosvruchten, van de dode dieren, van onszelf, ons zweet en andere lichaamsgeuren, van oude matrassen; de smaak van een ander soort water, van bosbessen, van grenadine, van pap en alle viezigheden die we te eten kregen… Die breuk zal zeker traumatisch geweest zijn. Zij heeft er vooral toe bijgedragen dat ik aan een ernstige verlatingsneurose lijd, die met de jaren en mede dank zij psychoanalyse milder is geworden. Het is nog altijd mijn overtuiging dat rock & roll en literatuur mijn redding zijn geweest. Zonder die twee kunstvormen en mijn eigen passie had ik die grensoverschrijding waarschijnlijk niet aangekund. Dan was ik van het kinderdorp naar het gekkenhuis verhuisd, wat geen bruuske overgang zou zijn geweest – en het was in de buurt: het gesticht van Rekem, waar de vader van mijn latere boezemvriend als verpleger tewerkgesteld was. Gelukkig heeft Lou Reed ook in mijn geval gelijk: my life was saved by rock and roll. Wordt vervolgd.
kinderdorprekem9.jpg

INMIDDELS...

In 1958 moest ik afscheid nemen van mijn ouders en werd ik naar het bos gestuurd dat op mij de indruk maakte van een oerwoud groter dan het Amazoneregenwoud. Onmogelijk daar ooit uit te ontsnappen. In dat bos bevond zich een schoolkolonie, het kinderdorp Molenberg. Daar zat ik vier jaar van mijn jong leven vast, even lang als de idioot, vorst Mysjkin, in een Zwitsers sanatorium, waar hij heel gelukkig was. Was ik er gelukkig? Hoewel het oord in mijn herinneringen soms een paradijs is, is het er meestal toch een gevangenis en een hel

 

school,bos,gevangenis,kinderdorp molenberg,hel,paradijs,rapport

(Op het rapport staat tweede termijn omdat ik meteen naar het tweede studiejaar mocht.)

08-06-14

OVER 'ZERO DE CONDUITE'

Enkele foto's uit Jean Vigo's anarchistische en anti-autoritaire film uit 1933, 'Zéro de conduite'. Van Jean Vigo, die ik zeer bewonder, nog meer voor zijn sublieme 'L'atalante', heb ik de titel van mijn radioprogramma gekregen (of noem je zoiets diefstal?). Waarom deze titel? Wat is het verband tussen de film en mijn kleine avondmuziekjes? De ondertitel van de film zegt misschien al meer: 'jeunes diables au collège'... Voor mij is popmuziek of rock & roll - inclusief alle voorlopers en subgenres ervan - voor altijd verbonden met jeugd en opstandigheid. Een jukebox is bijna per definitie 'rebellious', zoals in het lied van Mark E. Smith en The Fall. Populaire muziek was voor mij de enige beschavingsvorm die me – af en toe – in staat stelde om te ontsnappen aan de verstikkende, ellendige sfeer van het internaatsleven. ‘See You In September’ heb ik nooit graag gehoord. 'See My Friends' van the Kinks vond en vind ik nog steeds een meesterwerk.

 Zero de Conduite.jpg

Zero de Conduite 3.jpg

Zero de Conduite 1.jpg

30-05-14

AARDBEIENJAM EN BITTER: MIJN FIFTIES

 elvis army 2.jpg

 Als ik er iets mee ga doen, met die notities, dan zal het in muzikale zin zijn. Hoe ben ik doorheen mijn jaren tot de muziek gekomen waar ik nu van houd, of waarvoor ik nog uit mijn zetel kom om een of andere geluidsdrager in gang te zetten, voldoende luid, zonder enige rekening te houden met de buren, zodat ik er al bij al nog enig plezier aan kan beleven?

Dat was de opdracht. Dit is het eerste deel van de jaren vijftig. Meer sociologie dan musicologie, maar zo zoet als aardbeienjam en zo bitter als een of ander Italiaans digestief drankje.

mitzietc.jpg

De jaren vijftig waren voor mij, zoals voor de meeste kinderen in het Westen, zowel een tijd van intens, bijna paradijselijk geluk als van allesdoordringende angst. De vreselijkste en meest mensonterende oorlog ooit was voorbij, alles in West-Europa veranderde razendsnel, maar diezelfde oorlog wierp nog een donkere schaduw op het dagelijks leven van mijn ouders, mijn familie, ons land, Europa en het grootste deel van de wereld. De wonden waren niet geheeld, de herinneringen aan de verschrikkelijke gebeurtenissen (bombardementen, ‘vliegende bommen’, nazi-uniformen, bunkers, prikkeldraad, gevangenschap) waren nog levendig. Het ergste, wat ons allen tekent, is me pas later verteld, maar niet veel later.

Over die tijd, hoe ik hem beleefde, heb ik al té vaak geschreven; ik wil niet in herhaling vallen. Ik wil me aan mijn voornemen houden: mijn muzikale ontwikkeling beschrijven. En daarmee bedoel ik geenszins dat ik ooit een muzikant ben geweest: ik weet nauwelijks iets van muziek, kan geen enkel instrument bespelen, zing vals, kan geen noten lezen… noem maar op. In deze nieuwe notities heb ik het niet over spelen, maar over mijn passionele liefde voor muziek, die van emotionele aard is, zoals bijna alles in mijn leven. Van in het begin al ben ik gevoelig, romantisch, sentimenteel, om niet te zeggen hypersensitief. Mijn wereld is een kleine wereld, een wereld van verwondering, nieuwsgierigheid, verlangen en angst om verlaten te worden, allemaal karaktertrekken waar je in zekere zin mee geboren wordt, of die in je kindertijd ontstaan en tot rijping komen.

Tot mijn achtste, het jaar van expo 58, heb ik op een kleine aak geleefd, zo’n schip van veertig meter dat vrachten vervoert van de ene streek naar de andere, met mijn ouders en mijn broer. Ik had weinig contact met andere kinderen, nog minder met grote mensen. Ik weet nog altijd niet waar die schrik vandaan komt, maar ik was voor iedereen bang, met uitzondering van mijn moeder. Mijn broer was intern op een schippersschool in Brugge, mijn moeders familie woonde in Antwerpen, die van mijn vader in Neerharen en Lanaken. Ik was altijd aan boord, als baby, kleuter, kleine cowboy, Jan zonder vrees en fan van Elvis Presley en Bobbejaan Schoepen.

Mijn ouders waren niet bepaald muzikaal. Moeder had een mooie mandoline, die ze als jong meisje had bespeeld, vertelde ze me soms, maar ik geloof niet dat ze er, eens volwassen, ooit op gespeeld heeft. Mijn vader bezat een gele accordeon, het merk ben ik vergeten, waar hij één liedje op kon spelen, ‘J’attendrai’, meen ik mij te herinneren. Dat speelde hij zo vaak dat ik al gauw geeuwerig werd van Franse liederen en van valse musette in het bijzonder. Echter, als ik nu zulke deuntjes hoor smelt mijn hart en zie ik meteen mijn vader voor me als een soort van Jean Gabin met Arletty in zijn armen. Hij kon mooi fluiten, wat mij altijd weer ontroerde. Fluiten, roken, de blik in zijn ogen, verhalen over de oorlog, over zijn krijgsgevangenschap en zijn kleine heldendaden in het verzet. Vreemd genoeg was er in vaders verhalen meer fascinatie voor de vijand dan voor de vriend. Ik heb hem nooit iets horen vertellen over de Engelsen, Canadezen en Amerikanen, maar wel over de Duitsers en de Oostenrijkers. Vooral over de Oostenrijke boerendochters kon hij urenlang doorgaan; hij was een jaar lang krijgsgevangene geweest niet ver van Innsbrück. Mijn fascinatie voor alles wat Midden-Europees is komt van hem, denk ik nu, van wat hij vertelde aan andere schippers op lange zomeravonden, als er licht bier werd gedronken en veel gelachen. De vrouwen bevestigden wat werd gezegd, hun schaars commentaar leek op een modern Grieks koor, zonder drama, zonder tragische implicaties. Later zag ik zulke situaties terug in films van Rainer Werner Fassbinder, de regisseur die deze periode het best in beeld heeft gebracht. En hoe het zo ver gekomen is zie je in zijn ‘Berlin Alexanderplatz’, een van de grootste films van de twintigste eeuw, met een geweldige, bijzonder sentimentele soundtrack. En in ‘Heimat’, van Edgar Reitz. Kijk, hier heb je al mijn gehechtheid aan Duitsland, maar het is in mijn ogen net dat Duitsland dat de nazi’s wilden uitroeien, waar ze – en dat is de tragedie – gedeeltelijk in geslaagd zijn.

Wij hadden zo’n grote lampenradio aan boord, met korte, midden- en lange golf. Voor mij was die radio een andere wereld, magisch, mysterieus, onbereikbaar. De namen van de zenders alleen al waren toverformules, Beograd, Hilversum, Moskwa, Istanbul, Belgrado, Luxembourg, Beromünster… Onder meer Sam Shepard, John Cale en Van Morrison hebben daar ontroerend over geschreven en gecomponeerd. Luister maar eens naar John Cales ‘Risé, Sam and Rimsky-Korsakov’, op tekst van Sam Shepard, een man in wie ik me vanwege die emotionele kwaliteiten herken. Risé, de toenmalige vrouw van John Cale, reciteert de tekst en het timbre en de kleur van haar stem doen me altijd weer terugdenken aan mijn kinderjaren, toen de radio een boodschapper van een ander sterrenstelsel voor me was.

De radio was voor mij als kind vooral een taal- geluidsfenomeen. Ik luisterde vaak, vooral als het donker was, naar de vreemde klanken die uit de luidspreker kwamen als je aan de zenderknop draaide. Het waren klanken uit die vreemde wereld ergens in het verleden verdwenen, maar eveneens uit de toekomst opdoemend en voor mij als kind en nu nog altijd verwant aan de wetenschap, die in de verte een geheim was dat moest worden ontsluierd. Sindsdien is er wat dat betreft weinig veranderd. Hoeveel we ook mogen weten over DNA, kanker en de big bang. De flarden gesproken woord die ik hoorde, in onverstaanbare talen, meestal waren het vrouwenstemmen, gaven me zin om in de radio te kruipen en op zoek te gaan naar de mysterieuze steden en landen van waar die klanken de ruimte in werden gestuurd. Meestal was er op de achtergrond het rumoer van de wind op het water, de Schelde, de Maas, het Albertkanaal, het gedaver van de scheepsmotor en de chaotische geluiden van de activiteiten in de havens waar we aanmeerden en het schip werd gelost en geladen.

Maar hoe kwam ik dan in aanraking met rock & roll en hoe is het zo ver gekomen dat ik nu naar concerten van Emmylou Harris en the Flaming Lips ga? Daar moet ik nog wat over nadenken, de volgende dagen lees je er meer over. Ik weet wel al zeker dat ik het over vonken zal hebben. En spatten. De poëzie van Meister Eckhart en de schilderijen van Jackson Pollock.

vader1.jpg

28-05-14

MANUSCRIPT GEVONDEN IN EEN WANDKAST

mods.jpg

Korte tijd geleden vond ik in een wandkast de chronologie die hieronder staat terug. Het lijkt me interessant om daar de volgende weken wat dieper op in te gaan. Mocht ik er de energie voor vinden, want de voorbije dagen hebben me zo uitgeput, ook al heb ik niets gedaan, werkelijk niets, zo weinig dat ik alleen nog maar zin heb om ergens, om het even waar, te gaan liggen en te slapen. Of eerst verschillende soorten bier, Gordon’s Finest Gold, Krusovice, gele Chimay, Cruzcampo, et cetera,  te drinken en dan te gaan liggen, ook al heb ik nog een dak boven het hoofd en dergelijke. Dus hier thuis kijken wat er nog in de koelkast zit en dat dan uitdrinken tot ik er bij neerval, wat ik in ‘normale omstandigheden’ nooit doe. Ik ga altijd liggen. En als ik niet kan gaan liggen dan speel ik drie akkoorden op m’n gitaar, slik een bromazepam en ga dan liggen. Dat lukt meestal wel. Maar een mens wordt altijd weer wakker. Soms zegt hij dan helaas, soms, hé wat goed, weer een nieuwe dag.

Als ik er iets mee ga doen, met die notities, dan zal het in muzikale zin zijn. Hoe ben ik doorheen de jaren tot de muziek gekomen waar ik nu van houd, of waarvoor ik nog uit mijn zetel kom om een of andere geluidsdrager in gang te zetten, en voldoende luid, zonder enige rekening te houden met de buren, zodat ik er al bij al nog enig plezier aan kan beleven?

Mijn terugblik zal dan, anders dan het teruggevonden overzichtje, naar voor 1965 moeten gaan. Ik geloof dat ik min of meer bewust naar muziek ben gaan luisteren toen ik zes was, in 1956. Niet dat ik zo snel was: mijn broer François is zeven jaar ouder. Door hem ben ik in aanraking gekomen met rock & roll. Daarna zijn we vijanden geworden: hij had een afkeer van the Beatles, the Rolling Stones en vooral van lange haren. Heel belangrijk om wat ik de volgende dagen over mijn ‘muzikale ontwikkeling’ al dan niet ga schrijven te begrijpen. Of niet? Want het was een broederschap, maar tegelijk was het al een generatieclash, veel meer dan met mijn ouders.

De teruggevonden chronologie (dat is toch al een begin):

1965
Zomer: door scholen georganiseerde reis naar Zwitserland (Broc, Vevey, Lausanne). Eenzaam, gepest. Wegens allergie niet mee naar Le dent de Broc. Salut les copains. Bob Dylan, Barry McGuire. The Byrds. Jasjes en hemden.

1966
Parijs (schoolreis). Flipperkasten, the Rolling Stones, Michel Polnareff, Françoise Hardy, the Troggs, Jacques Dutronc. Gestreepte broeken.

1967
Londen (schoolreis). Sgt. Pepper’s in de etalages. Dronken van bier en gin. Jan De Pooter. Jimi Hendrix Experience. The Outsiders. Fluwelen jas, sjaaltjes, zonnebrillen, Roger McGuinn. John Lennon.

1968
Jazz Bilzen, Barbarella, Pink Floyd in het Pannenhuis, liefde. Garelli brommer. Gitaren. Antwerpen.

1969
Films, Henry Miller, Easy Rider, nieuwe vrienden, Brussel, Pink Floyd, Yes, Buck Owens, blote voeten. Incredible String Band, Fred Neil, John Hartford, Tim Hardin.

1970
Aken (popfestival). De politie tegen mijn meisje V. in microjurk, “haben sie eine Hose?” In slaap gevallen bij Pink Floyd. Een halve kilo shit onder onze slaapzak gevonden. Amsterdam. Neil Young. Gram Parsons.

1971 en 1972 ontbreken (huiselijk geluk).

1973
Geelzucht in augustus. ‘A la recherche’ gelezen.  Geen muziek, behalve Steely Dan’s ‘Countdown to Ecstasy’.
September: Hele maand in Villa den Uil in Oostduinkerke, met mijn vrouw, mijn zoon Jesse, Flor, Leo en Vera. We luisteren alleen maar naar ‘Pat Garrett & Billy the Kid’ en roken joints. Gesprekken over astrologie en politiek. Het verlangen naar een commune en seks met iedereen die ons bevalt.

 

rollingstones1.jpg

28-04-14

DE ANATOMIELES VAN DOCTOR NICOLAES TULP

 

The_Anatomy_Lesson.jpg

Ik was al een heel eind gevorderd in ‘De ringen van Saturnus’, het eigenzinnige verslag van een pelgrimage door het Oost-Engelse graafschap Suffolk, met onverwachte zijsprongen naar bijzondere momenten in de wereldgeschiedenis, naar ongewone aspecten van het dagelijks leven, naar zonderlinge personen, naar vergeten wetenschappers en schrijvers, evenals naar grote voorbeelden als Flaubert, Jorge Luis Borges, Descartes en Joseph Conrad, eer ik me afvroeg wanneer nu eindelijk Hölderlin aan bod zou komen. Want ik wist dat dat zou gebeuren: het gaat bij zo’n weten bijna altijd om een sterk aanvoelen, een vermoeden; ‘Ahnung’ is een woord dat Hölderlin zelf graag gebruikt, vooral dichters hebben zulke sterke vermoedens, voorgevoelens, bijvoorbeeld van ‘het heilige’.

Een dag voor ik ‘De ringen van Saturnus’ begon te lezen had ik de Duitse film ‘Barbara’ van Christian Petzold gezien, met de mooie en geweldige actrice Nina Hoss. Het verhaal vertelt de geschiedenis van een vrouwelijke arts die Oost-Duitsland wil verlaten maar daar door een aantal pijnlijke voorvallen – en door verliefdheid – niet in slaagt. De film bevat meerdere lagen, de laag van ‘The Adventures Of Huckleberry Finn’, die van ‘De anatomieles van doctor Nicolaes Tulp’ van Rembrandt, en is doordrongen van paranoia, achterdocht, verraad, pijn, ziekte en liefde.
NINA HOSS2.jpg

Op pagina twintig van ‘De ringen van Saturnus’ las ik over Thomas Browne, die in Leiden de graad van doctor in de geneeskunde behaalde. Tot mijn grote verbazing vermeldt Sebald daar dat Browne zeer waarschijnlijk bij de anatomieles van doctor Nicolaes Tulp, zoals vereeuwigd door Rembrandt, aanwezig was. Op de volgende twee bladzijden trof ik een reproductie aan van het werk, zoals er ook een in het laboratorium in ‘Barbara’ aan de wand hing. Net als de collega van Barbara – een verklikker voor de Stasi – gaat Sebald dieper in op het werk, vooral op de ongerijmdheden ervan.

Dat Sebald wat later aandacht schenkt aan Borges’ ‘Boek van de denkbeeldige wezens’, een van de werken die ik koesterde toen ik nog veel moest leren, verbaast mij al niet meer. Ik lees door en laat me verrassen, door elke zin, door elk woord.

Ik was al een heel eind gevorderd en dacht nauwelijks nog aan Hölderlin. Op pagina 178 begeeft Sebald zich naar het plaatsje Middleton, waar hij de schrijver Michael Hamburger wilde opzoeken, die daar toen al bijna twintig jaar woonde. Michael Hamburger is me niet onbekend: ik las zijn werk over moderne poëzie ‘The Truth Of Poetry’ in dezelfde periode als ‘Het boek van de denkbeeldige wezens’ en wist dat het hier nog ergens moest rondslingeren. Het bevond zich helemaal op de laagste plank van een rek in de donkerste hoek van mijn kamer. Eerst moest ik een stapel tijdschriften opzijschuiven, waaronder een exemplaar van ‘Photo’ met een zich masturberende Madonna op de kaft. De foto’s – uit haar boek ‘Sex’ - zegden mij niets meer, ze waren hopeloos gedateerd. Hadden ze mij ooit opgewonden? J’aime ma chatte. Parfois je contemple dans la glace quand je me déshabille en me demandant à quoi elle ressemblerait sans plus de poils que quand j’étais bébé?
madonna sex2.jpg

Ik las de korte biografie in de Pelican-uitgave van Michael Hamburger. Net als Sebald een émigré woonachtig in Groot-Brittannië, maar van een oudere generatie. In 1933 uit Duitsland gevlucht. Docent aan de universiteiten van Londen en Reading, dichter, vertaler van Baudelaire en Hölderlin. Nu zouden we het krijgen… Op pagina 184 bij Sebald las ik: “Dagen- en wekenlang breek je je tevergeefs het hoofd, je zou geen antwoord weten op de vraag of je blijft schrijven uit gewoonte of uit geldingsdrang, of omdat je niets anders geleerd hebt, of uit verwondering over het leven, uit waarheidsliefde, uit wanhoop of verontwaardiging, en ook zou je niet kunnen zeggen of je van het schrijven nu wijzer of dwazer wordt.” Hier kan alleen maar een excursie naar de wereld van Hölderlin op volgen, naar de man die zijn brieven unterthänigst ondertekent met de naam Scardanelli, met zijn zeer geciviliseerde gasten die hem als een zeldzaam dier in een kooi gevangen kwamen begluren en hem desondanks aanspraken met Uwe Hoogheid en Majesteit. En Sebald besluit dit stuk met: “Welke tijdspanne kunnen geestverwantschappen en analogieën overbruggen? Hoe komt het dat je in een ander mens jezelf ziet en zo niet jezelf, dan toch je voorganger?”

michael hamburger.jpg

Een dag later las ik het fragment over het schrijven voor aan mijn psychiater. Ik geloof dat het de eerste keer was – sinds augustus 1997 – dat ik haar iets voorlas. De hele context en reikwijdte scheen ze niet te bevatten. Ik geloof niet dat ze Sebald, Hölderlin, Borges, kent. Maar ze weet alles over duizelingen en wanhoop. Ik besef nu wel dat schrijven voor jou existentieel is, zei ze. Schrijven is je identiteit, zei ze. Dat vond ik goed, dat iemand die ik zo goed ken en tegelijk helemaal niet ken me zei dat schrijven mijn identiteit is. Maar wat maakte me dat opeens bang.

 

19-03-14

TERUG NAAR VERONA

Verona_Italy_San_Anastasia.JPG

“Schrik onttrekt de levenssappen aan het bloed.”
Giacomo Casanova

Vreemd is het je duizelig te voelen als je al in bed ligt. Het overkomt me vaker. Daarom hoeft het niet te verbazen dat ik de voorbije nacht in die gesteldheid lag te lezen in ‘Duizelingen’ van W.G. Sebald, alweer een magistraal boek. Mijn duizeligheid en koorts hebben niets te maken met de titel van het werk of de toestand van de verteller. Ik weet niet wat er met me aan de hand is en misschien wil ik het ook niet weten. Het is iets periodieks, zoals maanziekte, en begint met een koortsaanval, hoofdpijn en, na anderhalf uur slaap, overvloedig transpireren. Meestal duurt het een tweetal dagen, ik voel me dan zwak, moe en moet me erg inspannen om te kunnen lezen. Gelukkig ben ik al altijd hersteld van zulke toch enigszins beangstigende aanvallen.

Los daarvan is het werk van Sebald toch ook al duizelingwekkend. Ongeveer elk woord of toch elke zin die erin voorkomt geeft me zin in iets. Lees ik de naam van een Weense straat wil ik daar ook ronddolen of verdwalen; een nummer van een bepaalde tramlijn geeft me goesting om in die tram te zitten; ik wil opnieuw naar Venetië, niet zozeer uit nostalgie, bijvoorbeeld naar de hotels waar ik ooit verbleef, maar naar de plaatsen en vervoermiddelen die Sebald vermeldt, zoals een bar aan de Riva degli Schiavoni, of een boot die voorbij het eiland vaart waar de lijken worden verbrand, “een doodstil betonnen gebouw onder een rookpluim”, en later wil ik er de volledige memoires van Casanova herlezen, niet alleen het deel over zijn ontsnapping uit de Piombi*.
1977-munchen 001.jpg

Soms komt er wel nostalgie naar boven. Als Sebald (of de verteller) zijn treinreis van Wenen naar Venetië beschrijft, meer hallucinatie dan waarneming, denk ik zelf terug aan een nacht op de trein van München naar Verona (op weg naar Rome via Pisa en San Giuliano). Veel details herinner ik er mij niet van, alleen dat het in juli 1977 was. Ook zie ik meteen de groene kaft van Aeschylus’ ‘Tragediën” voor me, waarin ik die nacht heb zitten lezen. Wacht, ik ga het boek even zoeken. Ik zie nu dat ik veel onderlijnd heb in ‘Prometheus geboeid’. Zoals

“Want in de tirannie zit deze ziektekiem
Dat zij zelfs in haar vrienden geen vertrouwen stelt.”
aeschylus 001.jpg

Nu herinner ik me eveneens dat Aeschylus in mijn rugzak zat omdat ik in die periode Shelleys ‘Prometheus Unbound’ aan het bestuderen was. Soms dommelde ik in en droomde van de mooie Antwerpse meisjes, waarbij het geschommel van de trein nogal wat lustgevoelens bij me opwekte. Eens de zon was opgekomen, omstreeks halfzes, zag ik voor het eerst het betoverende landschap van Noord-Italië; de wild stromende Adige liet mijn aandacht niet meer los tot de trein het station van Verona binnenreed. Het was nog vroeg toen ik mijn intrek nam in hotel Aurora. In die tijd reserveerde ik nog geen kamers maar ging op goed geluk op zoek naar een betaalbaar verblijf. Dit hotel, of misschien was het een albergo, trok me meteen aan omdat het dezelfde naam had als het filosofisch tijdschrift waar ik in die dagen voor werkte. Omdat de kamer nog niet vrij was maakte ik een wandeling naar het Palazzo Giusti, met de bijzonder mooie tuin in late renaissancestijl. Ik vermoed dat ik over de tuin gelezen had bij Goethe of het kan ook bij Nabokov geweest zijn (in wiens labyrint ik in die jaren opgesloten zat). 

1977-verona 001.jpg

 

1977-verona2 001 (2).jpg

Het vreemde is dat ik bijna niets bewaard heb van dat verblijf in Verona en er ook niets over heb geschreven. Het enige** wat ik nog bezit is een stadsplan en toegangsbiljetten – van mij en mijn levensgezellin, met wie ik deze, en tientallen andere reizen maakte - voor de Giardino Giusti, identiek dezelfde als de kopie ervan in het boek van Sebald. Alleen de nummers verschillen – en alleen daaruit zou je kunnen afleiden dat ik er eerder geweest ben dan de Duitse auteur (of de verteller van het verhaal). En zo kom ik vanuit een nostalgische dagdroom toch weer bij de zinnen van de schrijver uit, die me zo’n zin geven in alles. En zo stel ik vast dat je nooit uit het labyrint ontsnapt, hoeveel je ook aan de Minotaurus offert, hoezeer ook Ariadne je genegen is.

Verona_Italy_San_Anastasia.JPG

 

*Deel vier van de uitstekende Nederlandse vertaling door Theo Kars.

** Alleen deze wat infantiele notitie, geschreven tijdens of na een bezoek aan Sant’Anastasia: “Marmer dat nog tot leven komt… Het is warm, de huizen schitteren, trillen als klinkers. Het volk is moe en lacht en hoest. In Sant’Anastasia gaat het bidden door, je hoort de echo van een oudere tijd, bijna zoals die van het water in de Adige. Maar in tegenstelling tot dat kalmerend geruis heeft het bidden een macabere klank. Niet eens de klank van wapengekletter, en zeker niet van stroomversnelling of waterval. Is het niet de klank van mensen die sterven gaan?”

14-03-14

THERAPIE, BOEKEN, THERESIENSTADT

IMG_7100.JPG

IMG_7101.JPG

 

Na een sessie bij mijn therapeut, een keer per week, voel ik bijna elke keer een innerlijke dwang om boeken of muziek te gaan kopen. Gelukkig voor mijn budget zijn die sessies niet altijd overdag en 's avonds zijn ze net zo gezellig, alleen wat gevaarlijker.
Gisteren kwam ik thuis met onder meer enkele zeldzame oude boekjes uit de bibliotheek van een overleden baron. In de Pêle-Mêle in Brussel, voornamelijk Franstalig, vind je soms wel eens van die juweeltjes, en dat voor een prikje. Er is ook een muziekafdeling. Daar kocht ik twee nieuw uitgegeven platen van Sandie Shaw, waaronder ‘Hello Angel’, waarop ze begeleid wordt door the Smiths. Een ding is duidelijk: Sandie Shaw haalt nooit het niveau van Dusty. Ik las dat ze een keer met Jimi Hendrix naar bed is geweest, en dat ze beter kon dansen dan Tom Jones, ook al deed ze het op blote voeten. Ze denkt dat ze in Europa – daarmee bedoelt ze de hele beschaafde wereld die niet tot het Verenigd Koninkrijk behoort – populair was vanwege haar minirokken en kapsel en in Engeland vanwege haar popmuziek.

Het is duidelijk dat ik geblokkeerd ben, al een hele tijd. Ik heb geen zin om te schrijven, ik heb geen zin in seks, ik vind niets de moeite waard. ’s Morgens sta ik vroeg op en voor ik het weet is het weer avond en kijk ik naar een film die me niet echt interesseert. Een vliegtuig verdwijnt van de radar en wij ademen het fijn stof in. Alleen films in de bioscoop doen me soms nog iets, zoals vorige maandag ‘Nebraska’ van Alexander Payne, vijftig tinten écht grijs. Zo ontroerend en reëel en droef en toch bijzonder grappig ook. Ja, in de bioscoop kom ik weer tot leven, daar vind ik mezelf terug.

theresienstadt 001.jpg


Over 'Requiem Theresienstadt' (1963)* van de Tsjechische auteur Josef Bor valt heel wat te vertellen. Ik wist maar heel weinig over wat zich daar in Terezin heeft afgespeeld. W.G. Sebald gaat er in 'Austerlitz' - een meesterlijke roman - dieper op in. Er staan foto's bij, niet eens van slachtoffers, maar van gebouwen, poorten, deuren, die je elke lust in wat dan ook ontnemen. Gisteren, in de Pêle-Mêle sloeg ik het boekje van Josef Bor open en las dit:
"Het belangrijkste camouflage-project, het grote verzamelkamp 'Ghetto Theresienstadt', tot dusver een oord van leed, honger en dood, werd in slechts enkele weken tijds omgebouwd tot en opgetuigd als een gigantisch filmdecor, klaar voor het op een na laatste bedrijf van de Theresienstadt-tragedie. Volgens het draaiboek van Eichman maakten ook levende mensen deel uit van dit decor. En zij begonnen te geloven, te hopen en te leven."

...

*Nederlandse vertaling: 1965. Er werden honderd exemplaren van gedrukt op Boston Tekst Vergé. Mijn exemplaar kreeg nummer 86.

Foto's: Martin Pulaski.

03-03-14

TERUGKEER NAAR MARIENBAD

Last year at Marienbad8 (2).jpg

Alain Resnais is dood. Gisteren wilde ik een in memoriam schrijven, maar toen herinnerde ik me dat ik al een tijd geleden besloten heb dat nooit meer te doen. Er wordt te veel gestorven, niet alleen door beroemdheden en grote kunstenaars als Resnais, maar door mensen, dieren en planten in het algemeen. Het idee dat het doel van het leven de dood is, dat is zo absurd en, wat mij betreft, onaanvaardbaar. Van Alain Resnais zou je kunnen zeggen: mooie leeftijd, zo oud wil ik ook wel worden. Maar dat is onzin, alleen al omdat leeftijd relatief is. En zeker ook omdat tijd relatief is. Je zou zelfs kunnen beweren dat tijd niet bestaat, tenzij als instrument om de natuur aan ons te onderwerpen. De natuur om ons heen en de natuur in ons.

alain-resnais.jpg


Slechts op Facebook schreef ik iets korts om mijn respect voor Alain Resnais, voor zijn films, uit te drukken. Dat doe ik nu wel vaker als iemand overleden is die me in een of ander opzicht dierbaar is of belangrijk voor me is geweest. Dit waren mijn woorden:  “Een van mijn uitverkoren films*. De tijd, de bedrieglijkheid van het geheugen. Vanwege het 'Marienbad' in de titel ben ik ooit helemaal naar Mariánské Lázně gelift, nog voor de val van de muur en de fluwelen revolutie. De film is daar echter helemaal niet gedraaid. En ik kwam veel te laat, alles was er vervallen, lelijk zelfs. Nu lees ik over die stad in 'Austerlitz' van Sebald. De tijd staat niet stil, alles hangt samen, Alain Resnais is dood.”

Wat later besefte ik dat mijn eigen geheugen me bedrogen had. Mijn reis naar Mariánské Lázně in de zomer van 1989 kwam me opeens weer helder voor de geest. Ik had helemaal niet gelift. Uitgeput van langdurig astma ten gevolge van een combinatie van overvloedig stof in een ministeriekantoor en aanhoudende hitte was ik in het gezelschap van mijn geliefde, onzeker of ik mijn bestemming wel levend zou bereiken, in Brussel op de nachttrein naar Neurenberg gestapt. Daar vertrok al vroeg in de ochtend een trein naar Marienbad. Ik herinner me die treinrit nog levendig, vooral de taferelen die zich voordeden bij de halte in de grensstad Cheb – niets prettigs. De aankomst in Mariánské Lázně was een teleurstelling, maar had ook iets vrolijks. Van het Marienbad uit de film van Resnais was niets te zien, maar de stad was wel op een heerlijke manier vervallen, iets wat me in die dagen erg beviel. We mochten voor een spotprijs overnachten in een immens herenhuis uit de negentiende eeuw, in een ruim maar muf en ook al stofferig vertrek. Toch was ik, je zou het bijna miraculeus kunnen noemen, toen ik de volgende ochtend uit bed stapte helemaal genezen.
Het ooit zo luxueuze kuuroord leek in 1989 nog sterk op de beschrijving die het personage Austerlitz in ‘Austerlitz’ van W.G. Sebald er van geeft, terwijl hij er toch al in augustus 1972 verbleef. Voor lezers die er meer over willen weten verwijs ik naar dit geweldige boek. Een beter beeld van de stad vind je nergens anders.

Wat heeft dit nu met de dood van Alain Resnais te maken? Gaat het alleen maar om de plaatsnaam? Toch niet. Er is ook het beleven van de tijd, het verleden dat heden wordt en het heden verleden, de tijd van het verval en het verval van de tijd. Er is de herinnering en hoe de herinnering je vaak bedriegt. Enigszins grappig en ook typisch is dat ik in 1989 de tijd die in de titel verstrijkt, heb genegeerd. Want het is toch vorig jaar in Marienbad, niet nu, in 1989? Mijn reis in de ruimte was dus zinloos, ik had in de tijd moeten reizen, naar vorig jaar in Marienbad.

resnaistoute-la-memoire-du-monde-1956-02-g.jpg

Gisteravond zag ik nog een keer ‘Hiroshima mon amour’, Resnais’ eerste speelfilm, in samenwerking met Marguerite Duras, de vrouw van de herhaling. Wat is dat bij haar een mooi stijlmiddel, en in dit geval ook bij Resnais. En zeker de herhaling van de plaatsnamen, Hiroshima, Nevers, Hiroshima, Nevers. En wat is dit meesterwerk van Resnais een verbluffende weerlegging van de lineaire tijd. Daarna zag ik nog een documentaire over de film en over wat eraan voorafging, onder meer de indrukwekkende documentaire ‘Nuit et brouillard’ (1955) over Auschwitz, en ‘Toute la mémoire du monde’ (1956) over de Bibliothèque nationale de France. Een uurtje of zo later las ik nog wat in ‘Austerlitz’ (het is een boek dat je best traag leest). Het hoofdpersonage woont nu in Parijs. Eigenlijk zou het me niet meer mogen verbazen want het overkomt me zo vaak, maar toch verbaasde het me: een van de eerste tekstgedeelten – paragrafen zijn er niet – die ik las betreft die bibliotheek en alsof dat nog niet volstaat vermeldt Austerlitz, of de auteur, W.G. Sebald, de documentaire van Alain Resnais, ‘Toute la mémoire du monde’ en geeft er een korte beschrijving van.


Midden in de nacht werd ik badend in het zweet wakker. Ik had gedroomd dat ik aan mijn geliefde vertelde hoe bang ik als kind was geweest voor de oorlog. En terwijl ik in mijn droom over die angst vertelde had hij zich, zoals hij in mijn kinderjaren werkelijk was, met dezelfde gruwelijke intensiteit, gemanifesteerd.

... 

 

*Ik had het over ‘L’année dernière à Marienbad’.

15-01-14

TESTAMENT

philbloomhoeplatv1967.jpg

“Vreemd is het leven toch, die geheimzinnige, genadeloos logische opeenvolging van gebeurtenissen, die nergens toe leiden. Het beste dat ervan te hopen valt, is dat je iets over jezelf leert – en dat komt dan te laat; je houdt er alleen een flinke dosis onuitwisbare spijtgevoelens aan over.”
Joseph Conrad, Hart der duisternis.

Begin negentienzevenenzestig richtte ik samen met enkele vrienden (Jan De Pooter, Henry Janssen, Guy Bleus, Luc Verjans) een alternatief schooltijdschrift op. De naam, Testament, had ik van Boudewijn De Groot/Lennart Nijgh, de vorm vonden we bij Nederlandse provotijdschriften, met hun typische afmetingen van 13,75 op 10,5 cm. Qua stijl was het een megelmoes van pop, pulp, jeugdpuistjespoëzie en flauwe humor. Inhoudelijk stelde het tijdschrift niet erg veel voor. Niemand van ons was een groot literator of een diep denker. Dat kon moeilijk anders, jong en naïef als we waren kenden we ternauwernood Rimbaud; van Baudelaire hadden we een beetje een afkeer omdat we zijn ‘Les aveugles’ – “Ils sont vraiment affreux… et cetera” - uit het hoofd moesten kennen. Nogal wat teksten schreven we over uit poptijdschriften als teenbeat, muziek express en tiq, waarin de dichteres Elly De Waard debuteerde.
als een jonge hond 001 (2).jpg

Toch zat er ook iets van onszelf in het blad, onze hoop, onze verwachtingen, onze dagdromen, ons geloof in een betere wereld, in wereldvrede, en bovenal onze liefde voor (alternatieve) popmuziek. Als onvoorwaardelijke bewonderaar van Bob Dylan was ik Dylan Thomas gaan lezen. Hugo Claus had zijn verhalenbundel ‘Als een jonge hond’ (‘Portrait Of The Artist As A Young Dog’) vertaald. Ik heb het mooi uitgegeven Zwarte Beertje hier nu voor me liggen, evenals alle exemplaren van Testament, met uitzondering van het eerste. Is dat wel verschenen, vraag ik me nu af? Zijn we niet meteen met nummer twee begonnen? Overigens veranderde het tijdschrift net zo snel als de tijdsgeest en als wij. Ook de titel veranderde meermaals. In 1968 heette het al Subterranean, nog wat later Sunshine World Magazine. In 1969, toen ik de middelbare school verliet en in Brussel film ging studeren, hield ik het voor bekeken. Mijn vriend Guy Bleus heeft op z’n minst nog een aflevering (Subterranean 2) uitgegeven.
1967a 001.jpg

In de vergeelde tijdschriften, met covers van Guy Bleus en Jan De Pooter, durf ik ternauwernood bladeren. De gedichten die ik schreef waren in weerwil van mijn ‘omgang’ met Dylan Thomas en Hugo Claus beneden alle peil. In die dagen dacht ik echter dat ze geniaal waren. Hoe naïef kun je zijn! Mijn platenbesprekingen waren aaneenschakelingen van clichés, en ga zo maar door. We kopieerden ook zomaar fragmenten uit boeken van pulpschrijvers als Leslie Charteris (“The Saint”). Over de grappen van occasionele medewerkers wil ik het al helemaal niet hebben. Gelukkig was ik zelf helemaal niet grappig, integendeel: ik had een grondige afkeer van ‘moppen tappen’. Het leven was dan wel mooi en groovy en pow wow wow, maar tegelijk ook door en door ernstig.

testament 001.jpgNaast de schaamte is er ook trots. Ik schreef gedichten en proza geïnspireerd door Edgar Allan Poe en Louis Paul Boon, mijn vrienden en ik bewonderden de nieuwe stromingen in de popmuziek, de underground. We luisterden naar Radio London en Superclean Dream Machine, we keken naar televisieprogramma's op VPRO (wie herinnert zich niet de mooie blote Phil Bloom) en zeker ook naar het bijzonder hippe Duitse Beat-Club, we lazen provotijdschriften, we lazen de boeken waar in de klas niet over gesproken werd, werken van Simon Vinkenoog, Hugo Raes, Jan Wolkers, Henry Miller, Louis Paul Boon en Franz Kafka. Onze bijbel was evenwel het Nederlandse tijdschrift Hitweek/Witheek/Aloha. Al die dingen waren nieuw en ongewoon in het brave Limburg, Vlaanderen, België.

Er waren, dachten we, weinig gelijkgezinde zielen, tenzij hier en daar aan de universiteiten, maar daar hadden we helaas geen contact mee. Ons tijdschrift zat in dezelfde stroming als Jazz Bilzen, vooral de editie van 1968, die helemaal in het teken stond van underground en progressieve rock. Ja, hoe naïef en stuntelig ook, we waren voorlopers van wat later de ‘swinging sixties’ en ‘mei ‘68’ zou worden genoemd. Voor ons, een vijftal vrienden, waren die sixties wel swingend, maar de meeste andere leerlingen waren al druk bezig met zich voor te bereiden op een carrière als tandarts, ingenieur, leraar aardrijkskunde of wiskunde. Een beetje zoals in Bob Dylan's 'Tangled Up In Blue'. Wij droomden van een leven als zwervers, als schooiers, als kunstenaars, als dichters, als verlichte nietsnutten. Een droom die gedoemd was te mislukken. Of toch niet?

 ...

 

De elpeehitparade uit Testament nummer vijf, november 1967:

1. The Piper At The Gates Of Dawn – Pink Floyd
2. Procol Harum – Procol Harum
3. The Doors – The Doors
4. Absolutely Free – The Mothers Of Invention
5. Surrealistic Pillow – Jefferson Airplane
6. Bee Geest 1st – Bee Gees
7. Love-In – Wally Tax
8. Are You Experienced? – Jimi Hendrix Experience
9. Da Capo – Love
10.Small Faces – Small Faces

smallfaces album.jpeg

Beelden: Phil Bloom in Hoepla (VPRO) met onder meer Simon Vinkenoog en Johnny The Selfkicker; 'Als een jonge hond' van Dylan Thomas vertaald door Hugo Claus; mijn vrienden en ik na de voorstelling van mijn toneelstuk 'De droom'; Testament nummer drie, maart 1967; The Small Faces op Immediate.

11-12-13

FOTOGRAFIE EN HERINNERING

diane-arbus-self-portrait-in-mirror-1945.jpg

Nu ik het toch over herinneringen en fotografie heb… En wanneer heb ik het eigenlijk niet over herinneringen? Als de herinneringen als vanzelf op het witte blad verschijnen, dan niet, dan zijn het herinneringen. En over fotografie? Dat zou ik eens moeten onderzoeken. Alleszins is de afbeelding van toen ik nog een kleine jongen was tot vandaag er altijd geweest, een evidentie, zoals water of een wiel. Ik schrijf nu ‘afbeelding’, maar ‘beeld’ zou beter zijn.

Maar terzake. Jaak Geerts, een facebookvriend, bezorgde me een link naar een artikel over het geheugen en de fotografie. De stelling daarin is dat een gebeurtenis – of object, persoon - fotograferen min of meer gelijkstaat aan ze vergeten. In een museum gaan twee personen van ongeveer dezelfde leeftijd naar een kunstwerk kijken. De ene maakt er een foto van, de andere observeert alleen maar. Een dag later blijkt de ‘fotograaf’ zich heel wat minder details te herinneren dan degene die slechts aandachtig gekeken heeft. Het is een kort en wat oppervlakkig stukje, maar het klopt wel, denk ik. Alleszins was precies dat de reden waarom ik lange tijd geen* fototoestel meenam op reis, of waar dan ook. Ik wilde alles zien zoals het was, het in mij opnemen, er mocht niets tussen mij en de ‘werkelijkheid’ staan. Als je een foto maakt schakel je je zintuigen uit, je wordt een verlengstuk van het toestel (en vice versa, dat dan weer wel). Je ziet op dat ogenblik niets. In mijn jeugdige overmoed was ik er bovendien zeker van dat ik me later alles nauwkeurig zou kunnen herinneren.

Toen ik ouder werd begon ik aan dat laatste te twijfelen. Was het toch niet beter om beelden te hebben als ‘geheugensteun’, als triggers? Erger nog: ik ging het betreuren dat ik van zoveel mooie dingen en gebeurtenissen in mijn leven geen enkel beeld bezat. Op een ongetwijfeld narcistische wijze beklaagde ik mezelf dat ik geen foto’s had van mijn geliefde in bikini (of was het monokini?) op het strand van Cannes in 1976, of van de lege straten van Firenze datzelfde jaar, of van de sfeer die er hing op het feest van de communistische krant ‘L’Unità’ in het centrum van Rome in 1979 (we mochten er zoveel goedkope rode wijn drinken als we maar konden). Foto’s van de mooiste jaren van ons leven, toen we er op z’n best uitzagen, toen we bijzonder ‘cool’ waren. Daar heb ik nu geen bewijzen van, hoe cool ik was in de jaren zeventig, verdomme toch!


Tot 1980 maakte ik maar zeer sporadisch foto’s. Bijna altijd binnenskamers, bijna altijd van personen, van een vrouw, liefst erotisch. Steeds met de camera van iemand anders. Ik had er zelf geen. Bijna altijd slecht belicht. Maar mooie foto’s… Daarna was er een overgangsperiode. Ik geloof dat foto’s maken me helemaal niet meer interesseerde. Ik ging ook niet meer op reis. We zaten in de kroegen, gingen dansen, maakten plezier om het plezier. Op een dag, ik geloof in 1989, onderging ik zoals Gregor Samsa een gedaanteverwisseling: ik werd wakker als toerist. Als een bezetene ben ik alles maar dan ook alles gaan fotograferen, meer nog toen ik op digitaal ben overgeschakeld. Maar mooi vond ik mijn foto’s niet meer. Het was allemaal veel te realistisch wat ik zag en stond daarom de realiteit in de weg.

dianearbus.jpg

Ik ben gek op foto’s van anderen. Ik geloof dat ik vooral van afbeeldingen houd van een werkelijkheid die niet de mijne is, waar ik geen toegang toe heb. Zoals die van Diane Arbus, maar zeker niet alleen die van haar. Er moet iets mysterieus op of onder de beelden te zien zijn, iets magisch, iets onverklaarbaars. Ik houd ook zeer van erotische foto’s, maar ze moeten buitengewoon goed zijn en ‘anders’. Die van Bettina Rheims bijvoorbeeld. De meisjes die zij fotografeert zijn onbereikbaar in hun bereikbaarheid. Ook een wereld waar ik geen toegang toe heb, al lijkt hij toch heel dichtbij. Als ik buiten ga en ik loop wat verder, eerste straat links, tweede rechts, voilà, daar heb je zo’n mooie jonge vrouw. Even later zit ik al bij haar op haar kamer en schenkt ze me een glas lekkere rode wijn in. Veel betere dan die op het ‘Festa de l’Unità’.

bettina_rheims_14.jpg


... 

*Financiële en praktische overwegingen laat ik nu liever buiten beschouwing.

Foto: Boven: Diane Arbus (Self-Portrait). Midden: Diane Arbus. Onder: Bettina Rheims.

DE VOGELS VAN CADAQUÉS

1934511673_2835f86cb6_o.jpg

De vogels van Cadaqués herinner ik me alsof ik er gisteren nog door verrast werd. Het was tijdens een eenzame maar bijzonder aangename wandeling over een rotsig pad net buiten het centrum van Cadaqués, waar mijn geliefde en ik in de jaren negentig meermaals verbleven. Opeens werd ik uit mijn gepeins opgeschrikt door die immense vlucht vogels, hoewel 'opgeschrikt' niet het juiste woord is, daarvoor was de ervaring bijna te sacraal, alleszins te ontzagwekkend. En ik had ook helemaal geen schrik. In die dagen was ik nog niet gewoon geraakt aan buitenshuis en op reis te fotograferen. Ik was daar eigenlijk tegen gekant. Fotograferen en reizen, dat ging moeilijk samen: een foto maken stond de rechtstreekse ervaring in de weg. Toch kon ik er niet aan weerstaan om dit ogenblik vast te leggen. De foto stelt technisch niets voor, maar het is een bewijs dat ik ik daar toen was, dat ik het gezien heb. Ik twijfel er evenwel niet aan dat ik me dit beeld ook zonder de afbeelding nog erg goed zou herinneren. Misschien zelfs beter. Maar dat weet ik nu niet, omdat de foto er is, en zelfs al vernietig ik hem, dan blijft er toch altijd nog de herinnering aan. Vervloekte foto!

Cadaqués was toen mooi en overdag erg rustig. Het huis van Dalí was er natuurlijk al, maar het was nog geen museum. Als je een kater had kon je naakt op de rotsen in de zon liggen bekomen. Overigens was het niet zo moeilijk om daar een kater te hebben. Er was een geweldige club, waar de hippies en de bohémiens kwamen, en nog een beetje 'beau monde' (want Mick Jagger en Dalí zelf en hun entourage hadden er rondgehangen) en er werd bijzondere dansbare pop en rock uit de sixties gedraaid, tot zonsopgang. Whisky en tequila kostten er nagenoeg niets. Toch verkoos ik de vogels van Cadaqués boven de bars en de nachtclubs. Zo gaat dat in het leven.

...

Foto: De vogels van Cadaqués, circa 30 juni 1995.

04-12-13

HET WONDERMIDDEL

Drunken_Ange2.png

Een waargebeurd verhaal, in een ziekenhuiskamer in Brussel.

Meer dan twee jaar later zou ik Kurosawa’s ‘Drunken Angel’  (酔いどれ天)opnieuw bekijken, een film over de intense en toch ook wel bizarre relatie tussen een aan de alcohol verslaafde arts en een aan tbc lijdende yakuzi Matsunaga. Mijn aandacht zou al vanaf de eerste beelden groot zijn, de film zou me in een roes brengen, bijna hypnotiseren. Als de goede dokter vraagt om wierook te gaan halen om de muggen waar hij zoveel last van heeft te verjagen zou ik me een hallucinatie herinneren die ik in de zomer van 2011, in een - onbewuste - strijd tegen de dood, meermaals had.

Vanuit mijn kamer keek ik uit op een plein omringd door wat vervallen flatgebouwen. Ik bevond me in een buitenwijk van Tokyo. Op het plein stond een hijskraan en er was een lange balk opgesteld, die wat leek op een balk in de gymles, maar veel groter. Elke dag kwamen er jonge Japanners, meisjes en jongens, een show voor me opvoeren. Ze haalden allerlei acrobatische toeren uit, misschien om me te vermaken, om me te helpen de tijd – waar ik me niet van bewust was – te doden; hun blikken waren ernstig. Nooit werd er gelachen. Ze herhaalden steeds weer dezelfde, bijna rituele handelingen. Toch keek ik altijd nieuwsgierig toe, vooral vanwege een van de meisjes, in vurige kleuren, dat me soms recht in de ogen keek als om me te troosten.

Verpleegsters kwamen mijn kamer binnen en gingen weer weg. Ik dacht aan een koel glas Manzanilla uit Sanlucar de Barrameda, aan een hele fles, maar mocht niet drinken. Helemaal niets, zelfs geen water. Dat vergat ik altijd. Ik kon moeilijk ademhalen, alsof ik maar een klein stuk van één long meer overhad, de rest verteerd door de tbc, een ziekte waar zoveel mooie liedjes over bestaan. De hoofdverpleegster, die in Woodstock nog met Jimi Hendrix had gejamd, kwam met een middel om mijn ademhaling minder moeizaam te maken. Ze hield iets wat op een wierookstokje leek onder mijn neusgaten; gretig inhaleerde ik de zoete rook. Het was een geur die ik nooit eerder geroken had. Heel even voelde ik minder pijn. Dan ging de hoofdverpleegster weer weg. Soms kwamen drie of vier verpleegsters mijn kamer binnen om me vast te binden. Mijn linkerarm zwol een keer zo erg op dat hij op een ballon leek, een heel zware ballon, groter dan mijn hele koortsige romp. Een van de verpleegsters was ook Japans. Tijdens een treinreis had ze met mij willen vrijen, maar ik vond haar niet aantrekkelijk. Sindsdien was ze altijd een beetje venijnig tegen me. Ja, ik maakte veel treinreizen in die dagen. Soms werd mijn wagon losgekoppeld. Ik bleef dan helemaal alleen achter: de verpleegsters gingen naar een party en ook een keer naar een optreden van Bruce Springsteen. Dan moest ik, mijn bed achter mij aanslepend over de sporen, weer in mijn kamer zien te raken.

Nu was ik verslaafd aan de rookstokjes. Als ik er niet van nam kon ik onmogelijk nog ademhalen. Ze waren het enige middel om me in leven te houden. De verpleegsters schenen dat niet te beseffen. Ze hadden het te druk met mij vast te binden of weer los te maken als ze zagen dat mijn arm te dik werd of zo.
’s Nachts moest ik daarom mijn kamer verlaten langs een geheime deur (of opening) achter mijn boekenkast. Ik moest dan alleen nog maar een smalle straat oversteken: daar was een felverlichte kroeg waar het zelden druk was. Meestal zat er niemand. Een oude vriend van me had zich vermomd als jeugdwerker. Hij zei dat hij destijds geneeskunde had gestudeerd, maar dat had ik nooit geweten. Hij wist van meet af aan heel goed wat ik nodig had. Kom maar mee naar mijn kamer, dan zal ik je helpen, zei hij. Hij woonde in een appartement vlakbij het café. Daar liet hij me muziek horen, the Doors en dergelijke, en gaf mij een dosis van de rook, zodat ik er weer even tegen kon.

 

Elke nacht begaf ik me naar de eenzame, trieste kroeg. Mijn oude vriend, Anton was zijn naam, werd almaar bitsiger. Met veel tegenzin hielp hij me nu uit de nood. Soms moest ik uren op hem wachten, zoals de junkie in ‘Waiting For My Man’. Ik zat daar dan helemaal alleen en miste mijn geliefde. Wat miste ik haar! Nog meer dan het wondermiddel miste ik haar. Ik spitse mijn oren. Opeens hoorde ik haar stem. Ik kon het niet geloven, maar toch was het waar. In de kamer boven mij lag ze op een bed, helemaal naakt en opgewonden. Ik begreep niet hoe ze zo opgewonden kon zijn terwijl ik de dood nabij was. Er was een man bij haar. Ze zei dat hij moest komen, op haar komen, in haar komen, lekker. Ze hijgde. Misschien was het wel Anton die haar zo bevredigde, daar was ik niet zeker van. Ik voelde hartkrampen en kon niet ademhalen. Het was een donkere nacht, geen maan, geen sterren. Alleen haar wellustig gehuil. En dan niets meer.

Ik ontwaakte tussen de stijve witte lakens met een tracheacanule in de keel. Zo zul je beter kunnen ademhalen, zei de hoofdverpleegster, en minder van het middel nodig hebben. Ik wilde haar nog vragen of ze echt met Jimi Hendrix had gejamd, maar er kwam geen geluid meer uit mijn strot. Ik was mijn stem kwijt. Ze hadden me mijn spraak afgenomen. Nadat ze mijn kamer had verlaten keek ik door het raam naar het grijze plein. De acrobaten waren er nog niet. 

dunken angel shimura-and-mifune.jpg

Afbeelding uit 'Drunken Angel' (1948), Akira Kurosawa.

01-12-13

GEZELLIG SAMENZIJN

polanski Carnage.jpg

In de zomer van 1975 beëindigde ik mijn licentiaatsverhandeling, een vanwege familiale omstandigheden moeizaam tot stand gekomen kritische studie van het gezin, met vooral veel aandacht voor het werk over dat thema van Friedrich Engels en Deleuze-Guattari, voor Hegels rechtsfilosofie en zijn beschouwingen over Antigone, en vooral voor de toen erg populaire anti-psychiatrie, met als boegbeelden Ronald Laing en David Cooper. Van het klassieke (en burgerlijke) gezin, het gezin als steunpilaar van een ontwrichte maatschappij,  liet ik geen spaander heel: mijn filosofische en literaire bronnen en de tijdsgeest gaven me daar alle gelegenheid toe. Tot mijn grote verbazing studeerde ik af met grote onderscheiding. Verbazing omdat ik vermoedde dat de meeste van onze professoren zelf in zo’n ‘burgerlijk’ gezin leefden. Ze zullen ruimdenkend geweest zijn. Enigszins onder dwang zette ik op dat ogenblik ook een punt achter mijn huwelijk, een beslissing die ik soms betreur, maar waar ik anderzijds ook een beetje trots op ben. ‘Practise what you preach’, was in die dagen immers een van de betere slogans. Maar treurnis noch trots zijn hier gepast: wat gebeurd is is gebeurd, er kan niets meer aan worden veranderd.

Graag zou ik mijn thesis nog eens herlezen, maar dat durf ik niet: stel je voor dat ik weer tot dezelfde conclusies kom. Wel zie ik dat een aantal van de kritische uitspraken die ik toen deed nog altijd kloppen. Ik twijfel er nog altijd niet aan dat kinderen en jongeren vaak de dupe zijn van ondoordachte uitspraken en handelingen van hun ouders, grootouders en andere familieleden. De gezinsmoraal – of het gebrek daaraan – is naast een in gebreke blijvend onderwijs meer dan eens de oorzaak van de wat de ontsporing van jonge mensen wordt genoemd. Zonder factoren als armoede en uitsluiting uit het oog te willen verliezen.

Nu wilde ik op deze mooie zondagochtend geen kort sociologisch essay schrijven. Eigenlijk zou ik het – in de reeks ‘genealogie’ - over Francis Bacon hebben, die me in dezelfde periode, het midden van de jaren zeventig, enkele flinke mokerslagen toediende, ja, die me aan het wankelen bracht – en vandaag wankel ik nog steeds. Maar eer ik het over een van de grootste schilders* van de twintigste eeuw kon hebben moest ik eerst even de toestand schetsen waarin ik me bevond toen ik helemaal open stond om hem in mijn wereld te ontvangen. Er was zeker een verband tussen die bliksemflits die Bacons werk was en wat ik hierboven geschreven heb over het gezin en over het einde van mijn huwelijk.

Voor ik aan een tekst begin zit ik meestal wat tijd te verknoeien met boeken te klasseren of wat orde te brengen in de bestanden op mijn harde schijven. Zo stootte ik op bovenstaande foto uit ‘Carnage’ van Roman Polanski, een mooi voorbeeld van een ontwricht gezin als steunpilaar van een ontwrichte samenleving. Waarmee nogmaals bewezen is dat het toeval mijn leven bepaalt. Maar wat is toeval?

flam vub.jpg

...

*samen met Nicholas de Staël, Max Beckmann, Giorgio Morandi, Lucian Freud en Anselm Kiefer.

Afbeeldingen: 

1. Carnage (2011), Roman Polanski
2. Leopold Flam aan de VUB, ik zit links op de tweede rij, met het hoofd in de handen. 

16-11-13

DE SLECHTE ONEINDIGHEID 3

IMG_4779.JPG

Ik krijg geen woord meer over mijn lippen, geen woord meer uit mijn pen, geen woord meer uit mijn klavier. Heb geen noten meer op mijn zang. Al mijn beelden staan stil. Aan bibberen en beven is een einde gekomen. Aan alle kleuren, aan wit en aan zwart. Aan fictie en aan politiek. Aan gedichten en slachtingen. Aan de Franse Revolutie en de kleine Johannes en vulkaanminnaars en Tristia en andere ballingschapsgedichten. Aan William Blake, Oscar Wilde en Van Morrison. Aan nachtwouden, maanbergen, het dak van de wereld, zenuwoorlog, misdaad en straf, toezicht en kamers met uitzicht, de seksuele revolutie en de geschiedenis van de waanzin. Aan het theater van de wreedheid, de grammatologie en al te intieme zonsopgangen. Aan drie mannen op weg naar een huwelijk of begrafenis. Aan het dagboek van een gek en de verkoop van dode zielen. De bloemen van het kwaad en het verloren paradijs. Aan kreten en gefluister, seizoenen in de hel, de liederen van de nachttripper, Liesje in Luiletterland, Rob Roy, Jimmie Reed, de Evangeliën, la vie de Jésus, een Spion in het huis van de liefde, de toekomst van een illusie, de fenomenologie van de geest en veel overwoekerde paden. Aan Hölderlin, Trakl en Celan. Aan talloos veel miljoenen. Aan Mozart, Beethoven en Phil Ochs. Aan de feesten van angst en pijn, aan diepe blues, rembetika, zydeco (les haricots sont pas salés), aan Paths of Glory en Fun in Acapulco. Aan het leven van Malcolm Lowry, Neal Casady en Arnold Schönberg. Aan the Beatles en het kapsel van de duivel op de heuvel. Aan de jacht op de walvis en de bende van de Stronk. Aan Daphne en Euridyke en Anna Domino. Aan al het ondermaanse, het vergankelijke en onvergankelijke. Aan verzamelingen, collecties, compilaties, naslagwerken, woordenboeken, grammatica, encyclopedieën, de Zohar, Zorba de Griek en de Apologie van Socrates. Aan Apocalypse Now en le Bonheur. Nee, geen woord meer, geen letter, geen noot, geen beeld: ik ben moe.

...

Foto: Martin Pulaski, 13 november 2013.

DE SLECHTE ONEINDIGHEID 2

IMG_4762.JPG

IMG_4770.JPG

IMG_4771.JPG

Foto's: Martin Pulaski

DE SLECHTE ONEINDIGHEID 1

IMG_4743.JPG

IMG_4754.JPG

IMG_4761.JPG

Foto's: Martin Pulaski

05-11-13

SANTA FE

santa fe 003.jpg

Voetnoot bij ‘Winter In Antwerpen’.

Ja, die Santa Fe Railway staat daar niet zomaar. Begin jaren negentig, ongeveer tien jaar na de periode waarin ‘Winter In Antwerpen’ gesitueerd is, zag ik die legendarische trein voor het eerst, ik geloof in Flagstaff. In die stad, niet ver van de Grand Canyon, bevindt zich een knap treinstation, dat in nogal wat films voorkomt, onder meer in ‘The Getaway’ van Sam Peckinpah. De treinen in de VS zijn vaak traag, ik vermoed ook de Santa Fe. Precies vanwege die dubbelzinnigheid (traag-snel) heb ik  ervoor gekozen. De snelheid van de nacht is ook zo dubbelzinnig. Als je in zo'n roesachtige toestand zit zoals de personages in mijn verhaal gaat alles snel en traag tegelijk. Maar Santa Fe heeft ook iets onvatbaars, zoals een winternacht. En tegelijk is het een verwijzing naar Americana, zoals bijna alles in het verhaal. 'Winter in Antwerpen' is mijn poging om een Amerikaans verhaal te schrijven, maar dan wel op z'n Antwerps. Al gaat het over Limburgse immigranten die in Brussel bevriend zijn geraakt.


...

Foto: Martin Pulaski - Santa Fe-treinen, Flagstaff, Arizona, 14 september 1993.