11-03-06

OPEN DE RAMEN!


beckman vis


Waar komt de behoefte vandaan om je leven prijs te geven aan ‘onbekenden’? Om anderen deelgenoot te maken van je voorkeur voor bepaalde songs of boeken? Vind je dan dat je ideeën beter zijn dan die van jan en alleman? Dat je een goede smaak hebt? Bestaat zoiets als goede smaak? Iemand die van Cat Power houdt heeft in jouw ogen goede smaak, en iemand die een zwak heeft voor Dana Winner – de naam alleen al! – zou dan slechte smaak hebben. Maar weer anderen, die diep ontroerd worden door de cellosuites van Bach of door de late strijkkwartetten van Beethoven, vinden mijn gedweep met countrymuziek wellicht van een zeer laag niveau getuigen. Om nog maar te zwijgen over Elvis. ‘From Elvis in Memphis’, de beste langspeelplaat aller tijden! Jongens, toch, die vulgaire truckdriver uit Tupelo, geboren in een schuur uit zwerfhout opgetrokken… Om mij te verdedigen noem ik die schone zielen – die ik me nu even inbeeld, want ik weet niet of ze werkelijk bestaan – dan pseudo-intellectuelen. Dat ‘pseudo’ is zeer belangrijk. Ik kan het namelijk niet hebben dat de spot wordt gedreven met ‘echte’ intellectuelen. Mensen die dat doen zijn uit hetzelfde hout gesneden als antisemieten en andere ordinaire racisten. Ik noem mijn imaginaire opponenten daarom ‘pseudo-intellectuelen’. En dan is de zaak afgehandeld: zij mogen van mij denken wat ze willen.

Je zal aan mijn redeneren wel merken dat ik moe ben en stilaan wegzink in waanideeën en paranoia. Dat ik ten prooi val aan associatief denken. Dat laatste vind ik niet erg. Ik heb altijd associatief gedacht en geschreven, maar wel beheerst, onder controle, ordelijk. Nu dreigt die orde van het denken te verdwijnen. Gelukkig is er nog de orde van de taal, van de syntaxis. Mijn woorden ontsporen nog niet, geloof ik. Ja, mijn hoogdravend credo van een paar dagen geleden, dat moet ik er nog eens op nalezen.

Die behoefte, die ik hierboven ter sprake bracht, komt zeer waarschijnlijk voort uit het verlangen om geliefd te worden. Je bent schuchter, in jezelf gekeerd, maar wilt toch in de belangstelling staan. Je wilt een plaats ‘veroveren’ in het hart van de duisternis. Je verlangt ernaar dat anderen je graag zien, onder meer door je graag te lezen. Je bent zoals iedereen, maar toch anders. Een echte ‘outsider’, maar tegelijk ook een ‘insider’.
Het voorbije jaar ging je die aandacht ver zoeken. Je verwaarloosde je omgeving, je vrienden, wat nog overblijft van je familie. De liefde voor het verre nam op haast overweldigende wijze bezit van je. Je overschreed talloze grenzen. Je werd een barbaar in je eigen gemeenschap. Maar je weet dat je op een dag zal terugkeren naar de jouwen met zakken vol goud en robijnen van over de grenzen. Je weet bovendien dat op een dag die grenzen zullen verdwijnen. Gemeenschappen zullen in grillige en snel wijzigende vormen over de wereld rondzwerven, nu eens hier opduikend, dan weer daar, en niemand zal hun namen kennen, want zij zullen vele namen hebben. Tot welke gemeenschap zul jij dan behoren? Er zijn miljoenen kleuren en vormen. Laat ze met elkaar versmelten in nieuwe woorden!

Reproductie: Max Beckmann, reis op de vis.

10-03-06

CAT POWER OF BILL GATES?

ziekte,geneesmiddelen,kenya,vrienden,cat power,pop,rijken,bill gates,geert mak,europa,krant

Het gaat al wat beter met me, dank u, en dank aan de doctoren en de farmaceutische industrie. Bij die farmaceutische industrie moeten we noodzakelijkerwijs wat vraagtekens zetten, zeker nadat we The Constant Gardener hebben gezien, en nadat we het verhaal van mijn vriend BG hebben gehoord, die vele jaren in Afrika, onder meer in Kenya, heeft gewerkt voor zo’n bedrijf en daar in de jaren negentig een (ongepubliceerde) roman over heeft geschreven. Het is allemaal niet zo proper, wat daar gebeurt. Maar laten we niet klagen, het gaat immers beter met me! Pilletjes en drankjes zullen ongetwijfeld een rol spelen in mijn genezingsproces, maar vanochtend bij het ontbijt was het toch vooral de opgewekte, sensuele stem van Cat Power die me een shot adrenaline heeft gegeven, vooral met het aanstekelijk ritmische Could We en eveneens met het wat droevige liefdesverdrietliedje Empty Shell, want dat spreidt al evenzeer een positieve gestemdheid ten toon – en in After All wordt zelfs gefloten. 


Ondertussen las ik in de krant dat de meeste superrijken het voorbije jaar nog rijker zijn geworden. Er zijn nu volgens Forbes 793 dollarmiljardairs, 102 meer dan een jaar geleden. Bill Gates is de rijkste. Ik zit hem op dit ogenblik nog wat rijker te maken. Hij ziet er trouwens ook niet echt gezond uit. In Geert Maks ‘In Europa’ las ik dan weer dat de krant de Deutsche Allgemeine Zeitung op 8 november 1923 60 miljard mark kostte. Als we Bill Gates in de teletijdmachine stoppen en terugzoomen naar die rampzalige dag kan hij met zijn 50 miljard dollar niet veel meer doen dan een gazet kopen; een paar warme pantoffels, dat zit er niet in.

Tekening: Georg Grosz

08-03-06

AMERIKAANSE IKONEN


john wayne 2

Mijn zin om uitgebreid te schrijven over het Amerika van de geest is groot. Want eigenlijk ben ik daar opgegroeid: bijna voortdurend heb ik geleefd in een Amerika van de geest. Als kind was ik een pionier, een Amerikaan van de eerste generatie, die zijn grens bleef verleggen in de richting van het Westen, tot hij de Stille Oceaan bereikte. (Overigens is de Stille Oceaan helemaal niet stil, Jack Kerouac heeft zeer mooie pagina’s gewijd aan het geluid van die oceaan in Big Sur…). Als kleine jongen vocht ik samen met Davy Crockett tegen de onverbiddelijke natuur, tegen de vreemde machten van dat onpeilbare, moeilijk toegankelijke, immense land, en natuurlijk tegen de oorspronkelijke bewoners, de Indianen. Soms was ik zelf de Indiaan, op het jachtveld of in een reservaat: Crazy Horse, Sitting Bull, Geronimo, vooral Geronimo. En natuurlijk werd ik ook verliefd op Pocahontas, en op Grace Kelly in High Noon. Maar veel vaker was ik de onverschrokken blanke held: Kit Carson (in werkelijkheid een smeerlap, maar dat wist ik hoegenaamd niet), Buffalo Bill Cody, Wyatt Earp, Billy the Kid, Jesse James, enzovoort. Ik stelde mij deze helden en antihelden, deze sheriffs en outlaws, voor met de gezichten van Alan Ladd en Gary Cooper, met de lijzige stem en altijd wat verbaasde blik van James Stewart of met de onschuld van Gregory Peck. Nooit was ik – in mijn gedachten – een booswicht, bijvoorbeeld een veedief. Een psychopathische moordenaar als Billy the Kid was voor mij een held die de rijken beroofde en zijn buit onder de armen verdeelde, een ‘Robin Hood’. Heel uitzonderlijk was ik een Noordelijke soldaat. Ik hield echter niet zo van die uniformen. John Wayne kon me nauwelijks bekoren. Later, toen ik westerns beter begon te 'begrijpen', door bijna dagelijks naar het Filmmuseum te gaan en erover te lezen in Cahiers du Cinéma, werd the Duke voor mij een van de grootste acteurs, los van zijn politieke overtuiging natuurlijk. De beste western is zonder twijfel The Searchers van John Ford.

Het Amerika van de geest dus. En ik heb het nu alleen nog maar over de 'cowboys' en de 'Indianen' gehad, niet over al de rest, die immense cultuur die me nog dagelijks bezighoudt, en waar ook onze cultuur deel van uitmaakt. Zo beschouw ik Andy Warhol als een echte Europese kunstenaar en Paul Auster als een echte Europese auteur. Ik moet deze beschouwing nu beëindigen wegens de opkomende vermoeidheid. Het eeuwige gevecht, niet tegen de Indianen, maar tegen de ziekte. Ach ja, het verlangen Indiaan te worden…

03-03-06

TEENBEAT EN DE GEUR VAN DE UNDERGROUND


tiq 4 februari '67


De voorbije nacht lag ik te denken aan mijn oude muziek- en undergroundtijdschriften uit de jaren ’60 en begin jaren ‘70, voor het merendeel verwoest door waterschade, toen ik in een vochtig appartement woonde in Antwerpen in de glamoureuze jaren ‘80. Hoe belangrijk die tijdschriften voor me waren! Ik geloofde zo ongeveer alles wat er in stond, alsof het de uitspraken van profeten of evangelisten waren. Mijn ouders, mijn leraars wisten niets. De waarheid was in die flitsende artikels te vinden over carnaby street, Italiaanse brommers, revolutionaire cassetterecorders, de pil, mellow yellow, masturberen, de schoonheid van een bloot meisje, muziek van cowboys en easy riders, de veelkleurige droomwerelden van lsd-trips en de bizarre symboliek van underground films.

Hoe blij alleen al de geur van zo’n blad mij kon maken als ik het net gekocht had op een zonnige zaterdagmiddag in ‘mijn’ krantenwinkel in Maastricht, en later in de Free Press Book Shop in de Brusselse Spoormakerstraat. In mijn tienerjaren was ik verslaafd aan Juke Box, Muziek Express, Pop Foto, Muziek Parade. Dat waren eigenlijk vrij vulgaire fanblaadjes, zonder veel inhoud, tenzij je wilde weten welke de favoriete kleur van Brian Jones was. Daarna, vanaf 1966 veranderde de situatie grondig. Eerst met Teen Beat, Tiq, Taboe en Twen en daarna met Hitweek en vooral met Witheek, Aloha, It, Zig Zag, Crawdaddy, Rolling Stone. Het ging toen niet alleen meer over popsterren en hun voorkeuren, maar over onderwerpen zoals ik hierboven al opsomde, maar ook over utopieën, nieuwe manieren van leven en communiceren. Over de revolutie, die zeker zou komen. Er verschenen ook heel wat gestencilde provotijdschriftjes, zoals Lynx, en ik gaf er zelf ook een uit dat eerst Testament heette en later Subterranean. Rolling Stone ben ik vrij lang blijven lezen, niet alleen voor de muziekbijdragen maar ook voor de uitstekende artikels over Amerikaanse politiek, van gerenommeerde auteurs als Hunter S. Thompson, Tom Wolfe en Greil Marcus. Voor een groot deel bepaalde wat daar geschreven stond mijn wereld, ik twijfelde zelden aan de mening van deze en andere publicisten, zoals Jan Donkers in Nederland, die mij tot Gram Parsons en Hank Williams heeft ‘bekeerd’, waar ik hem nog altijd zeer dankbaar voor ben. Er blijven nog wel wat sporen over van die tijdschriften, in bepaalde opzichten ben ik er blijvend door beïnvloed, maar veel is het niet. De tijdschriften zijn tot pulp vergaan, de ideeën die erin werden verkondigd zijn achtergebleven in de gouden dagen. Rolling Stone lees ik niet meer sinds de jaren ’80, toen hoofdredacteur Jann Wenner er een yuppietijdschrift van heeft gemaakt. De Britse bladen zoals New Musical Express en Melody Maker hebben me nooit echt kunnen bekoren, vooral vanwege hun afzichtelijke lay-out. Om op de hoogte te blijven van wat er zoal gebeurt in de populaire muziekwereld lees ik nu toch weer Britse magazines, zoals Mojo en Uncut, maar helaas zien ze er nog altijd even onaantrekkelijk uit. Waarschijnlijk gaan de uitgevers er nog altijd van uit dat populaire muziek voor de ‘lagere klassen’ is en dat je die alleen kunt verleiden met wansmaak. Terwijl het net de intellectuelen zijn die meestal zulke slechte smaak hebben. Of heb jij al ooit eens een goed geklede intellectueel gezien misschien?

02-03-06

DE AFWEZIGHEID VAN ORPHEUS


orpheus


Misschien is de ondertoon van wat ik schrijf melancholie. Dat is goed mogelijk. Ik geloof echter niet dat ik depressief ben, dat mijn teksten depressief zijn, of dat ik de potentiële lezers ervan depressief wil maken. Ik geloof zelfs dat ik een optimist ben, zij het op enigszins verdoken wijze. Vaak denk ik dat het allemaal beter zal worden, ook al kijk ik in de spiegel en zie ik mijn aftakeling. Wat er gebeurt is dat ik die aftakeling aanvaard. Ik geef toe: niet altijd, lang niet altijd. Heel dikwijls denk ik, bijvoorbeeld, dat ik achttien ben of zevenentwintig, tegen beter weten in. Plots maakt zich een gevoel van onoverwinnelijkheid van me meester. Dat zijn werkelijk gevaarlijke momenten. Door aan zulke gevoelens toe te geven creëer ik mijn zeer persoonlijke hel. Die hel is altijd in mij aanwezig, als een roofdier dat op de loer ligt om mijn vlees te eten, als een nachtbruid die me wil verleiden om me vervolgens in de goot te laten liggen vloeken en spugen. Het is een grillige, angstaanjagende ruïne, in volle opbouw; het zijn geen architecten, maar folteraars en beulen die ze construëren. Binnen haar muren geldt maar één wet en dat is die van het lijden.
De voorbije dagen heb ik er mij eens te meer, ten prooi aan ontspoorde euforie, in laten afglijden, want het is in de diepte dat je gaat, als je daarnaartoe gaat. Die donkere weg leidt nooit omhoog. Ik weet echter niet of de weg omhoog niet even gevaarlijk, even donker, even pijnlijk is. De weg omhoog sla ik niet in. Ik kan niet goed klimmen, raak snel buiten adem. Maar afdalen… Zo vaak…Wat heb ik daar te zoeken? Ben ik mijn Euridyke kwijt?

Nur deinetwegen, schöne Eurydike,
preise ich meine Qualen:
Denn nach dem Leid wird man glücklicher
und nach den Schmerzen fröhlicher.

Neen, mijn Euridyke zoek ik daar niet. Het is iets anders, iets ingewikkelds, een ‘film noir’ met zeven subplots; ik kan er niet over schrijven. Overigens, als ik haar daar zou vinden, zou ik haar niet mogen bekijken, en wat heb je er dan aan? Neen, ik kan er niets over kwijt. Malcolm Lowry heeft dat op perfecte wijze gedaan. Daar is niet veel aan toe te voegen. Je hoort er ook over spreken – neen, klagen - in de eenvoudige songs van Hank Williams en de rauwe blues en gospel van Blind Willie Johnson

Lord, I just can't keep from crying sometimes
Lord, I just can't keep from crying sometimes
When my heart's full of sorrow and my eyes are filled with tears
Lord, I just can't keep from crying sometimes

Je moet wel die ‘bezeten’ stem horen, zoals ze werkelijk klinkt. De woorden alleen stellen niet veel voor. Er zijn geen woorden voor de eigen hel. Misschien kun je die donkere wereld alleen maar in de spiegel zien, op bepaalde heldere dagen. Misschien had Wittgenstein gelijk, met zijn uitspraak, die ondertussen zo’n cliché is geworden. Ik wilde er helemaal niets over zeggen. Maar hoe moest ik mijn afwezigheid dan verklaren?

24-02-06

DROEVIGE FIGUUR AAN DE JAREN 80 ONTSNAPT

 

80,jaren 80,hartspecialist,hart,twijfel,zelfvertrouwen,geneesmiddelen,politiek,sancho panza,don quichot,schrijven,ademkristal,muziek,liedjes

Ik heb nog steeds weinig zelfvertrouwen. Een bijzonder vriendelijke hartspecialist zei me onlangs, na een grondig onderzoek waaruit bleek dat er niets aan de hand was met mijn hart, toch niets van vleselijke aard, beste vriend, zei hij, er is niets aan de hand met uw hart, uw probleem is uw gebrek aan zelfvertrouwen. Gij zijt te onzeker, gij twijfelt teveel. De man had ongetwijfeld gelijk. Ik schrijf nu wel ‘ongetwijfeld’, maar toch twijfel ik een klein beetje, omdat dat moet. Twijfelen, man! Vroeger, in de jaren ’80 bijvoorbeeld, was dat gebrek aan zelfvertrouwen veel groter. Ik was zo weinig zeker van mezelf dat ik er bang voor was dat zelfs mijn hart niet op eigen kracht kon doorgaan met kloppen. Ik heb toen zeven jaar lang een zeer ongezond geneesmiddel geslikt dat geheel overbodig was en vermoedelijk veel schade heeft aangericht. 


In die periode heb ik wel veel – onbewust - amphionische wandelingen gemaakt. Wat dat betreft waren de jaren ’80 mooie jaren. Maar veel meer dan gewandeld – en soms wat gedanst – heb ik in die tijd niet gedaan. Er was niets te doen. Je kon je alleen maar boos maken op Reagan, Thatcher, Verhofstadt en Martens. Wat is die Guy Verhofdstadt veranderd sindsdien! Stilaan wordt hij een positieve held, een linkse liberaal, een verlichte humanist, een boekenlezer. Misschien maakt hij, el caballero de la triste figura, wel amphionische wandelingen, hand in hand met Sancho Panza.

Blues stay away from me.

Zomaar het potlood nemen en niet weten wat schrijven. Je presenteert je soms wel als schrijver, maar ben je dat wel? En heeft het belang. Je moet alvast veel moeite doen om een zin te noteren, om het ene woord achter het andere geplaatst te krijgen. Je bent bedachtzaam. Er is leegte, drukkende vermoeidheid die je met je hoofd tegen het bureau drukt. Je voelt de aandrang om te schrjven maar daartegenover staat vaak grote lusteloosheid en een gebrek aan ideeën. Je houdt van woorden, zinnen, beelden, cinema. Ademkristallen, om dat woord nog maar eens te lenen.

Ma chagrin vient à ma fénêtre…Je kent dat gevoel wel: met zo’n witte tong uit bed komen en vloeken tegen je vrouw.

Nothing’s gonna change my world. John Lennon. Kan het nog mooier?

21-02-06

SCENES UIT HET SCHIPPERSLEVEN


pa & ma


Om even te ontsnappen aan deze sombere februaridag keer ik even terug naar het Berlijnse café Oranium en ik drink ik in mijn gedachten van dat lekker Tsjechisch bier van het merk Krusevice, 50 cl voor 3.50 €. Het is een mooie augustusavond geworden. Waar hebben Laura en ik het over? Over het wonder dat Berlijn heet, een van onze uitverkoren steden, over het vele groen in de stad, over de verbluffende en avontuurlijke architectuur, over het bijna perfecte openbaar vervoer, over het Oosten en het Westen, over de ongedwongenheid, over de openheid voor elk verschil.

Maar dan raakt ons gesprek op een zijspoor: de familie, mijn familie rukt zich los uit de schaduw. Of gaat het eerder om een hoofdspoor? (Ik denk nu aan een song van the Rolling Stones, ‘Have You Seen Your Mother, Baby, Standing In the Shadow? De toen graag provocerende heren hadden zich voor de foto op het hoesje als vrouwen gekleed en geschminkt, waarbij ten minste één van hen in een rolstoel zit.)


Van de rijnaken – wij noemden dat schepen - van grootmoeder langs moederskant herinner ik me alleen nog de Honorine, die naar haar, mijn grootmoeder was genoemd. Mijn grootmoeder leed aan astma, maar was desondanks energiek.
De Rocco, het schip van mijn ouders, dat zij na lang zwoegen hun eigendom mochten noemen, was toen zij de binnenscheepvaart voor bekeken hielden niets meer waard. Zij hadden het genoemd naar Rocco Granata of naar ‘Rocco en zijn broers’, een film met Alain Delon (want mijn ouders gingen graag naar de ‘cinema’, elk dorp had er toen nog wel één, maar meestal gebeurde dat toch in Antwerpen).

Ik weet niet hoeveel miljoen Belgische franken ze in het schip hadden geïnvesteerd; de Belgische overheid was bereid hen een oprotpremie van honderdduizend frank uit te betalen als ze ermee ophielden. Dat deden ze dan maar. Het schip verkochten ze als oud ijzer. Dat was in het begin van de jaren ’70 van de vorige eeuw: de eerste grote energiecrisis, de heerlijke autoloze zondagen, Roxy Music en David Bowie. Na 25 jaar schipperen hield mijn vader ermee op, hij werd arbeider, ging werken in een sloperij (waar ook het schip van mijn ouders werd gesloopt).

Mijn ouders waren lange tijd zelfstandigen geweest. Ze hebben nooit geld geleend. Als ze al iets kochten, betaalden ze dat met baar geld. Mijn vader schafte zich zijn eerste auto aan in 1957 of daaromtrent, het was een zwarte Ford Zephyr; ik vond het een prachtige auto. Later ruilde hij hem in voor een witte Ford Consul DeLuxe, die was nog mooier, nog hipper. Een televisietoestel kwam er pas in 1963 of 1964.

In de korte periode toen mijn vader het plan had opgevat een bungalow te kopen in Neerharen liep ik met een lekker gevoel rond. Het is bij vage plannen gebleven, mijn moeder was er tegen, zij dacht dat ze nooit zou kunnen wennen aan zo’n dorp. Zij was de scheepvaart gewoon, of anders de metropool Antwerpen, waar haar zussen en haar broer woonden. Zelf droomde ik van een leven aan de wal, ik wilde geen schipperszoontje zijn. Ik wilde niet anders zijn dan de anderen.

Het was de tijd dat ik Edgar Allan Poe gaan lezen. Ik had een exemplaar van ‘Zoek het eens op’ gekregen van Sint-Nicolaas, op de nieuwe schippersschool in Eisden. De vader van Jos, mijn vriend die veel later ‘zelfmoord’ pleegde, was er directeur. Het was een minzame man. Onlangs zat er overigens een uitnodiging voor een reünie van de alumni van die school in de bus. De bijeenkomst was op dat ogenblik al twee weken voorbij: de post werkt traag in Anderlecht. Brussel is volstrekt corrupt. Het is de vuilste grote stad van de wereld, omdat de meeste politici hier ofwel corrupt ofwel machtsgeil zijn. Zij liggen niet wakker van de ‘derdewereldstraten’ en de stront op de trottoirs, van een mank lopend openbaar vervoer met uiterst onbeschoft personeel, van de pisbakstations, van de grijze, half ingestorte huizen (waar Les Fleurs Du Mal goed gedijen), van de stadskankers, van de afwezigheid van rustige, groene plekken en veilige buurten. Brusselse politici zijn enggeestiger dan dorpspolitici. (Er zijn natuurlijk uitzonderingen, zoals Pascal Smet, die de taximaffia wil aanpakken en een groot zwembad wil laten aanleggen.) In dat exemplaar van Zoek het eens op stond een kort artikel over de schrijver van Annabelle Lee en The Fall Of the House Of Usher. Die geschiedenis heb ik hier al eens uit de doeken gedaan. Maar wat geeft het, herhaling houdt ons in leven. Er stond een prentje bij. Donkere priemende ogen. Poe had mijn hart veroverd. Was mijn ziel verkocht aan de duivel? Ik bestelde de verhalen van Poe, samen met werken van Alexandre Dumas en Victor Hugo via de post.

Mijn vader was een boerenzoon. Toen ik geboren ben had hij al bijna geen naaste familie meer. Zijn moeder was al dood. Waarschijnlijk had ze te veel afgezien als dienstbode in het kasteel van Hocht. Misschien was ze er wel verkracht door een baron of een stalknecht. Mijn grootvader ken ik niet. Er werd niet over gesproken. Niemand weet zogezegd wie die man was. Niemand heeft het ooit geweten. Ik ook niet. Misschien ben ik van adel, of ben ik een afstammeling van een ‘lagere soort’. Zoon van een dienstbode, zoals August Strindberg. Mijn levensgezellin en haar broers en zussen beweren dat zij van adel zijn. Hun vader was ook een natuurlijk kind. Vreemd hoe wij ons eigen verleden gaan zoeken in de anderen. Ik heb me altijd aangetrokken gevoeld tot het theater van Luc Perceval, al van in het begin. Toen wist ik nog niet dat hij een schipperszoon is. Mij maakt het niet uit of ik van adel ben. Ik dacht dat die mensen allemaal hun hoofd hadden verloren tijdens het schrikbewind, maar kennelijk is dat niet zo. Ik heb alvast nog een hoofd en mijn bloed is rood, zoals dat van de meeste ‘bloedmooie meisjes’ waarop hier in een commentaar werd gealludeerd. Ik vind bloed niet mooi. Rood echter wel. Als bloed geen bloed was zou ik het heel mooi vinden. Mijn vader was een mijnwerker, in de koolmijn in Eisden-Cité. Inmiddels is die al lang gesloten. Ik hield van de omgeving van de mijn, speelde graag cowboy en soms indiaan, in navolging van Brut Lancaster in ‘Broken Arrow’, op de ‘terrils’. Daar vond ik ook magisch glinsterende stenen, waarvan ik dacht het goud was. Ik had er een Hollands vriendinnetje dat heel graag liet zien hoe ze plaste. Het duurde even voor ik begreep wat dat betekende, ‘plassen’. Wij noemden dat ‘pissen’. Ik zie het meisje nog altijd bukken, terwijl ze naar me kijkt, en duidelijk met veel plezier, zo voor me gehurkt de zwarte aarde bevochtigt met haar goudgeel vocht. Een goudgeel mooi meisje!

Mijn vader ontmoette mijn moeder tijdens de oorlog op de kermis in Neerharen. Ook daar heb ik nooit veel over gehoord. Bestond er toen al een rups? Kort daarna zijn ze getrouwd. Twee zeer verschillende werelden doorkruisten elkaar. Eén zijn ze nooit geworden, denk ik, maar ze zijn wel vijftig jaar samengebleven, tot de dood hen scheidde. Ik denk niet dat mijn vader een gelukkige jeugd heeft gekend. Hij heeft er me nooit over verteld en er was ook niemand aan wie ik er iets over kon vragen. Zijn nicht Berb en haar man waren zeer zwijgzaam. Zijn tante, die Moe werd genoemd, was catatonisch. Ze kleedde zich altijd in het zwart als een Italiaanse weduwe en kwam nooit uit haar ‘crapaud’. Haar rechterhand omklemde steeds een kleine portemonnee en een rood zakdoekje, alsof ze elk moment in tranen kon uitbarsten, hoewel ik dat nooit heb zien gebeuren. Mijn vader had heel wat vrienden in Neerharen. Goede mensen. Ze kenden elkaar uit het verzet. Op het einde van zijn leven deed mijn vader niets anders meer dan andere oud-strijders en mannen uit het verzet gaan ‘begraven’. De overgebleven oud-strijders speelden tot in het ruggenmerg doorzinderende muziek op de begrafenis van mijn vader. Ik heb daar kort na de begrafenis een gedicht over geschreven, met als titel ‘dorpstafereel’:

's Morgens in de vroegte
als het blauw begint
zetten oude mannen met medailles
hun lippen aan het koper.


Ze lijken van ver te komen
als zij het enige vredeslied blazen,
ze staan daar omdat het zo moet
onder de zon die ieders rug breekt.

Hij is verast, dat wilde hij zo. Ik had hem veel liever in de grond geweten, met een mooie grafsteen erboven. Een dode mens hoort in de grond. Niet in een kastje in een grijze muur. Ik wandel graag op kerkhoven. Brussel heeft mooie kerkhoven, oorden van rust en dagdromen. Die zijn nog niet afgebroken, die kerkhoven Er rijdt zelfs een bus met als bestemming Cimétière de Bruxelles / Kerkhof van Brussel. Hoewel ik weinig weet over mijn vader, zou ik veel over hem kunnen vertellen. Toen ik klein was zag ik hem als een held. Maar hij was geen held. Hij heeft bijvoorbeeld nooit iets opgeblazen. Hij heeft nooit een nazi doodgeschoten. Ratten, ja, dat wel. Hij heeft heel wat ratten doodgeschoten.

Ik begrijp dat ik meer moet vertellen over mijn vader. En over mijn moeder. Over die kant van de familie. Daar zijn zoveel verhalen over. En mijn broer, en mijn nicht in Canada. Een kleine familie, maar dapper! Ik heb nog veel tijd nodig, en veel woorden, en weinig dementie en al helemaal geen Alzheimer.

14-02-06

PORTRET VAN DE KUNSTENAAR ALS POSEUR (INTERVIEW 1982)

westerns,regisseurs,pop,popcultuur,reizen,radio,schrijven,muziek,boeken,1982,antwerpen,dansen,films,interview,martin pulaski

Nicolas de Staël

Wegens ziekte, zielszwakte en een hoofd dat naar het oorkussen van de duivel snakt, is deze winkel toe. Om mijn geliefde klanten toch niet met lege handen naar huis te moeten sturen en hen op die manier met de zinloosheid van het bestaan te confronteren, bied ik hen een oud artikel aan, teruggevonden in stoffige, nog net niet weggeknaagde archieven. Het gaat om een interview met mezelf, Martin Pulaski, uit het jaar 1982. Ik ben nog jong en naïef; elke zaterdag ga ik dansen vanaf middernacht tot de dag aanbreekt. Ik wandel langs de Scheldekaaien of in de buurt van de Entrepot en de oude dokken. Mijn dieet bestaat uit films, letteren, muziek, liefde, toevallige ontmoetingen en aardappelen met uien. Af en toe doorgespoeld met een glas Nuits-Saints-Georges of Old Granddad Kentucky Bourbon. Ik begin met een muziekprogramma op radio centraal, een lokale zogenaamd anarchistische cultuurradio in Antwerpen. De verschrikkelijke Reagan is net president en the right honourable Margaret Thatcher, wellicht de meest gehate vrouw aller tijden, is ook nog maar net begonnen aan haar carrière als voorgangster van Tony Blair. Om maar een idee te geven. Foto’s uit die periode vind je hier. Je zal wel even moeten zoeken. Het vreemde is dat ik geen woord aan dat verdomde interview moet veranderen. Dat ik alles wat ik toen beweerde en vereerde nog steeds beweer en vereer. Wat zegt dit over mezelf? Ben ik stil blijven staan of heeft datgene waar ik van hield een soort van eeuwigheidswaarde? Neen, ik geloof niet dat ik stil ben blijven staan. Het zal eerde dat laatste zijn, hoewel ‘eeuwigheidswaarde’ relatief is, ‘sub specie aeternitatis’. Er zijn sinds 1982 natuurlijk nieuwe mensen, nieuwe dingen in mijn leven gekomen. Ik weet minder maar ook meer, minder omdat mijn zintuiglijkheid is afgenomen, meer omdat ik grondig heb geleefd. Ik heb vooral veel meer van de wereld gezien. Meer commentaar zal ik niet geven. Dit is het intverwiew:

Wat is je favoriete kleur ?

Rood. Geel vind ik ook mooi, maar die kleur associeer ik te zeer met waanzin. Denk maar aan Van Goghs geel. Ook oker is een bijzondere kleur. En het blauw van Yves Klein.

Welk gerecht vind je het lekkerst ?

Een Italiaans gerecht: Osso Bucco. Mijn geliefde kan het heerlijk toebereiden. Spaghetti kan heerlijk smaken, maar lang niet altijd. Mosselen met friet. De Franse keuken is meer iets voor de Fransen, en voor mensen die alles 'excellent' vinden wat van bij de Fransen komt. Met hun stokbroden en hun roomsauzen en hun foie gras! Ik heb trouwens iets tegen Camembert. Hoe kun je zo'n onwelriekend goedje eten ?

Hou je van dieren ?

Ja, maar alleen als ze vrij zijn in de natuur of wat daar nog voor doorgaat. Voor huisdieren ben ik allergisch: voor katten, honden en vooral voor duiven. Duif met druiven is overigens een lekker gerecht. Misschien ben ik wel allergisch voor olifanten, maar daar kan ik geen uitsluitsel over geven. De interessantste dieren vind ik de reptielen en de dieren in de fabels. Lees er Ramon Llulls 'Libre de meravelles' uit 1288 maar eens op na.

Hou je van reizen ?

Ik doe niets liever. Helaas zit ik meestal thuis. Om te reizen heb je namelijk geld nodig en dat heb ik niet. Dus reis ik maar in mijn dagdromen (en in mijn nachtdromen). Soms troost ik mij ook wel wat met het opsommen van alle ongemakken die aan het reizen verbonden zijn. Dat zal ik nu niet doen. Wel wil ik nog even de namen van mijn favoriete reizigers vermelden: Des Esseintes en Raymond Roussel.

Ga je graag naar de bioscoop ?

Film is mijn eerste liefde. Ik zou elke dag in het donker van de cinema kunnen doorbrengen.

Heb je een voorkeur voor bepaalde regisseurs of voor een bepaald genre ?

Als genre gaat mijn voorkeur naar de western. Het is de enige mythe die overblijft in onze westerse maatschappij. De mythische personages uit de westerns zijn voor mij belangrijker dan Griekse helden als Perseus of Medea. De westerns van John Ford zijn de beste, met name 'The Searchers' is een meesterwerk. Maar die van Anthony Mann mogen er ook zijn ('Man of the West', 'The Tin Star'). Een schitterende western is 'Shane', van George Stevens, met Brandon DeWilde en Alan Ladd. Alan Ladd was trouwens de grote held uit mijn kinderjaren. Nu blijkt dat hij een hele kleine man was, die altijd op hoge hakken liep, maar dat kreeg je gelukkig niet te zien in zijn films.Ik ben al even verslingerd aan gangsterfilms, of 'films noirs' of hoe je ze ook wilt noemen. Een goed voorbeeld daarvan is 'White Heat' van Raoul Walsh, met James Cagney: "I'm on top of the world, ma", het Oedipuscomplex ten top gedreven. Nicholas Rays 'They Live By Night' is een schitterende film. Er zijn natuurlijke uitstekende Franse 'films noirs' gemaakt, onder meer 'Touchez pas au Grisbi' van Jacques Becker. Om te weten wat die 'grisbi' is moet je de film hebben gezien of een Franse gangster uit de jaren 50 zijn. Ik ga dat nu niet verklappen. Verder is 'Du rififi chez les hommes' van Jules Dassin zeker nog het vermelden waard. En de films van Jean-Piere Melville natuurlijk, ‘Le doulos’, ‘Le Samouraï’.
Mijn favoriete regisseurs zijn overigens Fransen: Jacques Rivette, Jean Renoir, Marcel Carné, en vooral Jean-François Adam (die vreselijk morbide films heeft gemaakt) en Jean Eustache. Ze heten bijna allemaal Jean. De laatste twee hebben zelfmoord gepleegd. Wij leven in een wrede wereld.Een aantal films buiten categorie moeten hier zeker genoemd worden:

'Badlands' van Terence Malick, 'North By Northwest' van Hitchcock, 'Vampyr' van Dreyer, 'La chute de la maison Usher' van Epstein, 'Don't Look Now' van Nicholas Roeg, 'El Angel Exterminador' van Buñuel, 'Taxi Driver' van Martin Scorsese. De beste zal ik nu wel vergeten zijn. Ach ja, natuurlijk: zowat alle films van Fassbinder, Wim Wenders, Pier Paolo Pasolini en Bernardo Bertolucci.
Mijn favoriete actrices zijn op dit ogenblik Delphine Seyrig, Jeanne Moreau, Juliet Berto en Angie Dickinson. Acteurs: Ernest Borgnine, Karl Malden, Jean-Pierre Léaud, Marlon Brando en Richard Burton. Met uitzondering van Jean-Pierre Léaud hebben ze stuk voor stuk in abominabele films gespeeld. En een acteur die ik eigenlijk verafschuw, Jean Gabin, heeft in meesterwerken als 'Le jour se lève' gespeeld. Je kunt je daar dus niet op baseren bij het beoordelen van een film. Je moet een film ook niet beoordelen. Je moet hem ondergaan. Je moet ervan genieten. Critici en recensenten kunnen we missen als kiespijn.

Word je bij het schrijven beïnvloed door film?

Ik denk het wel. Onbewust zeker wel. In mijn proza wordt nogal eens verwezen naar bepaalde films, of bepaalde scènes en beelden uit films. Sommige van mijn gedichten vinden hun oorsprong in een film. In een sterk beeld van Nicholas Roeg bijvoorbeeld.

Naar welke muziek gaat je voorkeur ?

Ik houd van pop. Maar wat bedoel ik daar mee? 'Pure pop for now people' zegt Nick Lowe met enige ironie. Pop komt zoals iedereen weet van populair. Het is dus een zeer breed genre. Soms wordt een onderscheid gemaakt tussen rock en pop. Pop is voor zulke mensen dan het lichtere genre: Sandie Shaw, Cliff Richard, Bonie M, Blondie. Ik maak dat onderscheid niet. Rock is een onderdeel van de populaire muziek. Blues, rhythm & blues, soul, country & western, bluegrass, folk en zelfs jazz horen daar ook bij. Je zou bepaalde klassieke composities al net zo goed pop kunnen noemen, mazurkas en polonaises van Chopin, Gymnopédies van Erik Satie en zo. Een levend bewijs voor mijn theorie is James Osterberg. Zijn 'artiestennaam' is niet Iggy Rock maar Iggy Pop. Toch maakt hij allesbehalve popmuziek in de enge betekenis.Elvis Presley zal wel altijd mijn held blijven, hoezeer ik ook tegen heldenverering ben gekant. Elvis is eigenlijk ook een mythische held, zoals Shane in de gelijknamige film. Waarom zou ik me daar tegen verzetten? Die man (of die mythe) legt niemand iets in de weg. Bedriegers en leefhoofden als Ronald Reagan, Margaret Thatcher of Guy Verhofstadt, met hun politiek voor de twee procent rijken van de wereld, de woekeraars en vampiers die ons bloed uitzuigen, en vooral het bloed van degenen die in de ‘ontwikkelingslanden’ overleven, dat zijn de vijanden van de samenleving. En de smeerlappen die achter de schermen werken, van wie we de namen niet kennen maar die het volk onderdrukken en die niet terugschrikken voor foltering en moord, allemaal voor macht en bezit. Dat zijn de ware vijanden. Niet Elvis Presley en ook niet Tom Jones, Will Tura of Anneke Grönloh.
De eerste singles van The Who waren fantastisch: 'Anyway, Anyhow, Anywhere', 'My Generation', 'Substitute'. The Kinks met 'Waterloo Sunset'. Zowat alles van Bob Dylan. The Velvet Underground was uniek: Lou Reed, John Cale, Sterling Morrison, Maureen Tucker en Nico. Grote persoonlijkheden (Sterling en Moe iets minder groot); een unieke sound, die nooit zal overtroffen worden. Van Captain Beefheart kan hetzelfde worden gezegd. Hij is een van de weinige genieën in de popmuziek. Hij heeft nooit ergens rekening mee gehouden, met geen enkele mode of trend. Van de zogenaamd zwarte muziek wil ik Aretha Franklin noemen, Irma Thomas, Howlin' Wolf, Muddy Waters en Jimmie Reed.
Hank Williams, George Jones en Tammy Wynette bewonder ik zeer. Je mag niet bewonderen, zegt Sartre. Waarom zou ik niet mogen bewonderen? Sartre is zot. Nu vind ik the Fall erg goed, Public Image Ltd., Talking Heads, Pere Ubu, the Buzzcocks, the Jam, Joy Division, Lydia Lunch.

westerns,regisseurs,pop,popcultuur,reizen,radio,schrijven,muziek,boeken,1982,antwerpen,dansen,films,interview,martin pulaski

Lydia Lunch

Je mag het tegenwoordig niet luidop zeggen, want dan ben je een ‘ouwe hippie’, maar de jaren '60 waren het nirvana van de popmuziek: Jimi Hendrix Experience, The Byrds, Love, Buffalo Springfield, Moby Grape, Pink Floyd, Beach Boys. Het was het decennium van de popgroep. Heel wat minder bekende groepen hebben toen prachtige singles en LP's gemaakt. En natuurlijk had je toen ook de Phil Spector Sound, Motown en Stax. The Beatles en The Rolling Stones.
In de jaren '50 had je de unieke Sun Sound van Sam Phillips: Elvis, Carl Perkins, Jerry Lee Lewis, Charlie Rich, Johnny Cash en Roy Orbison. Maar ook Howlin' Wolf, Little Junior Parker en Rufus Thomas namen platen op in de Sun-studio in Memphis. Dat is nog altijd allemaal even schitterend. Ray Charles mag ik ook niet vergeten. Ik moet toegeven dat ik soms zelfs plaatjes draai van Gene Vincent, Ricky Nelson en Del Shannon. Over Connie Francis zal ik maar zwijgen.


Ben jij eigenlijk wel geïnteresseerd in Schone Kunsten !

Dat is onzin, die benaming. Maar je bedoelt het waarschijnlijk ironisch, niet? We hebben in ieder geval niet voldoende tijd om hier te gaan definiëren wat kunst is. Overigens, kun je dat wel definiëren? "All art is quite useless" zei Oscar Wilde. Ik ben het daar volkomen mee eens. Hoe nuttelozer, hoe beter. Ik houd het meest van schilderkunst. Beeldhouwkunst zegt mij niet zo veel. Op dit moment bewonder ik Rothko (kleuren!), Nicolas de Staël, Francis Bacon, Richard Hamilton, Edward Kienholz. De grootste schilder vind ik Max Beckmann. Uiteraard mag ik de Oude Helden niet vergeten: Van Eyck, Velazquez, Rembrandt, Giotto, en het hoogtepunt van de renaissance schilderkunst: Tintoretto. Als je tijd hebt moet je in Verona, nadat je dag hebt gezegd tegen Romeo en Julia, eens naar zijn 'Musicerende Engelen' gaan kijken.

We hebben het nog niet over de letteren gehad...

Neen. En misschien is het heel wijs om daarover maar te zwijgen. Wat kun je zeggen over de literatuur? Het staat allemaal in de boeken. In die moeilijke werkjes van Philippe Sollers, Octavio Paz, Jacques Derrida, Jean-François Lyotard. Doorgaans zijn het Fransen die zich daarmee bezighouden. Die hebben mijn hoofd goed op hol gebracht, die mannen! Bij uitzondering vertoeft er wel eens een dame in hun midden. Julia Kristeva, bijvoorbeeld. Die is zelfs knap. Enfin, het staat allemaal in hun boekjes. Wat kun je daar nog aan toevoegen, zoals ik al zei.
De meeste schrijvers zijn aanstellers, leugenaars, would-be-mediafiguren. De meesten kunnen niet eens schrijven. Of ze hebben niets te vertellen. Zo van die leraar-schrijvers in wier leven niets is gebeurd, tenzij dat ene slippertje en dat glaasje teveel op een feestje of dat reisje naar Egypte met de flauwte bij de piramiden. Ik denk dat zij negen kansen op tien niet aangetast zijn door het virus, dat ze die doorn niet in het vlees hebben zitten, dat zij niet bezeten zijn. Dat moet niet, neen, maar ik vind het wel belangrijk. Het heilige vuur, werd dat vroeger genoemd. Maar dat 'heilige' mag er wel af. Ja, laat dat er maar af. Dat heilige. Je moet je spraakkunst kennen. Je moet wat woorden kennen. Je moet al eens een keer over iets nadenken. Je moet al eens in een ziekenhuis zijn geweest. Je moet al eens gevochten hebben. Je moet de zee hebben gezien. Al eens een keer een museum binnenstappen, met een kunstenaar praten, een film of een toneelstuk gaan zien. Een concert bijwonen. Al eens van gedacht veranderen. Een pakje sigaretten gaan kopen en pas twee jaar later terugkeren. Dat laatste is niet echt noodzakelijk. Zeker niet als je niet rookt. De dingen eens van een andere kant bekijken.
Een gekunstelde woordenschat en een doorwrocht verhaal zijn bijkomstig, het verlangen en de bezetenheid zijn essentieel. Dat impliceert uiteraard dat je bloed uitzweet en tranen laat als je een tekst maakt. Je schudt die niet zomaar uit je mouw.
Nu moet je vooral niet denken dat ik niet van schrijvers of van boeken houd. Ik houd van William Blake, August Strindberg, Percy Shelley, Marcel Proust, Rober Musil, Arthur Schnitzler, Herman Gorter, Nicolaj Gogol, Gustave Flaubert, Stendhal, James Joyce (zij het met een half hart en Finnegans Wake heb ik meteen in het rek gezet, dat is gekkenwerk), Franz Kafka, Heinrich Von Kleist, Friedrich Hölderlin, Friedrich Nietzsche, Antonin Artaud, Walt Whitman, Lautréamont, Carson McCullers, Arthur Rimbaud, Céline, Thomas Mann (hoewel), T.S. Eliot, Gerrit Achterberg, Lucebert, Martinus Nijhoff, Hendrik Marsman. Van tientallen anderen. Van mijn vrienden die schrijven (of schilderen of iets anders doen dat waardevol is).

Waarom schrijf je ?

Als ik dat eens wist. Ik schrijf omdat ik schrijven moet. Dat is één. En ik schrijf om sommige dingen die al gezegd zijn nogmaals te benadrukken. Ik heb er plezier in iets te zeggen dat ooit al is gezegd. Maar dan nog eens een keer. Dan horen de mensen het opnieuw, of liever, dan lezen ze het opnieuw. Dan gaat wat ik waardevol vind niet zo vlug verloren. Dat is twee. Ja, ik geloof dat ik vrij behoudsgezind ben. Maar dat moet je uiteraard niet politiek interpreteren. Meer kan ik er nu niet over zeggen. 't Moest kort blijven. Mijn tijd zit erop. Ik moet nog een hemd gaan kopen.

Tot daar het interview met mezelf uit 1982. Veel heeft het allemaal niet om het lijf, sub specie aeternitatis.

13-02-06

ZIEK EN MELANCHOLIEK


memphis blues

Vandaag geen nare tijdingen, geen wanhoopsuitingen, geen euforisch geleuter over melancholieke muziek, geen onsamenhangende mijmeringen over de betekenis van poëzie (in mijn leven), geen adolescent gedweep met actrices en zangeresjes, geen nutteloos protest tegen politieke lafheid, corruptie en machtswellust. Vandaag helemaal niets van dat alles. Vandaag ben ik ziek. Ziek en melancholiek

08-02-06

JOHNNY CASH EN DE TROOST VAN VREEMDEN

johnny cash,new orleans,barcelona,gevoelens,pop,popcultuur,bbc,sixties,flower power,vietnam,muziek,voelen

De voorbije week is er veel gebeurd, maar bijna allemaal buiten het hoofd en buiten de taal. Moet ik daarover dan zwijgen? Het is niet onzegbaar maar er zijn ook geen woorden voor. Ik vlucht liever weg in het verleden, naar de ellende van de jaren ’60, toen de oorlog in Vietnam woedde en de atoombommen net niet ontploften. Flower Power, noem ik dat soms nog wel eens, in een nostalgische bui. Maar iedereen weet wel beter. Toch hebben jonge mensen vaak de indruk dat in die dagen echt alles goed ging. The Beatles, the Rolling Stones, Bob Dylan, Living Theater, vrije liefde, Henry Miller, Ken Kesey, Twiggy, Mary Quant, Sharon Tate, Easy Rider, noem maar op. De manier waarop we ons kleedden, vooral dat wordt nu bewonderd. 

Voor mij persoonlijk was het een betere tijd omdat ik toen jong was en dromen had. Jong zijn is altijd beter. Je voelt je een uitzonderlijk iemand, een held, een genie. Wat later is de droom al voorbij. De spiegel ligt aan scherven. Zeven jaar ongeluk. En dan nog eens zeven jaar. De ellende van de liefde, het huwelijk, het broodverdienen. Geen troost te vinden op temptation islands. Die bullshit stelt immers niets voor. Er is alleen de naakte realiteit en de muziek. Zoals nu Chris Isaak, No I don’t want to fall in love with you. Had ik daar maar eerder naar geluisterd. Maar in die oude dagen van wijn en rozen was er nog geen Chris Isaak, toen was er Barry White! Neen, beter te zwijgen. Er zijn geen goede woorden voor wat ik voel en denken kan ik niet. Ik ga beter in bed liggen wachten op slaap. Stoppen met zelfbeklag.

Ik heb een mooie documentaire over Johnny Cash gezien, opgenomen van BBC. Als ik iets zou kunnen voelen zou ik tot tranen toe bewogen zijn geweest, maar ik kan niets voelen. De laatste keer dat ik iets gevoeld heb, was toen New Orleans bijna verwoest werd door het water. Toen heb ik geweend. In Barcelona voor het gebouw van Ludwig Mies Van der Rohe heb ik niets gevoeld. Alleen muziek soms, ja. De troost van de muziek. En de troost van ‘vreemden’. Sommigen van die ‘vreemden’ worden hierboven bij naam genoemd. Zijn dat nog wel vreemden, als sommigen van hen me elke dag meer dierbaar worden. Als sommigen van hen zelfs gevoelens bij me beginnen op te roepen? Ja, natuurlijk spreek ik mezelf weer tegen. Gevoelens, geen gevoelens. Neen, ik moet stoppen, zoals ik al zei. Onderduiken in het Blue Hotel. Op die troostende vreemden moet ik een andere keer dieper ingaan. Nu gaat het niet. Johnny Cash zit in mijn hoofd, en zijn vrouw June Carter, die hem van de drugs heeft afgeholpen. Van de bennies. En zijn liefhebbende dochter Rosanne zit ook in mijn hoofd. En Rick Rubin, die Johnny Cash een nieuw artistiek leven schonk toen de geldwolven van CBS hem aan de deur zetten. Die man met zijn lange baard zit ook in mijn hoofd. Er zijn goede mensen, zeker, en heel veel zelfs. Maar ik zie ze geloof ik alleen maar op televisie, of ik lees hun namen in de krant, zoals die van Werner Herzog, of hierboven, in mijn erelijstje, dat om de twee weken wat verandert. (De namen die verdwijnen houd ik wel bij!).
Onthouden: een van de volgende dagen moet ik het hebben over wat er de voorbije week is gebeurd en over de troost van vreemden die geen vreemden zijn.

22-01-06

VIJFENZEVENTIG MINUTEN EENZAAMHEID


Een meisje op de bank tegenover me leest Marquez. Ik bekijk haar even en dan dwalen mijn gedachten af naar de vrouwen van de wereld. Alle vrouwen die ik heb liefgehad en alle vrouwen die ik niet heb liefgehad. De vrouwen van wier bestaan ik niet weet en de vrouwen die niet weten van mijn bestaan. Mijn gedachten gaan naar de geliefde waarin een vijand schuilt. Een vijand begeer ik niet, ook al ken ik hem van binnen en van buiten. Hoe verdrijf ik hem? Een duivel uitdrijven is kinderspel in vergelijking. Maar bestaat een duivel? En bestaat een vijand in een geliefde?

Ik zie het meisje lezen, dan richt mijn blik zich binnenwaarts. Ik zeg geen woord.Ik kan geen zatte mannen verdragen. Mijn eigen zatheid maakt me dodelijk ziek.Ik kan geen gekken verdragen. Zij vinden de weg naar het water niet. Ik bedoel naar de rivier van het leven.

Er is een splinterbom ontploft. Een bom van talen, tekens, kleuren, een bom die niemand doodt maar duizend deuren opent. Een bom waarvoor wij allen schrikken en beven. Gesloten deuren stellen ons gerust. Open deuren jagen ons de stuipen op het lijf.

Ik zwijg en laat het meisje lezen in Honderd jaar eenzaamheid. Verdwaal in mijn arena, gedachten! Dwaaltuin met kersen, schitterende namen van dorpen die hun rivieren in een oude ziel hebben gebed. Fossielen in jouw mond tot dieren van de lust gemaakt. Van een kermis spreek ik. Dat ik weer jong ben in een rups met jou. Dat ik in een arena dit raadsel ontwar. Het raadsel van de arend die op vrijdag boven onze hoofden vliegt. Boven het hoofd van de veroveraar die gaat liggen aan je grens als hij zich het geklop van je hart herinnert.

Deze arena waarin ik me verberg om je mijn donker te besparen zodat jij je glans behoudt en schittert in de nacht. Een aan jou gewijde ruimte waar ik veilig voor je ben, voor al je namen en geschiedenissen die me geluk en onheil voorspellen. Daar buiten ontspoor ik. Verlies ik het Noorden. Raak ik ontketend, ontstoken, getekend. Op drift zoek ik een teken van jou, van herkenning, een duidelijk punt.

Mijn donker sparen, het licht in de ogen van het wilde zijn. Het toeval heb ik uitgekleed tussen vriendelijke mensen die ik mijn denken heb onthouden. Wonden van licht heb ik de wereld toegeworpen. Onhoorbaar grom ik als een dier dat zich aan je warmte komt troosten. Een verhitte slaaf was ik die je herinnering slikte, een mondvol treurig genot op de dag dat de dode zielen worden bespot.

In het schitterende licht van je lichaam licht mijn arena op. Mijn stieren staan stervensbereid voor jou, je geheimen, je in de zon uiteenspattende namen. De rups en dan de vlinder nemen het woord. Geven het mij, stoten het in mij op, ik schud het voor jou uit mijn veren. Een woord, en dan nog een, en nog een, het volgende haalt het volgende uit een opening in je lichaam. Het was er prettig vertoeven maar nu moeten ze er allemaal uit. Tijd om te openbaren. Gedaan met bewaren. Opnieuw tijd voor de gek die de snaren van het leven bespeelt. Die water gaat halen en je gezicht ziet.

Ik wil mijn eigen dronkaard zijn. Ik wil mijn eigen gek zijn. Tot de nacht toeslaat. Ik zie je verdwijnen. Ik had je waar ik je hebben wil. Waar ik je kon aanbidden Veilig in mijn arena. Alsof je daar altijd was geweest Altijd bij mij, kort bij mijn handen

“This place is really fucked up “ hoor ik een Britse kop zeggen. “Yeah, man, Belgium is so boring” de andere. Het meisje van Honderd jaar eenzaamheid is weg. Ik heb geen woord gezegd. Niet gewuifd vanuit mijn eigen eenzaamheid. Ik heb haar niet meer gezien. Mijn vrienden hebben naar me gewuifd toen ik uit Antwerpen vertrok na het drinken van een hoeveelheid Oliphanten. Ik heb teruggewuifd. De trein is vertrokken Ik ben begonnen met noteren in mijn Arena.

20-01-06

LIEFDE VOOR DE VER VERWIJDERDEN

sam talylor-wood,filsofie,nietzsche,seventies,citeren,zarathoestra,lichaam,zelf,denken,ik,kleist

Af en toe keren, zonder dat het te voorzien valt, periodes in mijn leven terug tijdens dewelke ik een groot genoegen beleef aan de lectuur van Nietzsche. Waarschijnlijk is er weer zo een aangebroken; maar de bliksemende intensiteit van de jaren ’70 zal ze niet meer hebben. Toen was ik jong, vol van lentekoorts en grootse plannen, nu ben ik ouder en wacht gedwee op het einde van de wereld. In die tijd had ik voortdurend zin om hem te citeren. Alsof ik wilde zeggen, zie je wel. Dat ik heb ik nu toch ook weer een beetje. "De verder verwijderden zijn het, die uw liefde tot de naaste betalen; en reeds wanneer gij met uw vijven bij elkaar zijt, moet er altijd een zesde sterven." (Zarathoestra, 61). De christelijke naastenliefde was niets voor Nietzsche. Volgens Nietzsche is onze naaste niets anders dan een beeld. Wij zijn zelf ook een beeld. Ons zelf, waarvan wij ons bewust zijn, is dat ook geen beeld? Iets wat buiten ons bestaat? Wij raken niets anders aan dan dat beeld, niet ons zelf. De term 'zelf' betekent voor Nietzsche het lichaam zoals het in werkelijkheid is (waarvan het 'ik' slechts een aspect is, een product; het lichaam creëert het 'ik', als een instrument dat voor de samenhang moet zorgen). De gespletenheid die wij nu kennen zou moeten worden overwonnen: lichaam en denken zouden opnieuw samen moeten vallen.


Die gedachte is ook al bij Heinrich von Kleist terug te vinden, vooral in het zeer moderne essay ‘Uber das Marionettentheater'.

Beschouw dit als een voetnoot bij mijn vorige notitie. En het einde van de wereld mag nog wat uitblijven. Het gras mag nog wat blijven groeien, de tulpen en andere bloemen blijven bloeien.

De foto is een werk van Sam Taylor-Wood.

11-01-06

DE LIEFDE EN HAAT VAN ROBERT MITCHUM


robertmitchum

Het nieuwe jaar komt moeizaam op gang. Donkere dagen, koude nachten, sombere gedachten na een week van lichtheid en feesten in Barcelona. Daar had je gesprekken met je vrienden, en dronk je lichte, sprankelende wijn uit de streek, tot je er euforisch van werd, maar je ging ook op zoek naar het hart van de stad, de architectuur, en naar haar verzamelingen in de mooie oude en nieuwe musea. De hippe kledingwinkels lokten je binnen, niet alleen omdat je zelf wel van kleren houdt – zij het minder dan in lang vervlogen tijden toen je jezelf een mod mocht noemen - , maar zeker ook omdat je in het gezelschap van vrouwen was. Je kocht er twee paar schoenen van je geliefde merk, minder voor hun ontwerp dan voor hun lichtheid, en een mooie rode T-shirt waarop een afbeelding van Robert Mitchum, met op zijn rechterhand het woord ‘love’ en op zijn linker ‘hate’. Het beeld uit de film The Night Of The Hunter van Charles Laughton is een icoon geworden. Er wordt naar verwezen in onder meer Do the Right Thing, The Rocky Horror Picture Show en zelfs in the Simpsons. (En binnenkort, als het warmer wordt, zul jij de sandwichman van liefde en haat zijn.) Je hebt een goed op je hoofd passende, donkerbruine beret gekocht in die prachtige oude winkel,Obach, in de oude stad, niet ver van de kathedraal.

Je kocht er boeken over Günther Brus, Guy Debord en de collectie Thyssen-Bornemisza (die in Barcelona, de belangrijkste bevindt zich in Madrid.) Normalerwijs zou je veel meer boeken hebben aangeschaft, maar Ryan Air heeft je daar van af doen zien omdat er niet meer dan vijftien kilogram in je koffer mocht. Vandaar eveneens, misschien, die lichte schoenen en een T-shirt in plaats van een hemd of een jas. Op nieuwjaarsdag nam je samen met duizenden andere katermensen de metro naar Park Guëll, waar je nog een beetje wankelend verdwaalde in het onafgewerkte gedeelte. Tijdens de terugkeer kon je toch nog de waanzinnige bedenksels van Gaudi bewonderen. Neen, niet echt bewonderen. Je vindt Gaudi geen echt groot kunstenaar meer. Veeleer is hij een ontwerper van curiositeiten. De Sagrada Familia betekent niets voor jou. Je bent er niet eens naartoe gegaan. Maar Gaudi’s gebouwen aan de Passeig de Gracia toveren nog altijd een glimlach op je gezicht, vooral omdat je nog geen kater hebt als je daar voorbijwandelt. Het feest begint pas over enige uren. Het nieuwe jaar is nog ver weg, het bezoek aan Park Guëll, de donkere dagen van januari. De saaie uren op kantoor, het wachten op de avond, op het einde van de week. Het zinloze werk. Maar misschien is het toch niet zo zinloos? Misschien zet het je wel al aan om een eigen 'boek der rusteloosheid te schrijven, zoals Fernando Pessoa, maar helemaal anders, wellicht minder geniaal, maar ook minder eenzaam, meer volwassen. Als je nog energie vindt om zulk groot werk tot stand te brengen. Je bent deze middag alvast een zeer grote doos Pharmaton gaan kopen, honderd capsules voor veertig euro. Daarmee moet het werk lukken. Het andere werk, het echte.

09-01-06

INKT EN ALCOHOL: BENEVELDE SCHRIJVERS


guy debord2


Een bijzonder fascinerend boek over Guy Debord – door Andy Merrifield - zet mij nog maar eens aan het nadenken over het verband tussen alcohol en schrijven. In veel gevallen lijkt het wel of het bij de edele schrijfkunst om een transsubstantiatie gaat, niet van wijn in bloed, maar van wijn en andere alcoholhoudende dranken in inkt. Ik denk nu aan schrijvers, doordat er in die biografie nogal wat worden genoemd, maar zeer waarschijnlijk gaat het net zo goed op voor andere kunstbeoefenaars. Het grote voorbeeld van de schrijver-alcoholicus is natuurlijk Malcolm Lowry, die minstens evenveel dronk als zijn mytische personage uit Under The Volcano, de consul Geoffrey Firmin.

Ik wil niet alweer een lijstje maken, maar kan toch niet aan de verleiding weerstaan een aantal namen te noemen. Het zijn namen die op mij een onverklaarbare aantrekkingskracht hebben. Onverklaarbaar omdat er tijdens mijn kinderenjaren nooit over schrijvers werd gesproken, tenzij misschien over Hendrik Conscience en Lode Zielens (maar dat waren geen zatlappen, neem ik aan). Ook op de middelbare school werd er weinig aandacht geschonken aan schrijvers: de fragmenten die we te lezen kregen waren ‘leerstof’, zoals de formules in algebra en analytische meetkunde en de voortplanting van de regenworm dat waren. Nu valt het mij bij het schrijven altijd zwaar om geen namen te noemen. Ik denk dat ik meer namen ken dan woorden. Als ik wat zou oefenen zou ik zinnen kunnen maken met alleen maar namen. De aantrekkingskracht van namen kan ik niet verklaren, maar de interesse voor schrijvers die de donkere kanten van het leven opzoeken (en dat gaat vaak gepaard met alcohol en drugs) is bij mij begonnen met een artikel over Edgar Allan Poe in de jeugdencyclopedie ‘Zoek het eens op’. (Ik heb nu heel sterk het gevoel dat ik dit hier al eens een keer heb verteld.) Ik was ongeveer dertien toen ik Tales Of Mystery And Imagination las (in Nederlandse vertaling). Kennelijk dronk Poe niet echt heel veel, maar kon hij geen drank verdragen. Wat later kwam Dylan Thomas in mijn leven, die ik dank zij Bob Dylan leerde kennen. Over Bob Dylan weten we weinig, maar velen beweren dat hij zijn ooit zo expressieve stem naar de verdoemenis heeft gezopen. Ooit hoorde ik Richard Burton, een notoire dronkaard, Under Milkwood voorlezen. Prachtige stem. Als ik me niet vergis was het ook zijn stem die fragmenten uit Under The Volcano ten gehore bracht in een documentaire over Malcolm Lowry. Dylan Thomas dronk zich dood in een New Yorkse bar. Fernando Pessoa, een van de grootste dichters uit de 20ste eeuw stierf van een stukgedronken lever. F. Scott Fitzgerald was een alcoholist. Ook hij kon volgens zijn biografen slecht tegen de drank. Hemingway kon er wel goed tegen, maar schoot zich toch maar een kogel door de kop toen hij ten gevolge van het vele zuipen in Parijs en alle andere swingende steden van de wereld begon af te takelen. Richard Brautigan volgde het voorbeeld van zijn meester. Als Alfred Jarry geen geld had voor wijn of absinthe dronk hij zijn inktpot leeg. (Hoe goedkoop was die inkt dan?) Zijn eten ving hij in de Seine. Onlangs maakte Hunter Thompson er wegens verregaande aftakeling een eind aan. Ik kan nog wel een tijdje doorgaan, maar mijn geduld is op. Ik wil dit stukje beëindigen met degene waarmee het allemaal begonnen is, de leider en bezieler van de Internationale Situationniste, de grote filosoof en filmaker en revolutionair: Guy Debord. Guy Debord schoot zich een kogel door het hart. Waarom toch?

04-01-06

SCHITTERENDE DAGEN

opsomming,reizen,bezoeken,vrienden,theater,schilders,internet,berlijn,kennismaking,musea,film,lijst,andaluousie,la palma,kunst

Helmut Newton, In my hotel room in Montecatini
 

Die lijst van 23 december lijkt me nu zo levenloos, met uitzondering van het theater en de concerten. Ik zag die dag ook veel over het hoofd. American Music Club in de AB. De vele lekkere etentjes met vrienden in de Rugantino, Bij den Boer, Vismet, Vini Divini en andere restaurants. Toneelgroep Amsterdam met ‘Het Verraad’. Inge en Sofie bij ons thuis op een stille avond in februari. ‘Trous’ in het Théâtre National. René Pollesch in Théâtre Marni. Twee feestjes in de Patapouf in Gent. De kennismaking met David en Els. Het feestje bij Theo en Anne-Marie. De gesprekken met mijn huisdokter. Een wandeling in de Kempen. Een etentje met Didi in Antwerpen. Caipirinhas drinken terwijl de treinen voorbijdenderen. De drakenbomen op La Palma en het eten van vis op datzelfde eiland. Lange wandelingen tussen de bloemen en het groen, met voor ons de oceaan en achter ons de bergen. De wijnkelder in Los Llanos op La Palma. Een avond in augustus samen met mijn zoon in Brussel; het café P&P, het café Fontainas. Het café Het Oerwoud in Antwerpen.De Oranienburgerstrasse in Berlijn. In dezelfde stad een overweldigende Goya-tentoonstelling. Werken van Caspar David Friedrich. Een mooie tentoonstelling over leven en werk van Helmut Newton, een fotograaf waar ik nochtans niet echt van houd. De wijk Prenzlauer Berg en jonge fietsende meisjes en jongens, kennelijk zonder bepaald doel voor ogen. Het Joods Museum. De avonden bij Pat en Dédé. Wandelingen in het Zoniënwoud. Ontmoetingen in Andalusië: Antonio en Javier. Een autovrije zondag in Brussel. Een avond uit met mijn schoonbroer, met heerlijke vis in de Vismet. Oesters met Champagne. Bob Dylan in Vorst. Een gesprek met Carla Torgerson. Vanuit de bus een blik op het huis in de Visélaan, waar ik woonde als student. Once Upon A Time In America van Sergio Leone. Een week samen met vrienden in Barcelona. De wijk El Raval. Caravaggio en Fortuny in het Museu Nacional d'Art de Catalunya. De lijsten van Ignasi Aballí in het Macba. De voorloper Robert Whitman. Oudejaarsnachtelijke euforie in Mamacafé. De kennismaking met ‘onbekende’ zielsverwanten op het internet: John, Agata, Gary, Evy, Pam, Roweun, en vele anderen. De aantrekkingskracht en de troost van vreemden. Al de mooie en lelijke dagen met mijn levensgezellin. De woorden van anderen. Het verlangen van anderen. Het onvervulde, het onuitgeprokene. Het onvolmaakte. Het vormloze. Het onzuivere. Het mededogen. De verontwaardiging.

19-12-05

WHEN THE MUSIC'S OVER...


SteveWynn


‘Boys don’t cry’ zongen de jongens vroeger, en dat is nog altijd het geval in wat wij de wereld noemen. Een wereld beheerst door George W. Bush, Arnold Schwarzenegger en andere gore helden. Kerels die zelf niet huilen, maar veeleer anderen willen doen huilen; het lijkt er zelfs op dat dergelijke sterke mannen de wereld willen vernietigen, met alle softies, dierenliefhebbers, asielzoekers, arabieren, kortom met alle mogelijke categorieën van ellendigheid die zij zich kunnen voorstellen erbij.
Ik heb gisteren urenlang gehuild, bijna de hele dag. Er waren vele redenen voor. Een reden was de toestand van de wereld, zoals hierboven al duidelijk werd. Een andere reden was dat ik mijn computer miste, dat dierbaar wezen (waar ik maandenlang mijn emoties in had geïnvesteerd). De dag voordien was mijn vriend B het wezentje komen halen om het naar Antwerpen te brengen, waar B’s vriend het zal proberen te herstellen. Het heeft een nieuwe ziel nodig, en misschien een nieuw hart. Zijn (of haar) geheugen is nog goed. Hoe lang dat zal duren weet alleen god, maar daar geloof ik niet in. Agata gelooft wel in god, maar ik niet. Ik geloof dat alleen Polen nog in God geloven, ik ben echter geen echte Pool. Ik doe maar alsof.

Bij het betreden van mijn kamer, zondagochtend, werd het mij droef te moede, om eens een oude uitdrukking te gebruiken. Ik dacht, ik zal wat lieflijke muziek opleggen, bij wijze van troost. Ik had onlangs speciaal een compilatie gemaakt van melancholische liederen, met dat doel – van troost in troosteloze dagen - voor ogen. Het derde lied was There’s Too Much On My Mind, van The Kinks, hier beneden, voorafgaand aan 'Het Nieuwe Leven' (een tekst die kennelijk te lang is, beweert een zekere Marlon, die overigens in 'Het Nieuwe Leven' zelf opduikt), aangehaald. Toen ik Ray Davies ‘there’s too much on my mind and there’s nothing i can say about it, there’s too much on my mind and there’s nothing i can do about it ’ hoorde zingen, werd het mij teveel. De tranen rolden over mijn wangen. En ik schaamde me niet. George W. en Schwarzenegger hadden mij gerust voor een keer mogen begluren.
Er zijn nog andere redenen, en ze zijn van zeer ernstige aard. Sommige kan ik onmogelijk onthullen, omdat ik het vertrouwen van mensen die me dierbaar zijn niet wil schenden. Vandaar ook die identificatie met het lied van Ray Davies: ik kan er niet over spreken. Eigenlijk denk ik dat ik er wel iets over zou kunnen zeggen, maar daarvoor heb ik tijd nodig, en die heb ik niet, aangezien ik thuis niet kan werken. Dit schrijf ik snel tijdens een vrij moment op het werk.


Mijn schoonbroer woonde in een klein dorp, op Mykonos, al een tiental jaren. Het is een goede kerel. Hij zou geen vlieg kwaad doen, zoals de mensen zeggen. Zowat een maand geleden heeft iemand hem in dat lieflijke dorp de kop ingeslagen. Schedelbreuk, twee weken coma. Mijn schoonbroer was met niets in orde. Ook niet met het ziekenhonds. Met de helikopter van Mykonos naar een beter ziekenhuis in Athene werd hij gevoerd. Maar was het een goed ziekenhuis? We betwijfelen het. Vervolgens werd hij met een speciaal vliegtuig van Athene naar Sint-Pieters hier in Brussel overgebracht. Dat gaat veel geld kosten aan de familie. Maar veel erger is zijn toestand. Kan er nog iets, of is het een stand die toe is? Zal hij ooit nog kunnen praten, lachen, lopen? We maken ons daar veel zorgen over. We zijn van streek. A, die zo al zelden echt gelukkig is – waarom weet niemand, waarom zijn sommige mensen toch zo ongelukkig? – is van streek. Het ongeluk heeft haar familie eens te meer getroffen. Een Griekse tragedie.

Gisteravond tegen wil en dank naar Steve Wynn & the Miracle 3. We hadden vrijdagavond al kaartjes voor Julius C. van Dood Paard in de la laten liggen. Ik dacht echter dat die muziek ons zou opbeuren, een mooiere wereld voor ons zou openen. Dat was ook mogelijk geweest, omdat Steve Wynn daartoe in staat is, met zijn aanstekelijke songs, met zijn opgewekte, dynamische melodieën, met zijn jong-dylaneske stem en vloeiende gitaarlijnen. Met zijn positieve punk attitude. Is dat laatste een tegenspraak? Voor mij althans niet. Zoals te verwachten was heeft de muziek ons niet opgebeurd. A’s gevoelens hebben het begeven, haar zenuwen hebben het begeven, haar gezond verstand heeft het begeven. Haar vermogen om plezier te maken is omgeslagen in afschuw en haat. The horror! In grote droefheid, misnoegdheid en verontwaardiging zijn we huiswaarts gekeerd. Vreemden voor elkaar, niet in staat elkaar te troosten, elkaar het onzegbare te zeggen. Niet in staat om lief te hebben. Nooit in mijn leven heb ik zo verlangd naar een machine als gisteravond na dat concert. Maar wat had ik met die machine kunnen doen? Ik was verblind door het leven, sprakeloos, verlamd. Zou ik ooit nog kunnen spreken? En was dat van enig belang.

03-12-05

ODE AAN DE GROTE BEER


poe


Ik heb een kater en ben verliefd op een schim, of op meerdere schimmen.
Een kater heb ik van wijn en vooral van Westmalle Tripels. Die wijn dronk ik met vrienden uit Gent in het restaurant Bij den Boer. Het bier in café Kafka. Ja, ik was het bijna vergeten, als aperitief een caipirinha in de Archiduc. Daar stond Arno aan de toog. Ik denk dat hij daar vaak staat. Ligt hij dan niet meestal in bed met een van zijn madammen? Hij zag er oud, moe en eenzaam uit. Ik heb een kater en voel me oud, moe en eenzaam.Toch ben ik uitzonderlijk eens een keer om halfeen gaan slapen en is het geen drie of vier uur geworden. Dat kan niet als je om halfeen gaat slapen. Het was een mooie avond, we hebben zelfs gelachen. Maar ook over dementie en de dood gepraat en over de verdwijning van onze vriend JFK Canard.

De buurt rond Sint-Katelijne ziet er schitterend uit. Dit is geen metafoor, alles schittert er echt. Het speet ons al een beetje dat we in een restaurant hadden gereserveerd, je kon op de kerstmarkt allerlei lekkere dingen eten, van Spaanse churros tot Finse versgerookte zalm. Als ik mijn camera had bijgehad dan had ik foto’s kunnen maken en die op flickr zetten en dan had ik me niet moeten vermoeien met deze dingen hier te noteren. Schrijven als je een kater hebt is als zingen met een stoflong. Hoewel ik geen stoflong heb, denk ik, en ook niet kan zingen. Toch zing ik soms, maar dit geheel terzijde. Zulke vergelijkingen zijn loze beweringen. We weten helemaal niets. Nu moet je niet denken dat Bij den Boer geen goed restaurant is, want dat is het wel. Ik kan alleen niet goed tegen wijn en trappist, zowat de lekkerste dingen die ik ken. Is dit een opstel, dat ik hier zit te schrijven?

Gisterochtend was ik doodmoe en had ik ook al een beetje een kater. Ik was donderdagavond na een voorstelling van Baraque Frituur in de KVS pas om vier gaan slapen. Baraque Frituur was bijzonder grappig. We hebben wat afgelachen. Het stuk van Ivan Vrambout gaat over de clichés die Vlamingen over Walen gebruiken (en vaak als waarheid aannemen) en vice versa. Het onderwerp ‘stoflong’ werd er in aangesneden. Boterhammen smeren voor de kinderen. Werken tot je erbij neervalt. Lui met je gat in de zon liggen op een terril. Maar het leukste waren de citaten uit Mieke Maaike’s Obscene Jeugd, van onze Vlaamse viezentist. Als je een meisje met een Frans accent allerlei schunnigheden uit dat boekje hoort debiteren, lijkt het wel alsof ze zaad in de mond heeft in plaats van speeksel. De vier acteurs waren uitstekend, twee Vlaamse en twee Waalse. Er werden geen oplossingen aangereikt voor Brussel-Halle-Vilvoorde. Wel werd natuurlijk het Vlaams Blok nog eens goed belachelijk gemaakt, de mannen met de vlaggen. Ze weten niet eens dat die leeuw uit Arabië komt. Niet dat ik me om die reden wil gaan opblazen in Irak of zo. Ik luister liever naar muziek of lees een boek van Stendhal. Zelfs ben ik nog liever verliefd op een schim. Ik ben al vaak verliefd geweest in mijn leven, dat duurt een paar maanden en dan ebt het weer weg. Gedaan met de slapeloze nachten en het schrijven van lullige poëzie. Maar ik ben nog nooit verliefd geweest op een schim. Na de voorstelling van Baraque Frituur bood de KVS een kleine receptie aan. In plaats van hapjes waren er frieten. Een goed idee. En wijn, wat minder toepasselijk was. Maar we hebben er toch van gedronken. In de bus naar huis heb ik stomverbaasd zitten lezen in The Murders In the Rue Morgue. Edgar Allen Poe was echt wel een genie. Wat zit ik hier een opstelletje te schrijven als ik eigenlijk een verhaal van Poe of Borges zou moeten lezen! En verliefd te wezen op een schim. Ik was bijzonder euforisch tijdens die busrit. Thuis moest ik mijn computer opgestart krijgen, want ik wou nog iets schrijven over Baraque Frituur. Dat opstarten heeft meer dan een uur geduurd. Van mijn euforie was niet veel meer overgebleven. Gelukkig had ik in een nachtwinkel nog een trappist kunnen kopen. Die was net leeg toen de computer in gang schoot. ‘Welkom’ zei hij. Maar wat had ik nog te vertellen? Ik was alles vergeten. Gelukkig hoorde ik toen opeens een stem. De stem van een schim. Die praatte er maar lustig op los, en ik luisterde, en al luisterend werd ik verliefd op de stem van die schim. Op het timbre, op het accent… Ze leek een beetje op die van Meryl Streep in Sophie’s Choice. Een heel avontuur. Ik wist niet waar ik het had. Van slapen kon bijna geen sprake zijn. Toch ben ik gisteren al om negen uur weer opgestaan. Ik voelde me helemaal niet opgetogen. Ik had denk ik wat de blues wordt genoemd. Hoe kon ik die stem ooit terugvinden. Hoe kon ik van die schim, waar ik inmiddels verliefd op was geworden, iemand van vlees en bloed maken, iemand met een zachte huid? Een perzikenhuid. Met borsten als druiventrossen. (hier begint de lullige poëzie al, en het plagiaat). Ik kon het niet. Je mag trouwens niet verliefd worden als je gehuwd bent. Dat is verboden. Neen, dat mag niet. Dan zet je alles op het spel. En spelen mag eigenlijk ook al niet, ook al wordt dat veel gedaan in de verhalen van Edgar Allen Poe, om het nog niet over Poesjkin te hebben. Maar je weet hoe beiden aan hun eind zijn gekomen. Geniale verhalen schrijven over verliefde kaartspelers is gevaarlijk en kan je je leven kosten. Dat zou op boekomslagen kunnen staan, zoals de opschriften op sigarettenpakjes.

Nu moet ik dit opstel beëindigen, net op het ogenblik dat het wat begon te worden. Maar ik moet mijn radioprogramma nog wat voorbereiden en dan moet ik naar Antwerpen vertrekken. Het is de eerste zaterdag van de maand, dan maak ik Zero de Conduite op Radio Centraal, samen met mijn vriend Patje, die ik meestal niet noem. Ik heb de vrienden met wie we zijn gaan eten, de liefste mensen van de wereld, ook niet genoemd. Patje heet ook niet werkelijk Patje. Maar iedereen noemt hem wel zo. Het was onlangs zijn verjaardag. Proficiat Patje! Ik heb een boek voor hem gekocht. Dat mag ik wel schrijven, want hij heeft geen computer, hij kan dit niet lezen. Of hij zou al naar een internetcafé moeten gaan, wat weinig waarschijnlijk is. Ik zal meteen eens bellen, om te horen waar hij zoal uithangt. Maar die schim, die laat me meer niet los. Is het de muze die weer opgedoken is, of is het een gevaarlijke sirene en moet ik was in mijn oren stoppen? Ik weet het niet. Ik zal wel zien. Maar ik wil wel weer graag opnieuw leren slapen. Slapen lijkt me een leuke bezigheid. Ik denk dat de levenshouding van Warren Zevon (I’ll sleep when I’m dead) niet zo goed was. Lang leve de slaap! De vergetelheid. De zijnsvergetelheid. De zinsverbijstering. Op de trein naar Antwerpen zal ik dan misschien nog een ode aan de Grote Beer schrijven of andere onzin.

30-11-05

SCHIJN BEDRIEGT: IL CATALOGO E QUESTO


HEIMAT


Natuurlijk vergeet ik dan heel wat hartendieven over wie ik evenmin een boekje opendoe. (Dit is overigens geen roddelrubriek, al kan het daar soms wel eens op lijken). Marc en Annick uit Antwerpen. Annick is een styliste en heeft een mooie klerenwinkel. Marc is dj-vrijwilliger op onze feestjes, en zoveel meer. Dank zij deze vienden hebben wij Essaouira en de Villa Maroc leren kennen. Theo en Anne-Marie ken ik nog niet zo lang, maar er is nog veel toekomst voor onze vriendschap. We gaan graag samen naar concerten. David en Els, want 'nieuwe' vrienden mag ik ook niet vergeten. Natuurlijk vertel ik niets over Leo, een denker. We hebben, lang geleden, in dezelfde straat gewoond en samen naar Im Lauf der Zeit gekeken op televisie. We hebben (samen met Flor, bijna over het hoofd gezien) tequila leren drinken in het Hard Rock Café aan het Fernand Cockplein. Dat bestaat niet meer. Misschien nog een geluk dat het niet meer bestaat. Er bestaan nogl voldoende Hard Rock Cafés en ze zijn allemaal hetzelfde. Niet beter dan een McDonald. Over de kunstenares Maria D zeg ik al helemaal niets. Geen woord. Het mag niet. Guido uit Lot. Talloze concerten gedeeld met Guido (Van Desmond Dekker tot Gillian Welch). Joost, de koning van de straathoekwerkers. Menchu, de prinses van Cadiz. Nico, de ecologista en Kiko, de arabist en verhalenverteller, beiden uit Cadiz. Katrin L. met wie we Londen, Parijs en Madrid verkenden en die we misschien nooit meer terugzien. Katrin, dat mag niet gebeuren! En waar zijn Ilse en Ton? Waarom niets over hen? Van Ilse staat er wel een foto op flickr, met een grote pompoen. Johny en Corine, Afrika-reizigers, situationisten, gewetenschoppers. Ria, kunstenares, van de Antwerpse en Romeinse nachten. Guillaume, een beroemd kunstenaar, een man met een warm hart. Koen P, Annick F, Sonja D, Sonja S (waar zit jij eigenlijk en je Jan?). Max, met wie ik altijd afspraken maak die nooit ergens toe leiden. De kameraden van Bureau des Ports. Harry en Herman en Gigi. Sabine en Tinneke. Martine, die al jaren door haar persoonlijk hel gaat. Tonko (dichter, professor) en Arlette. Ik word er moe van. Zoveel stiltes, zoveel ademnood, zoveel onuitgesproken gedachten, zoveel goeds, zoveel dagen, zoveel nachten. Zoveel leven in één leven. En dit is niet het einde. Het einde is niet in zicht.

29-11-05

SCHIJN BEDRIEGT: OVER VRIENDEN EN FIGURANTEN


Het valt me op dat er mensen en dingen zijn waar ik niet of weinig of uitzonderlijk over schrijf. Noem ik de naam van mijn levensgezellin, de vrouw die veel van mijn zorgen met me deelt (en vice versa natuurlijk, hopelijk is er enig evenwicht)? Schrijf ik iets over mijn goede vriend Patje, met wie ik een radioprogramma maak? Over Paul, schilder en filosoof? Over Eddy en Rita, fijne en intelligente mensen. Rita en Jules, vrienden die onlangs nog op visite waren. (Rita herinnerde mij aan de periode dat Johan Reygaerts in de boekwinkel werkte)? Over mijn zoon Jesse, die zo intelligent en creatief is, en die me bijzonder dierbaar is? Over mijn ex, van wie ik al een eeuwigheid gescheiden ben, maar aan wie ik mooie herinneringen heb, zeker aan onze eerste jaren? Over Bart en Brecht, die collega’s, maar ook vrienden zijn. Over Inge V, met wie ik graag op reis en op restaurant ga, en met wie ik graag over boeken praat. Over Inge F, met wie ik graag op restaurant ga en over het leven praat en die me altijd moed inspreekt? Over Didi, een hele lieve en bijzondere vrouw, sterk en moedig, die me zeer genegen is, maar die ik veel te weinig zie. Over haar dochter Deborah, die in zowat alle delen van de wereld heeft gestudeerd, een heel mooi en bijzonder intelligent meisje? Haar vader Yves, met wie ik destijds wijn dronk en over T.Rex, Eddie Cochran en klassieke muziek praatte? Over JFK Canard, een ex-taxichauffeur en kunstenaar die ik al eeuwen ken? Over Jan en Isabelle uit Gent, jonge vrienden met veel gevoel voor humor en vol levenslust. Over Inge VD, al jarenlang mijn psychoanalytica, maar nu niet meer (vrees ik)? Over mijn broer François, die in armoede leeft, maar niet echt ongelukkig lijkt (hij heeft wel eigen huis)? Over Gerrit, mijn vriend, dichter en psychiater. Over Bruno, die in een Atheens ziekenhuis ligt. Over Marc T, dichter en taalproever, een man met wie ik enige jaren samenwerkte aan het tijdschrift Brutaal (de titel heeft men van ons gepikt, voor een of ander taalproject)? Over Georges, schooldirecteur, toeverlaat van kunstenaars en dichters en bezieler van Brutaal? Over Gerda, uit Brugge, een collega en een goede vriendin. Over Marc, met wie ik een boekje schreef in één exemplaar en ruzie maakte over één van zijn films, maar die toch mijn vriend blijft tot het einde van mijn dagen? Over Gottfried Van Salzburg, die tekeningen voor mijn dichtbundel maakte? Over Louis en Liesje? Over degenen die ik nu even vergeet. Waarom schrijf ik zelden over hen? Uit narcisme? Dat denk ik niet. Ik moet er over nadenken, maar ik denk dat ik het antwoord ken. Wil ik deze mensen niet vooral beschermen, wil ik niet verhinderen dat zij door de wereld aan stukken worden gereten, ook al is deze cyberwereld de vriendelijkheid zelve?

Ik probeer discreet te blijven en niet teveel ‘vertrouwelijkheden’ van degenen die mij dierbaar zijn aan (vaak) onbekenden prijs te geven. Ik vertel hier mijn verhaal, waar zij allen ongetwijfeld een rol in spelen, maar een rol die ik bewust of onbewust tot figurantenrol herleid. Zij verdienen beter. Het zij zo. Op dit ogenblik kan ik niet anders.

28-11-05

DRIE HERFSTDAGEN (een lijst)


1. Vrijdag. Bijwonen van een congres over Stedelijke paradoxen als uitdaging voor beleid en middenveld, in het Elzenveld in Antwerpen.
2. Mijn deelnemersmap verloren. Verstrooidheid vanwege treinvertraging en dergelijke.
3. Afsluiting van het congres met kippenvelgedichten van Ramsey Nasr (van wie ik nog nooit gedichten had gelezen).
4. Receptie met middelmatige schuimwijn. Ik beslis niet meer dan 1, maximaal 2 glazen te drinken.
5. Ik drink veel meer glazen middelmatige schuimwijn en praat met een aantal andere receptiegangers, maar wegens schuchterheid niet met Ramsey Nasr.
6. Samen met tal andere aanwezigen zak ik af naar café Gounod, waar ik bier drink.
7. Natte voeten op weg naar het centraal station.
8. Treinvertraging vanwege de ‘sneeuwstorm’.
9. Ik bagger door Brussel, op weg naar huis, met natte voeten.
10. Ik neem een warm voetbad.
11. Zaterdag. Om halfnegen op. Boodschappen met de caddy, voor de vrienden uit Antwerpen die worden verwacht. Dat gaat heel moeilijk met de dikke en soms modderige sneeuw. De caddy zit vol met eten en vooral wijn. Een zware vracht.
12. Na thuiskomst en uitladen snoei ik de planten op het terras. Vooral geraniums, maar ook cactussen. Sommige planten zijn omgevallen door de felle wind.
13. Ik zit op mijn kamer, breng mijn papieren op orde, lees en schrijf commentaren bij flickr. Verzorg mijn e-mail. Luister naar muziek via itunes (ik noem dit merk, omdat het later nog een rol zal spelen in deze lijst).
14. Ik kijk af en toe naar de sneeuw.
15. Ik maak zwartwit foto’s van de sneeuw (dit kan ook al eerder zijn gebeurd).
16. Ik doe iets wat ik als een geheim beschouw.
17. Helpen in de keuken. Mosselen schoonmaken, look, ui, selder, etcetera.
18. De vrienden verwelkomen, een glaasje wijn aanbieden, hapjes, muziek, fijne conversatie.
19. Ik bereid de mosselen (voorgerecht). Recept verkrijgbaar.
20. Eten, drinken, fijn gesprek met onze oude en allerliefste vrienden.
21. Door het gesprek herinner ik me hoe ik Johan Reygaerts – die onlangs is overleden en waarover ik hier een kort stukje heb geschreven – heb ontmoet. Kennelijk lijd ik aan geheugenverlies. Johan en ik hebben in dezelfde boekenwinkel gewerkt. Echter niet lang.
22. Afscheid (moeilijk).
23. Ik speel een stukje op mijn gitaar.
24. We doen de afwas.
25. We bekijken Million Dollar Baby van Clint Eastwood. Sentimenteel en moraliserend, zoals we van Clint Eastwood gewoon zijn. Maar wel mooi gefilmd.
26. Ik val in slaap bij de film.
27. Omstreeks twee uur ben ik klaar wakker.
28. Ik ga naar mijn kamer en schrijf iets op hoochiekoochie (onder invloed van wijn).
29. Flickr-commentaren. Hoochiekoochiecommentaren.
30. Zondag. Uitslapen. Klasseren van de cd’s. De planten op het terras verder verzorgen of binnennemen en naar boven dragen, waar ze zullen overwinteren.
31. Ik snijd in mijn vinger met een snoeimes. Bloed, isobetadine.
32. Ik klasseer cd’s.
33. Ik ga naar mijn kamer om wat niets te doen. Ik zet itunes op, om wat muziek te beluisteren. Er is een nieuwe versie, zeggen ze. Downloaden? Ja, zeg ik. Downloaden begint. Ik moet ook quicktime for windows downloaden, zeggen ze. Ja zeg ik. Het downloaden voor van quicktime for windows mislukt. Itunes werkt niet meer. Ik download opnieuw. Zelfde probleem. Ik verander de instellingen van windows. Download. Zelfde probleem. Ik word wanhopig. Kan niet leven zonder muziek, ben verslaafd aan itunes. Ik heb het programma ook nodig om mijn radioprogramma voor te bereiden. Ik blijf proberen en het blijft mislukken. Ik vervloek computers, software, hardware en technologie in het algemeen.
34. Ik zet de sneeuwfoto’s op flickr. Ze hebben geen enkele artistieke pretentie.
35. Ik heb een lange een grappige conversatie. Maar in mijn hart voel ik verdriet. Geen muziek. Bestaat mijn wereld wel zonder muziek?
36. Je kunt toch ook cd’s spelen? Ik ben lui, en gewoon aan itunes. Het gebruiksgemak. De combinatiemogelijkheden.
37. Ik verneem interessante dingen over de filmacademie van Lodz, over Denemarken, over het leven van een cowgirl, het beluisteren van Johnny Cash en Willie Nelson, Martina McBride en het drinken van pure tequila. Ik zie hartjes, manen en sterren, rode lippen, rozen. Ik lees gekkigheden.
38. Ik zet de computer uit, met pijn in het hart en vraag me af, hoe ga ik al deze problemen oplossen?
39. Ik doe een middagdutje.
40. We eten, drinken een beetje wijn en kijken naar The Godfather 1. Niet helemaal.
41. Ik drink water.
42. Het gebruikelijke ritueel voor het slapengaan.
43. Een nieuwe plakker op mijn gewonde vinger.
44. Ik lees nog wat in bed. Een gedicht van Borges.
45. Het licht uit.
46. Dromen en nachtmerries.
47. Maandag: Met dwaas hoofd de voorbereiding voor de dagtaak.
48. Het onbewuste verzwijgt (…)
46. (Volgens iemand in de Standaard vertellen we twee komma vijf leugens per dag. Wie niet liegt is ongezond, zegt de onderzoeker.)