23-08-05

WANDA GORONSKI EN DE ANGST VOOR DE ANGST?

 

wandagorowski2.jpg



Binnen afzienbare tijd zal Wanda Goronski hier in haar eigen woorden haar levensverhaal vertellen. Haar motto is: "there's nothing to fear but fear itself", een uitspraak die ze voor het eerst hoorde uit de (gefilmde) mond van Dennis Hopper in Der Amerikanische Freund (gisteren nog maar eens uitgezonden op Arte) van Wim Wenders, die ik een paar dagen geleden zag passeren in een Berlijnse straat. De uitspraak is niet van Dennis Hopper en ook niet van Wim Wenders maar van de Amerikaanse president Franklin Delano Roosevelt. Ik weet niet of Wanda dat weet en het is overigens een weinig origineel motto. Maar zoals je zal lezen is Wandag Goronski wel een bijzondere vrouw. Een heel mooie vrouw, met van die sensuele lippen.

Foto: Martin Pulaski, Daringman.

22-08-05

WAAROM IK NOOIT EEN HIPPIE BEN GEWEEST


mods in tongeren

Nu ik terug ben uit Berlijn wil ik, voor ik wat vertel over de indrukken die ik daar opdeed, even verduidelijken waarom ik nooit een hippie ben geweest, wat verwanten, vrienden en kennissen – die het kunnen weten – nochtans beweren; een authentieke hippie zelfs, zeggen sommigen. Dat zijn degenen die me op televisie hebben gezien in een documentaire over Jazz Bilzen 1967. Ik was in hun ogen een hippie omdat ik toen kennelijk de uitspraak heb gedaan “ik houd van bloemen". Er zaten ook bloemen in mijn haar. Die kwamen uit de tuin van mijn tante Berb in Neerharen. De interviewer, Louis Neefs, vroeg me waar ik van hield en waar ik tegen was. Ik was destijds tegen de oorlog in Vietnam. Ik heb die reportage zelf ook gezien, toch al weer een tijdje geleden, bij een derde herhaling. Ik had er bij mijn vriend Jos in Leuven al een fragment van gezien op video. Toen de documentaire een tweede keer werd uitgezonden heeft Jos dat fragment zeer toevallig en spontaan opgenomen, verrast zo opeens zijn vriend op televisie te zien. Hij heeft toen ik bij hem op bezoek was een foto gemaakt van me, zoals ik op dat ogenblik was, al enigszins verwelkt, met op de achtergrond het stilstaande beeld van mezelf in 1967 met die bloemen op mijn jas en in mijn haar. Het was duidelijk dat ik van bloemen hield. Ja, ik herinner me nu heel goed dat ik ook tegen die oorlog in Vietnam was en voor de vrede. De mensen moesten maar eens wat liever gaan worden voor elkaar. Er was al meer van voldoende haat in de wereld. Ik was helemaal weg van flower power en love-ins. Maar het spijtige was dat ik in Limburg nogal alleen was met zulke standpunten en gevoelens - en met lang haar. Was ik op mijn zeventiende dan toch een hippie? Ik heb altijd gevonden dat ik een mod was, zeker in 1967. Ik hield van modieuze kleren. Roze, turkooizen of gele fluwelen jassen, gestreepte broeken, hemden met bloemenmotieven… Mijn haar was geknipt – bij een kapper in Maastricht - zoals dat van Steve Marriott van The Small Faces, mijn favoriete Britse beatgroep in die dagen en een van de weinige die ik in die periode ook live heb gezien, in Diepenbeek. Een meisje dat ik die avond ontmoet had - veel gestreel en gekus - heeft mijn zonnebril als aandenken bewaard. Ik weet niet meer hoe ze heette. Wat zou er met haar zijn gebeurd? Ach, beter dat ik het niet weet. (En zo spring ik maar van de hak op de tak…)

Mijn muzikale helden waren dus die Engelse beatgroepen: Small Faces, Kinks, Who. Ik hield ook van The Rolling Stones. Between The Buttons vond ik een schitterende elpee. Je moet eens naar de foto op de hoes kijken: zijn dat hippies? Natuurlijk niet. En van Bob Dylan, heel zeker. Bob Dylan, dat is toch nooit een hippie geweest, hij was veeleer een anti-hippie.

Later, in 1970, na het debacle van Altamont en het bijna profetische lied Gimme Shelter, had ik als barman in de Dolle Mol in Brussel een afkeer van de hippies die er kwamen, vooral omdat ze stuk voor stuk aan bewustzijnsvernauwing leden. Ze waren nergens in geïnteresseerd als het niets met drugs, volle rijst, namaak-blues (door blanken gespeeld) en vooral Jimi Hendrix te maken had. Domme mensen vond ik hen. In De Dolle Mol weigerde ik platen van Jimi Hendrix te draaien. Maar de countrymuziek waar ik destijds zo van hield mocht niet, die was niet hip genoeg. Wat wel mocht – omdat nogal wat Vlaamsche schrijvers aan de toog hingen - was De Zotte Morgen van Zjef Vannuytsel, maar die haatte ik helemaal. Samen met Max dreef ik de spot met die naïeve hippies. Maar Max vond dat ik toch nog enigszins aan de verkeerde kant stond: ik ging naar films kijken als Jeremiah (een cowboyhippiefilm). En ik had contacten met Robert, een softdrugs-dealer. Robert was geen slechte jongen maar zeker niet mijn vriend. Ik hield vooral niet van de muziek waar hij van hield (Cat Stevens en kierewiete folk). Door mij heeft hij Lou Reed en The Velvet Underground en David Bowie leren kennen en is zijn smaak wat veranderd. Robert was een kennis van Sarah. Via Sarah heb ik eens wat Congolese wiet van hem gekocht. Ik dacht eerst dat hij een oplichter was: volgens mij zat er gewoon thee in het luciferdoosje. Bij nader inzien bleek het toch echte goede Congolese marihuana te zijn. Maar wist ik veel. Ik was een Limburgse mod, die nog nooit wiet had gezien.Ik geef toe dat ik een tijd lang van de roes van hasjiesj en - in mindere mate - van wiet heb gehouden. Het was zo prettig om onder invloed naar sommige muziek te luisteren. Vooral naar die van Jimi Hendrix!

Sinds 1967 was ik een absolute fan van The Velvet Underground. Dat was de volmaakte anti-hippie rock & roll band. White Light White Heat was een van mijn vijf uitverkoren elpees. Als ik die oplegde waren al mijn vrienden na vijf minuten de deur van mijn kamer uit. Niemand hield van die muziek. Letterlijk niemand. Tot in 1972 of 73, in die ellendige periode van de glam, toen Lou Reed met ruggensteun van David Bowie succes kreeg met Transformer. Ik heb ook nooit van The Grateful Dead gehouden (ik maakte wel een uitzondering voor hun countryplaten). Woodstock vond ik vreselijk vervelend. Santana was om te schreien. En dan al die Britse hippiegroepen zoals Third Ear Band, Edgar Broughton Band, weet ik veel wat nog allemaal. Bah! Nadat Syd Barrett Pink Floyd de rug had toegekeerd hield ik die groep ook voor bekeken. Van Syd Barrett hield ik enorm veel omdat hij surrealistische sprookjes schreef, en een heel eigenzinnige gitaarstijl had en zeker ook wel omdat hij zich heel goed kleedde. Ik bewonder Syd Barrett nog steeds. De intellectuele ‘goeroe’ en anti-psychiater Ronald Laing, die ik destijds vereerde, heeft hem niet kunnen genezen van zijn schizofrenie. Ronald Laing is nu dood, Syd Barrett zit waarschijnlijk ergens rustig te genieten van de bloemen in zijn Engelse tuin.

Nadat ik filosofie was gaan studeren kreeg ik een beter inzicht in waar het in feite allemaal om ging. Lang haar of kort haar was niet belangrijk. Er was niets mis met outsiders, met de tegen de stroom invaren, met de beat-generation of met pop art en dergelijke dingen. Er was niets mis met rock & roll. Maar wat heel duidelijk werd was dat de wereld moest veranderen en dat kon je niet door je op te sluiten in een subcultuurtje. De wereld kon je alleen maar veranderen als je deel werd van een gemeenschap. Je kon je leven zin geven door te lezen en te schrijven, of iets anders te doen, maar dat volstond niet als je het in je eentje bleef doen. En nog volstaat dat niet. De paradox waar ik moest uitgeraken was - en is - dat je je oorspronkelijkheid, je eigen-aardigheid, verliest als je deel wordt van de gemeenschap. Hoe moet je dat dan doen? Dat is de vraag.

23-07-05

GEORGE HARRISON EN GEETA DUTT


geeta dutt 2

All Things Must Pass
van George Harrison is ongetwijfeld een mijlpaal in de populaire muziek; de beste soloplaat van een Beatle. Vreemd woord overigens, Beatle, zo in het enkelvoud. Het had altijd Beatles moeten blijven, de groep had nooit mogen uiteenvallen, en John, Paul, George en Ringo hadden eeuwig moeten leven, yeah yeah yeah. Dat was het minste wat God voor ons had kunnen doen. My Sweet Lord! Maar even ernstig nu: Harrisons melodieën zijn adembenemend, zijn stem gaat door merg en been, de productie – van Phil Spector – is onberispelijk. Als je de plaat niet kent, raad ik je aan eens te luisteren naar I’d Have You Anytime, If Not For You – beter bekend in de versie van Bob Dylan - en de titeltrack natuurlijk.

Het allermooiste lied, denk ik, heb ik helaas maar een keer gehoord, op een avond in 1987, toen ik op televisie naar de film Kaagaz Ke Phool van Guru Dutt zat te kijken. Een mooie, melancholische film, bijna even goed als De muziekkamer van Satiyajit Ray. Toch waren mijn gedachten even afgedwaald van het verhaal, tot ik de stem van Geeta Dutt hoorde, een en al gelukzalige droefheid; en voor wat er toen met me gebeurde vind ik geen woorden. Het was een zinsverbijsterende ervaring, je mag al blij zijn als je er zo één hebt in je leven; Proust schrijft er over in Op zoek naar de verloren tijd. Geeta Dutt en de liederen Dekhi Zamaane ki Yaari en Waqt ne Kiya Kya Haseen Situm, dat moet het allerhoogste zijn wat een mens qua expressie van emoties kan bereiken.
Sinds 1987 ben ik al op zoek naar die muziek, en naar de film, zonder resultaat. Maar misschien zoek ik niet hard genoeg, misschien ben ik bang voor de teleurstelling die ik zeker zal voelen als ik deze muziek nogmaals zal horen.

22-07-05

LONDEN / MECCA


come dancing

Opnieuw een aanslag in Londen, terwijl wij hier de nationale feestdag vieren. De terreur is overal, wordt gezegd, waarom meer drukte maken over Londen? Ik kan daar niet op een rationele basis op antwoorden, zeker niet zo laat in de nacht. Maar in Londen ben ik spiritueel geboren, in 1967, in de summer of love, toen Are You Experienced en Sgt. Peppers in de platenwinkels lag en Carnaby Street het beloofde land was. Naïef misschien, maar toen werd wel de basis gelegd voor wat nu jeugdcultuur heet. Naïef heel zeker, want die jeugdcultuur is niet meer en niet minder dan een miljardenbusiness. Allemaal terzijdes. Talking trash, never say anything. Ik heb er mijn hart verloren, en nu ben ik eens te meer bedroefd. Terwijl ik met feest in mijn hoofd zit, echte Belg die ik ben. Bad news, bad news! Overigens heb ik in Londen mijn eerste schuchtere danspasjes gezet in een dancing die Mecca heette. Talking leads to touching and touching leads to sex. Toch nog blij kunnen zijn, in weerwil van de tragiek. Hoe kan dat? Door Rilo Kiley.

13-07-05

FAMILY PLOT


cold sixties

Gisteravond had ik een gesprek met Laura over onder meer mijn vader en François, en toch, zoals zo vaak en tot vervelens toe, ook weer over mezelf.

Mijn broer heeft als hobby's fietsen en vissen: dat is de jongere pa, zei ik. Zijn interesse voor vrouwen: de oudere pa.

Veel wisselende relaties met vrouwen? Waarschijnlijk niet, noch mijn pa, noch mijn broer. De enige buitenechtelijke relatie van mijn vader waar ik van op de hoogte ben is die met Jet. Maar dat was dan ook serieus. Jet was een dikke, levenslustige vrouw. Ze is overigens nogal jong gestorven. De wat jongere vrouw moet een compensatie geweest zijn voor mijn moeder, die tien jaar ouder was dan mijn vader en nogal melancholisch van aard. Wat dat betreft lijk ik wel wat op haar. Ook haar hypochondrie, haar eeuwig geklaag over pijnen en ziektes heb ik van haar geërfd. In weerwil van al dat geklaag is ze toch 91 geworden. Maar ze heeft nooit gerookt en nooit alcohol gedronken.

Mijn vader en Jet hadden een zoontje. Ik heb dat halfbroertje van mij nooit gezien. Ik weet zelfs niet hoe de jongen heet of wanneer hij precies geboren is. Het is ook de halfbroer van Daantje. Met Daantje heb ik eens een zomer doorgebracht. Ik vond het geen leuk kereltje, maar er was op dat ogenblik geen alternatief. Ik denk dat ik met mijn lange haren en mijn adoratie voor the Velvet Underground en the Doors een rolmodel voor hem ben geweest in 1967-68. Onze contacten speelden zich vooral af in mijn 'kamer', het vooronder van de spits Pulco genaamd (een samentrekking van Pulaski en Costers). Andere avonturen in het vooronder: hoe ik mijn verjaardag vierde met Jan D, Henri J, Luc V, Anita en nog een ander meisje van wie ik de naam vergeten ben.

De kapper Henri, zoon van Berb, die zelf ook al een kapsalon had, al was ze eigenlijk een boerin, en van Jang, die in de grindwasserij in Neerharen werkte. Een magere vent was dat, Jang, een man die niet veel zei. Henri was een wielrenner die graag peppillen slikte. François, eveneens bij de beginnelingen, deed daar niet aan mee. Die wilde het op eigen kracht proberen, maar dat lukte hem niet echt. Meestal gaf hij op of kwam hij als een van de laatsten over de meet, een paar keer kwam hij vrij ernstig ten val.

Ons gesprek gisteravond, op het terrasje, met uitzicht op de verwilderde tuin, die me vaak aan tuinen in romans van Virginia Woolf doet denken, begon met de haarperikelen van Agnes. Ik zei: ik had een neef, Henri, die kapper was, enfin, een achterneef eigenlijk. Hij was ook coureur, nam peppillen, met twee rode strepen op de verpakking. Zo'n verpakking heb ik de eerste keer in mijn leven gezien bij Henri Welkenhuijzen, in de Ladderstraat 142 in Neerharen. Hij of Berb, dat weet ik niet meer precies, heeft mijn haar gedaan voor mijn plechtige communie. Met van die fantastische bekken, zo noemden wij dat, golven waren het eigenlijk. Bij Berb en Jang rook het altijd naar varkens. We kregen soms een kom kop, als ze weer eens een varken hadden geslacht.

In de keuken bij Berb, waar zoals bij veel eenvoudige mensen alles gebeurde - echt veel kan dat niet geweest zijn - zat mijn vaders tante, Moe werd ze genoemd. Ze zat er altijd in de zetel, met een zakdoek in haar hand. Ik heb haar nooit een woord horen zeggen. Als zus van mijn grootmoeder (ze heette ook Pulaski), moet ze geweten hebben wie de echte vader van mijn vader was. Wellicht was het daarom dat ze zweeg. Of was ze echt stom? Ik zal het eens aan François moeten vragen. Maar die zal het zich ook wel niet meer herinneren, met de weinige hersencellen die hij nog heeft.

Ik ben eens met pa, toen ik nog heel klein was, over een paadje gestapt, door een bos. Het pad liep van aan het kanaal tot helemaal in het dorp. Het is de eerste herinnering die ik heb van een bos en van een dorp. Ik kwam recht van het schip, een geïsoleerde microkosmos die niets natuurlijks heeft, liep door een bos, en kwam in een dorp waar een sterke geur van graan en varkens en koeien hing. Het was midden in de zomer, heel warm, zelfs in het bos. Het was een nieuwe wereld, dat bos met al zijn groen, de struiken dicht bij de grond, de bloemen, het zachte gezoem van insecten, en aan mijn hand mijn vader, heel groot en sterk naast me, mijn vader die me tegen elk gevaar kon beschermen. En het dorp was al net zozeer een nieuwe wereld: er was geen lawaai van machines, het rook er niet naar teer of naar diesel, niet naar steenkool of chemische industrie. Neerharen.

Met de stad, althans de randstad, met name Merksem, waar mijn moeders twee zussen en enige broer - tante Ellie, tante Jos en nonkel Frans - en hun moeder, Honorine, woonden, was ik meer vertrouwd. Maar daarover heb ik het gisteravond niet gehad. Mijn tante Jos heeft zich al vaak genoeg opgehangen. Mijn tante Ellie is al vaak genoeg als zenuwzieke zwerfster van de straat geplukt en in een asiel gestopt. Rusthuis noemde mijn moeder een dergelijke instelling.

Wel maakte ik die avond een sprong naar het geweld in mij, en hoe het zich is blijven herhalen. Het geweld tegenover anderen, vroeger, maar ook het geweld dat zich tegen mezelf keerde en het geweld dat ik uitlokte. Wellicht houdt het verband met de angst om in de steek gelaten te worden, waar ik extreem gevoelig voor ben. Gerrit heeft aan dat gevoel voor het eerst een naam gegeven: verlatingsneurose. Je wilt niet uit het paradijs verdreven worden. Niet opnieuw. Natuurlijk weet je dat je al in de hel zit. Maar dat tracht je nu precies te vergeten door te drinken, joints te roken, pillen te slikken en te vrijen…Toen ik met die dingen gestopt ben, in 1980 (behalve met vrijen en soms drinken), is de agressie ook verdwenen. Wordt vervolgd?

Foto: Martin Pulaski, Mijn broer en zijn vrouw.

MOMENTEN VAN EEN EEUWIGHEID


Terwijl ik naar Moments van Boz Scaggs luister noteer ik de volgende bedenkingen en verzinsels.

Bij de biografie van Paul Bowles. Als je dan toch dood moet kun je beter eerst leven, als vrijwillige balling in Marokko bijvoorbeeld. Bowles heeft er een aantal schitterende romans geschreven (The Sheltering Sky, Let It Come Down). Tanger had kennelijk ooit een grote aantrekkingskracht op Amerikaanse intellectuelen; waarom precies is nu niet meer zo duidelijk. Waarschijnlijk hield die lokroep verband met seks en drugs. Later, met de Britse astmaticus Brian Jones, is er de rock & roll nog bijgekomen.

Een korte bedenking bij The Straight Story van David Lynch. In deze film probeert de surrealistische regisseur, tot zowat ieders verbazing alle stijlfiguren van het realisme hanterend, Amerika de onschuld terug te geven die het land had voor Andy Warhol er pop art van maakte en voor Elvis en Bob Dylan het, inderdaad, onderwierpen aan rock & roll.

VS Naipaul. Een schrijver met (veel) talent kan zich niet ontwikkelen zonder een gemeenschap waarin hij zich herkent, en die hem - al is het maar in beperkte mate - erkent. Zulke gemeenschap heb ik nooit gevonden. Een schipperszoon die altijd een outsider bleef, vaak verafschuwd, soms verstoten, in heel wat opzichten een immigrant. Het is nu veel te laat om nog naar een gemeenschap op zoek te gaan.

I pity the poor immigrant
Who wishes he would've stayed home,
Who uses all his power to do evil
But in the end is always left so alone.
That man whom with his fingers cheats
And who lies with ev'ry breath,
Who passionately hates his life
And likewise, fears his death. (Bob Dylan)

Rivierliederen. Ik herinner me nog een ander bijzonder moment. In mijn radioprogramma Shangri-La – in de jaren ’80 en ’90 op radio Centraal in Antwerpen - draaide ik op een avond drie uur lang rivierliederen, waaronder The River van Tim Buckley. Ondertussen ging boven de linkeroever de zon onder. Ik was die avond alleen maar ik heb me zelden gelukkiger gevoeld. Dit herinner ik me terwijl ik luister naar OV Wrights 'The River Song'.

Gestorven 'helden'. Ik blijf verdrietige gevoelens koesteren als ik terugdenk aan Dusty Springfield, Alexander Spence, Richard Manuel, Rick Danko, Doug Sahm en Curtis Mayfield. Het is me niet duidelijk waarom, maar de dood van Rick Danko heeft mij het meest van al getroffen, alsof een goede vriend was gestorven. Ik herinner me nog dat Jos en ik samen tijdens een dronken zomernacht meebrulden op Sip The Wine, uit de eerste en enige solo-plaat van Danko. En de keer dat Doug Sahm optrad in Hof ter Lo was Jos ook bij me. Agnes lag zwaar ziek in bed. Met mij ging het op creatief gebied niet echt goed. Mijn potloden bleven ongescherpt in een blikken pot staan. De stimulantia stimuleerden mijn verbeelding niet langer, wel mijn angst voor de dood. Was Sartre dan een slecht voorbeeld geweest? Ik kreeg van die pillen nu vooral pijn in de hartstreek. Ik vreesde dat ik weldra zou sterven van een infarct. Tijdens het concert van Doug Sahm was ik bier gaan halen voor Jos, Leo en mezelf. Bij de terugkeer in de concertzaal struikelde ik over een trede en viel op mijn rug. Ik werd plotseling kotsmisselijk. Gelukkig was het optreden bijna afgelopen. Ik heb daarna nog uren bij Leo op de canapé gelegen en ook de dag nadien voelde ik mij belabberd. Wat me toen is overkomen weet ik nog altijd niet.

Meesterwerken. Al die harde schijven vol meesterwerken, die stoffen liggen te vergaren in toekomstige antiekwinkels.

Eeuwige wederkeer. In Wim Kaysers Van de schoonheid en de troost zag ik de filosoof Roger Scruton. Hij leek op een kruising tussen Brian Jones en John Hurt. Scruton had het over de eeuwigheid. De zeventig jaar die je krijgt zijn volledig de jouwe. Ze zijn voor alle eeuwigheid van jou. Dat is pas een diepe gedachte. Het is Nietzsches eeuwige wederkeer, in zekere zin.

Films. Silent Tongue van Sam Shepard: over paarden, pioniers en Indianen. Niet geheel toevallig gingen mijn gedachten af en toe naar Patti Smith en haar ‘Horses’. Op het einde van de film heeft niemand nog een paard. Een merkwaardige film, van een man die nog drummer is geweest bij The Holy Modal Rounders. Les Voleurs van Téchiné. Ik ben geen bewonderaar van Téchinés films, maar dit is een meesterwerk over liefde (of de afwezigheid daarvan) en zelfmoord. Geld, seks en diepe, diepe eenzaamheid. Een buitengewone prestatie van Cathérine Deneuve. Alle personages zijn genuanceerd uitgewerkt. Ik zie veel te weinig Franse films. Dat komt voor een deel omdat ik de dialogen zo moeilijk versta. En je kunt bijna alleen nog Franse films op Franse zenders zien. Cat On A Hot Tin Roof blijft, hoewel het verfilmd toneel is, een van mijn uitverkoren films, vooral vanwege Elizabeth Taylor en Paul Newman. The Dirty Dozen van Robert Aldrich mag er ook wezen: de film met het hoogste machogehalte, maar die twaalf kerels zijn aanvaardbare macho's, met heel wat zwakheden. En de acteurs: Lee Marvin en Charles Bronson en al de rest. All that heaven allows, van Douglas Sirk, met Jane Wyman en Rock Hudson. Erg fijngevoelig melodrama. Op de een of andere manier zitten de ideeën van de beat generation erin verwerkt. Een protest tegen het valse leven van de burgerklasse. Het ideaal is Walden van Thoreau: to be alive is to be awake, enzovoort. Die passage maakte op mij als tiener een blijvende indruk. Wellicht heeft dat stukje tekst, in de les Engels, mijn leven veranderd.

30-06-05

OPENBARINGEN VAN MARTIN PULASKI


get happy!!!!!


Door met mijn ‘autobiografie’ in foto’s bezig te zijn denk ik veel na over mijn leven. Eigenlijk heb ik dat altijd al wel gedaan, vanaf mijn negentiende jaar ongeveer. Op dat ogenblik vond ik dat ik het mooiste al wel had gehad, maar dat was jeugdige verblinding gecombineerd met de obsessie voor een vroege dood, in navolging van Jezus Christus, Thomas Chatterton, Percy Shelley, Brian Jones, Al Wilson en Jimi Hendrix. Ondertussen heb ik echter veel gezien en veel gehoord; de tijd heeft niet stilgestaan. Veel mensen hebben mijn pad gekruist. Velen heb ik liefgehad, heb ik lief, sommigen beminde ik, sommigen lieten mij onverschillig. Ik minachtte niemand en kon niet haten. Sommigen hebben mij veel verdriet gedaan, sommigen hebben mij diep gekwetst, sommigen hebben bewust of onbewust geprobeerd om mij te vernietigen, anderen hebben mij bemind, liefgehad, hebben mij, soms onverdiend, hun vriendschap gegeven. Sommigen hadden aandacht voor mijn woorden, voor mijn vereringen, voor mijn verwensingen, andere hadden geen aandacht voor mij, ik liet hen onverschillig. Misschien waren sommigen bang voor mij, hoewel ik ongevaarlijk ben. Ooit heb ik wel uitbarstingen van wanhopige razernij gekend, maar die kwamen uit grote liefde voort. Neen, gevaarlijk ben ik nooit geweest. Voor wat waren ze bang? Voor mijn mislukkingen wellicht. Mislukken is besmettelijk, schijnt men te denken. Nobody knows you when you’re down and out, zegt de bluesman. En of hij het niet kan weten!

Nu leef ik in de tijd van de herhaling. Het beste heb ik echt gehad. Vaak ook had ik het beste in mijn handen, in mijn armen kunnen houden, maar heb ik het om die of die reden niet gedaan. Dwaas die ik was. Nu is het te laat voor meanderen. Mogelijke zijsprongen hebben plaats gemaakt voor één grote liefde die zekerheid biedt, maar ook het gevaar van berusting en sufheid herbergt. Grote verrassingen staan mij niet meer te wachten. Ik wil niet beweren dat ik nu alleen nog maar wat op de dood zit te wachten – in tegenstelling tot wat Townes Van Zandt zo overtuigend en waarheidsgetrouw zingt – maar het lijkt er wel wat op. Als niets je nog verrast of verwondert, wat heeft het leven je dan nog te bieden? En wat heb jij het leven dan nog te bieden? De leegte lijkt zich meester van je te hebben gemaakt. Je denkt na over je leven, je vraagt je af: wie ben ik en het antwoord is: niets, niemand. Verbeelding bezit je ook al niet. Ontroering? Wat moet je dan doen? In de negentiende eeuw vroeg de Russische nihilist Tsjernitsjevski het zich ook al af, net zoals Lenin later. Lenins antwoord was net iets te perfect. Een perfect plan. Maar nu, wat nu gezongen? Je zou kunnen bullshitten zoals Herman Brusselmans, maar dat wil je niet. Daarvoor heb je te veel respect voor de schrijvers uit je canon, mensen zoals Robert Musil, Arthur Schnitzler, Fernando Pessoa of Hermann Broch.

Wat moet je dan wel doen? Afwachten, geduld oefenen. De lader in het stopcontact steken en wachten tot je geest weer opgeladen is. Tot alles weer borrelt en bruist en schuimt. Tot je leven je aanspreekt en zegt: hier ben ik, vertel mij, die dwaze foto’s zeggen niet veel, dat is een aangenaam tijdverdrijf voor verveelde kwasten. Dat is iets voor dode momenten, zoals de feminale feminatheek van Louis Paul Boon. Tot je leven je zegt dat je uniek bent, een onverteld verhaal, dat velen graag willen horen, bij zonsondergang, op een terras in de koele schaduw, voor of na de coïtus, of gedurende nachten vol sterren, in het Zuiden, waar de wegen de hemel zij dank slecht verlicht zijn, of in uiterste gevallen, net voor de executie (en misschien stelt de beul de executie wel uit omdat hij het verhaal zelf wil horen). Ja, zulke dingen moet het leven je zeggen. Dan stop je met je fotootjes en je muziekjes, dan loop je niet langer verloren in je rock & roll, dan ben je niet langer “een communist met gaten in zijn broekzakken”, dan zet je je tanden in de taal en wordt het langverwachte plan (dat je niet kunt uitstippelen) opeens duidelijk, dan voer je het uit, omdat het moet. Ja, omdat het moet. Waarom moet het? Omdat het in je biografie moet staan. Volstaat dat niet?

Foto: Martin Pulaski

29-06-05

COITUS ZONDER MOEITE


devendra

Ook vanavond is het hier in deze zolderkamer weer te heet om te wedijveren met alle boeken die om mij heen staan te wachten op een antwoord, te heet om één zinnige gedachte te denken, te heet om één goed bedachte zin te formuleren. Bovendien ben ik moe en koester ik een lichte kater. Je kunt niet van het ene feest naar het andere gaan én het beroep van dichter uitoefenen; dat is voor iedereen een spijtige zaak. Rimbaud heeft dat maar tot zijn zeventiende volgehouden en dan was het gedaan met de pret. Wapens in plaats van woorden! Een slaaf in plaats van een kunstbroeder! Needles and pins! The tears I gotta hide! Hey I thought I was smart! Aan uitroeptekens heb ik een grondige hekel, maar als je vermoeid en overspannen bent kun je ze maar moeilijk vermijden.

Nog in verband met die wedijver... Waar maak je je druk over? Er is nergens haast mee gemoeid. Zelden goed. Er bestaat al zoveel moois, zoveel dat onmogelijk te overtreffen valt, zoals dit: "Bij zwangere vrouwen is alles, bijvoorbeeld de manier waarop ze lopen, van invloed op de bevalling: als ze te zout voedsel eten brengen ze een kind zonder nagels ter wereld; als ze hun adem niet kunnen inhouden, zal de bevalling moeilijker verlopen; zelfs een geeuw kan dodelijk zijn tijdens de bevalling; zoals een nies tijdens de coïtus een miskraam kan veroorzaken. Zij die beseffen hoe kwetsbaar de oorsprong is van het meest trotse der levende wezens worden bevangen door medelijden en schaamte: vaak is de geur van een pas gedoofde lamp al genoeg om een miskraam te krijgen. En dan te zeggen dat uit zo'n teer begin een tiran of een beul kan groeien! Jij die volop vertrouwt op je fysieke kracht, die de gaven van het lot omarmt terwijl je jezelf niet de stiefzoon maar de zoon ervan beschouwt, jij die de ziel hebt van een heerser, jij die God denkt te zijn zodra je borst opzwelt van één succes, bedenk dat zoiets gerings je eind had kunnen betekenen." (Plinius, Natuurgeschiedenis, VII, 42-44).

De voorbije dagen heb ik niet helemaal stilgezeten: ik ben vooral bezig met foto's inscannen en zo mijn autobiografie, die samenvalt met mijn leven en elke dag verandert, met beelden te verluchten en, hopelijk, verduidelijken. Veel van wat ik hier in dit openbaar dagboek neerschrijf wordt door die foto's aangevuld. Vanitas, natuurlijk, maar waarom ook niet? Overigens zullen sommige lezers zichzelf - misschien tot hun verrassing of ergernis - terugvinden op deze pagina's. Dat ik hen zo tentoonstel is niet om hen van hun ziel te beroven, maar om mijn dankbaarheid voor hun bestaan en voor hun schoonheid zichtbaar te maken. Over sommige zaken kun je nu eenmaal niet spreken.

O ja, gisteren zag en hoorde ik in de AB Magnolia Electric Co en Devendra Banhart. Bart en ik hebben veel gelachen. We vonden dat het publiek zo ernstig was. Is Devendra Banhart dan geen stand up comedian? Met zijn blote torso? We hadden natuurlijk veel bier gedronken, wat nefast is voor een keurig oordeel en een getrouwe beschrijving van het geobserveerde. Dat laat ik dan ook aan de nuchtere recensenten over, degenen die op basis van door allen aanvaarde categorieën en argumenten onbevooroordeeld tot een slotsom komen. Maar één ding is zeker: als Duyster het in haar programma draait moet het goed zijn. I guess things happen that way. En nu ga ik aan tafel.

27-06-05

CHAOS EN DRONKENSCHAP IN GENT EN BRUSSEL


dean martin


De voorbije dagen stonden in het teken van vriendschap, psychoanalyse, alcohol, woede en verdriet.
Met andere woorden: emotionele chaos. Ook gaf ik mij over aan gevoelens van paranoia ten aanzien van mijn werk en van ‘slechte mensen’ in het algemeen. Ik besefte dat therapeutische sessies bij een psychiater geen enkele zin hebben, voor mij althans niets oplossen. Naar een psychiater gaan, denk ik nu - maar mijn gedachten zijn gekleurd door allerlei vormen van boosheid - is geld weggooien. Je kunt net zo goed of beter naar de hoeren gaan. Maar daar is het nu natuurlijk veel te warm voor. Bovendien heb ik geen behoefte aan een hoer.

Met Laura verbleef ik een avond, een nacht en een voormiddag in Gent, een stad waar ik graag zou wonen. Er is weinig lawaai van het verkeer, de architectuur is er imposant en toch op mensenmaat, de mensen zijn er over het algemeen vriendelijk, er wordt veel gefietst en de trams zijn er comfortabel. Er zijn ontelbaar veel cafés, 'bistros' en restaurants, plaatsen waar van de tijd wordt genoten (waar hij wordt vergeten). Bovenal zag ik er veel mooie meisjes, met opwaaiende zomerjurken aan en glinsterende juweeltjes in de navel. Jeunes filles en fleur, waar het in de Brusselse straten zozeer aan ontbreekt. Schoonheid en jeugd vluchten weg uit onze betreurde Europese hoofdstad. Zij laten vervallen panden, puin van Horta en, het ergste van al, de stank van urine en hamburgers achter. Als je in Brussel Zuid uit de trein stapt, betreed je een urinoir. Blijkbaar trekt urinegeur delinquenten aan. En extremisten natuurlijk, want zij lopen er graag rond om de delinquenten in raciale categorieën onder te verdelen, ondertussen van genot in hun broek zeikend. Ik heb me voorgenomen om Brussel Zuid zoveel mogelijk te mijden en op en af te stappen in Centraal, ook geen ideale ruimte, maar alvast gebruiksvriendelijker.

In Gent logeerden we bij onze broer en vriend, in zijn bohémienoptrek, in het centrum. Wij sliepen in de kamer waar hij zijn patiënten ontvangt, hun verhalen noteert, hun knopen probeert te ontwarren, hen tracht te verlossen van hun double bind. Mijn goede vriend en broer is inderdaad ook een psychiater. Ik twijfel er geen ogenblik aan dat hij al veel mensen heeft geholpen. Als ikzelf meer schade dan baten ondervind van de psychiatrie ligt de oorzaak van dat falen bij mij. Wil ik dan doelbewust falen? Ik weiger mij in ieder geval de weg te laten wijzen naar middelmatigheid, naar een evenwichtig leven zonder gevaar en zonder ‘kwalen’. De ‘grote gezondheid’ van Nietzsche kan mij gestolen worden. De man was overigens zelf voortdurend ziek. Veel liever klaag ik onrechtvaardigheid aan dan de vijand te lijf te gaan. Waarom zou ik hem zelfs maar in de ogen kijken? Je verandert de mensen niet met een blik, of met enkele woorden. Ik verkies het dichterberoep boven de redelijkheid. Maar versta me niet verkeerd: ik heb grote achting voor de rede, ook al koester ik dromen en sprookjes en ga ik het irrationele niet uit de weg. Ik weet dat Gerrit me nooit de gulden middenweg zou aanpraten als ik bij hem in psychoanalyse zou gaan. Hij zou me stimuleren in mijn eigenheid en zeggen dat de poëzie het hoogste is. Maar Gerrit analyseert mij niet: hij is mijn vriend, mijn zielsverwant. Beiden houden we al jarenlang van Fernando Pessoa, van the Rolling Stones en – zeker in elkaars gezelschap – van verfrissende wijn. Als we samen zijn drinken we die met volle teugen. If the river was whiskey I’d stay drunk all the time, is een van onze onuitgesproken motto’s. Donderdagavond waren we samen om onze vriendschap te vieren. De Brusselse straten en pleintjes bruisten van leven, wat zalig is, omdat het zo weinig gebeurt. Ik denk dat de zinderende hitte toch enige schoonheid vanonder de grijze stenen weet te lokken. Het was een gloedvolle nacht, wat nog werd bevorderd door het vuur van onze conversatie. Op weg naar huis zongen we mee met the Rolling Stones: 'Get Off Of My Cloud', It’s All Over Now. “But he can’t be a man because he doesn’t smoke the same cigarettes as me.”

In Gent was Gerrit er niet bij. Wel in gedachten natuurlijk, omdat we van zijn gastvrijheid gebruik konden maken. Gastvrijheid is een heel mooi woord en heel mooi begrip, zeker in het Frans: hospitalité. We waren uitgenodigd op een feest van jonge vrienden en konden daar praten met verwante zielen, luisteren naar rock & roll en ook nog een beetje – bijna wankelend - dansen. Om ten slotte in dronken waanzin de eerste taxi te nemen. Alle ellende uit het lijf gejaagd met liters vergif. Nu is het weer tijd voor heel veel water.

19-06-05

DE JONGEN MET HET MES


flower child with a knife

Op het portret zie je mijn andere kant.
Portrait of the artist as a violent young man. Ben ik nog steeds dezelfde? Ik kan me de jongen van de foto zelfs niet meer herinneren. En waar is hij genomen? Wel weet ik nog dat ik in die periode De jongen met het mes van Remco Campert las. Misschien leverde hij de inspiratie voor de pose. Het mes is nog steeds in mijn bezit, heb ik vandaag tot mijn verrassing vastgesteld, toen ik grote schoonmaak hield in een van mijn archiefkasten. Het zit vol schaamte weggedoken in een schoendoos achter een stapel vergeelde misdaadromans. Mijn stijl (jas, zonnebril, sjaaltje, haarsnit) was helemaal afgekeken van mijn grote held Brian Jones. Het feit dat hij net als ik astma had droeg er ongetfwijfeld toe bij dat hij de hoogste plaats innam in mijn pantheon van popidolen. De zonnebril is achtergebleven in Diepenbeek, op het mooie hoofd van een meisje dat ik ontmoet had tijdens een concert van the Small Faces.

16-06-05

OP ZOEK NAAR MIJN SCHADUW


pasfoto


Vandaag ging ik op zoek naar mijn schaduw.
Soms denk ik dat het de enige ware vriend is die me nog rest. Maar wellicht is dat een combinatie van verblinding, ijdelheid en narcisme. Verblind door te lang in de spiegel te kijken? Mijn schaduw heb ik niet gevonden. Het verbaast me niets dat hij het hazenpad heeft gekozen. Voortdurend mijn geweeklaag aanhoren, ook al is het voortreffelijk geformuleerd, moet op den duur moedeloos maken. Dat kan niet anders. Verblind, daarom, liep ik door het centrum van Brussel met niets dan muziek in mijn hoofd. Al het andere was in het niets verzonken; zelfs de politie in de buurt van de Amigo bracht me niet aan het schrikken. En zo gebeurde het dat ik bijna de bijbel kocht, terwijl ik hier thuis al een flink uit de kluiten gewassen exemplaar heb liggen. Net op tijd ontwaakte een heldere gedachte. Dit gaat te ver, leek ze te zeggen. Die sprekende gedachte werd net niet overstemd door Vic Chesnutt, die een klaagzang over jong sterven had ingezet. Dankzij dat lied rees er een andere gedachte op, of veeleer een herinnering aan een overleden broer en vriend, Ludwig, en het overweldigende van die herinnering deed de wereld weer opengaan, de wereld van de levenden en de doden. Zink niet weg in de rampspoed, jongen, laat je niet vernietigen door bijkomstigheden. Schud de platvloerse en onbeschofte mensen, het crapuul met messen in de zakken en geld in de ogen, van je af en omhels degenen die in liefde leven. Of zoals Robin Williams zei: Carpe Diem. Later, in de metro, las ik een interview met Crispin Glover, die treurt over de afwezigheid van een tegencultuur. En ik dacht, zijn treurnis is al een bewijs van het bestaan van een tegencultuur. Met die tegencultuur, die de echte cultuur is, wil ik me opnieuw vereenzelvigen. Daar ligt de toekomst. Ooit is het met liefde en de absolute zekerheid van de authenticiteit van de eigen stem begonnen. Als je de weg terugvindt, met of zonder Ariadne, naar die oorsprong, dan raak je weg uit dit labyrint van tegenslag, mislukking en verdriet. Opnieuw de schittering zoeken, het sublieme, niet zozeer in je spiegelbeeld, maar vooral in de andere mensen, die je tegemoet treden als je dat het minst verwacht. Treed jij hen nu ook maar tegemoet. Maar wees voorzichtig, man!

"'Weet u wie daar woonde in het huis van de overbuur?' zei de schaduw, 'dat was de verrukkelijkste van allen, dat was de poëzie! Ik was daar gedurende drie weken en dat werkt net zo in, alsof men gedurende drieduizend jaar leefde en alles las wat er gedicht en geschreven was, want dat zeg ik en dat is waar. Ik heb alles gezien en ik weet alles!'" H.C. Andersen, De schaduw.

06-06-05

JOBS LAATSTE GEBED


goya_prison.2jpg


Zo ben ik nu in het stadium van mijn leven gekomen dat er alleen nog wanhoop en eenzaamheid overblijven. Slechte mensen om mij heen. Niemand die je kunt vertrouwen en niemand die na gevaar en in tijden van groot verdriet troost biedt. Zoals de politie-inspecteur vanmorgen tegen me zei: velen doen aan schuldig verzuim, een strafbaar feit, waar niemand voor wordt gestraft. Velen doen het? Iedereen. Vriendschap en liefde bestaan niet. Je bent alleen op de wereld, niet meer en niet beter of slechter dan een insect of een bacterie. De mensen zijn elkaars antibiotica. Niemand heeft goede intenties. Religies zijn er al evenmin om troost te bieden, religies bestaan om mensen een reden te geven om elkaar af te maken. Maar de grootste beweegreden daarvoor is geld, niets dus. Want wat is geld? Wat is geld, vraag ik je. De troost van de filosofie dan? Laat me niet lachen of huilen... Kijk wat er met Nietzsche is gebeurd in Turijn. Hij zocht troost bij een paard (of wilde hij het dier troost bieden, misschien?) en werd in een dwangbuis gestopt.Ik heb er geen zin meer in. Vrijheid en geluk bestaan niet. Iedereen streeft zijn eigen klein belang na en de anderen zijn niet meer dan middelen om dat doel te bereiken. Een doel dat geen enkele inhoud heeft. Eergisteren had ik het nog over ons subliem bestaan. Wat blies ik hoog van de toren, op mijn verjaardag, onder invloed van schuimwijn en opwindende muziek. Nu zijn zelfs de mineurakkoorden verstomd en is er alleen nog stilte en in die stilte het geraas van mijn pc, een van de vele machines die we hebben uitgevonden om onszelf de nek om te wringen. Goodbye to all that.

23-05-05

HOE NEEM JE AFSCHEID?


COO


De seizoenen volgen elkaar vliegensvlug op. Het is nog maar net m’n verjaardag geweest en ik ben al opnieuw aan de beurt. Ons leven op aarde is een korte vakantie (of een werkkamp, zo je wilt). We zijn nergens gelukkig maar willen toch blijven. Dat is paradoxaal. Je komt dat bij heel veel schrijvers tegen: het beste is zo snel mogelijk terug te keren naar waar we vandaan komen. Ook bij Leopardi, in 'De herinneringen', een van de mooiste gedichten die ik ken. Het leven op aarde is een hel, maar we zijn verontwaardigd als we worden verdreven. Leven is afscheid nemen. Elke dag moet je van iets afscheid nemen. Als we op reis zijn, zeg ik vaak tegen Laura: hier komen we nooit terug. En dan overvalt me zo’n wee, droevig gevoel. De meeste streken die we hebben bezocht, zullen we nooit weerzien. En dan zijn er nog zoveel plaatsen op deze wereld die we nooit zullen bereiken: Azië, Afrika.
 
‘s Nachts voor het slapengaan komt het vaak voor dat ik plotseling denk, het is toch een groot bedrog dat wij moeten sterven. Leven is eigenlijk iets dat niet mag ophouden. Sterfelijkheid is een schande, zei Elias Canetti. Afscheid nemen is voor mij altijd moeilijk geweest. Afscheid van mijn moeder toen ik naar ‘de kolonie’ (het Kinderdorp in Rekem) moest, op mijn achtste. Ik had tot dan in de veilige cocon van het schip en kort bij de warmte van mijn moeder geleefd. ’s Nachts het geklots van het water, dat zal hebben geleken op de tijd in de baarmoeder. Of het gebonk van de motor, als vervanger van het hart. Verdreven worden uit de baarmoeder is verdreven worden uit het paradijs. Roger Lewinter: “Précisément parce que l’être humain se conçoit dans un dehors extatique, où il s’élabore en dedans, après la naissance, expulsion du paradis, pour retrouver l’adéquation existentielle, l’état duel, confusionnel, du dehors-dedans, le dedans doit devenir à soi-même son dehors. Le corps, après la naissance, est ainsi le lieu de tout dehors, où l’être humain se représente la relation paradisiaque initialement vécue dans la matrice. » (Groddeck et le royaume millénaire de Jerôme Bosch,20.)
 
Soms sta ik voor mijn boeken en wordt het me teveel omdat ik dan besef dat ik de meeste werken nooit meer zal lezen. En mijn platen- en cd-collectie is zo groot, dat ik er nooit voldoende tijd voor zal vinden om alles te beluisteren, zelfs niet één keer. (Toch wel gek dat je dan toch CD’s blijft kopen, als je weet dat je ze misschien maar één of twee keer zal beluisteren. Na een maand afwezigheid uit de winkels heb ik vandaag weer heel wat schade ingehaald. Zo zit ik nu te luisteren naar Devils and Dust, niet slecht maar ook niet echt ontroerend.).
 
De melancholie van de middelbare leeftijd. Mijn jeugd is voorgoed voorbij. Maar in mijn bewustzijn ben ik een jonge man gebleven. Ik voel me misschien wel beter bij jongere mensen. Mijn leeftijdgenoten hebben het gemaakt in de maatschappij. Er gebeurt niets nieuws meer in hun leven. Ze staan niet meer open voor 'het nieuwe', denk ik soms. (Maar ik mag niet veralgemenen. Ik heb vrienden van mijn leeftijd die helemaal niet aan dit beeld beantwoorden. Zij hebben zich nooit aangepast aan de middelmaat.) Bij jonge mensen voel ik me goed. Maar ik weet niet hoe zij mij zien. Waarschijnlijk ben ik voor hen een oude kerel. Ik geloof niet dat vroeger alles beter was. Ik heb geen nostalgie naar een bepaalde periode. Wel naar dingen die gebeurd zijn in mijn jeugd, omdat ik toen jong was. Als je jong bent is altijd alles beter. Het pijnlijke van je bestaan is dat je niet jong meer bent. Dat zegt Leopardi ook in De herinneringen.Het geeft mij een elegisch en bitter gevoel te weten dat wij moeten verdwijnen en dat de dingen blijven. De stoel waarop ik zit, de tafel waarop mijn koffie staat te dampen. De boeken die ik heb gelezen of die ik in mijn handen heb gehouden blijven na mijn dood achter. Ik houd ze nu samen, ik heb ze bijeengebracht. Als ik dood zal zijn, zullen ze hun betekenis verliezen. Denk maar aan wat er met de boeken van Jos is gebeurd, na zijn dood. Ze hebben hun lezer verloren, die ze leven gaf, ze zijn betekenisloos geworden en mensen met ruwe zeden hebben ze in dozen gestopt en naar markten en tweedehandsboekenwinkels gebracht. Kopers zullen wellicht geprobeerd hebben zijn naam te verwijderen, evenals het gekke ventje dat hij altijd bij zijn naam zette. Dat ons leven korter is dan dat van een boom. Is het daarom dat sommige mensen zo graag bomen omhakken, hele wouden platbranden? Het regenwoud in Brazilië wordt grondig aangepakt. Is het jaloezie van sommige mensen? Kunnen zij het niet verdragen dat het woud hen overleeft en zuurstof zal geven aan hun kinderen en kleinkinderen. Kinderen worden het meest geliefd op aarde. Dat zegt iedereen. Maar als je ziet wat er met het regenwoud gebeurt, ga je daar toch sterk aan twijfelen.
 
Tussen mijn twintigste en dertigste voelde ik mij heel sterk aangetrokken door alles wat melancholisch was. Vooral de romantiek. Schrijvers als Shelley, Heinrich Von Kleist, Leopardi, Gérard de Nerval. Dat heeft wel sporen nagelaten, denk ik. Wat hield ik van de zwarte zon van de melancholie.
 
Eigenlijk zijn er twee vormen van melancholie, tenminste twee vormen: de ene is de zoete melancholie waarbij je terugdenkt aan de gouden tijd van je kinderjaren, de andere is de wrange, tragische melancholie, waarbij je beseft dat je sterfelijk bent, en dat je leven kort is.
 
Ik heb vandaag een boek gekocht van Martha Nussbaum om geen enkele andere reden dan dat het over emoties gaat. Ik ken die Nussbaum niet, maar emoties wel, en ook de afwezigheid ervan. Waarom zijn de mensen zo afstandelijk, verbergen zij hun emoties, hun gevoelens? Waarom zijn ze er niet als je hen het meeste nodig hebt? Ook weer retorische vragen, natuurlijk, want ik ben zelf een mens. Heel vaak ben ik afwezig geweest, heel vaak ben ik afwezig. Probeer het maar eens, vraag mij eens iets, neem de proef op de som. Terwijl ik naar Bruce Springsteen luister wacht ik af in mijn kamer.

18-05-05

WEEFSELS VAN HET HART


1968


Georges Bataille beweert dat mensen lachen uit schrik. Ook met erotisch gedoe wordt gelachen, maar dan wel omdat beschaafde personen er schrik voor hebben. Schrik is een positieve eigenschap. Beschavingen komen voort uit schrik voor allerlei akelige dingen in de wereld en daarbuiten. Het zou ook kunnen dat Georges Bataille dat helemaal niet beweert. Ik heb echter geen zin om de inleiding bij Madame Edwarda te herlezen.
 
Op een vrij groot adreskaartje van St Joseph’s Bed and Breakfast in Roundstone vind ik de volgende notitie terug.“Een hevig onweer met Frankie, Sara en Sontag in Bierdorp. Dat moet ik beschrijven in een verhaal. Een wolkbreuk. Hete dag in augustus. Midden in een open veld; het modderige water stroomt over de veldweg. Ik draag de buggy van Frankie en vrees te zullen worden getroffen door de bliksem. Sara heeft alleen een dun katoenen jurkje en een slipje aan. De regen en de hitte geven haar een ongewone, intense erotische uitstraling. Ik heb nooit zo hevig naar haar verlangd, terwijl ik daar liep met Frankie en Sontag. In het gebulder van de donder en bukkend voor de bliksem. Druipend van de regen, de voeten vol modder, komen we in het dorp aan. Sontag neemt ons mee naar een huis van een tante van hem. Daar krijgen we droge kleren, die ons niet passen.”
 
Bierdorp: waarschijnlijk kon ik me op het moment dat ik de notitie maakte – in Roundstone - de naam van de gemeente waar het onweer zich voordeed, niet herinneren. Dat gebeurt wel vaker op reis, dat namen van plaatsen of van personen mij niet willen te binnen schieten. Niet alleen in Ierland, na een avond Guinness bij Gus O’Connor.
 
Wandeling. In westelijke richting in de heuvels van Poggio Attendi, dan zuidelijk tot San Donato, dan terug via Montanto en Santa Lucia. Toscane, zomer 1996. De heerlijke Vino Nobile van Montepulciano. Op het terras van ons hotel hebben we daar met kleine teugen van genoten. Ook in het café Poliziano. Ik weet wel zeker dat het gevoel dat we toen hadden niet zal terugkomen als we er opnieuw naartoe gaan.
 
“Tingeltangelzangeres.”
 
Ik moet ooit een keer het verhaal vertellen hoe we tequila leerden drinken. Amerikanen in het Hard rock café, aan het Fernand Cockplein in Elsene, leerden ons tequila drinken. Job, Nora, Laura en mij. Duchateau beweert dat hij er ook bij was, maar ik geloof er niets van. Laura kan het zich niet herinneren. Zij heeft me die nacht in het bad gegooid (met mijn zeemvelleren jas aan). Ze was plotseling in razernij weggelopen van me en had thuis al haar kleren uitgetrokken. Toen Job, Nora en ik binnenkwamen, stond ze naakt in de badkamer (de ingang van ons appartement was via de badkamer). Ik was woedend. Toen ik druipnat uit het bad stapte kotste Job op mijn rug. De pindanootjes lagen over de vloer uitgezaaid. De salontafel en de stoelen waren omver gestoten. De bovenbuurvrouw, een echte feeks, belde de politie. Toen de agenten binnenstapten - alle deuren stonden open - was de rust weer hersteld. Alles opgeruimd en netjes. Job zei: “We hebben zitten discussiëren over Socrates”. In het Antwerps, zei hij dat. De agenten geloofden hem, moesten eens lachen. Je zag ze denken: “filosofen!”. “In ’t vervolg niet zo luid discussiëren, mannen ”, zeiden ze, en vertrokken. Het waren Vlamingen. Misschien waren ze wel uit Antwerpen afkomstig. De Amerikanen zeiden dat je tequila puur moest drinken. Je had er citroen en zout voor nodig. Je strooide eerst wat zout op de rug van je hand, dat likte je af, dan dronk je de borrel leeg en vervolgens beet je in een stuk citroen. Dat herhaalde je een aantal keren, tot je ver genoeg weg was, maar net niet te ver. Na The Hard Rock Café zijn we naar een fuif gegaan. Nora had er vol vuur en overgave met mij en Laura gedanst. Job was er boos geworden, geloof ik. Op weg naar huis was Job in het midden van de Troonstraat gaan liggen, aan metrostation Luxemburg (nu Troon). Ik was over de brugleuning geklommen en aan een vlaggenmast gaan hangen. Mijn bril is naar beneden gevallen, in de tunnel van de kleine ring, waar overdag het verkeer doorraast. ’s Anderendaags ben ik er nog naar gaan zoeken. Tevergeefs. (Veel later, nadat ik in de Kiekenmarkt in mekaar was geklopt, is Laura naar een andere, al heel wat duurdere bril gaan zoeken. Tevergeefs.) De tequila-avond heeft zich afgespeeld in 1976, zo ongeveer.
 
Ik vind net een notitie terug: “I wouldn’t be buried in this suit.”
 
Aantekening bij het verhaal Lenny’s verjaardag: ongeveer zeven jaar geleden (op mijn verjaardagsfeestje op 16 juni 1998, om precies te zijn) zei Danny dat we porto dronken op zijn verjaardag (in het verhaal heb ik hem Lenny genoemd). De fles porto is stuk gevallen op de vloer, zegt hij. Pas daarna hebben we grappa gedronken.Waarom moeten er bloemen zijn, rozen, lelies, papavers? Als we ze toch niet mee kunnen nemen? Elegische stemming.
 
Wat herinner ik me nog van de plaatsen waar ik ooit ben geweest?Neem nu Stuttgart… Een hotelkamer met een open gasleiding. Ik was werkelijk bang dat we tijdens onze slaap zouden worden vergast door die ‘nazi’s’. Hadden ze ook al niet gevraagd om in onze bagage te mogen kijken? Dat was toch tegen alle gastvrijheid in! Het was de tijd van de Rote Armee Fraktion. Ulrike Meinhof zat in de gevangenis. Ze wilden zogezegd weten of er geen drank tussen onze kleren zat, want dat mocht niet. Misschien dachten ze wel dat we bommen bij ons hadden, of machinegeweren…Met alternatieve mensen die ons in hun kleine autootjes meenamen (in die tijd liftten we nog langs de Duitse snelwegen) hadden we het over de terreur van de staat en over de verschrikkingen van de Stammheimgevangenis. De ‘nazi’s’ in het hotel hadden in zoverre gelijk dat we sympathiseerden met Ulrike Meinhof. Ik vond dat ze op een mensonwaardige manier werd behandeld. Overigens zagen we er ook verdacht uit, Laura met haar hennahaar en ik met mijn lokken tot op mijn schouders. Zo’n hennahaar hadden alleen hippiemeisjes. Terroristen, zullen de Duitsers oude stempel misschien hebben gedacht.
 
Toen ik de eerste keer in Berlijn was (1998) zag ik dat de meerderheid van de jonge vrouwen daar rode haren had. Wat vond ik ze allemaal aantrekkelijk… En overal in de stad hingen affiches voor de film “Lola rennt”. Lola met de rode haren: zou het een terroriste zijn, vroeg ik me af.Toen we op een zomeravond in Innsbrück aankwamen zaten alle hotels vol. Toch werd er voor ons nog een kamertje vrijgemaakt. Dat was dan wel gastvrijheid, in Oostenrijk, waar Hitler vandaan kwam. Maar ook Wittgenstein natuurlijk, en Robert Musil, de beste schrijver.
 
In Pécs logeerden we bij een verdacht sujet, een vrijgezel in een groot appartement. Wat ik mij vooral herinner is het wasrek in de badkamer, dat met kabels en katrollen tot tegen het plafond was getrokken. De vrijgezel in zijn mouwloze onderhemd. Zijn bleke armen. Pécs was een vreemde en fascinerende stad. Het was er bloedheet. Dankzij de hitte waren de vrouwen schaars gekleed. Of was dat typisch Hongaars, misschien? Waren zij altijd zo warmbloedig?
 
In Eger, stad van het Stierenbloed of Egri Bikaver, wandelden we door de straten en over de pleinen met de dorpsfilosoof en (soms) zijn dochter. Hij sprak vlot Duits en ik had net een cursus Duits achter de rug, zodat de conversaties nogal meevielen. Jammer genoeg was de man oerconservatief. In het begin wantrouwden we hem. We wilden met hem bijvoorbeeld geen uitstap maken naar het bos van Szilvasvarad (een naam voor een sprookje, vind ik). We dachten dat hij ons daar misschien wel zou vermoorden, in dat donkere woud. Toen we er dan toch een keer aan het wandelen waren, kwamen we hem en zijn dochter ‘toevallig’ tegen. Hij heeft ons niets in de weg gelegd. In de bus terug naar Eger heb ik wel een flinke kou gevat. Een paar dagen later zaten we in een bioscoop in Zagreb, waar intussen de burgeroorlog heeft gewoed, naar 'The Color Purple' te kijken, mijn keel helemaal toe van de infectie. De dorpsfilosoof van Eger was een bijzonder zachtaardige Hongaar. Hij had veel problemen gehad in zijn leven. Zijn professoraat was hem afgenomen omdat hij geen lid was van de Communistische partij. In Szilvasvarad staken duizenden kleine kikkertjes de weg over. Je kon bijna niet anders dan er op trappen.
 
Praag associeer ik met paranoia. In het ruime, kraaknette appartement waar we logeerden, een half uurtje buiten de stad, in de wijk Knetzky Luka, konden we ’s avonds, na het nuttigen van een paar flessen witte wijn op het terras van café Europa, niet meer binnen. Er was iets met het slot. De vrouw deed verwoede pogingen, maar het lukte niet. Ze moest de hulp van haar vriend (of echtgenoot) inroepen. Ze zei geen woord tegen ons. Nochtans kende ze Engels. De man moest het slot helemaal losschroeven. In volstrekte stilte. In de restaurants waren de mensen bang om afgeluisterd te worden. Terecht. Op een avond hebben we in restaurant Rudolf toch zitten praten met Oost-Duitsers, uit Leipzig. Ze keken af en toe achterdochtig om zich heen. Ze waren zeer ontevreden over het regime in hun vaderland. Iedereen wordt er afgeluisterd, fluisterden ze. Alleen in kerken kunnen we vrijuit spreken. Ons bezoek aan Praag was een paar maanden voor de fluwelen revolutie. Ik had niet echt in de gaten dat er zo’n revolutie werd voorbereid. Ik zag bovenal onbeschoftheid, onvriendelijkheid, slecht en vettig eten. Zeker in het restaurant Savarin, een oud kasteel, werden we buitengewoon onvriendelijk bejegend. Toen we er buiten kwamen hadden we zo’n honger dat we worsten zijn gaan eten in een selfservice, met een groot glas bier erbij. Neen, Praag ontving ons niet met open armen. De betere momenten in Praag waren die met de vrienden (Jim en Ronda, met wie we afgesproken hadden, maar die we een dag voor onze afspraak al tegen het lijf liepen op het Oude Stadsplein, nadat we met Hollandse meisjes in restaurant De Gier biefstuk met eieren hadden gegeten), (Lou en Cindy, die we toevallig ontmoetten in Hradcany en met wie we een mooie avond beleefden in restaurant Europa, een schitterend art deco-interieur). Praag was een buitengewoon mooie stad. Misschien wel de mooiste stad waar ik ooit ben geweest. Ik heb er twee hoeden gekocht, heel wat klassieke elpees, Laura heeft er zich leren handschoenen aangeschaft in een supermarkt, waar voor de rest niet veel te koop was, en een Russisch polshorloge.
 
Het lange wachten op een lift aan de grens tussen Duitsland en Oostenrijk, op weg naar Italië, in de zomer. De troost van zoete alcohol, tegen de kou en de regen. Na uren in onze handen klappen en met onze voeten stampen dan toch meegenomen, maar wel in een open voertuig. We vergingen van de kou. Overal bergen rondom ons. Ik kreeg een afschuw van de bergen met sneeuw op hun toppen.Er bestaat geen zuiverheid op de wereld. Het verlangen naar zuiverheid is misschien wel het grootste gevaar in de mens.Alle interessante ervaringen met openbaar vervoer op een rij zetten.
 
Treinreizen.
 
Ongewone belevenissen in de metro. Bijvoorbeeld hoe je ooit hevig schrok van een vrouw zonder neus die opstapte op bus 96 in de Troonstraat. Je had net cursus gevolgd over de Esthetica van Hegel. In het station in Antwerpen een man met een volledig paars gezicht. The Color Purple. De auto als openbaar vervoer (liften). Tram en bus. Nog niet zo lang geleden bracht een buschauffeur ons, met de lichten uit, tot helemaal aan de Westrand in Dilbeek. Anders hadden we nog meer dan een half uur moeten lopen in de kou. We gingen kijken naar Francesca, van Wedekind. Een stuk met mooie blote vrouwen.
 
In Duitsland, wilde een Siciliaanse trucker mijn gezellin verkrachten. Hij vond dat het minste wat we konden doen, in ruil voor wat hij ons aanbood. “Vier stunde fahren und ein stunde schlafen”, mompelde hij af en toe. Toen hij zijn zin niet kreeg wat dat verkrachten betreft, zette hij ons uit zijn truck, middenin de Duitse nacht.
 
Vliegtuig. Boot.
 
Ervaringen met honden: Picky en Jimpy, Suzy.
 
Ervaringen met het nummer 56. Je schrik om op je 56ste te sterven. Dat valt dan nog mee. Vroeger dacht je dat je zeker niet ouder dan 26 zou worden. Huisnummer 56 in de Dolfijnstraat. Tram 103 die in 56 verandert. 1956 het jaar van de rock & roll. Van de opstand in Boedapest.Laura woonde in de periode 1985-1987 in de Osystraat 58 in Antwerpen (officieel adres).
 
Vanaf 1987 tot 1989 had ik een kamer in de Breughelstraat.
 
Nog een geluk dat ik vaak schrik heb. Zo bouw ik mijn wereldje op. Af en toe komt er een stukje bij. Als ik weer eens wakker schrik uit mijn vervelende slaap. Mijn muurtje van woorden en stilte, dat nooit afgeraakt. Maar kan het kwaad? Jij bent toch ook maar een fragment.

Foto: Blankenberge, 1968, Martin & Monique.

14-05-05

HERSTELLINGSWERKEN


rooftop


Mijn levensgezellin is geen actrice, maar ze had het kunnen zijn.
Bij de aanvang kunnen wij alles, met het ouder worden nemen onze mogelijkheden af. Hoewel onze professor Leopold Flam er meermaals op wees dat Tolstoj nog Grieks heeft geleerd op vrij hoge leeftijd. Mijn levensgezellin is nog altijd een mooie vrouw maar net als dat van mij is haar leven nu grotendeels vastgelegd. Er valt nog moeilijk te ontsnappen aan de gewoontes, de afhankelijkheden; uitstijgen boven de determinante patronen wordt met de dag moeilijker. Ze loopt nu rond met één grote schoen (met een dikke zool) en één kleine schoen. Uit die grote schoen steken haar tenen. Uit een van die tenen steekt een pin. Op die pin zit een kurken dop. Eergisteren werd er in Pellenberg herstellingswerk op haar uitgevoerd. We hebben allen onze kwalen en ongemakken. Dit is allemaal nog niet zo erg, er zijn mensen die veel erger lijden. Een goede god zou dat nooit toestaan. Zou een goede god zijn paus laten afzien en sterven? Zou een goede god jonge jongens zich in zijn naam laten opblazen? Ja, natuurlijk zijn dit retorische vragen.
 
Ik wil vandaag heel graag naar een verjaardagsfeestje van een heel goede vriendin, maar ik merk dat mijn lichaam niet wil. Wie ben ik dan en wie is mijn lichaam? Zijn wij niet één en dezelfde, of elkaars spiegelbeeld: in de spiegel zie ik mezelf, zoals de anderen mij zien, maar hier op deze stoel zit ik, mijn lichaam dat niet naar dat feestje wil en dat nu al weigert te dansen op de soul en funk die vanavond in de flat van mijn vriendin wellicht zal opklinken. Ik had het gisteren onder meer over echte mannen en machos. Daar moet ik aan toevoegen dat ik heel weinig over machismo weet. Lang geleden heb ik over het Mexicaanse machismo gelezen in 'Het labyrint der eenzaamheid' van Octavio Paz, maar daar herinner ik me zeer weinig van. Toen ik gisteren naar 'Madigan' van Don Siegel zat te kijken (met een zeer mannelijke Richard Widmark) moest ik opnieuw toegeven hoe vaak ik mezelf tegenspreek. Want ik besefte dat ik net zo goed sterke mannen bewonder, mannen als Madigan, die alles willen geven om hun eer te redden, zelfs hun eigen leven. Voor hen gaat er van vrouwen een sterke aantrekkingskracht uit, maar in de grond zijn zij - weliswaar mooie en verleidelijke - hindernissen, die de helden beletten om hun opdracht uit te voeren en hun tragische einde tegemoet te snellen. Of om als Odysseus weer naar huis terug te keren. But you can never go home anymore...

Foto: Martin Pulaski

07-05-05

TREURLIED TUSSEN KALE BOMEN


jos d in 1976

Gisteren wilde ik iets schrijven over mijn in 1991 overleden beste vriend Jos Dorissen.
Ik heb onlangs een scanner gekocht en had een foto van hem uit 1976 ingescand (ik denk dat de opname dateert uit de lente van dat jaar, net voor de mooiste zomer van ons leven), die ik hier wilde tonen. De foto had, met bij mij veel meer effect dan een madeleine in een kopje thee, mijn herinneringen weer op gang gebracht. Toch kreeg ik over Jos geen regel, geen woord op 'papier'. Ik denk dat ik eerst heel veel moet drinken eer dat wil lukken, want dat is wat wij samen ook meestal deden. Maar ik wil niet schrijven onder invloed van alcohol en eigenlijk wil ik ook helemaal niet meer drinken. Maar dat terzijde. Ik heb dus niets geschreven over mijn beste vriend en ik heb de foto ook niet getoond. Dat is me niet gelukt. Kennelijk is hij te zwaar voor dit medium, ofwel ligt het aan mijn onkunde, dat kan ook. Ik kan nauwelijks rekenen en heb geen verstand van techniek. Later, als iemand mij zal hebben geholpen, zal hier wel een beeld verschijnen van een goede, intelligente en mooie man. Maar vooral een diep melancholische jongen die zich niet met dit saaie leven kon verzoenen. Zelfs het pessimisme van Schopenhauer bood hem geen houvast, laat staan een uitweg. Omdat ik ook vandaag niets over Jos kan schrijven grijp ik hier terug naar een gedicht dat ik schreef naar aanleiding van zijn dood.
 
Treurlied tussen kale bomen."
 
In Romeins marmer gebeiteld zie ik voor mij zijn buste. Hij heeft het ongelauwerd hoofd van een jonge dode dichter die geen sterveling kent. Ik zit zo stil mogelijk gebogen over dit kringlooppapier, waarop ik zijn naam schrijf: een neerliggende berk met een boogje op zijn top. Als ik met mijn ogen knipper beland ik in een klein Alexandrië tussen boeken die moeten branden als bossen omdat hij ze aanbad. Goden die hij in zijn handen had. Denken vindt geen vleugels voor een beter woord dan wit. Mijn dromen doven uit. Zij vergezellen de sterrren die tussen kale bomen vallen in de tuin. Niet dat de bomen een treurlied aanheffen voor een onaangepaste paljas of dat zij lijken op dorische zuilen. Nu het al zo vroeg donker wordt staan zij er alleen maar zo."
 
(Omdat Jos hier niet wil verschijnen plaats ik Neil Youngs 'After the Goldrush'. Neil Young was samen met Gram Parsons een van de grote helden van Jos. Lange tijd heeft hij rondgelopen met van die gelapte jeans aan, ook toen hij trambestuurder was in Antwerpen, wat ze daar wattman noemden.)
 
Inmiddels is Neil Young's foto hier verdwenen en heeft Jos zijn rechtmatige plaats gekregen. Ik moet toegeven dat niemand me daarbij geholpen heeft, wat ik nochtans gehoopt en verwacht had. Maar ik begrijp nu dat je niet op de andere moet rekenen om je problemen op te lossen. Eigenlijk moet je nooit op de anderen rekenen. En dan kan het gebeuren dat er soms toch nog iemand uit nacht en nevel opduikt en je de hand reikt.

Foto: Martin Pulaski, Jos in 1976.

04-05-05

SCHOONHEID EN AFTAKELING


candy


Al een tijd terug in de heimat, wennen aan de schoonheid en het vuil rondom mij.
Wennen aan de zachte Belgische lente, het groen van de bomen in onze straat, de milde regen, de winkels uitpuilend van groenten en fruit, maar ook het lawaai van de auto's en de giftige lucht. De onbeschofte taxichauffeurs. Het gevoel een vreemde te zijn in je 'eigen' stad, in je 'eigen' land. Het oude, vertrouwde dat soms zo bizar kan lijken. Of is het in wezen allemaal bizar?
 
Ik word ouder, kaler, grijzer, maar rimpels laten nog wat op zich wachten. Het gezicht is niet doorgroefd van zware arbeid, drank en sigaretten. Het aantal kwalen waaronder ik gebukt ga is echter niet meer te overzien. Je kan niet zeggen dat ik voor gezondheid en geluk geboren ben. Ik ben niets, sta nergens, ben nergens thuis, ben gewenst noch ongewenst. Noem me maar een loser, baby. Maar als ik in de spiegel kijk ben ik niet helemaal ontevreden. Het is niet de kop van een coole schoonheid als Candy Darling - die nu weer in de belangstelling blijkt te staan - maar evenmin die van een beate idiotie uitstralende Tom Boonen of andere vedetten en kampioenen in het landschap van Big Brother. Ik ben tevreden met mijn kop omdat het een kop is. Je ziet meteen dat ik heb geleefd en wat nog beter is: dat ik nog steeds in leven ben. In leven, jongen. Thank you for the days, hoor ik Ray Davies nu zingen. Die man wist het al lang geleden. Those endless days...
 
Toch is er geen reden voor vreugde of ben ik niet meteen zinnens feest te gaan vieren. Tijdens mijn verblijf op La Palma (waar ik opnieuw sporen aantrof van een of ander paradijs, zeer aanwezig maar desondanks verloren, nabij en toch zo ver, om met Wim Wenders te spreken) ben ik ernstig ziek geworden en dat ben ik nog altijd en het zal zeker nog een tijdje duren. De volgende dagen worden dagen van medicatie, onderzoeken, analyses, bang en hoopvol afwachten.
 
Door die ziekte heb ik nu tijd om mij weer aan te passen aan de heimat. Ik gebruik graag dat Duitse woord omdat ik de drie Heimat-reeksen van Edgar Reitz tot het allebeste filmoeuvre reken dat ooit werd bijeengefilmd. Ik ben ook wel opgelucht dat ik nog thuis ben geraakt, dat ik mij hier kan laten behandelen. Niet dat ik de arts in Tazacorte wantrouwde, maar hier in mijn vaderland kennen de dokters me. Ze zijn op de hoogte van mijn zwaktes, mijn allergieën, mijn angsten, maar ook van mijn hypochondrie. Dat geeft een enigszins veiliger gevoel.
 
Ondertussen is het Vlaamse Circus BHV nog altijd in het land. Begrijpen de Vlaamse fanatici dan niet dat ze België vernietigen, dit uniek, fabelachtig, en inderdaad visionair land? Wie zit er te wachten op een Vlaming of een Waal? Belgen echter worden gerespecteerd, onder meer vanwege hun bedrevenheid in het oplossen van problemen. Maar meer nog omdat ze een bijzondere gave hebben om problemen te scheppen. Dat is toch buitgengewoon! De Vlaamse fanatici willen dus een soort Denen of Moldaviërs worden. Ik heb niets tegen Denen, maar zijn zij bijzonder? In wat dan? Ik ken hen alleen als een volk in een land in een stuk van Shakespeare. Een fictief volk, eigenlijk. Dezelfde fanatieke Vlamingen (of hun voorouders) hebben van Brussel een Franstalige stad gemaakt. Je moet maar eens de proef op de som nemen en in het telefoonboek kijken hoeveel Franstalige Vanderstraetens er in Brussel wonen. Allemaal afstammelingen van 'echte' Vlamingen. Die mensen hebben op een gegeven moment vanuit praktische en economische overwegingen (en zeker niet literaire) het Frans verkozen boven het 'Nederlands' (meestal ging om het Oost- en West-Vlaams: de sprekers van die dialecten waren de meest ondernemenden onder de oude Flamins). De consequentie daarvan is dat Brussel nu een Franstalige wereldstad is met inwoners uit meer dan honder landen afkomstig. So what? Als deze stad New York zou heten zou iedereen er trots op zijn. En als Brussel de hoofstad van een België zou zijn waarmee je je kunt identificeren, ook als immigrant, zoals de immigranten in de VS zich Amerikanen voelen, dan zou iedereen even trots zijn. Maar dat willen die fanatieke Vlamingen niet. Die willen BHV splitsen en met oude leeuwen zwaaien en kaakslagen incasseren en het eigen volk voor eeuwig in het eigen nat laten marineren. Ach, fanatici, een meelijwekkende soort. Ik blijf er voorlopig op vertrouwen dat de heren Di Rupo en Verhofstadt - waar ik niet de minste sympathie voor koester - een oplossing vinden voor het Circus BHV.
 
En vanaf nu zwijg ik over politiek en keer ik terug tot de letteren (in het Nederlands tot uitsterven gedoemd) en de rock & roll (al dood en begraven). Keep on rockin' in the real world! Laat je niet aliëneren. En let op de parkeermeters: die hebben oren.

12-04-05

WALLY TAX EN HET VERDRIET


outsiders4


Ik heb jarenlang een dagboek bijgehouden.
Voor wie schreef ik al die dingen neer? Het antwoord op die vraag ken ik nog altijd niet. Wat ik wel weet is dat ik me tot iemand richtte, tot een denkbeeldige lezer, tot een onbekende maar verwante ziel. Mag ik hierbij opmerken dat ik het woord ‘ziel’ niet in een christelijke betekenis gebruik? I’m a soul man. Maar toch… Leken die ontboezemingen ook niet een beetje op in stilte bidden? Lag het noteren in die mooie ingebonden cahiers wellicht in verlengde van de persoonlijke gebeden uit mijn kinderjaren? Tot mijn dertiende ben ik namelijk gelovig geweest en, zoals talloze jongens in België, zelfs misdienaar. Het in ‘vrije verzen’ bidden tot god gaf me een gevoel van verlossing; de gebeden in het Latijn zullen veeleer een esthetische ervaring geweest zijn. Voor een kleine jongen die de grote wereld nog niet heeft ontdekt is een mis in het Latijn iets groots, een sterk en geheimzinnig ritueel. Die dagboeken staan nu netjes op een rij in een grote kast. Zeer waarschijnlijk zal niemand ze ooit lezen, of ik zou ze zelf moeten openslaan. Misschien vind ik er wel inspiratie in voor een verhaal of voor een stukje dat ik dan kwijt kan op deze openbare plek. Proza dat niet in een la terechtkomt om daar betekenisloos te liggen vergaan. En zo kom ik tot de vraag die ik van in het begin al wilde stellen: wie leest wat hier staat? Komen hier verwante zielen op bezoek? Zijn er ook toevallige bezoekers die zich ergeren aan mijn hypochondrie en mijn heldenverering? Aan mijn sentimentaliteit, mijn liefde voor americana, mijn atheïsme, mijn namenfetisjisme, mijn vrouwengekte, mijn religiositeit, mijn onvolwassenheid en onverantwoordelijkheid. Zijn er anderen die mij bewonderen om mijn rock & roll-hart, om mijn kleine cinema, om mijn litanieën, om mijn verbazing, mijn twijfels en mijn bewondering? Om mijn kleine literatuur (om een uitdrukking van Gilles Deleuze en Félix Guattari te gebruiken) en vermolmde grammatica? Of komen deze woorden rechtstreeks uit het hart in de grote leegte terecht en is het hun echo die ik hoor als ik – vooral ’s nachts net voor het slapen gaan – geluiden waarneem die ik niet kan thuisbrengen?

Gisteren wilde ik mijn verdriet bij de dood van Wladimir Tax delen met jou. Maar ben je er wel? Heb je mijn verdriet gevoeld? Heb je een cd of lp van the Outsiders opgelegd en meegezongen met Teach Me To Forget You en Touch? Liepen er tranen over je wangen? Zat je met troebele ogen voor de televisie te zoeken naar een waardig In Memoriam? Want dat had deze grote man toch wel verdiend, hij die tijdens zijn leven zo weinig erkenning heeft gekregen. Tenzij lang geleden, toen we allen jong waren, in Amsterdam, in Maastricht, in Hasselt, toen we paarse broeken droegen en bananenschillen rookten en op the Outsiders kickten en gilden als jonge meisjes. Maar wat waren nu weer precies: meiskes of jongens? Lang geleden, toen onze gebeden werden beantwoord door Bob Dylan, the Shangri Las, the Lovin Spoonful, the Rolling Stones, the Ronettes, the Who en ja, door Wally Tax en zijn Outsiders.

06-04-05

DIEFSTAL EN RELIGIE

supermarkt,diefstal,slechte mensen,kassa,hope sandoval,religie



Er valt weinig te zeggen. De mensen in je omgeving stellen je teleur. Waarschijnlijk stel jij hen ook teleur. De verschillen tussen jou en hen zijn zo klein dat we elkaars dubbelgangers zouden kunnen zijn. Zolang we niet in de spiegel kijken of elkaar niet horen zingen. Een paar dagen geleden had ik nog eens een paniekaanval; even dacht ik te zullen sterven. Maar een half uurtje later werd ik weer rustig en wist ik dat ik mij veel te druk had gemaakt om zeer kleine dingen. Terwijl er al een god is die zich daarover ontfermt. ’s Avonds ging ik boodschappen doen in de Delhaize. Terwijl ik naar geschikte wijn liep te zoeken – Pinot Noir uit de Elzas - besefte ik dat er toch nog iets anders aan de hand was. Je hebt van die momenten waarop de wereld plots onheilspellend wordt, zonder dat daar een bepaalde reden voor is. Wat later werden mijn vlees, brood en paddenstoelen gestolen. Ik had het plastieken zakje met daarin een deel van mijn aankopen aan de kassa laten liggen. Niet langer dan een minuut. Het kassameisje - een veel te mooi woord voor de onbeschofte sloerie – trok de schouders op en keek me beschuldigend aan. Het was haar verantwoordelijkheid niet dat ik mijn boodschappen onbewaakt achterliet. Je moet het maar durven, scheen ze te willen zeggen. Vervolgens schrapte ze me uit haar bewustzijn. Ik bestond niet langer. De vraag is of ik eigenlijk wel besta. Weet jij het, mijn dubbelganger? Maar ook al besta ik misschien niet, ik laat me door de kleine mensen niet meer van mijn stuk brengen. Ook zonder te bestaan beteken ik veel en geef ik veel betekenis. (Ook aan minuscule dingen, die mijn aandacht niet verdienen.) De kleine, slechte mensen mogen mijn vlees, mijn brood en mijn paddenstoelen hebben. Ik heb jou, aan wie ik dit vertel, en ik heb de troost van de eenzaamheid en af en toe een “mensch” die in mijn woning binnenkomt. En als al die metafysica niet helpt, leg ik een plaatje op van Hope Sandoval, of ga ik naar de cinema, of naar het theater, zoals vanavond naar de onvolprezen KVS waar Arne Sierens me ongetwijfeld zal weten te boeien en vermaken. Hij zal mijn vlees, mijn brood en mijn paddenstoelen niet stelen. Religie geeft hij mij, maar van een soort die geen enkele god en geen enkele paus me kan geven. Nu ga ik de regen in, jou tegemoet, mijn legende.

05-04-05

ADOLESCENTIE IN LIMBURG


dr john 2

Eergisteren vertelde ik Laura nog een paar dingen over mijn adolescentie in Limburg
. Er waren, zoals bij Marcel Proust, twee kanten : de kant van Hasselt (mijn vrienden Jan en Luc) en de kant van Neerharen (mijn vrienden Valère, Jean-Pierre, Martin, Jean en mijn vriendinnen Anita, Linda en Sylvia). Die twee werelden liet ik niet met elkaar in aanraking komen. Er is veel te vertellen over die periode, het midden van de jaren ’60. Je had de lokroep van de 'misdaad' - meer bepaald spionage – ontstaan uit fantasieën over James Bond met zijn Lüger en zijn goudgelakte vriendinnetjes. In Eisden Cité toonden wat oudere, gevaarlijkere jongens mij hun fonkelende knipmessen. Zelf had ik een luchtkarabijn en een luchtpistool, waarmee ik soms wel eens op vogels en zelfs op kippen schoot. Die kakelden dan alleen maar even en dan zochten ze weer verder naar iets eetbaars in de ondankbare aarde. Gaia bestond toen natuurlijk nog niet. Dan waren er ook de verlokkingen van de Congo Bar en de Paddock waar je gin fizz en zelfs pure Gordon’s Gin kon drinken Ik was altijd de leider van de groep in Neerharen. Maar leiders worden verraden, dat moet je erbij nemen, ook al ben je Napoleon Solo II. En toen kwam 1967: flower power en een nieuwe wending in het leven van talloze jongeren. Weegaloze jaren braken aan. Mijn achttiende verjaardag. De twee kanten kwamen voor het eerst samen: Luc, Henri, Jan, Anita en nog een ander meisje (haar naam voor altijd weg, nee, die staat wellicht in een dagboek uit die tijd). De meisjes uit Neerharen waren welkom op mijn feestje, de jongens kwamen uit Hasselt. Doctor John the Nighttripper, zoals hij toen nog heette. Die voodoo had nog nooit iemand gehoord. En niemand maar dan ook echt niemand kende White Light White Heat. Hoe dat in 1968 klonk, dat kon je aan geen mens vertellen. It's like telling a stranger about rock and roll. Daar dansten we dan op: Doctor John, the Velvet Underground… En op Vincebus Eruptum van Blue Cheer. De vader van Anita was rijkswachter, geloof ik, of toch politieagent, Anita zelf een fan van Engelbert Humperdinck. En waarom ook niet. Op Anita's zus Linda, een onderwijzeres, was ik verliefd, maar zij had al een verloofde. Slechts één avond heeft ze mij gegund, meer niet. Waarom maar één avond en geen twee of helemaal geen, las ik ergens. Je bent natuurlijk nooit origineel in deze tijden van walging en afgrijzen. Wist je al dat de paus dood is?
 
Op 7 juni vind je mij in het Koninklijk Circus, bij Mercury Rev. Er is nog niet veel veranderd. Vorige zaterdag luisterden we in Antwerpen naar liedjes van the Mamas en the Papas en the Searchers en dansten we in Gent op Jackie DeShannon en Big Star. De bruid danst nog steeds rock & roll of struikelt, blind van dronkenschap, en valt in een ondiepe put. De taxichauffeur wacht stoïcijns, of is het onverschillig, tot het stof is weggewaaid. Over de vreemde gebeurtenissen van gisteren vertel ik morgen of later, veel later. Je moet de dingen doseren. De weinig slaap die je is gegund moet je als was het een vrouw of een grote teddybeer knuffelen tot je ervan in slaap valt!