27-06-06

DE ROOS VAN KEVIN AYERS


kevin ayers


De heren die zich Marco Polo en Marlon Vanco noemen, hebben mijn hoofd zowat op hol gebracht met hun verhalen en vragen over Nico alias Christa Paffgen. Ik zet geen muziek meer op, want ik hoor toch al de hele tijd ‘Je juis le petit chevalier’ in dat op hol gebrachte hoofd weerklinken. Een lief en sprookjesachtig liedje, terug te vinden op Nico’s lp Desertshore. Ik draaide het lang geleden heel vaak voor mijn zoontje (gek dat ik hem nog steeds zo noem, maar in dit geval wel gepast). Het was een van de weinige ‘kinderliederen’ die ik bezat. In die dagen wist ik ook niet dat Nico’s zoontje Ari dat liedje zong. Het was ofwel dat ofwel Robert Schumann, wat mijn zoontje moest aanhoren. Mooie dagen in een woning vlakbij het Zoniënwoud - en overal hing een geur van bloemen en honing. Er waren alle dagen vrienden bij ons in huis en vaak bezoekers uit de hele wereld. We luisterden samen naar veel van de wonderlijke muziek die toen uitkwam en dronken liters jasmijnthee.


Desertshore was de eerste lp van Nico die ik zelf kocht. Heel wat later was de waard van café Het Pannenhuis in Antwerpen zo vriendelijk mij een versleten exemplaar van Chelsea Girl cadeau te doen. Er viel nog naar te luisteren… Ik weet niet hoeveel exemplaren ik inmiddels heb bezeten.


Maar ondertussen zijn we - in het commentaargesprek hier beneden - bij Kevin Ayers beland. In 1968 of ’69 – anneé érotique - zag ik The Soft Machine, waar Ayers korte tijd deel van uitmaakte, op het pop- en jazzfestival dat Jazz Bilzen heette. Kevin Ayers was er niet meer bij. En popfestivals bestonden toen gewoon nog niet, vandaar dat het woord pop niet in de benaming voorkwam. The Soft Machine speelde dromerige, aparte muziek, met verwijzingen naar moderne Europese kunststromingen (dada en surrealisme) en jazz. Nadat Kevin Ayers en Robert Wyatt de groep hadden verlaten, veranderde the Soft Machine in een bloedloos pseudo-intellectueel jazzorkestje. Kevin Ayers ging op zijn eentje verder, of liever, met the Whole World, want zo heette de band die hem begeleidde. De man was een levensgenieter, maar in zijn teksten kon hij behalve surrealistisch ook ernstig uit de hoek komen (ik denk nu aan ‘Irreversible Neural Damage’ op The Confessions Of Dr. Dream).

Samen met mijn oude vriend Marc Didden heb ik Kevin Ayers geïnterviewd; dat was kort na het verschijnen van die ‘droomelpee’. De weken voor het interview had ik alle platen van Ayers uitgeleend uit de mediatheek (die toen nog betaalbaar was) en ze met obsessieve aandacht beluisterd. Ik was werkelijk in de ban gekomen van deze muzikant-songschrijver, die van wijn, lekker eten en mooie vrouwen hield. Wat een prachtige stem had die zanger. In die periode ben ik zelf ook wijn gaan drinken, iets wat ik tot dan nooit had gedaan. Kevin Ayers heeft rechtstreeks schuld aan mijn drankprobleem. De avond voor het interview moest Kevin Ayers playbacken voor een belachelijk Vlaams popprogramma – gelukkig ontsnapt de naam mij, waarschijnlijk dank zij al die Gewürzstraminer die ik toen dronk. Het wordt stilaan duidelijk hoe idioot ik wel was – en toch al vader. (Gezag heb ik nooit veel gehad, maar dit geheel terzijde.) In dat popprogramma trad Peter Koelewijn ook op. Peter Koelewijn in hetzelfde programma als Kevin Ayers! Postmodernisme avant la lettre… Later zijn we samen gaan eten in een goed restaurant ergens op het platteland. Kevin Ayers schrok er van de levende kreeften in het aquarium. Hij merkte ook op dat er druppeltjes gecondenseerd water van een roos in mijn glas wijn druppelden. Zoiets vergeet je natuurlijk niet. De volgende dag het interview. Ik denk dat er weinig popmensen zo intelligent en zo belezen waren in die tijd (1974) – en nu nog steeds. Meestal hebben die jongens en meisjes zeer weinig te vertellen. Het was een gezegende dag en een gezegend gesprek van een uur of drie. Fragmenten ervan hebben in Humo gestaan. Het was het debuut en meteen ook het einde van mijn carrière als popjournalist. Niet lang daarna heb ik nog iets geschreven over de moord van Mick Jagger en Keith Richard op Brian Jones. Dat had ik allemaal verzonnen. Maar het ziet er naar uit dat mijn verzinsels op zijn minst gedeeltelijk klopten. Overigens is Humo pas veel later samenzweringstheorieën gaan publiceren.

Ik heb er alleszins geen spijt van dat die carrière zo kort was. Popjournalisten leiden een leven van seks en drugs en rock & roll, veel meer nog dan de artiesten aan wie ze zulk leven toeschrijven. Aan mij is dat allemaal niet besteed, geef mij maar de bijbel, een fikse wandeling in de bergen en een glas water! Of niet soms?

13-06-06

ALLES IS METAFOOR, ALLES IS IRONIE

haruki murakami,goethe,bob dylan,tijd,lik a rolling stone,tongeren,atheneum,metro,neko case,17,boeken,berusting,dromen,metafoor,schrijven,eckermann,1965,big brother,bloggen,timboektoe

Volgens Goethe is alles metafoor. Als Goethe dat beweert zal het wel waar zijn. Ik heb al lang geen boeken van de oude Duitser meer gelezen, maar ik herinner me wel het plezier dat ik heb beleefd aan het lezen van Natuurlijke Verwantschap, Het lijden van de jonge Werther, Faust, Wilhelm Meisters leerjaren en zeker ook de gesprekken met Eckermann, die ik in mijn snelle gedachten nogal eens met Meister Eckhart verwar. En eigenlijk zijn het gesprekken met Goethe. Naast het plezier waren er ook vaak opwellingen van ergernis, vooral vanwege zijn belerende toon, zijn betweterigheid, zijn miskenning van grote schrijvers en filosofen als Kleist en Schopenhauer. 


Die uitspraak over de metafoor vond ik echter in Kafka On The Shore, een merkwaardige en zeer meeslepende roman van Haruki Murakami. In dat boek las ik een passage die ik graag wil citeren omdat ik er nogal wat van mezelf in herken. Het gaat over de jonge Nakata, die op gevorderde leeftijd prettig gestoorde gesprekken zal voeren met intelligente en minder intelligente katten. Aan het woord is een lerares die de jonge Nakata vermoedelijk een ernstig trauma heeft bezorgd, zij het onvrijwillig, ervan uitgaande dat zij niet met opzet ongesteld werd. De jonge Nakata is – voor het traumatische voorval - een stille, intelligente jongen. Maar er is nog iets anders dat de lerares opvalt:

“Every so often I felt a sense of resignation in him. Even when he did well on difficult assignments, he never seemed happy. He never struggled to succeed, never seemed to experience the pain of trial and error. He never sighed or cracked a smile. It was as if these were things he had to get through, so he just did them. He efficiently handled whatever came his way – like a factory worker, screwdriver in hand, working on a conveyor belt, tightening a screw on each part that comes down the line.”

Ik denk dat die berusting er bij mij ook al vroeg was en dat ze altijd is gebleven. Eigenlijk heb ik nooit iets willen bereiken. Toen ik nog klein was wilde ik wel balletdanser worden, en wat later generaal, maar lang hebben die verwachtingen en dromen niet geduurd. Vanaf mijn vijftiende of misschien al vroeger heb ik gedaan wat gedaan moest worden. Ik haakte in op wat toevallig mijn weg kruiste. Of was het mijn lot dat voor me was uitgestippeld? Zo hoorde ik in 1965 Like A Rolling Stone op een transistorradio terwijl ik ’s middags de trap afkwam van het hoofdgebouw van het Atheneum in Tongeren en me naar het speelplein begaf. Ik wist meteen dat dit de beste single was die ik ooit zou horen. Tot op dit ogenblik blijf ik daarbij. Maar hoe komt dat? Was het toeval, of was Like A Rolling Stone al ergens in mij aanwezig. Was er een ‘natuurlijke verwantschap’?

Hoe het ook zij, in dat boek van Murakami heb ik, zoals ik al zei, die metaforenuitspraak van Goethe gelezen. In dat geval is voor mij ook de foto van Julie Delpy uit Killing Zoe een metafoor en de foto van de hoes van Allen Toussaints Southern Nights… En deze hele weblog, genaamd hoochiekoochie, is een grote metafoor. Maar voor wat? Voor mijn leven? In plaats van te leven maak ik hoochiekoochie en zet ik foto’s en commentaren op flickr. Maar is dat dan geen leven? Is het een surrogaatleven? In je kamer je leven zitten te tikken op een klavier, de woorden op het scherm zien verschijnen, terwijl buiten de zon schijnt en mooie lachende mensen de terrassen overspoelen, is dat niet wat bespottelijk? Is het geen tijdverlies? We hebben zo weinig tijd! We hebben zo veel te doen…

Laura kwam met het krantje ‘Metro’ thuis – echt een Big Brother-verschijnsel – om mij pagina één te tonen: “Belgische jongeren luchten hart via blog”. Ongeveer 38 % van de Belgische jongeren heeft een eigen blog, zo staat er. Ik had altijd al een sterk voorgevoel dat ik een tiener was, maar een voorgevoel is niet meer dan dat. Nu is het echter bewezen. Niemand zou het me ‘aangeven’ maar ik ben geen dag ouder dan 17. Of zoals Neko Case zingt: “Im holding on to that teenage feeling.” En ik zou meer zeggen: I can’t get no satisfaction, whatever the man says.


Volgens de onderzoekers is het bloggen echter een tijdelijke activiteit, “met een levensduur van gemiddeld zes maanden tot een jaar”. Dan ben ik toch weer eens een uitzondering. Als je volhoudt win je. Overigens heeft dat blogverschijnsel ook toevallig mijn weg gekruist, en heb ik op dat ogenblik gedacht: dat moet ik eens proberen. Wie weet waar ik terechtkom, moet ik hebben gepeinsd. Ik ben nog altijd thuis, en ik blijf dromen van La città del sole
. Waar zal ik morgen zijn?

01-06-06

ONTBOEZEMING

verjaardag,brugge,muziek,vrienden,vriendschap,spooner oldham,dan penn,zero de conduite,radio centraal

Straks, na middernacht, is het mijn verjaardag. Vreemde dingen kunnen gebeuren. Dronkenschap, euforie, melancholie. Morgenavond ga ik naar Brugge, om er feestelijk te dineren en om er de dag nadien twee soulmeesters aan het werk te zien, Dan Penn en Spooner Oldham. Bij een lieve vriendin kunnen we logeren. Het wordt bovendien mooi weer. Ik heb alle geluk van de wereld. Alleen zal, misschien, de literatuur er onder lijden! Maar dat is nooit zeker in die categorie. Het spijtige van de zaak is dat er deze maand geen Zéro de conduite zal zijn op radio centraal. Maar ik twijfel niet aan de dj-kunst van mijn vriend Pat, een van de liefste mensen van de wereld. Wat bijgevolg, helaas, niet van iedereen kan worden gezegd.

31-05-06

HET PLEZIER VAN DE PARADOX


Ik maak me niet echt zorgen over indelingen in hokjes, categorieën, types, soorten. Evenmin ben ik ongerust over opsommingen, lijsten, groepen, families, enzovoort. Met het vorige stuk, over categorieën en literatuur, wilde ik alleen maar de kwestie van de grens ter sprake brengen. Wat is dit en wat is dat? Waarom delen we de wereld zo graag in? Wat zit daar achter? Heeft dat met ons verlangen naar kennis te maken? Of met iets onduidelijkers?

Wat ik even goed wilde doen was mij beschermen tegen de literatuur en de poëzie. Ik heb mij ten overstaan van die ‘wereld’ altijd afzijdig gehouden, omdat hij me te levenloos leek. Levenloosheid is een zonde, heb ik toen ik nog jong was, bij Bob Dylan gehoord. Bob Dylan is trouwens een mooi voorbeeld van literatuur die geen literatuur is en muziek die geen muziek is, maar iets anders, iets ondefinieerbaars, iets dat altijd ontsnapt aan onze indelingen en categorieën. Niet dat ik mij met Bob Dylan wil vergelijken, maar ik heb hem altijd bewonderd, en dat zal wel zijn sporen getrokken hebben. Als ik samen ben met mijn vrienden spreken wij niet over het weer, maar over Bob Dylan, altijd over Bob Dylan. Er is geen ontkomen aan, een raadsel, een mysterie…

Ik ben niet bang om niet te worden gevonden of ontdekt. Als ik had willen worden gevonden dan had ik een bedrijfje opgericht of een vzw met als missie mij onder de aandacht brengen. Ik heb geen bedrijfje opgericht. Ik hoor nergens bij, ik hoor nergens thuis. “I’m a stranger in my own home town”. Het is een paradoxale situatie, want ik verlang er natuurlijk wel naar om ergens thuis te kunnen komen. Ik verlang er ook naar om ergens bij te horen, ‘to be one of the boys’. Alleen weet ik niet wie die ‘boys’ zouden kunnen zijn (of ‘girls’). Ik heb het nogal vaak over zielsverwanten, maar zijn zielsverwanten geen illusie? Moet je als puntje bij paaltje komt de wereld niet moederziel alleen trotseren, met de taal als je wapen, ook al wil je de vrede verkondigen? De taal als je spel. De taal als een mogelijkheid om tot de taal toe te treden. Is het niet de taal die je moet troosten? Of zijn het de handen van je geliefde?

Ik wil me niet afzonderen. Ik wil weten wie ik ben. Nog niet zolang geleden heb ik me een keer geïdentificeerd met de bloggers. “Wij bloggers” heb ik geschreven. Dat meende ik natuurlijk ook. Ik geloof dat ik niet kan liegen. Maar dat weet ik niet zeker. Die identificatie was gemeend, maar na zulke momenten van identificatie komt er altijd het afstand scheppen. Je kunt niet samenvallen met datgene waarover je nadenkt of met degene met wie je praat, hoewel Virginia Woolf schreef “we melt into each other with phrases…” Die woorden van Virginia Woolf kloppen ook wel, alleen is dat met elkaar versmelten van korte duur. Alle lust wil diepe, diepe eeuwigheid, maar slechts enkele ogenblikken zijn ons gegund.

Toch wil ik niet zeggen dat ik helemaal onvindbaar wil zijn. Door hier tevoorschijn te treden vraag ik aandacht. Ja, natuurlijk, ik krijg graag aandacht. Ik zal wel een narcist zijn. Als niemand een spoor achterlaat bij mijn teksten overvalt me soms een gevoel van diepe droefheid of voel ik me nutteloos en overbodig. Ik krijg graag reacties en commentaar. Jullie geven me moed om door te gaan, zijwegen in te slaan, mezelf in de spiegel te bekijken, een Narcissus die zichzelf heruitvindt, jullie inspireren me en maken me soms boos. Het gesprek in al zijn vormen is de adem van het leven.

Veel plezier vloeit voort uit de tekst. Het plezier van de tekst van de andere. Het plezier in de tekst. Het plezier van de echo van je ‘eigen’ tekst. Het plezier van de echo van de tekst van de andere in je ‘eigen’ tekst. Het plezier van het citeren en het zich toe-eigenen van de tekst van de andere. Het spelen met het vuur van de woorden. Het strelen van woorden, het stelen van woorden. In zekere zin. In een bepaald opzicht.

25-05-06

MARK E. SMITH EN HET GEHEUGEN

the fall,mark e  smith,country,pop,paris texas,nietzsche,woestijn,stem,william burroughs,velvet underground,spoken,vader,tantes,zelfmoord,wim wenders,film,ibsen,limburg,zingen,moeder,muziek,radio,familie,ziektes

Ik hoor nu, na bijna dertig verloren jaren in cafés, dancings, restaurants en ministeries, opnieuw ‘No Xmas voor John Quays’ van The Fall. Ik dacht dat deze harde, monotone muziek me na zoveel tijd (waarin ‘country noir’, Lambchop, Bach, John Coltrane en altijd weer Bob Dylan, zelfs in de metro na een concert van Neko Case, zich aan me voordeden) zou tegenvallen, maar dat is helemaal niet het geval. Deze bepaalde song klinkt zelfs beter dan alles wat ik nu op de popradio hoor. Ik volg Mark E. Smith niet meer, hij brengt te veel platen uit en ik heb het geld niet om die allemaal te kopen (en niet de tijd om ernaar te luisteren). Ik wens hem wel veel geluk en een goede gezondheid. Want hij ziet er niet goed uit op foto’s die ik zo nu en dan in popmuziektijdschriften bekijk. Mark E. Smith spreekt Xmas uit als EXmas. Dat is mooi, vanwege zijn stem, vanwege zijn frasering, en vanwege het feit dat niemand het in 1979 in zijn hoofd zou hebben gehaald om dat te doen. En hij zingt, met veel overtuiging,: “there is some christmas for junkies”. Had William Burroughs, de Wilhelm Tell van de 20ste eeuw het beter kunnen verwoorden? Als the Velvet Underground niet the Velvet Underground was geweest, was the Fall the Velvet Underground geweest. Bij wijze van spreken.


Wat je vergeet is wat aan je deur komt kloppen. De ‘spoken’ van Ibsen. Het niet-bestaande verdringt de realiteit van je dagelijks leven. Het niet-bestaande en het niet-uitgesprokene komen in je bewustzijn spoken en doorboren de woorden die je uitspreekt of niet uitspreekt. De taal is er niet voor jou. Er is een taal en er zijn de woorden die jij toevallig vindt en in zinnen combineert. Zingend of niet zingend. Je voorouders van vaderskant waren Limburgers, arme boeren. Rijk had je kunnen worden via je moeder, maar dat was een aftakelende familie, met je twee tantes en een oom die respectievelijk zelfmoord pleegden, gek werden en op jonge leeftijd van een hartziekte stierven. Je moeder werd eenennegentig, in armoede. Geld was er niet meer. Niet dat je er in geïnteresseerd was. In de jaren tachtig waren er ten minste twee soorten mensen: dansende gekken (inclusief beginnende kunstenaars) en door geld geobsedeerde normalen. Die werden yuppies genoemd. Jij hoorde bij de eerst soort. Maar maakt het uit? Inmiddels is iedereen van die generatie een gekke dansende normale yuppie of iets dergelijks. En iedereen zit met die spoken in zijn hoofd. Zoals John Wayne in ‘The Searchers’. John Ford heeft dat personage met een immense geschiedenis opgeladen. Geen wonder dat hij uiteindelijk opnieuw de woestijn intrekt. En dat hij er weer uitkomt als Harry Dean Stanton in Paris, Texas. Wim Wenders heeft dat zeer goed gezien. My generation. Your generation?

Maar in de woestijn verdwijnen, zoals Nietzsche in zekere zin wilde? Ik denk dat het echt belangrijk is dat je blijft schrijven. Misschien moet je een gulden middenweg proberen te vinden. Het is niet gemakkelijk, ik weet het. Maar toch komt het daar op neer, al was het maar om gezond te blijven: doorgaan met schrijven. Natuurlijk is er het andere werk, we moeten overleven en voor de anderen zorgen, en voor onze eigen gezondheid. Die mogen we niet ondermijnen.

Je herkennen in anderen, in schrijvers, in kunstenaars, in plukvogels allerhande, dat is toch een uitzonderlijke en zeer verheugende ervaring.Je kunt niets onthullen over je teksten. Dan zou je heel lang moeten nadenken, jezelf analyseren en dat kun je niet. Vaak vertrek je van een begrip, of van enkele woorden. Soms zijn het droombeelden, droomflarden, een beetje buñuelesk misschien, of fantasieën, waarmee je de realiteit probeert te doordringen. Alsof je in je eigen vel snijdt. Alsof je een borderline geval bent. Een lichaam zonder organen. Deleuze en Guattairi? Al lang dood. Je kent dat wel. En dan werk je daarop verder, meestal door associatie. Je schrijft dat dan snel neer, en dan probeer je het te ordenen, visueel, ritmisch, je vervangt woorden door andere. Dat is belangrijk, omdat het je enige vrijheid is tegenover de taal. Jouw taal, de taal van de anderen.
In een bepaald gedicht had je eerst het woord ‘urinekelder’ geschreven of gesproken, daarna maakte je er ‘schimmelkelder’ van en uiteindelijk heb je er opnieuw ‘urinekelder’ van gemaakt. Je vond geen beter woord in de taal. Het was iets uit het verleden, waarschijnlijk, dat in je hoofd kwam spoken. Zoals de naam ‘Wiliam Wilson’. Dat is de naam die je had willen gebruiken om, toen je een jongen was, je brieven te ondertekenen, om op je identiteitskaart te zetten, als potentiële moordenaar. Als ‘Rebel Without A Cause’. (Ik denk dat Wim Wenders geen nederlandstalige weblogs leest, maar ik wil hem toch bedanken voor alle nieuwe inzichten die hij me destijds heeft gegeven in het werk van Nicholas Ray, een grootse filmregisseur, van wie het werk door de Hollywoodbrigade vaak verknoeid is door het in stukjes te snijden en als sentiment te verkopen aan het publiek, aan ons.)

The Fall dacht dat allemaal te kunnen veranderen met songs als Rebellious Jukebox, en misschien heeft de groep dat ook wel gedaan. Alleen, heel zeker, niet in Hollywood.

Ik wil dit stukje graag opdragen aan Mark E. Smith, aan zijn scherpe stem, een rappende pen.

15-05-06

CORTISONE ZONDER BIJSLUITER

cortisone,brussel,ziek,afkicken,vader,pijn,dood,psychiater,geweld,overvallen,macho s,onverschilligheid,ambulance,politie,1977,werk,kunstenfestival,granada,vliegtuig,cafe dada,drinken,concert,live,pop,soul,bettye lavette,kvs,marthaler,shakespeare,aeschylos,verjaardagsfeestje,martin pulaski

Opeens was ik terug in Brussel, een imaginaire stad leek het wel, en ik moest afkicken van Cortisone. Ik ben geen drugverslaafde, maar ik was nogal ziek geweest en had het spul veel te lang gebruikt. Mijn vader heeft het moeten nemen op het einde van zijn leven, hij had veel pijn en hij was nog nooit ziek geweest. Hij trok zijn eigen tanden. Dokters of tandartsen vertrouwde hij niet. Na zijn dood ben ik zes jaar lang bij een psychiater geweest, twee keer per week. Niet vanwege die van hem maar vanwege mijn eigen gewisse dood. Macho’s hadden mijn hoofd half tot moes geklopt en ik had liggen bloeden als een lam in het midden van de Kiekenmarkt in het centrum van Brussel. De automobilisten reden voorbij en deden alsof er niets aan de hand was of hadden gewoonweg niets gezien. De ambulance kwam me uiteindelijk wel van de straat rapen, samen met de politie. In die tijd (1997) bestond de Brusselse politie kennelijk uit idioten en racisten. Gelukkig heeft mijn vader dat allemaal nooit geweten.


Net als toen moest ik nu afkicken van die verdomde Cortisone en tegelijk doen alsof er niets aan de hand was. Gaan werken, naar een concert, naar het kunstenfestivaldesarts, naar het verjaardagsfeestje van een boezemvriendin. Waarom kies ik nu het woord ‘boezemvriendin’? Ik zou het nooit gebruiken in een gedicht. Aan mijn psychiater, die dezelfde naam heeft als mijn jarige boezemvriendin, kan ik het niet meer vragen. De analyse is afgebroken. Door mij. Ik heb haar vorige week gezien in het Théâtre National en me meteen verdekt opgesteld achter een muurtje. De laatste keer dat ik met haar had afgesproken, op een zaterdag in oktober vorig jaar, was ik de afspraak namelijk vergeten. Ik was bezig mijn koffers te pakken om op studiereis te vertrekken naar Jaén, en in die drukte was ik de hele hoochiekoochie vergeten. Pas de volgende maandagochtend, in het vliegtuig naar Granada, herinnerde ik me onze afspraak. Nadien durfde ik haar niet meer bellen om enige uitleg te geven. Ik voelde me schuldig omdat ik de afspraak was vergeten. En nu zag ik haar vanuit de verte in dat theater en het enige wat ik kon doen was toneel spelen. Heb ik al verteld dat ik toneelspeler wilde worden, toen ik jong was? Neen? Dan zal ik het later eens een keer uit de doeken doen. Maar niet nu. Ik heb over die gemiste carrière overigens zeer veel gepraat met ‘mijn’ psychiater. Of ik nog bang ben op straat? Ja, tenzij ik voldoende bier heb gedronken in café Dada.

Over het werk zal ik het evenmin hebben. Franz Kafka heeft dat op geniale manier beschreven in ‘Het proces’. Wat kan ik daar dan nog aan toevoegen? Kill your darlings?

Zonder Cortisone en zo weinig mogelijk alcohol naar het concert van Bettye Lavette. Was het beter of slechter dan vorig jaar? Ik stel de vraag maar ik beantwoord ze niet. Ik denk dat Bettye Lavette inzette met The Stealer (van de onvolprezen Free), gevolgd door He Made A Woman Out Of Me (een prachtige en zeer dubbelzinnige song over verkrachting/seksuele initiatie) en The Sparrow van Dolly Parton. Het grote verschil met vorig jaar was de duidelijke vermoeidheid van zowel de zangeres als de band. Hoe lang zijn ze al van stad tot stad aan het trekken? Van land tot land? Nu ze eindelijk enig succes hebben? Vorig jaar was Bettye opeens weer hip. De aasgieren van de pers en de modieuze popmuzikanten waren toen in groten getale aanwezig in de kleine AB club. Nu echter heeft naar mijn weten één perspersoon een stukje geschreven in een of andere nitwitkrant (met alle respect), terwijl de veel grotere zaal zwart zag van het volk. So you all brought your friends with you, sprak Bettye Lavette. Het laatste nieuws heeft de ‘hippe’ en ‘coole’ mensjes bereikt: soul is opnieuw niet meer hip. Wel, dan heb ik dit te melden: soul is altijd hip. Er is geen enkel genre dat altijd hip is, behalve soul. Hoewel Bettye moe was, was ze toch ook nog sterk en gaf ze haar hele ziel aan het gewillige publiek. Het was een fijn publiek, zo zonder aasgieren. Echte kippenvelmomenten waren Close As I Get To Heaven en I Do Not Want What I Have Not Got (waarbij, dat moet ik toegeven, mijn gedachten afdwaalden naar Sinéad O’Connor, en naar de roofmoord in het Centraal Station, en naar het gedicht Brot und Wein van Hölderlin en naar Paris, Texas, vooral het begin met Harry Dean Stanton in de woestijn). Overigens vind ik Joy de slechtste song van Lucinda Williams en begrijp ik daarom niet waarom Bettye Lavette precies deze heeft uitgekozen. Maar dat zijn details. Long live Bettye! .

Vrijdag, in de KVS, stelde ik vast dat de culturele elite maar 1,50 of 2 euro betaalt voor een glas wijn (terwijl de rockliefhebbers 4 euro moeten betalen, alvast in de AB, een waanzinnige prijs, voor een instelling die waanzinnig veel subsidies krijgt). Maar het zij zo, ik mag me niet opwinden, laat iemand anders dat maar doen vanavond. Christoph Marthaler is een genie. Zoals hij de familie met alles erop en eraan (en het verborgene ook heel open en bloot, hoewel er geen letterlijk bloot aan te pas komt) ten tonele voert en ontrafelt, dat doet heden niemand. De familie is het grote mysterie. Dat was al zo bij Aeschylos, dat was zo bij Shakespeare, en dat is nog altijd zo bij Marthaler. Een mysterie dat er niet om vraagt om te worden opgelost. We kunnen de familie haten, als we jong zijn bijvoorbeeld, dat is een stadium waar we door moeten, lieve ouders, hatelijke ouders, het maakt niet uit, of we kunnen ze liefhebben. Maar de familie blijft altijd een mysterie. Koffie en koekjes of geen koffie en koekjes. De kinderen blijven een mysterie. De bloedverwanten. De broers en de zussen. De tantes en de nonkels. De neven en nichten. De hele reutemeteut. Socialisten, vieze tisten, flaminganten en fascisten, communisten, soul freaks, nitwits, Proustianen, Yes fans, slotenmakers, Call girls, we kennen ze allemaal en we haten ze en we hebben ze lief. En ze zingen allemaal liedjes van Monteverdi en van Mireille Mathieu. In ieder geval doen ze dat bij Marthaler. De man toont ons de typische familietriangel, maar dan dubbel en dik gespleten. De familieleden zitten te zuipen, elkaar uit te schelden, achterbaks naar elkaar te verlangen, domme spelletjes te spelen, dierengeluiden te produceren, liedjes van Wagner en van the Kinks (I Go To Sleep) te zingen, te slapen (waarbij je als toeschouwer ook in slaap valt), en zo verder. En dan is er de zoon die alleen maar Mireille Mathieu wil horen. En die krijgen we dan ook te horen, de echte singles op een echte platendraaier uit de sixties. Ook de hoesjes worden getoond. Af en toe krijg je zelfs een stukje Monteverdi te horen, uit L’incoronazione di Poppea, waar het stuk op gebaseerd is. Of roept de vader ‘Ta gueule!’. En dat speelt zich allemaal af in een huis waarvan de ene kant het Centraal Station van Brussel is (voorbijdenderende treinen inclusief) en de andere kant het Justitiepaleis (het lelijkste en mooiste gebouw van Brussel). De meubels in het huis komen uit datzelfde Paleis (de architect, Poelaert, heeft zelfmoord gepleegd, anders hadden ze dat plein nooit naar hem genoemd): de dochters hebben ze er gewoon gepikt. Hoe zou je zelf zijn, als dochter in een prettig gestoord gezin? Overigens herkende ik meteen een van die meubelstukken: ik had erop gezeten tijdens een van de drie ‘verzoeningspogingen’ tijdens mijn echtscheidingsprocedure. Niet dat we die poespas wilden. Het was van te moeten. In ‘Het Proces’ staat dat ook allemaal al beschreven. Maar niet de dimensie die Christoph Marthaler en zijn gezelschap er aan toevoegen. Beter kan niet. Bovendien is het allemaal bijzonder grappig. Je lacht je meerdere breuken op één avond. Ik stel voor om meermaals te gaan. Dan moet je nooit meer gaan werken. Kafka lezen wordt dan ook overbodig.

En dan moest ik het nog over het verjaardagsfeestje van I. hebben, mijn boezemvriendin. Gelukkige verjaardag, lieve vriendin. Het was een onvergetelijk feest, in dat volkscafé daar in Gent. En we zijn goed thuisgeraakt. Nu ben ik moe en moet ik de dromen tegemoet zien. Ik ben een oude, vermoeide gek. How am I different?

Foto: Martin Pulaski, terras met uitzicht op de Atlantische oceaan, Tazacorte, La Palma

11-04-06

HET ACTIEVE LEVEN

popcultuur,drinken,dagen,dagelijks leven,tijdverdrijf,dood,gene pitney,dossiers,kantoor,pop,muziek,film,bullit,peter yates,kvs,opening,conversaties,patrick riguelle,zielsverwanten,country,gitaar,gitaar spelen,steelgitaar,gitaristen,gram parsons,joshua tree,ray charles,lachen,russ meyer,shari eubank,supervixens,hoochiekoochie,muddy waters,neuken,zuipen

Shari Eubank

Wat deed ik de voorbije vier of vijf dagen om de tijd te verdrijven en, vooral, om mijn plaats hier op aarde te rechtvaardigen? Want wie denken we wel dat we zijn, dat we hier zo maar mogen verblijven, zonder meer? Ik dacht veel aan de dood, niet mijn dood maar die van anderen, die toevallig of niet de geest gaven. Ik heb er af en toe en hier en daar iets over geschreven: Ivor Cutler, Gene Pitney en Gerard Reve. Ivor Cutler en Gerard Reve waren oude, zieke mannen. Het uitblazen van de laatste adem moet voor hen een verlossing zijn geweest. Gene Pitney was nog te jong. Hij is tijdens een zoveelste toernee in zijn slaap gestorven. 

Donderdag en vrijdag heb ik thuis gewerkt, dossiers behandeld. Dat gaat thuis veel beter dan op kantoor, omdat ik me dan beter kan concentreren. Op kantoor zitten we sinds oktober met z’n allen samen in een grote ruimte. Dat is nog steeds wennen. Thuis werk ik sneller, maar ik neem soms een pauze om eens door het raam te kijken naar de bomen, of de planten water te geven. Ik drink veel water, weinig koffie. ’s Avonds ga ik boodschappen doen en naar de apotheek, voor mijn vrouw, die ziek is. Dit staat in de tegenwoordige tijd, maar behoort tot het verleden. Ze is niet langer ziek wil ik zeggen.

Donderdagavond heb ik, zoals ik hier al liet verstaan, veel naar Gene Pitney geluisterd. Ik was bijna vergeten hoe goed hij was, wat voor een verbluffende zanger, met zoveel inventiviteit in zijn songs, in de arrangementen, maar ook in de keuzes die hij maakte. Ik heb daarna niet naar Hello Mary Loy geluisterd. Ik heb naar Bullit zitten kijken, van Peter Yates, met Steve McQueen, Robert Vaughn en Jacqueline Bisset. De eerste zestig minuten van Bullit overrompelden me door het camerawerk, de posities van de camera, de belichting en de soundtrack. Maar niet door het vrij vervelende verhaal. Ik ben in slaap gevallen en daarna, weer wat uitgerust, heb ik nog wat liggen lezen in het boek van Geert Mak.

Vrijdag was ongeveer hetzelfde scenario, niet als Bullit, maar als de rest van mijn dagen. ’s Avonds ben ik nog laat helemaal alleen naar de heropening van de oude KVS gegaan. Toen ik er aan kwam, buiten adem van het rennen, was ongeveer alles gedaan, de toespraken, het gratis drinken… De mooiste acteurs en actrices waren al vertrokken. Alleen mijn jonge vriend B. stond er nog aan de toog met zijn vriendin, klaar om ook te vertrekken. Ze gaven me nog even respijt om een paar vrolijke verhalen te vertellen over dronkenschap en wreedheid. Dan was ik weer alleen. Wat te doen vroeg ik mij af, zoals de Russische nihilist Tchernichevski. Ik heb het gebouw bezocht, de volledig nieuwe, imposante binnenkant, de bol, een grote zaal, maar toch intiem.

Later heb ik aan een tafeltje in de bar boven naar een enthousiaste jonge man zitten luisteren. Hij kende me van zien en wilde me duidelijk maken wat de jeugd zoal nodig heeft en hoe zij verschilt van de oudere generatie. Voor de generatie van zijn ouders is het hoogste geluk het verwerven van bezit, zegt hij. Ik ben ouder dan zijn vader en bezit niets. Jij bent anders, zegt hij. Niet representatief voor jouw generatie. Jij bent meer zoals wij, een wat oudere versie, ha ha. We praten lang over die verschillen, over de 'revolutie' en het 'behoudsgezinde', zijn vriendin wordt er moe van, haar ogen vallen toe, ze raakt zelfs haar wijn niet meer aan.

Na het afscheid ben ik op dreef en ga ik op zoek naar ander gezelschap. Ik maak geheel toevallig kennis met een zielsverwant, alsof de bliksem mij treft; maar dan wel een ongevaarlijke bliksem. P., zo heet hij, en ik praten over the Byrds, the Flying Burrito Brothers, Gram Parsons, Sneaky Pete en zijn steelgitaar, Elliott Murphy’s eerste langspeelplaten, Aquashow, Diamonds By The Yard en Just A Story From America. Sneaky Pete als begeleider van Commander Cody toen die op de Grote Markt in Brussel optrad in 1976 in het voorprogramma van Elliott Murphy.
P. legt me uit hoe je op een luie manier toch behoorlijk gitaar kunt spelen. Je moet dan de duim gebruiken, dan hoef je geen barrées te nemen. Mijn nieuwe zielsverwant is zelf een gitarist en vooral een begenadigd steelgitarist. Ik heb hem al live aan het werk gezien. Nu bejubelt hij het gitaarspel van AP Carter, James Burton, Cliff Gallup, David Gilmour. We houden allebei van de elpee ‘More’. Gene Pitney, komt ter sprake, waarna er een stilte valt. Muddy Waters, Champion Jack Dupree. Waar is M. toch? Voorzichtig geworden? Wat had ik hem graag gezien, nu op deze feestelijke avond. Hij heeft me deze plek leren kennen. Met hem ben ik hier naar stukken van Hugo Claus komen kijken, in het begin van de jaren zeventig. Ik heb in die periode bij de KVS gesolliciteerd als machinist. Maar ik was waarschijnlijk niet sterk genoeg, ik woog maar vijfenvijftig kilo. Niet dat ze mij daar gewogen hebben.
Steel gitaar, het mooiste instrument voor mij, zegt P.. Het motel waar Gram Parsons is gestorven. Bij Humo werkt iemand die daar, in dat Bed heeft geslapen, zegt hij. Neen, zeg ik, dat heb ik nooit gedaan. Dat zou ik niet willen. Dat is mij wat te morbide. Isn’t that my girl, and isn’t that my best friend? Gene Pitney. We bevelen elkaar boeken aan, geen literatuur, boeken over muzikanten. Ray Charles. Mijn eerste single was ‘I Can’t Stop Loving You’. ‘Modern Sounds In Country & Western’, daar zat steel gitaar op, naar de achtergrond gemixt. Erg goede steel gitaar, zegt P.. Bill Monroe, Flatt & Scruggs. Rednecks. We hebben niet alleen over muziek gepraat, we hebben ook veel gelachen. Dat is nog het beste, dat lachen. We probeerden elkaar niet te overtroeven met onze kennis, we wilden elkaar ons enthousiasme meedelen. Heerlijk.

popcultuur,drinken,dagen,dagelijks leven,tijdverdrijf,dood,gene pitney,dossiers,kantoor,pop,muziek,film,bullit,peter yates,kvs,opening,conversaties,patrick riguelle,zielsverwanten,country,gitaar,gitaar spelen,steelgitaar,gitaristen,gram parsons,joshua tree,ray charles,lachen,russ meyer,shari eubank,supervixens,hoochiekoochie,muddy waters,neuken,zuipen

Gene Vincent & his Blue Caps


Zaterdag was ik tot niet veel in staat. Ik heb wel veel uitzinnig plezier beleefd aan een kitschfilm die ik van Arte had opgenomen, ‘Supervixens’, van Russ Meyer, met de fantastiche Shari Eubank (in de rollen van Super Angel en Super Vixen). De film is niet helemaal vermakelijk, er komt ook heel wat geweld in, vooral ten aanzien van vrouwen. Maar dat geweld wordt ‘afgekeurd’, en de vrouwen in de film zijn sterk, veel sterker dan de mannen. En loontje komt om zijn boontje. Russ Meyer is zeer geliefd in het rockmilieu. Heel wat rockgroepen hebben hun naam bij hem gevonden, of de titel van een song of een album. De meeste van die rockgroepen hebben weinig te vertellen. Waarom vinden ze niet zelf iets uit? Nou ja, iedereen heeft altijd wel ergens iets van iemand anders. Zo heb ik 'hoochiekoochie' van Muddy Waters, zij het anders gespeld. Die bluesconnotatie voor een 'literaire' weblog sprak me wel aan. Die verwijzing naar neuken en zuipen, om het maar eens te zeggen zoals het is. Twee bezigheden die mij volkomen vreemd zijn.

De voorbije dagen deed ik ook andere dingen, waar ik geen woorden voor heb gevonden, of indien wel bewaar ik ze voor later.

09-04-06

WOORDEN OPGESPOORD

 

proza,smeekbede,literatuur,muze,aanroeping,verwaarlozing,woorden,zinnen,creeren,schrijven,schoonheid,lusteloosheid,koffie,porto,amaretto,wijn,bier,betekenis

Ja, ja, ik heb je opnieuw verwaarloosd. Het is niet dat ik niet aan je heb gedacht. Je moest eens weten hoeveel gedachten aan jou op een dag door mijn hoofd razen. Doe geen poging, ze zijn niet te tellen. Zo vaak voel ik de aandrang om je te gebruiken als ik dat zo mag noemen. Of ben jij het die mij gebruikt? Je te gebruiken, om van antwoord te dienen, commentaar te geven, te argumenteren. Om verhalen te vertellen, verzinsels, hele en halve leugens; of rechtuit de waarheid te spreken. Gelul, geleuter en kleinspraak. Of om je gewoonweg maar uit te drukken, te formuleren, voor het plezier, om je mooie vormen te zien verschijnen. Zonder meer. 

Maar net voor het moment van je ontstaan overvalt me opeens die oude vertrouwde lusteloosheid. Alle energie is aan mijn lijf onttrokken, alsof het bloed was, opgezogen door vampiers. Zo fantastisch gaat het er echter niet aan toe.

Kan ik je dan niet meer zien? Kan ik je niet meer oproepen? Ik span me nochtans ik. Ik drink liters koffie, slik alle mogelijke vitamines en mineralen, omega-3, wat je maar wilt. Australische wijn, Amaretto uit Sicilië, Porto uit Porto, bier uit Jupille, solidair als ik ben met de arbeiders daar, maar het is vergeefse moeite. Van koffie word ik zenuwachtig, de pillen lijken placebo’s, de alcohol maakt me lethargisch.


Ik wil je niet verwaarlozen, echt niet. Ik heb eerder de indruk dat jij je voor mij uit de voeten maakt. Waarom dan toch? Ben je bang voor mij? Dat is toch te gek. Ik heb je lief, ik wil alles voor je doen, ik wil je alles geven. Ik zal je altijd volgen, tot in Mexico, tot in Paramaribo, tot aan het eind van de wereld, waar het laatste gras groeit.
Jij weet dat natuurlijk allemaal niet, want je hebt geen ziel. Ik kan jou een ziel schenken, en jij kunt me op jouw beurt plezier verschaffen, het plezier van je ontstaan en van de rijkdom van je betekenis, die ik nog minder in de hand heb.

Wellicht wegens mijn geestelijke uitputting ga je mij uit de weg. Ik heb inderdaad teveel van mezelf gevergd – en misschien ook teveel aan jou gegeven, maar dat mag ik niet zeggen, want dan spreek ik mezelf tegen - en leef nu al te lang tegen mijn ziel in, tegen wat mijn ziel verlangt (en ik heb het niet over ziel in christelijke betekenis, begrijp dat wel). Ziel of natuur of wezen? Je diepste zelf? Against your own heart, om het eens in het Engels te zeggen.
Maar ik had je ervoor gewaarschuwd, ik had het nog zo gezegd, meen ik mij te herinneren. Het is zo goed als zeker dat je niet altijd op me zult kunnen rekenen, heb ik gezegd, denk ik, maar dat betekent niet dat ik je vergeten zal zijn. Ik ben een heel trouwe man en ik kom altijd naar je terug. Maar die periodes van dorheid, wanneer ik je het meeste mis moet je proberen te aanvaarden. Zoals nu, nu ik zo in je nabijheid ben, maar je toch niet kan vinden. Alleen wat zwakke schaduw van je zie ik hier voor me opdoemen. Toch weet ik dat ik je op het spoor ben. Neen, je sporen kun je niet uitwissen.

07-04-06

WO ES WAR

associaties,google,surrealisme,combinaties,meester,verbanden,freud,es,id,guy davenport,pale fire,nabokov,kurt drawert,nazi s,geert mak,endlosung,in europa,a streetcar named desire,blanche dubois,stanley kowalski,snatch,patti palladin,judy nylon,pop,popcultuur,boeken,bugatti,neerharen,dood,meir,antwerpen,dostojewski,ivor cutler,tennessee williams

Is er nog tijd om iets te doen? Stanley! Stanley! Wo Es War Soll Ich Werden. Dat heb ik altijd een fascinerende uitspraak gevonden. Ik tikte die in in het Google-balkje en kwam op Guy Davenport terecht, een schrijver waar ik nog nooit van had gehoord, maar die wel een boek heeft geschreven met die gevleugelde woorden van Freud als titel. Het werk is in honderd exemplaren uitgegeven bij The Finial Press, in Champaign, Illinois, heb ik gelezen. Het lijkt wel een grap van Borges, of een voetnoot in Pale Fire van Nabokov (wellicht de grootste vijand die Freud ooit heeft gehad). Maar kennelijk heeft Davenport echt bestaan, er is zelfs een kort in memoriam in Le Monde verschenen. Verder ontdekte ik de Duitse dichter Kurt Drawert, die in een gedichtenbundel uitgaf met deze titel (Suhrkamp, 1996). Ik ben niet de meester in mijn eigen huis. Ik heb niet eens een eigen huis. Maar moet ik me dat laten welgevallen? Moet ik dat? Neen, dat moet ik niet. Ik moet het onbewuste om de tuin leiden, zo lang tot ik er bij in slaap val. En dan weer wakker worden en mezelf terugvinden in mijn eigen huid. Want de slaap van de rede… Je weet wel. Is er nog tijd? Om gevaren te trotseren? Om avonturen te beleven en daarna te zeggen: ik heb avonturen beleefd? Om gek te doen en toch niet gek te zijn. Hoe houd je jezelf in de hand zonder alles onder controle te houden? Hoe bekijk je jezelf vanop een redelijke afstand. Het leven kan mooi zijn, zelfs al zijn wij niet de heren van de schepping en luistert het paard dat wij berijden niet naar onze orders. 


Ik las nog maar eens over de nazi’s in het dikke en grandioze Europaboek van Geert Mak. Hoe de ambtenaren in de Berlijnse ministeries de Endlösung tot twee cijfers na de komma berekenden. Nooit zagen ze een lijk in rook opgaan, maar ze werkten gedwee mee aan de moord op zes miljoen mensen. Wisten zij niet waar hun paarden naartoe reden? Alleen al daarom is die uitspraak van Freud zo belangrijk. Je moet weten wat je wilt en wat je doet. Klaar als een klontje. Deze tekst is door mezelf geschreven en ook weer niet. Verheldering komt later. Na de val sta je weer op. Daar bedoel ik niets religieus mee. Woordverlies, afasie, vervolgens een stroom van betekenisvol schrijven. Ik ben er zeker van. Dit is een oefening in geduld. Ik laat de woorden komen. Stanley, uit A Streetcar Named Desire. Maar ook uit een lied van Snatch (dat waren Patti Palladin en Judy Nylon). Ooit zag ik de Bugatti’s rijden door de straten van mijn dorp. Hemelse auto’s zag ik. Vorige week zag ik de dood zitten op zo’n paaltje op de Meir in Antwerpen. Hij had een zwart pak aan en las, van de wereld weg, Schuld en Boete van Dostojewski. Een paar dagen geleden, toen ik op weg was naar het Centraal Station hier in Brussel, passeerde Ivor Cutler me, zonder me zelfs een blik waardig te gunnen. Ivor Cutler? Dat kon toch niet, ik had een paar uur voordien gelezen dat hij dood was. En zo gaat het leven zijn gang, running and hiding, anywhere you want me to go. Stanley, Wo Es War Soll Ich Werden! Down, anyway you want me to go. Hello Mary Lou, Goodbye Heart. Ik heb dan toch niet zitten glimlachen, uiteindelijk. Ik ben doodgewoon in slaap gevallen.


Foto uit de film Zardoz van John Boorman.

03-04-06

BRUSSELSE NACHTEN

werk,vrienden,intelligentie,transcendentie,ego,cat power,alexander spence,skip,orval,drinken,cafes,schaterlachen,nazi s,eighties,kater,antwerpen,radio,televisie,ziel,restaurant,faust,greenwich,peter sloterdijk,geert mak,cafe kafka,cafe de monk,droom,rva,vpro

Het ware drukke dagen, maar een soort dorheid had zich daarna van me meester gemaakt. Dat gebeurt wel vaker, ik geloof ten minste één keer per week, maar ik houd het niet nauwlettend in de gaten. Vrijdag was het ongewoon druk op het werk. ’s Avonds ben ik gaan drinken en lekker eten met lieve vrienden (die ook ex-collega’s zijn). Ze zijn jong en weten zo buitengewoon veel dat ik soms denk dat ze hun ziel aan de duivel hebben verkocht. Meermaals vraag ik me af of ik dat niet beter zelf zou doen. Maar de vraag is of ik wel een ziel heb, ik ben geen katholiek, ik ben niet eens gelovig (tenzij je goedgelovigheid ook een geloof noemt). Ik geloof wel in de ‘ziel’ van de muziek, het ritme, de beweging, ook de ‘geestelijke’ beweging die ze veroorzaakt lijkt mij te bestaan, de ontroering, de vervoering. Daar geloof ik allemaal wel in. Maar een eigen ziel die ik zou kunnen verkopen, zoals Faust? Ik betwijfel het. 


Laten we echter terugkeren naar de Greenwich. We zitten daar dan te praten en te luisteren en na een tijdje vergeet je wie wat weet, het heeft geen belang meer, er vindt een transcendentie van het ego plaats. Dat kan wel even duren, maar je komt natuurlijk altijd wel weer terug bij jezelf terecht. Nog een geluk, anders zou je niet meer kunnen functioneren in de gemeenschap van volkeren.

Ik zal geen poging doen om de conversatie hier te reconstrueren, veel meer dan zeven procent herinner ik er mij overigens niet meer van. We hadden het onder meer over Peter Sloterdijk en Geert Mak. Dat dat boek van Geert Mak over Europa zo moeilijk leest in bed. Dat Sloterdijk geen eenvoudige jongen is. Je kunt hem nergens bij indelen, hij hoort nergens thuis. En andere diepzinnigheden. Dan komt het moment van afscheid, mijn vrienden moeten naar huis, mij lokt de stad met haar bekoringen.

werk,vrienden,intelligentie,transcendentie,ego,cat power,alexander spence,skip,orval,drinken,cafes,schaterlachen,nazi s,eighties,kater,antwerpen,radio,televisie,ziel,restaurant,faust,greenwich,peter sloterdijk,geert mak,cafe kafka,cafe de monk,droom,rva,vpro

In café Kafka ontmoet ik een zielsverwant, al is het niet Kafka, zelfs niet Kamiel. Ik kan hem moeilijk ‘vriend’ noemen omdat ik hem nog maar twee weken ken. Maar ik noem hem toch maar zielsverwant. We houden onder meer van dezelfde muziek. Cat Power, Alexander Spence. Ik dacht dat ik de enige Belg was die Alexander Spence zelfs nog maar kende. Wat heb ik mij vergist. Vrijdagnacht in café De Monk bleek dat deze man zelfs de songs van Spence kon zingen, wat ik zelf niet eens kan. Ik kan helemaal niet zingen. In een van die liedjes van Alexander Spence (die ook Skip heet) komt de zin: ‘I’ve searched everywhere in heaven, but I’ve never found a friend like you…’ Ondertussen dronken we Orval, geloof ik, of was het Tripel van Westmalle? Ik denk Orval, niet omdat ik dat bier lekkerder vind, maar omdat het minder straf is dan de heerlijke Tripel. Ja, dit klinkt weer als een opstel. Zou ik het niet over een andere boeg gooien?

Die nacht heb ik in een droom zo liggen schaterlachen. Dat heb ik gisteren al verteld. Werklozen liepen in een processie en droegen elk een of ander grappig voorwerp. Een eindeloze stoet was het, op weg naar het stempelkantoor. Vroeger, nog in de jaren ’80 van de vorige eeuw, moesten werkloze Belgen elke dag op een ander uur een stempeltje gaan halen in een stempelkantoor. Ik heb dat zelf lang moeten doen. Vreselijk vernederend was dat. We moesten in dat kantoor in een rij gaan staan, op nummer! Nazi’s hadden het niet beter kunnen bedenken. Ik ben de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening er nog altijd dankbaar voor dat hij mij niet heeft vergast. Ik ben nu zeer ernstig. Het waren volgens mij zulke mensen als daar toen werkten die de Endlösung hebben bedacht. In ieder geval heb ik, in tegenstelling tot vrijdagnacht in mijn slaap, als werkloze nooit gelachen, toch niet als ik in de rij stond.


Trappist is lekker bier maar het is ook vergift. Over zaterdag kan ik daarom kort zijn (en over zondag ook). Ik had een flinke kater en in die toestand moest ik naar Antwerpen voor mijn radioprogramma. Ik neem in zo’n geval wat pilletjes tegen misselijkheid en braakneigingen. Anders zou het bijvoorbeeld kunnen gebeuren dat ik het mooie pak van de kaartjesknipper onderkots, en daarvoor ben ik veel te goed opgevoed. De treinreis leek drie keer zo lang te duren. Misschien is dat een nevenwerking van die pilletjes? Eens in Antwerpen loop je dan dan misselijk over de Meir, tussen al die prille zonnige winkelende meisjes. Het is een verschijnsel dat ik heel sterk met Antwerpen associeer, prille zonnige winkelende meisjes. Vervolgens wat nachos met een glas bier; mijn vriend PG in hogere sferen; toch nog een radioprogramma maken dat enige samenhang vertoont; konijn met pruimen en abrikozen bij de vrienden; met een vroege trein weer naar huis.

Gisteren voornamelijk zitten suffen en me laten deprimeren door een programma op de VPRO over vrouwenhandel. Zonder enige glamour, gelukkig – maar wel een wakende nachtmerrie.

30-03-06

HET IDYLLISCHE LEVEN

1975,elsene,jos d,guinevere,laura,neil young,tijdschriften,vriendschap

Jos Dorissen, Vivian Smekens, Agnes Anquinet.

Het idyllische leven. Waar waren onze gedachten? Waar was ons gezond verstand? De boeken stonden ongelezen in de rekken, After the Goldrush vloeide als vervloekt goud uit de luidsprekers. De zon scheen op afbeeldingen van filmsterren. De hele wereld was in een waas van onmogelijk geluk en onbereikbare lust gehuld.

TWEE SPEEDFREAKS

playboy,jos d,vriendschap,foto,martin pulaski,speed

De betekenis van vriendschap. Jos Dorissen en Pulaski: sneller dan het licht in 1980.


”Jos kocht altijd de Playboy, voor de interviews…. Die maand stond er een interview in met Sartre. Zelf was ik niet zo gek op die lelijke schrijver, maar Jos vond dat ik absoluut 'Les chemins de la liberté' moest lezen.” Dat Sartre aan de amfetamine zat gaf de doorslag om zijn boeken op zijn minst te doorbladeren.

GERAAS EN GEBRAL II


Faulkner @ Table


Jos toonde me met het enthousiasme dat hem zo eigen was zijn nieuwe aanwinsten. In mijn teruggevonden notities herinnerde ik me nog Robert Musils Der Mann ohne Eigenschaften (dat meesterwerk was toen nog niet in het Nederlands vertaald), Het Schrijversdagboek van Virginia Woolf, Verzamelde Gedichten van D.H. Lawrence, romans van Dostojewski, James Joyce en Thomas Hardy en een verhalenbundel van Katherine Mansfield. Maar er waren nog veel meer nieuwe boeken, hij kocht ze als een bezetene, en vond het vreselijk dat hij ze niet allemaal tegelijk kon lezen.

Om middernacht verlieten we zijn appartement omdat de voorraad bier op was. We wandelden naar een kroeg op het Mechelseplein, waar we ons gesprek over literatuur en muziek voortzetten. Maar we hadden het over zoveel andere dingen. We sprongen van de hak op de tak. Jos kocht altijd de Playboy, voor de interviews…. Die maand stond er interview in met Sartre. Zelf was ik niet zo gek op die lelijke schrijver, maar Jos vond dat ik absoluut 'Les chemins de la liberté' moest lezen. Waarschijnlijk beïnvloedde Sartre's amfetaminegebruik zijn oordeel. Jos probeerde mij er van te overtuigen zelf iets te publiceren. Niet alleen maar gedichten. Ik moest een roman schrijven, zei hij. Een werk zoals ‘Les chemins de la liberté’ lag in mijn mogelijkheden. Met veel vuur moedigde hij me aan. Dat had hij al altijd gedaan, zo lang ik hem kende. Maar ik kan me niet houden aan een vooraf uitgetekend plan, wat toch wel noodzakelijk is om een goede roman te schrijven, wierp ik tegen. Ik kan alleen maar schrijven wat ik moet, bijna vanuit spontane opwellingen of onbewuste verlangens. Mijn geschrijf is waarschijnlijk neurotisch van aard. Bij mij is de wil zwak. Eigenlijk heb ik zelfs geen wil. Zo kan ik bijvoorbeeld geen verslag uitbrengen van een film die ik heb gezien - of van om het even wat - als ik dat alleen maar wil. Wel kan ik dat, geloof ik, als ik de behoefte daartoe voel, als ik ernaar verlang me erover uit te drukken. Maar zelfs dan moet ik me inspannen, alleen al om eraan te beginnen. Dat is misschien nog het moeilijkste: eraan beginnen. En het resultaat is soms teleurstellend. Er moet dan geschrapt, gecorrigeerd, gecombineerd, herschreven worden. Werken!

Jos was de enige mens die begrip had voor al deze ‘problemen’. De roman is na al die jaren nog steeds niet geschreven, het boek niet gepubliceerd. Alleen een dun dichtbundeltje, waarin een In Memoriam aan Jos.
Het is de hoogste tijd dat ik aan dat boek begin. Ik ben het mijn vriend, mijn ander zelf, verschuldigd. Wat ik al zeker weet is dat het geen Harry Potter zal worden. Hoe vind je dan nog een uitgever? Want een Da Vinci Code wordt het evenmin. De kans is veel groter dat ik een idioot aan het woord zal laten en wat hij zal vertellen zal vol zijn van geraas en gebral.

De teruggevonden notities zijn oud, het papier is vergeeld, de inkt heeft een onbepaalde kleur gekregen. Ik ben al lang iemand anders geworden, maar toch herken ik de vriendschap nog, die daar beschreven werd door degene die ik toen was. Vorige nacht las ik in het verhaal ‘De Zahir’ van Borges het volgende: "Ik ben niet die ik toen was, maar toch ben ik nog in staat mij het gebeurde te herinneren, en misschien te vertellen. Nog ben ik, hoewel gedeeltelijk, Borges." Nog een keer Borges…

Foto: William Faulkner, schrijver van The Sound And the Fury.

GERAAS EN GEBRAL I


Een paar dagen geleden vond ik oude, met de vulpen geschreven, notities terug over een bezoek aan mijn vriend Jos. De datum van de tekst is onleesbaar, maar ik weet wel zeker dat de avond die ik erin beschreef zich in 1978 voltrok. Wat klinkt dit toch weer plechtig! Te liturgisch, te weinig vlezig.

Ik was die avond onaangekondigd bij Jos komen opdagen. Dat deden we in die tijd bijna altijd: we hadden geen telefoon en al de rest bestond nog niet. Mijn vriend was blij dat ik daar zo opeens voor zijn deur stond. Zelf was ik ook opgewekt, maar tegelijk aan hevige onrust ten prooi. Die onrust was een voorbode van een periode van ziekte. Dat fenomeen is veel meer dan een voorgevoel. Omdat het zo herkenbaar is grenst het aan zekerheid. Ik heb van dat inzicht nog geen enkele arts kunnen overtuigen. Ik denk dat de onrust wordt veroorzaakt door de zenuwen, als een waarschuwing aan het lichaam, wees voorzichtig, er is een aanval op komst.

Na een paar biertjes had ik echter mijn kalmte teruggevonden. Onze conversatie ging over vriendschap. Jos herinnerde zich mijn brief waarin ik naar de uitspraak 'Een vriend is een ander zelf' van Aristoteles had verwezen (Ik had die niet bij Aristoteles gevonden, maar in een verhaal van Borges. In verhalen van Borges kun je ongeveer alles vinden. Een zin van hem is soms een hele encyclopedie.). Jos vond het de mooiste brief die hij ooit gekregen had. Ik was niet zijn beste vriend, zei hij. Ik was veel meer dan dat, ik was zijn enige vriend. Ik hoopte in stilte dat onze vriendschap zou blijven duren. Want je weet maar nooit. Maar genoeg daarover.

27-03-06

GEDUBDE FILMS EN FRANSTALIGE ONDERTITELS

lucia bose,derive,lente,schoonheid,vrouwen,meisjes,brussel,monica vitti,nederlands,frans,taal,dubben,ondertitels,film,televisie,digitalisering,coditel

De lentemiddag lokte mij alvast naar buiten, maar ik was al snel weer binnen, op zoek naar klassieke schoonheid. De echte mensen rondom me op straat zag ik ternauwernood. Ik geloof ook niet dat er veel aan hen te zien was. Vrouwen als Lucia Bosé of zelfs Monica Vitti tref je niet aan in de Brusselse straten, zeker niet op mijn dagelijks parcours (het wordt de hoogste tijd dat ik mij nog eens aan een dérive overgeef), je vindt ze alleen maar in de cinema of op dvd. Ik heb me daarom nog maar eens naar zo’n kapitalistische markt begeven, waar veel beelden voorhanden zijn, maar als je ze ook nog wilt zien, moet je er wel voor betalen.

Ik wil hoegenaamd niet alleen maar beelden, maar ook geluid en ondertitels. Het ergste zijn gedubde films. Ik heb ooit nog maar één gedubd fragment gezien en heb daarna een hele week lopen en liggen walgen. Nu vind je in Brussel gelukkig nog wel dvd’s met ondertitels, maar die zijn negen keren op tien in het Frans. Ik wil hier nog wel eens herhalen dat ik Frans een mooie taal vind, maar ik lees ze minder snel dan Nederlands, terwijl je ondertitels toch snel moet lezen. Ze zijn eigenlijk maar een hulpmiddel om de dialogen beter te verstaan. De schande is nu dat in die grote ketens, zoals Mediamarkt, bijna geen dvd’s met Nederlandse ondertitels te vinden zijn, tenzij je Rambo of Titanic nog een keer wilt zien. Terwijl er in die winkel toch echt wel zeer veel Nederlandstaligen komen.

Het Nederlandstalige publiek wordt in Brussel onwaarschijnlijk minachtend behandeld. Zo ben ik geabonneerd op Coditel voor de kabeltelevisie. Dat bedrijf heeft het monopolie waar ik woon. Nu wordt die kabel gedigitaliseerd en het bedrijf is zo vriendelijk om 17 kanalen toe te voegen aan het bestaande aanbod. Ik geloof dat daar slechts één Nederlandstalig kanaal bij is, de andere zijn deels in het Frans, maar overwegend in het Arabisch. Het is zeer zeker wel leuk voor de Arabisch sprekende Brusselaars dat zij er nu die kanalen bijkrijgen (en dat die afschuwelijke schotels dan misschien uit het straatbeeld zullen verdwijnen), maar één Nederlandstalig kanaal, dat is toch bijzonder weinig. Bovendien zullen we om BBC2 en CNN nog te kunnen ontvangen moeten bijbetalen. Er komen in totaal 2 specifieke filmkanalen en die zijn zuiver Franstalig. Daar zul je Johnny Depp, Monica Vitti en Cate Blanchett alleen Frans horen spreken. Zulke dingen geven mij heel veel zin om uit mijn geliefde stad te vertrekken en het geluk ergens anders te gaan zoeken. In de mediamarkt heb ik alvast niet één betaalbare filmgodin gevonden. Ik heb mij dan maar tevredengesteld met Orson Welles, Robert De Niro en Billy Bob Thornton.

lucia bose,derive,lente,schoonheid,vrouwen,meisjes,brussel,monica vitti,nederlands,frans,taal,dubben,ondertitels,film,televisie,digitalisering,coditel

Afbeeldingen: Monica Vitti

DORRE HERSENS EN VALSE LIEFDE

nachtleven,blackout,dokter,slaaplaboratoirum,slapeloosheid,slaapstoornissen,drinken,cafebezoek,woorden,film,michelangelo antonioni,existentialisme,1950,giovanni fusco,lucia bose,vrouwen,femme fatale

Een warme dag, de lente plotseling, die ons met haar eerste bloesems opfleurt en het hoesten door een zucht vervangt. Achttien graden Celsius. Je neemt het woord ‘Sehnsucht’ in de mond. Neen, toch niet. Daarover mag je niet schrijven, dat zijn zo van die clichés. De eerste de beste doet dat, maar niet de eigenzinnige, de einzelgänger. Schrijft niemand op eigenzinnige manier over de lente? Ja, de idioot, de eeuwige Nijinski, de eeuwige Virginia Woolf. Ik denk dan aan het woord ‘daffodils’, het woord ‘gifbeker’.


Mijn hersens zijn aangetast door de roes, door het vele slapen en meer nog door de nachten zonder slaap. Een slaapkliniek heeft geen zin, zegt mijn huisdokter. Hoe zouden ze uw slaap kunnen bestuderen? Je zou er niet kunnen slapen. Ik denk dat de man gelijk heeft. Dokters hebben lang gestudeerd en weten bijgevolg veel. Ach, laat dat ‘bijgevolg’ maar weg.


Wat ik heel goed weet is dat het nachtleven niet geschikt is voor mij. Ik ben er te oud en te zwak voor. Maar ik blijf er altijd naar verlangen, vergeet mijn zwakheid, leeftijd. En daar ga ik dan, de nacht in. Het wordt weer eens een groot feest, drinken, dansen, zingen, in vreemde talen als het moet, Babylonisch. Speaking in tongues. Gepraat, euforie, dronkenschap. En toch nog aan de taxichauffeur uit kunnen leggen hoe hij je naar huis moet brengen, waar je woont, hem je huisnummer influisteren, en hem het gepaste bedrag betalen, met drinkgeld erbovenop. Van zulke nachten blijft zo goed als niets over. De volgende dagen zijn dor als aarde die je de hele winter in een bloempot hebt laten staan, met een verdorde plant erin. Want begin december is het plotseling toch nog winter geworden, en dan had je geen zin meer om alle planten op het terras op te ruimen. Dat is een taak voor een van de volgende dagen. Of misschien wacht je beter tot je terug bent van La Palma. Stel dat het eiland in de oceaan zinkt, met jou - en alle andere mensen daar aanwezig - erop. In dat geval heb je al dat werk op het terras voor niets gedaan. Beter wachten.

Gisteravond zag ik een bijna hypnotiserende film over liefde die geen liefde is, over misdaad die geen misdaad is en over jaloezie: ‘Cronaca di un amore’ van Michelangelo Antonioni. Hij maakte de film in 1950, het jaar dat ik geboren ben. Een meesterwerk dat ik gelukkig nog nooit gezien had. Een existentialistische film noir met een verbluffend mooie Lucia Bosé als de femme fatale van dienst. (Denk jij bij de uitdrukking ‘femme fatale’ ook altijd onwillekeurig aan the Velvet Underground en Nico?) In 1950 werden er overigens ook al zeer bizarre en tegelijk betoverende soundtracks gemaakt, zoals hier door Giovanni Fusco. In 1950 rustte op bontjassen zeker nog geen taboe. Wat schitterden die vrouwen in hun witte bontjassen met om hun slanke hals een gevaarlijk glinsterend parelsnoer.

Afgodin: Lucia Bosé, miss Italië en filmster.

24-03-06

BAD TIMING



















Je ziet iemand plotseling door de muur je kamer binnenkomen. Je ziet meteen dat het je andere helft is. Je vriend, je vriendin, je toekomstige geliefde. Een ander zelf. In een ogenblik word je verliefd. Koorts overmant je, je lippen barsten van de hitte in je mond. Je lichaam tintelt. Je zweet van opwinding, maar dat heeft niet de geur van ziekte, eerder van appelbloesem. Je weet niets meer. De elektrische verbindingen in je hersens laten het afweten. Smelten als staal in de hitte van honderd zonnen.

Je zat in je kamer, alleen. De wereld te overschouwen. Een oude kaart van de Red Star Line had je aandacht getrokken. Je blik gleed over landen die al lang niet meer bestaan. Revoluties, burgeroorlogen, verdragen, tirannen - met veel volk dat achter hen aan door de modder en het bloed ploeterde - hebben grenzen uitgewist, naties van de kaart geveegd, volkeren verjaagd, namen doen vergeten. Je dacht daar zo nog jaren te zullen zitten op die stoel, met die kaart voor je, en links van je het raam met daarachter de altijdgroene sierspar. Zou het pijn doen als hij wordt gesnoeid? Het slagveld Europa laat hem onverschillig. Overschilligheid en cynisme zijn de grootste schandalen. Maar kun je een spar onverschilligheid verwijten?

Deze vrouw – want was een vrouw - echter, was je wederhelft. Je vergat de kaart, de wereld, de bestaande en vergeten naties. Je luisterde niet meer naar de radio, vergat tijdschriften en kranten. In die tijd bestond het Internet nog niet, maar iedereen weet dat staal veel sterker is.
Appelbloesem. Zij was kersenbloesem. We benaderden elkaar voorzichtig. In het midden stond een eeuwenoude eik. Weer een boom. Jij kwam van de linkerzijde, ik van de rechter. Aan de andere kant van de boom, de schaduwzijde, vielen we elkaar in de armen. De ene was over een brug gekomen, over een grens. De andere was naar de brug toegegaan, in zijn eigen land gebleven. Zoals Art Garfunkel en de mooie, altijd wat perverse Theresa Russel in ‘Bad Timing’.

Heel snel begon hun leven op die film te lijken. Enkele woorden, enkele muzikale thema’s of leidmotieven, vatten vele jaren samen. De stemmen van Billie Holiday en Tom Waits. Muziek van Gustav Mahler, van Hector Berlioz. Een mengeling van melodrama, obsessies, bezitsdrang, jaloezie (zelfs op het verleden), decadentie, theater, alcohol, amfetamine, zenuwinzinkingen, psychoanalyses, wellust, zelfvernietiging, zijnsvergetelheid. Het volledig en absoluut willen bezitten van de andere. Zich de andere willen toe-eigenen. En als een lokroep waren er de steden Boedapest en Wenen, vooral Wenen. Dat was hun stad vonden zij, de stad van ‘Bad Timing’, van de pyscho-analyse, van Egon Schiele, van Otto Weininger, van Arthur Schnitzler, schrijver van Reigen, Traumnovelle, van Fräulein Else vooral. Wenen, de naam ‘Wenen’.

Zo zie je iemand plotseling door de muur je kamer binnenkomen. Is het een schim? Een dagdroom? Is het een herinnering? Speelt je verbeelding je parten? Werk je aan een autobiografie? Vertel je iets over een film? Laat je de lezers binnen in je laboratorium?

Afbeelding: Art Garfunkel en Theresa Russell in 'Bad Timing'.

19-03-06

ONTMOETING MET KRISTIEN DIELTIENS

katrien de ruysscher,sexy,kristien dieltiens,cirio,bob morane,james bond,the saint,maigret,schuchter,foto,simenon,schrijven,actrice,tsjechov,de kersentuin,caddyhome,brussel,discipline,psychoanalyse,autobiografie,woody allen,kvs,raven ruell,tapas,martin pulaski,jfk canard

Raven Ruëll

Slaapgebrek verstoort mijn waarnemingsvermogen en veroorzaakt geheugenstoornissen. Ik doe nog weinig. Ik ben moe. Ik bedoel met weinig doen: weinig schrijven. Gisteren heb ik huishoudelijke taken gedaan, boodschappen, enzovoort. Daarna heb ik mijn lichaam uitgebreid verzorgd. Dat is ook nodig. Mijn scheerapparaat is wel al een tijdje stuk, waardoor ik nu meestal met een modieuze stoppelbaard rondloop. Ik heb het niet zo voor modieuze stoppelbaarden, maar ik heb nog geen tijd gevonden om een nieuw apparaat te kopen. Eigenlijk had ik wel al tijd, maar dan dwingt mijn verslaving mij in de richting van de muziekwinkels, de boekenwinkels. Stoppelbaard dus. Om drie uur moest ik in de stad zijn, in café Cirio. Ik had een afspraak met een mij toen nog onbekende dame; nu ken ik haar al wat beter. Ze schrijft kinderboeken, jeugdboeken. Ik had nooit gedacht dat ik ooit nog kennis zou maken met een schrijfster van zulke boeken. Nooit heb ik kinderboeken gelezen. Ik ben meteen met het serieuze werk begonnen, als je Bob Morane, James Bond, Maigret en The Saint serieus werk wilt noemen.

Door dat gesprek gisteren ben ik begonnen te denken dat jeugdliteratuur net zo ‘serieus’ is als literatuur voor volwassenen. Dat er evenveel inzet, helder bewustzijn en energie voor nodig is. Discipline natuurlijk ook. Zonder discipline geraak je nergens. Ik wil hier verder over deze ontmoeting niets vertellen. Hoochiekoochie is wel een doorlopende autobiografie, een soort van ego-psychoanalyse (dat kost me minder dan bij een psychiater, ik heb al twee zulke analyses achter de rug, ga stilaan op Woody Allen lijken), maar er zijn grenzen aan mijn openhartigheid. Ik wil hier niet zomaar alles en iedereen te grabbel gooien. De schrijfster is alvast een zeer fascinerende vrouw. Het was een aangenaam, maar wel nogal intens gesprek. Die intensiteit heeft ervoor gezorgd dat mijn vermoeidheid tijdelijk is verdwenen. De schrijfster, mijn vrouw en ik zijn dan nog samen tapas gaan eten. We zullen elkaar zeker nog terugzien. 

Het lijkt wel of ik aan een opstel bezig ben. Waarschijnlijk schrijf ik enigszins infantiel doordat ik een katertje heb. Want na het eten van de tapas moesten we in de KVS zijn, voor een voorstelling van De Kerstentuin. Een geslaagde voorstelling, vooral omdat er bijzonder goed in werd geacteerd. Regisseur Raven Ruëll heeft Tjechovs stuk met weinig eerbied onder handen genomen. Dat is een goede zaak. Eigenlijk was het een echte vaudeville. We hebben heel veel gelachen. Als iets goed is herken ik er mij in, en dat was nu verscheidene keren het geval. Toch werd mijn aandacht af en toe afgeleid, waarschijnlijk onder invloed van het bier in de Cirio en de wijn bij de tapas en ten gevolge van de uitputting. Ik zat dan even te mijmeren, of na te denken over iets wat ik wilde schrijven, of, ja, dat moet ik toch ook bekennen, ik zat gewoon te kijken naar Katrien De Ruysscher, zonder nog naar de tekst te luisteren. Wat een mooie en sexy actrice! Maar als we dan tijdens de receptie dicht bij elkaar staan durf ik toch niets tegen haar zeggen. Ook niet zomaar gewoon dat ik het een zeer geslaagde opvoering vond of iets dergelijks. Neen, zelfs geen koetjes en kalfjes. Evenmin geeft ik de andere acteurs en actrices een compliment. Ik wil dat bijzonder graag doen, altijd, maar ik kan het niet. We drinken dan maar bier en eten lekkere hapjes en voelen ons oud en eenzaam. Schuchter zijn is geen pretje.


Ik wil later wat dieper ingaan op dit stuk, want Tsjechov is natuurlijk schitterend, een geniaal schrijver en toneelauteur. Maar nu zit ik met die kater. Ik ga nog wat flessen water naar boven dragen. Gisteren heeft Caddyhome een honderdtal flessen mineraalwater geleverd. Die moeten nu allemaal naar boven.

13-03-06

AMERIKAANSE INVLOEDEN

autobiografie,muziek,americana,flickr,verbeelding,cowboys,hank williams,vs,schrijven,vrienden,geschiedenis,indianen

Mijn zin om over het Amerika van de geest te schrijven is groot, schreef ik enkele dagen geleden. Terwijl ik nu naar Hank Williams zit te luisteren bedenk ik dat ik bijna altijd over het Amerika van de geest schrijf. Ik was me daar niet zo bewust van, toen ik die zin noteerde. Maar nu denk ik dat het zo is. Als ik tijd heb en geen angst om met mijn eigen recent verleden geconfronteerd te worden zal ik het er eens op nalezen. Er zijn ongetwijfeld uitzonderingen, excursies als het ware, naar andere landen, echte en verzonnen, reële en kunstmatige. Want het is waar, ik converseer niet alleen maar met cowboys en indianen, maar ook met mezelf en mijn geschiedenis en met mijn vrienden, kennissen, collega’s, met toevallige passanten (in cafés, op recepties) en hun geschiedenissen en van die gesprekken blijven sporen achter in mijn zinnen.

Ook van de stille dialogen met andere webloggers, vooral van ‘andere woorden’ of ‘evy’, ‘pam’, en van snelle intermezzo’s met flickers zoals Gary, John, Cristina, Agata, Rochelle, Seacater blijven sporen achter in mijn zinnen en in mijn beelden – en bij die gesprekspartners zijn maar weinig Amerikanen, van de geest noch van het lichaam. 


Foto: Hank Williams

BINNEN EN BUITEN


Na meer dan een week binnenshuis te hebben doorgebracht (overdag in gekoesterde eenzaamheid, af en toe een blik in de spiegel, veel gehoest, veel geslaap, veel muziek, veel gedachtenspinsels; ’s avonds in het gezelschap van de vertrouwde levensgezellin), ben ik deze morgen weer door kou naar het werk gegaan. Ondanks de zon was het een moeizame tocht, de ‘berg’ op, richting metrostation. Deze middag ben ik de nieuwe cd van Neko Case - ‘Fox Confessor Brings The Flood’, raadselachtige titel - gaan kopen. Daar heb ik ongeveer anderhalf uur over gedaan. Nu heb ik er spijt van dat ik mijn tijd niet beter heb besteed. Je wordt gek in zo’n mediamarkt. Je kunt er veel kopen, maar eigenlijk niet echt. Wat je echt zoekt is er niet. Ik vond het al vreemd dat Neko Case er was. Een paar jaar geleden zou je daar niet één cd van Johnny Cash hebben gevonden. Je moest bijna naar de VS om een cd van Johnny Cash te kopen. Op een bepaald ogenblik hebben de massamedia de man ontdekt. Opeens was hij geen maffe boer mee die christelijke liedjes zon, maar een oude, wijze, hippe vent. Nu moet iedereen die cd’s van Johnny Cash: in die mediamarkt lagen er wel honderd, of duizend, ik heb ze niet geteld. Ach ja, de markt is de markt. En je moet nooit spijt hebben van wat je hebt gedaan, ik weet het. Maar soms vergeet ik het. Nu schijnt de zon hier naar binnen en dat zou moeten volstaan. Opnieuw aan het werk!