30-01-07

ALS OP EEN WINTEROCHTEND

ochtend,jas,wintersport,metro,foto,martin pulaski,winterkleren,seizoenen,klootjesvolk,kleding

Scwhab's in Memphis, Tennessee, 1992. In deze winkel kocht de jonge Elvis Presley zijn tot zedenverwildering aansporende kledingstukken.


Vanmorgen ging alles verkeerd. Het scheren wilde niet vlotten. Het water uit de douchekraan was te heet. Ik deed lang over mijn ontbijt, had een slechte cd opgezet (iets van the Jon Spencer Blues Experience), de koffie was te sterk, ik kon maar niet wakker worden, hoewel ik nauwelijks geslapen had. Is dat overigens niet paradoxaal, niet kunnen slapen en toch niet wakker kunnen worden?

Na een uur ‘voorbereidingen’ was ik klaar om de deur uit te gaan. Maar ik had niet op de ritssluiting van mijn bruine leren jas gerekend. Die rits wilde niet toe. Maar daarna wilde ze ook niet meer open, zodat ik maar zeer moeilijk uit die jas geraakte. Zelfs Harry Houdini zou het er moeilijk mee hebben gehad. Uiteindelijk is dat wel gelukt, en heb ik nog enkele vergeefse pogingen gedaan om de rits toch weer op het spoor te krijgen. Vervolgens moest ik op zoek gaan naar een andere jas. Het probleem is dat ik weinig winterkleren heb. Ik ben alleen maar op de lente en de zomer ingesteld, waarschijnlijk ter compensatie van mijn winters temperament. Tenslotte heb ik mij tevreden moeten stellen met zo’n rood wintersportgeval dat ik ooit in een (echte) koortsbui heb gekocht en maar één keer heb gedragen. De eerste en - voor vandaag - enige keer dat ik die jas aanhad zag ik overal om mij heen wat in de jaren zestig ‘klootjesvolk’ werd genoemd met zulke rode wintersportjassen aan zich naar het werk haasten. Talloos was hun aantal. Het is dan ook een zeer lelijk kledingstuk. Het moet een bizarre koorts geweest zijn, dat ik zulke jas heb kunnen kopen. Wintersport haat ik met een groot genoegen. Als ik het woord après-ski hoor, grijp ik naar mijn imaginaire revolver, om Goebbels te parafraseren. Ja, soms ben ik wel eens gewelddadig in mijn verbeelding.

In de metro lag links van me op de zitbanken een dakloze te slapen. Hij verspreidde een geur om wierookstokjes van sandelhout bij te branden. Maar ik liet me niet van de wijs brengen. Ik had mijn rust teruggevonden, ondanks het feit dat toen ik onderweg was naar metrostation Bizet de oortjes van mijn iPod niet in mijn oren wilden blijven zitten en dat de stem van Mark Everett vreselijk kraakte.
Aan station Beekkant bleef de metro staan. Dat doet hij meestal wel, maar nu veel langer dan anders. De dakloze moest de trein verlaten, wat geen eenvoudige onderneming was. Waarom mocht de man zijn roes niet uitslapen? Hij stoorde niet echt, de metro zat niet eens vol. Alleen die geur een beetje… Maar dan zouden overdadig geparfumeerde dames ook de metro moeten verlaten, want daar krijg je hoofdpijn van. Regels zijn regels, hoorde ik de twee metrobeambten blaffen. (Zijn dat pursers? Of wat is de naam van hun beroep?) En bevel is bevel, dacht ik.
En toen… En toen… En toen moest de dag nog beginnen.

20-01-07

SPA IN HET VOORUITZICHT


De wind is gaan liggen, het is opgehouden met regenen. Over enkele uren vertrekken we naar Spa. Met de trein natuurlijk. Het belooft een mooie reis te worden, want ze duurt twee uur, mogelijke vertragingen niet meegerekend. Op die tijd kan ik waarschijnlijk wel een romannetje van Georges Simenon uitlezen en zelfs nog wat van het winterse landschap genieten. In een chic hotel, betaald door het bedrijf, een multinational, waar Laura ten koste van veel inspanningen haar dagelijks brood ‘verdient’, neem ik een heerlijk bad in het water van Spa, waar vroeger hertoginnen en prinsessen kwamen (toen ze nog hoofden haddden).

Ik heb nu weinig tijd om te schrijven, de koffer moet gepakt. Het is altijd een getwijfel: wat zal ik meenemen, welk pak, welk hemd, welke schoenen? Hoeveel medicijnen zal ik nodig hebben? Ik mag vooral mijn afstershave gel – van Issey Miyake – niet vergeten. Pen en papier moeten mee, een identiteitskaart (sinds ik de voorlopig laatste keer beroofd werd heb ik die nooit meer op zak; het vergt teveel van mijn zenuwen om een nieuwe vast te krijgen). Er moeten nog een paar andere boeken mee, voor het geval die Simenon niet weet te boeien. Dat lezen van detectives in de metro en de trein is overigens een nieuwigheid. Ik hoop op die manier een tijdelijk nirvana te bereiken. Maar een paar glazen wijn helpen soms ook wel. Vanavond zal vooral de wijn het moeten doen. Ik slaap vreselijk slecht behalve in dure hotels, ook daarom kijk ik uit naar de weekendtrip. Slapen! Morgen al zit hier een andere mens, maar toch dezelfde. De filosofie komt altijd weer om de hoek kijken.

16-01-07

BLAUWSEL

georges simenon,was,blauwsel,kinderjaren,boeken,dick bruna

Toevallig toch weer. Onlangs zat ik tijdens het avondmaal met Laura te praten over blauwsel. Je hebt zo van die gesprekken waarbij van de hak op de tak wordt gesprongen. We hadden het er opeens over hoe onze moeders blauwsel gebruikten in de wastobbe. Ja, in die dagen werd de was nog in een wastobbe gedaan. Dat blauwsel diende om het linnengoed zo wit mogelijk te krijgen, voordat het gebleekt werd op het gras (als er gras was). Als kleine jongen vroeg ik mij af hoe dat blauwsel het linnen wit kon maken. (Overigens associeerde ik het blauwsel van mijn moeder met het blauwe krijt dat mijn vader gebruikte bij het biljarten. Het blauw van het labeur tegenover het blauw van het plezier.) Ik ben nooit te weten gekomen hoe het mogelijk was: ik ben volwassen geworden. Op een dag is het vragen stellen opgehouden; hoewel de vragen nu ik ouder word opnieuw de kop opsteken...


Vanmorgen in de metro sloeg ik De blauwe kamer van Georges Simenon open en daar stond het, op pagina 6 al: “Hij moest zo’n vijf, zes jaar zijn en hij vroeg zich af door welk wonder de blauwe kleur het linnen wit kon maken.” Ik heb trouwens de indruk dat ik dit boekje graag zal lezen. Jammer dat het zo vlug uit zal zijn. De troost is echter dat er nog veel andere boeken van Simenon bestaan. Maar mag ik mijn tijd wel aangenaam verdrijven? Zal al niet spoedig de filosofie mij weer tot de orde roepen?

10-01-07

SNEAKY PETE & THE FLYING BURRITO BROTHERS

sneaky pete kleinow,flying burrito bros,steelgitaar,patrick riguelle,in memoriam,dood,autobiografie,country,country rock,americana,marc didden

Sneaky Pete, tweede van rechts.

Gisteravond vertelde een collega me dat Sneaky Pete gestorven was. De ernst van de boodschap drong niet meteen tot me door. Onbenullige maar opdringerige werkfeiten zaten nog in de weg. Onderweg naar huis overviel me echter een grote treurnis. Iemands dood, zeker van iemand die we hebben bewonderd, herinnert ons onvermijdelijk aan onze eigen sterfelijkheid. 

Sneaky Pete Kleinow was in 1969 medeoprichter van the Flying Burrito Brothers, een band die voor blanke ‘rockmuziek’ evenveel betekend heeft als James Brown voor soul en funk. De Burrito’s waren de grondleggers van de country rock, en daardoor meteen ook van een muziekgenre dat nu alt.country of americana wordt genoemd. Muzikanten en bands als Bonnie ‘Prince’ Billy, Ryan Adams, Lambchop, Calexico en the Walkabouts volgen het country rock-spoor en zorgen vandaag voor veel muzikale opwinding. Gram Parsons, samen met Chris Hillman de belangrijkste songschrijver van the Flying Burrito Brothers, noemde het Cosmic American Music. Die term zal altijd geldig blijven.

Sneaky Pete was de steelgitarist van de band, visueel een achtergrondfiguur maar muzikaal zeer op de voorgrond, ook letterlijk, in de mix. Pete Kleinow bespeelde zijn steelgitaar helemaal anders dan de brave jongens in Nashville. Door allerlei geluidseffecten zorgde zijn instrument bij de luisteraar voor talloze kippenvelmomenten. Je kon dat geluid in die agen alleen maar psychedelisch noemen; er was geen ander woord voor.

Tot 1969 had ik country & western een zeer oubollig genre gevonden, maar een recensie in het tijdschrift Aloha had me ertoe aangezet om de eerste Burrito-elpee, The Gilded Palace Of Sin, aan te schaffen. Na een eerste beluistering wist ik al dat deze elpee me mijn hele leven zou begeleiden. Het is nu bijna veertig jaar later en ik luister nog wekelijks naar de plaat.
Gisteravond heb ik het originele vinyl uit ’69 nog eens uit het rek gehaald. Die prachtige, romantisch-decadente hoes!

Toen de Flying Burrito Brothers in 1970 in het Concertgebouw in Amsterdam optraden ben ik ernaartoe gelift. Mijn ex-vrouw en ik hebben die avond in Amsterdam, na het concert, bij een student op de vloer geslapen. We hadden net genoeg geld voor twee kaartjes. Ik herinner me dat die jongen die avond net ruzie had met zijn vriendin. Het was niet bepaald het geschikte moment om op bezoek te komen. In het statige concertgebouw was me opgevallen dat meer dan de helft van de bezoekers onafgebroken joints zat te rollen. (Erwin, een vriend van me zat op dat ogenblik in de gevangenis van Gent omdat hij in zijn dagboek had genoteerd dat hij af en toe een joint rookte.) Gram Parsons had de band net verlaten, maar desondanks maakten we een adembenemend concert mee. Vooral op Christine’s Tune – een song over een van die beruchte GTO’s, een bende zeer creatieve groupies uit Los Angeles – en op Hot Burrito # 2 ging Pete Kleinow hevig tekeer. Je kon hem met recht de Jimi Hendrix van de steelgitaar noemen.

Later was de steelgitarist zeer in trek als sessiemuzikant. Hij speelde onder meer bij Joni Mitchell (Blue), Joe Cocker (op diens enige geslaagde lp, de tweede titelloze), Sandy Denny, Delaney & Bonnie, Steve Miller Band (The Joker), Yoko Ono, John Lennon, Little Feat en de fantastische Lemonheads (Come On Feel the Lemonheads).

Marc Didden, een zeer goede oude vriend van me, stuurde me vanmorgen een mailtje waarin hij schreef dat ik -samen met hem - waarschijnlijk de enige persoon in heel Brussel ben die treurt om het heengaan van Sneaky Pete Kleinow. Het zou kunnen, maar ik hoop van niet en ik denk het ook niet. Een paar maanden geleden had ik een lang gesprek met Patrick Riguelle: ik heb zelden iemand met zoveel enthousiasme over the Flying Burrito Brothers en het steelgitaarspel van Sneaky Pete horen praten als hij. Daarom vermoed ik dat Patrick Riguelle en zijn vrienden ook wel zullen treuren.

 sneaky pete kleinow,flying burrito bros,steelgitaar,patrick riguelle,in memoriam,dood,autobiografie,country,country rock,americana,marc didden

De muziek blijft achter als een onuitwisbaar spoor. Dat moet ons troost bieden.

09-01-07

LEVEN MET EEN DWANGNEUROSE


Bijna elke middag loop ik tijdens de lunchpauze van mijn werk in de Arenbergstraat door de rijkelijke Koningsgalerij en de Koninginnegalerij (ook bekend als de Koninklijke Sint-Hubertusgalerijen) en verder langs het Agoraplein en de Grote Markt naar een of andere plek die mij toevallig lokt. Het is geen wandeling, veeleer een dwanghandeling. Maar ik ben wel in beweging, dat is mooi meegenomen. Meestal loop ik in de richting van De Slegte of een van de tweedehandswinkeltjes op de Lemonnierlaan, bijvoorbeeld de Pêle Mêle. What can a poor boy do? Het vreemde – of misschien is het doodgewoon – is dat ik van die stijlvolle Koninklijke Sint-Hubertusgalerijen en van die grandioze Grote Markt meestal niets zie. Ik merk niets van de chocoladewinkels, van de handtassen van Delvaux, van de luxueuze boeken in de kunstboekenwinkel, ik zie niet wie op het terras van de Mokafé zit, het dringt niet tot me door welke films er in de Arenberg Cinema op het programma staan, ik merk niets van de toeristen op de Grote Markt, vroeger overwegend Japanners, nu ook Chinezen en Amerikanen, mijn blik valt niet op het restaurant Le Cygne, noch op het Broodhuis, noch op het Stadhuis, waar ik toch ooit in het huwelijk trad. Ik weet dat ’t Serclaes bestaat, maar ik loop hem blindelings voorbij. Ik storm recht op mijn doel af en zodra ik daar ben aangekomen vraag ik me af: wat doe ik hier eigenlijk?
Vandaag had ik echter geluk: ik vond bij De Slegte zowel de mooi in één band uitgegeven verzamelde romans van Cesare Pavese, als een biografie van Karl Corino over Robert Musil. Pavese en Musil zijn twee van mijn vijf of tien uitverkoren schrijvers. Mijn dwangneurose heeft me voor een keer genoegen verschaft. Ik ga nu zwaarbeladen huiswaarts, maar voel me lichter dan toen ik deze morgen thuis vertrok. De volgende maanden zullen ongetwijfeld in het teken van Cesare Pavese staan. Jazeker!

06-01-07

PORTRET VAN EEN MOOIE VROUW

spanje,delegatie,luis mariano,strand,zelfmoord,jos d,vrienden,vriendin,herinnering,cadiz,schoonheid,vrouwen,heimwee,werk,woodstock,cafes,maria jesus,2000,50,verjaardag

Cadiz, in het Zuiden van Spanje, trekt me aan als geen andere Europese kleine stad. Ik heb het over het oude schiereiland, met de kleine straatjes en pleinen, en de kathedraal met de gouden koepel, en niet over het smalle, nieuwe gedeelte waar de flatgebouwen woekeren en hun schaduwen werpen op het mooie en uitgestrekte strand. Op het ogenblik dat mijn beste vriend zelfmoord pleegde, in oktober 1991, bevond ik me daar op dat strand. Ik was er toen gelukkig, euforisch, overweldigd door het licht van Cadiz. Aan de dood dacht ik niet. Pas twee weken later zou ik op de hoogte worden gebracht van die tragedie. 


Sindsdien ben ik er vaak geweest, meestal voor mijn werk. Ik bezocht Cadiz dan telkens met een Vlaamse delegatie van een vijftal jongeren uit jeugdwerk. Onze opdracht was te gaan kijken wat de jeugd van Cadiz zoal deed in haar vrije tijd. Konden wij er iets van leren? Of waren de Vlaamse jeugdorganisaties toch superieur, zoals velen beweren. De superioriteitsdenkers konden en kunnen op twee oren slapen: er zijn weinig jeugdverenigingen in Cadiz. Er gebeurt niet zo veel dat echt georganiseerd is. Spontaniteit is er de regel. Anarchie, chaos, onduidelijke afspraken. Toen ik een keer werd ontvangen door mevrouw de burgemeester, een hoogdravend, inhoudelijk leeg mens van de Partido Popular, had mijn tolk een short aan die meer op een onderbroek leek. Zo stonden we de dag nadien op de voorpagina van Diario de Cadiz.
Er wonen veel jongeren in Cadiz en die maken vooral veel plezier, in de cafés, één ervan heet Woodstock, op de prachtige pleinen en, in de zomer, op het strand. De braafsten drinken tinto de verano, een afschuwelijke mix van wijn en bessensap. De anderen drinken whisky, wodka en gin.

In de jaren negentig ben ik in Cadiz bevriend geraakt met Menchu, wat een afkorting is voor Maria Jesus, een van de mooiste meisjes die ik ooit heb ontmoet. Ik ben met haar bevriend geraakt zonder echt met haar te converseren. Ik sprak maar een paar woorden Spaans, zij een beetje Engels. Yes en No en zo. Toch was er, onverklaarbaar, meteen die intense, zinderende vriendschap. Wellicht was er ook verliefdheid in het spel. En waarom ook niet: zoals je weet is dat gevoel brandstof voor mijn ziel, zoals kerosine voor een vliegtuig. In 2000 vierde ik in de oude straten van Cadiz mijn zoveelste verjaardag. ’s Avonds zaten Laura, Menchu en ik, samen met nog enkele vrienden die ik daar heb leren kennen, aan een eenvoudige tafel gefrituurde vis te eten en Cava te drinken. Eten heeft me nooit beter gesmaakt en ik heb zelden meer gelachen. Het was de mooiste verjaardag van mijn leven.

De voorbije vier of vijf jaar had ik niets meer gehoord van Menchu. Ik wist dat ze verhuisd was, maar ik had geen adres, e-mail of telefoonnummer. Tot gisteren. Menchu stuurde me via de mail haar nieuwjaarswensen. Het was alsof we elkaar eergisteren voor het laatst hadden gezien. Er zat een foto van haar bij haar mail. Een beetje ijdel is ze wel, de lieve Menchu. Maar dat is goed, want daardoor was ik opnieuw een gelukkig man. Menchu leeft en is nog altijd even prettig gestoord. Haar schoonheid blijft overweldigen. La belle de Cadix, zoals in het lied van Luis Mariano:

"La belle de Cadix
A des yeux de velours
La belle de Cadix
Vous invite à l'amour

Les cavaliers aussitôt
Sortent leurs sombreros
On apprend qu'elle danse
Et pour ses jolis yeux noirs
Les hidalgos le soir
Viennent tenter leur chance

Mais malgré son sourire
Et son air engageant
La belle de Cadix
Ne veut pas d'un amant
Chicaticati aïe aïe aïe
Chicaticati aïe aïe
Chicaticati aïe aïe
Ne veux pas d'un amant."

19-12-06

DE LICHTHEID VAN HET BESTAAN, SOMS


didi and agnes

Vrijdag had ik een verrukkelijke avond met Diana, een lieve vriendin en zielsverwante uit Antwerpen. Telkens als ik haar zie, wat niet vaak gebeurt, maakt zich een zeer bepaalde lichtheid van me meester. Ik noem het liever geen verliefdheid, want dat klinkt zo banaal. Toch ben ik graag verliefd. Dat houdt me geestelijk jong en stimuleert mijn verbeelding. Ik vertel mijn Laura – schoorvoetend – over mijn verliefdheden. Zij heeft er begrip voor; ze weet dat het telkens om eerder korte en onschadelijke opflakkeringen gaat. Maar ze zegt ook dat ik van haar veel minder zou verdragen. Jaloezie zou me veel sneller parten spelen. Ze heeft zeer waarschijnlijk gelijk.

Ik had het echter over lichtheid, dat is iets anders dan verliefdheid. Verliefdheid is een huis dat in brand staat, een snelle, diepe trek aan een sigaret; de lichtheid van onze ontmoetingen is vergelijkbaar met de zachte warmte van de zon, met lentedagen, als de magnolia’s in bloei staan.

We hebben samen heel gewone dingen gedaan. Bij Plaizier hebben we kerstkaartjes gekocht; we hebben over de kerstmarkt gewandeld, in de Archiduc een glaasje champagne gedronken en vis gegeten in mijn favoriet restaurant.
Zodra het tien uur is slaat de tijd op hol. Binnen enkele ogenblikken moeten we al afscheid nemen. De trein rijdt weg uit het station. Ik spoed me naar de metro. Neen, denk ik dan, ik ben niet de tragische held, Carlito, die op het perron wordt doodgeschoten in de armen van zijn geliefde, net voor zijn droom in vervulling zal gaan. Ik leid een doodgewoon bestaan. Mijn dagen vullen zich met woorden, met namen, met muziek, met beelden uit films. Zoals de slotscène uit Carlito’s Way. Het leven betekent niet veel, maar sommige momenten betekenen alles.

Foto: Martin Pulaski, Diana en Laura.

11-12-06

FEESTZALEN, CAFES EN KAMERTJES

dagboek,cafes,ab,bed,films,vrienden,feest,wijn,townes van zandt,le coq,drinken,muziek,pop,fado,misia,collega,werk,vrt,dalida,sophie calle,beck,duivel,cirio,limburg,zingen,brussel,nachtleven,pp,euforie,receptie

Ik heb een duivels oorkussen voor je meegebracht, zei ze. Ja, dat kan ik wel gebruiken, zei ik, en nu nog een devil’s haircut. Er staat anders niet veel meer op, zei ze. Nee, er staat niet veel meer op, zei ik, maar een devil’s haircut behoort toch nog tot de mogelijkheden. Dat oorkussen mocht wel, want had ik mijn week niet in ledigheid doorgebracht? Oordeel zelf maar. Maar oordeel alleen over wat ik me er van herinner. Overigens, waarom zou je eigenlijk oordelen? Het is het leven zoals het is, daar valt niet veel anders over te zeggen. ’s Morgens sta je op en ’s avonds ga je in bed en voor niets gaat de zon op. 


Maandagavond, na de dagtaak, had ik met mijn Antwerpse vriend Theo afgesproken in café PP, waar we wat bier dronken. We aten kalfsvlees à la saltimbocca, lekker bereid, bij één van mijn favoriete Italianen, aan de Plattesteen. Daarna begaven we ons naar de AB voor het concert van Misia, de wonderlijke diva uit Porto. Begenadigde zangeres, begenadigde muzikanten. Het eerste deel was sobere fado gezongen door een in een lange zwarte jurk gehulde Misia, sereen en op blote voeten. Ze gaf veel uitleg bij de liederen, wat de verstaanbaarheid uiteraard ten goede kwam. Fado is droevige muziek, maar Misia heeft een bijzonder humoristische kant, waardoor een mooi evenwicht ontstaat tussen de zang en het gesproken woord. In dat opzicht deed ze me aan de diepbetreurde Townes Van Zandt denken, die de meest wanhopige songs, zoals Nothing en Waiting Around To Die, kon afwisselen met hilarische gesproken intermezzo’s. De beste galgenhumor die ik ooit heb gehoord, die van Townes.

Na de pauze keerde Misia terug in een elegant zwart mantelpakje, op hoge hakken en duidelijk bereid tot enige frivoliteit. Het publiek werd ten dans uitgenodigd in een hotelkamer in het Drama Box Hotel. Zo mochten we het ons voorstellen. Hulpmiddel: op de achtergrond een foto - in de stijl van Sophie Calle - van de hotelkamer; op het bed een ouderwetse, rode telefoon. Misia zong fado’s, bolero’s, tango’s, meestal in het Portugees, maar ook in de taal van haar moeder, het Spaans, en één keer, voor een lied van de tragische Dalida, in het Frans. Misia kreeg een staande ovatie. Nu, precies een week later hoor ik nog steeds haar pure en dramatische stem en het indringende, melancholische geluid van de Portugese gitaar.

Dinsdagmiddag hadden we een personeelsfeestje. Daar valt niet veel over te zeggen, behalve dat we een ‘studiebezoek’ brachten aan de VRT. Een gebouw waar ik in mijn jeugd voor werd klaargestoomd, maar waar ik om velerlei redenen aan verzaakt heb. Ik zag Kurt Van Eeghem door de gang schrijden. Laura luistert graag naar zijn programma. Zelf zet ik nooit de radio aan. Het hoogtepunt van het bezoek was de set van FC De Kampioenen. What a dump, zou Elizabeth Taylor zeggen. Ik kreeg er meteen een niesbui: het bed van Carmen was niet opgemaakt. Moet dit de smaak van de doorsnee Vlaming voorstellen? Ik vrees het een beetje. Gelukkig heb ik van de serie nog geen enkele aflevering gezien. Tot slot mochten we ook even de studio van de Rode Loper binnen. Er werd ons meegedeeld dat een blauwe achtergrond onzichtbaar werd gemaakt dank zij allerlei technologische snufjes, en dat de kijker thuis dan kleurige cirkels te zien krijgt. Je mag alleen geen blauwe kleren dragen, want dan word je onzichtbaar. Hello Jim! Ik zat te reikhalzen naar die rode loper, maar die viel niet te bespeuren. Ook dat programma heb ik nooit op televisie gezien, ook niet die psychedelische cirkels, ook niet de presentatrice, Jasmine of zo. De groep Clouseau, de Vlaamse Beatles, kan mij evenmin bekoren. Ik weet trouwens niet precies waarom ik een verband leg tussen een rode loper en de broertjes Wauters.

Dinsdagavond zat ik met mijn lieve vriendin Inge in café Cirio. Het is mijn geliefkoosde plek om af te spreken. Er wordt slechte wijn geschonken en nog slechtere half en half, maar er hangt altijd een soort van hartstocht in de lucht. Ik denk dat Misia zich er goed in haar vel zou voelen. In een hoek van het café was die avond een dame onwel geworden. Haar gezellin riep dat er een ambulance moest komen. Beide dames waren zeer dronken; ze leken een tragisch leven te leiden. Het was een aangrijpend, triestig tafereel, meer nog doordat nogal wat mensen in de Cirio met deze zielige mensen zaten te lachen, zij het niet al te luid. Ongeveer een half uur laten betraden de verplegers de gelagzaal. De oude vrouw, met felle rode lippen en een blik die gaten in de ziel brandde, werd op een brancard gelegd en naar buiten gedragen; de andere dame, waarschijnlijk haar dochter, liep er jammerend achter, mamie, mamie! In het café lachte niemand meer, de meeste klanten waren al vertrokken. Er hing een sterke geur van urine.

De rest van de avond verliep vrolijker. Inge en ik dronken witte wijn in de AB, waar nog maar eens feest werd gevierd. Ook aasden we op hapjes. Na een uur of zo dronk de witte wijn ons. Ik weet niet meer met wie we allemaal praatten, wie een glas stuk liet vallen en wie Nick Lowes I love the sound of breaking glass begon te declameren. Wel weet ik nog dat ik melancholisch werd toen we herinneringen aan Lucca oprakelden. Zulke mooie zomer zullen we nooit meer meemaken, zei ik. Ik voelde mij in de zieke melancholicus Leopardi veranderen en dat wilde ik voor geen geld van de wereld.
Toen Inge al naar huis was – zij houdt zich zeer stipt aan haar tijdschema’s, wijn of geen wijn - geraakte ik in gesprek met een stel jonge Limburgers. Limburg is de coolste plek van België, bleef het meisje zoooo lang herhalen tot ik haar gelijk moest geven, hoewel ik er sinds 2001 niet meer geweest ben. Vijf jaar, dat is een lange tijd. Maar ik vermoed dat het Limburgse meisje de waarheid sprak. Bovendien zijn er twee Limburgen, als de ene provincie tegenvalt, kun je het nog altijd in de andere proberen.
Van de AB begaf ik mij op een onbestemd uur met een groepje betrouwbare nachtraven naar Le Coq. Twee meisjes in het gezelschap zongen onophoudelijk. Ook een drankje bestellen deden ze al zingend. Het was alsof ik in Les parapluies de Cherbourg was beland. De situatie was bijna even mooi als in die film. Ze hielden echt niet op, behalve om af en toe een slokje van hun wijn te nemen. Toen ik in de taxi naar huis zat hoorde ik nog steeds hun jonge, vibrerende stemmen, Purple Rain, Yesterday, Nights In White Satin.

Woensdag heb ik in bed gelegen. Ik voelde me ziekjes. Sombere gedachten joegen als de wind buiten door mijn hoofd. Koortsige taferelen verjoegen schuldgevoelens en depressie en vice versa. Ik lag te woelen in mijn bed en piekerde over het ouder worden. Hoe je lijdzaam moet ondergaan dat je, vooral op het werk, stilaan wordt uitgesloten vanwege je leeftijd. Maar je wordt van alle kanten aangespoord om langer en harder te werken. Er moet een zilverfonds worden aangelegd! Oudere werknemers zijn waardevol, vanwege hun ervaring en hun inzicht. Dat is het officiële discours. In werkelijkheid zitten bepaalde jonge arrivisten ongeduldig te wachten tot je er eindelijk de brui aan geeft of de pijp uitgaat. Sommigen, vooral intelligente jongeren, respecteren je juist omdat je ouder bent, omdat je de meest verbluffende periode van de twintigste eeuw hebt meegemaakt, ze weten dat ze wat van je kunnen leren, voor hen is het duidelijk dat je niet opeens minderwaardig bent omdat je ouder wordt; anderen vinden dat dat allemaal niets te betekenen heeft en lachen je erom uit. Dit is de beste tijd die er geweest is, zeggen ze. Ik heb nooit een slechtere tijd gekend als deze. Maar ik ben na de oorlog geboren. Ongetwijfeld zijn er nog slechtere tijden geweest. De geschiedenis is een aaneenschakeling van schandalen en bloedbaden.

De rest van de week heb ik heb films zitten bekijken. Met The Big Lebowkski heb ik nog eens goed gelachen. In een gesprek met David Lynch op de VPRO werden hem vooral domme vragen gesteld. De monotonie van zijn antwoorden verbaasde me niet echt. In bijna elk antwoord kwam het woord ‘droom’ voor. Voor David Lynch is pas iets waardevol als het hem tot dromen aanzet. Een werk van Edward Hopper bijvoorbeeld, of Elvis Presley die in de Sun opnamestudio even op de canapé gaat liggen voor hij de rock & roll ‘uitvindt’ – alsof er daar een psychoanalyse moest gebeuren. Als Elvis weer opveert uit de canapé is de zaak voor elkaar: That’s Alright Mama! Buikschuddend heb ik gelachen met de onovertroffen antiheld WC Fields. Ossessione is een vroeg meesterwerk van de marxistische aristocraat Luchino Visconti. Het is een film waarin de mannelijke lichamelijkheid centraal staat, ook al gaat het over een femme fatale. De blik van de vrouw is een voorwendsel om het bijna tot dierlijkheid herleide lichaam van de man te tonen. Overigens is het verschil van Visconti’s versie van The Postman Always Rings Twice met de andere verfilmingen dat de man geen escapade maakt met een andere vrouw, maar met een intelligente, mooie jonge man. Die mooie, jonge man is een metafoor voor de vrijheid en voor het reddende gebaar. De femme fatale is de lokroep van de gebondenheid, de verzekering en de dood. Nog een meesterwerk is A Place In The Sun van George Stevens, met Elizabeth Taylor, Shelley Winters en Montgomery Clift. The Clash heeft erover gezongen in The Right Profile. Montgomery Clift was een beetje een held voor de punks. Zelfvernietiging stond hoog aangeschreven bij die generatie. Die young, stay pretty. Wellicht hadden zij het al zien aankomen dat ouder worden maar niets is in deze tijd. Joe Strummer heeft net op tijd de pijp aan Maarten gegeven. Wie meer wil weten over A Place In The Sun beveel ik de film zelf aan, en een boek over George Stevens. Het is een film die veel twijfel zaait aangaande goed en kwaad. Bijvoorbeeld: hoe kun je iemand juist beoordelen? En meer nog: hoe kun je iemand veroordelen?

Donderdag en vrijdag heb ik hard gewerkt. Werken is vermoeiend, zoals het leven zelf. Na een dergelijke dagtaak kan ik niet veel anders meer dan een film bekijken, en zelfs dat lukt me niet altijd. Soms raak ik niet veel verder dan eten en drinken. Maar dat maakt niet uit. Er komen wel weer andere dagen, voor nieuwe ernst en nieuwe vrolijkheid. Nog een beetje geduld en een paar kleine inspanningen, vrienden!

04-12-06

AFSCHEID VAN EEN VRIEND?


Ik weet dat ik de dingen niet op de juiste wijze aanpak. Soms wel, maar vaak ook niet. Ik ga met vrienden om van wie veel negativiteit uitgaat. Ze stimuleren me niet, ze inspireren me niet. Zijn dat dan wel vrienden? Moet je altijd trouw blijven aan je vrienden, ook als voor hen het eigenbelang de overhand neemt? Door dik en dun, in kwade en in goede dagen, alsof je met hen gehuwd bent? Ik twijfel eraan of ik dat moet doen, als onze ontmoetingen me schade berokkenen. Ik heb goede vrienden gehad die mij de rug hebben toegekeerd omdat ze succes kregen en op televisie kwamen. Ze werden beroemde Vlamingen. Ze dachten waarschijnlijk dat ik ter plaatse bleef trappelen. Ze konden zich niet langer verrijken aan mij. Ze keerden mij de rug toe. Daar heb ik wel van afgezien. Dat geef ik toe. Het is niet prettig dat iemand je de rug toekeert, iemand met wie je bijvoorbeeld bijna wekelijks wandelingen maakte in het Zoniënwoud en met wie je samen liedjes zong. Maar zo is het leven. Waarom zou ik dan op mijn beurt een vriend die me veel schade berokkent niet de rug toekeren? Ben ik bang dat hij zonder mij niet verder kan? Daar moet ik niet bang voor zijn. Hij leidt zijn eigen leven, in een geheel ander milieu, met geheel andere morele regels, met geheel andere codes dan ik. Hij heeft zijn eigen vrienden en kennissen, hoewel hij beweert dat hij eenzaam is. Maar wij zijn allen eenzaam.

Ik heb het nu heel bepaald over een vriend met wie ik een radioprogramma maak. Hij helpt me met de techniek. Hij draait aan de knopjes, zorgt voor het volume. Maar door zijn buitenissig gedrag in de studio is hij bij wijze van spreken een stoorzender. Hij belet me mij te concentreren op mijn thema, op de woorden die ik wil uitspreken. Hij straalt negativisme uit en zet een domper op de sfeer van het programma. De mensen zijn slecht, zegt hij bijna voortdurend, als een litanie, en de muziek ontroert hem niet meer. Ik denk dat hij met me meegaat naar de studio uit vriendschap. Om me tot steun te zijn, zodat ik daar niet alleen moet zitten. Maar zit ik niet beter alleen in die studio? Ga ik niet beter mijn eigen weg? Ik heb een grote angst om in de in de steek gelaten te worden. Dat verdraag ik niet. Maar vanwege die vrees, die neurotische verlatingsangst, laat ik anderen evenmin in de steek. Ik houd me vast. Ik kan geen afscheid nemen. Ik laat niets of niemand los. Ik laat anderen begaan. Neen, ik pak de dingen niet op de juiste wijze aan. Ik moet mijn leven veranderen.

19-11-06

UIT HET HART (EEN LANG VERHAAL KORT I)

bar,oceaan,steden,porto,vriendschap,stemmen,lautreamont,zon,isidore ducasse,herbie hancock,strand,conversatie,cristina regadas,david lynch,kkk,pulaski,casimir pulaski,cafes,francis bacon,ronette pulaski,cafe majestic

Je drinkt Bitterzoete Beirao-likeur, ’s avonds in een bar aan de oude oceaan.“Oude oceaan, je bent het symbool der volkomen gelijkheid: altijd aan jezelf gelijk. Jij verandert niet wezenlijk, en als je golven op één plaats in opstand zijn, dan verkeren zij wat verder, in een andere streek, in de volmaaktste rust. Jij bent niet als de mens, die op straat stil blijft staan om te kijken naar twee buldoggen die elkaar naar de keel vliegen, maar die niet stil blijft staan, als er een begrafenisstoet voorbijgaat; die vanmorgen genaakbaar is en vanavond in een slecht humeur; die vandaag lacht en morgen huilt. Ik groet je oude oceaan!” Dat schreef Lautréamont in De zangen van Maldoror. Of mal d’aurore? Isidore Ducasse, in Montevideo geboren, in Brussel gepubliceerd. In die bar, daar, aan de oude oceaan. Muziek van Herbie Hancock op de achtergrond, Canteloupe Island, terwijl we converseren over Parijs, Brussel, Amsterdam, Porto. Door de bizarre verlichting lijkt het strand op een maanlandschap. Snelle foto’s, alsof de momenten eeuwig willen duren. In een kleine auto over de brede boulevard, en door de nauwe, steile straatjes. De nieuwe metro dendert over de brug van de Belgische architect Théophile Seyrig, de Ponte Dom Luís I, wij tevoet over het gangpad ernaast, diep onder ons het verlokkelijke water van de Douro, dat het land binnenstroomt. Op de heuvels in de verte de druiven. De naam van de architect wekt herinneringen op aan de diepbetreurde actrice. Delphine Seyrig. In galerij 111, tegenover het Palacio de Cristal het verbluffende werk van de Portugese kunstenares Paula Rego. Vrouwen die veel weten van het leven, die tederheid en berusting uitstralen in de nabijheid van hulpeloze varkens. De mannen even hulpeloos als de varkens. Oker, groen, oud roze, bruin. Wastafels, een man met schildpaddenhanden, abortus als een soort van mysterie. Een portret van een zachtaardige jongeman die nooit meer zal boksen. De ogen doen een beetje denken aan die van dokter Paul Gachet, de oren aan een boer in Novecento. 


Later in park van het Palacio de Cristal, waar je helemaal alleen op een eilandje zit te mediteren. Het zeer mooie park van Fundaçao de Serralves. De zalvende warmte van november. De sobere, strakke metrostations met de opschriften in een buitengewoon stijlvol lettertype. Een koude vrijdagnacht op een onbekend plein in het hart van de oude stad. De vriendinnen van Cristina zijn dronken. Wat ze allemaal niet willen weten over België. Ze zeggen dat het in België altijd donker is. Neen, zeg je, in de zomer schijnt er de zon. Zelfs nu nog, in de late herfst. Een van hen studeert filosofie. Maar alcohol nivelleert ons, maakt ons leden van een groot broeder- en zusterschap. Misérable miracle.

Hoe Agnes en Cristina elkaar vinden. Hoe ze praten over familietragedies en elkaar herkennen in hun zeer persoonlijke doden. Zelf heb je het gevoel dat er een ander leven begint in Porto. Een beter leven. Geld speelt geen rol meer, tijd, vergankelijkheid. Ofwel, alles is vergankelijk. Waarom je er dan nog langer zorgen over maken? Het vriendelijke personeel in het hotel aan de Rua da Alegria. Een van de mooiste cafés van Europa is café Majestic in de Rua de Santa Catarina, de winkelstraat van Porto. Bij Zara koop je witte hemden, gestreepte t-shirts (denkend aan Andy Warhol).

In weer een andere bar, jaren zeventig stijl, lang na middernacht, drink je bier en discussieer je met Cristina over Francis Bacon. Zijn geweld schrikt haar af. Je vertelt over je schuilnaam, Pulaski, waar hij vandaan komt. Dat je niet wist dat Pulaski een stadje was in het Zuiden van de Verenigde Staten, waar de KKK werd gesticht. Er zijn daar trouwens meer stadjes die Pulaski heten. Dat je je daar over schaamt. Maar dat generaal Casimir Pulaski, een vrijheidsstrijder was. Je hebt je pseudoniem in Twin Peaks gevonden, de serie van David Lynch, vertel je haar. Ronette Pulaski was helemaal aan het begin van de serie verkracht en gefolterd door een bende wilde vetzakken. Daarna lag ze voortdurend in het ziekenhuis. Je vond het een gepaste naam voor je openbare alter ego. De rest heb je pas later ontdekt. Nu moet je ermee door het leven. En hoochiekoochie dan? Dat schijnt slang te zijn voor zuipen en neuken. Dat wist je natuurlijk wel. Je hebt die naam met veel ironie gekozen. Het laatste wat men van je kan denken is dat je een macho bent. Voor Muddy Waters is het echter een perfect epitheton ornans, zonder dat het in enige mate afbreuk doet aan de waarde en de schoonheid van zijn blues. Vaak heeft Cristina het over haar geliefde vriend die in Amsterdam werkt. Hij is een Bosniër. Hij is bij het leger geweest. Een ongelovige moslim. Hoe kun je geloven, na zulke wrede burgeroorlog? Hoe kun je hoe dan ook geloven als er ooit een KKK werd gesticht? We praten alsof ons leven er van afhangt. En het is waar: ons leven hangt ervan af. De vriendschap is het hoogste goed.

Foto: Martin Pulaski, Cristina Regadas.

01-11-06

DE BOOM VAN DE KENNIS

genesis,boom,koning,eden,hel,paradijs,boomschorsbootjes,ballingschap,naiviteit,kunstenaarschap,rock   roll

De jaren tussen mijn achtste en twaalf leefde ik in een soort van ballingschap. Ik verbleef toen, zogezegd voor mijn gezondheid, in een Limburgs bos, niet ver van waar de koning een domein bezat. In die tijd heb ik met mijn pennenmes talloze boomschorsbootjes gesneden. Deze notitie staat hier alleen maar omdat ik heel graag het woord ‘boomschorsbootjes’ wilde gebruiken.

In 1962 werd ik, en dit is een archetypisch verhaal dat teruggaat tot Genesis en de boom van goed en kwaad, uit dat eenzame paradijs verjaagd. Inmiddels had ik op een kleine transistorradio de rock & roll ontdekt. Bos, school, familie, het maakte allemaal niet veel meer uit. Ik had mijn muziek en ik wist dat ik boomschorsbootjes kon snijden met mijn pennenmes. Heb je nog veel meer nodig om het leven aan te kunnen?

24-10-06

CECILIA EN DE UITVINDING VAN MOREL


after the show, polaroid


Uit mijn tekst van gisteren over twee strippers uit ‘Nachtschade’ – een stripteasevoorstelling van Victoria in het Kaaitheater - is wegens een mij onbekende, waarschijnlijk technische reden een heel stuk weggevallen. Op die manier heeft onder meer de verwijzing naar Adolfo Bioy Casares op het einde van mijn relaas geen enkele zin. Ik heb de originele versie niet meer, daarom zal ik proberen wat ik gisteren schreef hier te reconstrueren. Maar mijn geheugen is niet meer wat het geweest is.
De schaars geklede Cecilia vertelde me dat ze uit Buenos Aires kwam. Dat is de stad van Borges, mijn favoriete schrijver, merkte ik enthousiast op. (Ik heb veel favoriete schrijvers.) Is hij niet erg moeilijk, vroeg Cecilia. Helemaal niet, zei ik. Borges neemt thema’s uit de wereldliteratuur, van Walter Scott, of Chesterton of Shakespeare of zo – vooral Britse schrijvers – en maakt op basis daarvan een spannend verhaal. De verrader is zo een van die thema’s. Ik ben wel het nichtje van Adolfo Bioy Casares, viel de stripteaseuse mij in de rede. Bioy Casares, zei ik, dat was de vriend van Borges. Ja, dat weet ik, zei ze. Ze hebben samen verhalen geschreven. Bioy Casares noemde zich dan Bustos Domecq. Morels uitvinding van Bioy Casares is een van mijn uitverkoren liefdesgeschiedenissen, zei ik. Die uitvinding uit de titel is een prachtige ‘machine’, die het hoofdpersonage het eeuwige leven schenkt. Cecilia legt me haar familieverwantschap uit, het is een verhaal van nichtjes, neefjes, tantes, ooms en grootgrondbezitters. Helemaal duidelijk wordt het mij niet, maar wat geeft het. Ik krijg al meteen zin om naar Argentinië te gaan. Maar dan is het tijd om afscheid te nemen. Cecilia geeft me nog een heerlijk zachte zoen, maar dat staat hier beneden al.
In de taxi naar huis vertelde ik Laura over de vele andere vrouwen in mijn leven waar ik nooit avonturen mee had. Of ze mij geloofde weet ik niet zeker, maar ik denk het wel. Ze weet dat ik niet goed kan liegen.

10-10-06

ANNELIES BECK EN MY SUMMER OF LOVE

feest,ballingschap,politiek,kamertjeszonden,film,fotografie,pawel pawlikowski,ryszard lenczewski,landschappen,herman heijermans,annelies beck,pop,gent,brussel,wijn,antwerpen,feesten,zomer,summer of love,bv

Dat gezeur over politiek moet maar weer eens ophouden. Het is genoeg geweest, hier in dit logboek althans. Er is geen reden om feest te vieren in dit land. Alleen in Antwerpen en Gent en op nog een paar plaatsen. Een beetje feest. Festen. Een half glas lauwe witte wijn op de stasis. Een mooi Grieks woord, dat wel. Voorlopig kruip ik weer in mijn vroegere huid van apolitieke anarchist, of hoe zal ik mezelf in deze context definiëren? Toch wil ik eerst nog mijn verontschuldigingen aanbieden aan de zes dames die vorige zondag mijn stem kregen. Onrechtstreeks – en vooral onvrijwillig - heb ik getwijfeld aan hun intelligentie, door mijn ergernis over het feit dat wij niet kunnen stemmen op bekwame, intelligente, meertalige politici. Die ergernis blijft, maar ik wil graag duidelijk maken dat ik niet twijfel aan de bekwaamheid en de intelligentie van deze vrouwen. Ik twijfel niet maar ik ben ook niet zeker. Een verwarrende state of mind.


Een halfglas lauwe witte wijn, schrijf ik. Maar neem van me aan dat ik veel zin heb om na een lange, zelfgekozen ballingschap – sinds 1991 woon ik in Brussel – naar mijn geboortestad Antwerpen terug te keren, of anders naar het lieflijke Gent, waar het alle dagen feest lijkt te zijn, ook al duren de officiële Gentse Feesten maar een tiental dagen. Voorlopig blijf ik echter in deze oude woning mijn bitterheid koesteren en twijfelen en vragen stellen en plechtig doen.
Voorlopig zeur ik niet meer over politiek. Ik keer terug naar mijn oude thema’s, letteren, muziek, ziekte, dood, vriendschap, liefde en Bonanza.

Gisteren zag ik Joaquin Phoenix in de huid van Johnny Cash. I Walk the Line, geen meesterwerk, maar goed voor twee uur genieten van het acteertalent. Wat gaf die film me zin om mij vol te stoppen met amfetamine en als een jonge dwaas door de straten van mijn stad te rennen, zomaar, nergens heen, met in mijn hoofd de echo van Echo & the Bunnymen, come to my rescue!

Zondagavond laat, nog euforisch van mijn moreel verantwoord stemgedrag, genoot ik van My Summer Of Love van Pawel Pawlikowski, een mij onbekende regisseur, met twee ook weer uitstekend acterende jonge actrices, mij even onbekend. Een film navertellen is niet mijn grootste gave en het heeft ook geen zin. Zeer indrukwekkende fotografie, dat kan ik wel gezegd krijgen, van de Poolse director of photography – ik gebruik bewust de Engelse term - Ryszard Lenczewski. De film is voor een groot deel in zonovergoten, glooiende landschappen gedraaid. Landschappen of niet, ik koester de kamertjeszonden, om het woord van Herman Heijermans nog maar eens een keer te gebruiken. Vanuit mijn kamer de weids uitgestrekte landouwen aanschouwen, dat is voor mij het tweede grootste - denkbare - genot.

 

feest,ballingschap,politiek,kamertjeszonden,film,fotografie,pawel pawlikowski,ryszard lenczewski,landschappen,herman heijermans,annelies beck,pop,gent,brussel,wijn,antwerpen,feesten,zomer,summer of love,bv

Nu rest mij alleen nog even de naam Annelies Beck te noemen. Dat schijnt zoekers aan te trekken. Dat heb ik op de blog dorstig gelezen, waarvoor mijn dank. Nu afwachten of deze strategie wat oplevert. Ik vrees echter dat mannen - of dames - die kicken op mevrouw Beck helemaal niets zullen voelen voor de mooie meisjes uit 'My Summer Of Love'.

---

Foto's uit: My Summer Of Love van Pawel Pawlikowski

27-09-06

WHO KNOWS WHERE THE TIME GOES?


mother and dad

Sinds de vorige notitie is er een hele afstand gelopen door heel wat lange afstand-lopers. Ik van mijn kant ben traag geweest. Maar is een schildpad traag? The hands on the clock keep turning time, hoor ik nu net Sandy Denny zingen. Niets is toevallig, denk ik soms. Sandy Denny is jaren geleden dronken van een trap gevallen, teveel flessen gekocht in het nachtwinkeltje om de hoek. Ze liet een dochter van een jaar ongeveer achter. Sandy Denny heeft een door geen enkele populaire zangeres geëvenaarde stem. Ze wordt bij de folkzangeressen onderverdeeld, maar ze overstijgt alle genres. Luister eens naar Who Knows Where The Times Goes…

De ondraaglijke traagheid van het bestaan als iedereen zegt: sneller, sneller, sneller! RAP. Help! Ik kan niet meer volgen. Nochtans bewonder ik sommige mensen vanwege hun werklust, hun energie en hun inzet. Ze lijken zeven dagen te werken en nul uur niets te doen. Ik denk dat ik op een hele ‘werkdag’ ongeveer 3 uur niets doe, tenzij: 1° tijd verliezen; 2° afzien van de tijd. Er zijn zelfs dagen dat ik helemaal niets doe. (Trouwens, mijn winterslaap is in het verschiet.)
Wat zou alles eenvoudiger en lichter zijn als tijd niet zou bestaan. We zouden er kunnen van uitgaan dat hij inderdaad niet bestaat, dat alleen dag en nacht en de seizoenen bestaan. We zouden kringlopen kunnen aanvaarden, en de eeuwige terugkeer. Een troostende gedachte.
Deze overwegingen doen me denken aan Haruki Murakami, die op zijn veertigste (in 1989) plots een enorme schrik kreeg. De beste jaren van zijn leven waren voorbij, de meest productieve, dacht hij, hij zou zich enorm moeten haasten om nog iets duurzaams tot stand te brengen.

Op mijn veertigste dacht ik daar helemaal niet aan. Ik voelde mij nog een jonge man en genoot van het leven. Ik had wel een aan het pathologische grenzende angst voor de dood, maar dat ging slechts om momenten die ik heel snel weer vergat. Ik besefte niet dat ik mijn kostbare tijd verspilde met oppervlakkigheden. Ik besefte niet echt hoe kort het leven is. Inmiddels zijn we zestien jaar later en besef ik het wel. En toch wil ik nog af en toe het surrealistische spelletje spelen dat tijd niet bestaat. Maar ik doe niets liever dan werken. Ik wil niets anders meer dan werken als een homo ludens.

Foto: Martin Pulaski, Ouders na de oorlog.

22-09-06

GESPREK MET AGATA OVER BOEKEN EN FILM

film,sven nykvist,haruki murakami,julio cortazar,heinrich von kleist,verloren onschuld,overlijden,dood,kleist,sportdag,ambtenaren,in memoriam,opzoeken,bergman,agata,boeken,google,cameraman,director of photography

Haruki Murakami is mij een te modieuze auteur, zegt A. Ik heb geen zin om hem te lezen. Iedereen leest hem. Misschien wel, zeg ik, wellicht is hij een hype. Maar hij is desondanks een uitstekend schrijver. Waarom lees je geen boek van Julio Cortazar, Rayuela, bijvoorbeeld? Ik zeg haar dat ik het ooit geprobeerd heb, in de jaren zeventig van de vorige eeuw, toen ik hier in Brussel in een wonderlijke boekwinkel werkte, maar dat de roman mij niet echt lag. Hij was me wat te experimenteel. Waar moest je bijvoorbeeld beginnen? Dat is enigszins ironisch want ik schreef toen zelf nogal experimenteel – en tegelijk ook wel archaïsch. Het heeft lang geduurd tot ik toegang vond tot Rayuela, zegt A, maar uiteindelijk is het me gelukt en nu vind ik het een meesterwerk. Het boek zal wel niet meer verkrijgbaar zijn in het Nederlands, zeg ik. De schrijver is nochtans in Brussel geboren. Zijn werk zou hier alleen al daarom permanent verkrijgbaar moeten zijn. Maar ik heb alleszins een mooi excuus gevonden om mij nog wat langer in Murakami te verdiepen. 


Ik begrijp A.’s verzet tegen het modieuze maar al te goed. Toen ik nog zo jong was als zij – dat was in 1977 - had ik net dezelfde houding. Ik weigerde resoluut bestsellers te lezen. Jef Geeraerts, Umberto Eco, Een vlucht regenwulpen, fuck you! Wat ik zocht waren zonderlingen als Lautréamont, Joris-Karl Huysmans (waar in die tijd nog bijna niets van in het Nederlands was vertaald, gek, want Huysmans was van Nederlandse komaf), Raymond Roussel, Heinrich Von Kleist of Alfred Kubin.

Maar ik vind Murakami inderdaad een uitstekend schrijver. Neem nu ‘De tweede aanval op de bakkerij’. De verteller en zijn echtgenote – ze zijn nog maar net gehuwd – worden ’s nachts wakker met een razende honger. In de koelkast ligt echter niets eetbaars en het is te laat om nog op restaurant te gaan. De verteller associeert de honger met een vulkaan. Opeens herinnert hij zich dat hij een hele tijd geleden nog eens zulke honger heeft gehad. Dat was ten tijde van de aanval op de bakkerij. Het grappige is dat Murakami een eerder verhaal ‘De aanval op de bakkerij’ had genoemd. Nu krijgt de bruid van de echtgenoot-verteller dit verhaal in het kort voorgeschoteld – om maar eens een culinaire term te gebruiken. Die eerste aanval op een bakkerij gebeurde ten tijde van de studentenrevolte in Japan in 1969. Samen met een vriend overviel hij om financiële en ‘filosofische’ redenen een bakkerij. De bakker was echter niet bereid om meteen zijn brood af te staan. De twee ‘revolutionaire’ studenten moesten eerst de ouvertures van Tannhäuser en Der Fliegende Holländer beluisteren, voor ze met een voldoende grote voorraad brood mochten vertrekken. Die daad was meteen het einde van de ‘revolutie’ voor de verteller. Al snel had hij zich aangepast aan de burgerlijke maatschappij met haar repressieve normen en waarden. Dat verraad aan de jeugdidealen knaagt echter aan zijn geweten (of maakt vreemde kronkelingen in zijn onbewuste). Het is een vloek die op hem rust. In ‘De tweede aanval op de bakkerij’ voert de verteller dan opnieuw een aanval uit op een bakkerij, samen met zijn bruid, die tot verbazing van de verteller blijkt te beschikken over een Remington geweer en skimaskers. Geen van beiden hadden ooit geschoten of geskied. “Het huwelijksleven is een vreemde zaak”, merkt de verteller daarbij op. Na de tweede aanval op de bakkerij is de verteller van de ‘vloek’ bevrijd. Wat een prachtig verhaal! Het doet mij heel sterk aan sommige films van Buñuel denken.

A. vertelde me dat Sven Nykvist is overleden, een van de beste cameramannen (de uitdrukking ‘director of photography’ dekt beter de lading) die de filmwereld ooit heeft gekend. Ik wist het niet, omdat ik, zoals u weet geen kranten lees en niet naar journaals luister of kijk. Soms vang ik wel eens iets op, bijvoorbeeld over de rellen in Budapest, maar meestal weet ik van niets. Ik leef al een tijd lang met mijn blik naar binnen gekeerd, waar niets te zien is, zelfs geen vulkaan. Alleen films kunnen mijn blik weer naar buiten doen keren. Voorlopig althans. Nykvist is vooral bekend door zijn onovertroffen samenwerking met Ingmar Bergman (De Stilte, Persona, Het uur van de wolf, De schaamte, Scènes uit een huwelijk, Herfstsonate), maar ook door onder meer zijn camerawerk voor The Unbearable Lightness of Being van Philip Kaufman, Het Offer van Andrej Tarkovski, Le Locataire van Roman Polanski en Pretty Baby van Louis Malle. Ik noem maar enige titels van films die ik zelf heb gezien en bewonderd.

Ik opende net mijn boekenkast om iets op te zoeken (soms zoek ik iets op in een boek, in plaats van via google); er viel een aarden kruik uit, waarvan het oor afbrak. Uit de kruik viel één ding: een medaille van de 8ste sportdag van de Vlaamse ambtenaren op 25 september 1997. Gisteren was het de 17de sportdag, waar ik niet bij aanwezig kon zijn. Weer zo’n vreemd toeval. Jammer van die kruik natuurlijk. In het stuk van Heinrich von Kleist ‘Der zerbrochene Krug’ is de gebroken kruik een symbool van de verloren onschuld. Maar nu ga ik wellicht te ver met mijn associaties. Nochtans gaat het in die twee bakkerijverhalen van Murakami ook over de verloren onschuld. En waar gaat het in de films van Bergman over?

16-09-06

IN AFWACHTING VAN HET FEEST


Een warme nazomeravond, in afwachting van visite. We zullen goed voor onze gasten zorgen. De Australische Chardonnay en de Crèmant de Limoux staan koud, de Argentijnse Malbec is op de juiste temperatuur. Over de gerechten schrijf ik nog niets, onze vrienden zouden dit nog maar eens gauw moeten lezen, dan is de verrassing eraf! Ik denk dat het een leuke avond zal worden. Ik ken de genodigden niet goed, er is een collega van A. bij, die ze heel graag ziet. Ik heb hen ook al wel eens ontmoet op een paar feestjes en toen voelde ik me goed bij hen. K. kwam ik nog eens alleen tegen in een Brussels café, hij leek me een zielsverwant. We konden meteen praten over Moby Grape en Alexander Spence. Dat gebeurt omzeggens nooit. Alleen met Patrick Riguelle is me dat ook een keer overkomen, die muzikale zielsverwantschap.
Ondanks de vrolijke vooruitzichten ben ik gespannen. Dat is altijd zo als er bezoek komt. Het is dezelfde spanning als wanneer ik op reis moet vertrekken. Soms is het zo erg dat ik ziek word. Alsof mijn lichaam me geen plezier gunt. Ik kom net van onder de douche, maar door de sterke koffie die ik daarna heb gedronken voel ik me alweer zweterig. Moet ik nu nog een keer onder de douche? Heerlijk natuurlijk, maar me afdrogen doe ik niet echt graag. Ik zou liever met mijn nat lijf door het huis lopen, warm als het is. Maar ik geloof dat dat verboden is. Het zou trouwens geen zicht zijn.

14-09-06

VAN SPROOKJES EN DROMEN


Marco vertelt me dat hij Pink Floyds The Piper At The Gates Of Dawn een vrij moeilijke langspeelplaat vindt. Dat zal wel zo zijn, maar het is vreemd omdat ik het zelf een heel ‘gemakkelijke’ elpee vind. Overigens, wat is moeilijk en wat is gemakkelijk? Maar ik ben natuurlijk met die muziek opgegroeid. Ik ben de elpee destijds gaan kopen in Nederland, omdat ze in België niet verkrijgbaar was. Pink Floyd was mij opgevallen door de eerste single, Arnold Layne, die op piratenstation Radio London grijs werd gedraaid.

The Piper At The Gates Of Dawn kwam uit in het magische jaar 1967 en maakte op mij een even sterke indruk als Strawberry Fields Forever, misschien de beste single ooit gemaakt, en A Day In The Life. Die plaat van Pink Floyd was zo sprookjesachtig; ze opende een geheel andere wereld dan degene waarin ik vertoefde, het internaat van het Koninklijk Atheneum in Tongeren. Ooit vertel ik het verhaal hoe ik daar verzeild ben geraakt. Het woord ‘zeil’ speelt er onrechtstreeks een rol in. In de liedjes van Syd Barrett zat een uitgesproken verlangen naar de onschuld van zijn kindertijd, toen zijn moeder hem sprookjes vertelde, oh mother, tell me more... Ik kende die teksten vroeger allemaal uit het hoofd. Nu helaas niet meer. Toen ik onlangs voorlas in de Muziekdoos in Antwerpen, een paar dagen na het overlijden van Syd, bleken er een paar toehoorders aanwezig te zijn die The Gnome nog van buiten kenden. We hebben toen stukjes ervan samen gezongen. Dat vond ik een heel mooi saluut aan Syd Barrett. Ik denk niet dat ik dat vlug zal vergeten.

Overigens heeft The Piper At The Gates Of My Dawn mij geïnspireerd tot het schrijven van een jeugdwerk, het toneelstuk De droom, dat we één keer hebben opgevoerd in datzelfde Atheneum, met vloeistofprojecties, net zoals de originele Pink Floyd. Het stuk durf ik niet meer herlezen, ik herinner me dat het over de strijd tussen goed en kwaad ging, er kwamen elfjes in voor en de Duivelse Avantokani – de jongen die deze rol speelde is nu ergens burgemeester. Ongetwijfeld was ik wat het thema betreft beïnvloed, niet door drugs, maar door de verplichte lectuur van Vondel. Het eindigde allemaal met een extatische dans op Interstellar Overdrive.
Die zomer ben ik ben op televisie geweest, in het programma Tienerklanken, met bloemen in mijn haar. Die had ik geplukt in de tuin van de ouders van mijn vriend Valère. Het waren mijn vijf minuten roem, helaas geen vijftien minuten. Ik werd op straat, tijdens Jazz Bilzen, geïnterviewd door Louis Neefs. Mijn vriend Jos had een video-opname van die aflevering van Tienerklanken. Ik had het tegen Louis Neefs over de oorlog in Vietnam en dat wij de wereld zouden veranderen. Ik zat wat uit mijn nek te kletsen, een jongen van zeventien. Later heb ik dat fragment nog eens teruggezien in een uitzending over de jaren zestig. Jos had het op video. Hij heeft ooit een foto van me gemaakt, in de jaren ’80, met een beeld van mezelf uit die video op de achtergrond. Van de sprankeling in mijn zeventienjarige ogen en van de uitdagende androgynie van mijn modstijl was niets overgebleven. Ik was mezelf geworden, een man zoals iedereen. De droom was over.

10-09-06

HOE IK MIJN WEEK OVERLEEFDE


Ik las een interview met Bob Dylan, waaruit bleek dat hij erg tevreden is met zijn leven.
Zondag en maandag voelde ik me ellendig van een of ander virus in de darmen. Na twee dagen was het gedaan. De oorzaak was onbekend, maar hield geen verband met zware kost of alcoholmisbruik.
Op het werk werd verhuisd. Wie eerst hier zat moest nu daar gaan zitten. Zo werd de sleur doorbroken en sprak ik af en toe opnieuw met een collega. Zelf mocht ik in mijn hoek blijven zitten.
Voortaan bevindt zich niet te ver van mij vandaan een collega die opgewekt door het leven gaat. Zulke collega’s heb ik veel te weinig. Ze zit echter toch nog een heel eind van me verwijderd, zodat ik nog altijd niet echt opgewekt door het leven kan gaan.
Vorige dinsdag heb ik thuis gewerkt. Telewerken noemt men dat. Ik heb een achttal brieven ontworpen voor mijne excellentie, zij het niet op ministerpapier. Een brief op kantoor komt overeen met vier of vijf brieven thuis.
Ik praatte wat met die opgewekte collega. En lachte. En vertelde verhalen over Budapest, Esztergom. Over Hongarije in 1987, 1989 en nu. Kamperen, de prijs van een koffie, een glas bier. Ik gaf een kort verslag van wat me in de buurt van café Kafka is overkomen. Men heeft mij in dat café zonder twijfel horen gillen. Waarom heeft niemand mij geholpen? Mijn kaak was ontwricht van het angstschreeuwen. Angstschreeuw, het woord met de meeste medeklinkers. Ngstschr. Ik moet er uitgezien hebben als op het schilderij van Edvard Munch.
Op het terras van café Cirio ontmoette ik een oude kennis. Ik gaf een kort verslag van het hierboven genoemde. Ik was gehaast want binnen zat iemand op me te wachten.
Ja, diezelfde donderdagavond had ik in dat café een afspraak met mijn vriend en schoonbroer G. Ik ga niet meer alleen op café in Brussel. Ik gaf G. een langer verslag van het hierboven genoemde. Wat mij is overkomen betekent weinig in vergelijking met wat mijn andere schoonbroer, G.’s broer, op een Grieks eiland is te beurt gevallen. Hij werd zo erg toegetakeld dat hij nu een bij wijze van spreken een plantaardig bestaan leidt. De familie A. is een echt tragische familie. Toch was de avond met G. lichtvoetig en opgewekt - of is dat hetzelfde? Will the circle be unbroken, by and by lord, by and by? We hebben mosselen gegeten bij Den Boer, een aangenaam, ongedwongen restaurant op de vismarkt. De huiswijn smaakte een beetje zuur. Daarna heb ik als tegengif nog twee trappisten gedronken in de Roskam. Er zat niemand die ik kende. Wie zou ik er wel kennen? Op weg naar huis heeft G. mij death metal laten horen, de muziek waar zijn dochter verlekkerd op is. Ik niet. Ik houd van volksmuziek, maar misschien is death metal de volksmuziek van deze tijd (voor sommige mensen)? Wil je de nieuwe Dylan niet eens horen, vroeg ik G.. Nee, zei hij, dan val ik misschien wel in slaap als ik op weg ben naar Gent. Ik concentreer me dan op de teksten en mogelijk dwaal ik dan af. Ja, zeg ik, zet dan maar beter death metal op. Dat is inderdaad veiliger.
Woensdag was een schitterende dag. Ik heb met mijn gezellin op het terras van de P&P een glas bier gedronken. Tot onze spijt stelden we vast dat Brussel een lelijke stad is met veel lelijke mensen op straat. Velen spuwen gewoon in het rond, alsof ze thuis zijn. Overal slingeren blikjes en plastieken verpakkingen rond en men deponeert ook op de meest in het oog springende plaatsen zijn mest. Budapest is niet bepaald een mooie stad, maar de mensen zijn er mooi, vriendelijk en beleefd. En de aantrekkelijkste vrouwen van de wereld vullen er de straten en pleinen. Na de P&P heb ik thuis tonijn gegrild, die we op ons eigen terras hebben opgegeten. Op de achtergrond stond muziek op uit het begin van de 20ste eeuw. De dag voordien had ik tijdens de middagpauze – ik werkte thuis, remember? – het terras schoongemaakt. Toen we die vis zaten te eten zei ik tegen mijn gezellin dat men in Holland boenen zegt in plaats van schoonmaken. Dat meen ik toch te hebben begrepen. Ik vind de Nederlandse taal zo mooi. Hollandse woorden, Vlaamse woorden, bastaardwoorden. Wat maakt het uit. De verschillende accenten. Zegswijzen uit alle streken. De Franse kronkelingen bij de West-Vlamingen. Het zogenaamde zingen van de Limburgers. Het televisiedialect van de Antwerpenaren. Het Pascale Bal-taaltje van de Gentenaren. Alle verschillen maken mij euforisch. Vooral als ik er gegrilde tonijn bij eet.
Vrijdag was de dag na donderdag! De twee trappisten hebben mij lang doen slapen. Ik moest niet gaan werken, had voldoende tijd te verliezen. Daarna heb ik ruimtevrienden bezocht. Ik heb er nu al een heleboel, voornamelijk muzikanten. Ik heb nog een keer naar Modern Times geluisterd en naar Mingus, Mingus, Mingus. In een winkel in de Westland zag ik The Last Waltz in het rek staan, maar daar heb ik aan kunnen weerstaan. In de Delhaize heb ik een viertal flessen rode wijn gekocht, om te ‘proeven’. Ik ben op zoek naar een wijn die perfect past bij de Osso Bucco van A..
Zaterdag heb ik een plantje geplant en een backup gemaakt van al mijn mappen en bestanden.Ik heb naar Gram Parsons geluisterd en ben tot na vier uur ’s nachts wakker gebleven om naar de match van Justine Henin te kijken. Achteraf had ik er spijt van. Verloren tijd. Het is mij opnieuw duidelijk geworden dat ik helemaal niet van sport houd.
Vandaag heb ik ramen schoongemaakt (of geboend?). Na laat te zijn opgestaan, met een suffe kop. Na de ramen heb ik opnieuw mijn spacevrienden opgezocht. De computer met zijn vervelende metamorfosen maakte mij nog suffer. Ik ben mijn fiets gaan afstoffen, dat was een jaar of zo niet meer gebeurd, ik heb mijn banden opgepompt en ik ben een tochtje gaan maken in het Pajottenland. Daar heb ik foto’s gemaakt van het landschap. Een uurtje geleden heb ik naar de Pete Seeger Tribute dvd van Bruce Springsteen gekeken. Het zag er allemaal vals spontaan uit. Het leek mij niet uit het hart te komen. Maar ik kan me nogmaals – zoals iedereen – sterk vergissen.
Nu is het zondagavond en schrijf ik deze opsomming. Je moet iets doen. Je moet zin geven aan je leven. In zinnen vind je zin. Maar het is een hoop werk, neem dat maar van me aan. Ik denk dat rock & roll gemakkelijker is. Drie akkoorden en dan wham bam, thank you mam!

31-08-06

ADMINISTRATIE EN ANDER ALLEDAAGS FASCISME

attest,bevolkingsdienst,domheid,identiteitskaart,papieren,brussel,administratie,politiek,fascisme,regels,brutaliteit,anderlecht,vriendelijkheid,politie,slachtofferhulp,grofheid,boeven

Brussels by night, Martin Pulaski

Op 16 juli werd ik recht voor café Kafka, een voornamelijk Nederlandstalig bruin café in het centrum van Brussel, brutaal en zonder reden in elkaar geslagen en geschopt. Ik ben kunnen ontsnappen, maar kort daarna ben ik door een ‘cruisende’ bende van een aantal van mijn bezittingen, waaronder mijn portefeuille, beroofd. Daarover heb ik al verteld. Die geschiedenis is echter nog niet afgelopen. Het verhaal wordt almaar meer Kafkaiaans. 

Op 17 juli, een brandend hete maandag, begaf ik mij naar de politie van Brussel om klacht neer te leggen. Er volgde een gesprek met een begripvolle inspecteur dat ongeveer twee uur duurde. Er werden twee processen-verbaal opgesteld, omdat het om twee van elkaar losstaande feiten ging. Dat was alvast zeer in mijn nadeel, maar wat kon ik er tegen doen? Ik had het zelf op die manier verteld. Ik had het verband tussen het geweld – slaan, schoppen, haren uitrukken - en de beroving in twijfel getrokken.

Na dat verhoor mocht ik vertrekken, met kopieën van de processen–verbaal op zak. Vervolgens moest ik naar de MIVB, de Brusselse openbaar vervoersmaatschappij, om een duplicaat van mijn jaarabonnement te gaan halen. Dat was net als mijn identiteitskaart en de rest van de inhoud van mijn portefeuille gestolen. Aan een loket van die instelling werd mij, na een half uur - met pijnlijk gekneusde ribben en een ontwrichte kaak - in de rij te hebben gestaan, meegedeeld dat ik over een attest van de politie moest beschikken. Een proces-verbaal waar in opgesomd werd wat van me gestolen was volstond niet. Het moest een echt attest zijn. Zodoende moest ik terug naar het politiebureau aan de Grote Markt. Ik was wel al zo voorziend geweest om pasfoto’s te laten maken.
Een dergelijk document heet “Attest van verklaring van diefstal van een identiteitskaart”. Ik moest twee pasfoto’s overhandigen en in ruil kreeg ik het kostbare document. Een duplicaat daarvan zou de politie aan de bevolkingsdienst van Anderlecht, de gemeente waar ik woonachtig ben, bezorgen. Kon ik met dat attest naar het buitenland, want een week later zou ik naar Lucca vertrekken, als tenminste de pijn wat zou afnemen? Neen, dat kon ik niet. Daarvoor moest ik naar een dienst in een gebouwtje van Buitenlandse Zaken. Daar zou mij ongetwijfeld en meteen een document worden uitgereikt waar ik wel mee naar het buitenland zou kunnen. Waar moest ik dan zijn, was volgende vraag. In de Koloniënstraat, was het antwoord van de politieagente aan de balie. Weet u ook welk nummer, vroeg ik. Neen, het nummer kon ze mij niet geven, maar de Koloniënstraat is niet lang, aldus het vrouwmens. Als je pijn hebt en je moet door de hitte en je vergaat van de dorst is het echter een hele afstand van aan de Grote Markt tot aan de Koloniënstraat, vooral omdat je ook nog flink moet klimmen.

Ik ben twee keer de Koloniënstraat op en af gelopen, maar net zoals er geen Belgische Koloniën meer zijn, zo is er ook geen bureau meer dat voorlopige identiteitsbewijzen die geldig zijn voor reizen naar het buitenland uitreikt, zo dacht ik. Ik wilde echter zeker zijn. Ergens voor een groot gebouw stonden mannen te roken. Zij wisten niet waar het was of begrepen niet wat ik zocht. Vriendelijk waren ze wel. Bankbedienden. Ga het eens aan de overkant vragen, bij de militaire politie, raadden ze me aan. Daar was een klein deurtje met een bel. Een militaire politieagent kwam eens kijken wat er aan de hand was. Het leek alsof hij op mij had zitten wachten. Hij legde me in duidelijke bewoordingen uit waar ik moest wezen. Het was niet ver, zei hij. Dat klopte. Ik kwam aan een gebouw waar heel in het klein op te lezen stond dat men er iets met identiteitskaarten deed. Op een kaartje aan de deur werd meegedeeld dat bezoekers één keer moesten bellen en dan wachten tot iemand zou komen opendoen. Er kwam echter niemand opendoen. Dat was letterlijk een scène uit een verhaal van Kafka. Na een tijdje merkte ik dat de deur op een kier stond. Ik waagde het, zij het schoorvoetend, om binnen te gaan. Er was een balie waarachter schijnbaar uit het niets een ambtenaar verscheen. De man sprak uitsluitend Frans en begreep niet wat ik moest, dacht ik. Hij verdween in een donker vertrek. Na een kwartier kwam uit dat donker vertrek een Nederlandstalige dame tevoorschijn. Ze had mijn identiteitsgegevens uitgeprint. Dat kan in zon’ donker kamertje, weet ik nu. Ze zei dat ik nog een Europees Paspoort bezat, dat geldig was tot juli 2007. Zo’n paspoort is het allerhoogste, zei ze. Ik kon zonder problemen naar Italië vertrekken. Ondertussen zou de politie het Attest van verklaring van diefstal van een identiteitskaart aan de bevolkingsdienst van mijn gemeente bezorgen. Daar zou men een nieuwe, elektronische identiteitskaart maken, tenzij mijn oude identiteitskaart binnen de 14 dagen zou worden teruggevonden. Die duidelijke informatie staat trouwens ook op het attest. Ik moest me nergens zorgen over maken, zei de vriendelijke dame, alles zou in orde komen.

Op het attest staat ook dat de declarant zal worden opgeroepen bij de bevolkingsdienst om zich te melden voor de uitreiking van een nieuwe kaart. Dat laatste schijnt bevolkingsdienst van Anderlecht niet te weten of niet te begrijpen.

Het is nu 31 augustus en niemand heeft me voor wat dan ook opgeroepen. Ik heb dan zelf maar even gebeld. Eerst gisteren, maar toen werd de telefoon niet opgenomen. Er was evenmin een antwoordapparaat. Kan het onbeschofter? Ja, als er wel iemand de telefoon opneemt, zoals vandaag. Ik vertelde in het kort waar ik voor belde, wat er mij was overkomen. Ik deelde de man mee dat ik op mijn identiteitskaart wachtte. Ik vertelde hem wat er op het attest stond. De man brulde dat ik verkeerd was ingelicht. Een vettig Anderlechts accent. Vlamingen die Frans hebben leren spreken en zogezegd geen ‘Vlaams’ meer kennen, maar het in hun functie wel moeten gebruiken, zij het met veel tegenzin. Geen enkel woord van medeleven voor wat me is overkomen. U moet naar de gemeente komen, loket 7, “met twie pasfoutous”, zei hij, en daarmee basta. Een geluk dat het een telefoongesprek was. Als ik de klanten op dergelijke nazistische manier zou afsnauwen zou ik meteen mijn ontslag krijgen. En terecht. Ik heb in Budapest een museum bezocht over de terreur van het fascisme (de pijlkruisers) en van het communisme. Een dergelijke ambtenaar zou perfect in dat systeem hebben gepast. Wie werft zulke mensen aan? Hoe kunnen zij aantonen dat zij over de capaciteiten beschikken om een dergelijke functie uit te oefenen? Bij wie kan ik mijn beklag doen over zulk grof gedrag?

attest,bevolkingsdienst,domheid,identiteitskaart,papieren,brussel,administratie,politiek,fascisme,regels,brutaliteit,anderlecht,vriendelijkheid,politie,slachtofferhulp,grofheid,boeven

Brussels by night, Martin Pulaski

21-07-06

OVER EEN DICHTER EN ZIJN TOREN

holderlin,toren,materiaal,tubingen,hitte,pijn,artaud,reizen,kleist,kester freriks,lezen,poezie,rilke,waanzin

De tekst hieronder beschouw ik niet als ‘poëzie’. Het is een lectuur van nagelaten fragmenten van Friedrich Hölderlin. Meer bepaald van de derde versie van het gedicht Mnemosyne. Ik zou dit hölderlinmateriaal willen noemen, zoals er ook medeamateriaal bestaat. Ik heb me in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw intensief bezig gehouden met Hölderlin, maar ook met Kleist, Artaud en Rilke. Tussen alle documenten die toen zijn ontstaan zal nog wel wat waardevols zitten. Het zou digitaal moeten worden omgezet, maar ik heb daar geen tijd voor, en ik wil evenmin geconfronteerd worden met dat verre verleden. 


Ik las in die dagen veel over het werk van Hölderlin, ook wel wat over zijn leven. Heideggers Erlauterungen Zu Hölderlins Dichtung, Peter Szondi’s Hölderlin-Studien, uit 1967, Jean Laplanches Hölderlin et la question du père, M.B. Benns Hölderlin and Pindar, het Hölderlinstuk van Peter Weiss, interessante essays van Georg Lukacs, Klaus Pezold, Martin Walser en Pierre Bertaux, en, ook interessant vanuit een linguïstische hoek, Roman Jakobsons studie getiteld Hölderlin. Klee. Brecht. Ik hield veel, herinner ik me, van Pierre Jean Jouves Poèmes de la folie de Hölderlin,waarin tevens fragmenten uit dagboeken en brieven van Bettina Von Arnim en Wilheml Waiblinger waren opgenomen.

Hölderlin was een dichter met wie ik me om een mij nu niet meer zo duidelijke reden nogal verwant voelde. Ik denk dat de ontroostbaarheid er een rol in speelde; zijn eenzame strijd tegen de tijdgenoten, om boven de idyllische romantiek uit te stijgen en iets nieuws en blijvends te stichten – en meer nog de miskenning en minachting die hem ten deel vielen, onder meer van Goethe en Schiller, de grote Duitse helden.

In 1980 verbleven Laura en ik een week in Tübingen, waar ik de hele tijd echt gelukkig was. We bezochten er de Hölderlin-toren, aan de Neckar, de rivier waar Hölderlin met zoveel liefde over schreef. Hölderlin verbleef in de toren gedurende de tweede, ‘donkere’ helft van zijn leven (van 1807 tot aan zijn dood op 7 juni 1843). We stonden natuurlijk, terwijl het zacht regende, aan het graf van de dichter en voeren met een bootje op de rivier, zoals de dichter wellicht zelf ook had gedaan. De toren die in Tübingen staat is niet meer de echte. Hij is in 1875 afgebrand. Nadien werd de toren en het aanpalende huis weer opgebouwd. Nu is het een literair-toeristische attractie. Kester Freriks heeft een vrij mooie roman geschreven, getiteld Hölderlins toren.

Het is alweer zo heet en ik heb nog altijd pijn, vooral aan de linkerkaak. Ik kan zeer moeilijk kauwen. De dokter veronderstelt dat ik te hard gegild heb, waardoor mijn kaakgewricht ontwricht is. Ik weet het niet. Het sleept wel lang aan. Die gekneusde ribben en die blauwe plekken, daar valt wel mee te leven. Maar die kaak… Ik bijt zo graag, vooral in de zachte hals van een vrouw.