04-05-07

LEVEN ZOALS HET WAS: BOOMKWEKERIJSTRAAT

leven,seventies,huwelijk,boomkwekerijstraat,brussel,everly brothers,roots,new morning,bob dylan,muziek,pop,popcultuur,country,marc didden,luizen,les anges noirs,1970,1971,ddt

Foto: Martin Pulaski


Vaak als ik the Everly Brothers beluister, meer bepaald de schitterende elpee ‘Roots’, waarop Ry Cooder, Clarence White en Randy Newman meespelen, denk ik terug aan mijn eerste vrouw, mijn zoon (toen een baby) en zeker ook aan mijn oude vriend Marc D. en aan die wonderlijke tijd van mijn eerste maanden in de Boomkwekerijstraat, boven de nightclub Les Anges Noirs van Fonseca. Marcs langspeelplaten, of toch een deel ervan, stonden bij ons in de salon tegen de muur. Hij maakte een lange reis door de Verenigde Staten, iets waar wij in die tijd alleen maar van konden dromen, wat we overigens heel vaak deden. Plaatsnamen als Mendocino en Mobile, Alabama bezaten een magische klank voor ons.

Wij leefden in de Boomkwekerijstraat in een luizige flat waar alleen maar liefde en armoede heersten. Dat luizig bedoel ik letterlijk. We hebben de beestjes met DDT moeten uitroeien. We wisten dat DDT een smerig goedje was, maar hadden weinig keuze. Luc, een andere vriend van ons, die bepaald rijke ouders had, kwam ons soms blikjes ganzenlever met truffel brengen. Dat mysterieuze voedsel aten we met een stuk bruin brood. En dan waren er die langspeelplaten van Marc om te ontdekken: ik herinner me de eerste van Crosby, Stills & Nash, een dubbele verzamelaar van Them (ik had slechts ep’tjes van Them, Gloria, Here Comes The Night, Baby Please Don’t Go, vlijmscherpe rock & roll is dat), maar bovenal herinner ik me 'Roots' van the Everly Brothers. Alleen al het nummer 'I Wonder If I Care As Much'. Ja, 'Roots' was de mooiste uit de stapel, ik legde ze zeker één keer per dag op. Nu doe ik dat nog steeds zeker twee keer per jaar, terwijl ik kan kiezen uit een zesduizendtal vinyl grammofoonplaten en ongeveer evenveel cd’s. Vaak is die keuze trouwens moeilijk, en dan keer ik gewoon terug naar de oude vertrouwde stuff: Bob Dylan, Nico, Joni Mitchell, Fairport Convention, Nick Drake, Fred Neil, Tim Buckley, Randy Newman, the Byrds, Gene Clark en the Rolling Stones. En naar 'Roots' van The Everly Brothers, met hun hemelse stemmen.

 

leven,seventies,huwelijk,boomkwekerijstraat,brussel,everly brothers,roots,new morning,bob dylan,muziek,pop,popcultuur,country,marc didden,luizen,les anges noirs,1970,1971,ddt

Een andere onvergetelijk plaat uit die periode – zomer 1970 tot zomer 1971 – was 'New Morning' van Bob Dylan. Als ik me in de badkamer bevond hoorde ik de elpee bij de bovenburen weerklinken. Dat gebeurde alleen overdag. ’s Avonds was er alleen maar een tientallen minuten durend Sans chemise et sans pantalon van Fonseca, de zwarte zanger beneden in Les Anges Noirs. Die muziek klonk zo luid dat de vloer ervan daverde. Dat gebonk was heerlijk om bij te slapen. Bij ons lag in die tijd ook de hele dag 'New Morning' op. Went To See The Gypsy vind ik nog altijd onovertroffen, maar eigenlijk is de hele plaat een meesterwerk, één van de beste van Bob Dylan. Die eenvoud, dat zichzelf herontdekken… In die tijd gingen elpees maandenlang mee. Je kocht iets wat je goed vond en dat beluisterde je haast onafgebroken, tot je de songs door en door kende. Een elpee omdraaien was haast een rituele handeling. Je moest er alleszins je handen voor gaan wassen.

Op een dag werd in de Boomkwekerijstraat langs de smalle trap een piano naar boven gedragen, naar de tweede verdieping. Daar woonden studenten van het Insas, de Franstalige filmschool, tegenhanger van het Rits (dat toen nog Ritcs heettte). Onze kant van de straat was bijna helemaal door filmstudenten ingepalmd. De overkant bestond uit dure uitzuipbars. De hele nacht reden de Jaguars en Alfa Romeos af en aan. Hun eigenaars kwamen champagne drinken en hoeren inladen. Wij dronken muntthee en water. Alcohol was volstrekt uit den boze, dat hoorde niet bij het rustieke leven waarvan wij droomden, de terugkeer naar de roots. Ik geloof dat ik nooit gelukkiger ben geweest dan toen ik hele dagen het tijdschrift Aloha zat te lezen, en Rolling Stone, toen nog een hip tijdschrift, terwijl op de achtergrond de stemmen van Don en Phil Everly en van Bob Dylan klonken.

leven,seventies,huwelijk,boomkwekerijstraat,brussel,everly brothers,roots,new morning,bob dylan,muziek,pop,popcultuur,country,marc didden,luizen,les anges noirs,1970,1971,ddt



02-05-07

JENNIFER JASON LEIGH

jennifer-jason-leigh.jpg

Zomaar een foto van een favoriete actrice, Jennifer Jason Leigh. Wat kan een arme jongen anders doen op een troosteloze dag in een slaapverwekkende stad?

01-05-07

CASIMIR PULASKI DAY


Martin Pulaski is de naam voor een ‘vrijer’ ego, voor iemand die kan schrijven als een strijder, voor iemand die minder belast is door mislukking en verleden. Ik heb de familienaam, zoals ik hier al eerder meedeelde, uit David Lynch’ Twin Peaks. In de eerste afleveringen van de serie komt een Ronette Pulaski voor, een meisje dat samen met Laura Palmer in donkere avonturen is verwikkeld. Ze wordt in tegenstelling tot Laura Palmer niet vermoord, maar wel zwaar toegetakeld; in de serie zie je gelukkig alleen maar de resultaten van het geweld, die zijn al erg genoeg. Ronette Pulaski is duidelijk een slachtoffer. Waarom heb ik die familienaam dan gekozen? Als een vorm van masochisme? Misschien. Hij klopt alvast niet bij het imago van een strijdend schrijver, wel bij dat van een loser. The king of the losers, zoals Danny & Dusty zingen.

In de memoires van producer Jerry Wexler, Rhythm and the Blues: A Life in American Music, las ik een anekdote over de Dixie Flyers, een groepje zwarte en blanke soulmuzikanten dat in het stadje Pulaski in Tennessee aankomt. Om de spanning wat op te voeren voegt Jerry Wexler eraan toe dat in dat oord de Ku Klux Klan werd opgericht. Gevolg: gemengde gevoelens bij de band, of wat dacht je. Dat deed mij wel even schrikken. Stel je voor dat ‘mijn lezers’ zouden denken dat ik de naam Pulaski om die reden had gekozen. Ik ben dan maar wat gaan googelen (Google bestond nog niet lang). Het verhaal over de KKK klopte. Overigens is het stadje genoemd naar een Poolse generaal Pulaski, die de Amerikanen bijgestaan heeft in hun onafhankelijkheidsstrijd tegen de Britten. Elke jaar wordt er een Pulaski Day Parade gehouden. Het stadje doet er ongetwijfeld alles voor om van zijn kwalijk imago uit het verleden af te geraken. Inmiddels is als ik me niet vergis Pulaski Day een feestdag voor de hele Poolse gemeenschap in de Verenigde Staten.

Waar Martin vandaan komt weet ik niet, het is waarschijnlijk gewoon een vervorming van mijn voornaam, Matthias. Ik heb lang geleden ook wel een goede vriend gehad die Martin heette, maar iedereen noemde hem Tinke. Ik heb bovendien enkele ‘helden’ die Martin heten: Martin Scorsese, Martin Heidegger en vooral Martin Luther King.Om mijn schuldgevoel helemaal weg te nemen is er de schitterende song Casimir Pulaski Day van Sufjan Stevens.

 

sufjan stevens,pulaski,namen,muziek,popcultuur,soul,kkk,david lynch,twin peaks,laura palmer,martin pulaski,casimir pulaski,jerry wexler,pop,ronette pulaski,loser,danny and dusty

De onovertroffen zangkunstenaar Sufjan Stevens.

29-04-07

ECLIPS


Ik herinner me nu de eclips van 1999. Die vond plaats op een woensdag in augustus. In mijn straat en in de straten in de buurt was het opvallend stil. Het was een rust die tot de verbeelding sprak, helemaal anders dan de zondagsrust. Wolken, waardoorheen heldere zon, om halfelf, op weg naar het Bracops ziekenhuis, hier vlakbij. Ik moest bij de tandarts zijn. Ook daar hing een andere sfeer dan op andere dagen; het was er vooral ongedwongen. Ik kwam zelfs een kwartier vroeger dan voorzien aan de beurt.

Ik was pas om negen uur uit bed gestapt, nogal in de war. Na het ontbijt raakte ik nog meer in de war doordat een van de luidsprekers van een nieuwe micro stereoketen het al niet meer deed en ik kon hem niet hersteld krijgen. Terwijl ik met de kabeltjes van de aansluiting bezig was rinkelde de telefoon. Het was mijn moeder. Ik vroeg me af hoe zij wist dat ik thuis was. Ach, wellicht wist ze niet eens meer dat ik in normale omstandigheden nu op mijn werk zou zijn geweest. Zou ze me vaak hier thuis bellen als ik op mijn werk ben, vroeg ik me af. Aan mijn moeder zelf kon ik het niet meer vragen, ze herinnerde zich niet eens wat ze een minuut eerder gedaan had.
Het moment nadert, zei ze, het is bijna zover.
Welk moment, vroeg ik, hoewel ik dacht te begrijpen dat ze het over de eclips had.
Ja, welk moment was dat nu weer, ging ze verder.
Van dat atoom of zo, voegde ze er aarzelend aan toe.
Ja, de zonne-eclips, bevestigde ik.
In mijn woorden klonk het heel wat banaler dan in de hare. Bij mijn moeder leek het over de Apocalyps te gaan.

Op weg naar het Bracops ziekenhuis, in de hierboven al beschreven serene sfeer, zag ik vier witte figuren een in goud gehuld lichaam dragen. Iemand die pijn heeft, een stervende mens misschien, maar heel even zag wat ik zag eruit als een zinnenbeeld van verheven schoonheid.

Later op weg naar het Poelaertplein om daar de 99%-eclips te gaan bekijken, ontwaarde ik, terwijl ik door de regen liep, boven de Regentschapsstraat een engel in dezelfde gouden kleur. Je zou kunnen opwerpen dat het gewoon maar een bespottelijke schepping was van een of andere kitschartiest, maar ook nu weer was het de echte engel die ik zag, in het stralende licht dat door de donkere wolken priemde. De ene kant van de stad was helemaal zwart, de andere kant helder, met een blauwe hemel erboven. Het was enige minuten over twaalf.

Een half uur eerder had ik op de Anspachlaan vrouwen zien lopen die zich van niets bijzonders bewust leken te zijn. Ze waren niet opgewonden, haastten zich nergens heen. Het was voor hen een dag als een ander. Voor de meesten was dat echter niet het geval. Ze voelden een leegte in zichzelf en hoopten in Virton of op een andere plek waar de duisternis die dag zich zou voltrekken getuige te zijn van een wonder, opdat er in hen toch weer iets zou gaan zinderen. Een vonkje moest toch ergens te vinden zijn, iets wat hen zou verbinden met de anderen en met de wereld. Althans, dat schenen ze te denken of op zijn minst te vermoeden. De zon moest hen aan elkaar en aan het geheel vastlassen, al was het maar een heel klein beetje. Vandaar die lasbrillen wellicht. Ja, sommigen maakten gebruik van echte lasbrillen om de zonne-eclips te bekijken.
Ik was blij dat ik ook dat verlangen in mijn voelde bruisen. Dat ik wat dat betreft niet anders dan de anderen was. Dat ik die leegte ook met iets onbekends en ongelofelijks wilde vullen.

Het mooiste moment van het natuurverschijnsel vond ik om kwart over elf ongeveer, toen de maan voor de zon kwam, een klein stukje nog maar, ik was toen beneden in mijn straat, twee oude mensen liepen me voorbij, ik zette mijn brilletje op om even te kijken, zette het weer af, en zag de vrouw vriendelijk glimlachen. Hoewel ze zelf niet echt veel belangstelling leken te hebben vonden ze het toch niet bespottelijk wat ik deed. Op dat moment kwam tram 56 aangereden en ik moest een heel stuk teruglopen. Want ik had me bedacht, beter de tram nemen, boven de grond, zodat ik getuige kon zijn van het fenomeen, ook al was er weinig te zien, dan de metro, onder de grond, waar ik vast het gevoel zou hebben iets unieks te missen. En natuurlijk was het op een bepaalde manier een bijzondere rit. Er was bijna geen verkeer, er zaten weinig mensen in de tram. Een vader met zijn vrouw en hun drie kinderen. Opgewonden kinderen, ze maakten opmerkingen over alle gewone dingen die ze zagen en die voor hen blijkbaar heel ongewoon waren.

Op het Poelaertplein, in de schaduw van het Justitiepaleis, was er een man met een hond. Dat geblaf klonk ook weer helemaal anders dan op doordeweekse dagen. Het was een geblaf dat ik kon verdragen, een geblaf waarin verwondering, verbazing doorklonk. Op het Poelaertplein voelde ik mij niet eenzaam, maar ik was toch alleen. Door mijn brilletje zag ik lange tijd niets. Er waren te veel donkere wolken. Een jonge man naast me vroeg me of ik iets zag. Nee, zei ik, ik zie niets. Rien du tout?, vroeg hij. Non, rien du tout, zei ik. Waarschijnlijk vroeg hij zich net als ik af of zijn brilletje wel deugde. Je hoefde echter maar om je heen te kijken om vast te stellen dat niemand iets kon zien. Met het blote oog natuurlijk wel. Maar dan kon je slechts een seconde kijken (waar ik veel later nog altijd pijn van aan de ogen had). Het werd wat donkerder, maar echte duisternis was het niet.
Na een paar minuten was iedereen tevreden: eindelijk konden we onze brilletjes gebruiken en zagen we het stukje zon achter de maan uitsteken. Dat stelde echter niet veel voor. Alles was zwart en daarin een geel sikkeltje, meer niet. De hele sfeer die eraan vooraf ging, dat was voor mij ‘de eclips’, hoe de mensen zich gedroegen, het feit dat ze de steden verlieten, dat ze ergens in velden gingen zitten wachten op Iets.

Om twintig voor één ben ik met tegenzin weggegaan. Af en toe ben ik blijven staan om toch nog een blik te werpen op het natuurfenomeen. Intussen waren de wolken weggetrokken en nu kon ik mijn brilletje naar hartenlust gebruiken. Maar ik durfde niet lang kijken. Stel je voor dat het ding toch niet voldoende bescherming bood. Even later stapte ik de kerk van Onze-Lieve-Vrouw-Ter-Zavel binnen. Na de eclips was dat een beetje een anti-climax, vooral omdat ik er een week eerder ook al was binnengegaan en toen was de kerk overspoeld geweest door licht. Hoe dan ook nam ik me voor er vaker een bezoek te brengen, maar zeker niet om er te gaan bidden voor de god van Clothilde – en van Clovis, herinnerde ik me nog, terwijl ik de geschiedenisleraar weer voor me zag staan, met zijn perkamenten vingers naar het bord wijzend.

Die avond ging ik met pijn aan de ogen en hoofdpijn naar bed. Maar ik was gelukkig. Ik had iets bijzonders meegemaakt. Ik was een deel van de wereld geweest.

27-04-07

DE VRUCHTBAARHEIDSSYMBOLEN OP HET KERKHOF

auto,afgrond,kerkhof,kosovaren,vruchtbaarheid,else,psychoanalyse,droom,laura


Ik zit met Laura in een 4x4, zij achter het stuur. We rijden een berg af, over een kronkelige weg, rechts van ons gaapt de afgrond. Ze rijdt snel en roekeloos langs de afgrond, tot we door de vangrails gaan en in de lucht zweven. We maken allerlei bewegingen met onze ledematen en onze rompen om toch maar in de lucht te blijven. Tot mijn verbazing lukt dat. Maar dan zie ik dat we eigenlijk niet in de lucht hangen, maar op een bijna onzichtbare weg naast het normale rijvak zijn beland. Ik wijs Laura hierop en zij begeeft zich nu snel weer op de normale weg naar beneden. Tot we aan het oude kerkhof in de vallei komen, waar we uitleg krijgen van een paar jongens, met donkere huid. Ze hebben iets van Zigeuners, maar waarschijnlijk zijn het Kosovaren. Achter de zerken staan muurtjes, met dwarse openingen, je kunt ze vergelijken met schoorstenen maar dan rechthoekig, iets meer dan een meter lang, dertig à veertig centimeter breed, een meter hoog. Er groeien stokachtige gewassen uit de dwarsopeningen, donkergrijs, asachtig van kleur, maar ze zijn niet dood aangezien ze groeien. Ze groeien uit de graven. Alle graven op dit kerkhof zijn goed onderhouden. Als er iemand wordt begraven, wordt aan het hoofdeinde van het graf zo’n open muurtje gemaakt; daarin worden stukken hout gelegd, die bevrucht worden door de lichaamsvochten van de overledene. Een jongen vertelt ons dat zij eigenlijk van vissers afstammen. Dat verklaart waarom zij om hout te gaan vergaren om hun doden mee te geven nog altijd op zee gaan. Alleen hout dat zij op het zeeoppervlak vinden mag worden gebruikt voor de graven. Alleen daaruit groeien de asgrijze stokken. Die worden zo’n twee tot drie meter hoog. Ze hebben een doordringende geur. Ik vraag me af of dit nu een echte lijkengeur is.

Later in de auto zijn we vrolijk en maken grappen. We hebben een sterk drankje gekregen. Mag je eigenlijk van die stokken eten als je vegetariër bent, had ik nog aan de Kosovaarse jongens gevraagd. De jongens hadden gelachen om mijn grap. Ze worden in ieder geval gebruikt bij huwelijken, zeiden ze, want zo’n stok is in deze streken een vruchtbaarheidssymbool.

Dit alles vertelde ik Else, zij het minder vlot en minder literair, terwijl ik door het raam keek. Ik voelde aan dat zij me bekeek terwijl ik vertelde. Wat zou zij denken, dacht ik? Zou zij allerlei betekenissen geven aan de beelden in deze droom? Zal zij deze droom zelf verderdromen als zij straks een dutje doet?

26-04-07

MAG IK MET DIE VROUW NAAR BED?

psychiatrie,daniel menaker,beinvloeding,else,polly magoo,psychoanalyse,william klein,elias canetti,boeken,vs,seventies,vrije liefde,seks,erotiek

Lee Remick, Experiment In Terror.

Ik herinner me dat ik het met Else over de prachtige roman ‘De behandeling’ van Daniel Menaker had. Het gaat, zoals de titel al laat vermoeden, over een behandeling bij een psychiater. Ik vertelde haar over de pyschoanalyst in dat boek, hoe hij zijn patiënt, de verteller, vaak allerlei dingen suggereert, zelfs advies geeft, bijvoorbeeld om met een bepaalde vrouw naar bed te gaan; zie je dan niet dat zij iets voor je voelt, zegt hij. 

Ik zei tegen Else dat dit toch al vrij ver ging, de patiënt laat zich gemakkelijk beïnvloeden, hij bevindt zich in een ondergeschikte positie. Op die manier kan hij niet langer vrij beslissen - en is het nu niet precies dat waar het allemaal op neerkomt, waarom je in therapie gaat: je wil zelfstandiger worden, vrijer, gemakkelijker kunnen beslissen, kunnen argumenteren en weloverwogen kiezen… Een orthodoxe psychoanalyse is het zeker niet, zei Else. Ach, het speelt zich ook af in de jaren '70 en in de Verenigde Staten, in die tijd en vooral in dat land werd er waarschijnlijk wel meer geëxperimenteerd dan hier en nu. Maar zou jij dan graag hebben dat ik je advies geef, dat ik je dingen aanbeveel, vroeg ze? Ik weet het niet goed, zei ik. Dat maakt het leven natuurlijk gemakkelijker, als je bij iemand terecht kunt om raad te vragen. Maar aan de andere kant word je dan weer afhankelijk van die persoon en dat is toch ook niet goed.

"Men denkt zich voor de wereld te openen en boet daarvoor met blindheid in de naaste omgeving. Onbegrijpelijk is de hoogmoed, waarmee je erover beslist wat je aangaat en wat niet. Alle lijnen der ervaring zijn je voorgeschreven, zonder dat je het weet, wat zonder letters nog niet te begrijpen zou zijn, blijft ongezien en de wolfachtige eetlust, die zich weetgierigheid noemt, merkt niet wat hem ontgaat."
(Elias Canetti, De Behouden Tong, 320.)

21-04-07

EEN OUD EINDE EN EEN NIEUW BEGIN

art brussels,shangri-las,graham greene,mary weiss,catherine walston,boeken,lente,2000,wijn,film


Donderdagavond, op ‘ontdekkingsreis’ in het circus genaamd Art Brussels, waar ik heel wat fake extravagante – oranje shirt, groene broek, purperen sokken - en talloze gestropdaste heren, die ongetwijfeld net hun Lamborghini’s hadden geparkeerd, zag rondwaren (de dames laat ik even buiten beschouwing, al zagen zij er voor het merendeel even lachwekkend uit), dacht ik bij het drinken van een glas wijn opeens terug aan een andere avond in april, zeven jaar geleden. We hadden op dat ogenblik de schrik voor de milleniumbug al behoorlijk verwerkt, een lachertje in vergelijking met de hindernissen die we nu op ons pad vinden.

Het was al avond toen we buitenkwamen en tot onze verrassing was de lente begonnen. We namen de metro tot aan de Naamse Poort, dronken een glas bier op een terrasje, maakten een wandeling en gingen daarna naar The End Of The Affair met Julianne Moore, Ralph Fiennes en Stephen Rea. Ik heb destijds erg genoten van Graham Greene's The End Of The Affair, evenals van zijn andere romans; ik geloof dat ik ze allemaal heb gelezen, en het zijn er veel. De film had zijn eigen kwaliteiten, maar iedereen weet dat de film nooit beter is dan het boek. Voor de roman The End Of The Affair baseerde Greene zich op zijn verhouding met Catherine Walston, die een "Marie-Antoinette in blue jeans" werd genoemd. Over het stel werd geschreven dat ze overspel pleegden "behind every high altar in Italy". Ik weet niet goed hoe Graham Greene dat aan zijn biechtvader opbiechtte. Overigens heb ik nooit goed begrepen waarom de schrijver zich tot het katholicisme heeft bekeerd. Normaal gezien doet een intelligent man zoiets niet. Het moet zo’n typische Britse excentriciteit geweest zijn. Ik kan het alleen op die manier begrijpen. Ik houd wel van excentrieke mensen, maar niet van fake extravagante schatrijke ‘kunstminnaars’ zoals hierboven beschreven.


De hoofdthema's van het boek en de film zijn jaloezie en haat. De schrijver Maurice Bendrix is jaloers op Sarah. Hij verdenkt haar van ontrouw aan haar echtgenoot Harry en ‘dus’ ook aan Bendrix zelf. Uit haar dagboek blijkt echter dat ze altijd van Bendrix is blijven houden. Zijn enige rivaal is God, die hij dan ook hartsgrondig haat. Na haar dood zorgt hij ervoor dat Sarah wordt gecremeerd. Op die manier zal God het wel heel moeilijk hebben met haar verrijzenis. Waarom ik dit nu noteer weet ik niet goed. Misschien heb ik er vorige nacht over gedroomd, of verdenk ik mijn vrouw – een minnares heb ik helaas niet, of moet ik ‘gelukkig’ zeggen? –onbewust van overspel? Het zijn herinneringen die zich opdringen, zoals die aan mijn uren met Else, waar ik zeker nog meer over ga schrijven.

Deze morgen las ik een interview met Mary Weiss, leadzangeres van de beste girl-group ooit, the Shangri-Las. Naar hen heb ik destijds mijn radioprogramma genoemd en als eindtune gebruikte ik altijd hun song ‘Past, Present and Future’. Na veertig jaar stilte heeft Mary Weiss nu een nieuwe cd uitgebracht, op een klein label, waardoor het schijfje hier waarschijnlijk nooit in de rekken zal belanden. De wereld zit vreemd in elkaar. George ‘Shadow’ Morton, de door velen zeer bewonderde producer van the Shangri-Las en later van the New York Dolls, was eerst een ijsjesverkoper. Een beetje zoals Colonel Tom Parker, die voor hij manager van Elvis werd kippen deed ‘dansen’ op elektrisch verwarmde platen. Gaia bestond toen nog niet. Hoe het ook zij, ik ben blij dat Mary Weiss haar muze opnieuw ontmoet heeft.

 

art brussels,shangri-las,graham greene,mary weiss,catherine walston,boeken,lente,2000,wijn,film

20-04-07

TRANEN VOOR ELSE

arthur schnitzler,autobiografie,tranen,kubrick,bagdad,psychiater,film,else,psychoanalyse,andre breton

Voor de naam van de psychiater in het vorige, autobiografische, fragment heb ik me laten inspireren door een boek van Arthur Schnitzler, Fräulein Else. Schnitzler is een van mijn favoriete auteurs, net als André Breton en Céline arts van opleiding. Schnitzlers Droomnovelle lag aan de basis van Eyes Wide Shut, de vrij vervelende laatste film van Stanley Kubrick. Maar ik vind alle films van Kubrick nogal vervelend. Toen ik gisteravond laat over ‘mijn uren bij Else’ schreef had ik tranen in de ogen. Tranen, stel je voor. Ik voelde me lichtjes belachelijk: een schone ziel in de 21ste eeuw, ten prooi aan zijn sentimenten, aan gedane zaken, terwijl in Bagdad bommen ontploffen en zowat overal haat wordt gezaaid.

19-04-07

MIJN UREN BIJ ELSE


Lange tijd ging ik bij een psychiater te rade. Ik moet echt radeloos geweest zijn. Maar ze was niet alleen een psychiater, ze was eveneens een mooie, aantrekkelijke vrouw. Zeven jaar lang ging ik bij haar. Twee keer per week, bijna een uur onderweg naar haar toe, veertig minuten bij haar in de zetel, bijna een uur terug naar huis. Ze heeft vast veel aantrekkingskracht op me uitgeoefend, want ik weet wel zeker dat ik niet gek of zwaar depressief was of iets dergelijks. Een van mijn grootste problemen was, denk ik nu, dat ik mij te normaal vond worden. Het bijzondere dat ik altijd gedacht had te bezitten leek mij uit de handen te glijden, me te ontglippen, zoals men zegt. Ik ben bij Else op visite geweest van 1997 tot 2004. Dat is een lange tijd. Ik vermoed dat ik met niemand anders, met uitzondering van mijn levensgezellin, zoveel uren samen heb doorgebracht.

Op een avond vroeg Else me waarom ik haar niet wilde kwetsen, iets wat ik tijdens de vorige sessie had gezegd. Ik kon het moeilijk verklaren. Het spreken viel me opeens heel moeilijk, kennelijk ten gevolge van opkomende hoofdpijn en duizeligheid. Een dikke tong leek ik te hebben. Eigenlijk wil ik niemand kwetsen, zei ik. Het is een rationeel uitgangspunt. Zeker vrouwen wil ik dat niet aandoen. Nee, niemand, ik wil niemand kwetsen. Ik probeer agressiviteit te vermijden, ik wil zachtaardig zijn. Daar zitten ook egoïstische motieven achter: ik wil dat de mensen mij liefhebben, mij graag zien. Als ik hen kwets, maak ik dat alleen maar moeilijk voor ze en dat wil ik vermijden.
Maar als je je gevoelens van woede, van boosheid onderdrukt, dan ben je niet vrij, dan ga je daar onder gebukt, zei ze. Je gaat al gauw de rol spelen van het slachtoffer, van de zieke, van de zwakke. Dat mag niet blijven duren, want zo bereik je niets.

Het feit dat ik normaal – een kleine burger - dreigde te worden leek Else helemaal geen probleem te vinden. Ze weigerde een regel van me te lezen. Dat was niet goed voor de therapie, meende ze. Nochtans beweerde ik aan writer’s block te lijden en hoopte ik dat zij me daarvan zou kunnen genezen. In mijn gedachten was zij mijn ideale lezeres, maar zelfs het weinige wat ik nog schreef scheen haar koud te laten. Dat schrijven zal wel terugkomen, zei ze. Dat ik mijn oude dagboeknotities zat te herwerken – bij gebrek aan inspiratie, aan nieuwe ideeën – vond zij wat vreemd. Je investeert je energie in het verleden. Is dat om iets moois na te laten aan de nabestaanden? En nu dan?

Dat boeken hun magische aantrekkingskracht verloren hadden was evenmin een drama. Mijn compulsief boekenkopen zou er door afnemen, dacht ze. De last van zoveel ongelezen boeken zal minder zwaar worden. Maar dat ontkende ik. Die last blijft even zwaar, zei ik, wordt zelfs zwaarder. En ik blijf als een geobsedeerde kopen, boeken en CD’s, stapels, meer dan ooit tevoren. Bovendien beleef ik er nog maar weinig plezier aan, of ik moet eerst champagne of Southern Comfort of zo drinken. Dat kost mij fortuinen, nog veel meer dan deze sessies.

En nu zit ik aan die uren bij Else te denken, die duizenden mooie uren dat ze mij aan het woord liet en me ongetwijfeld zat te bekijken, terwijl ik daar buiten ergens in een boom in de tuin mijn diepste gedachten zocht, of in de patronen op het tapijt een woord terugvond dat ik al jaren begraven had. Wat hield ik van die uren met Else, ook al moest ik door de bijtende kou om haar te bereiken! En als ik van die uren hield, hield ik dan ook niet van Else? Wilde ik niet voor altijd bij haar blijven? Wilde ik niet dat uren dagen werden en dagen weken en weken maanden, tot het aardedonker zou worden en stil, tot alle woorden waren opgebruikt?

18-04-07

DE ROODBORSTJES VAN DAVID LYNCH

nergens,vluchtgedrag,david lynch,thuis,humor,hotelkamers,familie,feestjes,surrealisme,dorothea tanning,max ernst,van morrison,bijbel,drinken,vluchten,wereld,roodborstjes


Zelden, zo goed als nooit heb ik het gevoel dat ik op de plaats ben waar ik moet zijn, waar ik thuishoor. Zelden voel ik me ergens op mijn gemak, vallen mijn lichaam en mijn denken samen – als het geheel dat ze toch zouden moeten vormen. Vanwaar die gespletenheid? Hoor ik daar iets? Nee? Of toch? Ik hoor ergens in mijn achterhoofd Van Morrison zingen: I’m nothing but a stranger in this world. Dat heeft hij van een blueszanger, maar komt het niet uit de bijbel? Is de bijbel niet het meest gemeenschappelijke boek, het meest gelezen, ligt het niet in miljarden hotelkamers? Is het zich niet thuis voelen in de wereld een algemeen menselijk verschijnsel, iets waar ‘bijna iedereen’ onder gebukt gaat? Ik zou het niet weten. Ik weet zo weinig. Ik heb zo weinig te vertellen. Verwacht van mij maar geen grapjes of anekdotes. Ook al ben ik geen treurwilg, ik ben zeker geen plezante Charel. Op familiefeestjes, recepties en dergelijke maak ik me zo snel mogelijk uit de voeten, ofwel drink ik me lazarus. Vlug weggevlucht, alsof ik niet gezien mag worden, alsof ik een misdadiger ben, “an angel with a dirty face”, ja ja we kennen het allemaal wel, als een bezetene snel ik naar de uitgang, de nooduitgang, de blauwe deur door, de donkere trap af, en dan sta ik op straat, omgeven door nacht.

Behoor ik dan tot de nacht? Nee, dat denk ik ook niet. Niet tot de nacht en niet tot de dag, net zoals Kyle McLachlan en vooral Laura Dern in Blue Velvet. Herinner je je de roodborstjes?
“I had a dream. In fact, it was on the night I met you. In the dream, there was our world, and the world was dark because there weren't any robins and the robins represented love. And for the longest time, there was this darkness. And all of a sudden, thousands of robins were set free and they flew down and brought this blinding light of love. And it seemed that love would make any difference, and it did. So, I guess it means that there is trouble until the robins come.”
Het is duidelijk dat David Lynch weet waar ik het over heb. Sommige romantische dichters en surrealistische kunstenaars wisten het evenzeer. Kijk naar de werken van Dorothea Tanning en Max Ernst. Wellicht zijn zij niet op de vlucht gegaan maar hebben ze ‘het normale’ geweigerd, en hebben ze hun eigen wereld gecreëerd. Elk werk schijnt dan een instrument te zijn dat het leven in hun eigen wereld mogelijk maakt. Elk instrument een schitterende vondst. Ik houd van die namen, David Lynch, Max Ernst, Dorothea Tanning. Met zulke namen bouw ik mijn wereld op, maar niet alleen met hun namen: hun werk zet mij op het spoor van iets wat ik nog niet ken. Ze maken een ontdekkingsreiziger van me; zie je mij hier tekeer gaan met mijn zaklamp en kompas, terwijl Nancy Sinatra enigszins vals Nights In White Satin zingt (maar zoveel mooier dan de valse kitsch van Moody Blues)? Yes I love you, oh, how I love you. Laat de roodborstjes komen!

16-04-07

LOU REEDS VICIOUS CIRCLE EN DE OEROBOROS

alchimie,herhaling,letteren,filosofie,lou reed,nietzsche,pierre klossowski,oeroboros,rilke,balthus,zarathoestra,borges,muziek,boeken,troost,radio

Ik draai in kringetjes. Op 3 februari dit jaar schreef ik ook al over de troost van de muziek en maakte ik zelfs een radioprogramma over de troost. Lijd ik aan geheugenverlies?

Ik ben als de Oeroboros van Borges en van de alchimisten, de slang die zichzelf in de staart bijt. Alleen heb ik niet echt een staart; ik heb niet meer dan een beentje. Maar ooit heb ik zeker een staart gehad en Nietzsche beweert dat alles terugkomt. Dat staat in Aldus sprak Zarathoestra, en het concept wordt bestudeerd in Nietzsche et le cercle vicieux van Pierre Klossowski. Klossowski is dan weer de broer van de onvolprezen schilder Balthus en er wordt tevens beweerd dat hij verwant zou zijn met Rainer Maria Rilke. Deze dichter had een relatie met Lou Andréas-Salomé, de enige vrouw die Nietzsche ooit heeft liefgehad. Of toch bijna. En zo is de cirkel weer gesloten.

En dan heb je de - als het over staarten gaat - altijd op de proppen komende Lou Reed, die zingt:

“You’re caught in a vicious circle
Surrounded by your so called friends
You’re caught in a vicious circle
And it looks like it will never end.”

13-04-07

DE BELGISCHE KUST IN 1967



photographing luc

De fotograaf gefotografeerd aan de Belgische kust in 1967 tijdens de Summer Of Love.

DE BELGISCHE KUST ONTVLUCHT


Gisteren was ik voor mijn werk in De Panne, Sint-Idesbald, Koksijde en Oostduinkerke. Ooit zullen het lieflijke – en standingvolle - plekken geweest zijn aan de lieflijke – en standingvolle - Belgische kust, maar nu is het volgebouwd en volgestouwd en alles lijkt er op alles. Ja, alles lijkt er op wat het is, de schijn bedriegt er niet, schijn is er gewoon schijn; ga er daarom niet zoeken naar een wezen of een essentie. Of liever, de essentie van de Belgische kust zou een wafel kunnen zijn of een stijlloos flatgebouw. Ik ben er met de kusttram voorbij een Plopsaland gereden en een Moeder Lambic. Ik vroeg me af waarom Lambic met een c werd gespeld. De c van cojones, cabron en cunt. ‘Less is more’ kennen de Belgische kustsstreekarchitecten niet, nooit van gehoord. Hun leuze of motto lijkt ‘more is more’ te zijn. De toeristen delen die mening. Hoe meer zielen hoe meer vreugde is er variant op. Alleen zijn het dode zielen, eenzame zielen, verloren zielen. Hoe kunnen ze dan vreugde scheppen? Daar vraag je mij iets. Maar weet ik echt wel iets over de ziel van de toerist? Heb ik er niet het raden naar? Zijn die mensen niet gewoon al tevreden als de zon opgaat in de ochtend, ook al gaat die helemaal niet op, is dat alleen maar een manier van spreken? Hoe het ook zij, ik was blij dat ik niet aan de Belgische kust – met al haar verloren glorie - was als toerist maar om er mijn werk te doen. Ik moest mijn opdracht uitvoeren, helemaal niet moeilijk, en eens die missie achter de rug kon ik weer de trein op naar het zonnige en zondige Brussel, de stad die ik liefheb en veracht. Toen we Brussel-Zuid binnenreden was ik blij dat ik weer thuiskwam, thuis in Nieuw Babylon en weg uit het nieuwe artificiële paradijs, waar iedereen gelijk is en gelijk heeft. Toch zou ik niet lang blij blijven. Mijn stemmingen wisselen nogal snel. Maar dat wist u al.

06-04-07

DE ENDORFINE KAN NIET OP


Na het zien van de zwemmer ver weg van de Baie des Anges, maar zwemmend, op weg ernaartoe, duidelijk de hoop niet opgevend, en toch voor ons heel ver, zou hij er wel geraken, wat zou hij nu denken, in dat water, dacht ik, en wat zou ik zelf denken, als ik me daar zou bevinden, zo ver weg van de kust, dacht ik aan endorfine; ik zei tegen Laura iets over hardlopers, marathonlopers en endorfine; en wat als die endorfine op is, vroeg Laura; als de endorfine op is, ben je gewoon op, zei ik, zolang je leeft kan de endorfine niet op; na dat allemaal lees ik, terug in de hotelkamer, in Magazine Littéraire: "l'homme déprimé est semblable à un noyé qui…". (Endorfine is een morfineachtige substantie die door de hersenen wordt afgescheiden en een pijnstillende werking heeft.)

05-04-07

MOOIE DAGEN IN HET VERSCHIET

avonden,genieten,pasen,muziek,fucking business,radio,zero de conduite,religie,nietzsche,thema,radio centraal,antwerpen,brussel,gospel,bob dylan,leven,liefde,holderlin,danny and dusty,charles jackson,film,billy wilder,the lost weekend,drinken,alcohol,green on red,dream syndicate

Mooie dagen en vooral avonden in het vooruitzicht. Morgen ga ik met vrouw en vriend naar Bob Dylan. Daar had ik het gisteren al over. Zaterdag ben ik in Antwerpen voor mijn radioprogramma. Het thema van de maand is religie, niet omdat het zondag Pasen is, ik had daar gewoon niet bij stilgestaan toen ik het vorige maand aankondigde. Ik heb al muziek over goden, religies, ongeloof en godslastering voor meer dan vijf uur; er moet nog flink gesnoeid worden, vooral in de gospel van blank en zwart. Die gospelmuziek is nochtans zeer meeslepend. Zaterdagavond vieren Laura en ik de zoveelste verjaardag van onze eerste ontmoeting (amour fou), en nu klap ik uit de biecht en blijf in de religieuze sfeer. Zit er op mijn atheïstische ziel dan toch een gelovig laagje?


Ik geloof alvast in twee dingen: leven en liefde. Hendrik Marsman zei: ik erken maar een wet en dat is leven en the Beatles zongen All You Need Is Love. Bij mij is het een combinatie van de twee. Van een god is geen sprake in mijn leven. Aan de dood van god zijn Hölderlin en Nietzsche ten onder gegaan; in hun tijd zal dat nog een vreselijk inzicht geweest zijn, nu betekent het nog maar weinig. Dank zij Darwin en zijn leerlingen weten we nu allen waar we werkelijk vandaan komen en hoe we geworden zijn wat we zijn. ‘Allen’ is misschien wat overdreven: ik stel vast dat er nog een heleboel fundamentalisten zijn, fanatici die kennelijk niet kunnen lezen. Maar ik dwaal af.
Zondag vieren we Pasen. Waarom zouden we niet? Het is een van de mooiste dagen van het jaar, het echte begin van de lente. Daarom zullen we voor een keer ook nog eens eitjes eten, kleine, breekbare symbolen van een nieuw begin.
Maandag rusten we uit.
Dinsdag ben ik te vinden in de AB waar Danny en Dusty optreden. Danny en Dusty zijn Dan Stuart van Green On Red en Steve Wynn van the Dream Syndicate. Die twee bands bestaan al lang niet meer en Dan Stuart had zich zelfs teruggetrokken uit de muziekscène. Beide heren hebben in de jaren tachtig een prachtige elpee gemaakt, The Lost Weekend, genoemd naar een boek van Charles Jackson en een onvergetelijke film van Billy Wilder. Het onderwerp van boek en film kunt u wel raden? Alcoholisme. Ik vermoed dat Danny en Dusty in die dagen ook flink aan de drank zaten. Nu doen ze het met het oog op hun sterfelijkheid wat rustiger aan, hoewel Steve Wynn nog flink tekeer kan gaan op zijn gitaar. Ze zijn nooit beroemd geworden en ik denk dat ze dat ook nooit hebben gewild. Voor mij zijn zulke kunstenaars de ware helden. Zij vegen hun voeten aan de hele fucking business.
Ja, mooie dagen in het verschiet. Ik beëindig mijn opsomming met de première, volgende woensdag, van Onschuld in de KVS. De regie is van Alice Zandwijk, een podiumkunstenares die ik zeer waardeer. Maar genoeg. De zon schijnt. Ik moet naar buiten.

Afbeelding: Ray Milland in The Lost Weekend van Billy Wilder.

02-04-07

EERST HET TOEVAL, DAARNA DE EXTASE?

eze-village,psychoanalyse,flaming lips,toeval,orde,reizen,pop,extase,ontroering,angst,ziekte,muziek,dood,empathie,gevoelens,emoties,nietzsche,2002,nice,1976,controle

Busrit van Nice naar Eze.

Ik zeg tegen iedereen die ik zie, geniet van het leven, maar mij lukt dat niet zo goed. Gisteravond beluisterde ik nog een keer Do You Realize? uit Yoshimi Battles The Pink Robots van the Flaming Lips. Wayne Coyne deelt daarin mee dat we alleen maar nu hebben. Do you realize that everyone you know someday will die, zingt hij. Het was halfdonker in mijn kamer, bovendien had ik mijn ogen toe. Toch zag ik opeens bloemen opengaan en vanuit een middelpunt wegvliegen en zoals vuurwerk uiteenspatten in schoonheid. Ja, een dergelijk effect had de muziek van the Flaming Lips bij mij. Dat was lang geleden. Kan ik dan toch nog iets voelen, ontroerd worden? Blijkbaar wel. Meestal heb ik alleen maar negatieve gevoelens, fysieke pijn en allerlei angsten voor ziekte en dood. Of ik voel helemaal niets. Geen empathie, geen ontroering, niets.

Ik herinner me nu een gesprek van een jaar of vijf geleden. Ik zat bij mijn psychoanalyste en had het over de afwezigheid van – min of meer intense - emoties en gevoelens. Ik vertelde haar van het voorval, als ik het zo al kan noemen, helemaal boven in Eze-Village, in de Jardin Exotique daar. Zesentwintig – nu eenendertig - jaar geleden had ik daar al eens gestaan, in verrukking door de azuren hemel, de Middellandse Zee in de diepte, de geuren van de Provence; wat nu haast banaal en clichématig klinkt was destijds voor mij een nieuwe wereld. Het was die dag mijn verjaardag: ik was zesentwintig geworden. Op onze wandeling naar Eze hadden twee zachtmoedige honden ons vergezeld, de weg gewezen, zei ik ietwat ironisch. Hun gezelschap zag ik als een goed teken. Een ander goed teken was de wetenschap dat Nietzsche een belangrijk deel van zijn Zarathoestra in Eze heeft geschreven.
Nu, in 2002, waren we naar boven gegaan samen met een zwerm, vooral Aziatische, toeristen. Heel het oude Eze was in een toeristisch kitschwinkeltje veranderd. De Jardin Exotique lag er nog netjes bij, met een mooie verzameling cactussen en andere planten. Maar er was niets dat mij van mijn stuk bracht. Ook niet boven op de top, met de zee in de diepte. Ik voelde geen tweede adem, er was niets in mij gaande wat op verrukking leek. Er was eigenlijk alleen maar de bewuste gedachte dat ik het toch wel goed vond om daar op dat ogenblik te zijn. Beter in Eze dan thuis, dacht ik.

Thuis had ik me nog afgevraagd of het wel mogelijk zou zijn om vanuit Nice met het openbaar vervoer Eze te bereiken. Geen enkele verplaatsing is ooit gemakkelijker geweest, zo bleek echter. Het is een aangename en korte rit met de bus vanuit de centraal gelegen Gare Routière. Zo eenvoudig is het leven. Misschien is dat een van de hindernissen op de weg naar ontroering en verrukking? Dat het allemaal zo gemakkelijk gaat. Een andere hindernis is wellicht de planning: alles is van tevoren al uitgestippeld, waardoor een verrassing niet meer mogelijk is. In 1976 kwam ik geheel toevallig in die Jardin Exotique terecht. Onze bestemmingen werden grotendeels bepaald door de auto's - en hun bestuurders - die ons meenamen als we stonden te liften. Als we maar onderweg waren was het al lang goed, maar wel liefst op weg naar een plaats die zich voldoende ver van Brussel bevond. (Ver was toen uiteraard niet zo ver als nu.) Tegenwoordig is dat niet meer zo: elke reisdoel is het resultaat van lang wikken en wegen en beslissen en uitstippelen. Van reisgidsen kopen, vliegtuigtickets bestellen, hotels reserveren, restaurants selecteren, musea uitkiezen, catalogi verzamelen. Daarna foto's maken van hotelkamers, van huizen, van elkaar, van objecten die we naar huis mee willen nemen (wat natuurlijk in de meeste gevallen onmogelijk is). Misschien maakt een te geordend leven met teveel controle ontroering en verrukking onmogelijk. Die behoefte aan controle, aan een ordelijke wereld zit diep in mij verscholen en ik kan me eigenlijk niet herinneren dat ze er nooit is geweest. Vreemd, want ik beweer zo vaak dat het toeval mijn leven bepaalt en voeg daar meestal aan toe dat ik dat goed vind.

30-03-07

ODE AAN DE GROOTSTAD EN DE RIJPE LEEFTIJD


shaving preparations # 6

Op mijn eigenzinnige wijze baan ik mij een weg door het leven. Ik ben geen vrolijke jongen, dat weet ik. Ongetwijfeld helpt mijn eigenzinnigheid tegen een gebrek aan vrolijkheid, tegen teveel levensernst, tegen een te hoge zuurtegraad, ongetwijfeld helpt mijn eigenzinnigheid me om donkere dagen te doorstaan. (It’s been a blue, blue day, zingt Ian Matthews…) Martine, een bezoekster van deze blog, schrijft “dat het leven inderdaad niet altijd een pretje is, maar dat er veel aan onszelf is gelegen om het zo aangenaam mogelijk te maken.” Ze heeft gelijk. We mogen niet toestaan dat anderen ons het leven zuur maken. Domme of vijandige woorden mogen ons niet van ons stuk brengen. Onze huid moet dik zijn, figuurlijk dan wel. De vraag is wel hoe je zulke dikke huid krijgt, als je geboren bent met een dunne? Het zij zo. We mogen al evenmin berusten in onze zwaarmoedigheid (of er een aangenaam tijdverdrijf van maken). There's more to the picture than meets the eye...

Ik had het in mijn vorige tekst over de onaangename kanten van de grootstad, over de vervreemding, de vervuiling, het feit dat je er vaak onzichtbaar bent. Maar ik wil er toch ook op wijzen dat ik zielsveel van grote steden houd, ook van Brussel. Alleen al bij het horen van stadsnamen als Berlijn, Boedapest, Wenen, Lissabon en New York krijg ik een warm, hunkerend gevoel. Ik zou meteen een hotel en een vlucht willen boeken en mijn koffers pakken. Het moet snel gaan, een vliegtuig vliegt niet snel genoeg! Nu, onverwijld, wil ik over Broadway lopen, langs The Strand, er een half uur of zo wat van die fraai ingebonden Amerikaanse boeken doorbladeren; de geur van de Oranienburgerstrasse opsnuiven, een groot glas Tsjechisch bier drinken in café Oranium; door de straatjes van Alfama slenteren, en er ergens in de schaduw inktvis eten, ik hoor de droeve stem van Mariza al op de achtergrond weerklinken; of op een Weens plein koffie zitten drinken, een glas Grüner Veltliner mag ook.

Zonder de sfeer en de mogelijkheden die een grootstad biedt zou het leven voor mij nog veel minder zin hebben. Dat geldt ook voor Brussel. Als de zon schijnt begeef ik me hier graag tussen de mensen, ook al begroeten ze me niet; ik ga naar toneelvoorstellingen in het Kaaitheater, de KVS of Les Brigittines, naar concerten in het Koninklijk Circus, de AB en de Botanique – en naar de bioscoop (hoewel dat lang geleden is). Ik heb me al vaak afgevraagd tot wanneer ik naar de Botanique en de AB en zo zal gaan. Tot het bittere einde misschien? Maar ik zal als halfkale grijsaard zeker vreemd bekeken worden door de mooie jonge goden. Wat maakt het ook uit: daar zal ik niet wakker van liggen.
In Brussel zijn talloos veel winkels waar je tweedehands boeken of platen kunt kopen. Gisteren heb ik in de Fnac een prachtig boek over Paula Rego aangeschaft. Eergisteren voor een prikje bij de Slegte een zeer mooie uitgave van George Eliots Middlemarch, een kanjer van een boek, moeilijk om in bed te lezen, dat wel.

Van leeftijd gesproken. Gisteravond in de metro naar huis ben ik beledigd en gecharmeerd tegelijk: een jonge vrouw vroeg me of ik niet op haar plaats wilde zitten. Ik schrok even, maar heb toch bijna meteen ja gezegd, dan kon ik verder lezen in Restless, van William Boyd, dat nogal meeslepend is. Ik ging ervan uit dat het lieve en aantrekkelijke meisje aan de volgende halte zou uitstappen en vond haar vraag getuigen van charme en hoffelijkheid, twee eigenschappen die ik erg mis in deze stad. Ze bleef echter zeker nog een tiental minuten (zeven haltes) staan. Nu is het bewijs geleverd dat ik echt een oude man ben. Ik zal dan toch wel duidelijk zichtbare rimpels hebben (die ik in de spiegel niet zie) ofwel zie ik er heel ziekelijk uit, dat is ook mogelijk. Als ik die man mijn plaats niet afsta valt hij zodadelijk over mij heen, heeft ze misschien gedacht. Wie zal het zeggen… Ik heb niet haar naar haar beweegredenen gevraagd.

Foto: Martin Pulaski, Zelfportret.

07-03-07

HET HEIMLICH MANEUVER


Gisteravond had ik het met mijn huisdokter over het Heimlich-maneuver. Hij vertelde me dat hij op een keer toen hij alleen thuis was een stukje voedsel in zijn keel had zitten en dreigde te verstikken. Het Heimlich-maneuver op zichzelf toepassen was onmogelijk. In een moment van helder denken heeft hij dan met alle macht zijn buik tegen een kast gedrukt, waardoor hij van de brok bevrijd werd. Anders had ik het niet overleefd, zei mijn huisdokter. Maar we mogen niet doemdenken, voegde hij eraan toe.

Vorige zaterdag in een Antwerps restaurant, na de radio en de witte blues, heb ik het Heimlich-maneuver moeten toepassen. Laura had een brokje vlees in de keel gekregen en kon nog maar moeilijk ademhalen. Onze vriendin Sofia zat ongerust toe te kijken. Kennelijk ben ik toch niet zo goed in zulke maneuvers, want het had geen resultaat.
Op dat ogenblik kwam mijn vriend Snaporaz net het restaurant binnen. Hij zou alleen maar iets komen drinken. Bij het zien van Laura’s toestand stelde hij meteen voor om ons naar het Sint-Vincentius Ziekenhuis te voeren. Op de spoedafdeling werden we bijzonder vriendelijk ontvangen, ook al had niemand van ons een identiteitskaart bij. Wij laten die thuis omdat we in Brussel voortdurend worden bestolen en overvallen. Over dat hele identiteitskaartengedoe heb ik vorig jaar al voldoende geklaagd.
Er moest wel een dokter worden opgebeld, die helemaal uit Hove moest komen voor dat stukje vlees. Laura kreeg gelukkig nog geen blauwe kleur, wat op verstikking zou wijzen. Iedereen bleef er nogal kalm bij. De dokter was er al snel. Enige minuten later kon Laura weer opgelucht ademhalen. Als dit in een Brussels restaurant was gebeurd had Laura het misschien niet overleefd. Ik heb niet bepaalde prettige herinneringen aan Brusselse ziekenhuizen. Zij geven mij vooral de indruk dat ik voet aan de grond zet in een ontwikkelingsland.

Sinds vorige zaterdag weet ik dat het Heimlich-maneuver die naam heeft en dat ik het niet helemaal goed heb gedaan. Ik heb al wat geoefend voor een volgende keer. Maar we mogen niet doemdenken, zegt mijn huisdokter. Ook al ben ik flink verkouden en vertrek ik zaterdag naar Portugal. Het is toch wel zeer eigenaardig, dat ik telkens voordat ik op reis vertrek ziek word. En het is geen ingebeelde ziekte, er zijn duidelijk waarneembare symptomen, een rode keel, hoesten, een lopende neus… Ik weet niet wat het vooruitzicht op reizen in mijn onbewuste teweegbrengt, maar het moet zeer onrustwekkend zijn. Mijn onbewuste wil kennelijk liefst van al braaf in zijn kamer blijven. Vorig jaar in april ben ik met een lichte verkoudheid naar La Palma vertrokken. Daar ben ik erg ziek geworden, bronchitis, een longontsteking. Aan mijn vakantie heb ik toen niets gehad, ik was al blij dat ik nog leefde toen ik weer thuiskwam. Dit mag nu niet gebeuren. Ik mag niet doemdenken, zegt mijn huisdokter. En ik zeg het hem na.

04-03-07

ZAL IK DAN TOCH MAAR ALLES BEWAREN?


years of music silent against a wall

In mij vechten – onder meer - twee naar het mij voorkomt onverzoenlijke tegenstellingen. Ik wil zoveel mogelijk bewaren maar ik wil me ook van zoveel mogelijk ontdoen. Dat laatste lukt me echter maar zelden. Ik blijf me met ‘ballast’ omringen en tegelijk is er het verlangen naar een lege ruimte.

Een kamer vol boeken. Een lege kamer. Wat zal het zijn? Een overvloed aan woorden of de leegte van zen?

Misschien is het daarom dat ik zo graag reis: dan ben ik weg van al het gewicht dat mij omringt en mij terugzuigt naar het verre of minder verre verleden. Er bestaat trouwens, zoals waarschijnlijk voor veel mensen, een verschil tussen de voorwerpen die ik bewaar. Sommige objecten hebben een sterke emotionele waarde, andere een minder sterke, nog andere betekenen eigenlijk helemaal niets. Bepaalde objecten kunnen als ik ze toevallig terugzie meteen heel sterke herinneringen oproepen. Landschappen, geuren, een lied, een gesprek. Zo vind ik dan altijd weer een gegronde reden om veel voorwerpen te bewaren. Want hoe weet ik van tevoren welke objecten een sterke emotionele geladenheid zullen hebben? Het is alsof alles wat ik heb aangeraakt een magische betekenis heeft gekregen. Het hoort bij mij, het is deel van me geworden en daarom kan ik er niet van scheiden.

Eigenlijk kan ik van niets en niemand scheiden. Mijn angst voor de dood is zo groot onder meer omdat ik dan van alles en iedereen afscheid moet nemen, van elk ding afstand moet doen. Misschien wordt mijn angst voor het einde kleiner als ik nu al de stap durf te zetten om bepaalde voorwerpen te verwijderen? Ik zou bijvoorbeeld De Slegte eens kunnen laten langskomen. De meeste dingen die ik heb verzameld zijn vanuit financieel oogpunt volkomen waardeloos. Voor een cd die je ooit twintig euro hebt betaald krijg je er nu nog twee – of helemaal niets. Voor boeken geldt hetzelfde. Overigens ben ik er niet toe in staat om waardevolle dingen, zoals een huis of een beeldhouwwerk, te kopen: die zouden mij nog meer aan de wereld binden, vermoed ik. Hoe kun je ooit weggaan uit een huis, waar het warm is in de winter, of uit een tuin, waarin je onder een boom kunt schuilen voor de brandende zon?

Foto: Martin Pulaski, Zelfportret met verzameling.

02-03-07

JAZZ BILZEN 1967 : SUMMER OF LOVE


where have all the flowers gone?

Het zal wel normaal zijn dat je terugverlangt naar idyllischer tijden als je zoveel slaaptekort hebt en je nog maar weinig echt kunt genieten van je ‘quality time’. Dit ben ikzelf als bloemenkind op jazz bilzen in 1967. De naam van het festival was niet echt goed gekozen omdat er naast jazz op zondag ook pop, blues en folk aan bod kwamen. De foto komt uit een aflevering van het BRT-programma ‘Tienerklanken’ (de VRT heette toen inderdaad nog BRT). Waarschijnlijk liepen er niet veel vreemde vogels zoals ik rond in België in die dagen van grijze middelmaat. Want hoe zag ik er niet uit! Was ik nu een jongen of een meisje, met die bloemen in mijn haar en die belletjes om mijn hals? Louis Neefs, de betreurde zanger van Jennifer Jennings, interviewde mij. Ik was ervan overtuigd dat bloemen in het haar en liefde en minirokken van de wereld in een paradijs zouden veranderen. Als iedereen zich de flower power-gedachte eigen maakte zou er geen geweld meer zijn, dacht ik. De oorlog in Vietnam zou meteen worden beëindigd. Mooie naïviteit, die me alvast in staat stelde goed te slapen. En we waren met zeer velen. Dat zou twee jaar later blijken met de Woodstock Nation. De bloemen die ik droeg kwamen uit de tuin van de ouders van een vriend van me. Procol Harum was die dag top of the bill. A Whiter Shade Of Pale was een hit, maar tegelijkertijd werd Procol Harum als een undergroundband beschouwd. Zo waren die tijden. Opeens leek alles te kunnen. De mensen van Bilzen waren buitengewoon vriendelijk en open. De mannen zagen de meisjes in hun minirokjes natuurlijk graag komen. Zo’n festival zorgde ook voor wat leven in de brouwerij, ook letterlijk. Misschien werd het evenement als een tweede carnaval beschouwd. Jazz Bilzen was een van de eerste grote popfestivals op het continent. De tijden zijn veranderd, beste vrienden. Het lijkt wel alsof weer de koude oorlog woedt. Alleen weet niemand goed wie de echte vijand is.

Foto: Martin Pulaski, Een jonger zelf.