14-02-07

ZELFPORTRET MET TWEE DODEN


small mountain boy

Ik zag mezelf zeven keer op zeven verschillende leeftijden. Het was een warme junidag. We zaten wat te af te zweten in een prefabklasje. Ik werd telkens opnieuw naar voren geroepen om plaats te nemen in een van de brandweerwagenrode zetels die naast elkaar op een klein podium stonden. De eerste ‘ik’ was een jongetje van een jaar of zeven. Degene die naast hem ging zitten was de tienerversie van mezelf, en vervolgens nog vijf versies tot aan de door het leven verbitterde vijftigplusser die ik nu ben. Ik stond erbij en keek ernaar en was niet tevreden. Als een bol wol bij het breien zag ik de mij toegemeten hoeveelheid leven snel slinken. Het gedeelte dat achter de rug lag was een exact meetbare hoeveelheid, die snel toenam. Intussen waren nog anderen, vrienden en kennissen zo te zien, tussen mijn zeven zelven komen zitten. Ze waren heel wat jonger dan mijn oudste ik, mijn galspuwende spiegelbeeld. Dat vond ik allerminst rechtvaardig. "Zo oud al!" riep ik wanhopig uit. "Zo vreselijk oud!" brulde ik.
En ik schrok wakker, bevend en zwetend, met krampen in de hartstreek. Marc en Rom zijn dood, dacht ik onmiddellijk, geboren uit de geest van rock & roll, gestorven van een vermoeid, gebroken hart.

Illustratie: de kunstenaar als jonge bergbeklimmer. Foto: François Brouns.

11-02-07

THE KILLER INSIDE ME (REVISITED)


the bodyguard

Een niet bepaald moreel en politiek 'correct' spelletje, zou je kunnen opwerpen. Mag dit wel? Wij, bloemenkinderen van de jaren zestig, die zo fel gekant zijn tegen wapens - mogen wij daar zo lichtvoetig mee omgaan? Ach, ik weet het allemaal niet zo goed. Het was weer zo'n dag van 'ordinary madness'. We lapten de normen aan onze spreekwoordelijke laarzen. We vonden dit gewoonweg opwindend. Je doet iets wat eigenlijk niet mag, je overschrijdt grenzen.

Overigens, voor degenen die het niet goed kunnen zien, gaat het om een speelgoedrevolver. Ik kreeg hem cadeau - een ironisch geschenk - van mijn lieve vriendin Isabelle nadat ik in juni 1997 was overvallen en in mekaar geklopt, ik ben toen echt op het nippertje aan de dood ontsnapt, in een straat in het centrum van Brussel. De Kiekenmarkt. Dat gebeurde op een zonnige zomeravond, er was geen vuiltje aan de lucht. En even later lag ik bloedend in het midden van de straat, met auto's die me onverschillig voorbijreden. Tot de politie en de ambulance arriveerde. Dan was er opeens wel belangstelling. Ik heb foto's van hoe ik er daarna uitzag, vreselijke beelden, maar die wil ik niet publiek maken. De politie heeft trouwens nooit iets gedaan. Het gerecht heeft de zaak geseponeerd. Maar dat verhaal - hier heel kort samengevat - werpt een verkeerd licht op deze speelse foto die als ik me niet vergis dateert uit 2001, toen mijn wonden al lang geheeld waren.

De titel 'The Killer Inside Me' heb ik gepikt van Jim Thompson. De Amerikaanse rockband van Chuck Prophet en Dan Stuart, Green On Red, ging me daar in voor. Ze hebben een elpee met dezelfde titel. Dan Stuart heeft zich al meer dan tien jaar geleden teruggetrokken uit de muziekwereld, maar ik las net dat hij samen met Steve Wynn - ooit gitarist en zanger in The Dream Syndicate - optreedt op 10 april in de AB, onder hun oude troetelnaam Danny and Dusty. Wie de elpee The Lost Weekend, ook een gestolen titel, van Danny en Dusty bezit - ik geloof niet dat ze ooit op cd is verschenen - zal er dan zeker bij zijn.

07-02-07

HOE VOORZICHTIGHEID TOT CHAOS LEIDT

pulaski,namen,chaos,naamgeving,waarheid,leugen,hunter thompson,pseudoniem,ronette pulaski,onthullingen,baltasar gracian,john wesley hardin,tim hardin,pop,popcultuur,junkie,fictie,maskerade,bob dylan


“All these people that you mention
Yes, I know them, they're quite lame
I had to rearrange their faces
And give them all another name.”


Bob Dylan, Desolation Row.

Gemaskerd ga ik door het leven. Een gemaskerde die de waarheid spreekt en om bestwil of voor de literatuur enkele fraaie leugens vertelt. Net zoals de verteller in Bob Dylan’s Desolation Row vertel ik mijn verhaal eerlijk maar verander ik de namen. Ook mijn naam. Ik ben niet ik. Je est un autre. Noem mij maar Martin Pulaski. Die geschiedenis is al bekend. Die moet ik hier niet nog eens herhalen. Ook over de verwanten Casimir en Ronette Pulaski doe ik er vandaag het zwijgen toe. Je mag me altijd komen vertellen wie ik werkelijk ben. De waarheid die geen waarheid is aan het licht brengen. Want wat betekent een naam, tenslotte? Er staat wel geen prijs op mijn hoofd. Je kunt er niets mee winnen. 


Bij de naamgeving in deze weblog denk ik aan de wijze woorden van Hunter Thompson: “Her name is Gail, but for vaguely legal reasons we will have to call her Jane. If I called her Gail we would have a lot of bitching from Lawyers.” Dat schreef Thompson in zijn autobiografie, Kingdom of Fear. Die titel is zijn naam voor de Verenigde Staten. Naar het mij voorkomt de enige juiste naam voor dat land. Maar dat terzijde opgemerkt. Ik noem Agnes Laura. Soms heet ze opeens Daphne. Ik vind dat niemand moet weten dat de naam van Agnes Agnes is. Dat doet niets terzake; het verandert niets aan mijn verhaal. Soms noem ik Agnes Daphne. Soms noem ik Laura Daphne. Je weet maar nooit, je moet altijd op je hoede zijn. Paranoïde mensen zijn zelfs niet voorzichtig genoeg. Satan is real, zingen the Louvin Brothers. Natuurlijk is satan reëel. Satan en de dood dansen samen rock & roll. Ze spuwen op de graven van onze dierbaren. Je moet al veel lef hebben om zelf je rock & roll schoenen aan te trekken, want zij zijn afgunstig als Griekse goden. Satan en de dood. Ook daarom verander ik de namen en vervorm ik de gezichten. Maar vooral voor een instelling die nauw met die twee reële niet-zijnden samenhangt: justitie. Een naam veranderen is niet liegen, het is voorzichtig zijn. Baltasar Gracian schreef een heel boek over de kunst van de voorzichtigheid, maar over namen geven vergat hij raad te geven. In zijn tijd bestonden natuurlijk nog geen weblogs. Dat zal de reden zijn. En de meeste hovelingen, zijn publiek, waren te vadsig om boeken te schrijven. Er waren wel uitzonderingen maar die belandden toen meestal op de brandstapel. Denk maar aan Giordano Bruno. Op het piazza Campo dei Fiori in Rome staat een mooi standbeeld van hem. Maar ik denk dat hij liever geen beeld had gehad als ook die publieke verbranding hem bespaard was gebleven.


Je moet zo waarachtig mogelijk zijn, maar jongens, wees vooral voorzichtig. Mag ik erop wijzen dat ik in tegenstelling tot de verteller van Bob Dylan niet alle namen verander. Wist je trouwens dat Dylans John Wesley Harding, een notoire boef uit het wilde westen, in werkelijkheid John Wesley Hardin heette? Een klein verschil, maar wel een verschil, vooral omdat Dylan meestal het omgekeerde doet: de G weglaten. Tim Hardin beweert dat hij een afstammeling is van de outlaw, maar dat schijnt een leugen te zijn. Tim Hardin was een junkie en een van de beste songschrijvers die ik ken. Zijn Lady Came From Baltimore is autobiografisch. I was there to steal her money.
Ik verander alleen de namen als ik denk dat het nodig is. Om mensen die ik graag zie in bescherming te nemen, bijvoorbeeld. Maar soms gebeurt het dat ik niet anders kan dan mijn vrienden opnieuw hun ‘ware’ naam geven. Mijn muze of wat het ook moge wezen gebiedt me dat dan. Muss es sein? Es muss sein.


Conclusie van die hele naamgevingbusiness is dat ik er niet meer wijs uit raak. Het zal een illustratie van de chaostheorie zijn. Of eerder omgekeerd, want de chaostheorie is niet chaotisch. Ik aanvaard de chaos, maar ik heb het er moeilijk mee. Mijn boeken staan allemaal mooi alfabetisch op naam. Allemaal? Ik overdrijf. Dat van Hunter Thompson niet, bijvoorbeeld.

Foto: Martin Pulaski

06-02-07

IN MEMORIAM ROLAND ROM EN MARC MEULEMANS

radio centraal,roland rom,marc meulemans,antwerpen,dood,in memoriam

Roland Rom, rechts.

Er zijn onlangs twee mensen gestorven die me dierbaar waren. Ik heb beiden goed gekend. Ze waren nog jong, ongeveer vijftig. Het valt mij minder zwaar te schrijven over de dood van helden dan over het heengaan van vrienden en kennissen. Toch wil ik hun overlijden niet onbesproken laten. Wij vergeten elkaar zo gauw… Maar de dood maakt me moe en sprakeloos. Er vormen zich maar met moeite brokkelige zinnen in mijn hoofd, de woorden dalen als lood, als gestamel af tot in mijn vingertoppen.

Roland Rom is tien jaar lang, van 1982 tot 1991, een buur van me geweest, in de in de Antwerpse Lamorinièrestraat. We waren geen boezemvrienden, wellicht omdat we allebei nogal stil waren, maar we kwamen vaak bij elkaar over de vloer. Niemand noemde Rom bij zijn voornaam. Hij was gewoon Rom. Mij deed hij denken aan Père Ubu en aan diens schepper, Alfred Jarry. Hij was net zo eigenzinnig als de Franse schrijver. Overigens was hij perfect Franstalig en zeer goed op de hoogte van de Franse cultuur en tegen-cultuur (met name Guy Debord en de situationisten). Rom was een medeoprichter van Radio Centraal, een anti-instelling die nog steeds uniek is in België, onder meer door de toewijding en het anarchisme van haar ‘leden’. Mijn goede buur maakte vele jaren het zwaar gestoorde anarchistische programma ‘radio en tv-salon’, een uitzending die je met geen andere kunt vergelijken (in dat programma was hij overigens minder stil). Hij had zoals ik een uitgebreide platencollectie, maar er was een groot verschil: ik had bijvoorbeeld alles van Bob Dylan, Rolling Stones, Quicksilver Messenger Service, Moby Grape, Kinks, Clash, Roxy Music en zo; hij had elpees die toen niemand kende. Ik weet niet waar hij ze vandaan haalde. Hij schepte er een genoegen in mij keer op keer nieuwe dingen te laten horen, liefst zo experimenteel, avant-gardistisch en bizar mogelijk. Captain Beefheart was voor hem mainstream. Rom had aan de academie gestudeerd en restaureerde – zeer nauwgezet - schilderijen. Sinds 1991, het jaar waarop ik naar Brussel verhuisde, heb ik Rom niet meer gezien. Jammer, want hij was een unieke mens, van wie ik nog veel had kunnen leren. Nu hij er niet meer is, zal ik hem niet snel vergeten.

radio centraal,roland rom,marc meulemans,antwerpen,dood,in memoriam

Marc Meulemans, rechts.

 

 

Marc Meulemans had pretoogjes. Net als Rom heeft hij een tijdlang een programma gemaakt voor diezelfde verdoemde radio. Ja, er moet een vloek op rusten, dat kan niet anders. Toen ik Marc de eerste keer zag, in café het Pannenhuis, verzamelplek voor punks, new wave-adepten en kunstenaars, had hij al een ‘carrière’ achter de rug als muzikant bij de punkband De Kommeniste. Niet zo populair als de Kreuners maar wel veel authentieker. Marc Meulemans is zolang ik hem heb gekend zeer begaan geweest met muziek. Wij zagen elkaar vaak in de Tom Tom Club, waar hij af en toe platen draaide. Hij volgde geen trends, hij maakte er. Marc had een rusteloze, ondernemende geest. Hij opende cafés, was dj in clubs, ontwierp platenhoezen, onder meer voor deus, en werkte voor het theater (voor Ivo Van Hove).
De laatste keer dat ik hem zag, een drietal jaar geleden, bij een concert van Think Of One (geloof ik, want ik had al wat gedronken), had hij ademhalingsmoeilijkheden. Er hing veel rook in de zaal. Hij zag er moe uit. Maar desondanks hebben we gelachen. Als ik in Marcs gezelschap was werd er altijd gelachen. Nu echter is het gedaan met het gelach. Deze lawaaierige planeet is nog lawaaieriger geworden, maar ook veel stiller. Rust in vrede, heren. Wij blijven achter in dit treurige oord, met onze momenten van geluk, tevredenheid en verdriet, maar ook ons zit de dood op de hielen.

01-02-07

LEZEN EN LATEN LEZEN

geerten meijsing,voorlezen,simenon,mario praz,mentor,proust,lezen,boeken,passie,literatuur,leugens

De voorbije dagen las ik ter vermaak Georges Simenon. Dat is een beetje door Geerten Meijsing gekomen, die in de dubbelroman – het eerste deel is van zijn zus Doeschka – ‘Moord en Doodslag’ de Belgische veelschrijver zo ophemelt. Geerten Meijsing heeft me echt zin gegeven in Simenon, zoals hij me vroeger in de richting van Mario Praz en George Gissing heeft gestuurd. Moet ik me daar schuldig over voelen? Over dat aangename tijdverdrijf? Jullie zullen waarschijnlijk zeggen: maar nee, waarom zou je wel. Ik weet het echter niet. 


Er was een tijd dat ik me alleen bij Marcel Proust thuis voelde, bij wijze van spreken. Hij was me zo vertrouwd. Het was alsof zijn verteller me rechtstreek toesprak (en soms in het oor fluisterde).
Soms, als ik zelf niet meer tot lezen in staat was, las Laura voor. Ik heb het nu over lange tijd geleden, toen er nog koude winters bestonden. Inmiddels zijn er praktisch bezwaren ons leven binnengeslopen. Dat voorlezen deed zij alleen 's nachts; overdag was lezen en me laten voorlezen uitgesloten. Van de ochtend tot het vallen van de avond ging ik in vrijwillige ballingschap uit het leugenachtige 'rijk van de literatuur'. Zodra de avond viel werd ik weker en liet ik mij haar leugens welgevallen. Overdag las ik ook wel, maar die lectuur stond ten dienste van mijn eigen werk. Ik deed opzoekingen, verzamelde documentatiemateriaal, maakte aantekeningen, en dergelijke meer.

Met dat materiaal deed ik uiteindelijk niet zoveel. Als ik er nu over nadenk, na al die jaren, over dat ‘werk’, dan kan ik dat niet anders beschouwen dan een andere vorm van aangenaam de tijd verdrijven. En is dat niet het beste wat wij kunnen doen, de tijd die de grootste dief is, zo veel mogelijk verdrijven?

Afbeelding: manuscript van Marcel Proust.

30-01-07

ALS OP EEN WINTEROCHTEND

ochtend,jas,wintersport,metro,foto,martin pulaski,winterkleren,seizoenen,klootjesvolk,kleding

Scwhab's in Memphis, Tennessee, 1992. In deze winkel kocht de jonge Elvis Presley zijn tot zedenverwildering aansporende kledingstukken.


Vanmorgen ging alles verkeerd. Het scheren wilde niet vlotten. Het water uit de douchekraan was te heet. Ik deed lang over mijn ontbijt, had een slechte cd opgezet (iets van the Jon Spencer Blues Experience), de koffie was te sterk, ik kon maar niet wakker worden, hoewel ik nauwelijks geslapen had. Is dat overigens niet paradoxaal, niet kunnen slapen en toch niet wakker kunnen worden?

Na een uur ‘voorbereidingen’ was ik klaar om de deur uit te gaan. Maar ik had niet op de ritssluiting van mijn bruine leren jas gerekend. Die rits wilde niet toe. Maar daarna wilde ze ook niet meer open, zodat ik maar zeer moeilijk uit die jas geraakte. Zelfs Harry Houdini zou het er moeilijk mee hebben gehad. Uiteindelijk is dat wel gelukt, en heb ik nog enkele vergeefse pogingen gedaan om de rits toch weer op het spoor te krijgen. Vervolgens moest ik op zoek gaan naar een andere jas. Het probleem is dat ik weinig winterkleren heb. Ik ben alleen maar op de lente en de zomer ingesteld, waarschijnlijk ter compensatie van mijn winters temperament. Tenslotte heb ik mij tevreden moeten stellen met zo’n rood wintersportgeval dat ik ooit in een (echte) koortsbui heb gekocht en maar één keer heb gedragen. De eerste en - voor vandaag - enige keer dat ik die jas aanhad zag ik overal om mij heen wat in de jaren zestig ‘klootjesvolk’ werd genoemd met zulke rode wintersportjassen aan zich naar het werk haasten. Talloos was hun aantal. Het is dan ook een zeer lelijk kledingstuk. Het moet een bizarre koorts geweest zijn, dat ik zulke jas heb kunnen kopen. Wintersport haat ik met een groot genoegen. Als ik het woord après-ski hoor, grijp ik naar mijn imaginaire revolver, om Goebbels te parafraseren. Ja, soms ben ik wel eens gewelddadig in mijn verbeelding.

In de metro lag links van me op de zitbanken een dakloze te slapen. Hij verspreidde een geur om wierookstokjes van sandelhout bij te branden. Maar ik liet me niet van de wijs brengen. Ik had mijn rust teruggevonden, ondanks het feit dat toen ik onderweg was naar metrostation Bizet de oortjes van mijn iPod niet in mijn oren wilden blijven zitten en dat de stem van Mark Everett vreselijk kraakte.
Aan station Beekkant bleef de metro staan. Dat doet hij meestal wel, maar nu veel langer dan anders. De dakloze moest de trein verlaten, wat geen eenvoudige onderneming was. Waarom mocht de man zijn roes niet uitslapen? Hij stoorde niet echt, de metro zat niet eens vol. Alleen die geur een beetje… Maar dan zouden overdadig geparfumeerde dames ook de metro moeten verlaten, want daar krijg je hoofdpijn van. Regels zijn regels, hoorde ik de twee metrobeambten blaffen. (Zijn dat pursers? Of wat is de naam van hun beroep?) En bevel is bevel, dacht ik.
En toen… En toen… En toen moest de dag nog beginnen.

20-01-07

SPA IN HET VOORUITZICHT


De wind is gaan liggen, het is opgehouden met regenen. Over enkele uren vertrekken we naar Spa. Met de trein natuurlijk. Het belooft een mooie reis te worden, want ze duurt twee uur, mogelijke vertragingen niet meegerekend. Op die tijd kan ik waarschijnlijk wel een romannetje van Georges Simenon uitlezen en zelfs nog wat van het winterse landschap genieten. In een chic hotel, betaald door het bedrijf, een multinational, waar Laura ten koste van veel inspanningen haar dagelijks brood ‘verdient’, neem ik een heerlijk bad in het water van Spa, waar vroeger hertoginnen en prinsessen kwamen (toen ze nog hoofden haddden).

Ik heb nu weinig tijd om te schrijven, de koffer moet gepakt. Het is altijd een getwijfel: wat zal ik meenemen, welk pak, welk hemd, welke schoenen? Hoeveel medicijnen zal ik nodig hebben? Ik mag vooral mijn afstershave gel – van Issey Miyake – niet vergeten. Pen en papier moeten mee, een identiteitskaart (sinds ik de voorlopig laatste keer beroofd werd heb ik die nooit meer op zak; het vergt teveel van mijn zenuwen om een nieuwe vast te krijgen). Er moeten nog een paar andere boeken mee, voor het geval die Simenon niet weet te boeien. Dat lezen van detectives in de metro en de trein is overigens een nieuwigheid. Ik hoop op die manier een tijdelijk nirvana te bereiken. Maar een paar glazen wijn helpen soms ook wel. Vanavond zal vooral de wijn het moeten doen. Ik slaap vreselijk slecht behalve in dure hotels, ook daarom kijk ik uit naar de weekendtrip. Slapen! Morgen al zit hier een andere mens, maar toch dezelfde. De filosofie komt altijd weer om de hoek kijken.

16-01-07

BLAUWSEL

georges simenon,was,blauwsel,kinderjaren,boeken,dick bruna

Toevallig toch weer. Onlangs zat ik tijdens het avondmaal met Laura te praten over blauwsel. Je hebt zo van die gesprekken waarbij van de hak op de tak wordt gesprongen. We hadden het er opeens over hoe onze moeders blauwsel gebruikten in de wastobbe. Ja, in die dagen werd de was nog in een wastobbe gedaan. Dat blauwsel diende om het linnengoed zo wit mogelijk te krijgen, voordat het gebleekt werd op het gras (als er gras was). Als kleine jongen vroeg ik mij af hoe dat blauwsel het linnen wit kon maken. (Overigens associeerde ik het blauwsel van mijn moeder met het blauwe krijt dat mijn vader gebruikte bij het biljarten. Het blauw van het labeur tegenover het blauw van het plezier.) Ik ben nooit te weten gekomen hoe het mogelijk was: ik ben volwassen geworden. Op een dag is het vragen stellen opgehouden; hoewel de vragen nu ik ouder word opnieuw de kop opsteken...


Vanmorgen in de metro sloeg ik De blauwe kamer van Georges Simenon open en daar stond het, op pagina 6 al: “Hij moest zo’n vijf, zes jaar zijn en hij vroeg zich af door welk wonder de blauwe kleur het linnen wit kon maken.” Ik heb trouwens de indruk dat ik dit boekje graag zal lezen. Jammer dat het zo vlug uit zal zijn. De troost is echter dat er nog veel andere boeken van Simenon bestaan. Maar mag ik mijn tijd wel aangenaam verdrijven? Zal al niet spoedig de filosofie mij weer tot de orde roepen?

10-01-07

SNEAKY PETE & THE FLYING BURRITO BROTHERS

sneaky pete kleinow,flying burrito bros,steelgitaar,patrick riguelle,in memoriam,dood,autobiografie,country,country rock,americana,marc didden

Sneaky Pete, tweede van rechts.

Gisteravond vertelde een collega me dat Sneaky Pete gestorven was. De ernst van de boodschap drong niet meteen tot me door. Onbenullige maar opdringerige werkfeiten zaten nog in de weg. Onderweg naar huis overviel me echter een grote treurnis. Iemands dood, zeker van iemand die we hebben bewonderd, herinnert ons onvermijdelijk aan onze eigen sterfelijkheid. 

Sneaky Pete Kleinow was in 1969 medeoprichter van the Flying Burrito Brothers, een band die voor blanke ‘rockmuziek’ evenveel betekend heeft als James Brown voor soul en funk. De Burrito’s waren de grondleggers van de country rock, en daardoor meteen ook van een muziekgenre dat nu alt.country of americana wordt genoemd. Muzikanten en bands als Bonnie ‘Prince’ Billy, Ryan Adams, Lambchop, Calexico en the Walkabouts volgen het country rock-spoor en zorgen vandaag voor veel muzikale opwinding. Gram Parsons, samen met Chris Hillman de belangrijkste songschrijver van the Flying Burrito Brothers, noemde het Cosmic American Music. Die term zal altijd geldig blijven.

Sneaky Pete was de steelgitarist van de band, visueel een achtergrondfiguur maar muzikaal zeer op de voorgrond, ook letterlijk, in de mix. Pete Kleinow bespeelde zijn steelgitaar helemaal anders dan de brave jongens in Nashville. Door allerlei geluidseffecten zorgde zijn instrument bij de luisteraar voor talloze kippenvelmomenten. Je kon dat geluid in die agen alleen maar psychedelisch noemen; er was geen ander woord voor.

Tot 1969 had ik country & western een zeer oubollig genre gevonden, maar een recensie in het tijdschrift Aloha had me ertoe aangezet om de eerste Burrito-elpee, The Gilded Palace Of Sin, aan te schaffen. Na een eerste beluistering wist ik al dat deze elpee me mijn hele leven zou begeleiden. Het is nu bijna veertig jaar later en ik luister nog wekelijks naar de plaat.
Gisteravond heb ik het originele vinyl uit ’69 nog eens uit het rek gehaald. Die prachtige, romantisch-decadente hoes!

Toen de Flying Burrito Brothers in 1970 in het Concertgebouw in Amsterdam optraden ben ik ernaartoe gelift. Mijn ex-vrouw en ik hebben die avond in Amsterdam, na het concert, bij een student op de vloer geslapen. We hadden net genoeg geld voor twee kaartjes. Ik herinner me dat die jongen die avond net ruzie had met zijn vriendin. Het was niet bepaald het geschikte moment om op bezoek te komen. In het statige concertgebouw was me opgevallen dat meer dan de helft van de bezoekers onafgebroken joints zat te rollen. (Erwin, een vriend van me zat op dat ogenblik in de gevangenis van Gent omdat hij in zijn dagboek had genoteerd dat hij af en toe een joint rookte.) Gram Parsons had de band net verlaten, maar desondanks maakten we een adembenemend concert mee. Vooral op Christine’s Tune – een song over een van die beruchte GTO’s, een bende zeer creatieve groupies uit Los Angeles – en op Hot Burrito # 2 ging Pete Kleinow hevig tekeer. Je kon hem met recht de Jimi Hendrix van de steelgitaar noemen.

Later was de steelgitarist zeer in trek als sessiemuzikant. Hij speelde onder meer bij Joni Mitchell (Blue), Joe Cocker (op diens enige geslaagde lp, de tweede titelloze), Sandy Denny, Delaney & Bonnie, Steve Miller Band (The Joker), Yoko Ono, John Lennon, Little Feat en de fantastische Lemonheads (Come On Feel the Lemonheads).

Marc Didden, een zeer goede oude vriend van me, stuurde me vanmorgen een mailtje waarin hij schreef dat ik -samen met hem - waarschijnlijk de enige persoon in heel Brussel ben die treurt om het heengaan van Sneaky Pete Kleinow. Het zou kunnen, maar ik hoop van niet en ik denk het ook niet. Een paar maanden geleden had ik een lang gesprek met Patrick Riguelle: ik heb zelden iemand met zoveel enthousiasme over the Flying Burrito Brothers en het steelgitaarspel van Sneaky Pete horen praten als hij. Daarom vermoed ik dat Patrick Riguelle en zijn vrienden ook wel zullen treuren.

 sneaky pete kleinow,flying burrito bros,steelgitaar,patrick riguelle,in memoriam,dood,autobiografie,country,country rock,americana,marc didden

De muziek blijft achter als een onuitwisbaar spoor. Dat moet ons troost bieden.

09-01-07

LEVEN MET EEN DWANGNEUROSE


Bijna elke middag loop ik tijdens de lunchpauze van mijn werk in de Arenbergstraat door de rijkelijke Koningsgalerij en de Koninginnegalerij (ook bekend als de Koninklijke Sint-Hubertusgalerijen) en verder langs het Agoraplein en de Grote Markt naar een of andere plek die mij toevallig lokt. Het is geen wandeling, veeleer een dwanghandeling. Maar ik ben wel in beweging, dat is mooi meegenomen. Meestal loop ik in de richting van De Slegte of een van de tweedehandswinkeltjes op de Lemonnierlaan, bijvoorbeeld de Pêle Mêle. What can a poor boy do? Het vreemde – of misschien is het doodgewoon – is dat ik van die stijlvolle Koninklijke Sint-Hubertusgalerijen en van die grandioze Grote Markt meestal niets zie. Ik merk niets van de chocoladewinkels, van de handtassen van Delvaux, van de luxueuze boeken in de kunstboekenwinkel, ik zie niet wie op het terras van de Mokafé zit, het dringt niet tot me door welke films er in de Arenberg Cinema op het programma staan, ik merk niets van de toeristen op de Grote Markt, vroeger overwegend Japanners, nu ook Chinezen en Amerikanen, mijn blik valt niet op het restaurant Le Cygne, noch op het Broodhuis, noch op het Stadhuis, waar ik toch ooit in het huwelijk trad. Ik weet dat ’t Serclaes bestaat, maar ik loop hem blindelings voorbij. Ik storm recht op mijn doel af en zodra ik daar ben aangekomen vraag ik me af: wat doe ik hier eigenlijk?
Vandaag had ik echter geluk: ik vond bij De Slegte zowel de mooi in één band uitgegeven verzamelde romans van Cesare Pavese, als een biografie van Karl Corino over Robert Musil. Pavese en Musil zijn twee van mijn vijf of tien uitverkoren schrijvers. Mijn dwangneurose heeft me voor een keer genoegen verschaft. Ik ga nu zwaarbeladen huiswaarts, maar voel me lichter dan toen ik deze morgen thuis vertrok. De volgende maanden zullen ongetwijfeld in het teken van Cesare Pavese staan. Jazeker!

06-01-07

PORTRET VAN EEN MOOIE VROUW

spanje,delegatie,luis mariano,strand,zelfmoord,jos d,vrienden,vriendin,herinnering,cadiz,schoonheid,vrouwen,heimwee,werk,woodstock,cafes,maria jesus,2000,50,verjaardag

Cadiz, in het Zuiden van Spanje, trekt me aan als geen andere Europese kleine stad. Ik heb het over het oude schiereiland, met de kleine straatjes en pleinen, en de kathedraal met de gouden koepel, en niet over het smalle, nieuwe gedeelte waar de flatgebouwen woekeren en hun schaduwen werpen op het mooie en uitgestrekte strand. Op het ogenblik dat mijn beste vriend zelfmoord pleegde, in oktober 1991, bevond ik me daar op dat strand. Ik was er toen gelukkig, euforisch, overweldigd door het licht van Cadiz. Aan de dood dacht ik niet. Pas twee weken later zou ik op de hoogte worden gebracht van die tragedie. 


Sindsdien ben ik er vaak geweest, meestal voor mijn werk. Ik bezocht Cadiz dan telkens met een Vlaamse delegatie van een vijftal jongeren uit jeugdwerk. Onze opdracht was te gaan kijken wat de jeugd van Cadiz zoal deed in haar vrije tijd. Konden wij er iets van leren? Of waren de Vlaamse jeugdorganisaties toch superieur, zoals velen beweren. De superioriteitsdenkers konden en kunnen op twee oren slapen: er zijn weinig jeugdverenigingen in Cadiz. Er gebeurt niet zo veel dat echt georganiseerd is. Spontaniteit is er de regel. Anarchie, chaos, onduidelijke afspraken. Toen ik een keer werd ontvangen door mevrouw de burgemeester, een hoogdravend, inhoudelijk leeg mens van de Partido Popular, had mijn tolk een short aan die meer op een onderbroek leek. Zo stonden we de dag nadien op de voorpagina van Diario de Cadiz.
Er wonen veel jongeren in Cadiz en die maken vooral veel plezier, in de cafés, één ervan heet Woodstock, op de prachtige pleinen en, in de zomer, op het strand. De braafsten drinken tinto de verano, een afschuwelijke mix van wijn en bessensap. De anderen drinken whisky, wodka en gin.

In de jaren negentig ben ik in Cadiz bevriend geraakt met Menchu, wat een afkorting is voor Maria Jesus, een van de mooiste meisjes die ik ooit heb ontmoet. Ik ben met haar bevriend geraakt zonder echt met haar te converseren. Ik sprak maar een paar woorden Spaans, zij een beetje Engels. Yes en No en zo. Toch was er, onverklaarbaar, meteen die intense, zinderende vriendschap. Wellicht was er ook verliefdheid in het spel. En waarom ook niet: zoals je weet is dat gevoel brandstof voor mijn ziel, zoals kerosine voor een vliegtuig. In 2000 vierde ik in de oude straten van Cadiz mijn zoveelste verjaardag. ’s Avonds zaten Laura, Menchu en ik, samen met nog enkele vrienden die ik daar heb leren kennen, aan een eenvoudige tafel gefrituurde vis te eten en Cava te drinken. Eten heeft me nooit beter gesmaakt en ik heb zelden meer gelachen. Het was de mooiste verjaardag van mijn leven.

De voorbije vier of vijf jaar had ik niets meer gehoord van Menchu. Ik wist dat ze verhuisd was, maar ik had geen adres, e-mail of telefoonnummer. Tot gisteren. Menchu stuurde me via de mail haar nieuwjaarswensen. Het was alsof we elkaar eergisteren voor het laatst hadden gezien. Er zat een foto van haar bij haar mail. Een beetje ijdel is ze wel, de lieve Menchu. Maar dat is goed, want daardoor was ik opnieuw een gelukkig man. Menchu leeft en is nog altijd even prettig gestoord. Haar schoonheid blijft overweldigen. La belle de Cadix, zoals in het lied van Luis Mariano:

"La belle de Cadix
A des yeux de velours
La belle de Cadix
Vous invite à l'amour

Les cavaliers aussitôt
Sortent leurs sombreros
On apprend qu'elle danse
Et pour ses jolis yeux noirs
Les hidalgos le soir
Viennent tenter leur chance

Mais malgré son sourire
Et son air engageant
La belle de Cadix
Ne veut pas d'un amant
Chicaticati aïe aïe aïe
Chicaticati aïe aïe
Chicaticati aïe aïe
Ne veux pas d'un amant."

19-12-06

DE LICHTHEID VAN HET BESTAAN, SOMS


didi and agnes

Vrijdag had ik een verrukkelijke avond met Diana, een lieve vriendin en zielsverwante uit Antwerpen. Telkens als ik haar zie, wat niet vaak gebeurt, maakt zich een zeer bepaalde lichtheid van me meester. Ik noem het liever geen verliefdheid, want dat klinkt zo banaal. Toch ben ik graag verliefd. Dat houdt me geestelijk jong en stimuleert mijn verbeelding. Ik vertel mijn Laura – schoorvoetend – over mijn verliefdheden. Zij heeft er begrip voor; ze weet dat het telkens om eerder korte en onschadelijke opflakkeringen gaat. Maar ze zegt ook dat ik van haar veel minder zou verdragen. Jaloezie zou me veel sneller parten spelen. Ze heeft zeer waarschijnlijk gelijk.

Ik had het echter over lichtheid, dat is iets anders dan verliefdheid. Verliefdheid is een huis dat in brand staat, een snelle, diepe trek aan een sigaret; de lichtheid van onze ontmoetingen is vergelijkbaar met de zachte warmte van de zon, met lentedagen, als de magnolia’s in bloei staan.

We hebben samen heel gewone dingen gedaan. Bij Plaizier hebben we kerstkaartjes gekocht; we hebben over de kerstmarkt gewandeld, in de Archiduc een glaasje champagne gedronken en vis gegeten in mijn favoriet restaurant.
Zodra het tien uur is slaat de tijd op hol. Binnen enkele ogenblikken moeten we al afscheid nemen. De trein rijdt weg uit het station. Ik spoed me naar de metro. Neen, denk ik dan, ik ben niet de tragische held, Carlito, die op het perron wordt doodgeschoten in de armen van zijn geliefde, net voor zijn droom in vervulling zal gaan. Ik leid een doodgewoon bestaan. Mijn dagen vullen zich met woorden, met namen, met muziek, met beelden uit films. Zoals de slotscène uit Carlito’s Way. Het leven betekent niet veel, maar sommige momenten betekenen alles.

Foto: Martin Pulaski, Diana en Laura.

11-12-06

FEESTZALEN, CAFES EN KAMERTJES

dagboek,cafes,ab,bed,films,vrienden,feest,wijn,townes van zandt,le coq,drinken,muziek,pop,fado,misia,collega,werk,vrt,dalida,sophie calle,beck,duivel,cirio,limburg,zingen,brussel,nachtleven,pp,euforie,receptie

Ik heb een duivels oorkussen voor je meegebracht, zei ze. Ja, dat kan ik wel gebruiken, zei ik, en nu nog een devil’s haircut. Er staat anders niet veel meer op, zei ze. Nee, er staat niet veel meer op, zei ik, maar een devil’s haircut behoort toch nog tot de mogelijkheden. Dat oorkussen mocht wel, want had ik mijn week niet in ledigheid doorgebracht? Oordeel zelf maar. Maar oordeel alleen over wat ik me er van herinner. Overigens, waarom zou je eigenlijk oordelen? Het is het leven zoals het is, daar valt niet veel anders over te zeggen. ’s Morgens sta je op en ’s avonds ga je in bed en voor niets gaat de zon op. 


Maandagavond, na de dagtaak, had ik met mijn Antwerpse vriend Theo afgesproken in café PP, waar we wat bier dronken. We aten kalfsvlees à la saltimbocca, lekker bereid, bij één van mijn favoriete Italianen, aan de Plattesteen. Daarna begaven we ons naar de AB voor het concert van Misia, de wonderlijke diva uit Porto. Begenadigde zangeres, begenadigde muzikanten. Het eerste deel was sobere fado gezongen door een in een lange zwarte jurk gehulde Misia, sereen en op blote voeten. Ze gaf veel uitleg bij de liederen, wat de verstaanbaarheid uiteraard ten goede kwam. Fado is droevige muziek, maar Misia heeft een bijzonder humoristische kant, waardoor een mooi evenwicht ontstaat tussen de zang en het gesproken woord. In dat opzicht deed ze me aan de diepbetreurde Townes Van Zandt denken, die de meest wanhopige songs, zoals Nothing en Waiting Around To Die, kon afwisselen met hilarische gesproken intermezzo’s. De beste galgenhumor die ik ooit heb gehoord, die van Townes.

Na de pauze keerde Misia terug in een elegant zwart mantelpakje, op hoge hakken en duidelijk bereid tot enige frivoliteit. Het publiek werd ten dans uitgenodigd in een hotelkamer in het Drama Box Hotel. Zo mochten we het ons voorstellen. Hulpmiddel: op de achtergrond een foto - in de stijl van Sophie Calle - van de hotelkamer; op het bed een ouderwetse, rode telefoon. Misia zong fado’s, bolero’s, tango’s, meestal in het Portugees, maar ook in de taal van haar moeder, het Spaans, en één keer, voor een lied van de tragische Dalida, in het Frans. Misia kreeg een staande ovatie. Nu, precies een week later hoor ik nog steeds haar pure en dramatische stem en het indringende, melancholische geluid van de Portugese gitaar.

Dinsdagmiddag hadden we een personeelsfeestje. Daar valt niet veel over te zeggen, behalve dat we een ‘studiebezoek’ brachten aan de VRT. Een gebouw waar ik in mijn jeugd voor werd klaargestoomd, maar waar ik om velerlei redenen aan verzaakt heb. Ik zag Kurt Van Eeghem door de gang schrijden. Laura luistert graag naar zijn programma. Zelf zet ik nooit de radio aan. Het hoogtepunt van het bezoek was de set van FC De Kampioenen. What a dump, zou Elizabeth Taylor zeggen. Ik kreeg er meteen een niesbui: het bed van Carmen was niet opgemaakt. Moet dit de smaak van de doorsnee Vlaming voorstellen? Ik vrees het een beetje. Gelukkig heb ik van de serie nog geen enkele aflevering gezien. Tot slot mochten we ook even de studio van de Rode Loper binnen. Er werd ons meegedeeld dat een blauwe achtergrond onzichtbaar werd gemaakt dank zij allerlei technologische snufjes, en dat de kijker thuis dan kleurige cirkels te zien krijgt. Je mag alleen geen blauwe kleren dragen, want dan word je onzichtbaar. Hello Jim! Ik zat te reikhalzen naar die rode loper, maar die viel niet te bespeuren. Ook dat programma heb ik nooit op televisie gezien, ook niet die psychedelische cirkels, ook niet de presentatrice, Jasmine of zo. De groep Clouseau, de Vlaamse Beatles, kan mij evenmin bekoren. Ik weet trouwens niet precies waarom ik een verband leg tussen een rode loper en de broertjes Wauters.

Dinsdagavond zat ik met mijn lieve vriendin Inge in café Cirio. Het is mijn geliefkoosde plek om af te spreken. Er wordt slechte wijn geschonken en nog slechtere half en half, maar er hangt altijd een soort van hartstocht in de lucht. Ik denk dat Misia zich er goed in haar vel zou voelen. In een hoek van het café was die avond een dame onwel geworden. Haar gezellin riep dat er een ambulance moest komen. Beide dames waren zeer dronken; ze leken een tragisch leven te leiden. Het was een aangrijpend, triestig tafereel, meer nog doordat nogal wat mensen in de Cirio met deze zielige mensen zaten te lachen, zij het niet al te luid. Ongeveer een half uur laten betraden de verplegers de gelagzaal. De oude vrouw, met felle rode lippen en een blik die gaten in de ziel brandde, werd op een brancard gelegd en naar buiten gedragen; de andere dame, waarschijnlijk haar dochter, liep er jammerend achter, mamie, mamie! In het café lachte niemand meer, de meeste klanten waren al vertrokken. Er hing een sterke geur van urine.

De rest van de avond verliep vrolijker. Inge en ik dronken witte wijn in de AB, waar nog maar eens feest werd gevierd. Ook aasden we op hapjes. Na een uur of zo dronk de witte wijn ons. Ik weet niet meer met wie we allemaal praatten, wie een glas stuk liet vallen en wie Nick Lowes I love the sound of breaking glass begon te declameren. Wel weet ik nog dat ik melancholisch werd toen we herinneringen aan Lucca oprakelden. Zulke mooie zomer zullen we nooit meer meemaken, zei ik. Ik voelde mij in de zieke melancholicus Leopardi veranderen en dat wilde ik voor geen geld van de wereld.
Toen Inge al naar huis was – zij houdt zich zeer stipt aan haar tijdschema’s, wijn of geen wijn - geraakte ik in gesprek met een stel jonge Limburgers. Limburg is de coolste plek van België, bleef het meisje zoooo lang herhalen tot ik haar gelijk moest geven, hoewel ik er sinds 2001 niet meer geweest ben. Vijf jaar, dat is een lange tijd. Maar ik vermoed dat het Limburgse meisje de waarheid sprak. Bovendien zijn er twee Limburgen, als de ene provincie tegenvalt, kun je het nog altijd in de andere proberen.
Van de AB begaf ik mij op een onbestemd uur met een groepje betrouwbare nachtraven naar Le Coq. Twee meisjes in het gezelschap zongen onophoudelijk. Ook een drankje bestellen deden ze al zingend. Het was alsof ik in Les parapluies de Cherbourg was beland. De situatie was bijna even mooi als in die film. Ze hielden echt niet op, behalve om af en toe een slokje van hun wijn te nemen. Toen ik in de taxi naar huis zat hoorde ik nog steeds hun jonge, vibrerende stemmen, Purple Rain, Yesterday, Nights In White Satin.

Woensdag heb ik in bed gelegen. Ik voelde me ziekjes. Sombere gedachten joegen als de wind buiten door mijn hoofd. Koortsige taferelen verjoegen schuldgevoelens en depressie en vice versa. Ik lag te woelen in mijn bed en piekerde over het ouder worden. Hoe je lijdzaam moet ondergaan dat je, vooral op het werk, stilaan wordt uitgesloten vanwege je leeftijd. Maar je wordt van alle kanten aangespoord om langer en harder te werken. Er moet een zilverfonds worden aangelegd! Oudere werknemers zijn waardevol, vanwege hun ervaring en hun inzicht. Dat is het officiële discours. In werkelijkheid zitten bepaalde jonge arrivisten ongeduldig te wachten tot je er eindelijk de brui aan geeft of de pijp uitgaat. Sommigen, vooral intelligente jongeren, respecteren je juist omdat je ouder bent, omdat je de meest verbluffende periode van de twintigste eeuw hebt meegemaakt, ze weten dat ze wat van je kunnen leren, voor hen is het duidelijk dat je niet opeens minderwaardig bent omdat je ouder wordt; anderen vinden dat dat allemaal niets te betekenen heeft en lachen je erom uit. Dit is de beste tijd die er geweest is, zeggen ze. Ik heb nooit een slechtere tijd gekend als deze. Maar ik ben na de oorlog geboren. Ongetwijfeld zijn er nog slechtere tijden geweest. De geschiedenis is een aaneenschakeling van schandalen en bloedbaden.

De rest van de week heb ik heb films zitten bekijken. Met The Big Lebowkski heb ik nog eens goed gelachen. In een gesprek met David Lynch op de VPRO werden hem vooral domme vragen gesteld. De monotonie van zijn antwoorden verbaasde me niet echt. In bijna elk antwoord kwam het woord ‘droom’ voor. Voor David Lynch is pas iets waardevol als het hem tot dromen aanzet. Een werk van Edward Hopper bijvoorbeeld, of Elvis Presley die in de Sun opnamestudio even op de canapé gaat liggen voor hij de rock & roll ‘uitvindt’ – alsof er daar een psychoanalyse moest gebeuren. Als Elvis weer opveert uit de canapé is de zaak voor elkaar: That’s Alright Mama! Buikschuddend heb ik gelachen met de onovertroffen antiheld WC Fields. Ossessione is een vroeg meesterwerk van de marxistische aristocraat Luchino Visconti. Het is een film waarin de mannelijke lichamelijkheid centraal staat, ook al gaat het over een femme fatale. De blik van de vrouw is een voorwendsel om het bijna tot dierlijkheid herleide lichaam van de man te tonen. Overigens is het verschil van Visconti’s versie van The Postman Always Rings Twice met de andere verfilmingen dat de man geen escapade maakt met een andere vrouw, maar met een intelligente, mooie jonge man. Die mooie, jonge man is een metafoor voor de vrijheid en voor het reddende gebaar. De femme fatale is de lokroep van de gebondenheid, de verzekering en de dood. Nog een meesterwerk is A Place In The Sun van George Stevens, met Elizabeth Taylor, Shelley Winters en Montgomery Clift. The Clash heeft erover gezongen in The Right Profile. Montgomery Clift was een beetje een held voor de punks. Zelfvernietiging stond hoog aangeschreven bij die generatie. Die young, stay pretty. Wellicht hadden zij het al zien aankomen dat ouder worden maar niets is in deze tijd. Joe Strummer heeft net op tijd de pijp aan Maarten gegeven. Wie meer wil weten over A Place In The Sun beveel ik de film zelf aan, en een boek over George Stevens. Het is een film die veel twijfel zaait aangaande goed en kwaad. Bijvoorbeeld: hoe kun je iemand juist beoordelen? En meer nog: hoe kun je iemand veroordelen?

Donderdag en vrijdag heb ik hard gewerkt. Werken is vermoeiend, zoals het leven zelf. Na een dergelijke dagtaak kan ik niet veel anders meer dan een film bekijken, en zelfs dat lukt me niet altijd. Soms raak ik niet veel verder dan eten en drinken. Maar dat maakt niet uit. Er komen wel weer andere dagen, voor nieuwe ernst en nieuwe vrolijkheid. Nog een beetje geduld en een paar kleine inspanningen, vrienden!

04-12-06

AFSCHEID VAN EEN VRIEND?


Ik weet dat ik de dingen niet op de juiste wijze aanpak. Soms wel, maar vaak ook niet. Ik ga met vrienden om van wie veel negativiteit uitgaat. Ze stimuleren me niet, ze inspireren me niet. Zijn dat dan wel vrienden? Moet je altijd trouw blijven aan je vrienden, ook als voor hen het eigenbelang de overhand neemt? Door dik en dun, in kwade en in goede dagen, alsof je met hen gehuwd bent? Ik twijfel eraan of ik dat moet doen, als onze ontmoetingen me schade berokkenen. Ik heb goede vrienden gehad die mij de rug hebben toegekeerd omdat ze succes kregen en op televisie kwamen. Ze werden beroemde Vlamingen. Ze dachten waarschijnlijk dat ik ter plaatse bleef trappelen. Ze konden zich niet langer verrijken aan mij. Ze keerden mij de rug toe. Daar heb ik wel van afgezien. Dat geef ik toe. Het is niet prettig dat iemand je de rug toekeert, iemand met wie je bijvoorbeeld bijna wekelijks wandelingen maakte in het Zoniënwoud en met wie je samen liedjes zong. Maar zo is het leven. Waarom zou ik dan op mijn beurt een vriend die me veel schade berokkent niet de rug toekeren? Ben ik bang dat hij zonder mij niet verder kan? Daar moet ik niet bang voor zijn. Hij leidt zijn eigen leven, in een geheel ander milieu, met geheel andere morele regels, met geheel andere codes dan ik. Hij heeft zijn eigen vrienden en kennissen, hoewel hij beweert dat hij eenzaam is. Maar wij zijn allen eenzaam.

Ik heb het nu heel bepaald over een vriend met wie ik een radioprogramma maak. Hij helpt me met de techniek. Hij draait aan de knopjes, zorgt voor het volume. Maar door zijn buitenissig gedrag in de studio is hij bij wijze van spreken een stoorzender. Hij belet me mij te concentreren op mijn thema, op de woorden die ik wil uitspreken. Hij straalt negativisme uit en zet een domper op de sfeer van het programma. De mensen zijn slecht, zegt hij bijna voortdurend, als een litanie, en de muziek ontroert hem niet meer. Ik denk dat hij met me meegaat naar de studio uit vriendschap. Om me tot steun te zijn, zodat ik daar niet alleen moet zitten. Maar zit ik niet beter alleen in die studio? Ga ik niet beter mijn eigen weg? Ik heb een grote angst om in de in de steek gelaten te worden. Dat verdraag ik niet. Maar vanwege die vrees, die neurotische verlatingsangst, laat ik anderen evenmin in de steek. Ik houd me vast. Ik kan geen afscheid nemen. Ik laat niets of niemand los. Ik laat anderen begaan. Neen, ik pak de dingen niet op de juiste wijze aan. Ik moet mijn leven veranderen.

19-11-06

UIT HET HART (EEN LANG VERHAAL KORT I)

bar,oceaan,steden,porto,vriendschap,stemmen,lautreamont,zon,isidore ducasse,herbie hancock,strand,conversatie,cristina regadas,david lynch,kkk,pulaski,casimir pulaski,cafes,francis bacon,ronette pulaski,cafe majestic

Je drinkt Bitterzoete Beirao-likeur, ’s avonds in een bar aan de oude oceaan.“Oude oceaan, je bent het symbool der volkomen gelijkheid: altijd aan jezelf gelijk. Jij verandert niet wezenlijk, en als je golven op één plaats in opstand zijn, dan verkeren zij wat verder, in een andere streek, in de volmaaktste rust. Jij bent niet als de mens, die op straat stil blijft staan om te kijken naar twee buldoggen die elkaar naar de keel vliegen, maar die niet stil blijft staan, als er een begrafenisstoet voorbijgaat; die vanmorgen genaakbaar is en vanavond in een slecht humeur; die vandaag lacht en morgen huilt. Ik groet je oude oceaan!” Dat schreef Lautréamont in De zangen van Maldoror. Of mal d’aurore? Isidore Ducasse, in Montevideo geboren, in Brussel gepubliceerd. In die bar, daar, aan de oude oceaan. Muziek van Herbie Hancock op de achtergrond, Canteloupe Island, terwijl we converseren over Parijs, Brussel, Amsterdam, Porto. Door de bizarre verlichting lijkt het strand op een maanlandschap. Snelle foto’s, alsof de momenten eeuwig willen duren. In een kleine auto over de brede boulevard, en door de nauwe, steile straatjes. De nieuwe metro dendert over de brug van de Belgische architect Théophile Seyrig, de Ponte Dom Luís I, wij tevoet over het gangpad ernaast, diep onder ons het verlokkelijke water van de Douro, dat het land binnenstroomt. Op de heuvels in de verte de druiven. De naam van de architect wekt herinneringen op aan de diepbetreurde actrice. Delphine Seyrig. In galerij 111, tegenover het Palacio de Cristal het verbluffende werk van de Portugese kunstenares Paula Rego. Vrouwen die veel weten van het leven, die tederheid en berusting uitstralen in de nabijheid van hulpeloze varkens. De mannen even hulpeloos als de varkens. Oker, groen, oud roze, bruin. Wastafels, een man met schildpaddenhanden, abortus als een soort van mysterie. Een portret van een zachtaardige jongeman die nooit meer zal boksen. De ogen doen een beetje denken aan die van dokter Paul Gachet, de oren aan een boer in Novecento. 


Later in park van het Palacio de Cristal, waar je helemaal alleen op een eilandje zit te mediteren. Het zeer mooie park van Fundaçao de Serralves. De zalvende warmte van november. De sobere, strakke metrostations met de opschriften in een buitengewoon stijlvol lettertype. Een koude vrijdagnacht op een onbekend plein in het hart van de oude stad. De vriendinnen van Cristina zijn dronken. Wat ze allemaal niet willen weten over België. Ze zeggen dat het in België altijd donker is. Neen, zeg je, in de zomer schijnt er de zon. Zelfs nu nog, in de late herfst. Een van hen studeert filosofie. Maar alcohol nivelleert ons, maakt ons leden van een groot broeder- en zusterschap. Misérable miracle.

Hoe Agnes en Cristina elkaar vinden. Hoe ze praten over familietragedies en elkaar herkennen in hun zeer persoonlijke doden. Zelf heb je het gevoel dat er een ander leven begint in Porto. Een beter leven. Geld speelt geen rol meer, tijd, vergankelijkheid. Ofwel, alles is vergankelijk. Waarom je er dan nog langer zorgen over maken? Het vriendelijke personeel in het hotel aan de Rua da Alegria. Een van de mooiste cafés van Europa is café Majestic in de Rua de Santa Catarina, de winkelstraat van Porto. Bij Zara koop je witte hemden, gestreepte t-shirts (denkend aan Andy Warhol).

In weer een andere bar, jaren zeventig stijl, lang na middernacht, drink je bier en discussieer je met Cristina over Francis Bacon. Zijn geweld schrikt haar af. Je vertelt over je schuilnaam, Pulaski, waar hij vandaan komt. Dat je niet wist dat Pulaski een stadje was in het Zuiden van de Verenigde Staten, waar de KKK werd gesticht. Er zijn daar trouwens meer stadjes die Pulaski heten. Dat je je daar over schaamt. Maar dat generaal Casimir Pulaski, een vrijheidsstrijder was. Je hebt je pseudoniem in Twin Peaks gevonden, de serie van David Lynch, vertel je haar. Ronette Pulaski was helemaal aan het begin van de serie verkracht en gefolterd door een bende wilde vetzakken. Daarna lag ze voortdurend in het ziekenhuis. Je vond het een gepaste naam voor je openbare alter ego. De rest heb je pas later ontdekt. Nu moet je ermee door het leven. En hoochiekoochie dan? Dat schijnt slang te zijn voor zuipen en neuken. Dat wist je natuurlijk wel. Je hebt die naam met veel ironie gekozen. Het laatste wat men van je kan denken is dat je een macho bent. Voor Muddy Waters is het echter een perfect epitheton ornans, zonder dat het in enige mate afbreuk doet aan de waarde en de schoonheid van zijn blues. Vaak heeft Cristina het over haar geliefde vriend die in Amsterdam werkt. Hij is een Bosniër. Hij is bij het leger geweest. Een ongelovige moslim. Hoe kun je geloven, na zulke wrede burgeroorlog? Hoe kun je hoe dan ook geloven als er ooit een KKK werd gesticht? We praten alsof ons leven er van afhangt. En het is waar: ons leven hangt ervan af. De vriendschap is het hoogste goed.

Foto: Martin Pulaski, Cristina Regadas.

01-11-06

DE BOOM VAN DE KENNIS

genesis,boom,koning,eden,hel,paradijs,boomschorsbootjes,ballingschap,naiviteit,kunstenaarschap,rock   roll

De jaren tussen mijn achtste en twaalf leefde ik in een soort van ballingschap. Ik verbleef toen, zogezegd voor mijn gezondheid, in een Limburgs bos, niet ver van waar de koning een domein bezat. In die tijd heb ik met mijn pennenmes talloze boomschorsbootjes gesneden. Deze notitie staat hier alleen maar omdat ik heel graag het woord ‘boomschorsbootjes’ wilde gebruiken.

In 1962 werd ik, en dit is een archetypisch verhaal dat teruggaat tot Genesis en de boom van goed en kwaad, uit dat eenzame paradijs verjaagd. Inmiddels had ik op een kleine transistorradio de rock & roll ontdekt. Bos, school, familie, het maakte allemaal niet veel meer uit. Ik had mijn muziek en ik wist dat ik boomschorsbootjes kon snijden met mijn pennenmes. Heb je nog veel meer nodig om het leven aan te kunnen?

24-10-06

CECILIA EN DE UITVINDING VAN MOREL


after the show, polaroid


Uit mijn tekst van gisteren over twee strippers uit ‘Nachtschade’ – een stripteasevoorstelling van Victoria in het Kaaitheater - is wegens een mij onbekende, waarschijnlijk technische reden een heel stuk weggevallen. Op die manier heeft onder meer de verwijzing naar Adolfo Bioy Casares op het einde van mijn relaas geen enkele zin. Ik heb de originele versie niet meer, daarom zal ik proberen wat ik gisteren schreef hier te reconstrueren. Maar mijn geheugen is niet meer wat het geweest is.
De schaars geklede Cecilia vertelde me dat ze uit Buenos Aires kwam. Dat is de stad van Borges, mijn favoriete schrijver, merkte ik enthousiast op. (Ik heb veel favoriete schrijvers.) Is hij niet erg moeilijk, vroeg Cecilia. Helemaal niet, zei ik. Borges neemt thema’s uit de wereldliteratuur, van Walter Scott, of Chesterton of Shakespeare of zo – vooral Britse schrijvers – en maakt op basis daarvan een spannend verhaal. De verrader is zo een van die thema’s. Ik ben wel het nichtje van Adolfo Bioy Casares, viel de stripteaseuse mij in de rede. Bioy Casares, zei ik, dat was de vriend van Borges. Ja, dat weet ik, zei ze. Ze hebben samen verhalen geschreven. Bioy Casares noemde zich dan Bustos Domecq. Morels uitvinding van Bioy Casares is een van mijn uitverkoren liefdesgeschiedenissen, zei ik. Die uitvinding uit de titel is een prachtige ‘machine’, die het hoofdpersonage het eeuwige leven schenkt. Cecilia legt me haar familieverwantschap uit, het is een verhaal van nichtjes, neefjes, tantes, ooms en grootgrondbezitters. Helemaal duidelijk wordt het mij niet, maar wat geeft het. Ik krijg al meteen zin om naar Argentinië te gaan. Maar dan is het tijd om afscheid te nemen. Cecilia geeft me nog een heerlijk zachte zoen, maar dat staat hier beneden al.
In de taxi naar huis vertelde ik Laura over de vele andere vrouwen in mijn leven waar ik nooit avonturen mee had. Of ze mij geloofde weet ik niet zeker, maar ik denk het wel. Ze weet dat ik niet goed kan liegen.

10-10-06

ANNELIES BECK EN MY SUMMER OF LOVE

feest,ballingschap,politiek,kamertjeszonden,film,fotografie,pawel pawlikowski,ryszard lenczewski,landschappen,herman heijermans,annelies beck,pop,gent,brussel,wijn,antwerpen,feesten,zomer,summer of love,bv

Dat gezeur over politiek moet maar weer eens ophouden. Het is genoeg geweest, hier in dit logboek althans. Er is geen reden om feest te vieren in dit land. Alleen in Antwerpen en Gent en op nog een paar plaatsen. Een beetje feest. Festen. Een half glas lauwe witte wijn op de stasis. Een mooi Grieks woord, dat wel. Voorlopig kruip ik weer in mijn vroegere huid van apolitieke anarchist, of hoe zal ik mezelf in deze context definiëren? Toch wil ik eerst nog mijn verontschuldigingen aanbieden aan de zes dames die vorige zondag mijn stem kregen. Onrechtstreeks – en vooral onvrijwillig - heb ik getwijfeld aan hun intelligentie, door mijn ergernis over het feit dat wij niet kunnen stemmen op bekwame, intelligente, meertalige politici. Die ergernis blijft, maar ik wil graag duidelijk maken dat ik niet twijfel aan de bekwaamheid en de intelligentie van deze vrouwen. Ik twijfel niet maar ik ben ook niet zeker. Een verwarrende state of mind.


Een halfglas lauwe witte wijn, schrijf ik. Maar neem van me aan dat ik veel zin heb om na een lange, zelfgekozen ballingschap – sinds 1991 woon ik in Brussel – naar mijn geboortestad Antwerpen terug te keren, of anders naar het lieflijke Gent, waar het alle dagen feest lijkt te zijn, ook al duren de officiële Gentse Feesten maar een tiental dagen. Voorlopig blijf ik echter in deze oude woning mijn bitterheid koesteren en twijfelen en vragen stellen en plechtig doen.
Voorlopig zeur ik niet meer over politiek. Ik keer terug naar mijn oude thema’s, letteren, muziek, ziekte, dood, vriendschap, liefde en Bonanza.

Gisteren zag ik Joaquin Phoenix in de huid van Johnny Cash. I Walk the Line, geen meesterwerk, maar goed voor twee uur genieten van het acteertalent. Wat gaf die film me zin om mij vol te stoppen met amfetamine en als een jonge dwaas door de straten van mijn stad te rennen, zomaar, nergens heen, met in mijn hoofd de echo van Echo & the Bunnymen, come to my rescue!

Zondagavond laat, nog euforisch van mijn moreel verantwoord stemgedrag, genoot ik van My Summer Of Love van Pawel Pawlikowski, een mij onbekende regisseur, met twee ook weer uitstekend acterende jonge actrices, mij even onbekend. Een film navertellen is niet mijn grootste gave en het heeft ook geen zin. Zeer indrukwekkende fotografie, dat kan ik wel gezegd krijgen, van de Poolse director of photography – ik gebruik bewust de Engelse term - Ryszard Lenczewski. De film is voor een groot deel in zonovergoten, glooiende landschappen gedraaid. Landschappen of niet, ik koester de kamertjeszonden, om het woord van Herman Heijermans nog maar eens een keer te gebruiken. Vanuit mijn kamer de weids uitgestrekte landouwen aanschouwen, dat is voor mij het tweede grootste - denkbare - genot.

 

feest,ballingschap,politiek,kamertjeszonden,film,fotografie,pawel pawlikowski,ryszard lenczewski,landschappen,herman heijermans,annelies beck,pop,gent,brussel,wijn,antwerpen,feesten,zomer,summer of love,bv

Nu rest mij alleen nog even de naam Annelies Beck te noemen. Dat schijnt zoekers aan te trekken. Dat heb ik op de blog dorstig gelezen, waarvoor mijn dank. Nu afwachten of deze strategie wat oplevert. Ik vrees echter dat mannen - of dames - die kicken op mevrouw Beck helemaal niets zullen voelen voor de mooie meisjes uit 'My Summer Of Love'.

---

Foto's uit: My Summer Of Love van Pawel Pawlikowski

27-09-06

WHO KNOWS WHERE THE TIME GOES?


mother and dad

Sinds de vorige notitie is er een hele afstand gelopen door heel wat lange afstand-lopers. Ik van mijn kant ben traag geweest. Maar is een schildpad traag? The hands on the clock keep turning time, hoor ik nu net Sandy Denny zingen. Niets is toevallig, denk ik soms. Sandy Denny is jaren geleden dronken van een trap gevallen, teveel flessen gekocht in het nachtwinkeltje om de hoek. Ze liet een dochter van een jaar ongeveer achter. Sandy Denny heeft een door geen enkele populaire zangeres geëvenaarde stem. Ze wordt bij de folkzangeressen onderverdeeld, maar ze overstijgt alle genres. Luister eens naar Who Knows Where The Times Goes…

De ondraaglijke traagheid van het bestaan als iedereen zegt: sneller, sneller, sneller! RAP. Help! Ik kan niet meer volgen. Nochtans bewonder ik sommige mensen vanwege hun werklust, hun energie en hun inzet. Ze lijken zeven dagen te werken en nul uur niets te doen. Ik denk dat ik op een hele ‘werkdag’ ongeveer 3 uur niets doe, tenzij: 1° tijd verliezen; 2° afzien van de tijd. Er zijn zelfs dagen dat ik helemaal niets doe. (Trouwens, mijn winterslaap is in het verschiet.)
Wat zou alles eenvoudiger en lichter zijn als tijd niet zou bestaan. We zouden er kunnen van uitgaan dat hij inderdaad niet bestaat, dat alleen dag en nacht en de seizoenen bestaan. We zouden kringlopen kunnen aanvaarden, en de eeuwige terugkeer. Een troostende gedachte.
Deze overwegingen doen me denken aan Haruki Murakami, die op zijn veertigste (in 1989) plots een enorme schrik kreeg. De beste jaren van zijn leven waren voorbij, de meest productieve, dacht hij, hij zou zich enorm moeten haasten om nog iets duurzaams tot stand te brengen.

Op mijn veertigste dacht ik daar helemaal niet aan. Ik voelde mij nog een jonge man en genoot van het leven. Ik had wel een aan het pathologische grenzende angst voor de dood, maar dat ging slechts om momenten die ik heel snel weer vergat. Ik besefte niet dat ik mijn kostbare tijd verspilde met oppervlakkigheden. Ik besefte niet echt hoe kort het leven is. Inmiddels zijn we zestien jaar later en besef ik het wel. En toch wil ik nog af en toe het surrealistische spelletje spelen dat tijd niet bestaat. Maar ik doe niets liever dan werken. Ik wil niets anders meer dan werken als een homo ludens.

Foto: Martin Pulaski, Ouders na de oorlog.

22-09-06

GESPREK MET AGATA OVER BOEKEN EN FILM

film,sven nykvist,haruki murakami,julio cortazar,heinrich von kleist,verloren onschuld,overlijden,dood,kleist,sportdag,ambtenaren,in memoriam,opzoeken,bergman,agata,boeken,google,cameraman,director of photography

Haruki Murakami is mij een te modieuze auteur, zegt A. Ik heb geen zin om hem te lezen. Iedereen leest hem. Misschien wel, zeg ik, wellicht is hij een hype. Maar hij is desondanks een uitstekend schrijver. Waarom lees je geen boek van Julio Cortazar, Rayuela, bijvoorbeeld? Ik zeg haar dat ik het ooit geprobeerd heb, in de jaren zeventig van de vorige eeuw, toen ik hier in Brussel in een wonderlijke boekwinkel werkte, maar dat de roman mij niet echt lag. Hij was me wat te experimenteel. Waar moest je bijvoorbeeld beginnen? Dat is enigszins ironisch want ik schreef toen zelf nogal experimenteel – en tegelijk ook wel archaïsch. Het heeft lang geduurd tot ik toegang vond tot Rayuela, zegt A, maar uiteindelijk is het me gelukt en nu vind ik het een meesterwerk. Het boek zal wel niet meer verkrijgbaar zijn in het Nederlands, zeg ik. De schrijver is nochtans in Brussel geboren. Zijn werk zou hier alleen al daarom permanent verkrijgbaar moeten zijn. Maar ik heb alleszins een mooi excuus gevonden om mij nog wat langer in Murakami te verdiepen. 


Ik begrijp A.’s verzet tegen het modieuze maar al te goed. Toen ik nog zo jong was als zij – dat was in 1977 - had ik net dezelfde houding. Ik weigerde resoluut bestsellers te lezen. Jef Geeraerts, Umberto Eco, Een vlucht regenwulpen, fuck you! Wat ik zocht waren zonderlingen als Lautréamont, Joris-Karl Huysmans (waar in die tijd nog bijna niets van in het Nederlands was vertaald, gek, want Huysmans was van Nederlandse komaf), Raymond Roussel, Heinrich Von Kleist of Alfred Kubin.

Maar ik vind Murakami inderdaad een uitstekend schrijver. Neem nu ‘De tweede aanval op de bakkerij’. De verteller en zijn echtgenote – ze zijn nog maar net gehuwd – worden ’s nachts wakker met een razende honger. In de koelkast ligt echter niets eetbaars en het is te laat om nog op restaurant te gaan. De verteller associeert de honger met een vulkaan. Opeens herinnert hij zich dat hij een hele tijd geleden nog eens zulke honger heeft gehad. Dat was ten tijde van de aanval op de bakkerij. Het grappige is dat Murakami een eerder verhaal ‘De aanval op de bakkerij’ had genoemd. Nu krijgt de bruid van de echtgenoot-verteller dit verhaal in het kort voorgeschoteld – om maar eens een culinaire term te gebruiken. Die eerste aanval op een bakkerij gebeurde ten tijde van de studentenrevolte in Japan in 1969. Samen met een vriend overviel hij om financiële en ‘filosofische’ redenen een bakkerij. De bakker was echter niet bereid om meteen zijn brood af te staan. De twee ‘revolutionaire’ studenten moesten eerst de ouvertures van Tannhäuser en Der Fliegende Holländer beluisteren, voor ze met een voldoende grote voorraad brood mochten vertrekken. Die daad was meteen het einde van de ‘revolutie’ voor de verteller. Al snel had hij zich aangepast aan de burgerlijke maatschappij met haar repressieve normen en waarden. Dat verraad aan de jeugdidealen knaagt echter aan zijn geweten (of maakt vreemde kronkelingen in zijn onbewuste). Het is een vloek die op hem rust. In ‘De tweede aanval op de bakkerij’ voert de verteller dan opnieuw een aanval uit op een bakkerij, samen met zijn bruid, die tot verbazing van de verteller blijkt te beschikken over een Remington geweer en skimaskers. Geen van beiden hadden ooit geschoten of geskied. “Het huwelijksleven is een vreemde zaak”, merkt de verteller daarbij op. Na de tweede aanval op de bakkerij is de verteller van de ‘vloek’ bevrijd. Wat een prachtig verhaal! Het doet mij heel sterk aan sommige films van Buñuel denken.

A. vertelde me dat Sven Nykvist is overleden, een van de beste cameramannen (de uitdrukking ‘director of photography’ dekt beter de lading) die de filmwereld ooit heeft gekend. Ik wist het niet, omdat ik, zoals u weet geen kranten lees en niet naar journaals luister of kijk. Soms vang ik wel eens iets op, bijvoorbeeld over de rellen in Budapest, maar meestal weet ik van niets. Ik leef al een tijd lang met mijn blik naar binnen gekeerd, waar niets te zien is, zelfs geen vulkaan. Alleen films kunnen mijn blik weer naar buiten doen keren. Voorlopig althans. Nykvist is vooral bekend door zijn onovertroffen samenwerking met Ingmar Bergman (De Stilte, Persona, Het uur van de wolf, De schaamte, Scènes uit een huwelijk, Herfstsonate), maar ook door onder meer zijn camerawerk voor The Unbearable Lightness of Being van Philip Kaufman, Het Offer van Andrej Tarkovski, Le Locataire van Roman Polanski en Pretty Baby van Louis Malle. Ik noem maar enige titels van films die ik zelf heb gezien en bewonderd.

Ik opende net mijn boekenkast om iets op te zoeken (soms zoek ik iets op in een boek, in plaats van via google); er viel een aarden kruik uit, waarvan het oor afbrak. Uit de kruik viel één ding: een medaille van de 8ste sportdag van de Vlaamse ambtenaren op 25 september 1997. Gisteren was het de 17de sportdag, waar ik niet bij aanwezig kon zijn. Weer zo’n vreemd toeval. Jammer van die kruik natuurlijk. In het stuk van Heinrich von Kleist ‘Der zerbrochene Krug’ is de gebroken kruik een symbool van de verloren onschuld. Maar nu ga ik wellicht te ver met mijn associaties. Nochtans gaat het in die twee bakkerijverhalen van Murakami ook over de verloren onschuld. En waar gaat het in de films van Bergman over?