30-06-15

DE GEEST VAN EMILY DICKINSON*

emily-dickinson2.jpg

Voor Emily Dickinson en het Griekse volk.

Een ontmoeting met de geest van Emily Dickinson. Durf ik deze ervaring zo noemen? Een moeder met haar dochter, uit Amherst, Massachussetts gekomen. In de bus naar Elafonisi verklappen we elkaar onze vredesidealen, de oude en de nieuwe. “Je bent altijd welkom bij ons thuis, in Amherst”, zegt de moeder, “je moet wel je slaapzak meebrengen.” “Slapen op een houten vloer”.

Ik wandel alleen over het eiland, mijn vrouw is achtergebleven, bang voor de zeevogels. Tussen de rotsen zitten enkele naakte mensen, uit oudere tijden achtergebleven. Hun gezichten lijken op maskers. Ze hebben geen duidelijk geslacht.

In het zonlicht - heerlijk - begeef ik mij naar de kapel en zie haar daar - de moeder -, geknield, in oude Religieuze Extase. Ze zingt “Kyrie Eleison.” Ik sta in de deuropening, denk aan mijn maanden als misdienaar. Moet ik niet invallen? “Christe Eleison”? Ik zwijg. De moeder uit Amherst ziet me niet eens. Ik zou haar aan het schrikken brengen.

"Alles wat je hebt beleefd zal je je ook één keer herinneren".

Als ik de kapel verlaat, opnieuw de brandende zon – overweldigend. Reusachtige meeuwen vallen me aan. Neen, toch niet. Ze klapwieken met hun vleugels. Omineuze bewakers van het - mysterie. Voor het heilige – op de vlucht.

De moeder struikelt over een steen op het strand. Haar witte jurk, witte huid, bloedende knieën. Ze glimlacht als ze haar lang gewaad opschort tot boven de knieën. Dan wast ze haar wonden schoon met water uit de Libische zee.

Later eten we honinggebakjes en drinken - rode wijn. “Jullie zijn echt welkom in Amherst”, zegt de moeder nogmaals. De Griekse buschauffeur en de dochter, die Cricket heet, zitten - wat te flirten. De hemelse moeder en de aardse dochter. De renaissance komt weer tot leven. Ik ruik haar geuren en proef haar smaken. Haar extase zie ik ontstaan, in alle rust en vrede, zoals de geboorte van Venus.

’s Avonds in de hotelkamer in Chania, waar ik mijn strijd tegen de kakkerlakken heb gestaakt, kijk ik even door het raam naar de passanten beneden. De Griek en het meisje slenteren voorbij. Hun lichamen op weg - naar de goddelijke eenwording. Ik neem mijn vrouw in mijn armen. Met dit dak boven ons hoofd zijn we veilig voor het witte geweld van de vogels. Veilig - voor de leugens van God.

...

*Oorspronkelijk verschenen op 16 juni 2006 (Bloomsday).

30-05-15

RUE DAGUERRE

IMG_2296.JPG

Ik was al eerder in rue Daguerre geweest, wellicht op zoek naar sporen van Agnès Varda, maar de straat had toen weinig indruk op me gemaakt. Mogelijk had ik er maar een stukje van gezien, van de kant van Avenue du Maine, in de dagen dat ik nog in hotel Istria in rue Campagne Première logeerde, aan de overzijde van het kerkhof van Montparnasse. Istria biedt weinig comfort of gezelligheid maar wel mythe en legende: Francis Picabia, Marcel Duchamp, Man Ray, Kiki de Montparnasse, Erik Satie, Rainer Maria Rilke, Tristan Tzara en Louis Aragon logeerden er ooit.

Onlangs verbleef ik, eerder toevallig, een week in een hotel in rue Daguerre. Meestal kan ik me in een grote stad goed oriënteren, maar niet als ik uit de metro boven de grond kom. Deze keer echter liep ik, samen met mijn vrouw, bijna blindelings van het station Denfert-Rochereau naar mijn tijdelijke verblijfplaats. Wat zag rue Daguerre er volkomen anders uit op die zondagmiddag! Overal op de terrasjes – ik verafschuw dat verkleinwoord, maar in dit geval kan het niet anders - zaten opgewekte mensen dicht bij elkaar te eten en te drinken. De kleine winkels waren open. De geuren en kleuren van de uitgestalde etenswaren deden me watertanden. Aardbeien, kersen, groene en witte asperges, artisjokken, huisgemaakte pasta’s in alle denkbare vormen, konijnen, eenden, parelhoenen, kwartels, worstjes, tientallen kazen uit alle hoeken van Frankrijk, verse en bereide vis, waaronder zeeduivel met sinaasappel bereid, en in de drankwinkels honderden wijnen, champagnes en likeuren.

In de war geraakt van het zien en ruiken van al die lekkernijen stapte ik het verkeerde hotel binnen. Er zijn twee hotels die Daguerre heten, maar niet op hetzelfde adres. Het duurde even voor de man aan de balie besefte dat we een eind verder in de straat, bijna op de hoek van Avenue du Maine, hadden geboekt.
Eens op het juiste adres, in de juiste kamer, op de vijfde verdieping, met een fraai uitzicht op de straat en de zinken daken aan de overkant en gelukkig niet op de afschuwelijke Tour Montparnasse, aten we boterhammen met kaas, meegebracht van thuis. Mijn financiële situatie is duidelijk niet aangepast aan het leven in Parijs.
IMG_2305.JPG

In rue Daguerre woont (of woonde) Agnès Varda. Op nummer 88 bevindt zich Ciné-Tamaris, waar je dvd’s en wat merchandise wordt genoemd van de regisseuse en van haar te jong gestorven echtgenoot Jacques Demy kunt aanschaffen. Demy is het genie uit Nantes, beroemd geworden met de unieke films ‘Lola’, ‘Les Parapluies de Cherbourg’, ‘Les Demoiselles de Rochefort’ en  ‘Peau d'Âne’. Zijn levensgezellin maakte over hem de film ‘Jacquot de Nantes’. Over haar straat en haar buren draaide ze in 1975 een documentaire, ‘Daguerrotypes’. Ik heb Varda’s werk in de vroege jaren zeventig leren kennen; vooral haar ‘Cléo de 5 à 7’ (1961) en zeker ook ‘Le Bonheur’ (1965) maakten grote indruk. Maar ook de documentaires die ze tien jaar later in de Verenigde Staten filmde, zoals ‘Lions Love’ (met Viva in een hoofdrol) en ‘Black Panthers’, waren boeiend.

Door vlakbij de woning van Agnès Varda te logeren ben ik meer over haar te weten gekomen. Dat ze in Elsene geboren werd, dat ze net als haar man een tweeling is, dat ze een van de weinige aanwezigen was op de begrafenis van Jim Morrison, en dat ze de Franstalige dialogen schreef voor een van mijn uitverkoren films, ‘Last Tango In Paris’ van Bernardo Bertolucci. Overigens ben ik vanwege die film op een ochtend naar de metrostations Bir-Hakeim en Dupleix gereden. Ik hoopte onder het viaduct boven Boulevard de Grenelle iets van de eenzaamheid en wanhoop van Paul, het personage van Marlon Brando, te kunnen voelen maar tot mijn spijt was het er net bijzonder druk vanwege een markt. Of maakte dat gekrioel van die menigte in de verte me net écht eenzaam en wanhopig? Melancholisch werd ik er zeker van. Even weinig als rue Daguerre nog lijkt op de beelden uit 1975 in ‘Daguerrotypes’ lijkt het metrostation Bir-Hakeim op de locatie in ‘Last Tango’: het behoort toe aan de vluchtige wereld van de toeristen die zich naar de Eiffeltoren spoeden. Als je niet voorzichtig bent word je er van de trappen geduwd en vertrappeld.
IMG_2724.JPG

Rue Daguerre is inderdaad veranderd, maar het blijft, zoals ik hierboven al aangaf, een prettige straat. Een keer werd ik onaangenaam verrast. Een winkelier maakte zich buiten alle proporties boos op me omdat ik een foto wilde maken van een grote vette eend, die er erg lekker uitzag maar toch ook mijn medelijden opwekte, met haar witte vel met kleine rode stipjes op. De man kon zijn razernij nauwelijks onderdrukken, ook niet toen omstaanders, mensen uit de buurt, hem tot kalmte probeerden aan te sporen. Laat die man toch rustig een foto maken, zeiden ze. Ik maakte me in stilte uit de voeten, me pas te laat realiserend dat de straat genoemd werd naar Louis Daguerre, een van de uitvinders van de fotografie. Zijn naam staat op de Eiffeltoren gegrift. Dat zal met die van mij nooit gebeuren, zeker niet als ik geen foto’s van dode eenden mag maken.

...

Foto's: Martin Pulaski, Parijs, 17-24 mei 2015

04-05-15

IN DE RAND VAN HET VERLANGEN*

 

paul rigaumont,schrijver,filosoof,schilder,vriend,aurora,anekdota,popcultuur,tegencultuur,protest,minderheid,minderheidswording,verlangen,beat generation,gilles deleuze,my generation,leven,dood

 

Voor Paul Rigaumont


1. BEAT GENERATION

"I've got every reason on earth to be mad", zong John Lennon als jonge Beatle. Aan die woorden moest ik denken toen ik hoorde dat Allen Ginsberg was overleden.
Nu zal ik het hier niet over de dood van Allen Ginsberg hebben en evenmin zal ik anekdotes over zijn wonderlijk leven vertellen. Maar ik wil wel even wijzen op het belang van figuren als Ginsberg in wat ik met een woord van Paul Rigaumont onze 'minderheidswording' noem.

Toen ik als jonge filosofiestudent in de eerste helft van de jaren '70 Paul Rigaumont leerde kennen, waren Allen Ginsbergs teksten voor mij belangrijke levenslessen. Van Ginsberg leerde ik niet schrijven, maar wel het leven binnenbrengen in het schrijven; zowel het 'platvloerse' als het verhevene moest een plaats krijgen in mijn werk. (Zowel John Keats als Elvis Presley, zowel Lee Marvin en Angie Dickinson als Theseus en Ariadne).
Thelonious-Monk.jpg

Allen Ginsberg las wijze boeddhistische teksten, luisterde naar Thelonious Monk en the Beatles. Van die ervaringen - maar uiteraard van nog veel meer -  zijn sporen terug te vinden in zijn uitbundige gedichten en dagboeknotities. Zoals veel schrijvers van de beat generation ging hij uitvoerig in op zijn seksleven. Zijn taal was een taal van het verlangen en van het lichaam, geschreven vanuit een diepe ervaring met alle zintuigen open (en vaak nog gestimuleerd door geestverruimende middelen).

Het verlangen en het lichaam zijn twee thema's die Paul Rigaumont zeker niet onberoerd hebben gelaten. De zes Anekdota die intussen zijn verschenen (hoewel we al aan nummer 8 hebben bereikt) kunnen daarvan getuigen.

Paul Rigaumont schrijft in 'Anekdota VIII': "Daar waar het verlangen zich manifesteert is er geen uitstel en geen berekening en geen beslag. (Een verlangen is onherleidbaar tot het gehoorzame reproduceren van regels en normen.)" (p.137)

De taal van het verlangen breekt met de algemeen geaccepteerde regels. Luis Bunuels films, en in het bijzonder ‘Un chien Andalou’ zijn er welsprekende voorbeelden van. Verlangende lichamen ontwrichten de spelregels van het menselijk verkeer. Bliksem en donder zijn, bij wijze van spreken, hun beste vrienden. Allen Ginsberg schrijft in zijn Indian Journals: "Throw doubt on whole of previously accepted human humanistic reality".
burroughs-kerouac.jpg

Het is geen toeval dat Paul Rigaumont zich in zijn filosofische dagboeknotities ent op filosofen als Deleuze, Foucault en Nietzsche. Wat zij gemeen hebben is de aandacht voor het verlangen, het wilde leven, het lichaam. Voorts hebben zij heel wat op te merken bij allerlei instellingen en tradities die precies het verlangen, met name de seksualiteit en de waanzin, in toom moeten houden.

2. TRASHMEN

Paul en ik leerden elkaar beter kennen toen we gingen samenwerken aan het Aurora-project. Dat zal in 1977 zijn geweest, het jaar van de Sex Pistols. De begindagen van punk en new wave waren vergelijkbaar met de naoorlogse beatnik-periode en met bepaalde elementen uit de jaren '60 (in hoofdzaak de beweging van de mods in Engeland gecombineerd met thema's van de situationistische beweging in Frankrijk en elders). Opnieuw hing de elektriciteit van de revolutie in de lucht. Zowel in de kleine Aurora-ruimte als in de grote Montevideo-hangar gingen jonge en minder jonge mensen met wapens van de verbeelding de verveling van de heersende stijlen en de economische crisis te lijf.

In die dagen klonken de Trashmen (die van 'Surfin' Bird') weer nieuw en terzake. Mijn vrienden en ik waren zelf Trashmen: we hadden geen job, geen vooruitzichten op een glansrijke carrière of een andere clownerie. We maakten ons weinig illusies. We spraken onszelf tegen, leefden van dag tot dag en zaten desondanks met de toekomst in ons hoofd. We droegen tweedehands kleren, dansten op muziek van the Clash, Television en Patti Smith. We (her)ontdekten de bijzondere charmes van plastic en neon-licht, we dronken goedkope wijn en tequila, waren niet vies van amfetamine en marihuana. Opnieuw gaven Kerouac, Ginsberg maar ook Sartre ons het goede voorbeeld. Wat vroeger het leven in de goot werd genoemd en tegenwoordig kansarmoede, was voor ons een flitsende levensstijl.
patti-smith-by-judy-linn-7.jpg

Sommige van de mensen die er toen waren zijn Trashmen gebleven. Misschien hoorde het ook zo. Om trouw te blijven aan onszelf hadden we wellicht allemaal Trashmen moeten blijven. Maar misschien was het alleen maar een stadium op de levensweg, onderdeel van een initiatie - of toch ook weer element van een minderheidswording.

Voor mezelf was rock 'n roll (‘Lost In The Supermarket’ van The Clash en ‘She's Lost Control’ van Joy Division) een levensnoodzakelijk en zoet antidotum tegen de gewichtigheid van Husserl en Descartes, een middel om het voortdurende gevecht, dat tegelijk een ludiek spel is, met de demonen van het bewustzijn aan te kunnen.


Heel wat van de beste mensen van onze generatie liepen tegen de muur, kwamen in het gekkenhuis terecht, maakten een eind aan hun leven. (Jos D., Willy B., Renée S. om de onbekendsten te noemen.) 
Iets gelijkaardigs had Allen Ginsberg in zijn jonge jaren al moeten vaststellen ("I saw the best minds of my generation destroyed by madness, starving hysterical naked, dragging themselves through the negro streets at dawn looking for an angry fix...")

gilles-Deleuze.jpeg

Wij treurden maar waren sterker dan de dood. Ons verlangen naar een ander leven was niet uitgeschakeld. Alle decibels van de Cinderella en alle arbeidsbemiddelaars van de RVA waren niet bij machte dat verlangen uit te schakelen. Wij bleven dromen van proza en poëzie en van een ruimte waarin we konden schreeuwen en schilderen, experimenteren en ontdekken. We werkten aan het eigenzinnige tijdschrift Aurora, waaraan ik nu met trots terugdenk, we organiseerden poëziemiddagen en -avonden in het Filmhuis in de Lange Brilstraat, Paul begon zijn hardnekkige onderzoek naar vormen en kleuren. We volgden sporen van Friedrich Nietzsche, Friedrich Hölderlin, Virginia Woolf, Edmund Husserl, Gilles Deleuze, Michel Foucault, Francis Bacon, Bram Van Velde, Maurice Wyckaert en, dichter bij huis, van Leopold Flam en Annie Reniers.
Paul had in die jaren onafgebroken onzichtbare handschoenen aan. Ik weet het, ik heb ze gezien. Ik heb ook de stekelige wereld gezien, die hem niet bijster veel keuze liet.

3. P-P-PEOPLE TRY TO PUT US DOWN, TALKING BOUT MY GENERATION

Maar hoe is het allemaal begonnen? Waarschijnlijk met gestotter. Gestamel dat voortvloeide uit frustratie. In de rij staan op tochtige plaatsen die men speelpleinen noemde, smakeloze soep eten en gelaten de blaffende stemmen van meesters en opvoeders in de gehoorgangen toelaten. Ons dagelijks leven tijdens de koude oorlog van de jaren '50 en '60 was niet bepaald een pretje.

Tot plotsklaps het pistoolschot klonk waarmee ‘Like A Rolling Stone’ opende. Dylans bevestiging van de naamloze, de hoer, de zwerver, de onbekende. Personages die allemaal in onszelf sluimerden. Die elkaar tegenspraken en zich systematisch vergisten.

Op Radio London hoorden we het gestotter van ‘My Generation’. Stotteren mocht, vond Pete Townshend. Je kon anders zijn, ook al werd je in dat anders-zijn niet zomaar aanvaard.
my generation.jpg

En meteen wisten we: dit is het nieuwe leven. Dit is het nieuwe leven dat wij gaan maken. Paul De Wispelaere had het over "een eiland worden". Maar mijn vrienden en ik zouden geen eilanden worden, maar wel minderheden, we gingen ondergronds, werden "subterraneans" om een woord van Jack Kerouac te gebruiken.

Paul Rigaumont heeft het daarover in 'Anekdota VIII' als hij Aurora beschrijft als een "plaats van een minderheidswording. (...) Een verstervingsoefening die een afstandelijkheid ten overstaan van de Staat en zijn apparaten veronderstelde. Een oefening die vooral impliceerde dat wij als gezworenen zouden 'stotteren' in de talen die men ons had toegespeeld. In onze spreek- en schrijftaal, in onze denktaal, in al die talen die door instellingen worden gebruikt om individuen te onderwerpen." 'Anekdota VIII' (p.81).

Natuurlijk waren we jong in 1965 en we wisten niet dat we in een traditie stapten: die van beatniks, van dada en sommige surrealisten, van prerafaëlieten als William Morris, van allerlei opstandige/utopische bewegingen in de middeleeuwen. Dat zouden we later vernemen, toen we al volop bezig waren ons te harden, toen we filosofie studeerden, toen we in gesprekken en teksten schrijvend vaststelden dat ons verlangen naar de wereld onverzadigbaar was.

In weerwil van de traditie - met haar akelige leuze 'alles is voltooid' - volhardden we met Ernst Bloch in het 'principe van de hoop' en wilden we iets van onszelf aan de wereld schenken. Omdat we kristallen waren geworden die moesten schitteren. John Lennon - alweer John Lennon - had het daarover in 'Instant Karma', een ingenieuze tegenspraak vol wanhopige vreugde (want hoe kan karma 'instant' zijn zoals koffie ?). We waren kristallen geworden die nooit af geraken. Het soort kristallen waarvoor André Breton een lofzang schrijft in 'L'amour fou':

(Ik parafraseer) Een kunstwerk heeft geen waarde als het niet die hardheid, regelmaat en schittering van een kristal bezit. Een hardheid die onverenigbaar is met het bewuste streven naar perfectie en naar formele schoonheid. Het kristal van het verlangen krijgt spontaan vorm.

Volharding is niet hetzelfde als verstarring. Het is jong blijven, met de zintuigen in de war, de chaos aanvaarden. Jong blijven zoals Simon Vinkenoog jong is gebleven. Niet op de valse manier van mode en reclame, maar op de manier van Gombrowicz, Picasso en Beckett. Zoals mijn vriend Paul Rigaumont, de dagboekschrijver van het verlangen, het verlangende lichaam, de verlangende tekst, ook al hebben zijn zinnen soms handschoenen aan.

In zijn woorden hoor ik de echo van een wereldverlangen. In zijn woorden hoor ik tederheid en woede, systematische vergissingen, zinvolle begoochelingen. Ik zijn woorden zie ik sporen van nachten vol donkere zon, gesprekken met duivels en demonen en met engelen die weliswaar met uitsterven zijn bedreigd. In zijn woorden vind ik vertrouwen in de minderheden die wij worden. Zijn woorden maken mij nieuwsgierig naar toekomstige ontluisteringen en taalgeschitter. Zij zetten mij aan om zelf weer woorden te gaan vinden om mij vanuit de stilte stotterend tot een publiek te richten, in liefde en tegenspraak.

'Anekdota VIII' is een universum dat direct uit het hart van Paul Rigaumont komt. Wat kun je meer van een schrijver verlangen?

flam vub.jpg

 

* Dit is de tekst van een redevoering gehouden in Antwerpen op vrijdag 16 mei 1997,  naar aanleiding van Paul Rigaumonts ‘Anekdota VIII’.

Afbeeldingen: Paul Rigaumont; Thelonious Monk; William Burroughs & Jack Kerouac; Patti Smith; Gilles Deleuze; My Generation single; Leopold Flam circa 1972-73.

 

11-04-15

DE RODE KAMER

STOCKHOLM 053.JPG

Tussen mijn boeken zag ik August Strindbergs ‘De Rode Kamer’ (1879) staan, een autobiografische roman, die ik lang geleden met, zo meende ik mij te herinneren, veel aandacht en bewondering had gelezen. Het kon niet anders of ik had er destijds iets over geschreven.

In mijn dagboek uit 1980 vond ik enkele notities terug. Ik was toen inderdaad zeer onder de indruk van deze bijtende roman van een verbitterde schrijver. Ja, ik voelde me in een aantal opzichten – van innerlijke aard - zelfs verwant met het personage Olle Montanus. Strindberg introduceert hem als volgt:

“De ander was een geciviliseerd boerentype, met een gebroken maar corpulent lichaam, hangende oogleden, een mongolensnor; hij was uitermate slecht gekleed en leek op Joost mag weten wat – sjouwer ambachtsman of artiest – op een bepaalde manier zag hij er verwaarloosd uit.”

Olle Montanus is kunstenaar, bohemien en anarchist. Hij heeft zijn hele jeugd zwaar lichamelijk werk verricht, als landarbeider. Voor de boeren bestaat de natuur alleen als iets nuttigs – ze bezit, in hun ogen, geen ‘schoonheid’, geen ‘ziel’, wat ze voor veel kunstenaars en filosofen als Rousseau juist wel bezit of zeker in die tijd bezat.

Montanus onttrekt zich aan de nuttige arbeid, “de vloek van de zondeval”, en wordt artiest: hij gaat nutteloze arbeid verrichten. Hij geeft gehoor aan zijn vrijheidsbegeerte, en aan die andere drijfveer die iemand ertoe aanzet kunstenaar te worden, met name de hoogmoed. De kunstenaar wil herscheppen, beter maken, mooier maken, als het ware voor god spelen.

Nu ontstaat al gauw de behoefte aan erkenning van zijn nutteloze arbeid – zonder deze erkenning ziet hij onvermijdelijk zijn eigen nietigheid voor ogen, “dan houdt zijn scheppingsvermogen dikwijls op en gaat hij ten onder, want om weer te keren tot zijn juk, als hij eenmaal de vrijheid geproefd heeft, kan alleen de godsdienstige”. Montanus verliest nu het geloof aan de zin (“het hogere”) van zijn kunst, probeert zich weer “in de slavernij te begeven” maar dat is onmogelijk: de enige uitweg uit deze onhoudbare toestand is zelfmoord.

Het belangrijkste is uiteraard dat de kunstenaar het geloof in de zin van zijn werk niet mag verliezen. Maar beslist hij daar zelf over? Is daar inderdaad niet een zekere erkenning voor nodig? En wat als hij die erkenning uit de weg gaat of onmogelijk maakt? Betekent dit dat een kunstenaar of schrijver die voor de miskenning kiest ook voor de zelfmoord kiest?

STOCKHOLM 032.JPG

...

Foto's: Martin Pulaski, Stockholm, 18 8 2013, Strindbergs werkkamer; enkele van zijn publicaties.

27-03-15

BRINGING IT ALL BACK HOME

 

bringing it all back home.jpg

Vijftig jaar geleden, op 22 maart 1965, verscheen in de Verenigde Staten de baanbrekende, gedeeltelijk elektrische langspeelplaat ‘Bringing It All Back Home’ van Bob Dylan. De zanger en liedjesschrijver keerde folk, realisme en protest de rug toe. Zijn teksten waren nu symbolistisch, surrealistisch en autobiografisch. In Nederland en België zouden we nog tot 1967 moeten wachten op deze lp, die hier onder de titel ‘Subterranean Homesick Blues’ verscheen. Pas in 1970 zou het album in mijn bezit komen. Met de opbrengst van mijn verkoop van ‘The Freewheelin’ Bob Dylan’ aan mijn toenmalige vriend Marc D., kon ik me eindelijk de Nederlandse persing van ‘Subterranean Homesick Blues’ aanschaffen. Ik herinner me nog dat ik ze met trillende handen in de Maison Bleue in Brussel in ontvangst nam. Pas toen hoorde ik nummers als ‘On The Road Again’ en ‘Outlaw Blues’ voor het eerst. Of had Francis Heselmans ze mij al een keer laten horen? Hij was alvast minder arm dan ik en bezat bijgevolg ook een grotere platencollectie. Met de meeste andere songs was ik al vertrouwd via singles en ep’s.

Over symbolistische dichters vond ik dit: “Symbolistische dichters roepen liever de maan op dan de zon, liever de herfst dan de lente, liever stilstaand dan snelstromend water en liever regen dan een blauwe hemel”, schrijft filosoof en kunsthistoricus Michael Francis Gibson: “Ze klagen over treurigheid en verveling, over teleurstelling in de liefde, over machteloosheid en over matheid en eenzaamheid. Ze zijn bedroefd omdat ze ondervinden dat ze in een wereld leven die in doodsnood verkeert”.
Zegt dat niet heel veel over deze fase in het werk van Bob Dylan? Meer wil ik over deze tijdloze plaat niet kwijt. De geschiedenis van ‘Bringing It All Back Home’ is bekend. Hoewel ik dat soms ook wel eens durf betwijfelen.

09-03-15

TIEN JAAR LATER

 

IMG_1487.JPG

 

Gisteren bestond Hoochiekoochie precies tien jaar. Het leek mij een goed moment voor wat gemijmer over de tijd, en voor enige bedenkingen over bloggen, schrijven en publiceren. Over hoe en in welke mate de wereld op die tien jaar veranderd is en zeker ook de literatuur, die daar een – steeds minder belangwekkend – onderdeel van is. Over de media, de communicatiemiddelen, de sociale netwerken en de rol die ik daar zelf met mijn blog en op andere manieren in speel.

Maar ik bevind me op een klein eiland middenin de Atlantische Oceaan: La Palma. Een eiland waar ik me tien jaar geleden ook al bevond. Ik weet niet wat het is, maar hier hangt iets in de lucht of zit iets in de (vulkanische) grond dat redelijk denken noch schrijven bevordert. Of zit dat iets in mezelf, is het een weerstand die ik zou moeten overwinnen (maar niet kan)? Houdt mijn – hopelijk tijdelijke - onmacht verband met ver weg van huis zijn, ver weg van de ‘normale’ gedragspatronen, de gewoontes, de beweegsystemen, de af te leggen afstanden? Met het slapen in een weliswaar comfortabel maar toch vreemd bed (van waaruit ik zowel de bergen als de oceaan kan zien, als ik de gordijnen openlaat)? En met de maan, de volle maan, en de sterren zo helder en zo dichtbij?

Wie zal het zeggen? Ik vind niet één zinnig woord om nu iets over Hoochiekoochie mee te delen. Geen enkele gedachte komt mijn hersens pijnigen of strelen. Buiten waait de wind*, maar binnenin mij is het windstil.

Een ding wil ik echter zeker doen: alle trouwe en ontrouwe lezers van mijn blog vanuit het diepste van mijn hart dank zeggen voor hun tijd en aandacht en constructieve bijdragen. Zonder hen, zonder jullie, zou ik me ongetwijfeld al na enkele weken teruggetrokken hebben uit dit hachelijke avontuur. Er zou echt heel gauw een einde gekomen zijn aan deze ‘fantastic voyage’. Nu echter blijft de bestemming achter de horizon verborgen, ook al is dit werk altijd al een eindspel geweest, een laatste bedrijf, en zijn de teerlingen voor eens en voor altijd geworpen. Niet alleen omdat het een spel is laten we dit werk toch ook gedeeltelijk aan het toeval over. De stijl, de vorm, de inhoud, de duur van het laatste bedrijf kent niemand.

 


*Inmiddels is de wind gaan liggen. Het is een zachte, heldere dag geworden. De zon gaat stilaan onder. Tijd voor een glas wijn dat ik samen met mijn levensgezellin op jullie gezondheid zal drinken.

Foto: MP, Los Llanos, 9 3 2015

 

27-02-15

OVER DUNNE EN DIKKE BOEKEN

rimbaud-self-portrait.jpg

Rainer Maria Rilke is een van de moeilijkste dichters die ik heb gelezen. Je moet zowat de hele wereldliteratuur (en zeker Nietzsche) kennen om hem goed te kunnen begrijpen. Maar je kunt hem even goed als een onschuldige benaderen en zo - als de sterren goed staan - tot zijn kern doordringen. Is dat moeilijk of gebeurt het maar zelden? Misschien wel, maar het loont de moeite. Bovendien is het een moeite die eigenlijk geen moeite kost. Het vergt een open geest, een open hart. Van Morrison zingt erover in ‘Heart Is Open’, een wonderlijk lied op een wonderlijke plaat, ‘Common One’, verschenen in het ellendige jaar 1980. I believe I go walking in the woods.

Dunne boeken, zoals ‘Die Sonette an Orpheus’ of ‘Une saison en enfer’, kunnen je jaren kosten. Niet dat het verloren tijd is. Bijna elk woord kan een schatkamer zijn, of een sarcofaag met alleen tot jou gerichte inscripties aan de binnenkant. Dunne boeken, kort als het leven.

Maar het leven duurt soms ook lang. De dagen laten zich dan graag vullen met meeslepende verhalen, die je vaak aantreft in dikke boeken. Bijvoorbeeld in ‘Middlemarch’ van George Eliot (altijd weer moet ik opzoeken hoe je ‘Eliot’ spelt), ‘Misdaad en straf’ van Dostojewski of ‘Le rouge et le noir’ van Stendhal.

Of het leven nu kort is of lang – en zelfs als de duur je koud laat: het komt er in elk geval op aan het kaf te scheiden van het koren. In welk jaar een boek werd geschreven speelt daarbij geen rol. Het gaat om de gedachten die er in worden uitgedrukt, om de stijl, de oorspronkelijkheid, het inzicht, de schoonheid, de troost. Geen enkel boek dat je iets verrassends of inspirerends meedeelt is werkelijk moeilijk.

Waarom deze notities? Omdat ik morgen op reis vertrek en nog moet beslissen welke boeken ik mee zal nemen. Ik zal veel tijd hebben om te wandelen en te lezen. Een heerlijk vooruitzicht, na al die lange dagen van ziekte en donkere lucht.

rilke2.jpg

31-01-15

STILTE VOOR DE STORM

IMG_1284.JPG

Stilte. Tijdens elke periode van stilte, van zwijgen in mijn leven, denk ik onwillekeurig aan Hölderlin. Aan zíjn lange tijd van zwijgen, aan de toren in Tübingen, aan zijn kamer daar en het uitzicht op de Neckar. De kamer die ik ooit als een soort van bedevaarder bezocht, liftend via Keulen en Stuttgart. Duitse automobilisten met afgrijzen naar me kijkend vanuit hun Mercedes of BMW, alsof ik een lid was van de Baader-Meinhof-Groep. Misschien begrijpelijk want het was kort na de Duitse Herfst. In het tijdschrift Aurora had ik teksten geschreven met verwijzingen naar de ellendige Heinrich Von Kleist en naar zijn zuster Ulrike. Misschien had de geheime dienst haar naam met die van Ulrike Meinhof verward? Onwillekeurig ook denk ik aan de onderdanige brieven aan zijn moeder: uw gehoorzaamste zoon, Hölderlin. Verzeihen Sie, liebste Mutter! Wenn ich mich Ihnen nicht für sie verständlich machen können.

Altijd denk ik als ik niet spreken kan aan hem. Niet aan Rimbaud, niet aan Nietzsche, niet aan Virginia Woolf, niet aan Gérard de Nerval. Waarom heb ik me zo aan hem gehecht? Ik weet het echt niet. Maar ik ben er wel dankbaar voor. Want ik denk liever aan hem dan aan de stilte zelf en aan de dood, waar zij zo op lijkt. En dankbaar ben ik ook de hemel, de wolken, die ik vanuit mijn kamer zie. Soms hangen ze stil, alsof ze slapen, maar even later komen ze weer in beweging. Op dit ogenblik hangt er sneeuw in de lucht en morgen woedt er misschien een storm, die met de hoeden aan de haal gaat en zelfs de wilgen en berken uit de grond rukt.

17-01-15

VLAAMSE SCHRIJVERS OVER DE BLOEDIGE AANSLAGEN IN PARIJS

im lauf der zeit.jpg

In De Morgen van 14 januari vroeg Dirk Leyman zich af waar de Vlaamse schrijvers bleven met hun reacties op de bloedige aanslagen in Parijs. Kennelijk ben je in Vlaanderen alleen maar een schrijver als je ook een BV bent, de slimste mens van de wereld of een geregelde gast in Ter Zake, Reyers Laat, en andere door de NVA gesponsorde spektakelshows.
Normaal gezien wind ik me over dergelijke vormen van miskenning en verzwijgen niet op. Ik leef in een andere wereld. Roem en bijval zijn nooit mijn deel geweest: ik heb er niet naar gezocht, ik ben er niet handig genoeg voor.

Wellicht omdat uitsluiting een niet te onderschatten aspect is van de tragische gebeurtenissen in Parijs en ook aangeroerd werd in de vele discussies en opiniestukken achteraf heb ik dit keer wel last met een vraag als die van Dirk Leyman. Op 13 januari publiceerde ik op mijn blog mijn bedenkingen bij de aanslag op Charlie Hebdo. Het was niet mijn bedoeling aan al de meningen die al geformuleerd waren nog een mening toe te voegen. Ik had en heb geen mening. Aanvankelijk wilde ik zwijgen, dat leek me het best. Maar uiteindelijk koos ik ervoor om mijn ervaring van die dagen te beschrijven. Op die manier wilde ik laten zien welke impact terreur en de gevolgen ervan kunnen hebben op een individu. Een individu dat toevallig ook een schrijver is, zij het een schrijver die in de Vlaamse Letteren niet bestaat en bijgevolg geen recht van spreken heeft. 

13-01-15

DE SPIJKERS VAN CREATIEVE GEESTLOOSHEID

giotto_di_bondone_-_stygmatyzacja_sw__franciszka_1295-1300.jpg

Donderdag 8  januari 2015, omstreeks half vijf. Aan het kruispunt beneden aan mijn straat zie ik rechts van me tussen de kale bomen een blauw in de lucht zoals ik er nooit tevoren een zag. Het is een onaards blauw, een beetje turkoois, maar nog anders, dieper, mysterieuzer. Het licht van de zielen van de doden in Parijs? Hoewel een geloof in een hiernamaals en een opperwezen me geheel vreemd is.

De aanslag op Charlie Hebdo, een dag eerder, had me diep geraakt. Het is merkwaardig dat woede, afschuw, verdriet, ontreddering soms zo selectief zijn. Want er gebeuren elke dag moorden en aanslagen, ergere zelfs dan die in Parijs. Maar Charlie Hebdo was, hoewel ik het zelden las - ik ben geen trouwe lezer van strips, comics, graphic novels en getekende satire -, een tijdschrift dat bij mijn generatie hoorde, bij de tegencultuur, bij de late jaren zestig en vroege jaren zeventig; de redactie van Charlie Hebdo was een groep kunstenaars die nog altijd die geest uitdrukten, zij het scherper, agressiever, met meer verbittering en meer gevaar voor het eigen leven dan in die gouden dagen. Wolinski heb ik altijd bijzonder geestig gevonden.

Meteen zal de hele islamitische wereld met de vinger gewezen worden, dacht ik bijna meteen nadat ik het nieuws had gehoord. Dat is het tragische gevolg van zulke waanzinnige acties – die waarschijnlijk helemaal niet waanzinnig zijn, maar politiek beredeneerd.

Wat gaan we doen, nu we eigenlijk niet meer werkelijk kunnen spreken? Iedereen heeft wel een mening, maar wat zegt een mening? Onze woorden en ons begripsvermogen zijn al lang niet meer toereikend. De realiteit ontglipt ons. We worden allemaal radicaler, misschien vooral omdat we zo tot zwijgen veroordeeld zijn.

Op dertig jaar tijd van ‘Touche pas à mon pote’, de slogan van Harlem Désir, waar wij ons als antiracisten massaal achter schaarden naar ‘Je suis Charlie’, een uiting van solidariteit maar tegelijk van ontreddering en wanhoop. Overigens kan iedereen zich in ‘Je suis Charlie’ vinden – ikzelf ook – wat zeker niet het geval was met die andere slogan. In Figaro Magazine noemde de mystieke fascist Louis Pauwels de antiracisten debielen die aan geestelijk Aids leden.

Mijn eerste publieke reactie, na de gevoelens van verslagenheid en wanhoop, was een pleidooi houden voor de vrije meningsuiting, omdat dat wellicht de basis is van alle vrijheid. Het vrije woord, waar ik in de jaren negentig voor geijverd heb in het Arkcomité voor het Vrije Woord, dat de gelijknamige jaarlijkse prijs uitreikt. Die reactie was niet beredeneerd. Ik stond er zelfs niet bij stil dat miljoenen mensen hetzelfde zouden doen. Lang moest ik niet zoeken naar John Stuart Stuart Mill’s ‘On Liberty’ (1859). Op facebook plaatste ik dit citaat:

This, then, is the appropriate region of human liberty. It comprises, first, the inward domain of consciousness; demanding liberty of conscience, in the most comprehensive sense; liberty of thought and feeling; absolute freedom of opinion and sentiment on all subjects, practical or speculative, scientific, moral, or theological. The liberty of expressing and publishing opinions may seem to fall under a different principle, since it belongs to that part of the conduct of an individual which concerns other people; but, being almost of as much importance as the liberty of thought itself, and resting in great part on the same reasons, is practically inseparable from it. Secondly, the principle requires liberty of tastes and pursuits; of framing the plan of our life to suit our own character; of doing as we like, subject to such consequences as may follow: without impediment from our fellow-creatures, so long as what we do does not harm them, even though they should think our conduct foolish, perverse, or wrong. Thirdly, from this liberty of each individual, follows the liberty, within the same limits, of combination among individuals; freedom to unite, for any purpose not involving harm to others: the persons combining being supposed to be of full age, and not forced or deceived.

Dat moest volstaan. Ik had er verder geen mening over. Wat is een mening? Wel dacht ik al aan de noodlottige gevolgen van alle georganiseerde religies, van de politieke interpretaties van zogenaamd heilige teksten.  Ik heb me lang en intensief met religie beziggehouden, onder meer toen ik Milan Ryzls ‘Zoeken naar God’ heb vertaald en bewerkt.

Zonder ‘mening’ kon ik alleen nog soelaas zoeken in beelden en muziek. Ik beluisterde ‘Dead Souls’ van Joy Division. De krachtige song kan over veel gaan; ik hoor vooral innerlijke strijd en zeker ook wanhoop, dezelfde wanhoop die mij zo verlamde – en dat nu nog altijd voor een deel doet:
 
Someone take these dreams away
That point me to another day
A duel of personalities
They stretch all true realities.

Denis_Diderot.PNG

Op facebook plaatste ik een portret van  Denis Diderot, als symbool van de waarden van de Verlichting, met name van de vrije meningsuiting, en een reproductie van ‘De parabel der blinden' van Pieter Bruegel de Oude uit 1568. Dat werk vind ik interessant omdat het over bijbelinterpretatie gaat, met name of je al dan niet verplicht bent om je handen te wassen voor het eten. Bij mijn zoon, die in Parijs woont en werkt, vond ik een treffende tekening van de ‘Je suis Charlie’-slogan, die ik deelde.

Een dag later, op 9 januari, was mijn woede niet verwerkt. Ik nam weer mijn toevlucht tot muziek, en wel tot ‘Religion’ van Public Image Limited. John Lydon valt de katholieke kerk aan, maar de razernij is universeel.

Fat pig priest
Sanctimonious smiles
He takes the money
You take the lies

Boven de link naar het nummer schreef ik dit:

Misschien kan kunst de wereld niet redden. Maar religie kan de wereld alleen maar verwoesten. Judaïsme, christendom, islam, hindoeïsme, allemaal hetzelfde bedrog, allemaal leidend tot verblinding, fanatisme, geweld, oorlog.

Mijn woede was mede gevoed door het bekijken van een aflevering van Reyers Laat. Op een lagere en schofterige manier dan daar gebeurde kun je niet met de tragische dood van twaalf mensen omgaan. Bart De Wever zat er met zijn kop van pure haat de schuld voor de aanslag in de schoenen van gelovigen, communisten en socialisten te schuiven en samen met Mia Doornaert de hele islamitische wereld naar de verdoemenis te wensen. Zonder ook maar een ogenblik een poging te doen om iets te begrijpen van de context, de achtergrond, de geschiedenis van die weerzinwekkende gebeurtenis.

Nadat er wat kritische opmerkingen waren geformuleerd bij mijn atheïstische stellingname vond ik het nodig dat uitgangspunt te nuanceren. Niet omdat ik mijn kritiek van de godsdiensten wilde afzwakken, maar ter verduidelijking. Ik voegde eraan toe dat ik, nogmaals, een verdediger ben van de vrijheid van meningsuiting en bijgevolg ook van godsdienstvrijheid. Maar ik was en ben ervan overtuigd dat geen enkele godsdienst of belijder van een godsdienst het vrije woord, in welke vorm dan ook, mag belemmeren. Ik voegde er eveneens aan toe dat ik me nu niet opeens als de vijand van de moslims zag, ook al moeten we ons verzetten tegen elke vorm van fanatisme en tegen alle fanatici, waar ze ook vandaan komen. Ik schreef – in weerwil van mijn sprakeloosheid, van het gevoel dat de woorden niet meer volstonden – dat we zoveel mogelijk moesten nuanceren, naar elkaar luisteren, met elkaar praten.

wolinski-et-les-femmes.jpg


Wolinski had ik horen zeggen dat humor altijd links en vrijdenkend is. Rechts is verbitterd en zuur. Kijk maar naar de Antwerpse burgemeester en naar Marine Le Pen. Misschien zijn ze wel verstandig, slim, gewiekst, maar ze hebben geen gevoel voor humor. Hebben ze wel een ziel? Ik maakte inderdaad een onderscheid tussen links en rechts, met duidelijke sympathie voor de gauchisten van Charlie Hebdo, maar vond toch tegelijk dat we polarisatie moesten vermijden. Je kunt niet in alles consequent zijn.

Iemand vond dat ik de religie in een te negatief licht plaatste. Jezus, Mohammed en Boeddha predikten an sich gewoon liefde, schreef ze. Mijn aanval was inderdaad op de georganiseerde religies gericht, die vooral ideologisch en politiek gebruikt worden, meestal als dekmantel voor verwoestingen en veroveringen. De ‘strijders voor het geloof’ zijn blind voor de boodschappen van liefde van Jezus, Mohammed, Boeddha en andere ‘wereldverbeteraars’. Ze kennen geen liefde, alleen haat en wraakzucht. Of de wil tot macht, tot bezit. Het zijn veroveraars, of huurlingen van veroveraars. Als ze al lezen zijn het gesimplificeerde en verminkte internetversies van de heilige geschriften. Overigens: wie van ons leest Job? Prediker? Het Hooglied? Ik weet alvast dat Nick Cave ‘Het Evangelie van Marcus’ heeft gelezen. “Christus sprak tot me door Zijn isolement, door de druk van Zijn aanstaande dood, door Zijn woede over het afgezaagde, door zijn Verdriet. Christus, zo leek het, was het slachtoffer geworden van het gebrek aan verbeeldingskracht onder de mensheid, en was aan het kruis genageld met de spijkers van creatieve geesteloosheid.” Zo schrijft Nick Cave in het voorwoord bij het ‘Het Evangelie van Marcus’.
nick-cave-suit-photo.jpg

Alle religies bevatten waardevolle morele stelregels. Mensen met goede bedoelingen hebben ze bedacht, omdat ze van het leven hielden en van de andere mensen, van de kinderen, de dieren, de aarde. Ze mogen dan wel gedroomd hebben van verre paradijzen: bijna altijd ging het om dromen van paradijzen hier en nu. Denk aan Julian Beck’s ‘Paradise Now’. Maar zolang de religies bestaan zijn ze misbruikt om mensen te onderdrukken en uit te buiten, om ze tegen elkaar op te zetten, om onverdraagzaamheid en oorlogszucht aan te wakkeren.  Het is niets nieuws en het gebeurt nog steeds.

In alles wat ik doe blijf ik streven naar bevrijding van wat Bob Marley 'mental slavery' noemde. Mij lijkt de hypothese dat de vrije gedachte een hogere vorm van  bewustzijn is dan een denken dat zich onderwerpt aan instellingen, machtsstructuren, economische systemen, godsdiensten, et cetera, geen vorm van cultureel snobisme of elitarisme.  Maar het streven naar een universeel vrij denken, een werkelijk vrije gedachte, kan niet op fanatieke wijze gebeuren, dat is evenzeer duidelijk. Er is openheid van geest voor nodig, geduld, dialoog, luisterbereidheid, begrip.

De volgende dagen kon ik er niet aan weerstaan de vele stemmen die zinnige en onzinnige verhalen lieten horen over de aanslag op Charlie Hebdo en de andere tragische gebeurtenissen te beluisteren. Tientallen verhalen, boos, verontwaardigd, begripvol (niet voor de terreur, uiteraard), inzichtelijk, esoterisch, literair, historisch… Bij veel van wat ik las zat ik te knikken, soms met tranen in de ogen, soms met woede in het hart, soms tot nieuwe inzichten komend.

Een duidelijk en helder en juist statement vond ik bij een van mijn favoriete schrijvers, Ian McEwan:

"Murderous and self-sanctifying, radical Islam has become a global attractor for psychopaths. It has never been embarrassed to proclaim its list of hatreds: education, tolerance, plurality, pleasure and, above all, freedom of expression -- the freedom that underpins all others. Even more important than the abstractions are the people that jihadists hate and have killed: children, schoolgirls, gays, women, atheists, non-Muslims, and many, many Muslims. To that list we must now add the brave and lively staff of Charlie Hebdo, who hoped to face down hatred with laughter. The slaughter in Paris is a tragedy for the open society. On a dark night for mental freedom, a few fragile points of light: the calm, determined crowds gathered in cities across France; the hope that the general revulsion at these murders might have a unifying effect; the fact that a cult rooted in hate is a frail thing and cannot last; the fact that the psychopaths are vastly outnumbered."

In heel die periode was ik ziek. Ik had bronchitis, koorts. Op 29 december had Agnes op straat haar pols gebroken; ze was gestruikeld op de terugweg van de supermarkt. Ik moest mijn dagelijks leven geheel anders inrichten. Voor het eerst in lange tijd moest ik mij geheel inzetten voor iemand anders, op elk gebied, en voor mezelf. Het was en is moeilijk. Soms was ik blij met die nieuwe opdracht, soms stak de wanhoop weer de kop op. Door de ziekte was mij ook de mogelijkheid ontnomen vrienden te ontmoeten, te praten, te luisteren naar wat zij dachten en voelden.

Lezen is bijna altijd een vorm van troost. Ik las de voorbije dagen het meesterwerk ‘Light Years’ (1975) van James Salter. Een verbluffend boek, vol treffende beschouwingen over de aard van de mens en zijn omgang met wat er rest van de natuur en de seizoenen. Een boek over momenten van intens geluk, eros en liefde en over ontgoocheling, teleurstelling, verbittering, melancholie. Over diepe, bleke wanhoop. Het prachtige boek kon me niet troosten, integendeel. Maar ik putte er desondanks moed uit en citeerde dit:

“We preserve ourselves as if that were important, and always at the expense of others. We hoard ourselves. We succeed if they fail, we are wise if they are foolish, and we go onward, clutching, until there is no one – we are left with no companion save God. In whom we do not believe. Who we know does not exist.”

Na het beluisteren van zoveel stemmen, na het treuren, na de optocht van miljoenen sympathisanten van Charlie Hebdo, lijkt de stilte nog te zijn toegenomen. Het lijkt op een rouwproces maar het kan net zo goed een periode van bezinning zijn. Ondertussen is de wind opgehouden met rukken en wordt de hemel weer helder. Gelukkig zie ik op dit ogenblik dat uitzinnige, onwereldse blauw niet.
je suis charlie jean julien.jpg

Interessante artikels:

https://decorrespondent.nl/2324/Zo-bewijs-je-Charlie-Hebdo-misschien-wel-de-meeste-eer/17887105236-48fe7417
http://www.knack.be/nieuws/wereld/wat-we-misschien-van-de-duivelsverzen-kunnen-leren/article-opinion-524185.html
http://www.independent.co.uk/voices/comment/charlie-hebdo-paris-attack-brothers-campaign-of-terror-can-be-traced-back-to-algeria-in-1954-9969184.html
http://www.newyorker.com/news/news-desk/blame-for-charlie-hebdo-murders
http://www.salon.com/2014/11/23/karen_armstrong_sam_harris_anti_islam_talk_fills_me_with_despair/
http://www.liberation.fr/societe/2015/01/07/cohn-bendit-charlie-c-est-la-radicalite-anticlericale-c-est-pour-ca-qu-ils-ont-ete-tues_1175497
http://www.rferl.mobi/a/iran-journalists-demonstration-charlie-hebdo-massacre/26783226.html
http://www.rferl.mobi/a/iran-journalists-demonstration-charlie-hebdo-massacre/26783226.html
http://www.globalinfo.nl/Achtergrond/de-kleine-tegenstemm...

01-01-15

FREAK OUT!

frank-zappa-freak-out-1966.jpg

The Mothers Of Invention - Freak Out! (1966)

22-12-14

SCHOOLVRIENDEN

1967 londen 1 001.jpg

Schoolvrienden in Londen, in juni 1967. De jongen links was mijn beste vriend, Jan De Pooter. Helaas al enkele jaren geleden overleden. Jan was een Beatles- en ik een Rolling Stones-fan. We hielden allebei met hart en ziel van the Small Faces. Londen was toen het centrum van de wereld, een magische stad, doordrongen van de geest van Jimi Hendrix, Brian Jones en Sergeant Pepper's. Terwijl je daar door de straten liep voelde je dat op dat moment alles liefde was. 

 

HET CAFÉ VAN DE VERLOREN JEUGD

modiano.jpg

“Als ik zou vallen, zouden de andere mensen op de boulevard de Clichy gewoon doorlopen. Ik hoefde me geen illusies te maken. “
Dat las ik in ‘In het café van de verloren jeugd’, een roman van Patrick Modiano, verschenen in 2007.

Het café van de verloren jeugd was een stamcafé van Guy Debord. Maar zeker niet alleen van hem. Ik heb er gezeten tot voorjaar 2011, al lang voorbij de leeftijd van een oudere jongere. Meermaals ben ik gevallen. Eén keer lag ik een half uur in het midden van de straat, niet meer tot bewegen in staat. De autobestuurders reden langs me heen, de voetgangers vervolgden vrolijk hun weg, nog wat badend in de late zon van een dag in juni. Sindsdien maak ik me weinig illusies. De weinige illusies die ik wel nog heb, houden verband met vriendschap. Alleen je vrienden laten je niet vallen, en als je dan toch valt, laten ze je niet liggen. 

14-12-14

DE BETOVERING VAN BOEKEN

viva 6.jpg

Elke stad bevat meerdere steden, sommige zichtbaar, sommige onzichtbaar. Gisteren trof ik in Brussel zo’n onzichtbare, ondergrondse stad aan. Ik had altijd al wel een vermoeden gehad dat ze bestond, maar nu weet ik het zeker.
Om vijf over tien kwam ik in het Hotel van Cleve in de Ravensteinstraat aan, goed op tijd dacht ik voor de boekenverkoop van het Filmmuseum (officieel Cinematek, een naam waar ik me nooit mee zal verzoenen), een van de fijnste instellingen van dit land. Enigszins verbaasd stelde ik vast dat er al vrij veel boekenliefhebbers in de grote ruimte aanwezig waren. In haast volstrekte stilte, alsof ze een eredienst  bijwoonden, stonden ze over tientalen dozen vol schitterende boeken over voornamelijk film gebogen. Ik zag dat sommigen al flinke stapels torsten. Het kleine publiek hier riep herinneringen op aan de tijd toen ik filosofie studeerde, evenals aan de periode dat ik ongeveer vijf avonden per week in het Filmmuseum doorbracht. Ernstige, gepassioneerde mensen, vervuld van een hartstocht voor schoonheid, voor wat ik alleen maar ‘het geestelijke’ kan noemen. Ieder voor zich maar toch verenigd in dezelfde passie.

Wat een prachtige boeken voor zo weinig geld. Het stemt wel tot nadenken dat ze nog maar zo weinig waard zijn; in Hotel van Cleve gemiddeld drie euro. Nieuw hebben ze stuk voor stuk een tienvoud gekost. Sommige zijn collector’s items. Maar ze moeten dan wel een collector vinden die erin geïnteresseerd is.

Hier een lijst van de trofeeën waarmee ik naar huis ben teruggekeerd. Gelukkig was ik niet alleen of ik had de helft van wat ik had geselecteerd achter moeten laten.

pierre_clementi_theredlist3.jpg

John Ford, door Joseph McBride en Michael Wilmington, in de mooie Cinema Two-reeks van Secker & Warburg.
Faulkner and Film, door Bruce F. Kawin. Over de interactie tussen film en literatuur, met aandacht voor de verfilmingen van Faulkners romans en de originele scenario’s van de schrijver.
Abel Gance, door Norman King, British Film Institute Books. Over een van mijn favoriete regisseurs, met veel aandacht voor zijn meesterwerk ‘Napoléon’. In ‘Napoléon’ speelt Abel Gance de rol van Saint-Just, wat geen toeval is.
Fields For President, door W.C. Fields. Een pocketuitgave uit 1972, toen Fields opnieuw werd erkend als een van de grootste komieken ooit, “one of the original antiheroes so currently in vogue with today’s “let it all hang out” generation.”
Memoirs of a Mangy Lover, door Groucho Marx. “The craziest Don Juan in the history of seduction.”
Samuel Fuller, door Nicholas Graham, in de Cinema One-reeks in samenwerking met het British Film Institute. Graham onderzoekt de thema’s en methodes van de grote Amerikaanse filmregisseur.
Quelques messages personnels, door Pierre Clémenti. Pierre Clémenti was een van de antihelden van mijn generatie. Hij acteerde in films van onder meer Bertolucci, Pasolini en Buñuel. De mooie, lieve jongen zat twee jaar in een Romeinse gevangenis opgesloten vanwege bezit van een kleine hoeveelheid cocaïne, zeer waarschijnlijk door de politie zelf in zijn kamer verstopt. Zo ging de gevestigde orde in die dagen om met wat nu iconen worden genoemd, in het oog springende exponenten van de tegencultuur. Brian Jones, Julian Beck en Judith Malina zijn andere voorbeelden.
The Rolling Stone Inverviews, Vol 2, verschenen in 1973, toen Rolling Stone nog een links tijdschrift was, een van de invloedrijkste bladen van de tegencultuur. Interviews met o.m. Bob Dylan, Van Morrison, Johnny Otis en Leon Russell.
Child of Satan, Child of God – Her Own Story, door Susan Atkins en Bob Slosser. Dit heb ik gekocht om mijn honger naar de Manson Family te stillen. “When she met Charles Manson, she felt she had met the world’s savior.” Het ironische is dat Susan Atkins er duivelser uitziet nadat ze de Heer heeft gevonden dan toen ze discipel was van Manson.
Superstar, door Viva. Hier ben ik werkelijk heel blij mee. Ik zoek er al tientallen jaren naar. Ooit gelezen in een vreselijke Nederlandse vertaling.
“The scandalous bestseller by the Underground film idol.” “A smashing stag movie set between covers!”.
Lovesick Blues. The Life Of Hank Williams, door Paul Hemphill. Verschenen bij Viking in 2005.
The Life and Times of Little Richard, door Charles White.
De schrijver wordt Dr. Rock genoemd, niet alleen omdat hij geneesheer is. En Little Richard? “After hearing Little Richard on record I bought a saxophone and came into the music business. Little Richard was my inspiration.” Dat zegt David Bowie.
Don’t Tell Dad. A Memoir, door Peter Fonda. Ik ken betere acteurs en regisseurs dan Peter Fonda, maar hij komt uit een bijzonder interessante familie en hij was een van de jongens die de sixties een gezicht gaven. Dit is het boek waar ik het meest nieuwsgierig naar ben.
Elia Kazan. A Biography, door Richard Schickel, uitgegeven door HarperCollins in 2005. In weerwil van zijn verraderlijke hart ben ik een groot bewonderaar van zijn werk.
Hoe kan het anders, met films als ‘A Streetcar Named Desire’, ‘On the Waterfront’, ‘America America’, ‘Baby Doll’ en ‘The Arrangement’?
Adventures Of A Suburban Boy, door John Boorman. Boorman is de regisseur van onder meer ‘Point Blank’, ‘Hell In the Pacific’, ‘Deliverance’ en ‘Zardoz’. Paul Auster schrijft over dit boek het volgende: “Boorman proves himself to be a master storyteller in this beautifully and deeply affecting memoir.”

Om elf uur verliet ik de onzichtbare stad en keerde met twee papieren zakken vol  leven, lijden en dromen – maar ongetwijfeld ook inzichten en levenslessen - terug naar onze eenzame vertrekken. Nu hoop ik alleen maar dat de winter heel lang mag duren. Geen donkere, maar stralend lichte dagen, zodat de blik scherp is en de letters duidelijk afgetekend zijn op het soms al wat vergeelde papier.

the-hired-hand-peter-fonda.png

Afbeeldingen: Viva en Agnes Varda tijdens het draaien van 'Lion's Love'; Pierre Clementi; Peter Fonda in 'The Hired Hand'.

11-12-14

DE LAATSTE KEER

don't look now (2).jpg

De melancholie die je voelt als je eraan denkt dat je veel dingen die je nu nog doet ooit niet meer zal doen. Dat alles wat je doet een laatste keer kent. Alledaagse dingen zoals de afwas, maar ook uitzonderlijke zoals een diepgaand gesprek met een vriend of een verblijf in een oord dat je dierbaar is. Dat het de voorbije zomer misschien de laatste keer was dat je in Bagni di Lucca op een terrasje vlakbij het oude casino zat uit te kijken op de rivier de Lima en te mijmeren over de vele dichters en prinsessen die daar de kleine brug overstaken. Beroemdheden en vergeten bright stars, allemaal dood nu.

In ‘Exquisite Corpse’ beschrijft Robert Irwin dat elegische gevoel heel mooi: "There is a last time for meeting with and talking with everyone one knows, but one never knows when that last time will be. There will be a last time I go to Paris, a last visit to the cinema, a last breakfast, a last breath, but it is unlikely that I shall identify these 'lasts' for what they are."

Neen, je weet nooit of iets de laatste keer is, maar zeker bij reizen heb je een sterk vermoeden. Door deze straat zal ik wel nooit meer lopen, zeg je dan tegen je geliefde. Soms maakt het je zelfs al droef te denken aan de plaatsen waar je nooit geweest bent en ook nooit meer zal komen, zoals Anchorage, Sebastopol, Kyoto.

Het wordt zo vaak gezegd: het leven is kort, een moment, een flits, geniet ervan, pluk de dag. En geniet van de gelukkige herinneringen, want ze laten maar zelden van zich horen, drie of vier keer misschien, waarna ze voor altijd verdwijnen. Waar naartoe dat weten we niet. Opgeslagen in grote  ondoorzichtige glazen bokalen? In ontoegankelijke cellen, waar bloeddorstige cipiers, bereid tot foltering en doodslag, de wacht houden?

Zo herinner ik me nu een moment van geluk in hotel Angelo op een nacht in Venetië, vijfendertig jaar geleden. Na een lange avond dansen en het gevaar opzoeken in een afgelegen buurt, ver weg van het Piazza San Marco, het Canal Grande en de Rialtobrug, komen er twee jongens naar ons toe die ons waarschuwen voor slechte mensen, gespuis dat ons wil beroven en erger, twee goede jongens zijn dit, want die zijn er ook altijd, ga daar niet heen met die ragazzi, zeggen ze, maak jullie uit de voeten, wat we dan ook doen, vliegensvlug een brugje over, een straatje in, een straatje uit, en vervolgens verdwalen we in de Venetiaanse doolhof. Dan meert een watertaxi aan. De chauffeur of hoe moet ik de bestuurder van het bootje noemen, is bereid ons mee te nemen, ook al hebben we geen geld op zak. In de buurt van het hotel stap ik uit en laat mijn vriendin als garantie in het vaartuig achter. In onze hotelkamer moet ik lires gaan halen, bijna op de tast zoek ik mijn weg door donkere steegjes. Wat zal er met haar gebeuren? Misschien is de man van de watertaxi ook een slechte mens, neemt hij mijn geliefde mee naar een kelder van een duister en vervallen palazzo? Of wat ook mogelijk is, want ik heb gedronken en Quaalude genomen, misschien vind ik de weg niet terug. Maar daar ben ik al met het geld, en wat later liggen we gloeiend van opwinding in elkaars armen.

Hoe vaak zal ik me dat voorval en al de andere gevaarlijke situaties die goed afliepen, waardoor het geluksgevoel des te heviger was, nog herinneren? Misschien is dit de laatste keer, wie zal het zeggen. Maar deze herinnering heb ik nu wikkend en wegend in zinnen vertaald. Vaak echter ontsnappen ze al meteen na het moment dat ze zich voordoen of terwijl je ze probeert neer te schrijven. Dikwijls zijn de woorden ontoereikend. Je denkt terug aan iets moois in het verleden, probeert je te herinneren hoe je je toen voelde, maar alles begint te dwarrelen en alleen leegte blijft over. Toch geef je het  gevecht tegen de bloeddorstige cipiers nog niet op. Straks misschien al doet zich een andere gelegenheid voor, of morgen, wie zal het zeggen, je hebt geen macht over die stroom en kunt niet binnen in de cellen of een blik werpen op de inhoud van de grote bokalen. Tenzij het een feestdag is in je gedachten.

melancholie, herinnering, geheugen, moment, herhaling, robert irwin, cadavre exquis, venetië, bagni di lucca, laatste keer, afscheid, terugkeren, pluk de dag, genieten, vita brevis, avontuur, geluk, geluksgevoel, liefde, schoonheid,


Afbeeldingen: Don't Look Now, Nicolas Roeg,1973; Venetië, Martin Pulaski, 25 8 2007. 



09-12-14

DE VERLOREN KUNST VAN HET BRIEVEN SCHRIJVEN

helen1 001 (3).jpg

My house ain’t done, but it’s alright
Floors ain’t level, but I ain’t some suburban
Who cares about bathroom tiles
Straight lines and building codes and Chinese wind chimes
Mark Kozelek, ‘Gustavo’


Mijn leven is altijd een droom geweest en soms een droom in een droom. Als ik hier was verlangde ik ernaar daar te zijn en was ik daar dan wilde ik weer terugkeren naar hier. Meestal kwam het erop neer dat ik niet in deze wereld wilde zijn, maar in een andere, een betere, in een utopia. Of op Mars, mocht er daar leven zijn. De tijd maakt je echter moe, het leven wordt zwaarder om te dragen; daarom blijf je liever thuis en ga je in je herinneringen op zoek naar daar. Van sommige zulke reizen keer je met volle koffers terug. Maar vergis je niet: soms heb je zelfs geen schoenen meer aan je voeten.

Een tijdje geleden vertelde ik mijn vriend Neil over mijn teruggevonden notities uit de jaren zeventig aangaande Antonin Artaud. Het was een volkomen verrassing geweest: ik was vergeten dat ik ooit zoveel over de vervloekte schrijver had genoteerd; mijn handschrift leek dat van een vreemde snoeshaan, hoewel het tegelijk toch ook iets vertrouwds had behouden. Al gauw zetten we aan ons gezellig tafeltje, genietend van een glas Saison Dupont, de stap naar de snelle communicatie van tegenwoordig. Bijvoorbeeld hoe vlug familieleden en vrienden tegenwoordig ongerust zijn als je een poosje niets van je laat horen. Om de vijf minuten ongeveer moet je een signaal geven dat je nog bestaat. Je zou wel eens van de aardbol verdwenen kunnen zijn. Dood of misschien wel door aliens  naar Mars ontvoerd. De mensen vandaag de dag denken aan alles en nog wat maar kennelijk toch vooral aan rampen en catastrofes. “Er is veel rampspoed in de wereld,” schreef Hermann Harry Schmitz omstreeks 1916, “maar je moet er oog voor hebben”. Nu lijkt het er sterk op dat iedereen daar oog voor heeft.

Dat was veertig jaar geleden wel anders. Niet eens zo lang. In de jaren negentig kreeg Neil nog fanmail, vertelde hij me. Dat waren echte papieren brieven die in een postbus moesten worden afgehaald. Daarna werden het e-mails, en dat is nu ook gedaan. De e-mails, die toch nog iets persoonlijks hadden, zijn door internetfora vervangen. De ‘fans’ hebben genoeg aan elkaar, de liedkunstenaar is haast overbodig geworden. Ja, de kunstenaar wordt geheel overbodig, tenzij als komiek of panellid op televisie. Zijn werk bekijken we op leuke plaatjes op daarin gespecialiseerde websites. Sommige van mijn tijdgenoten kennen op die manier de hele kunstgeschiedenis beter dan Jakob Burkchardt de Italiaanse renaissance.

De kunst van het brieven schrijven dreigt verloren te gaan. Een verarming van de alledaagse communicatie omdat snelheid zo goed als altijd kwaliteitsverlies betekent en tevens een verarming van de wereldliteratuur. Denk aan de correspondentie van Kafka, Van Gogh, Pessoa, Strindberg, Flaubert. Zulke brieven zullen waarschijnlijk nooit meer worden geschreven.

Ik vertelde Neil over mijn correspondentie die duurde van omstreeks 1968 tot september 1969 met mijn pen pal in Istanbul. Het meisje heette Elena Chrisopoulou maar ik noemde haar Helen (zijzelf noemde zich ook zo). Helen was geen Turkse, zelfs geen Trojaanse maar een Griekse. Haar ouders waren rijke handelaars, zij daarentegen een hippiemeisje, opstandig, erg gekant tegen het autoritaire gezin en het materialisme van haar omgeving. Ze wilde uit dat burgerlijke milieu ontsnappen, net zoals ik het kleurloze, verstikkende internaatsleven in de provinciestad Tongeren voor goed achter me wilde laten. In mijn verbeelding was Istanbul de hoofdstad van het beloofde land: alles daar was betoverend en exotisch. Later besefte ik dat dat een romantische verblinding was geweest, het oriëntalisme, waar de jonge Flaubert ook al aan had geleden.

Een aantal van Helens brieven bezit ik nog; het leeuwendeel heb ik verbrand. Dat komt ervan als je verliefd wordt op een jaloers meisje. Niet dat ik niet aan die kwaal onderhevig was en nog steeds ben: ik was nog een graad erger, maar ik heb mijn liefje nooit gevraagd wat dan ook te verbranden. Misschien was er ook helemaal niets om te verbranden, dat zal ik wel nooit weten. Ik geloof dat ik gewoon niet jaloers was op het vroegere liefdesleven van mijn geliefde, alleen was ik het in overdreven mate op wat in het heden gebeurde. Maar psychologie laat ik, zeker in dit geval, liever aan anderen over.

Helen en ik schreven elkaar naast brieven ook liefdesgedichten, maar die heb ik tot mijn grote spijt niet meer. Ongetwijfeld ook in rook opgegaan, alsof ik er opeens in het licht van de nieuwe liefde bewijzen in zag van wangedrag, van ontrouw. Ik geloof echter niet dat er ooit onschuldiger woorden op papier zijn gezet. Hoewel: waar zouden de talloze brieven en gedichten die ik Helen stuurde nu zijn? In schoendozen ergens in Istanbul, of ook ten prooi gevallen aan het vuur - of het water, want water is er veel in en rondom die stad?

De brieven en gedichten waren op lichtblauw luchtpostpapier geschreven, zo licht dat je moest oppassen of een briesje ging ermee aan de haal. Zeker op zomerzondagen, als ik op het schip voor het open raam op mijn Olivetti – in een eerdere tekst maakte ik er een Remington van, maar het was in werkelijkheid een Olivetti - zat te schrijven, tien bladzijden was de afspraak, als mijn moeder naar de mis was en mijn vader op snoek zat te vissen of, heel af en toe, zijn roes lag uit te slapen. De blauwe briefjes vormden na een tweetal uren een kwetsbaar stapeltje. Maar de wind deed er niets mee; hij wachtte op de wreedheid van het vuur.
bio6 001.jpg

In die brieven - begonnen in de tijd van flower power, liever lief zijn, utopische dromen van een betere wereld - ontstond een zacht en veelkleurig wereldbeeld, een ideale ruimte waarin alleen Helen, ikzelf en enkele verwante zielen pasten. In dat Utopia zouden wij leven van zon, aarde, zee, liefde, de elementen in perfecte harmonie. Veel van onze inspiratie kwam uit liedjes van Donovan (zijn ‘Sunshine Superman' was hét voorbeeld), the Doors, Jefferson Airplane, Love (meer ‘Da Capo’ dan ‘Forever Changes’) en the Rolling Stones, vooral die van ‘Their Satanic Majesties Request’. We zouden elkaar in Istanbul ontmoeten en vandaar verder reizen, in grotten wonen en leven van visvangst. Later hoorde ik dat er echt hippies waren geweest die zo hadden geleefd. Best mogelijk dat ze er nog zijn. Ik heb op Kreta ooit zo’n Duitse grotbewoner ontmoet. Dat was in de zomer van 1990. Alles was daar nu verknoeid, zei hij, we hadden twintig jaar eerder moeten komen. Nog een geluk dat dat niet is gebeurd. Waarom zou ik twintig jaar terugreizen in de tijd om de omgeving, de plaatselijke cultuur op dat ooit schitterende en rijke eiland te verwoesten?
donovan sunshine superman.jpg

Toch waren onze plannen op dat blauwe luchtpostpapier behoorlijk concreet. Een ding was zeker: ik moest mijn middelbare school afmaken. Daar maakte Helen zich veel zorgen over, omdat ik in mijn brieven zo vaak mijn beklag deed over de school, de mentaliteit van het onderwijzend personeel en van de prefect. Ook dat ik zo’n afkeer had van wiskunde baarde haar zorgen. Ik was toch altijd een goede leerling geweest? En nu wilde ik al die onzin de rug toekeren. Dat en veel andere dingen die ik vergeten was heb ik de voorbije dagen in haar brieven teruggevonden.  

We waren ongeduldig als tieners maar hadden het geduld van wijze volwassenen. Over mijn liefde voor Helen praatte ik met mijn moeder. Ik had de indruk dat ze die liefdegeschiedenis ontroerend, avontuurlijk vond. Het waren dingen waar ze in haar jeugd wellicht zelf naar had verlangd. De lokroep van een avontuurlijk bestaan. Dat was in haar tijd Parijs. Bij ons was het het psychedelische en bewustzijnsverruimende Oosten, Turkije, Afghanistan, Nepal. Ook mijn broer, zes jaar ouder dan ik, vertelde ik verhalen over mijn Helen, over wat we zouden doen. Hij zou met me naar Istanbul rijden. Maar van wat zouden we leven? Dat zouden we wel zien, zei ik.

In die brieven leefde ik een ander leven, een dromend bestaan. Maar in Tongeren, in Hasselt, in Maastricht en in Neerharen had ik ook echte vrienden en vriendinnen – van vlees en bloed. Met hen maakte ik veel concretere plannen. Ik ontmoette meisjes, kende momenten van geluk en extase. Buiten de schoolmuren was het leven niet eens zo slecht. Meer en meer keerden de jongeren zich af van de vermolmde regels en wetten die hen sinds mensenheugenis hadden belet om vrij en gelukkig te zijn. Ik raakte geïnteresseerd in film, theater, filosofie. Wat nabij was kwam nog dichterbij, de verre dromen werden abstracter, minder tastbaar; Helen werd nu meer een Moonchild, een personage uit een sprookje, dan ooit tevoren. Rondom liet het echte leven van zich horen. Ik zette mijn eerste stappen in wat ik voor de echte wereld aanzag.

Zo werd de kunst van het brieven schrijven, zoals ik die in die tijd beoefende, opgeofferd aan de liefde. Het ideaal en de droom aan het echte leven. Abrupt zette ik een punt achter de correspondentie.  Helen was radeloos. Ze schreef mijn moeder aan in een rudimentair Frans, waarop zij in een nog kaler Frans, beweerde ze, antwoordde dat ik een meisje had gevonden, de liefde van mijn leven. Ze vroeg Helen om begrip. Istanbul is zo ver voor Martin, schreef ze op hetzelfde blauwe luchtpostpapier als dat van mij, en Brussel zo dichtbij.

IMG_0954.JPG

 

08-12-14

OP KEIEN GROEIT MOS

Student_von_Prag.jpg

Het toeval regeert mijn leven, niets nieuws onder de zon. Gisteren vond ik deze aantekening van W.G. Sebald uit ‘De ringen van Saturnus’ terug:

“Dagen- en wekenlang breek je je tevergeefs het hoofd, je zou geen antwoord weten op de vraag of je blijft schrijven uit gewoonte of uit geldingsdrang, of omdat je niets anders geleerd hebt, of uit verwondering over het leven, uit waarheidsliefde, uit wanhoop of verontwaardiging, en ook zou je niet kunnen zeggen of je van het schrijven nu wijzer of dwazer wordt.”

In januari 1980, en waarschijnlijk reeds veel eerder, zat ik al te piekeren over de zin van het schrijven.  In een cahier met notities uit die periode trof ik vanmorgen het volgende aan:

Waarom je nog vastklampen aan het geschrevene? Waarom kun je geen afstand doen van om het even welke tekst die je ooit schreef, hoe slecht hij ook is? Verscheuren, versnipperen, in het vuur werpen…  Neen, je kunt het niet, je houdt het allemaal bij, je bouwt stilaan een archief op van je mislukkingen, van je falen.

Elke tekst is een vermomming. Elk blad papier waarop je iets neerschreef verbergt iets lelijks, iets afschuwelijks; elke zin onttrekt de horror aan je blik. Nietzsche merkte in verband met schrijvers als Byron, Poe, Leopardi, Kleist, Gogol iets dergelijks al op in ‘Voorbij goed en kwaad’: “… vaak nemen zij met hun werken wraak voor een innerlijke bezoedeling, vaak zoeken zij in hun hoge opvluchten vergetelheid van een al te betrouwbaar geheugen, vaak zijn zij in het slijk verdoold en er bijna verliefd op geworden, tot zij worden als dwaallichten rondom de moerassen en zich als sterren gaan voordoen…”

Maar ben ik het eens met Nietzsche? Destijds, in 1980 dus, alleszins niet. Ik ontkende dat ik zo een schrijver was. Ik ben iemand anders, schreef ik. Precies om te bewijzen dat ik iemand anders was, beweerde ik, om die andere in leven te roepen, ben ik gaan schrijven. Vandaar, dacht ik, het vaak voorkomende thema van de dubbelganger in mijn werk en in het werk van schrijvers die ik bewonder (onder meer Edgar Allan Poe, Robert Louis Stevenson, Heinrich Von Kleist, Arthur Rimbaud, Hans Christian Andersen, Oscar Wilde).

Wij lezen boeken om te weten te komen wat wij verbergen en tegelijkertijd, al lerend, verbergen wij, bedelven wij, maken wij wat we wellicht al lang wisten onherkenbaar. En schrijven is altijd een vorm van zwijgen, van verzwijgen. Alle kunst is een vorm van stilte. Het is datgene wat je niet uitspreekt aan tafel, tijdens een vergadering, op een familiefeestje, tegen je geliefde, je kinderen.

[Films bekijken, erin opgaan, ons er het zwijgen door laten opleggen. Om ons met plezier te vereenzelvigen met de personages die wij niet willen zijn, sterker nog, die we verafschuwen en haten.]

Uit dit alles concludeer ik dat ik sinds 1980 zo goed als niets heb bijgeleerd. Mijn denken is nog altijd even verward en ongebonden. Ik geloof nog steeds dat schrijven, dat kunst, naar stilte streeft. Het is een weg die je aflegt. Je begint met weinig woorden en povere zinsconstructies, je taal wordt rijker, barokker, en hoe meer ze dat wordt hoe meer je ze gaat verafschuwen, je begint te schrappen, je verwerpt alles wat kunstmatig en hoogdravend is, je stijl wordt kaler, je taal die van een heremiet, je woorden, eerst edelstenen, worden keien. Maar op keien groeit mos.

dorian-grays-porträtt-(1945)2.jpg

Afbeeldingen: Der Student von Prag, Hanns Heinz Ewers, Stellan Rye; The Picture Of Dorian Gray, Albert Lewin.

04-12-14

HERINNER JE JE BOBBY KEYS EN IAN MACLAGAN?

small faces3.jpg

Bobby Keys is overleden. De saxofonist roept bij mij onwillekeurig herinneringen op aan de mooie dagen in de Visélaan toen in onze woning daar de vrolijke en vettige klanken van ‘Sticky Fingers’ en ‘Exile On Main Street’ de muziekkamer en eigenlijk het hele huis vulden. De opwinding die ik daar bij voelde. Het zijn feestelijke platen: ik genoot er het meest van als ik ze met vrienden kon delen, nuchter of liever nog onder invloed van wat hasjiesj.  Werd ‘Exile On Main Street’ toen niet door de muziekpers afgekraakt omdat de plaat zo rommelig klonk? Ik dacht van wel. Een onderdeel van die verrukkelijke rommeligheid vormde de unieke sound van Bobby Keys z’n sax. De anekdotes over the Rolling Stones on tour, inclusief de uitspattingen van de huurlingmuzikant, zijn genoegzaam bekend. Waarom slingeren rocksterren toch zo graag televisietoestellen door hotelramen? Of schieten ze erop, zoals Elvis Presley deed (en Bruce Springsteen droomde). Ik luisterde gisteren nog een keer naar ‘Whatever Gets You Through the Night’ van John Lennon, ook met de Texaanse saxofonist in een glansrol. Moge Bobby Keys in vrede rusten.

BobbyKeysandKeithRichards.jpg

Gisteravond laat, na de zoveelste aflevering van the Sopranos – ik leef nu op een dieet van schrijven en Sopranos – probeerde ik mijn smartphone aan de praat te krijgen. Mijn gsm was al enkele dagen stuk. Ik heb me dan maar zo’n toestel vol overbodige snufjes die het leven nog wat moeilijker maken aangeschaft. Een fototoestel op een telefoon, te gek jongen!

Het eerste wat ik op mijn smartphone las was een bericht over de dood van Ian McLagan. Een van de kleine grote helden uit mijn jeugd - samen met Steve Marriott, Ronnie Lane & Kenney Jones in the Small Faces. In de tweede helft van de sixties maakte die beatgroep van de meest opwindende singles die je op de radio en de jukebox kon horen. Op elk gebied waren ze pure stijl. Als ik in Maastricht naar de kapper ging had ik altijd een foto van deze groep bij als voorbeeld. Ook bij het kiezen van hemden, jasjes en broeken liet ik me door hun voorkomen inspireren. Echt mod was dat al niet meer, daar waren hun haren wat te lang voor. Er zaten ook al veelkleurige, psychedelische ingrediënten in, net zoals in hun songs.

Singles als ‘All Or Nothing’, ‘Here Comes the Nice’, ‘Itchycoo Park’ en ‘Tin Soldier’ voerden me tot aan de rand van extase en soms erover. Ik herinner me nog goed hoe uitbundig Guy Bleus en ik in Tongeren - in café de Paddock geloof ik - dansten op de wilde klanken van dat laatste nummer, een van de beste singles aller tijden. Het orgel en de piano van Ian McLagan maken er een popparel van – eigenlijk is zijn geïnspireerd spel er de ziel van. Ach, wat hield ik van the Small Faces. Ik zag ze twee keer live. Een keer (1), samen met mijn vriend Jan De Pooter, een even grote fan als ik, in het nergensland van Diepenbeek. Bij dat concert mocht ik een mooi flower power-meisje dat ik helemaal niet kende lang en warm kussen. Ik heb nooit geweten hoe ze heette. Of ben ik het vergeten? Wat ik me wel nog herinner zijn de flessen gin die we doorgaven aan iedereen die het maar wilde. Een tweede keer, misschien nog grootser, maar minder intiem, was op Jazz Bilzen (2). De mooiste dagen van ons leven, terwijl we daar toch zo vlug mogelijk aan wilden ontsnappen. De illusies die ‘vrijheid’ en ‘toekomst’ heten, schitterden als het chroom van oude Chevrolets in de midzomerzon. De mooiste dagen, weggerend als wilde paarden over de heuvels, om het eens met de woorden van Charles Bukowski te zeggen.

Ian McLagan is dood, maar onze honger naar de klank van zijn orgel en naar de swingende sound van the Small Faces is niet gestild.

“When you're slipping into sleep, that's the time to unwind
Sinking down into the deep, that's the time of no time
When you're slipping into sleep
All the sounds around you seem to have a new meaning
Leave your body behind you with a different feeling
When you're slipping into sleep” (3).

pop, popcultuur, rock, muziek, small faces, rolling stones, bobby keys, ian mclagan, dood, sixties, euforie, dansen, singles, jukebox, jazz bilzen, diepenbeek, vrienden, plezier, geluk, toekomst, vrijheid, kleren, kapsel, extase

 

 

(1) Op 11 mei 1968 in Diepenbeek.
(2) Op 24 augustus 1968 op Jazz Bilzen. Eerst the Small Faces, daarna een jamsession van leden van the Small Faces, Cuby + Blizzards, Alexis Korner en Chris Farlowe.
(3) Uit  ‘Up The Wooden Hills To Bedfordshire’ van Ian McLagan. Terug te vinden op 'Small Faces', verschenen in 1967 op Immediate.

02-12-14

HERINNER JE JE WILLIE BOY?

willie boy 2.jpg

Ziezo, kerstmis is in aantocht, het feest van de vrede. Overal in de stad schitteren de lichtjes en in de etalages staan lachende kerstmannetjes. Welke drugs zouden zij hebben genomen? Want hoe kan zo’n kerstman zonder hulpmiddelen nog lachen in deze tijd die in elke levenssfeer het einde lijkt aan te kondigen? Het is koud en donker buiten, er hangt een vuile nevel boven de huizen. Ik denk niet dat er waar dan ook in deze stad veel valt te beleven.

Hoe anders was het in de dagen dat we naar ‘London Calling’ van the Clash luisterden alsof in die muziek een nieuwe wereld kon worden ontdekt. Geen mooie of aangename wereld maar wel opwindend en stimulerend. Zo’n dag herinner ik me nu opeens weer, alsof het gisteren was. Eigenlijk was het zelfs meer gisteren dat het zogezegd echte gisteren dat nu, na een slapeloze nacht en veel gepieker, ver weg in het verleden ligt.

Het was een vrieskoude vrijdagavond. Mijn oude vriend Willie Boy was nog een keer op bezoek. We hadden elkaar ruim een jaar niet gezien. Hij zag er gezond uit maar was duidelijk in de war; hij vergat voortdurend wat hij gezegd had, herhaalde steeds weer dezelfde verhalen en anekdotes. Over drankzucht, werkeloosheid, financiële problemen, zijn meedogenloze ouders. Mij scheen hij nog steeds te vertrouwen. Hij was me dankbaar, denk ik, omdat ik hem, in tegenstelling tot wat enkele andere van zijn vrienden hadden gedaan, niet had laten vallen. Ik was met hem in contact gebleven, we schreven elkaar, zijn brieven kort, soms niet meer dan postkaartjes, die van mij lang en meanderend, me overgevend aan de woorden, écriture automatique of beat writing. Met Pritt plakte ik de ene bladzijde aan de andere en voelde me dan enigszins heldhaftig, een Antwerpse Jack Kerouac.

Die avond was ik vooral luisterend oor en deed er voor de rest het zwijgen toe. Nadat Willie Boy was uitgeraasd leerde hij me pokeren, of toch de basis van het spel. Hij had dat al vaak willen doen maar ik had er nooit zin in gehad. Pokeren en roulette behoorden niet echt tot mijn wereld, vond ik. Ik was geen speler en ben het ook nooit geworden. Dat Willie Boy zo graag poker speelde verbaasde mij echter niet. Rambling Gambling Willie*, noemde ik hem soms. Het pokerspel is een metafoor voor gevaarlijk leven, net zoals snelle wagens, heroïne, de namen ‘Geoffrey Firmin’ en ‘Charles Bronson’. Overigens lag mijn exemplaar van ‘Under the Volcano’ in Willie Boy’s auto toen hij hem enkele jaren eerder in de vernieling reed. Zelf had hij gelukkig geen schrammetje.

Een dag later, zaterdag, was Willie Boy terug, zoals was afgesproken. Nu zag hij er rustiger uit, vrolijk bijna. We zouden met z’n vieren het Antwerpse nachtleven induiken. Zijn nieuwe vriendin, Fannie, was met hem meegekomen. Ze was hoewel jong nog al gescheiden, moeder van een dochtertje. Fannie’s vader was een rijke juwelier. Dat had Willie Boy vrijdag al verteld. Ik weet nog altijd niet of het waar was. Wat was waar van wat Willie Boy vertelde, en wat was verzonnen? En had het belang? De blik in zijn bruine ogen had iets onvoorspelbaars, soms zelfs iets dreigends. Zijn passie voor messen vond ik eng, maar gelukkig was hij die avond ongewapend. Nu ja, daar ging ik alleszins van uit. En ik wist dat hij me nooit kwaad zou doen. Willie Boy was een goede vriend, maar ik besefte opeens hoe moeilijk het moest zijn om met hem samen te leven, een toekomst op te bouwen. Wat doe je met een lieve en goede man geobsedeerd door geld, amfetamine en gokken? Iemand die maar naar een ding schijnt te verlangen: zelfvernietiging.

Na het avondeten gingen we de stad in, mijn geliefde, Fannie, Willie Boy en ik. Zoals zo vaak in die tijd werd het een euforische nacht en even bizar als de tekst van ‘Glory’:

She got mad. She said, you're too steep.
She put on her boxing gloves and went to sleep.

Op dat nummer van Television hebben we uitbundig gedanst, aangevuurd door tequila en peppillen. ‘Always Crashing In the Same Car’ hoorde eveneens bij de hoogtepunten. Het zijn songs waarbij je jezelf geheel vergeet, je wordt één met het ritme, met de stem van de zanger of zangeres, of met een of ander geluid van een of ander instrument. Zoals ik het nu beschrijf lijkt het banaal, maar het is een ervaring die ongeveer alles wat je beleven kunt overtreft. Je kunt er moeilijk woorden voor vinden. Greil Marcus probeert het soms, maar slaagt er ook niet altijd in. Een orgasme kun je ook niet beschrijven. Het was een van die verrukkelijke nachten waar geen einde aan lijkt te komen. Alles is dan euforie, pure zinnelijkheid; er hangt seks in de lucht. Seks die weinig met neuken heeft te maken, alles met verlangen.
 
Dan opeens staat Willie Boy, een en al ingehouden toorn, tegenover een tooghanger. Hij denkt dat de kerel, een niemendal die ik van zien ken, ons heeft beledigd. Daar heb ik alvast niets van gemerkt. Zo was Willie Boy altijd: hij wilde niets liever dan ons beschermen en verdedigen. De arme man maakt zich meteen uit de voeten. Dat komt door Willie Boys's gevaarlijke blik, scherp als een gebroken whiskyglas. Hij heeft helemaal geen wapens nodig om iemand de daver op het lijf te jagen.

Van thuis had ik een oud boek meegenomen om onderweg uit voor te lezen: ‘Het Eeuwige IJs’**, over de tweede, noodlottige, Zuidpoolexpeditie van Robert Falcon Scott. Als jongen was ik verzot op zulke avonturen. Amundsen, Scott, Nobile en weet ik veel wie nog allemaal. Edgar Allan Poe heeft ook zo’n geweldige kleine roman, ‘The Narrative Of Arthur Gordon Pym’. Op het einde van dat boek wordt alles wit en lijkwitte vogels slaken de akelige kreet ‘Tekeli-li’’, maar ik dwaal af. Ik vond het relaas van kapitein Scott goed passen bij onze dronken expeditie naar het hart van de bevroren stad. Maar aan voorlezen had ik niet meer gedacht. Hoe had ik dat ook gekund, gelet op de oorverdovende rock & roll.  Zelfs in het kunstzinnige café Het Pannenhuis was het niet stil genoeg. Als herinnering aan de mooie nacht wilde ik Willie Boy ‘Het eeuwige IJs’ cadeau doen, maar daar wilde hij niets van weten. Ik moest het verkopen, dat ijzige boek is goud waard, zei hij. Uiteindelijk heeft hij het toch aangenomen.

Hoe lang we in dat café zaten weet ik niet meer, ongetwijfeld tot sluitingstijd. Toen we buiten kwamen lag er al een dikke laag witte sneeuw.  Natuurlijk waren we meteen weer de kinderen die we altijd blijven en al gauw waren we elkaar met sneeuwballen aan het bekogelen. Waarop we ons op halfbevroren voeten wankelend en lachend naar huis hebben gespoed. Weer thuis zong Fannie wat folksongs voor ons, ‘Four Strong Winds’, ‘Early Morning Rain’ en wat dies meer zij. Daarbij begeleidde ze zichzelf op mijn lichtjes ontstemde rode gitaar. Ik was onder de indruk. Zal ik om een punt achter deze mooie nacht te zetten nu wat voorlezen uit ‘Het eeuwige ijs’, vroeg ik Willie Boy. Hij was tenslotte de rechtmatige eigenaar van het meesterwerkje. Dat de ongelukkige Zuidpoolreiziger in de ijzige sneeuw verdwaalde en pas maanden later, één geworden met het genadeloze ijs, werd teruggevonden*** hoorde niemand meer. Slaap is sterker dan sneeuw.

Het is halfnegen. Mijn verslag is af, hoewel dat een relatief begrip is. Is ooit iets af? Ja, het leven van Willie Boy, dat wel. Wat had u anders gedacht? Om het tragische levenseinde van Willie Boy uit de doeken te doen ben ik nu echter niet bij machte. Dat is te veel in één keer. Misschien vertel ik er ooit nog wel eens over. Maar ik geloof dat dat nog moeilijker is dan beschrijven wat muziek in momenten van extase met je doet. De muziek van de dood is vooral heel stil.  Nu ga ik de straat op, op zoek naar een nieuwe mobiele telefoon. Ik moet contact onderhouden met mijn vrienden.
Scottgroup-zuidpool.jpg

*“It was late one evenin’ during a poker game
A man lost all his money, he said Willie was to blame
He shot poor Willie through the head, which was a tragic fate
When Willie’s cards fell on the floor, they were aces backed with eights”
Bob Dylan, Rambling Gambling Willie

* *Het eeuwige ijs: de Zuidpool-expeditie van Kapitein Scott. Een verhaal van den laatsten tocht naar de Zuidpool door kapitein Scott en diens tragisch einde, benevens een beschrijving van het natuurleven in het eeuwige ijs. J.M. Meulenhoff (Amsterdam, ca. 1920).

***Op 12 november 1912werd de ondergesneeuwde tent met de lichamen van Scott, Bowers en Edward Wilson gevonden. Tot kort voor zijn dood hield Scott een dagboek bij dat samen met een aantal brieven naast hem werd gevonden. Zijn laatste woorden schreef hij op 29 maart: "For God's sake look after our people".

HERINNER JE JE WILLIE BOY?

willie boy 2.jpg

Ziezo, kerstmis is in aantocht, het feest van de vrede. Overal in de stad schitteren de lichtjes en in de etalages staan lachende kerstmannetjes. Welke drugs zouden zij hebben genomen? Want hoe kan zo’n kerstman zonder hulpmiddelen nog lachen in deze tijd die in elke levenssfeer het einde lijkt aan te kondigen? Het is koud en donker buiten, er hangt een vuile nevel boven de huizen. Ik denk niet dat er waar dan ook in deze stad veel valt te beleven.

Hoe anders was het in de dagen dat we naar ‘London Calling’ van the Clash luisterden alsof in die muziek een nieuwe wereld kon worden ontdekt. Geen mooie of aangename wereld maar wel opwindend en stimulerend. Zo’n dag herinner ik me nu opeens weer, alsof het gisteren was. Eigenlijk was het zelfs meer gisteren dat het zogezegd echte gisteren dat nu, na een slapeloze nacht en veel gepieker, ver weg in het verleden ligt.

Het was een vrieskoude vrijdagavond. Mijn oude vriend Willie Boy was nog een keer op bezoek. We hadden elkaar ruim een jaar niet gezien. Hij zag er gezond uit maar was duidelijk in de war; hij vergat voortdurend wat hij gezegd had, herhaalde steeds weer dezelfde verhalen en anekdotes. Over drankzucht, werkeloosheid, financiële problemen, zijn meedogenloze ouders. Mij scheen hij nog steeds te vertrouwen. Hij was me dankbaar, denk ik, omdat ik hem, in tegenstelling tot wat enkele andere van zijn vrienden hadden gedaan, niet had laten vallen. Ik was met hem in contact gebleven, we schreven elkaar, zijn brieven kort, soms niet meer dan postkaartjes, die van mij lang en meanderend, me overgevend aan de woorden, écriture automatique of beat writing. Met Pritt plakte ik de ene bladzijde aan de andere en voelde me dan enigszins heldhaftig, een Antwerpse Jack Kerouac.

Die avond was ik vooral luisterend oor en deed er voor de rest het zwijgen toe. Nadat Willie Boy was uitgeraasd leerde hij me pokeren, of toch de basis van het spel. Hij had dat al vaak willen doen maar ik had er nooit zin in gehad. Pokeren en roulette behoorden niet echt tot mijn wereld, vond ik. Ik was geen speler en ben het ook nooit geworden. Dat Willie Boy zo graag poker speelde verbaasde mij echter niet. Rambling Gambling Willie*, noemde ik hem soms. Het pokerspel is een metafoor voor gevaarlijk leven, net zoals snelle wagens, heroïne, de namen ‘Geoffrey Firmin’ en ‘Charles Bronson’. Overigens lag mijn exemplaar van ‘Under the Volcano’ in Willie Boy’s auto toen hij hem enkele jaren eerder in de vernieling reed. Zelf had hij gelukkig geen schrammetje.

Een dag later, zaterdag, was Willie Boy terug, zoals was afgesproken. Nu zag hij er rustiger uit, vrolijk bijna. We zouden met z’n vieren het Antwerpse nachtleven induiken. Zijn nieuwe vriendin, Fannie, was met hem meegekomen. Ze was hoewel jong nog al gescheiden, moeder van een dochtertje. Fannie’s vader was een rijke juwelier. Dat had Willie Boy vrijdag al verteld. Ik weet nog altijd niet of het waar was. Wat was waar van wat Willie Boy vertelde, en wat was verzonnen? En had het belang? De blik in zijn bruine ogen had iets onvoorspelbaars, soms zelfs iets dreigends. Zijn passie voor messen vond ik eng, maar gelukkig was hij die avond ongewapend. Nu ja, daar ging ik alleszins van uit. En ik wist dat hij me nooit kwaad zou doen. Willie Boy was een goede vriend, maar ik besefte opeens hoe moeilijk het moest zijn om met hem samen te leven, een toekomst op te bouwen. Wat doe je met een lieve en goede man geobsedeerd door geld, amfetamine en gokken? Iemand die maar naar een ding schijnt te verlangen: zelfvernietiging.

Na het avondeten gingen we de stad in, mijn geliefde, Fannie, Willie Boy en ik. Zoals zo vaak in die tijd werd het een euforische nacht en even bizar als de tekst van ‘Glory’:

She got mad. She said, you're too steep.
She put on her boxing gloves and went to sleep.

Op dat nummer van Television hebben we uitbundig gedanst, aangevuurd door tequila en peppillen. ‘Always Crashing In the Same Car’ hoorde eveneens bij de hoogtepunten. Het zijn songs waarbij je jezelf geheel vergeet, je wordt één met het ritme, met de stem van de zanger of zangeres, of met een of ander geluid van een of ander instrument. Zoals ik het nu beschrijf lijkt het banaal, maar het is een ervaring die ongeveer alles wat je beleven kunt overtreft. Je kunt er moeilijk woorden voor vinden. Greil Marcus probeert het soms, maar slaagt er ook niet altijd in. Een orgasme kun je ook niet beschrijven. Het was een van die verrukkelijke nachten waar geen einde aan lijkt te komen. Alles is dan euforie, pure zinnelijkheid; er hangt seks in de lucht. Seks die weinig met neuken heeft te maken, alles met verlangen.
 
Dan opeens staat Willie Boy, een en al ingehouden toorn, tegenover een tooghanger. Hij denkt dat de kerel, een niemendal die ik van zien ken, ons heeft beledigd. Daar heb ik alvast niets van gemerkt. Zo was Willie Boy altijd: hij wilde niets liever dan ons beschermen en verdedigen. De arme man maakt zich meteen uit de voeten. Dat komt door Willie Boys's gevaarlijke blik, scherp als een gebroken whiskyglas. Hij heeft helemaal geen wapens nodig om iemand de daver op het lijf te jagen.

Van thuis had ik een oud boek meegenomen om onderweg uit voor te lezen: ‘Het Eeuwige IJs’**, over de tweede, noodlottige, Zuidpoolexpeditie van Robert Falcon Scott. Als jongen was ik verzot op zulke avonturen. Amundsen, Scott, Nobile en weet ik veel wie nog allemaal. Edgar Allan Poe heeft ook zo’n geweldige kleine roman, ‘The Narrative Of Arthur Gordon Pym’. Op het einde van dat boek wordt alles wit en lijkwitte vogels slaken de akelige kreet ‘Tekeli-li’’, maar ik dwaal af. Ik vond het relaas van kapitein Scott goed passen bij onze dronken expeditie naar het hart van de bevroren stad. Maar aan voorlezen had ik niet meer gedacht. Hoe had ik dat ook gekund, gelet op de oorverdovende rock & roll.  Zelfs in het kunstzinnige café Het Pannenhuis was het niet stil genoeg. Als herinnering aan de mooie nacht wilde ik Willie Boy ‘Het eeuwige IJs’ cadeau doen, maar daar wilde hij niets van weten. Ik moest het verkopen, dat ijzige boek is goud waard, zei hij. Uiteindelijk heeft hij het toch aangenomen.

Hoe lang we in dat café zaten weet ik niet meer, ongetwijfeld tot sluitingstijd. Toen we buiten kwamen lag er al een dikke laag witte sneeuw.  Natuurlijk waren we meteen weer de kinderen die we altijd blijven en al gauw waren we elkaar met sneeuwballen aan het bekogelen. Waarop we ons op halfbevroren voeten wankelend en lachend naar huis hebben gespoed. Weer thuis zong Fannie wat folksongs voor ons, ‘Four Strong Winds’, ‘Early Morning Rain’ en wat dies meer zij. Daarbij begeleidde ze zichzelf op mijn lichtjes ontstemde rode gitaar. Ik was onder de indruk. Zal ik om een punt achter deze mooie nacht te zetten nu wat voorlezen uit ‘Het eeuwige ijs’, vroeg ik Willie Boy. Hij was tenslotte de rechtmatige eigenaar van het meesterwerkje. Dat de ongelukkige Zuidpoolreiziger in de ijzige sneeuw verdwaalde en pas maanden later, één geworden met het genadeloze ijs, werd teruggevonden*** hoorde niemand meer. Slaap is sterker dan sneeuw.

Het is halfnegen. Mijn verslag is af, hoewel dat een relatief begrip is. Is ooit iets af? Ja, het leven van Willie Boy, dat wel. Wat had u anders gedacht? Om het tragische levenseinde van Willie Boy uit de doeken te doen ben ik nu echter niet bij machte. Dat is te veel in één keer. Misschien vertel ik er ooit nog wel eens over. Maar ik geloof dat dat nog moeilijker is dan beschrijven wat muziek in momenten van extase met je doet. De muziek van de dood is vooral heel stil.  Nu ga ik de straat op, op zoek naar een nieuwe mobiele telefoon. Ik moet contact onderhouden met mijn vrienden.
Scottgroup-zuidpool.jpg

*“It was late one evenin’ during a poker game
A man lost all his money, he said Willie was to blame
He shot poor Willie through the head, which was a tragic fate
When Willie’s cards fell on the floor, they were aces backed with eights”
Bob Dylan, Rambling Gambling Willie

* *Het eeuwige ijs: de Zuidpool-expeditie van Kapitein Scott. Een verhaal van den laatsten tocht naar de Zuidpool door kapitein Scott en diens tragisch einde, benevens een beschrijving van het natuurleven in het eeuwige ijs. J.M. Meulenhoff (Amsterdam, ca. 1920).

***Op 12 november 1912werd de ondergesneeuwde tent met de lichamen van Scott, Bowers en Edward Wilson gevonden. Tot kort voor zijn dood hield Scott een dagboek bij dat samen met een aantal brieven naast hem werd gevonden. Zijn laatste woorden schreef hij op 29 maart: "For God's sake look after our people".