21-07-06

OVER EEN DICHTER EN ZIJN TOREN

holderlin,toren,materiaal,tubingen,hitte,pijn,artaud,reizen,kleist,kester freriks,lezen,poezie,rilke,waanzin

De tekst hieronder beschouw ik niet als ‘poëzie’. Het is een lectuur van nagelaten fragmenten van Friedrich Hölderlin. Meer bepaald van de derde versie van het gedicht Mnemosyne. Ik zou dit hölderlinmateriaal willen noemen, zoals er ook medeamateriaal bestaat. Ik heb me in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw intensief bezig gehouden met Hölderlin, maar ook met Kleist, Artaud en Rilke. Tussen alle documenten die toen zijn ontstaan zal nog wel wat waardevols zitten. Het zou digitaal moeten worden omgezet, maar ik heb daar geen tijd voor, en ik wil evenmin geconfronteerd worden met dat verre verleden. 


Ik las in die dagen veel over het werk van Hölderlin, ook wel wat over zijn leven. Heideggers Erlauterungen Zu Hölderlins Dichtung, Peter Szondi’s Hölderlin-Studien, uit 1967, Jean Laplanches Hölderlin et la question du père, M.B. Benns Hölderlin and Pindar, het Hölderlinstuk van Peter Weiss, interessante essays van Georg Lukacs, Klaus Pezold, Martin Walser en Pierre Bertaux, en, ook interessant vanuit een linguïstische hoek, Roman Jakobsons studie getiteld Hölderlin. Klee. Brecht. Ik hield veel, herinner ik me, van Pierre Jean Jouves Poèmes de la folie de Hölderlin,waarin tevens fragmenten uit dagboeken en brieven van Bettina Von Arnim en Wilheml Waiblinger waren opgenomen.

Hölderlin was een dichter met wie ik me om een mij nu niet meer zo duidelijke reden nogal verwant voelde. Ik denk dat de ontroostbaarheid er een rol in speelde; zijn eenzame strijd tegen de tijdgenoten, om boven de idyllische romantiek uit te stijgen en iets nieuws en blijvends te stichten – en meer nog de miskenning en minachting die hem ten deel vielen, onder meer van Goethe en Schiller, de grote Duitse helden.

In 1980 verbleven Laura en ik een week in Tübingen, waar ik de hele tijd echt gelukkig was. We bezochten er de Hölderlin-toren, aan de Neckar, de rivier waar Hölderlin met zoveel liefde over schreef. Hölderlin verbleef in de toren gedurende de tweede, ‘donkere’ helft van zijn leven (van 1807 tot aan zijn dood op 7 juni 1843). We stonden natuurlijk, terwijl het zacht regende, aan het graf van de dichter en voeren met een bootje op de rivier, zoals de dichter wellicht zelf ook had gedaan. De toren die in Tübingen staat is niet meer de echte. Hij is in 1875 afgebrand. Nadien werd de toren en het aanpalende huis weer opgebouwd. Nu is het een literair-toeristische attractie. Kester Freriks heeft een vrij mooie roman geschreven, getiteld Hölderlins toren.

Het is alweer zo heet en ik heb nog altijd pijn, vooral aan de linkerkaak. Ik kan zeer moeilijk kauwen. De dokter veronderstelt dat ik te hard gegild heb, waardoor mijn kaakgewricht ontwricht is. Ik weet het niet. Het sleept wel lang aan. Die gekneusde ribben en die blauwe plekken, daar valt wel mee te leven. Maar die kaak… Ik bijt zo graag, vooral in de zachte hals van een vrouw.

17-07-06

BRUSSEL IS EEN GEVAARLIJKE STAD

brussel,gevaar,misdaad,dieven,zinloos geweld,levenslust,boeven,valse vrienden,donkere terrassen,pooiers,bont en blauw,schoppen,taxi,politie,aasgieren,middernacht,middernacht van de ziel,ex-schoonbroer,dronkaards,zatlappen,gebroken ribben,ademnood,haat,geweld,frustratie,onverschilligheid

Brussel is een gevaarlijke stad. Je leest het in de krant, soms zie je het eens een keer op televisie. Je beleeft het al eens aan den lijve. Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn. Na middernacht, maar soms ook veel vroeger, komen naast de goede mensen die feest willen vieren en gelukkig zijn, de lage mensen buiten, de aasgieren zullen we maar zeggen. Voor 20 euro snijden ze een zwakke feestvierder de keel over. Je mag al zeer tevreden zijn als het ongedierte - een veel te mooi woord en beledigend voor het werkelijke ongedierte, maar ik vind geen alternatief - je alleen maar bont en blauw schopt. Je mag al zeer tevreden zijn als je levend en nog enigszins intact de nachtelijke Brusselse straten achter je kunt laten, de ruige kroegen, de donkere terrassen, het gejank van de ambulances, de ziekenhuizen, de geweldenaars met hun vuisten, stevige schoenen en messen, met hun dure auto's, de onverschilligen, de politiekantoren (met hun onbeschoft en zeer humaan personeel). Je mag al zeer tevreden zijn als je na een lange en bange taxirit troost kan vinden in de armen van je geliefde. 


Brussel is een gevaarlijke stad. Meer kan ik er op dit ogenblik niet over zeggen. Mijn vakantie is begonnen.

15-07-06

HERBEGINNEN

poezieavond,muziekdoos,pauze,stilstand,antwerpen,herman j  claeys,marc tiefenthal,bart van peer,kaatje wharton,lieve mensen,vrienden,foto,martin pulaski

Waar herbeginnen? Het is alsof ik na de poëzieavond in de Muziekdoos in Antwerpen ben stilgevallen. Ik heb het niet over writer’s block of iets dergelijks, want ik weet dat het allemaal terugkomt. Misschien heb je dat leeg gevoel, die tijdelijke stilte wel nodig. 

Hoewel ik het in café de Muziekdoos zeer naar mijn zin had, kan ik op dit ogenblik weinig kwijt over mijn eigen optreden en dat van de andere dichters (onder wie echte meesters in het vak). Wat ik ik nu wil doen, voor ik het nog zou vergeten, is iedereen die er bij was hartelijk bedanken. Natuurlijk Stichting Pipelines / De Muzeval die me uitnodigde, en in het bijzonder Herman J. Claeys, Marc Tiefenthal, Bart van Peer en Kaatje Wharton die me echt in de watten hebben gelegd. Lieve mensen! En natuurlijk mijn trouwe vrienden, zij die er bij waren en zij die er niet konden zijn. Ik wil meteen van de gelegenheid gebruik maken om Evy en Iris te bedanken voor hun interesse. Ze waren graag gekomen maar waren verhinderd. En Marc, die me moed insprak. Tot de volgende keer.

Foto: Martin Pulaski, door Agnes Anquinet

13-07-06

PERFORMANCE IN DE MUZIEKDOOS


M


Geen tijd voor nieuwe zaken vandaag. Syd Barretts dood neemt mijn gevoelens nog in beslag. De onzin die over de man werd en wordt geschreven! Op de voorpagina van het vodje dat Metro heet bijvoorbeeld.
Iets geheel anders is mijn optreden vanavond. Plankenkoorts, onzekerheid; twijfel of ik er wel goed aan doe nog eens in de ‘openbaarheid’ te komen. Voor iets nieuws is er geen tijd, geen geestelijke ruimte. Er is nochtans veel te zeggen, onder andere over die kleine polemiek naar aanleiding van mijn stukje over Slavoj Zizek. Maar niet nu.

Lezers van Hoochiekoochie die naar me willen komen luisteren: ik lees vanavond om 8 uuur voor uit ‘eigen werk’ in café de Muziekdoos, Verschansingstraat 63, in Antwerpen-Zuid. Een muziekdoos maakt normalerwijs muziek. Dat zal vanavond niet anders zijn.

Foto: Peter Lorre in M van Fritz Lang.

11-07-06

VOOR EN NA DE REGEN 5

pop,popcultuur,vriendschap,blues,pannenhuis,pink floyd,garelli,bilzen,jazz bilzen,flower power,free jazz,poezie,slam,pillen,gin,heilig,woord,kussen,brugge,liefjes,ouders,antwerpen,piper at the gates of dawn

Opgedragen aan Syd Barrett, in memoriam.


5.

Henry zit weer achterop mijn gele Garelli, we rijden door Sledderlo om de show te stelen. Niets is gelukzaliger dan de wind in je haren, vooral als je net East West hebt gekocht voor honderd frank, & zo de Chicago blues hebt ontdekt. Met geschaafde ellebogen & handen - want natuurlijk zijn we gevallen met die brommer - moeten we nu naar Bilzen. Als we tenminste geen tetanus krijgen, zegt Henry's vader, die onze wonden grondig ontsmet. Bilzen, waar flower power, free jazz & orale poëzie de lucht verluchten, zoals in de middeleeuwen monniken met manuscripten deden. We drinken gin & slikken hoesttabletten. De kleine Johannes heeft een lief uit Holland. Ze legt me uit wat een knaak is. Eindelijk een heilig woord, denk ik, maar alleen uit haar mond, weet ik nu. Ook ontdekten we waarvoor scholen dienden. Om er in te breken, te roken, gin te drinken, op de tafels te slapen. & 's morgens het hoofd te verfrissen onder een kraantje in de toiletten.
Ik heb aan zee een heerlijk meisje leren kennen. Pauline blijft me drie lange dagen kussen. & dan zegt ze opeeens, jij past meer bij hààr, dat kotsende meisje daar, een schoonheid, die luistert naar de naam Claudia Chauchat. Terwijl Zager & Evans hun sentimentele science-fiction spuien neemt ze plaats op mijn schoot en vult mijn mond met haar zure tong tot ik bijna overga tot ontbinding, klaar voor Gods Laatste Oordeel. Daarna vervloekte Claudia mijn ziel, omdat ik 's avonds, als zij in een tapijtenwinkel moest werken Anny door de zee gezouten verhaaltjes vertelde. Anny's ouders, een bakker & zijn vrouw, wilden mij in een Brusselse gevangenis zien zitten. Dank je Anny, je hebt me niet verraden. Een altijd boze Claudia Chauchat klom een paar jaar later 's nachts uit het raam, om te gaan zuipen & zich aan mijn kameraden aan te bieden, maar ze viel, brak haar benen, en verdween uit het beeld. Claudia, alleen met jou sta ik op een foto met een stralend wit Levi's jasje aan.

Pink Floyd in 1968 in het Pannenhuis in Antwerpen met Lucas & de kleine Johannes. Belletjes hangen klingelend op onze borst. We hebben veelkleurige zijden sjaaltjes van onze moeders aan & roze & rode fluwelen jassen. Als we slapen eten we margrieten & tulpen en overdag kussen we de zomerregen.


Epiloog.

Overal waar ik kom breng ik de geur van de scheepvaart met mij mee en laat ik een spoor van jullie liefde, waanzin & doodsverachting achter. Om mijn hoofd blijft het klinken van koebellen in Zwitserse weiden & waarom is dat? Omdat niets heiliger & eenzamer kan klinken, een geluid uit de eeuwigheid, dat de eeuwigheid afzweert. Dat eeuwigheidsgeluid - en nog veel meer - hoor ik ook in The Piper At the Gates At Dawn en in de twee echte solo-elpees van Syd Barrett. Hij heeft zijn 'toren' nu voorgoed verlaten, op jongere leeftijd dan 'Scardanelli'.

VOOR EN NA DE REGEN 4

pop,popcultuur,vriendschap,familie,stratego,mama,brieven,karmelietenstraat,gimme shelter,albert ayler,cowboy,maas,jimpy,hond,papa,doodgeschoten,bocholt,scheepvaart,schippers,albertkanaal,vrienden,rekem,vaders,hasselt,dood,ricky nelson,cinema,eden,bioscoop,kermis,rups

Opgedragen aan Syd Barret, in memoriam. 

4.

Kijk daar op het schip, jij, kleine jongen alleen in de mist boven de Schelde, de Maas & het Albertkanaal. De gevaarlijke Schelde die je neef tot zich nam. Twee maanden later werd hij gevonden, een opgezwollen, rottende ledenpop. Door palingen aangevreten. Die palingen aten wij dan weer op. Als mama ze bakte in de pan bleven ze kronkelen van genot. De voedselketen was gesloten. By and by Lord, by and by.
De Maas, omgeven door groene heuvels, wilde mij dichter, schilder doen worden. Maar de Maas kreeg mij niet klein: ik was een cowboy, een eenzame cowboy, ver weg van mijn huis, hier in Brussel. Toch had je een vriend, trouwe Jimpy. Wat had je toch lange oren. Maar nu niet te sentimenteel worden, jongen. Jimpy was de eerste kankerpatiënt in je leven. Papa heeft hem doodgeschoten in Bocholt. Ik werd al lang ziek van dat beest, met zijn zieke adem & zijn schor geblaf. Goed gedaan papa, wilde jager!

Tintin, Margarita & Melinda's vader was een rijkswachter, een zwaantje dat al voor zonsondergang te diep in het glas keek. Pierre's vader was een verpleger in het gesticht in Rekem, een gebouw dat we nu bewonderen vanwege zijn onvolprezen architectuur. Als hij 's avonds thuis kwam van z'n werk was in zijn blik iets van die gekken blijven haken. Trouwens, hij had zelf de geur van een zwetende zot. Pierre & ik speelden stratego tot we erbij neervielen. Ik was Napoleon XIV, hij was Napoleon Solo. They're coming to take me away, aha. De vader van Omer werkt in de grintwasserij in Neerharen. Omers moeder heeft een winkel. Vandaar die dozen Jacques chocolade (bananen), die mij een kijk op Claire's kuiten verbieden. Vaders. Die van de kleine Johannes een juwelier op de Botermarkt in Hasselt. Aan de wanden van de salon hangen foto's van stierenvechters. De broer van de kleine Johannes heb ik nooit horen spreken.

Conny is al langer dood dan Ricky Nelson. Hello Marylou, Goodbye Heart. Het enige meisje in onze klas, Conny, altijd op de eerste rij. "Meneer Pulaski zit weer te dromen", zei de Dog. Die man probeerde mij zeven uur per week te vermorzelen met zijn algebra & driehoeksmeting. Conny, ben jij opgegeten door de pieren, of vliegen je stofjes samen met die van Josse hier in het rond? M'n adem begint er van te piepen, van al dat verdomde, motherfucking stof.

Mama zat in Rekem, in een nieuw gesticht, glazen paviljoenen verborgen in het bos. In dat zeer morele concentratiekamp zat zij, lag zij haar laatste stripjes geheugen te verliezen, geen liefde meer op deze wereld. Geen liefde op enige andere wereld die zij had kunnen kennen. Rekem, het dorp van de kermis, de cinema tegenover het huis waar Aster & Lucia slapen en wakker worden. In de rups met Margarita, met Lucia, Hello Jim, luider dan ooit, She's About A Mover het lied waardoor onbewust in mij Mexico ontstaat. Vijf frank voor een ritje. Vijf frank voor een kus. "Martin, ik kan niet met je gaan. Ik hou van je maar ik heb al een ander. Later misschien." Dat schrijft me Lucia als ik van iedereen verlaten sta te kotsen in mijn kamer in de Karmelietenstraat. 's Morgens nog kickend op Gimme Shelter, om middernacht met mijn kop in de nageboorte van mijn euforie. Abstractie op de rode linoleumvloer. De dag erna belt Mijl aan, afgepeigerd van die negerinnen, zegt hij, met Albert Aylers New Grass onder zijn arm.

VOOR EN NA DE REGEN 3

 

syd barrett,pop,popcultuur,vriendschap,zuiden,rock n roll,schwerin,tongeren,bush,osama bin laden,bob dylan,julie driscoll,rostock,marokkaanse vriend,zeemanscafe,john fogerty,elvis,bad nauheim,hakenkruizen,concentratiekampen,dennenbomenlucht,limburg

Opgedragen aan Syd Barret, in memoriam.

3.

In de jaren tachtig voerden muziekgolven mij via omwegen naar het platteland in het Zuiden van de Verenigde Staten. Samen met Teddy Bear maakte ik de lange, imaginaire reis, die nu nog voortduurt. Wij kickten op Carl Perkins, Charlie Rich, Bobby Charles' Tennessee Blues en altijd opnieuw op Sin City van the Grievous Angel.

Bij Marco hoorde ik voor het eerst I Wonder If I Care As Much. We stapten een platenzaak binnen waar een elpee Van Mott The Hoople in het uitstalraam lag. At the Crossroads, Laugh At Me, alsof Dylan herboren was in onze straten. Wandelen in het Zoniënwoud, altijd zingend: I See A Bad Moon Rising, Syd Barrets The Gnome (“I want to tell you a story bout a little man”.) Vriendschap het hoogste goed.

In Rostock dragen Hoessein & ik een bak bier & glimlachen elkaar toe. Marokkaanse vriend, mag ik je mooie stem nog eens horen? Dans nog een keer met bleke Lena in dat zeemanscafé in Rostock. Ik zal toekijken met buikkrampen, van die Duitse worsten. Bij het slot van Schwerin valt de regen op de zwanen. "Geel rijmt op haar wispelturigheid, zoals anijs op ijskoud water."

En wat jij, John Fogerty, Amerikaanse zanger, met je door een Indiaanse god gezegende stem? Je weet het wel: het is blijven regenen. En het zal blijven regenen. When It Rains It Really Pours (“I got troubles, troubles, troubles: when it rains, it really pours”). En elke maand zal de maan ons met liefde en onheilspellende dromen verrassen. Ja, Sinister Purpose, maar de vriendschapstrein vertrekt toch ook weer uit zijn klein stationnetje 's morgens in de vroegte. Neem het bittere maar met het zoete, mister Fogerty, & doe de groeten aan Tom, je dode broer, als je bij hem op visite gaat.

Ook Elvis roep ik op. De ravenzwarte Elvis zingt opnieuw Bill Monroe’s Blue moon of Kentucky. (“Blue moon of Kentucky keep on shining”). Yes, sir! In Bad Nauheim croont hij voor de soldatenmeisjes die zich dan onder hun ganzenveren donsdekens betasten, daar waar het zo zacht is. In dat land waar kort tevoren hakenkruizen aan de dennenbomen groeiden. Mijn oude professor – maar hij niet alleen - had daar de geur van brandend vriendenvlees doorstaan. Elvis is bij me gekomen. "Are you sorry we drifted apart?" vraagt Elvis. "Yes," zeg ik, "You were my First real hero, you and Yuri Gagarin. We are so alone now…On our own in the deserted rooms." "I know what you mean," zegt Elvis. "Yes" zeg ik, "I stood at your grave in Memphis. At your real grave, I mean, the mighty Mississippi." "Aloha from Hawaii", mompelt hij nog. Of versta ik hem verkeerd?

Serge Groussard, kom hierheen, of vergat je dat je vier jaar lang de bossen met me deelde, ver van de ouders & pralines bij de koffie? Serge Groussard je zag mijn zweren groeien in de zuivere dennenbomenlucht. Mijn lippen, mijn tong blauw van de bosbessen, die we in het zweet ons aanschijns moesten plukken voor de zusters van onze smarten. Herinner je mijn Veronica Satory, naam van zijde en Demeters ogen. Ik zag dat ze vochtig werden als we elkaar vluchtig aanraakten op de schoolbank – juffrouw Bakkers was even een plasje gaan doen?

Dansen in de Chemin de Fer in Tongeren, Proud Mary (“Rolling, rolling on the river, Proud Mary keep on rolling…”). Elke zaterdag in de King & Queen met Josy, mijn hoofd verloren in haar blonde lokken. Verboden liefde, volgens haar ouders. Een langharige, ongewassen schipperszoon, & jij die apothekeres of laborante moest worden. Alle kleuren die ik kende vonden een weg naar je naam: Josy. Why Am I Treated So Bad, dat was Julie Driscoll, Aretha's blanke zusje. A Kind Of Love In, Dylan’s This Wheel's On Fire (“rolling down the road”).

Ja, een aanval van nostalgie als ouder wordende man. Sinds die kerels op de maan wandelden zijn er al veel mensen gestorven, veel ganzen, everzwijnen, mussen & kleinere dieren. Microben die ik met antibiotica om de hoek help, hebben jullie een ziel, het eeuwige leven? De twin towers zijn ook al foetsie. Twee grote kaarsen in rook opgegaan, dank zij de Allergrootste, de Heer die over alles waakt & ieders weg uitstippelt. Zegt president Bush, zegt Osama Bin Laden, zegden de zusters van onze smarten.

VOOR EN NA DE REGEN 2

syd barrett,pop,popcultuur,dansen,vrienden,school,provo,hasselt,londen,alken,guillaume bijl,jeugd,juke box,montaigne,sister ray,tongeren,pink floyd,velvet underground,beatles,skalden,swinging sixties,mick jagger,keith richards,droom,mei  68,mecca,kinks,jazz bilzen,bilzen,monique,antwerpen,jan,albert ayler,televisie,londerzeel,rome,junkies

Opgedragen aan Syd Barret, in memoriam. 

2.

Een nachtelijke ontmoeting in een huis in opbouw in Londerzeel. Malletje, Sarah (haar naam leer ik pas later kennen, de smaak van haar lippen). Negentienjarige zielsverwanten kickend op The Free.

Mijl in Londerzeel. "Ik ben de roadmanager van Jethro Tull" zegt hij & mag gratis binnen. Zijn Albert Ayler geeft hij me in ruil voor een dag Bed Peace met ex-miss België. Later voegt Rina zich aan Mijls zijde, mijn beste televisieavondvrienden. Bij jullie zag ik Wim Wenders, Rainer Werner Fassbinder, Van Kooten & De Bie. Waar ben je, Rina, zijn er nog sporen van je ziel, stofjes in de lucht die ik inadem? Wat is er met je boeken gebeurd? Met je geliefde Claire Goll? Ik mis je middernachtgesprekken, met letterlijke citaten uit interviews in de Humo - die ik zelf weigerde te lezen.

Marie liepen wij - ik was toen al een wij - jaren later in Rome tegen het lijf. Nee, mijn geheugen bedriegt me, ze fietste ons tegemoet op de Corso. Marie, die me aan Griet herinnert, Antwerpse junkie, en dan was er die andere uit de Middaglijnstraat in Schaarbeek, die in onze punkwoning in de Palfijnstraat onderdak vond & toch weer aan de spuit ging. Duchateau met zijn blikken doosjes. Met zijn pervitinepilletjes. Met – vele jaren later - zijn videocamera op onze huwelijksdag. Waar is die verdomde video, vriend? Ik wil zien wie wij waren in januari 1999 toen we innerlijk bruisend over de Anspachlaan liepen.

Ook Monique mag ik niet vergeten. Uit Alken. In mijn armen in Hasselt. In Blankenberge. Mijn eerste genotsvlees. Haar liefdesbrieven bewaar ik in een doos waar rode schoentjes in hebben gerust, die dansten op het ritme van the Slits, Clash en Television. Grijsgedraaide platen, brieven witgelezen

Paul V in Bilzen. Een Face, zoals ik. Een hele regenachtige middag speelde ik in zijn dichtbevolkte kelder ‘impromptus’ op de piano en zong de ziel uit mijn lijf. Bij The Small Faces in Diepenbeek kuste ik een Flower Power meisje. We waren twee uur lang lovers & ze dronk van mijn zakflesje Gordon’s Gin. Was ik niet zelf een Steve Marriott, een magere Tin Soldier, met lange haren & een hippe zonnebril, die ik in Maastricht had gekocht. Liefde op het eerste gezicht. Hoe heette je toch? Heb je nog altijd die modzonnebril van me? Denk je nog aan ons gekus als je de bril uit je oude prullendoos tevoorschijn haalt? Voor ons was de muziek het sacrale. Dylan's It Takes A Lot To Laugh, It Takes A Train To Cry, the Pink Floyds See Emily Play, the Pretty Things' Hey Rosalyn.

Op mijn eentje op het voordek van het ouderlijk schip. Bij het binnenvaren in het Straatsburgdok liet ik de beat weergalmen: Substitute, It's My Life (“and I do what I want”), I'm Free, All Day And All Of The Night. Of ik zat te lezen in het provoblaadje Lynx in café de Dolfijn in Maastricht, in café Skalden in Hasselt, Witch Doctor op de jukebox, Child Of The Moon. Kickend op Mick Jagger & Keith Richard, It's The Singer Not The Song, Got To Get Away. Een avond in juni, 1967, in the Mecca in Londen, dansend met de kleine Johannes en Lucas en de meisjes. Overal in de swinging London straten Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band en Are You Experienced?.

Mei 1968. Kicken op Let's Spend the Night Together, Matilda Mother & op mijn eigen experimenteel toneelstuk "De droom", waarin de in werkelijkheid voortdurend gepeste en verstoten Kikkeroog - zo werd hij genoemd, ik ben zijn voornaam vergeten - van het getreiter werd gered. Een catharsis zonder dat wij het wisten. Kickend in de kelder van het Atheneum op The Velvet Undergrounds Sister Ray, met Popov & Fiat de andere spitsbroeders. In "De droom" zaten zolang het stuk duurde drie kortgerokte meisjes zwijgend neer. Zitten, zwijgen en mooi zijn. Meer mocht niet van de prefect. Meisjes die samen met jongens repeteerden, dat was des duivels, vond de prefect. Korte rokjes en lange haren waren al schandalig genoeg.

Zo heb ik de draad toch weer te pakken: vriendschap is het allerhoogste, zoals ook Montaigne wist.

VOOR EN NA DE REGEN 1

sixties,meisjes,vrienden,vriendinnen,scheepvaart,flower power,pop,john fogerty,syd barrett,winkel,fietsen,dorp,jeugd,jeugdherinneringen,popcultuur

Opgedragen aan mijn jeugdvrienden & aan John Fogerty en Syd Barrett

Deze tekst over vriendschap en popcultuur - en het ontstaan van het ene uit het andere - verscheen hier al eerder - op 15 juni 2005 - maar er stonden te veel fouten in en de namen werden niet consequent gehanteerd. Mijn slordig gebruik van het ampersand behoud ik vrijwillig. Het is een speelse verwijzing naar de beat generation en naar de brieven en dagboeken van Virgina Woolf. Deze 'herneming' wijst niet op een gebrek aan inspiratie.

Waarin jeugd en volwassenheid aan bod komen en vooral de schakel tussen beide stadia, de vriendschap. Als de onschuld schuld wordt, dan blijft de vriendschap vanop een afstand toekijken, dan zijn vrienden engelbewaarders, zoals in Wim Wenders' Der Engel über Berlin. Als wij - ook al geloven we niet in god en zijn geboden - onze dagelijkse zonden begaan zorgen wij er gelijkertijd ook voor dat onze vrienden iets heiligs krijgen. Elke vriend is vrij van zonde; zeker is dat zo in de herinnering. Wat klinkt dit allemaal plechtig. Maar dit is een intentieverklaring. De plechtigheid wordt in de uitvoering van het plan vanzelf ondergraven. Wie zonder humor is werpe de eerste steen.


1.

Was dat het hoogtepunt van mijn leven? Hello Mary Lou stroomde uit de mini-transistor. Ik reed achter Marie-Louise aan, uit het dorp weg, op het zadel van mijn glitterende fiets de prijs die mijn vader me waard vond, hij met zijn tedere, beminnende ogen. Over de veldwegen, langs korenbloemen en klaprozen. De blauwe ogen van Marie-Louise, als zij stil blijft staan in de Dorpstraat en ik haar langzaam voorbij rijd, openen mijn ogen voor een nieuwe religie. Geur van vers asfalt hangt om mijn hoofd, scherp en zoet parfum van de toekomst. Wat ik in je zocht was mijn eigen rosebud, mijn graal, vera icona achter sluiers verborgen.

Weken later reed ik zij aan zij met Omer, een winkeljongen, en slagersdochter Claire. Nahijgend zaten we daarna op de canapé in de kamer. Achter het établissement, tussen kartonnen dozen vol chocolade van het merk Jacques - bananen vond ik het lekkerst - en unheimische parafernalia door Louise's broer meegebracht uit Belgisch Congo. De fijne haartjes op Claire's rechterarm deden de haartjes op mijn linkerarm rechtkomen. Maar ook haar geheim bleef onbereikbaar. Ik vond er slechts sporen van in het zingen in haar stem, in de manier waarop ze in haar reep chocolade beet.

Omer, Pierre, Tintin: de bende van James Bond. De bende van Illya Kuryakin, man van Uncle. Ik roep jullie, oudere kerels, op in mijn geteisterd en getreiterd hoofd. Ik wil jullie terstond zien. Ik wil jullie nog een allerlaatste keer voor de eerste keer laten horen: Jefferson Airplane's Share a little joke with the world outside.
De oude geest van middernacht maakt zijn entree. Jullie staan stil, alles bevriest, er is weer oeverloos tijd, zoals toen wij liftend door Duitsland in Stuttgart stil stonden, auto's, uren, minuten tellend. En zongen, altijd zongen:
Sweet hitchhiker.
Hitch hike baby.
Wish I was back on the bayou.
Wish I was a catfish swimmin' in the deep blue sea.
Gonna find me a cajun queen, down on the bayou in New Orleans.
Elkaar gerimpeld, met zweethandjes, begroeten. Schrikken van die met grijs bespatte hoofden, die nog met moeite glanzende spiegels van de ziel, die mondenvol berusting: Pierre, Omer, Tintin.

Ja, Marie-Louise, Claire. Ja, Margarita. Salut les Copains! Ja, Brigitte met het kapsel van Françoise Hardy. Margarita's zus Melinda is een lerares op wie ik echt verliefd ben. Zij ook op mij, zegt ze, maar ze is al verloofd, groot ongeluk is dat.
Op een zomermiddag in het zwembad in Rekem had Sylvia niets anders meer aan dan een bikini. Die avond in het clubhuis moest ik haar wel kussen en schreef ik een gedicht in assimilengels: Sylvia in the wood. Asters zus heet Lucia. Ze woont tegenover cinema Eden in Rekem. Kijk, daar lig ik met haar te dromen in het gras op de 'kip' tussen de zachte paarden die er zo gelukkig uitzien, wellicht omdat zij de hele wereld kunnen vergeten. Het echte leven, voor de langgerekte doodsstrijd.

Vissers vond ik vreemde mensen. Waar bijvoorbeeld haalden ze hun übermenschengeduld vandaan? Mijn eigen vader ging vissen in de kiezelputten. 's Avonds kwam hij thuis met snoek & karper die naar modder, naar petroleum smaakte. Marcel Maris woonde aan de rand van het Bos. In de tuin van z'n ouders stond dat clubhuis waar Sylvia werd gekust en in verzen gegoten. Van die visser werd gezegd dat hij dom was. Een boerenzoon, met goede ogen, dat was hij zeker.

Ook mijn liefste vriend Josse was een visser. Josse, jij klootzak, in rook opgegaan, zonder nog een woord tegen mij te zeggen. Ik liep met Laura op het strand van Cadiz en jij stortte je op de Leuvense straatstenen. Mika’s ritueel in de Cinderella: "Heb jij Josse nog gezien?" "Nee, ik heb hem niet gezien." "Waar zou hij zijn?" "Ik weet het niet, misschien in zijn stamcafé."

10-07-06

MUIZENISSEN IN VERBAND MET SLAVOJ ZIZEK

zizek,jan temmerman,selectie,kick,antwerpen,voorlezen,poezie,uitstel,gedichten,voorbereiden

Jan Van Veen en ik. 

Ik beloof dat ik spoedig wat meer vertel over mijn lectuur van ‘Welkom in de woestijn van de werkelijkheid’ van Slavoj Zizek en over het gesprek met hem in Magazine Littéraire. Ik weet dat ik al vaker zulke dingen heb beloofd, en het dan niet heb gedaan (ik ben goed in iets niet kunnen afwerken of beëindigen), maar nu zal ik me aan mijn belofte houden. Eerst heb ik echter andere dingen aan mijn hoofd. Volgende donderdag 13 juli lees ik voor in de Muzeval in Antwerpen. Voorlezen heb ik al een hele tijd niet gedaan. Het is een uitdaging waar ik een heilige schrik voor heb. Zodra ik op het ‘podium’ sta valt die plankenkoorts gelukkig van me af. Het zijn vooral de dagen en uren die eraan voorafgaan die me parten spelen. Het voorlezen zelf geeft me meestal een kick. Nu moet ik teksten selecteren die thematisch en stilistisch enigszins samenhangen en dat is een hele klus. Niets is zo erg als je oude werk herlezen. Je weet dat jij het hebt geschreven, maar het is in heel veel opzichten niet meer van jou. Je bent iemand anders geworden. 

Na de ultieme selectie moet ik ze luidop leren lezen. Ik mag niet over de woorden struikelen, ik mag niet te veel zingen, ik mag niet mompelen, enzovoort. Wat mag ik eigenlijk wel? Zulke praktische beslommeringen zitten een kleine beschouwing, enkele woorden maar, over Zizek in de weg. Ik kan alvast zeggen dat hij een filosoof naar mijn hart is: hij is tegendraads en hij houdt van westerns – en van film in het algemeen – en heeft er boeiende en zinnige dingen over te zeggen. Dingen die je bij een Jan Temmerman nooit zult lezen. Maar wie is Jan Temmerman?

27-06-06

DE ROOS VAN KEVIN AYERS


kevin ayers


De heren die zich Marco Polo en Marlon Vanco noemen, hebben mijn hoofd zowat op hol gebracht met hun verhalen en vragen over Nico alias Christa Paffgen. Ik zet geen muziek meer op, want ik hoor toch al de hele tijd ‘Je juis le petit chevalier’ in dat op hol gebrachte hoofd weerklinken. Een lief en sprookjesachtig liedje, terug te vinden op Nico’s lp Desertshore. Ik draaide het lang geleden heel vaak voor mijn zoontje (gek dat ik hem nog steeds zo noem, maar in dit geval wel gepast). Het was een van de weinige ‘kinderliederen’ die ik bezat. In die dagen wist ik ook niet dat Nico’s zoontje Ari dat liedje zong. Het was ofwel dat ofwel Robert Schumann, wat mijn zoontje moest aanhoren. Mooie dagen in een woning vlakbij het Zoniënwoud - en overal hing een geur van bloemen en honing. Er waren alle dagen vrienden bij ons in huis en vaak bezoekers uit de hele wereld. We luisterden samen naar veel van de wonderlijke muziek die toen uitkwam en dronken liters jasmijnthee.


Desertshore was de eerste lp van Nico die ik zelf kocht. Heel wat later was de waard van café Het Pannenhuis in Antwerpen zo vriendelijk mij een versleten exemplaar van Chelsea Girl cadeau te doen. Er viel nog naar te luisteren… Ik weet niet hoeveel exemplaren ik inmiddels heb bezeten.


Maar ondertussen zijn we - in het commentaargesprek hier beneden - bij Kevin Ayers beland. In 1968 of ’69 – anneé érotique - zag ik The Soft Machine, waar Ayers korte tijd deel van uitmaakte, op het pop- en jazzfestival dat Jazz Bilzen heette. Kevin Ayers was er niet meer bij. En popfestivals bestonden toen gewoon nog niet, vandaar dat het woord pop niet in de benaming voorkwam. The Soft Machine speelde dromerige, aparte muziek, met verwijzingen naar moderne Europese kunststromingen (dada en surrealisme) en jazz. Nadat Kevin Ayers en Robert Wyatt de groep hadden verlaten, veranderde the Soft Machine in een bloedloos pseudo-intellectueel jazzorkestje. Kevin Ayers ging op zijn eentje verder, of liever, met the Whole World, want zo heette de band die hem begeleidde. De man was een levensgenieter, maar in zijn teksten kon hij behalve surrealistisch ook ernstig uit de hoek komen (ik denk nu aan ‘Irreversible Neural Damage’ op The Confessions Of Dr. Dream).

Samen met mijn oude vriend Marc Didden heb ik Kevin Ayers geïnterviewd; dat was kort na het verschijnen van die ‘droomelpee’. De weken voor het interview had ik alle platen van Ayers uitgeleend uit de mediatheek (die toen nog betaalbaar was) en ze met obsessieve aandacht beluisterd. Ik was werkelijk in de ban gekomen van deze muzikant-songschrijver, die van wijn, lekker eten en mooie vrouwen hield. Wat een prachtige stem had die zanger. In die periode ben ik zelf ook wijn gaan drinken, iets wat ik tot dan nooit had gedaan. Kevin Ayers heeft rechtstreeks schuld aan mijn drankprobleem. De avond voor het interview moest Kevin Ayers playbacken voor een belachelijk Vlaams popprogramma – gelukkig ontsnapt de naam mij, waarschijnlijk dank zij al die Gewürzstraminer die ik toen dronk. Het wordt stilaan duidelijk hoe idioot ik wel was – en toch al vader. (Gezag heb ik nooit veel gehad, maar dit geheel terzijde.) In dat popprogramma trad Peter Koelewijn ook op. Peter Koelewijn in hetzelfde programma als Kevin Ayers! Postmodernisme avant la lettre… Later zijn we samen gaan eten in een goed restaurant ergens op het platteland. Kevin Ayers schrok er van de levende kreeften in het aquarium. Hij merkte ook op dat er druppeltjes gecondenseerd water van een roos in mijn glas wijn druppelden. Zoiets vergeet je natuurlijk niet. De volgende dag het interview. Ik denk dat er weinig popmensen zo intelligent en zo belezen waren in die tijd (1974) – en nu nog steeds. Meestal hebben die jongens en meisjes zeer weinig te vertellen. Het was een gezegende dag en een gezegend gesprek van een uur of drie. Fragmenten ervan hebben in Humo gestaan. Het was het debuut en meteen ook het einde van mijn carrière als popjournalist. Niet lang daarna heb ik nog iets geschreven over de moord van Mick Jagger en Keith Richard op Brian Jones. Dat had ik allemaal verzonnen. Maar het ziet er naar uit dat mijn verzinsels op zijn minst gedeeltelijk klopten. Overigens is Humo pas veel later samenzweringstheorieën gaan publiceren.

Ik heb er alleszins geen spijt van dat die carrière zo kort was. Popjournalisten leiden een leven van seks en drugs en rock & roll, veel meer nog dan de artiesten aan wie ze zulk leven toeschrijven. Aan mij is dat allemaal niet besteed, geef mij maar de bijbel, een fikse wandeling in de bergen en een glas water! Of niet soms?

13-06-06

ALLES IS METAFOOR, ALLES IS IRONIE

haruki murakami,goethe,bob dylan,tijd,lik a rolling stone,tongeren,atheneum,metro,neko case,17,boeken,berusting,dromen,metafoor,schrijven,eckermann,1965,big brother,bloggen,timboektoe

Volgens Goethe is alles metafoor. Als Goethe dat beweert zal het wel waar zijn. Ik heb al lang geen boeken van de oude Duitser meer gelezen, maar ik herinner me wel het plezier dat ik heb beleefd aan het lezen van Natuurlijke Verwantschap, Het lijden van de jonge Werther, Faust, Wilhelm Meisters leerjaren en zeker ook de gesprekken met Eckermann, die ik in mijn snelle gedachten nogal eens met Meister Eckhart verwar. En eigenlijk zijn het gesprekken met Goethe. Naast het plezier waren er ook vaak opwellingen van ergernis, vooral vanwege zijn belerende toon, zijn betweterigheid, zijn miskenning van grote schrijvers en filosofen als Kleist en Schopenhauer. 


Die uitspraak over de metafoor vond ik echter in Kafka On The Shore, een merkwaardige en zeer meeslepende roman van Haruki Murakami. In dat boek las ik een passage die ik graag wil citeren omdat ik er nogal wat van mezelf in herken. Het gaat over de jonge Nakata, die op gevorderde leeftijd prettig gestoorde gesprekken zal voeren met intelligente en minder intelligente katten. Aan het woord is een lerares die de jonge Nakata vermoedelijk een ernstig trauma heeft bezorgd, zij het onvrijwillig, ervan uitgaande dat zij niet met opzet ongesteld werd. De jonge Nakata is – voor het traumatische voorval - een stille, intelligente jongen. Maar er is nog iets anders dat de lerares opvalt:

“Every so often I felt a sense of resignation in him. Even when he did well on difficult assignments, he never seemed happy. He never struggled to succeed, never seemed to experience the pain of trial and error. He never sighed or cracked a smile. It was as if these were things he had to get through, so he just did them. He efficiently handled whatever came his way – like a factory worker, screwdriver in hand, working on a conveyor belt, tightening a screw on each part that comes down the line.”

Ik denk dat die berusting er bij mij ook al vroeg was en dat ze altijd is gebleven. Eigenlijk heb ik nooit iets willen bereiken. Toen ik nog klein was wilde ik wel balletdanser worden, en wat later generaal, maar lang hebben die verwachtingen en dromen niet geduurd. Vanaf mijn vijftiende of misschien al vroeger heb ik gedaan wat gedaan moest worden. Ik haakte in op wat toevallig mijn weg kruiste. Of was het mijn lot dat voor me was uitgestippeld? Zo hoorde ik in 1965 Like A Rolling Stone op een transistorradio terwijl ik ’s middags de trap afkwam van het hoofdgebouw van het Atheneum in Tongeren en me naar het speelplein begaf. Ik wist meteen dat dit de beste single was die ik ooit zou horen. Tot op dit ogenblik blijf ik daarbij. Maar hoe komt dat? Was het toeval, of was Like A Rolling Stone al ergens in mij aanwezig. Was er een ‘natuurlijke verwantschap’?

Hoe het ook zij, in dat boek van Murakami heb ik, zoals ik al zei, die metaforenuitspraak van Goethe gelezen. In dat geval is voor mij ook de foto van Julie Delpy uit Killing Zoe een metafoor en de foto van de hoes van Allen Toussaints Southern Nights… En deze hele weblog, genaamd hoochiekoochie, is een grote metafoor. Maar voor wat? Voor mijn leven? In plaats van te leven maak ik hoochiekoochie en zet ik foto’s en commentaren op flickr. Maar is dat dan geen leven? Is het een surrogaatleven? In je kamer je leven zitten te tikken op een klavier, de woorden op het scherm zien verschijnen, terwijl buiten de zon schijnt en mooie lachende mensen de terrassen overspoelen, is dat niet wat bespottelijk? Is het geen tijdverlies? We hebben zo weinig tijd! We hebben zo veel te doen…

Laura kwam met het krantje ‘Metro’ thuis – echt een Big Brother-verschijnsel – om mij pagina één te tonen: “Belgische jongeren luchten hart via blog”. Ongeveer 38 % van de Belgische jongeren heeft een eigen blog, zo staat er. Ik had altijd al een sterk voorgevoel dat ik een tiener was, maar een voorgevoel is niet meer dan dat. Nu is het echter bewezen. Niemand zou het me ‘aangeven’ maar ik ben geen dag ouder dan 17. Of zoals Neko Case zingt: “Im holding on to that teenage feeling.” En ik zou meer zeggen: I can’t get no satisfaction, whatever the man says.


Volgens de onderzoekers is het bloggen echter een tijdelijke activiteit, “met een levensduur van gemiddeld zes maanden tot een jaar”. Dan ben ik toch weer eens een uitzondering. Als je volhoudt win je. Overigens heeft dat blogverschijnsel ook toevallig mijn weg gekruist, en heb ik op dat ogenblik gedacht: dat moet ik eens proberen. Wie weet waar ik terechtkom, moet ik hebben gepeinsd. Ik ben nog altijd thuis, en ik blijf dromen van La città del sole
. Waar zal ik morgen zijn?

01-06-06

ONTBOEZEMING

verjaardag,brugge,muziek,vrienden,vriendschap,spooner oldham,dan penn,zero de conduite,radio centraal

Straks, na middernacht, is het mijn verjaardag. Vreemde dingen kunnen gebeuren. Dronkenschap, euforie, melancholie. Morgenavond ga ik naar Brugge, om er feestelijk te dineren en om er de dag nadien twee soulmeesters aan het werk te zien, Dan Penn en Spooner Oldham. Bij een lieve vriendin kunnen we logeren. Het wordt bovendien mooi weer. Ik heb alle geluk van de wereld. Alleen zal, misschien, de literatuur er onder lijden! Maar dat is nooit zeker in die categorie. Het spijtige van de zaak is dat er deze maand geen Zéro de conduite zal zijn op radio centraal. Maar ik twijfel niet aan de dj-kunst van mijn vriend Pat, een van de liefste mensen van de wereld. Wat bijgevolg, helaas, niet van iedereen kan worden gezegd.

31-05-06

HET PLEZIER VAN DE PARADOX


Ik maak me niet echt zorgen over indelingen in hokjes, categorieën, types, soorten. Evenmin ben ik ongerust over opsommingen, lijsten, groepen, families, enzovoort. Met het vorige stuk, over categorieën en literatuur, wilde ik alleen maar de kwestie van de grens ter sprake brengen. Wat is dit en wat is dat? Waarom delen we de wereld zo graag in? Wat zit daar achter? Heeft dat met ons verlangen naar kennis te maken? Of met iets onduidelijkers?

Wat ik even goed wilde doen was mij beschermen tegen de literatuur en de poëzie. Ik heb mij ten overstaan van die ‘wereld’ altijd afzijdig gehouden, omdat hij me te levenloos leek. Levenloosheid is een zonde, heb ik toen ik nog jong was, bij Bob Dylan gehoord. Bob Dylan is trouwens een mooi voorbeeld van literatuur die geen literatuur is en muziek die geen muziek is, maar iets anders, iets ondefinieerbaars, iets dat altijd ontsnapt aan onze indelingen en categorieën. Niet dat ik mij met Bob Dylan wil vergelijken, maar ik heb hem altijd bewonderd, en dat zal wel zijn sporen getrokken hebben. Als ik samen ben met mijn vrienden spreken wij niet over het weer, maar over Bob Dylan, altijd over Bob Dylan. Er is geen ontkomen aan, een raadsel, een mysterie…

Ik ben niet bang om niet te worden gevonden of ontdekt. Als ik had willen worden gevonden dan had ik een bedrijfje opgericht of een vzw met als missie mij onder de aandacht brengen. Ik heb geen bedrijfje opgericht. Ik hoor nergens bij, ik hoor nergens thuis. “I’m a stranger in my own home town”. Het is een paradoxale situatie, want ik verlang er natuurlijk wel naar om ergens thuis te kunnen komen. Ik verlang er ook naar om ergens bij te horen, ‘to be one of the boys’. Alleen weet ik niet wie die ‘boys’ zouden kunnen zijn (of ‘girls’). Ik heb het nogal vaak over zielsverwanten, maar zijn zielsverwanten geen illusie? Moet je als puntje bij paaltje komt de wereld niet moederziel alleen trotseren, met de taal als je wapen, ook al wil je de vrede verkondigen? De taal als je spel. De taal als een mogelijkheid om tot de taal toe te treden. Is het niet de taal die je moet troosten? Of zijn het de handen van je geliefde?

Ik wil me niet afzonderen. Ik wil weten wie ik ben. Nog niet zolang geleden heb ik me een keer geïdentificeerd met de bloggers. “Wij bloggers” heb ik geschreven. Dat meende ik natuurlijk ook. Ik geloof dat ik niet kan liegen. Maar dat weet ik niet zeker. Die identificatie was gemeend, maar na zulke momenten van identificatie komt er altijd het afstand scheppen. Je kunt niet samenvallen met datgene waarover je nadenkt of met degene met wie je praat, hoewel Virginia Woolf schreef “we melt into each other with phrases…” Die woorden van Virginia Woolf kloppen ook wel, alleen is dat met elkaar versmelten van korte duur. Alle lust wil diepe, diepe eeuwigheid, maar slechts enkele ogenblikken zijn ons gegund.

Toch wil ik niet zeggen dat ik helemaal onvindbaar wil zijn. Door hier tevoorschijn te treden vraag ik aandacht. Ja, natuurlijk, ik krijg graag aandacht. Ik zal wel een narcist zijn. Als niemand een spoor achterlaat bij mijn teksten overvalt me soms een gevoel van diepe droefheid of voel ik me nutteloos en overbodig. Ik krijg graag reacties en commentaar. Jullie geven me moed om door te gaan, zijwegen in te slaan, mezelf in de spiegel te bekijken, een Narcissus die zichzelf heruitvindt, jullie inspireren me en maken me soms boos. Het gesprek in al zijn vormen is de adem van het leven.

Veel plezier vloeit voort uit de tekst. Het plezier van de tekst van de andere. Het plezier in de tekst. Het plezier van de echo van je ‘eigen’ tekst. Het plezier van de echo van de tekst van de andere in je ‘eigen’ tekst. Het plezier van het citeren en het zich toe-eigenen van de tekst van de andere. Het spelen met het vuur van de woorden. Het strelen van woorden, het stelen van woorden. In zekere zin. In een bepaald opzicht.

25-05-06

MARK E. SMITH EN HET GEHEUGEN

the fall,mark e  smith,country,pop,paris texas,nietzsche,woestijn,stem,william burroughs,velvet underground,spoken,vader,tantes,zelfmoord,wim wenders,film,ibsen,limburg,zingen,moeder,muziek,radio,familie,ziektes

Ik hoor nu, na bijna dertig verloren jaren in cafés, dancings, restaurants en ministeries, opnieuw ‘No Xmas voor John Quays’ van The Fall. Ik dacht dat deze harde, monotone muziek me na zoveel tijd (waarin ‘country noir’, Lambchop, Bach, John Coltrane en altijd weer Bob Dylan, zelfs in de metro na een concert van Neko Case, zich aan me voordeden) zou tegenvallen, maar dat is helemaal niet het geval. Deze bepaalde song klinkt zelfs beter dan alles wat ik nu op de popradio hoor. Ik volg Mark E. Smith niet meer, hij brengt te veel platen uit en ik heb het geld niet om die allemaal te kopen (en niet de tijd om ernaar te luisteren). Ik wens hem wel veel geluk en een goede gezondheid. Want hij ziet er niet goed uit op foto’s die ik zo nu en dan in popmuziektijdschriften bekijk. Mark E. Smith spreekt Xmas uit als EXmas. Dat is mooi, vanwege zijn stem, vanwege zijn frasering, en vanwege het feit dat niemand het in 1979 in zijn hoofd zou hebben gehaald om dat te doen. En hij zingt, met veel overtuiging,: “there is some christmas for junkies”. Had William Burroughs, de Wilhelm Tell van de 20ste eeuw het beter kunnen verwoorden? Als the Velvet Underground niet the Velvet Underground was geweest, was the Fall the Velvet Underground geweest. Bij wijze van spreken.


Wat je vergeet is wat aan je deur komt kloppen. De ‘spoken’ van Ibsen. Het niet-bestaande verdringt de realiteit van je dagelijks leven. Het niet-bestaande en het niet-uitgesprokene komen in je bewustzijn spoken en doorboren de woorden die je uitspreekt of niet uitspreekt. De taal is er niet voor jou. Er is een taal en er zijn de woorden die jij toevallig vindt en in zinnen combineert. Zingend of niet zingend. Je voorouders van vaderskant waren Limburgers, arme boeren. Rijk had je kunnen worden via je moeder, maar dat was een aftakelende familie, met je twee tantes en een oom die respectievelijk zelfmoord pleegden, gek werden en op jonge leeftijd van een hartziekte stierven. Je moeder werd eenennegentig, in armoede. Geld was er niet meer. Niet dat je er in geïnteresseerd was. In de jaren tachtig waren er ten minste twee soorten mensen: dansende gekken (inclusief beginnende kunstenaars) en door geld geobsedeerde normalen. Die werden yuppies genoemd. Jij hoorde bij de eerst soort. Maar maakt het uit? Inmiddels is iedereen van die generatie een gekke dansende normale yuppie of iets dergelijks. En iedereen zit met die spoken in zijn hoofd. Zoals John Wayne in ‘The Searchers’. John Ford heeft dat personage met een immense geschiedenis opgeladen. Geen wonder dat hij uiteindelijk opnieuw de woestijn intrekt. En dat hij er weer uitkomt als Harry Dean Stanton in Paris, Texas. Wim Wenders heeft dat zeer goed gezien. My generation. Your generation?

Maar in de woestijn verdwijnen, zoals Nietzsche in zekere zin wilde? Ik denk dat het echt belangrijk is dat je blijft schrijven. Misschien moet je een gulden middenweg proberen te vinden. Het is niet gemakkelijk, ik weet het. Maar toch komt het daar op neer, al was het maar om gezond te blijven: doorgaan met schrijven. Natuurlijk is er het andere werk, we moeten overleven en voor de anderen zorgen, en voor onze eigen gezondheid. Die mogen we niet ondermijnen.

Je herkennen in anderen, in schrijvers, in kunstenaars, in plukvogels allerhande, dat is toch een uitzonderlijke en zeer verheugende ervaring.Je kunt niets onthullen over je teksten. Dan zou je heel lang moeten nadenken, jezelf analyseren en dat kun je niet. Vaak vertrek je van een begrip, of van enkele woorden. Soms zijn het droombeelden, droomflarden, een beetje buñuelesk misschien, of fantasieën, waarmee je de realiteit probeert te doordringen. Alsof je in je eigen vel snijdt. Alsof je een borderline geval bent. Een lichaam zonder organen. Deleuze en Guattairi? Al lang dood. Je kent dat wel. En dan werk je daarop verder, meestal door associatie. Je schrijft dat dan snel neer, en dan probeer je het te ordenen, visueel, ritmisch, je vervangt woorden door andere. Dat is belangrijk, omdat het je enige vrijheid is tegenover de taal. Jouw taal, de taal van de anderen.
In een bepaald gedicht had je eerst het woord ‘urinekelder’ geschreven of gesproken, daarna maakte je er ‘schimmelkelder’ van en uiteindelijk heb je er opnieuw ‘urinekelder’ van gemaakt. Je vond geen beter woord in de taal. Het was iets uit het verleden, waarschijnlijk, dat in je hoofd kwam spoken. Zoals de naam ‘Wiliam Wilson’. Dat is de naam die je had willen gebruiken om, toen je een jongen was, je brieven te ondertekenen, om op je identiteitskaart te zetten, als potentiële moordenaar. Als ‘Rebel Without A Cause’. (Ik denk dat Wim Wenders geen nederlandstalige weblogs leest, maar ik wil hem toch bedanken voor alle nieuwe inzichten die hij me destijds heeft gegeven in het werk van Nicholas Ray, een grootse filmregisseur, van wie het werk door de Hollywoodbrigade vaak verknoeid is door het in stukjes te snijden en als sentiment te verkopen aan het publiek, aan ons.)

The Fall dacht dat allemaal te kunnen veranderen met songs als Rebellious Jukebox, en misschien heeft de groep dat ook wel gedaan. Alleen, heel zeker, niet in Hollywood.

Ik wil dit stukje graag opdragen aan Mark E. Smith, aan zijn scherpe stem, een rappende pen.

15-05-06

CORTISONE ZONDER BIJSLUITER

cortisone,brussel,ziek,afkicken,vader,pijn,dood,psychiater,geweld,overvallen,macho s,onverschilligheid,ambulance,politie,1977,werk,kunstenfestival,granada,vliegtuig,cafe dada,drinken,concert,live,pop,soul,bettye lavette,kvs,marthaler,shakespeare,aeschylos,verjaardagsfeestje,martin pulaski

Opeens was ik terug in Brussel, een imaginaire stad leek het wel, en ik moest afkicken van Cortisone. Ik ben geen drugverslaafde, maar ik was nogal ziek geweest en had het spul veel te lang gebruikt. Mijn vader heeft het moeten nemen op het einde van zijn leven, hij had veel pijn en hij was nog nooit ziek geweest. Hij trok zijn eigen tanden. Dokters of tandartsen vertrouwde hij niet. Na zijn dood ben ik zes jaar lang bij een psychiater geweest, twee keer per week. Niet vanwege die van hem maar vanwege mijn eigen gewisse dood. Macho’s hadden mijn hoofd half tot moes geklopt en ik had liggen bloeden als een lam in het midden van de Kiekenmarkt in het centrum van Brussel. De automobilisten reden voorbij en deden alsof er niets aan de hand was of hadden gewoonweg niets gezien. De ambulance kwam me uiteindelijk wel van de straat rapen, samen met de politie. In die tijd (1997) bestond de Brusselse politie kennelijk uit idioten en racisten. Gelukkig heeft mijn vader dat allemaal nooit geweten.


Net als toen moest ik nu afkicken van die verdomde Cortisone en tegelijk doen alsof er niets aan de hand was. Gaan werken, naar een concert, naar het kunstenfestivaldesarts, naar het verjaardagsfeestje van een boezemvriendin. Waarom kies ik nu het woord ‘boezemvriendin’? Ik zou het nooit gebruiken in een gedicht. Aan mijn psychiater, die dezelfde naam heeft als mijn jarige boezemvriendin, kan ik het niet meer vragen. De analyse is afgebroken. Door mij. Ik heb haar vorige week gezien in het Théâtre National en me meteen verdekt opgesteld achter een muurtje. De laatste keer dat ik met haar had afgesproken, op een zaterdag in oktober vorig jaar, was ik de afspraak namelijk vergeten. Ik was bezig mijn koffers te pakken om op studiereis te vertrekken naar Jaén, en in die drukte was ik de hele hoochiekoochie vergeten. Pas de volgende maandagochtend, in het vliegtuig naar Granada, herinnerde ik me onze afspraak. Nadien durfde ik haar niet meer bellen om enige uitleg te geven. Ik voelde me schuldig omdat ik de afspraak was vergeten. En nu zag ik haar vanuit de verte in dat theater en het enige wat ik kon doen was toneel spelen. Heb ik al verteld dat ik toneelspeler wilde worden, toen ik jong was? Neen? Dan zal ik het later eens een keer uit de doeken doen. Maar niet nu. Ik heb over die gemiste carrière overigens zeer veel gepraat met ‘mijn’ psychiater. Of ik nog bang ben op straat? Ja, tenzij ik voldoende bier heb gedronken in café Dada.

Over het werk zal ik het evenmin hebben. Franz Kafka heeft dat op geniale manier beschreven in ‘Het proces’. Wat kan ik daar dan nog aan toevoegen? Kill your darlings?

Zonder Cortisone en zo weinig mogelijk alcohol naar het concert van Bettye Lavette. Was het beter of slechter dan vorig jaar? Ik stel de vraag maar ik beantwoord ze niet. Ik denk dat Bettye Lavette inzette met The Stealer (van de onvolprezen Free), gevolgd door He Made A Woman Out Of Me (een prachtige en zeer dubbelzinnige song over verkrachting/seksuele initiatie) en The Sparrow van Dolly Parton. Het grote verschil met vorig jaar was de duidelijke vermoeidheid van zowel de zangeres als de band. Hoe lang zijn ze al van stad tot stad aan het trekken? Van land tot land? Nu ze eindelijk enig succes hebben? Vorig jaar was Bettye opeens weer hip. De aasgieren van de pers en de modieuze popmuzikanten waren toen in groten getale aanwezig in de kleine AB club. Nu echter heeft naar mijn weten één perspersoon een stukje geschreven in een of andere nitwitkrant (met alle respect), terwijl de veel grotere zaal zwart zag van het volk. So you all brought your friends with you, sprak Bettye Lavette. Het laatste nieuws heeft de ‘hippe’ en ‘coole’ mensjes bereikt: soul is opnieuw niet meer hip. Wel, dan heb ik dit te melden: soul is altijd hip. Er is geen enkel genre dat altijd hip is, behalve soul. Hoewel Bettye moe was, was ze toch ook nog sterk en gaf ze haar hele ziel aan het gewillige publiek. Het was een fijn publiek, zo zonder aasgieren. Echte kippenvelmomenten waren Close As I Get To Heaven en I Do Not Want What I Have Not Got (waarbij, dat moet ik toegeven, mijn gedachten afdwaalden naar Sinéad O’Connor, en naar de roofmoord in het Centraal Station, en naar het gedicht Brot und Wein van Hölderlin en naar Paris, Texas, vooral het begin met Harry Dean Stanton in de woestijn). Overigens vind ik Joy de slechtste song van Lucinda Williams en begrijp ik daarom niet waarom Bettye Lavette precies deze heeft uitgekozen. Maar dat zijn details. Long live Bettye! .

Vrijdag, in de KVS, stelde ik vast dat de culturele elite maar 1,50 of 2 euro betaalt voor een glas wijn (terwijl de rockliefhebbers 4 euro moeten betalen, alvast in de AB, een waanzinnige prijs, voor een instelling die waanzinnig veel subsidies krijgt). Maar het zij zo, ik mag me niet opwinden, laat iemand anders dat maar doen vanavond. Christoph Marthaler is een genie. Zoals hij de familie met alles erop en eraan (en het verborgene ook heel open en bloot, hoewel er geen letterlijk bloot aan te pas komt) ten tonele voert en ontrafelt, dat doet heden niemand. De familie is het grote mysterie. Dat was al zo bij Aeschylos, dat was zo bij Shakespeare, en dat is nog altijd zo bij Marthaler. Een mysterie dat er niet om vraagt om te worden opgelost. We kunnen de familie haten, als we jong zijn bijvoorbeeld, dat is een stadium waar we door moeten, lieve ouders, hatelijke ouders, het maakt niet uit, of we kunnen ze liefhebben. Maar de familie blijft altijd een mysterie. Koffie en koekjes of geen koffie en koekjes. De kinderen blijven een mysterie. De bloedverwanten. De broers en de zussen. De tantes en de nonkels. De neven en nichten. De hele reutemeteut. Socialisten, vieze tisten, flaminganten en fascisten, communisten, soul freaks, nitwits, Proustianen, Yes fans, slotenmakers, Call girls, we kennen ze allemaal en we haten ze en we hebben ze lief. En ze zingen allemaal liedjes van Monteverdi en van Mireille Mathieu. In ieder geval doen ze dat bij Marthaler. De man toont ons de typische familietriangel, maar dan dubbel en dik gespleten. De familieleden zitten te zuipen, elkaar uit te schelden, achterbaks naar elkaar te verlangen, domme spelletjes te spelen, dierengeluiden te produceren, liedjes van Wagner en van the Kinks (I Go To Sleep) te zingen, te slapen (waarbij je als toeschouwer ook in slaap valt), en zo verder. En dan is er de zoon die alleen maar Mireille Mathieu wil horen. En die krijgen we dan ook te horen, de echte singles op een echte platendraaier uit de sixties. Ook de hoesjes worden getoond. Af en toe krijg je zelfs een stukje Monteverdi te horen, uit L’incoronazione di Poppea, waar het stuk op gebaseerd is. Of roept de vader ‘Ta gueule!’. En dat speelt zich allemaal af in een huis waarvan de ene kant het Centraal Station van Brussel is (voorbijdenderende treinen inclusief) en de andere kant het Justitiepaleis (het lelijkste en mooiste gebouw van Brussel). De meubels in het huis komen uit datzelfde Paleis (de architect, Poelaert, heeft zelfmoord gepleegd, anders hadden ze dat plein nooit naar hem genoemd): de dochters hebben ze er gewoon gepikt. Hoe zou je zelf zijn, als dochter in een prettig gestoord gezin? Overigens herkende ik meteen een van die meubelstukken: ik had erop gezeten tijdens een van de drie ‘verzoeningspogingen’ tijdens mijn echtscheidingsprocedure. Niet dat we die poespas wilden. Het was van te moeten. In ‘Het Proces’ staat dat ook allemaal al beschreven. Maar niet de dimensie die Christoph Marthaler en zijn gezelschap er aan toevoegen. Beter kan niet. Bovendien is het allemaal bijzonder grappig. Je lacht je meerdere breuken op één avond. Ik stel voor om meermaals te gaan. Dan moet je nooit meer gaan werken. Kafka lezen wordt dan ook overbodig.

En dan moest ik het nog over het verjaardagsfeestje van I. hebben, mijn boezemvriendin. Gelukkige verjaardag, lieve vriendin. Het was een onvergetelijk feest, in dat volkscafé daar in Gent. En we zijn goed thuisgeraakt. Nu ben ik moe en moet ik de dromen tegemoet zien. Ik ben een oude, vermoeide gek. How am I different?

Foto: Martin Pulaski, terras met uitzicht op de Atlantische oceaan, Tazacorte, La Palma

11-04-06

HET ACTIEVE LEVEN

popcultuur,drinken,dagen,dagelijks leven,tijdverdrijf,dood,gene pitney,dossiers,kantoor,pop,muziek,film,bullit,peter yates,kvs,opening,conversaties,patrick riguelle,zielsverwanten,country,gitaar,gitaar spelen,steelgitaar,gitaristen,gram parsons,joshua tree,ray charles,lachen,russ meyer,shari eubank,supervixens,hoochiekoochie,muddy waters,neuken,zuipen

Shari Eubank

Wat deed ik de voorbije vier of vijf dagen om de tijd te verdrijven en, vooral, om mijn plaats hier op aarde te rechtvaardigen? Want wie denken we wel dat we zijn, dat we hier zo maar mogen verblijven, zonder meer? Ik dacht veel aan de dood, niet mijn dood maar die van anderen, die toevallig of niet de geest gaven. Ik heb er af en toe en hier en daar iets over geschreven: Ivor Cutler, Gene Pitney en Gerard Reve. Ivor Cutler en Gerard Reve waren oude, zieke mannen. Het uitblazen van de laatste adem moet voor hen een verlossing zijn geweest. Gene Pitney was nog te jong. Hij is tijdens een zoveelste toernee in zijn slaap gestorven. 

Donderdag en vrijdag heb ik thuis gewerkt, dossiers behandeld. Dat gaat thuis veel beter dan op kantoor, omdat ik me dan beter kan concentreren. Op kantoor zitten we sinds oktober met z’n allen samen in een grote ruimte. Dat is nog steeds wennen. Thuis werk ik sneller, maar ik neem soms een pauze om eens door het raam te kijken naar de bomen, of de planten water te geven. Ik drink veel water, weinig koffie. ’s Avonds ga ik boodschappen doen en naar de apotheek, voor mijn vrouw, die ziek is. Dit staat in de tegenwoordige tijd, maar behoort tot het verleden. Ze is niet langer ziek wil ik zeggen.

Donderdagavond heb ik, zoals ik hier al liet verstaan, veel naar Gene Pitney geluisterd. Ik was bijna vergeten hoe goed hij was, wat voor een verbluffende zanger, met zoveel inventiviteit in zijn songs, in de arrangementen, maar ook in de keuzes die hij maakte. Ik heb daarna niet naar Hello Mary Loy geluisterd. Ik heb naar Bullit zitten kijken, van Peter Yates, met Steve McQueen, Robert Vaughn en Jacqueline Bisset. De eerste zestig minuten van Bullit overrompelden me door het camerawerk, de posities van de camera, de belichting en de soundtrack. Maar niet door het vrij vervelende verhaal. Ik ben in slaap gevallen en daarna, weer wat uitgerust, heb ik nog wat liggen lezen in het boek van Geert Mak.

Vrijdag was ongeveer hetzelfde scenario, niet als Bullit, maar als de rest van mijn dagen. ’s Avonds ben ik nog laat helemaal alleen naar de heropening van de oude KVS gegaan. Toen ik er aan kwam, buiten adem van het rennen, was ongeveer alles gedaan, de toespraken, het gratis drinken… De mooiste acteurs en actrices waren al vertrokken. Alleen mijn jonge vriend B. stond er nog aan de toog met zijn vriendin, klaar om ook te vertrekken. Ze gaven me nog even respijt om een paar vrolijke verhalen te vertellen over dronkenschap en wreedheid. Dan was ik weer alleen. Wat te doen vroeg ik mij af, zoals de Russische nihilist Tchernichevski. Ik heb het gebouw bezocht, de volledig nieuwe, imposante binnenkant, de bol, een grote zaal, maar toch intiem.

Later heb ik aan een tafeltje in de bar boven naar een enthousiaste jonge man zitten luisteren. Hij kende me van zien en wilde me duidelijk maken wat de jeugd zoal nodig heeft en hoe zij verschilt van de oudere generatie. Voor de generatie van zijn ouders is het hoogste geluk het verwerven van bezit, zegt hij. Ik ben ouder dan zijn vader en bezit niets. Jij bent anders, zegt hij. Niet representatief voor jouw generatie. Jij bent meer zoals wij, een wat oudere versie, ha ha. We praten lang over die verschillen, over de 'revolutie' en het 'behoudsgezinde', zijn vriendin wordt er moe van, haar ogen vallen toe, ze raakt zelfs haar wijn niet meer aan.

Na het afscheid ben ik op dreef en ga ik op zoek naar ander gezelschap. Ik maak geheel toevallig kennis met een zielsverwant, alsof de bliksem mij treft; maar dan wel een ongevaarlijke bliksem. P., zo heet hij, en ik praten over the Byrds, the Flying Burrito Brothers, Gram Parsons, Sneaky Pete en zijn steelgitaar, Elliott Murphy’s eerste langspeelplaten, Aquashow, Diamonds By The Yard en Just A Story From America. Sneaky Pete als begeleider van Commander Cody toen die op de Grote Markt in Brussel optrad in 1976 in het voorprogramma van Elliott Murphy.
P. legt me uit hoe je op een luie manier toch behoorlijk gitaar kunt spelen. Je moet dan de duim gebruiken, dan hoef je geen barrées te nemen. Mijn nieuwe zielsverwant is zelf een gitarist en vooral een begenadigd steelgitarist. Ik heb hem al live aan het werk gezien. Nu bejubelt hij het gitaarspel van AP Carter, James Burton, Cliff Gallup, David Gilmour. We houden allebei van de elpee ‘More’. Gene Pitney, komt ter sprake, waarna er een stilte valt. Muddy Waters, Champion Jack Dupree. Waar is M. toch? Voorzichtig geworden? Wat had ik hem graag gezien, nu op deze feestelijke avond. Hij heeft me deze plek leren kennen. Met hem ben ik hier naar stukken van Hugo Claus komen kijken, in het begin van de jaren zeventig. Ik heb in die periode bij de KVS gesolliciteerd als machinist. Maar ik was waarschijnlijk niet sterk genoeg, ik woog maar vijfenvijftig kilo. Niet dat ze mij daar gewogen hebben.
Steel gitaar, het mooiste instrument voor mij, zegt P.. Het motel waar Gram Parsons is gestorven. Bij Humo werkt iemand die daar, in dat Bed heeft geslapen, zegt hij. Neen, zeg ik, dat heb ik nooit gedaan. Dat zou ik niet willen. Dat is mij wat te morbide. Isn’t that my girl, and isn’t that my best friend? Gene Pitney. We bevelen elkaar boeken aan, geen literatuur, boeken over muzikanten. Ray Charles. Mijn eerste single was ‘I Can’t Stop Loving You’. ‘Modern Sounds In Country & Western’, daar zat steel gitaar op, naar de achtergrond gemixt. Erg goede steel gitaar, zegt P.. Bill Monroe, Flatt & Scruggs. Rednecks. We hebben niet alleen over muziek gepraat, we hebben ook veel gelachen. Dat is nog het beste, dat lachen. We probeerden elkaar niet te overtroeven met onze kennis, we wilden elkaar ons enthousiasme meedelen. Heerlijk.

popcultuur,drinken,dagen,dagelijks leven,tijdverdrijf,dood,gene pitney,dossiers,kantoor,pop,muziek,film,bullit,peter yates,kvs,opening,conversaties,patrick riguelle,zielsverwanten,country,gitaar,gitaar spelen,steelgitaar,gitaristen,gram parsons,joshua tree,ray charles,lachen,russ meyer,shari eubank,supervixens,hoochiekoochie,muddy waters,neuken,zuipen

Gene Vincent & his Blue Caps


Zaterdag was ik tot niet veel in staat. Ik heb wel veel uitzinnig plezier beleefd aan een kitschfilm die ik van Arte had opgenomen, ‘Supervixens’, van Russ Meyer, met de fantastiche Shari Eubank (in de rollen van Super Angel en Super Vixen). De film is niet helemaal vermakelijk, er komt ook heel wat geweld in, vooral ten aanzien van vrouwen. Maar dat geweld wordt ‘afgekeurd’, en de vrouwen in de film zijn sterk, veel sterker dan de mannen. En loontje komt om zijn boontje. Russ Meyer is zeer geliefd in het rockmilieu. Heel wat rockgroepen hebben hun naam bij hem gevonden, of de titel van een song of een album. De meeste van die rockgroepen hebben weinig te vertellen. Waarom vinden ze niet zelf iets uit? Nou ja, iedereen heeft altijd wel ergens iets van iemand anders. Zo heb ik 'hoochiekoochie' van Muddy Waters, zij het anders gespeld. Die bluesconnotatie voor een 'literaire' weblog sprak me wel aan. Die verwijzing naar neuken en zuipen, om het maar eens te zeggen zoals het is. Twee bezigheden die mij volkomen vreemd zijn.

De voorbije dagen deed ik ook andere dingen, waar ik geen woorden voor heb gevonden, of indien wel bewaar ik ze voor later.

09-04-06

WOORDEN OPGESPOORD

 

proza,smeekbede,literatuur,muze,aanroeping,verwaarlozing,woorden,zinnen,creeren,schrijven,schoonheid,lusteloosheid,koffie,porto,amaretto,wijn,bier,betekenis

Ja, ja, ik heb je opnieuw verwaarloosd. Het is niet dat ik niet aan je heb gedacht. Je moest eens weten hoeveel gedachten aan jou op een dag door mijn hoofd razen. Doe geen poging, ze zijn niet te tellen. Zo vaak voel ik de aandrang om je te gebruiken als ik dat zo mag noemen. Of ben jij het die mij gebruikt? Je te gebruiken, om van antwoord te dienen, commentaar te geven, te argumenteren. Om verhalen te vertellen, verzinsels, hele en halve leugens; of rechtuit de waarheid te spreken. Gelul, geleuter en kleinspraak. Of om je gewoonweg maar uit te drukken, te formuleren, voor het plezier, om je mooie vormen te zien verschijnen. Zonder meer. 

Maar net voor het moment van je ontstaan overvalt me opeens die oude vertrouwde lusteloosheid. Alle energie is aan mijn lijf onttrokken, alsof het bloed was, opgezogen door vampiers. Zo fantastisch gaat het er echter niet aan toe.

Kan ik je dan niet meer zien? Kan ik je niet meer oproepen? Ik span me nochtans ik. Ik drink liters koffie, slik alle mogelijke vitamines en mineralen, omega-3, wat je maar wilt. Australische wijn, Amaretto uit Sicilië, Porto uit Porto, bier uit Jupille, solidair als ik ben met de arbeiders daar, maar het is vergeefse moeite. Van koffie word ik zenuwachtig, de pillen lijken placebo’s, de alcohol maakt me lethargisch.


Ik wil je niet verwaarlozen, echt niet. Ik heb eerder de indruk dat jij je voor mij uit de voeten maakt. Waarom dan toch? Ben je bang voor mij? Dat is toch te gek. Ik heb je lief, ik wil alles voor je doen, ik wil je alles geven. Ik zal je altijd volgen, tot in Mexico, tot in Paramaribo, tot aan het eind van de wereld, waar het laatste gras groeit.
Jij weet dat natuurlijk allemaal niet, want je hebt geen ziel. Ik kan jou een ziel schenken, en jij kunt me op jouw beurt plezier verschaffen, het plezier van je ontstaan en van de rijkdom van je betekenis, die ik nog minder in de hand heb.

Wellicht wegens mijn geestelijke uitputting ga je mij uit de weg. Ik heb inderdaad teveel van mezelf gevergd – en misschien ook teveel aan jou gegeven, maar dat mag ik niet zeggen, want dan spreek ik mezelf tegen - en leef nu al te lang tegen mijn ziel in, tegen wat mijn ziel verlangt (en ik heb het niet over ziel in christelijke betekenis, begrijp dat wel). Ziel of natuur of wezen? Je diepste zelf? Against your own heart, om het eens in het Engels te zeggen.
Maar ik had je ervoor gewaarschuwd, ik had het nog zo gezegd, meen ik mij te herinneren. Het is zo goed als zeker dat je niet altijd op me zult kunnen rekenen, heb ik gezegd, denk ik, maar dat betekent niet dat ik je vergeten zal zijn. Ik ben een heel trouwe man en ik kom altijd naar je terug. Maar die periodes van dorheid, wanneer ik je het meeste mis moet je proberen te aanvaarden. Zoals nu, nu ik zo in je nabijheid ben, maar je toch niet kan vinden. Alleen wat zwakke schaduw van je zie ik hier voor me opdoemen. Toch weet ik dat ik je op het spoor ben. Neen, je sporen kun je niet uitwissen.

07-04-06

WO ES WAR

associaties,google,surrealisme,combinaties,meester,verbanden,freud,es,id,guy davenport,pale fire,nabokov,kurt drawert,nazi s,geert mak,endlosung,in europa,a streetcar named desire,blanche dubois,stanley kowalski,snatch,patti palladin,judy nylon,pop,popcultuur,boeken,bugatti,neerharen,dood,meir,antwerpen,dostojewski,ivor cutler,tennessee williams

Is er nog tijd om iets te doen? Stanley! Stanley! Wo Es War Soll Ich Werden. Dat heb ik altijd een fascinerende uitspraak gevonden. Ik tikte die in in het Google-balkje en kwam op Guy Davenport terecht, een schrijver waar ik nog nooit van had gehoord, maar die wel een boek heeft geschreven met die gevleugelde woorden van Freud als titel. Het werk is in honderd exemplaren uitgegeven bij The Finial Press, in Champaign, Illinois, heb ik gelezen. Het lijkt wel een grap van Borges, of een voetnoot in Pale Fire van Nabokov (wellicht de grootste vijand die Freud ooit heeft gehad). Maar kennelijk heeft Davenport echt bestaan, er is zelfs een kort in memoriam in Le Monde verschenen. Verder ontdekte ik de Duitse dichter Kurt Drawert, die in een gedichtenbundel uitgaf met deze titel (Suhrkamp, 1996). Ik ben niet de meester in mijn eigen huis. Ik heb niet eens een eigen huis. Maar moet ik me dat laten welgevallen? Moet ik dat? Neen, dat moet ik niet. Ik moet het onbewuste om de tuin leiden, zo lang tot ik er bij in slaap val. En dan weer wakker worden en mezelf terugvinden in mijn eigen huid. Want de slaap van de rede… Je weet wel. Is er nog tijd? Om gevaren te trotseren? Om avonturen te beleven en daarna te zeggen: ik heb avonturen beleefd? Om gek te doen en toch niet gek te zijn. Hoe houd je jezelf in de hand zonder alles onder controle te houden? Hoe bekijk je jezelf vanop een redelijke afstand. Het leven kan mooi zijn, zelfs al zijn wij niet de heren van de schepping en luistert het paard dat wij berijden niet naar onze orders. 


Ik las nog maar eens over de nazi’s in het dikke en grandioze Europaboek van Geert Mak. Hoe de ambtenaren in de Berlijnse ministeries de Endlösung tot twee cijfers na de komma berekenden. Nooit zagen ze een lijk in rook opgaan, maar ze werkten gedwee mee aan de moord op zes miljoen mensen. Wisten zij niet waar hun paarden naartoe reden? Alleen al daarom is die uitspraak van Freud zo belangrijk. Je moet weten wat je wilt en wat je doet. Klaar als een klontje. Deze tekst is door mezelf geschreven en ook weer niet. Verheldering komt later. Na de val sta je weer op. Daar bedoel ik niets religieus mee. Woordverlies, afasie, vervolgens een stroom van betekenisvol schrijven. Ik ben er zeker van. Dit is een oefening in geduld. Ik laat de woorden komen. Stanley, uit A Streetcar Named Desire. Maar ook uit een lied van Snatch (dat waren Patti Palladin en Judy Nylon). Ooit zag ik de Bugatti’s rijden door de straten van mijn dorp. Hemelse auto’s zag ik. Vorige week zag ik de dood zitten op zo’n paaltje op de Meir in Antwerpen. Hij had een zwart pak aan en las, van de wereld weg, Schuld en Boete van Dostojewski. Een paar dagen geleden, toen ik op weg was naar het Centraal Station hier in Brussel, passeerde Ivor Cutler me, zonder me zelfs een blik waardig te gunnen. Ivor Cutler? Dat kon toch niet, ik had een paar uur voordien gelezen dat hij dood was. En zo gaat het leven zijn gang, running and hiding, anywhere you want me to go. Stanley, Wo Es War Soll Ich Werden! Down, anyway you want me to go. Hello Mary Lou, Goodbye Heart. Ik heb dan toch niet zitten glimlachen, uiteindelijk. Ik ben doodgewoon in slaap gevallen.


Foto uit de film Zardoz van John Boorman.

03-04-06

BRUSSELSE NACHTEN

werk,vrienden,intelligentie,transcendentie,ego,cat power,alexander spence,skip,orval,drinken,cafes,schaterlachen,nazi s,eighties,kater,antwerpen,radio,televisie,ziel,restaurant,faust,greenwich,peter sloterdijk,geert mak,cafe kafka,cafe de monk,droom,rva,vpro

Het ware drukke dagen, maar een soort dorheid had zich daarna van me meester gemaakt. Dat gebeurt wel vaker, ik geloof ten minste één keer per week, maar ik houd het niet nauwlettend in de gaten. Vrijdag was het ongewoon druk op het werk. ’s Avonds ben ik gaan drinken en lekker eten met lieve vrienden (die ook ex-collega’s zijn). Ze zijn jong en weten zo buitengewoon veel dat ik soms denk dat ze hun ziel aan de duivel hebben verkocht. Meermaals vraag ik me af of ik dat niet beter zelf zou doen. Maar de vraag is of ik wel een ziel heb, ik ben geen katholiek, ik ben niet eens gelovig (tenzij je goedgelovigheid ook een geloof noemt). Ik geloof wel in de ‘ziel’ van de muziek, het ritme, de beweging, ook de ‘geestelijke’ beweging die ze veroorzaakt lijkt mij te bestaan, de ontroering, de vervoering. Daar geloof ik allemaal wel in. Maar een eigen ziel die ik zou kunnen verkopen, zoals Faust? Ik betwijfel het. 


Laten we echter terugkeren naar de Greenwich. We zitten daar dan te praten en te luisteren en na een tijdje vergeet je wie wat weet, het heeft geen belang meer, er vindt een transcendentie van het ego plaats. Dat kan wel even duren, maar je komt natuurlijk altijd wel weer terug bij jezelf terecht. Nog een geluk, anders zou je niet meer kunnen functioneren in de gemeenschap van volkeren.

Ik zal geen poging doen om de conversatie hier te reconstrueren, veel meer dan zeven procent herinner ik er mij overigens niet meer van. We hadden het onder meer over Peter Sloterdijk en Geert Mak. Dat dat boek van Geert Mak over Europa zo moeilijk leest in bed. Dat Sloterdijk geen eenvoudige jongen is. Je kunt hem nergens bij indelen, hij hoort nergens thuis. En andere diepzinnigheden. Dan komt het moment van afscheid, mijn vrienden moeten naar huis, mij lokt de stad met haar bekoringen.

werk,vrienden,intelligentie,transcendentie,ego,cat power,alexander spence,skip,orval,drinken,cafes,schaterlachen,nazi s,eighties,kater,antwerpen,radio,televisie,ziel,restaurant,faust,greenwich,peter sloterdijk,geert mak,cafe kafka,cafe de monk,droom,rva,vpro

In café Kafka ontmoet ik een zielsverwant, al is het niet Kafka, zelfs niet Kamiel. Ik kan hem moeilijk ‘vriend’ noemen omdat ik hem nog maar twee weken ken. Maar ik noem hem toch maar zielsverwant. We houden onder meer van dezelfde muziek. Cat Power, Alexander Spence. Ik dacht dat ik de enige Belg was die Alexander Spence zelfs nog maar kende. Wat heb ik mij vergist. Vrijdagnacht in café De Monk bleek dat deze man zelfs de songs van Spence kon zingen, wat ik zelf niet eens kan. Ik kan helemaal niet zingen. In een van die liedjes van Alexander Spence (die ook Skip heet) komt de zin: ‘I’ve searched everywhere in heaven, but I’ve never found a friend like you…’ Ondertussen dronken we Orval, geloof ik, of was het Tripel van Westmalle? Ik denk Orval, niet omdat ik dat bier lekkerder vind, maar omdat het minder straf is dan de heerlijke Tripel. Ja, dit klinkt weer als een opstel. Zou ik het niet over een andere boeg gooien?

Die nacht heb ik in een droom zo liggen schaterlachen. Dat heb ik gisteren al verteld. Werklozen liepen in een processie en droegen elk een of ander grappig voorwerp. Een eindeloze stoet was het, op weg naar het stempelkantoor. Vroeger, nog in de jaren ’80 van de vorige eeuw, moesten werkloze Belgen elke dag op een ander uur een stempeltje gaan halen in een stempelkantoor. Ik heb dat zelf lang moeten doen. Vreselijk vernederend was dat. We moesten in dat kantoor in een rij gaan staan, op nummer! Nazi’s hadden het niet beter kunnen bedenken. Ik ben de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening er nog altijd dankbaar voor dat hij mij niet heeft vergast. Ik ben nu zeer ernstig. Het waren volgens mij zulke mensen als daar toen werkten die de Endlösung hebben bedacht. In ieder geval heb ik, in tegenstelling tot vrijdagnacht in mijn slaap, als werkloze nooit gelachen, toch niet als ik in de rij stond.


Trappist is lekker bier maar het is ook vergift. Over zaterdag kan ik daarom kort zijn (en over zondag ook). Ik had een flinke kater en in die toestand moest ik naar Antwerpen voor mijn radioprogramma. Ik neem in zo’n geval wat pilletjes tegen misselijkheid en braakneigingen. Anders zou het bijvoorbeeld kunnen gebeuren dat ik het mooie pak van de kaartjesknipper onderkots, en daarvoor ben ik veel te goed opgevoed. De treinreis leek drie keer zo lang te duren. Misschien is dat een nevenwerking van die pilletjes? Eens in Antwerpen loop je dan dan misselijk over de Meir, tussen al die prille zonnige winkelende meisjes. Het is een verschijnsel dat ik heel sterk met Antwerpen associeer, prille zonnige winkelende meisjes. Vervolgens wat nachos met een glas bier; mijn vriend PG in hogere sferen; toch nog een radioprogramma maken dat enige samenhang vertoont; konijn met pruimen en abrikozen bij de vrienden; met een vroege trein weer naar huis.

Gisteren voornamelijk zitten suffen en me laten deprimeren door een programma op de VPRO over vrouwenhandel. Zonder enige glamour, gelukkig – maar wel een wakende nachtmerrie.