30-03-06

TWEE SPEEDFREAKS

playboy,jos d,vriendschap,foto,martin pulaski,speed

De betekenis van vriendschap. Jos Dorissen en Pulaski: sneller dan het licht in 1980.


”Jos kocht altijd de Playboy, voor de interviews…. Die maand stond er een interview in met Sartre. Zelf was ik niet zo gek op die lelijke schrijver, maar Jos vond dat ik absoluut 'Les chemins de la liberté' moest lezen.” Dat Sartre aan de amfetamine zat gaf de doorslag om zijn boeken op zijn minst te doorbladeren.

GERAAS EN GEBRAL II


Faulkner @ Table


Jos toonde me met het enthousiasme dat hem zo eigen was zijn nieuwe aanwinsten. In mijn teruggevonden notities herinnerde ik me nog Robert Musils Der Mann ohne Eigenschaften (dat meesterwerk was toen nog niet in het Nederlands vertaald), Het Schrijversdagboek van Virginia Woolf, Verzamelde Gedichten van D.H. Lawrence, romans van Dostojewski, James Joyce en Thomas Hardy en een verhalenbundel van Katherine Mansfield. Maar er waren nog veel meer nieuwe boeken, hij kocht ze als een bezetene, en vond het vreselijk dat hij ze niet allemaal tegelijk kon lezen.

Om middernacht verlieten we zijn appartement omdat de voorraad bier op was. We wandelden naar een kroeg op het Mechelseplein, waar we ons gesprek over literatuur en muziek voortzetten. Maar we hadden het over zoveel andere dingen. We sprongen van de hak op de tak. Jos kocht altijd de Playboy, voor de interviews…. Die maand stond er interview in met Sartre. Zelf was ik niet zo gek op die lelijke schrijver, maar Jos vond dat ik absoluut 'Les chemins de la liberté' moest lezen. Waarschijnlijk beïnvloedde Sartre's amfetaminegebruik zijn oordeel. Jos probeerde mij er van te overtuigen zelf iets te publiceren. Niet alleen maar gedichten. Ik moest een roman schrijven, zei hij. Een werk zoals ‘Les chemins de la liberté’ lag in mijn mogelijkheden. Met veel vuur moedigde hij me aan. Dat had hij al altijd gedaan, zo lang ik hem kende. Maar ik kan me niet houden aan een vooraf uitgetekend plan, wat toch wel noodzakelijk is om een goede roman te schrijven, wierp ik tegen. Ik kan alleen maar schrijven wat ik moet, bijna vanuit spontane opwellingen of onbewuste verlangens. Mijn geschrijf is waarschijnlijk neurotisch van aard. Bij mij is de wil zwak. Eigenlijk heb ik zelfs geen wil. Zo kan ik bijvoorbeeld geen verslag uitbrengen van een film die ik heb gezien - of van om het even wat - als ik dat alleen maar wil. Wel kan ik dat, geloof ik, als ik de behoefte daartoe voel, als ik ernaar verlang me erover uit te drukken. Maar zelfs dan moet ik me inspannen, alleen al om eraan te beginnen. Dat is misschien nog het moeilijkste: eraan beginnen. En het resultaat is soms teleurstellend. Er moet dan geschrapt, gecorrigeerd, gecombineerd, herschreven worden. Werken!

Jos was de enige mens die begrip had voor al deze ‘problemen’. De roman is na al die jaren nog steeds niet geschreven, het boek niet gepubliceerd. Alleen een dun dichtbundeltje, waarin een In Memoriam aan Jos.
Het is de hoogste tijd dat ik aan dat boek begin. Ik ben het mijn vriend, mijn ander zelf, verschuldigd. Wat ik al zeker weet is dat het geen Harry Potter zal worden. Hoe vind je dan nog een uitgever? Want een Da Vinci Code wordt het evenmin. De kans is veel groter dat ik een idioot aan het woord zal laten en wat hij zal vertellen zal vol zijn van geraas en gebral.

De teruggevonden notities zijn oud, het papier is vergeeld, de inkt heeft een onbepaalde kleur gekregen. Ik ben al lang iemand anders geworden, maar toch herken ik de vriendschap nog, die daar beschreven werd door degene die ik toen was. Vorige nacht las ik in het verhaal ‘De Zahir’ van Borges het volgende: "Ik ben niet die ik toen was, maar toch ben ik nog in staat mij het gebeurde te herinneren, en misschien te vertellen. Nog ben ik, hoewel gedeeltelijk, Borges." Nog een keer Borges…

Foto: William Faulkner, schrijver van The Sound And the Fury.

GERAAS EN GEBRAL I


Een paar dagen geleden vond ik oude, met de vulpen geschreven, notities terug over een bezoek aan mijn vriend Jos. De datum van de tekst is onleesbaar, maar ik weet wel zeker dat de avond die ik erin beschreef zich in 1978 voltrok. Wat klinkt dit toch weer plechtig! Te liturgisch, te weinig vlezig.

Ik was die avond onaangekondigd bij Jos komen opdagen. Dat deden we in die tijd bijna altijd: we hadden geen telefoon en al de rest bestond nog niet. Mijn vriend was blij dat ik daar zo opeens voor zijn deur stond. Zelf was ik ook opgewekt, maar tegelijk aan hevige onrust ten prooi. Die onrust was een voorbode van een periode van ziekte. Dat fenomeen is veel meer dan een voorgevoel. Omdat het zo herkenbaar is grenst het aan zekerheid. Ik heb van dat inzicht nog geen enkele arts kunnen overtuigen. Ik denk dat de onrust wordt veroorzaakt door de zenuwen, als een waarschuwing aan het lichaam, wees voorzichtig, er is een aanval op komst.

Na een paar biertjes had ik echter mijn kalmte teruggevonden. Onze conversatie ging over vriendschap. Jos herinnerde zich mijn brief waarin ik naar de uitspraak 'Een vriend is een ander zelf' van Aristoteles had verwezen (Ik had die niet bij Aristoteles gevonden, maar in een verhaal van Borges. In verhalen van Borges kun je ongeveer alles vinden. Een zin van hem is soms een hele encyclopedie.). Jos vond het de mooiste brief die hij ooit gekregen had. Ik was niet zijn beste vriend, zei hij. Ik was veel meer dan dat, ik was zijn enige vriend. Ik hoopte in stilte dat onze vriendschap zou blijven duren. Want je weet maar nooit. Maar genoeg daarover.

27-03-06

GEDUBDE FILMS EN FRANSTALIGE ONDERTITELS

lucia bose,derive,lente,schoonheid,vrouwen,meisjes,brussel,monica vitti,nederlands,frans,taal,dubben,ondertitels,film,televisie,digitalisering,coditel

De lentemiddag lokte mij alvast naar buiten, maar ik was al snel weer binnen, op zoek naar klassieke schoonheid. De echte mensen rondom me op straat zag ik ternauwernood. Ik geloof ook niet dat er veel aan hen te zien was. Vrouwen als Lucia Bosé of zelfs Monica Vitti tref je niet aan in de Brusselse straten, zeker niet op mijn dagelijks parcours (het wordt de hoogste tijd dat ik mij nog eens aan een dérive overgeef), je vindt ze alleen maar in de cinema of op dvd. Ik heb me daarom nog maar eens naar zo’n kapitalistische markt begeven, waar veel beelden voorhanden zijn, maar als je ze ook nog wilt zien, moet je er wel voor betalen.

Ik wil hoegenaamd niet alleen maar beelden, maar ook geluid en ondertitels. Het ergste zijn gedubde films. Ik heb ooit nog maar één gedubd fragment gezien en heb daarna een hele week lopen en liggen walgen. Nu vind je in Brussel gelukkig nog wel dvd’s met ondertitels, maar die zijn negen keren op tien in het Frans. Ik wil hier nog wel eens herhalen dat ik Frans een mooie taal vind, maar ik lees ze minder snel dan Nederlands, terwijl je ondertitels toch snel moet lezen. Ze zijn eigenlijk maar een hulpmiddel om de dialogen beter te verstaan. De schande is nu dat in die grote ketens, zoals Mediamarkt, bijna geen dvd’s met Nederlandse ondertitels te vinden zijn, tenzij je Rambo of Titanic nog een keer wilt zien. Terwijl er in die winkel toch echt wel zeer veel Nederlandstaligen komen.

Het Nederlandstalige publiek wordt in Brussel onwaarschijnlijk minachtend behandeld. Zo ben ik geabonneerd op Coditel voor de kabeltelevisie. Dat bedrijf heeft het monopolie waar ik woon. Nu wordt die kabel gedigitaliseerd en het bedrijf is zo vriendelijk om 17 kanalen toe te voegen aan het bestaande aanbod. Ik geloof dat daar slechts één Nederlandstalig kanaal bij is, de andere zijn deels in het Frans, maar overwegend in het Arabisch. Het is zeer zeker wel leuk voor de Arabisch sprekende Brusselaars dat zij er nu die kanalen bijkrijgen (en dat die afschuwelijke schotels dan misschien uit het straatbeeld zullen verdwijnen), maar één Nederlandstalig kanaal, dat is toch bijzonder weinig. Bovendien zullen we om BBC2 en CNN nog te kunnen ontvangen moeten bijbetalen. Er komen in totaal 2 specifieke filmkanalen en die zijn zuiver Franstalig. Daar zul je Johnny Depp, Monica Vitti en Cate Blanchett alleen Frans horen spreken. Zulke dingen geven mij heel veel zin om uit mijn geliefde stad te vertrekken en het geluk ergens anders te gaan zoeken. In de mediamarkt heb ik alvast niet één betaalbare filmgodin gevonden. Ik heb mij dan maar tevredengesteld met Orson Welles, Robert De Niro en Billy Bob Thornton.

lucia bose,derive,lente,schoonheid,vrouwen,meisjes,brussel,monica vitti,nederlands,frans,taal,dubben,ondertitels,film,televisie,digitalisering,coditel

Afbeeldingen: Monica Vitti

DORRE HERSENS EN VALSE LIEFDE

nachtleven,blackout,dokter,slaaplaboratoirum,slapeloosheid,slaapstoornissen,drinken,cafebezoek,woorden,film,michelangelo antonioni,existentialisme,1950,giovanni fusco,lucia bose,vrouwen,femme fatale

Een warme dag, de lente plotseling, die ons met haar eerste bloesems opfleurt en het hoesten door een zucht vervangt. Achttien graden Celsius. Je neemt het woord ‘Sehnsucht’ in de mond. Neen, toch niet. Daarover mag je niet schrijven, dat zijn zo van die clichés. De eerste de beste doet dat, maar niet de eigenzinnige, de einzelgänger. Schrijft niemand op eigenzinnige manier over de lente? Ja, de idioot, de eeuwige Nijinski, de eeuwige Virginia Woolf. Ik denk dan aan het woord ‘daffodils’, het woord ‘gifbeker’.


Mijn hersens zijn aangetast door de roes, door het vele slapen en meer nog door de nachten zonder slaap. Een slaapkliniek heeft geen zin, zegt mijn huisdokter. Hoe zouden ze uw slaap kunnen bestuderen? Je zou er niet kunnen slapen. Ik denk dat de man gelijk heeft. Dokters hebben lang gestudeerd en weten bijgevolg veel. Ach, laat dat ‘bijgevolg’ maar weg.


Wat ik heel goed weet is dat het nachtleven niet geschikt is voor mij. Ik ben er te oud en te zwak voor. Maar ik blijf er altijd naar verlangen, vergeet mijn zwakheid, leeftijd. En daar ga ik dan, de nacht in. Het wordt weer eens een groot feest, drinken, dansen, zingen, in vreemde talen als het moet, Babylonisch. Speaking in tongues. Gepraat, euforie, dronkenschap. En toch nog aan de taxichauffeur uit kunnen leggen hoe hij je naar huis moet brengen, waar je woont, hem je huisnummer influisteren, en hem het gepaste bedrag betalen, met drinkgeld erbovenop. Van zulke nachten blijft zo goed als niets over. De volgende dagen zijn dor als aarde die je de hele winter in een bloempot hebt laten staan, met een verdorde plant erin. Want begin december is het plotseling toch nog winter geworden, en dan had je geen zin meer om alle planten op het terras op te ruimen. Dat is een taak voor een van de volgende dagen. Of misschien wacht je beter tot je terug bent van La Palma. Stel dat het eiland in de oceaan zinkt, met jou - en alle andere mensen daar aanwezig - erop. In dat geval heb je al dat werk op het terras voor niets gedaan. Beter wachten.

Gisteravond zag ik een bijna hypnotiserende film over liefde die geen liefde is, over misdaad die geen misdaad is en over jaloezie: ‘Cronaca di un amore’ van Michelangelo Antonioni. Hij maakte de film in 1950, het jaar dat ik geboren ben. Een meesterwerk dat ik gelukkig nog nooit gezien had. Een existentialistische film noir met een verbluffend mooie Lucia Bosé als de femme fatale van dienst. (Denk jij bij de uitdrukking ‘femme fatale’ ook altijd onwillekeurig aan the Velvet Underground en Nico?) In 1950 werden er overigens ook al zeer bizarre en tegelijk betoverende soundtracks gemaakt, zoals hier door Giovanni Fusco. In 1950 rustte op bontjassen zeker nog geen taboe. Wat schitterden die vrouwen in hun witte bontjassen met om hun slanke hals een gevaarlijk glinsterend parelsnoer.

Afgodin: Lucia Bosé, miss Italië en filmster.

24-03-06

BAD TIMING



















Je ziet iemand plotseling door de muur je kamer binnenkomen. Je ziet meteen dat het je andere helft is. Je vriend, je vriendin, je toekomstige geliefde. Een ander zelf. In een ogenblik word je verliefd. Koorts overmant je, je lippen barsten van de hitte in je mond. Je lichaam tintelt. Je zweet van opwinding, maar dat heeft niet de geur van ziekte, eerder van appelbloesem. Je weet niets meer. De elektrische verbindingen in je hersens laten het afweten. Smelten als staal in de hitte van honderd zonnen.

Je zat in je kamer, alleen. De wereld te overschouwen. Een oude kaart van de Red Star Line had je aandacht getrokken. Je blik gleed over landen die al lang niet meer bestaan. Revoluties, burgeroorlogen, verdragen, tirannen - met veel volk dat achter hen aan door de modder en het bloed ploeterde - hebben grenzen uitgewist, naties van de kaart geveegd, volkeren verjaagd, namen doen vergeten. Je dacht daar zo nog jaren te zullen zitten op die stoel, met die kaart voor je, en links van je het raam met daarachter de altijdgroene sierspar. Zou het pijn doen als hij wordt gesnoeid? Het slagveld Europa laat hem onverschillig. Overschilligheid en cynisme zijn de grootste schandalen. Maar kun je een spar onverschilligheid verwijten?

Deze vrouw – want was een vrouw - echter, was je wederhelft. Je vergat de kaart, de wereld, de bestaande en vergeten naties. Je luisterde niet meer naar de radio, vergat tijdschriften en kranten. In die tijd bestond het Internet nog niet, maar iedereen weet dat staal veel sterker is.
Appelbloesem. Zij was kersenbloesem. We benaderden elkaar voorzichtig. In het midden stond een eeuwenoude eik. Weer een boom. Jij kwam van de linkerzijde, ik van de rechter. Aan de andere kant van de boom, de schaduwzijde, vielen we elkaar in de armen. De ene was over een brug gekomen, over een grens. De andere was naar de brug toegegaan, in zijn eigen land gebleven. Zoals Art Garfunkel en de mooie, altijd wat perverse Theresa Russel in ‘Bad Timing’.

Heel snel begon hun leven op die film te lijken. Enkele woorden, enkele muzikale thema’s of leidmotieven, vatten vele jaren samen. De stemmen van Billie Holiday en Tom Waits. Muziek van Gustav Mahler, van Hector Berlioz. Een mengeling van melodrama, obsessies, bezitsdrang, jaloezie (zelfs op het verleden), decadentie, theater, alcohol, amfetamine, zenuwinzinkingen, psychoanalyses, wellust, zelfvernietiging, zijnsvergetelheid. Het volledig en absoluut willen bezitten van de andere. Zich de andere willen toe-eigenen. En als een lokroep waren er de steden Boedapest en Wenen, vooral Wenen. Dat was hun stad vonden zij, de stad van ‘Bad Timing’, van de pyscho-analyse, van Egon Schiele, van Otto Weininger, van Arthur Schnitzler, schrijver van Reigen, Traumnovelle, van Fräulein Else vooral. Wenen, de naam ‘Wenen’.

Zo zie je iemand plotseling door de muur je kamer binnenkomen. Is het een schim? Een dagdroom? Is het een herinnering? Speelt je verbeelding je parten? Werk je aan een autobiografie? Vertel je iets over een film? Laat je de lezers binnen in je laboratorium?

Afbeelding: Art Garfunkel en Theresa Russell in 'Bad Timing'.

19-03-06

ONTMOETING MET KRISTIEN DIELTIENS

katrien de ruysscher,sexy,kristien dieltiens,cirio,bob morane,james bond,the saint,maigret,schuchter,foto,simenon,schrijven,actrice,tsjechov,de kersentuin,caddyhome,brussel,discipline,psychoanalyse,autobiografie,woody allen,kvs,raven ruell,tapas,martin pulaski,jfk canard

Raven Ruëll

Slaapgebrek verstoort mijn waarnemingsvermogen en veroorzaakt geheugenstoornissen. Ik doe nog weinig. Ik ben moe. Ik bedoel met weinig doen: weinig schrijven. Gisteren heb ik huishoudelijke taken gedaan, boodschappen, enzovoort. Daarna heb ik mijn lichaam uitgebreid verzorgd. Dat is ook nodig. Mijn scheerapparaat is wel al een tijdje stuk, waardoor ik nu meestal met een modieuze stoppelbaard rondloop. Ik heb het niet zo voor modieuze stoppelbaarden, maar ik heb nog geen tijd gevonden om een nieuw apparaat te kopen. Eigenlijk had ik wel al tijd, maar dan dwingt mijn verslaving mij in de richting van de muziekwinkels, de boekenwinkels. Stoppelbaard dus. Om drie uur moest ik in de stad zijn, in café Cirio. Ik had een afspraak met een mij toen nog onbekende dame; nu ken ik haar al wat beter. Ze schrijft kinderboeken, jeugdboeken. Ik had nooit gedacht dat ik ooit nog kennis zou maken met een schrijfster van zulke boeken. Nooit heb ik kinderboeken gelezen. Ik ben meteen met het serieuze werk begonnen, als je Bob Morane, James Bond, Maigret en The Saint serieus werk wilt noemen.

Door dat gesprek gisteren ben ik begonnen te denken dat jeugdliteratuur net zo ‘serieus’ is als literatuur voor volwassenen. Dat er evenveel inzet, helder bewustzijn en energie voor nodig is. Discipline natuurlijk ook. Zonder discipline geraak je nergens. Ik wil hier verder over deze ontmoeting niets vertellen. Hoochiekoochie is wel een doorlopende autobiografie, een soort van ego-psychoanalyse (dat kost me minder dan bij een psychiater, ik heb al twee zulke analyses achter de rug, ga stilaan op Woody Allen lijken), maar er zijn grenzen aan mijn openhartigheid. Ik wil hier niet zomaar alles en iedereen te grabbel gooien. De schrijfster is alvast een zeer fascinerende vrouw. Het was een aangenaam, maar wel nogal intens gesprek. Die intensiteit heeft ervoor gezorgd dat mijn vermoeidheid tijdelijk is verdwenen. De schrijfster, mijn vrouw en ik zijn dan nog samen tapas gaan eten. We zullen elkaar zeker nog terugzien. 

Het lijkt wel of ik aan een opstel bezig ben. Waarschijnlijk schrijf ik enigszins infantiel doordat ik een katertje heb. Want na het eten van de tapas moesten we in de KVS zijn, voor een voorstelling van De Kerstentuin. Een geslaagde voorstelling, vooral omdat er bijzonder goed in werd geacteerd. Regisseur Raven Ruëll heeft Tjechovs stuk met weinig eerbied onder handen genomen. Dat is een goede zaak. Eigenlijk was het een echte vaudeville. We hebben heel veel gelachen. Als iets goed is herken ik er mij in, en dat was nu verscheidene keren het geval. Toch werd mijn aandacht af en toe afgeleid, waarschijnlijk onder invloed van het bier in de Cirio en de wijn bij de tapas en ten gevolge van de uitputting. Ik zat dan even te mijmeren, of na te denken over iets wat ik wilde schrijven, of, ja, dat moet ik toch ook bekennen, ik zat gewoon te kijken naar Katrien De Ruysscher, zonder nog naar de tekst te luisteren. Wat een mooie en sexy actrice! Maar als we dan tijdens de receptie dicht bij elkaar staan durf ik toch niets tegen haar zeggen. Ook niet zomaar gewoon dat ik het een zeer geslaagde opvoering vond of iets dergelijks. Neen, zelfs geen koetjes en kalfjes. Evenmin geeft ik de andere acteurs en actrices een compliment. Ik wil dat bijzonder graag doen, altijd, maar ik kan het niet. We drinken dan maar bier en eten lekkere hapjes en voelen ons oud en eenzaam. Schuchter zijn is geen pretje.


Ik wil later wat dieper ingaan op dit stuk, want Tsjechov is natuurlijk schitterend, een geniaal schrijver en toneelauteur. Maar nu zit ik met die kater. Ik ga nog wat flessen water naar boven dragen. Gisteren heeft Caddyhome een honderdtal flessen mineraalwater geleverd. Die moeten nu allemaal naar boven.

13-03-06

AMERIKAANSE INVLOEDEN

autobiografie,muziek,americana,flickr,verbeelding,cowboys,hank williams,vs,schrijven,vrienden,geschiedenis,indianen

Mijn zin om over het Amerika van de geest te schrijven is groot, schreef ik enkele dagen geleden. Terwijl ik nu naar Hank Williams zit te luisteren bedenk ik dat ik bijna altijd over het Amerika van de geest schrijf. Ik was me daar niet zo bewust van, toen ik die zin noteerde. Maar nu denk ik dat het zo is. Als ik tijd heb en geen angst om met mijn eigen recent verleden geconfronteerd te worden zal ik het er eens op nalezen. Er zijn ongetwijfeld uitzonderingen, excursies als het ware, naar andere landen, echte en verzonnen, reële en kunstmatige. Want het is waar, ik converseer niet alleen maar met cowboys en indianen, maar ook met mezelf en mijn geschiedenis en met mijn vrienden, kennissen, collega’s, met toevallige passanten (in cafés, op recepties) en hun geschiedenissen en van die gesprekken blijven sporen achter in mijn zinnen.

Ook van de stille dialogen met andere webloggers, vooral van ‘andere woorden’ of ‘evy’, ‘pam’, en van snelle intermezzo’s met flickers zoals Gary, John, Cristina, Agata, Rochelle, Seacater blijven sporen achter in mijn zinnen en in mijn beelden – en bij die gesprekspartners zijn maar weinig Amerikanen, van de geest noch van het lichaam. 


Foto: Hank Williams

BINNEN EN BUITEN


Na meer dan een week binnenshuis te hebben doorgebracht (overdag in gekoesterde eenzaamheid, af en toe een blik in de spiegel, veel gehoest, veel geslaap, veel muziek, veel gedachtenspinsels; ’s avonds in het gezelschap van de vertrouwde levensgezellin), ben ik deze morgen weer door kou naar het werk gegaan. Ondanks de zon was het een moeizame tocht, de ‘berg’ op, richting metrostation. Deze middag ben ik de nieuwe cd van Neko Case - ‘Fox Confessor Brings The Flood’, raadselachtige titel - gaan kopen. Daar heb ik ongeveer anderhalf uur over gedaan. Nu heb ik er spijt van dat ik mijn tijd niet beter heb besteed. Je wordt gek in zo’n mediamarkt. Je kunt er veel kopen, maar eigenlijk niet echt. Wat je echt zoekt is er niet. Ik vond het al vreemd dat Neko Case er was. Een paar jaar geleden zou je daar niet één cd van Johnny Cash hebben gevonden. Je moest bijna naar de VS om een cd van Johnny Cash te kopen. Op een bepaald ogenblik hebben de massamedia de man ontdekt. Opeens was hij geen maffe boer mee die christelijke liedjes zon, maar een oude, wijze, hippe vent. Nu moet iedereen die cd’s van Johnny Cash: in die mediamarkt lagen er wel honderd, of duizend, ik heb ze niet geteld. Ach ja, de markt is de markt. En je moet nooit spijt hebben van wat je hebt gedaan, ik weet het. Maar soms vergeet ik het. Nu schijnt de zon hier naar binnen en dat zou moeten volstaan. Opnieuw aan het werk!

11-03-06

OPEN DE RAMEN!


beckman vis


Waar komt de behoefte vandaan om je leven prijs te geven aan ‘onbekenden’? Om anderen deelgenoot te maken van je voorkeur voor bepaalde songs of boeken? Vind je dan dat je ideeën beter zijn dan die van jan en alleman? Dat je een goede smaak hebt? Bestaat zoiets als goede smaak? Iemand die van Cat Power houdt heeft in jouw ogen goede smaak, en iemand die een zwak heeft voor Dana Winner – de naam alleen al! – zou dan slechte smaak hebben. Maar weer anderen, die diep ontroerd worden door de cellosuites van Bach of door de late strijkkwartetten van Beethoven, vinden mijn gedweep met countrymuziek wellicht van een zeer laag niveau getuigen. Om nog maar te zwijgen over Elvis. ‘From Elvis in Memphis’, de beste langspeelplaat aller tijden! Jongens, toch, die vulgaire truckdriver uit Tupelo, geboren in een schuur uit zwerfhout opgetrokken… Om mij te verdedigen noem ik die schone zielen – die ik me nu even inbeeld, want ik weet niet of ze werkelijk bestaan – dan pseudo-intellectuelen. Dat ‘pseudo’ is zeer belangrijk. Ik kan het namelijk niet hebben dat de spot wordt gedreven met ‘echte’ intellectuelen. Mensen die dat doen zijn uit hetzelfde hout gesneden als antisemieten en andere ordinaire racisten. Ik noem mijn imaginaire opponenten daarom ‘pseudo-intellectuelen’. En dan is de zaak afgehandeld: zij mogen van mij denken wat ze willen.

Je zal aan mijn redeneren wel merken dat ik moe ben en stilaan wegzink in waanideeën en paranoia. Dat ik ten prooi val aan associatief denken. Dat laatste vind ik niet erg. Ik heb altijd associatief gedacht en geschreven, maar wel beheerst, onder controle, ordelijk. Nu dreigt die orde van het denken te verdwijnen. Gelukkig is er nog de orde van de taal, van de syntaxis. Mijn woorden ontsporen nog niet, geloof ik. Ja, mijn hoogdravend credo van een paar dagen geleden, dat moet ik er nog eens op nalezen.

Die behoefte, die ik hierboven ter sprake bracht, komt zeer waarschijnlijk voort uit het verlangen om geliefd te worden. Je bent schuchter, in jezelf gekeerd, maar wilt toch in de belangstelling staan. Je wilt een plaats ‘veroveren’ in het hart van de duisternis. Je verlangt ernaar dat anderen je graag zien, onder meer door je graag te lezen. Je bent zoals iedereen, maar toch anders. Een echte ‘outsider’, maar tegelijk ook een ‘insider’.
Het voorbije jaar ging je die aandacht ver zoeken. Je verwaarloosde je omgeving, je vrienden, wat nog overblijft van je familie. De liefde voor het verre nam op haast overweldigende wijze bezit van je. Je overschreed talloze grenzen. Je werd een barbaar in je eigen gemeenschap. Maar je weet dat je op een dag zal terugkeren naar de jouwen met zakken vol goud en robijnen van over de grenzen. Je weet bovendien dat op een dag die grenzen zullen verdwijnen. Gemeenschappen zullen in grillige en snel wijzigende vormen over de wereld rondzwerven, nu eens hier opduikend, dan weer daar, en niemand zal hun namen kennen, want zij zullen vele namen hebben. Tot welke gemeenschap zul jij dan behoren? Er zijn miljoenen kleuren en vormen. Laat ze met elkaar versmelten in nieuwe woorden!

Reproductie: Max Beckmann, reis op de vis.

10-03-06

CAT POWER OF BILL GATES?

ziekte,geneesmiddelen,kenya,vrienden,cat power,pop,rijken,bill gates,geert mak,europa,krant

Het gaat al wat beter met me, dank u, en dank aan de doctoren en de farmaceutische industrie. Bij die farmaceutische industrie moeten we noodzakelijkerwijs wat vraagtekens zetten, zeker nadat we The Constant Gardener hebben gezien, en nadat we het verhaal van mijn vriend BG hebben gehoord, die vele jaren in Afrika, onder meer in Kenya, heeft gewerkt voor zo’n bedrijf en daar in de jaren negentig een (ongepubliceerde) roman over heeft geschreven. Het is allemaal niet zo proper, wat daar gebeurt. Maar laten we niet klagen, het gaat immers beter met me! Pilletjes en drankjes zullen ongetwijfeld een rol spelen in mijn genezingsproces, maar vanochtend bij het ontbijt was het toch vooral de opgewekte, sensuele stem van Cat Power die me een shot adrenaline heeft gegeven, vooral met het aanstekelijk ritmische Could We en eveneens met het wat droevige liefdesverdrietliedje Empty Shell, want dat spreidt al evenzeer een positieve gestemdheid ten toon – en in After All wordt zelfs gefloten. 


Ondertussen las ik in de krant dat de meeste superrijken het voorbije jaar nog rijker zijn geworden. Er zijn nu volgens Forbes 793 dollarmiljardairs, 102 meer dan een jaar geleden. Bill Gates is de rijkste. Ik zit hem op dit ogenblik nog wat rijker te maken. Hij ziet er trouwens ook niet echt gezond uit. In Geert Maks ‘In Europa’ las ik dan weer dat de krant de Deutsche Allgemeine Zeitung op 8 november 1923 60 miljard mark kostte. Als we Bill Gates in de teletijdmachine stoppen en terugzoomen naar die rampzalige dag kan hij met zijn 50 miljard dollar niet veel meer doen dan een gazet kopen; een paar warme pantoffels, dat zit er niet in.

Tekening: Georg Grosz

08-03-06

AMERIKAANSE IKONEN


john wayne 2

Mijn zin om uitgebreid te schrijven over het Amerika van de geest is groot. Want eigenlijk ben ik daar opgegroeid: bijna voortdurend heb ik geleefd in een Amerika van de geest. Als kind was ik een pionier, een Amerikaan van de eerste generatie, die zijn grens bleef verleggen in de richting van het Westen, tot hij de Stille Oceaan bereikte. (Overigens is de Stille Oceaan helemaal niet stil, Jack Kerouac heeft zeer mooie pagina’s gewijd aan het geluid van die oceaan in Big Sur…). Als kleine jongen vocht ik samen met Davy Crockett tegen de onverbiddelijke natuur, tegen de vreemde machten van dat onpeilbare, moeilijk toegankelijke, immense land, en natuurlijk tegen de oorspronkelijke bewoners, de Indianen. Soms was ik zelf de Indiaan, op het jachtveld of in een reservaat: Crazy Horse, Sitting Bull, Geronimo, vooral Geronimo. En natuurlijk werd ik ook verliefd op Pocahontas, en op Grace Kelly in High Noon. Maar veel vaker was ik de onverschrokken blanke held: Kit Carson (in werkelijkheid een smeerlap, maar dat wist ik hoegenaamd niet), Buffalo Bill Cody, Wyatt Earp, Billy the Kid, Jesse James, enzovoort. Ik stelde mij deze helden en antihelden, deze sheriffs en outlaws, voor met de gezichten van Alan Ladd en Gary Cooper, met de lijzige stem en altijd wat verbaasde blik van James Stewart of met de onschuld van Gregory Peck. Nooit was ik – in mijn gedachten – een booswicht, bijvoorbeeld een veedief. Een psychopathische moordenaar als Billy the Kid was voor mij een held die de rijken beroofde en zijn buit onder de armen verdeelde, een ‘Robin Hood’. Heel uitzonderlijk was ik een Noordelijke soldaat. Ik hield echter niet zo van die uniformen. John Wayne kon me nauwelijks bekoren. Later, toen ik westerns beter begon te 'begrijpen', door bijna dagelijks naar het Filmmuseum te gaan en erover te lezen in Cahiers du Cinéma, werd the Duke voor mij een van de grootste acteurs, los van zijn politieke overtuiging natuurlijk. De beste western is zonder twijfel The Searchers van John Ford.

Het Amerika van de geest dus. En ik heb het nu alleen nog maar over de 'cowboys' en de 'Indianen' gehad, niet over al de rest, die immense cultuur die me nog dagelijks bezighoudt, en waar ook onze cultuur deel van uitmaakt. Zo beschouw ik Andy Warhol als een echte Europese kunstenaar en Paul Auster als een echte Europese auteur. Ik moet deze beschouwing nu beëindigen wegens de opkomende vermoeidheid. Het eeuwige gevecht, niet tegen de Indianen, maar tegen de ziekte. Ach ja, het verlangen Indiaan te worden…

03-03-06

TEENBEAT EN DE GEUR VAN DE UNDERGROUND


tiq 4 februari '67


De voorbije nacht lag ik te denken aan mijn oude muziek- en undergroundtijdschriften uit de jaren ’60 en begin jaren ‘70, voor het merendeel verwoest door waterschade, toen ik in een vochtig appartement woonde in Antwerpen in de glamoureuze jaren ‘80. Hoe belangrijk die tijdschriften voor me waren! Ik geloofde zo ongeveer alles wat er in stond, alsof het de uitspraken van profeten of evangelisten waren. Mijn ouders, mijn leraars wisten niets. De waarheid was in die flitsende artikels te vinden over carnaby street, Italiaanse brommers, revolutionaire cassetterecorders, de pil, mellow yellow, masturberen, de schoonheid van een bloot meisje, muziek van cowboys en easy riders, de veelkleurige droomwerelden van lsd-trips en de bizarre symboliek van underground films.

Hoe blij alleen al de geur van zo’n blad mij kon maken als ik het net gekocht had op een zonnige zaterdagmiddag in ‘mijn’ krantenwinkel in Maastricht, en later in de Free Press Book Shop in de Brusselse Spoormakerstraat. In mijn tienerjaren was ik verslaafd aan Juke Box, Muziek Express, Pop Foto, Muziek Parade. Dat waren eigenlijk vrij vulgaire fanblaadjes, zonder veel inhoud, tenzij je wilde weten welke de favoriete kleur van Brian Jones was. Daarna, vanaf 1966 veranderde de situatie grondig. Eerst met Teen Beat, Tiq, Taboe en Twen en daarna met Hitweek en vooral met Witheek, Aloha, It, Zig Zag, Crawdaddy, Rolling Stone. Het ging toen niet alleen meer over popsterren en hun voorkeuren, maar over onderwerpen zoals ik hierboven al opsomde, maar ook over utopieën, nieuwe manieren van leven en communiceren. Over de revolutie, die zeker zou komen. Er verschenen ook heel wat gestencilde provotijdschriftjes, zoals Lynx, en ik gaf er zelf ook een uit dat eerst Testament heette en later Subterranean. Rolling Stone ben ik vrij lang blijven lezen, niet alleen voor de muziekbijdragen maar ook voor de uitstekende artikels over Amerikaanse politiek, van gerenommeerde auteurs als Hunter S. Thompson, Tom Wolfe en Greil Marcus. Voor een groot deel bepaalde wat daar geschreven stond mijn wereld, ik twijfelde zelden aan de mening van deze en andere publicisten, zoals Jan Donkers in Nederland, die mij tot Gram Parsons en Hank Williams heeft ‘bekeerd’, waar ik hem nog altijd zeer dankbaar voor ben. Er blijven nog wel wat sporen over van die tijdschriften, in bepaalde opzichten ben ik er blijvend door beïnvloed, maar veel is het niet. De tijdschriften zijn tot pulp vergaan, de ideeën die erin werden verkondigd zijn achtergebleven in de gouden dagen. Rolling Stone lees ik niet meer sinds de jaren ’80, toen hoofdredacteur Jann Wenner er een yuppietijdschrift van heeft gemaakt. De Britse bladen zoals New Musical Express en Melody Maker hebben me nooit echt kunnen bekoren, vooral vanwege hun afzichtelijke lay-out. Om op de hoogte te blijven van wat er zoal gebeurt in de populaire muziekwereld lees ik nu toch weer Britse magazines, zoals Mojo en Uncut, maar helaas zien ze er nog altijd even onaantrekkelijk uit. Waarschijnlijk gaan de uitgevers er nog altijd van uit dat populaire muziek voor de ‘lagere klassen’ is en dat je die alleen kunt verleiden met wansmaak. Terwijl het net de intellectuelen zijn die meestal zulke slechte smaak hebben. Of heb jij al ooit eens een goed geklede intellectueel gezien misschien?

02-03-06

DE AFWEZIGHEID VAN ORPHEUS


orpheus


Misschien is de ondertoon van wat ik schrijf melancholie. Dat is goed mogelijk. Ik geloof echter niet dat ik depressief ben, dat mijn teksten depressief zijn, of dat ik de potentiële lezers ervan depressief wil maken. Ik geloof zelfs dat ik een optimist ben, zij het op enigszins verdoken wijze. Vaak denk ik dat het allemaal beter zal worden, ook al kijk ik in de spiegel en zie ik mijn aftakeling. Wat er gebeurt is dat ik die aftakeling aanvaard. Ik geef toe: niet altijd, lang niet altijd. Heel dikwijls denk ik, bijvoorbeeld, dat ik achttien ben of zevenentwintig, tegen beter weten in. Plots maakt zich een gevoel van onoverwinnelijkheid van me meester. Dat zijn werkelijk gevaarlijke momenten. Door aan zulke gevoelens toe te geven creëer ik mijn zeer persoonlijke hel. Die hel is altijd in mij aanwezig, als een roofdier dat op de loer ligt om mijn vlees te eten, als een nachtbruid die me wil verleiden om me vervolgens in de goot te laten liggen vloeken en spugen. Het is een grillige, angstaanjagende ruïne, in volle opbouw; het zijn geen architecten, maar folteraars en beulen die ze construëren. Binnen haar muren geldt maar één wet en dat is die van het lijden.
De voorbije dagen heb ik er mij eens te meer, ten prooi aan ontspoorde euforie, in laten afglijden, want het is in de diepte dat je gaat, als je daarnaartoe gaat. Die donkere weg leidt nooit omhoog. Ik weet echter niet of de weg omhoog niet even gevaarlijk, even donker, even pijnlijk is. De weg omhoog sla ik niet in. Ik kan niet goed klimmen, raak snel buiten adem. Maar afdalen… Zo vaak…Wat heb ik daar te zoeken? Ben ik mijn Euridyke kwijt?

Nur deinetwegen, schöne Eurydike,
preise ich meine Qualen:
Denn nach dem Leid wird man glücklicher
und nach den Schmerzen fröhlicher.

Neen, mijn Euridyke zoek ik daar niet. Het is iets anders, iets ingewikkelds, een ‘film noir’ met zeven subplots; ik kan er niet over schrijven. Overigens, als ik haar daar zou vinden, zou ik haar niet mogen bekijken, en wat heb je er dan aan? Neen, ik kan er niets over kwijt. Malcolm Lowry heeft dat op perfecte wijze gedaan. Daar is niet veel aan toe te voegen. Je hoort er ook over spreken – neen, klagen - in de eenvoudige songs van Hank Williams en de rauwe blues en gospel van Blind Willie Johnson

Lord, I just can't keep from crying sometimes
Lord, I just can't keep from crying sometimes
When my heart's full of sorrow and my eyes are filled with tears
Lord, I just can't keep from crying sometimes

Je moet wel die ‘bezeten’ stem horen, zoals ze werkelijk klinkt. De woorden alleen stellen niet veel voor. Er zijn geen woorden voor de eigen hel. Misschien kun je die donkere wereld alleen maar in de spiegel zien, op bepaalde heldere dagen. Misschien had Wittgenstein gelijk, met zijn uitspraak, die ondertussen zo’n cliché is geworden. Ik wilde er helemaal niets over zeggen. Maar hoe moest ik mijn afwezigheid dan verklaren?

24-02-06

DROEVIGE FIGUUR AAN DE JAREN 80 ONTSNAPT

 

80,jaren 80,hartspecialist,hart,twijfel,zelfvertrouwen,geneesmiddelen,politiek,sancho panza,don quichot,schrijven,ademkristal,muziek,liedjes

Ik heb nog steeds weinig zelfvertrouwen. Een bijzonder vriendelijke hartspecialist zei me onlangs, na een grondig onderzoek waaruit bleek dat er niets aan de hand was met mijn hart, toch niets van vleselijke aard, beste vriend, zei hij, er is niets aan de hand met uw hart, uw probleem is uw gebrek aan zelfvertrouwen. Gij zijt te onzeker, gij twijfelt teveel. De man had ongetwijfeld gelijk. Ik schrijf nu wel ‘ongetwijfeld’, maar toch twijfel ik een klein beetje, omdat dat moet. Twijfelen, man! Vroeger, in de jaren ’80 bijvoorbeeld, was dat gebrek aan zelfvertrouwen veel groter. Ik was zo weinig zeker van mezelf dat ik er bang voor was dat zelfs mijn hart niet op eigen kracht kon doorgaan met kloppen. Ik heb toen zeven jaar lang een zeer ongezond geneesmiddel geslikt dat geheel overbodig was en vermoedelijk veel schade heeft aangericht. 


In die periode heb ik wel veel – onbewust - amphionische wandelingen gemaakt. Wat dat betreft waren de jaren ’80 mooie jaren. Maar veel meer dan gewandeld – en soms wat gedanst – heb ik in die tijd niet gedaan. Er was niets te doen. Je kon je alleen maar boos maken op Reagan, Thatcher, Verhofstadt en Martens. Wat is die Guy Verhofdstadt veranderd sindsdien! Stilaan wordt hij een positieve held, een linkse liberaal, een verlichte humanist, een boekenlezer. Misschien maakt hij, el caballero de la triste figura, wel amphionische wandelingen, hand in hand met Sancho Panza.

Blues stay away from me.

Zomaar het potlood nemen en niet weten wat schrijven. Je presenteert je soms wel als schrijver, maar ben je dat wel? En heeft het belang. Je moet alvast veel moeite doen om een zin te noteren, om het ene woord achter het andere geplaatst te krijgen. Je bent bedachtzaam. Er is leegte, drukkende vermoeidheid die je met je hoofd tegen het bureau drukt. Je voelt de aandrang om te schrjven maar daartegenover staat vaak grote lusteloosheid en een gebrek aan ideeën. Je houdt van woorden, zinnen, beelden, cinema. Ademkristallen, om dat woord nog maar eens te lenen.

Ma chagrin vient à ma fénêtre…Je kent dat gevoel wel: met zo’n witte tong uit bed komen en vloeken tegen je vrouw.

Nothing’s gonna change my world. John Lennon. Kan het nog mooier?

21-02-06

SCENES UIT HET SCHIPPERSLEVEN


pa & ma


Om even te ontsnappen aan deze sombere februaridag keer ik even terug naar het Berlijnse café Oranium en ik drink ik in mijn gedachten van dat lekker Tsjechisch bier van het merk Krusevice, 50 cl voor 3.50 €. Het is een mooie augustusavond geworden. Waar hebben Laura en ik het over? Over het wonder dat Berlijn heet, een van onze uitverkoren steden, over het vele groen in de stad, over de verbluffende en avontuurlijke architectuur, over het bijna perfecte openbaar vervoer, over het Oosten en het Westen, over de ongedwongenheid, over de openheid voor elk verschil.

Maar dan raakt ons gesprek op een zijspoor: de familie, mijn familie rukt zich los uit de schaduw. Of gaat het eerder om een hoofdspoor? (Ik denk nu aan een song van the Rolling Stones, ‘Have You Seen Your Mother, Baby, Standing In the Shadow? De toen graag provocerende heren hadden zich voor de foto op het hoesje als vrouwen gekleed en geschminkt, waarbij ten minste één van hen in een rolstoel zit.)


Van de rijnaken – wij noemden dat schepen - van grootmoeder langs moederskant herinner ik me alleen nog de Honorine, die naar haar, mijn grootmoeder was genoemd. Mijn grootmoeder leed aan astma, maar was desondanks energiek.
De Rocco, het schip van mijn ouders, dat zij na lang zwoegen hun eigendom mochten noemen, was toen zij de binnenscheepvaart voor bekeken hielden niets meer waard. Zij hadden het genoemd naar Rocco Granata of naar ‘Rocco en zijn broers’, een film met Alain Delon (want mijn ouders gingen graag naar de ‘cinema’, elk dorp had er toen nog wel één, maar meestal gebeurde dat toch in Antwerpen).

Ik weet niet hoeveel miljoen Belgische franken ze in het schip hadden geïnvesteerd; de Belgische overheid was bereid hen een oprotpremie van honderdduizend frank uit te betalen als ze ermee ophielden. Dat deden ze dan maar. Het schip verkochten ze als oud ijzer. Dat was in het begin van de jaren ’70 van de vorige eeuw: de eerste grote energiecrisis, de heerlijke autoloze zondagen, Roxy Music en David Bowie. Na 25 jaar schipperen hield mijn vader ermee op, hij werd arbeider, ging werken in een sloperij (waar ook het schip van mijn ouders werd gesloopt).

Mijn ouders waren lange tijd zelfstandigen geweest. Ze hebben nooit geld geleend. Als ze al iets kochten, betaalden ze dat met baar geld. Mijn vader schafte zich zijn eerste auto aan in 1957 of daaromtrent, het was een zwarte Ford Zephyr; ik vond het een prachtige auto. Later ruilde hij hem in voor een witte Ford Consul DeLuxe, die was nog mooier, nog hipper. Een televisietoestel kwam er pas in 1963 of 1964.

In de korte periode toen mijn vader het plan had opgevat een bungalow te kopen in Neerharen liep ik met een lekker gevoel rond. Het is bij vage plannen gebleven, mijn moeder was er tegen, zij dacht dat ze nooit zou kunnen wennen aan zo’n dorp. Zij was de scheepvaart gewoon, of anders de metropool Antwerpen, waar haar zussen en haar broer woonden. Zelf droomde ik van een leven aan de wal, ik wilde geen schipperszoontje zijn. Ik wilde niet anders zijn dan de anderen.

Het was de tijd dat ik Edgar Allan Poe gaan lezen. Ik had een exemplaar van ‘Zoek het eens op’ gekregen van Sint-Nicolaas, op de nieuwe schippersschool in Eisden. De vader van Jos, mijn vriend die veel later ‘zelfmoord’ pleegde, was er directeur. Het was een minzame man. Onlangs zat er overigens een uitnodiging voor een reünie van de alumni van die school in de bus. De bijeenkomst was op dat ogenblik al twee weken voorbij: de post werkt traag in Anderlecht. Brussel is volstrekt corrupt. Het is de vuilste grote stad van de wereld, omdat de meeste politici hier ofwel corrupt ofwel machtsgeil zijn. Zij liggen niet wakker van de ‘derdewereldstraten’ en de stront op de trottoirs, van een mank lopend openbaar vervoer met uiterst onbeschoft personeel, van de pisbakstations, van de grijze, half ingestorte huizen (waar Les Fleurs Du Mal goed gedijen), van de stadskankers, van de afwezigheid van rustige, groene plekken en veilige buurten. Brusselse politici zijn enggeestiger dan dorpspolitici. (Er zijn natuurlijk uitzonderingen, zoals Pascal Smet, die de taximaffia wil aanpakken en een groot zwembad wil laten aanleggen.) In dat exemplaar van Zoek het eens op stond een kort artikel over de schrijver van Annabelle Lee en The Fall Of the House Of Usher. Die geschiedenis heb ik hier al eens uit de doeken gedaan. Maar wat geeft het, herhaling houdt ons in leven. Er stond een prentje bij. Donkere priemende ogen. Poe had mijn hart veroverd. Was mijn ziel verkocht aan de duivel? Ik bestelde de verhalen van Poe, samen met werken van Alexandre Dumas en Victor Hugo via de post.

Mijn vader was een boerenzoon. Toen ik geboren ben had hij al bijna geen naaste familie meer. Zijn moeder was al dood. Waarschijnlijk had ze te veel afgezien als dienstbode in het kasteel van Hocht. Misschien was ze er wel verkracht door een baron of een stalknecht. Mijn grootvader ken ik niet. Er werd niet over gesproken. Niemand weet zogezegd wie die man was. Niemand heeft het ooit geweten. Ik ook niet. Misschien ben ik van adel, of ben ik een afstammeling van een ‘lagere soort’. Zoon van een dienstbode, zoals August Strindberg. Mijn levensgezellin en haar broers en zussen beweren dat zij van adel zijn. Hun vader was ook een natuurlijk kind. Vreemd hoe wij ons eigen verleden gaan zoeken in de anderen. Ik heb me altijd aangetrokken gevoeld tot het theater van Luc Perceval, al van in het begin. Toen wist ik nog niet dat hij een schipperszoon is. Mij maakt het niet uit of ik van adel ben. Ik dacht dat die mensen allemaal hun hoofd hadden verloren tijdens het schrikbewind, maar kennelijk is dat niet zo. Ik heb alvast nog een hoofd en mijn bloed is rood, zoals dat van de meeste ‘bloedmooie meisjes’ waarop hier in een commentaar werd gealludeerd. Ik vind bloed niet mooi. Rood echter wel. Als bloed geen bloed was zou ik het heel mooi vinden. Mijn vader was een mijnwerker, in de koolmijn in Eisden-Cité. Inmiddels is die al lang gesloten. Ik hield van de omgeving van de mijn, speelde graag cowboy en soms indiaan, in navolging van Brut Lancaster in ‘Broken Arrow’, op de ‘terrils’. Daar vond ik ook magisch glinsterende stenen, waarvan ik dacht het goud was. Ik had er een Hollands vriendinnetje dat heel graag liet zien hoe ze plaste. Het duurde even voor ik begreep wat dat betekende, ‘plassen’. Wij noemden dat ‘pissen’. Ik zie het meisje nog altijd bukken, terwijl ze naar me kijkt, en duidelijk met veel plezier, zo voor me gehurkt de zwarte aarde bevochtigt met haar goudgeel vocht. Een goudgeel mooi meisje!

Mijn vader ontmoette mijn moeder tijdens de oorlog op de kermis in Neerharen. Ook daar heb ik nooit veel over gehoord. Bestond er toen al een rups? Kort daarna zijn ze getrouwd. Twee zeer verschillende werelden doorkruisten elkaar. Eén zijn ze nooit geworden, denk ik, maar ze zijn wel vijftig jaar samengebleven, tot de dood hen scheidde. Ik denk niet dat mijn vader een gelukkige jeugd heeft gekend. Hij heeft er me nooit over verteld en er was ook niemand aan wie ik er iets over kon vragen. Zijn nicht Berb en haar man waren zeer zwijgzaam. Zijn tante, die Moe werd genoemd, was catatonisch. Ze kleedde zich altijd in het zwart als een Italiaanse weduwe en kwam nooit uit haar ‘crapaud’. Haar rechterhand omklemde steeds een kleine portemonnee en een rood zakdoekje, alsof ze elk moment in tranen kon uitbarsten, hoewel ik dat nooit heb zien gebeuren. Mijn vader had heel wat vrienden in Neerharen. Goede mensen. Ze kenden elkaar uit het verzet. Op het einde van zijn leven deed mijn vader niets anders meer dan andere oud-strijders en mannen uit het verzet gaan ‘begraven’. De overgebleven oud-strijders speelden tot in het ruggenmerg doorzinderende muziek op de begrafenis van mijn vader. Ik heb daar kort na de begrafenis een gedicht over geschreven, met als titel ‘dorpstafereel’:

's Morgens in de vroegte
als het blauw begint
zetten oude mannen met medailles
hun lippen aan het koper.


Ze lijken van ver te komen
als zij het enige vredeslied blazen,
ze staan daar omdat het zo moet
onder de zon die ieders rug breekt.

Hij is verast, dat wilde hij zo. Ik had hem veel liever in de grond geweten, met een mooie grafsteen erboven. Een dode mens hoort in de grond. Niet in een kastje in een grijze muur. Ik wandel graag op kerkhoven. Brussel heeft mooie kerkhoven, oorden van rust en dagdromen. Die zijn nog niet afgebroken, die kerkhoven Er rijdt zelfs een bus met als bestemming Cimétière de Bruxelles / Kerkhof van Brussel. Hoewel ik weinig weet over mijn vader, zou ik veel over hem kunnen vertellen. Toen ik klein was zag ik hem als een held. Maar hij was geen held. Hij heeft bijvoorbeeld nooit iets opgeblazen. Hij heeft nooit een nazi doodgeschoten. Ratten, ja, dat wel. Hij heeft heel wat ratten doodgeschoten.

Ik begrijp dat ik meer moet vertellen over mijn vader. En over mijn moeder. Over die kant van de familie. Daar zijn zoveel verhalen over. En mijn broer, en mijn nicht in Canada. Een kleine familie, maar dapper! Ik heb nog veel tijd nodig, en veel woorden, en weinig dementie en al helemaal geen Alzheimer.

14-02-06

PORTRET VAN DE KUNSTENAAR ALS POSEUR (INTERVIEW 1982)

westerns,regisseurs,pop,popcultuur,reizen,radio,schrijven,muziek,boeken,1982,antwerpen,dansen,films,interview,martin pulaski

Nicolas de Staël

Wegens ziekte, zielszwakte en een hoofd dat naar het oorkussen van de duivel snakt, is deze winkel toe. Om mijn geliefde klanten toch niet met lege handen naar huis te moeten sturen en hen op die manier met de zinloosheid van het bestaan te confronteren, bied ik hen een oud artikel aan, teruggevonden in stoffige, nog net niet weggeknaagde archieven. Het gaat om een interview met mezelf, Martin Pulaski, uit het jaar 1982. Ik ben nog jong en naïef; elke zaterdag ga ik dansen vanaf middernacht tot de dag aanbreekt. Ik wandel langs de Scheldekaaien of in de buurt van de Entrepot en de oude dokken. Mijn dieet bestaat uit films, letteren, muziek, liefde, toevallige ontmoetingen en aardappelen met uien. Af en toe doorgespoeld met een glas Nuits-Saints-Georges of Old Granddad Kentucky Bourbon. Ik begin met een muziekprogramma op radio centraal, een lokale zogenaamd anarchistische cultuurradio in Antwerpen. De verschrikkelijke Reagan is net president en the right honourable Margaret Thatcher, wellicht de meest gehate vrouw aller tijden, is ook nog maar net begonnen aan haar carrière als voorgangster van Tony Blair. Om maar een idee te geven. Foto’s uit die periode vind je hier. Je zal wel even moeten zoeken. Het vreemde is dat ik geen woord aan dat verdomde interview moet veranderen. Dat ik alles wat ik toen beweerde en vereerde nog steeds beweer en vereer. Wat zegt dit over mezelf? Ben ik stil blijven staan of heeft datgene waar ik van hield een soort van eeuwigheidswaarde? Neen, ik geloof niet dat ik stil ben blijven staan. Het zal eerde dat laatste zijn, hoewel ‘eeuwigheidswaarde’ relatief is, ‘sub specie aeternitatis’. Er zijn sinds 1982 natuurlijk nieuwe mensen, nieuwe dingen in mijn leven gekomen. Ik weet minder maar ook meer, minder omdat mijn zintuiglijkheid is afgenomen, meer omdat ik grondig heb geleefd. Ik heb vooral veel meer van de wereld gezien. Meer commentaar zal ik niet geven. Dit is het intverwiew:

Wat is je favoriete kleur ?

Rood. Geel vind ik ook mooi, maar die kleur associeer ik te zeer met waanzin. Denk maar aan Van Goghs geel. Ook oker is een bijzondere kleur. En het blauw van Yves Klein.

Welk gerecht vind je het lekkerst ?

Een Italiaans gerecht: Osso Bucco. Mijn geliefde kan het heerlijk toebereiden. Spaghetti kan heerlijk smaken, maar lang niet altijd. Mosselen met friet. De Franse keuken is meer iets voor de Fransen, en voor mensen die alles 'excellent' vinden wat van bij de Fransen komt. Met hun stokbroden en hun roomsauzen en hun foie gras! Ik heb trouwens iets tegen Camembert. Hoe kun je zo'n onwelriekend goedje eten ?

Hou je van dieren ?

Ja, maar alleen als ze vrij zijn in de natuur of wat daar nog voor doorgaat. Voor huisdieren ben ik allergisch: voor katten, honden en vooral voor duiven. Duif met druiven is overigens een lekker gerecht. Misschien ben ik wel allergisch voor olifanten, maar daar kan ik geen uitsluitsel over geven. De interessantste dieren vind ik de reptielen en de dieren in de fabels. Lees er Ramon Llulls 'Libre de meravelles' uit 1288 maar eens op na.

Hou je van reizen ?

Ik doe niets liever. Helaas zit ik meestal thuis. Om te reizen heb je namelijk geld nodig en dat heb ik niet. Dus reis ik maar in mijn dagdromen (en in mijn nachtdromen). Soms troost ik mij ook wel wat met het opsommen van alle ongemakken die aan het reizen verbonden zijn. Dat zal ik nu niet doen. Wel wil ik nog even de namen van mijn favoriete reizigers vermelden: Des Esseintes en Raymond Roussel.

Ga je graag naar de bioscoop ?

Film is mijn eerste liefde. Ik zou elke dag in het donker van de cinema kunnen doorbrengen.

Heb je een voorkeur voor bepaalde regisseurs of voor een bepaald genre ?

Als genre gaat mijn voorkeur naar de western. Het is de enige mythe die overblijft in onze westerse maatschappij. De mythische personages uit de westerns zijn voor mij belangrijker dan Griekse helden als Perseus of Medea. De westerns van John Ford zijn de beste, met name 'The Searchers' is een meesterwerk. Maar die van Anthony Mann mogen er ook zijn ('Man of the West', 'The Tin Star'). Een schitterende western is 'Shane', van George Stevens, met Brandon DeWilde en Alan Ladd. Alan Ladd was trouwens de grote held uit mijn kinderjaren. Nu blijkt dat hij een hele kleine man was, die altijd op hoge hakken liep, maar dat kreeg je gelukkig niet te zien in zijn films.Ik ben al even verslingerd aan gangsterfilms, of 'films noirs' of hoe je ze ook wilt noemen. Een goed voorbeeld daarvan is 'White Heat' van Raoul Walsh, met James Cagney: "I'm on top of the world, ma", het Oedipuscomplex ten top gedreven. Nicholas Rays 'They Live By Night' is een schitterende film. Er zijn natuurlijke uitstekende Franse 'films noirs' gemaakt, onder meer 'Touchez pas au Grisbi' van Jacques Becker. Om te weten wat die 'grisbi' is moet je de film hebben gezien of een Franse gangster uit de jaren 50 zijn. Ik ga dat nu niet verklappen. Verder is 'Du rififi chez les hommes' van Jules Dassin zeker nog het vermelden waard. En de films van Jean-Piere Melville natuurlijk, ‘Le doulos’, ‘Le Samouraï’.
Mijn favoriete regisseurs zijn overigens Fransen: Jacques Rivette, Jean Renoir, Marcel Carné, en vooral Jean-François Adam (die vreselijk morbide films heeft gemaakt) en Jean Eustache. Ze heten bijna allemaal Jean. De laatste twee hebben zelfmoord gepleegd. Wij leven in een wrede wereld.Een aantal films buiten categorie moeten hier zeker genoemd worden:

'Badlands' van Terence Malick, 'North By Northwest' van Hitchcock, 'Vampyr' van Dreyer, 'La chute de la maison Usher' van Epstein, 'Don't Look Now' van Nicholas Roeg, 'El Angel Exterminador' van Buñuel, 'Taxi Driver' van Martin Scorsese. De beste zal ik nu wel vergeten zijn. Ach ja, natuurlijk: zowat alle films van Fassbinder, Wim Wenders, Pier Paolo Pasolini en Bernardo Bertolucci.
Mijn favoriete actrices zijn op dit ogenblik Delphine Seyrig, Jeanne Moreau, Juliet Berto en Angie Dickinson. Acteurs: Ernest Borgnine, Karl Malden, Jean-Pierre Léaud, Marlon Brando en Richard Burton. Met uitzondering van Jean-Pierre Léaud hebben ze stuk voor stuk in abominabele films gespeeld. En een acteur die ik eigenlijk verafschuw, Jean Gabin, heeft in meesterwerken als 'Le jour se lève' gespeeld. Je kunt je daar dus niet op baseren bij het beoordelen van een film. Je moet een film ook niet beoordelen. Je moet hem ondergaan. Je moet ervan genieten. Critici en recensenten kunnen we missen als kiespijn.

Word je bij het schrijven beïnvloed door film?

Ik denk het wel. Onbewust zeker wel. In mijn proza wordt nogal eens verwezen naar bepaalde films, of bepaalde scènes en beelden uit films. Sommige van mijn gedichten vinden hun oorsprong in een film. In een sterk beeld van Nicholas Roeg bijvoorbeeld.

Naar welke muziek gaat je voorkeur ?

Ik houd van pop. Maar wat bedoel ik daar mee? 'Pure pop for now people' zegt Nick Lowe met enige ironie. Pop komt zoals iedereen weet van populair. Het is dus een zeer breed genre. Soms wordt een onderscheid gemaakt tussen rock en pop. Pop is voor zulke mensen dan het lichtere genre: Sandie Shaw, Cliff Richard, Bonie M, Blondie. Ik maak dat onderscheid niet. Rock is een onderdeel van de populaire muziek. Blues, rhythm & blues, soul, country & western, bluegrass, folk en zelfs jazz horen daar ook bij. Je zou bepaalde klassieke composities al net zo goed pop kunnen noemen, mazurkas en polonaises van Chopin, Gymnopédies van Erik Satie en zo. Een levend bewijs voor mijn theorie is James Osterberg. Zijn 'artiestennaam' is niet Iggy Rock maar Iggy Pop. Toch maakt hij allesbehalve popmuziek in de enge betekenis.Elvis Presley zal wel altijd mijn held blijven, hoezeer ik ook tegen heldenverering ben gekant. Elvis is eigenlijk ook een mythische held, zoals Shane in de gelijknamige film. Waarom zou ik me daar tegen verzetten? Die man (of die mythe) legt niemand iets in de weg. Bedriegers en leefhoofden als Ronald Reagan, Margaret Thatcher of Guy Verhofstadt, met hun politiek voor de twee procent rijken van de wereld, de woekeraars en vampiers die ons bloed uitzuigen, en vooral het bloed van degenen die in de ‘ontwikkelingslanden’ overleven, dat zijn de vijanden van de samenleving. En de smeerlappen die achter de schermen werken, van wie we de namen niet kennen maar die het volk onderdrukken en die niet terugschrikken voor foltering en moord, allemaal voor macht en bezit. Dat zijn de ware vijanden. Niet Elvis Presley en ook niet Tom Jones, Will Tura of Anneke Grönloh.
De eerste singles van The Who waren fantastisch: 'Anyway, Anyhow, Anywhere', 'My Generation', 'Substitute'. The Kinks met 'Waterloo Sunset'. Zowat alles van Bob Dylan. The Velvet Underground was uniek: Lou Reed, John Cale, Sterling Morrison, Maureen Tucker en Nico. Grote persoonlijkheden (Sterling en Moe iets minder groot); een unieke sound, die nooit zal overtroffen worden. Van Captain Beefheart kan hetzelfde worden gezegd. Hij is een van de weinige genieën in de popmuziek. Hij heeft nooit ergens rekening mee gehouden, met geen enkele mode of trend. Van de zogenaamd zwarte muziek wil ik Aretha Franklin noemen, Irma Thomas, Howlin' Wolf, Muddy Waters en Jimmie Reed.
Hank Williams, George Jones en Tammy Wynette bewonder ik zeer. Je mag niet bewonderen, zegt Sartre. Waarom zou ik niet mogen bewonderen? Sartre is zot. Nu vind ik the Fall erg goed, Public Image Ltd., Talking Heads, Pere Ubu, the Buzzcocks, the Jam, Joy Division, Lydia Lunch.

westerns,regisseurs,pop,popcultuur,reizen,radio,schrijven,muziek,boeken,1982,antwerpen,dansen,films,interview,martin pulaski

Lydia Lunch

Je mag het tegenwoordig niet luidop zeggen, want dan ben je een ‘ouwe hippie’, maar de jaren '60 waren het nirvana van de popmuziek: Jimi Hendrix Experience, The Byrds, Love, Buffalo Springfield, Moby Grape, Pink Floyd, Beach Boys. Het was het decennium van de popgroep. Heel wat minder bekende groepen hebben toen prachtige singles en LP's gemaakt. En natuurlijk had je toen ook de Phil Spector Sound, Motown en Stax. The Beatles en The Rolling Stones.
In de jaren '50 had je de unieke Sun Sound van Sam Phillips: Elvis, Carl Perkins, Jerry Lee Lewis, Charlie Rich, Johnny Cash en Roy Orbison. Maar ook Howlin' Wolf, Little Junior Parker en Rufus Thomas namen platen op in de Sun-studio in Memphis. Dat is nog altijd allemaal even schitterend. Ray Charles mag ik ook niet vergeten. Ik moet toegeven dat ik soms zelfs plaatjes draai van Gene Vincent, Ricky Nelson en Del Shannon. Over Connie Francis zal ik maar zwijgen.


Ben jij eigenlijk wel geïnteresseerd in Schone Kunsten !

Dat is onzin, die benaming. Maar je bedoelt het waarschijnlijk ironisch, niet? We hebben in ieder geval niet voldoende tijd om hier te gaan definiëren wat kunst is. Overigens, kun je dat wel definiëren? "All art is quite useless" zei Oscar Wilde. Ik ben het daar volkomen mee eens. Hoe nuttelozer, hoe beter. Ik houd het meest van schilderkunst. Beeldhouwkunst zegt mij niet zo veel. Op dit moment bewonder ik Rothko (kleuren!), Nicolas de Staël, Francis Bacon, Richard Hamilton, Edward Kienholz. De grootste schilder vind ik Max Beckmann. Uiteraard mag ik de Oude Helden niet vergeten: Van Eyck, Velazquez, Rembrandt, Giotto, en het hoogtepunt van de renaissance schilderkunst: Tintoretto. Als je tijd hebt moet je in Verona, nadat je dag hebt gezegd tegen Romeo en Julia, eens naar zijn 'Musicerende Engelen' gaan kijken.

We hebben het nog niet over de letteren gehad...

Neen. En misschien is het heel wijs om daarover maar te zwijgen. Wat kun je zeggen over de literatuur? Het staat allemaal in de boeken. In die moeilijke werkjes van Philippe Sollers, Octavio Paz, Jacques Derrida, Jean-François Lyotard. Doorgaans zijn het Fransen die zich daarmee bezighouden. Die hebben mijn hoofd goed op hol gebracht, die mannen! Bij uitzondering vertoeft er wel eens een dame in hun midden. Julia Kristeva, bijvoorbeeld. Die is zelfs knap. Enfin, het staat allemaal in hun boekjes. Wat kun je daar nog aan toevoegen, zoals ik al zei.
De meeste schrijvers zijn aanstellers, leugenaars, would-be-mediafiguren. De meesten kunnen niet eens schrijven. Of ze hebben niets te vertellen. Zo van die leraar-schrijvers in wier leven niets is gebeurd, tenzij dat ene slippertje en dat glaasje teveel op een feestje of dat reisje naar Egypte met de flauwte bij de piramiden. Ik denk dat zij negen kansen op tien niet aangetast zijn door het virus, dat ze die doorn niet in het vlees hebben zitten, dat zij niet bezeten zijn. Dat moet niet, neen, maar ik vind het wel belangrijk. Het heilige vuur, werd dat vroeger genoemd. Maar dat 'heilige' mag er wel af. Ja, laat dat er maar af. Dat heilige. Je moet je spraakkunst kennen. Je moet wat woorden kennen. Je moet al eens een keer over iets nadenken. Je moet al eens in een ziekenhuis zijn geweest. Je moet al eens gevochten hebben. Je moet de zee hebben gezien. Al eens een keer een museum binnenstappen, met een kunstenaar praten, een film of een toneelstuk gaan zien. Een concert bijwonen. Al eens van gedacht veranderen. Een pakje sigaretten gaan kopen en pas twee jaar later terugkeren. Dat laatste is niet echt noodzakelijk. Zeker niet als je niet rookt. De dingen eens van een andere kant bekijken.
Een gekunstelde woordenschat en een doorwrocht verhaal zijn bijkomstig, het verlangen en de bezetenheid zijn essentieel. Dat impliceert uiteraard dat je bloed uitzweet en tranen laat als je een tekst maakt. Je schudt die niet zomaar uit je mouw.
Nu moet je vooral niet denken dat ik niet van schrijvers of van boeken houd. Ik houd van William Blake, August Strindberg, Percy Shelley, Marcel Proust, Rober Musil, Arthur Schnitzler, Herman Gorter, Nicolaj Gogol, Gustave Flaubert, Stendhal, James Joyce (zij het met een half hart en Finnegans Wake heb ik meteen in het rek gezet, dat is gekkenwerk), Franz Kafka, Heinrich Von Kleist, Friedrich Hölderlin, Friedrich Nietzsche, Antonin Artaud, Walt Whitman, Lautréamont, Carson McCullers, Arthur Rimbaud, Céline, Thomas Mann (hoewel), T.S. Eliot, Gerrit Achterberg, Lucebert, Martinus Nijhoff, Hendrik Marsman. Van tientallen anderen. Van mijn vrienden die schrijven (of schilderen of iets anders doen dat waardevol is).

Waarom schrijf je ?

Als ik dat eens wist. Ik schrijf omdat ik schrijven moet. Dat is één. En ik schrijf om sommige dingen die al gezegd zijn nogmaals te benadrukken. Ik heb er plezier in iets te zeggen dat ooit al is gezegd. Maar dan nog eens een keer. Dan horen de mensen het opnieuw, of liever, dan lezen ze het opnieuw. Dan gaat wat ik waardevol vind niet zo vlug verloren. Dat is twee. Ja, ik geloof dat ik vrij behoudsgezind ben. Maar dat moet je uiteraard niet politiek interpreteren. Meer kan ik er nu niet over zeggen. 't Moest kort blijven. Mijn tijd zit erop. Ik moet nog een hemd gaan kopen.

Tot daar het interview met mezelf uit 1982. Veel heeft het allemaal niet om het lijf, sub specie aeternitatis.

13-02-06

ZIEK EN MELANCHOLIEK


memphis blues

Vandaag geen nare tijdingen, geen wanhoopsuitingen, geen euforisch geleuter over melancholieke muziek, geen onsamenhangende mijmeringen over de betekenis van poëzie (in mijn leven), geen adolescent gedweep met actrices en zangeresjes, geen nutteloos protest tegen politieke lafheid, corruptie en machtswellust. Vandaag helemaal niets van dat alles. Vandaag ben ik ziek. Ziek en melancholiek

08-02-06

JOHNNY CASH EN DE TROOST VAN VREEMDEN

johnny cash,new orleans,barcelona,gevoelens,pop,popcultuur,bbc,sixties,flower power,vietnam,muziek,voelen

De voorbije week is er veel gebeurd, maar bijna allemaal buiten het hoofd en buiten de taal. Moet ik daarover dan zwijgen? Het is niet onzegbaar maar er zijn ook geen woorden voor. Ik vlucht liever weg in het verleden, naar de ellende van de jaren ’60, toen de oorlog in Vietnam woedde en de atoombommen net niet ontploften. Flower Power, noem ik dat soms nog wel eens, in een nostalgische bui. Maar iedereen weet wel beter. Toch hebben jonge mensen vaak de indruk dat in die dagen echt alles goed ging. The Beatles, the Rolling Stones, Bob Dylan, Living Theater, vrije liefde, Henry Miller, Ken Kesey, Twiggy, Mary Quant, Sharon Tate, Easy Rider, noem maar op. De manier waarop we ons kleedden, vooral dat wordt nu bewonderd. 

Voor mij persoonlijk was het een betere tijd omdat ik toen jong was en dromen had. Jong zijn is altijd beter. Je voelt je een uitzonderlijk iemand, een held, een genie. Wat later is de droom al voorbij. De spiegel ligt aan scherven. Zeven jaar ongeluk. En dan nog eens zeven jaar. De ellende van de liefde, het huwelijk, het broodverdienen. Geen troost te vinden op temptation islands. Die bullshit stelt immers niets voor. Er is alleen de naakte realiteit en de muziek. Zoals nu Chris Isaak, No I don’t want to fall in love with you. Had ik daar maar eerder naar geluisterd. Maar in die oude dagen van wijn en rozen was er nog geen Chris Isaak, toen was er Barry White! Neen, beter te zwijgen. Er zijn geen goede woorden voor wat ik voel en denken kan ik niet. Ik ga beter in bed liggen wachten op slaap. Stoppen met zelfbeklag.

Ik heb een mooie documentaire over Johnny Cash gezien, opgenomen van BBC. Als ik iets zou kunnen voelen zou ik tot tranen toe bewogen zijn geweest, maar ik kan niets voelen. De laatste keer dat ik iets gevoeld heb, was toen New Orleans bijna verwoest werd door het water. Toen heb ik geweend. In Barcelona voor het gebouw van Ludwig Mies Van der Rohe heb ik niets gevoeld. Alleen muziek soms, ja. De troost van de muziek. En de troost van ‘vreemden’. Sommigen van die ‘vreemden’ worden hierboven bij naam genoemd. Zijn dat nog wel vreemden, als sommigen van hen me elke dag meer dierbaar worden. Als sommigen van hen zelfs gevoelens bij me beginnen op te roepen? Ja, natuurlijk spreek ik mezelf weer tegen. Gevoelens, geen gevoelens. Neen, ik moet stoppen, zoals ik al zei. Onderduiken in het Blue Hotel. Op die troostende vreemden moet ik een andere keer dieper ingaan. Nu gaat het niet. Johnny Cash zit in mijn hoofd, en zijn vrouw June Carter, die hem van de drugs heeft afgeholpen. Van de bennies. En zijn liefhebbende dochter Rosanne zit ook in mijn hoofd. En Rick Rubin, die Johnny Cash een nieuw artistiek leven schonk toen de geldwolven van CBS hem aan de deur zetten. Die man met zijn lange baard zit ook in mijn hoofd. Er zijn goede mensen, zeker, en heel veel zelfs. Maar ik zie ze geloof ik alleen maar op televisie, of ik lees hun namen in de krant, zoals die van Werner Herzog, of hierboven, in mijn erelijstje, dat om de twee weken wat verandert. (De namen die verdwijnen houd ik wel bij!).
Onthouden: een van de volgende dagen moet ik het hebben over wat er de voorbije week is gebeurd en over de troost van vreemden die geen vreemden zijn.

22-01-06

VIJFENZEVENTIG MINUTEN EENZAAMHEID


Een meisje op de bank tegenover me leest Marquez. Ik bekijk haar even en dan dwalen mijn gedachten af naar de vrouwen van de wereld. Alle vrouwen die ik heb liefgehad en alle vrouwen die ik niet heb liefgehad. De vrouwen van wier bestaan ik niet weet en de vrouwen die niet weten van mijn bestaan. Mijn gedachten gaan naar de geliefde waarin een vijand schuilt. Een vijand begeer ik niet, ook al ken ik hem van binnen en van buiten. Hoe verdrijf ik hem? Een duivel uitdrijven is kinderspel in vergelijking. Maar bestaat een duivel? En bestaat een vijand in een geliefde?

Ik zie het meisje lezen, dan richt mijn blik zich binnenwaarts. Ik zeg geen woord.Ik kan geen zatte mannen verdragen. Mijn eigen zatheid maakt me dodelijk ziek.Ik kan geen gekken verdragen. Zij vinden de weg naar het water niet. Ik bedoel naar de rivier van het leven.

Er is een splinterbom ontploft. Een bom van talen, tekens, kleuren, een bom die niemand doodt maar duizend deuren opent. Een bom waarvoor wij allen schrikken en beven. Gesloten deuren stellen ons gerust. Open deuren jagen ons de stuipen op het lijf.

Ik zwijg en laat het meisje lezen in Honderd jaar eenzaamheid. Verdwaal in mijn arena, gedachten! Dwaaltuin met kersen, schitterende namen van dorpen die hun rivieren in een oude ziel hebben gebed. Fossielen in jouw mond tot dieren van de lust gemaakt. Van een kermis spreek ik. Dat ik weer jong ben in een rups met jou. Dat ik in een arena dit raadsel ontwar. Het raadsel van de arend die op vrijdag boven onze hoofden vliegt. Boven het hoofd van de veroveraar die gaat liggen aan je grens als hij zich het geklop van je hart herinnert.

Deze arena waarin ik me verberg om je mijn donker te besparen zodat jij je glans behoudt en schittert in de nacht. Een aan jou gewijde ruimte waar ik veilig voor je ben, voor al je namen en geschiedenissen die me geluk en onheil voorspellen. Daar buiten ontspoor ik. Verlies ik het Noorden. Raak ik ontketend, ontstoken, getekend. Op drift zoek ik een teken van jou, van herkenning, een duidelijk punt.

Mijn donker sparen, het licht in de ogen van het wilde zijn. Het toeval heb ik uitgekleed tussen vriendelijke mensen die ik mijn denken heb onthouden. Wonden van licht heb ik de wereld toegeworpen. Onhoorbaar grom ik als een dier dat zich aan je warmte komt troosten. Een verhitte slaaf was ik die je herinnering slikte, een mondvol treurig genot op de dag dat de dode zielen worden bespot.

In het schitterende licht van je lichaam licht mijn arena op. Mijn stieren staan stervensbereid voor jou, je geheimen, je in de zon uiteenspattende namen. De rups en dan de vlinder nemen het woord. Geven het mij, stoten het in mij op, ik schud het voor jou uit mijn veren. Een woord, en dan nog een, en nog een, het volgende haalt het volgende uit een opening in je lichaam. Het was er prettig vertoeven maar nu moeten ze er allemaal uit. Tijd om te openbaren. Gedaan met bewaren. Opnieuw tijd voor de gek die de snaren van het leven bespeelt. Die water gaat halen en je gezicht ziet.

Ik wil mijn eigen dronkaard zijn. Ik wil mijn eigen gek zijn. Tot de nacht toeslaat. Ik zie je verdwijnen. Ik had je waar ik je hebben wil. Waar ik je kon aanbidden Veilig in mijn arena. Alsof je daar altijd was geweest Altijd bij mij, kort bij mijn handen

“This place is really fucked up “ hoor ik een Britse kop zeggen. “Yeah, man, Belgium is so boring” de andere. Het meisje van Honderd jaar eenzaamheid is weg. Ik heb geen woord gezegd. Niet gewuifd vanuit mijn eigen eenzaamheid. Ik heb haar niet meer gezien. Mijn vrienden hebben naar me gewuifd toen ik uit Antwerpen vertrok na het drinken van een hoeveelheid Oliphanten. Ik heb teruggewuifd. De trein is vertrokken Ik ben begonnen met noteren in mijn Arena.