12-07-07

QUATORZE JUILLET


quatorze juillet 2007

De affiche voor het jaarlijkse feest naar aanleding van Quatorze Juillet, niet in Parijs maar in Antwerpen. Pierre Elitair, voor op de foto, ken ik alleen maar zeer oppervlakkig. Hij maakt al enkele decennia Franse yé-yé-programma's op Centraal. Dat is zijn ware passie. Daarnaast is hij ook een gerenommeerd deejay. Het prachtige meisje op de achtergrond is Deborah Anné, de zeer intelligente en kameleontische dochter van mijn goede vriendin Diana. Deborah heeft lange tijd in Ijsland gewoond en gestudeerd, maar ook in Parijs en Amsterdam. Ze is net terug uit Noorwegen, waar ze binnenkort opnieuw heenreist. Het lijkt geen eeuwigheid geleden, de tijd dat ik nog bij mijn vrienden thuis kwam babysitten en daar dan luisterde naar de liederen van Schubert. Ik vond Dietrich Fischer-Dieskau destijds een groots zanger.

Veel succes en plezier volgende zaterdag, als ik mijn koffer pak om naar Berlijn te vertrekken!

07-07-07

DE ZOMER VAN DE NATTE VOETEN


gloria grahame

Gisteren is mijn vakantie begonnen, twee weken, een week thuis en een week in Berlijn. Maar sinds eergisteren heb ik ook bronchitis. Dat verbaast me niet meer. Het is een regelmatig terugkerend patroon. Vakantie = ziekte. Eigenlijk voel ik me zelfs te slap om dit hier neer te schrijven, maar ik wil het toch doen. Zo wil ik straks ook naar Antwerpen om er mijn radioprogramma te gaan maken. Ik wil het, het moet. En over een week wil ik genezen zijn, omdat ik dan, nogmaals, naar Berlijn vertrek! Maar het zou niet de eerste keer zijn dat ik ziek op reis vertrek. Ach genoeg zelfbeklag… Als er een god bestond zou ik die nu vervloeken, maar er is niemand om te vervloeken, tenzij mijn werkgever, die me voor een opdracht door de regen gestuurd heeft, helemaal naar de Kempen. Vorige woendsdag heb ik in Overpelt door de natte, verlaten straten gelopen en in de gietende regen op de trein staan wachten. Een station was er niet, wel een klein hokje, waar een mens of een dier aan terreinafbakening had gedaan aan de hand van een vrij grote hoeveelheid fecaliën.

De volgende dagen zal ik het rustig aan moeten doen, hoewel ik DJ Shadow en Ed Harcourt nog op mijn programma heb staan. Als het echter blijft regenen zie je mij niet op dat Blue Note festival, dan blijf ik binnen en lees een boek; hier staan er nog voldoende, of luister naar muziek. Er is altijd wel iets. Gisteravond heb ik een schitterende film noir gezien van Nicholas Ray, In A Lonely Place, met Humphrey Bogart en Gloria Grahame. Ik ben gek op Gloria Grahame; in 1994 of daar omtrent heb ik een gedicht over haar geschreven. Gisteren las ik dat ze getrouwd is geweest met Nicholas Ray. Na hun scheiding is ze opnieuw getrouwd, dit keer met de zoon van Nicholas Ray. Wel de zoon uit een vorig huwelijk van Ray. Anders had het niet gemogen.

GLORIA GRAHAME

Altijd en overal is zij een dame
met een diep decolleté dat
als haar donkere pels open valt
haar witte huid zonlicht gunt.

Binnenskamers wordt zij een slanke
tijgerin op roodgelakte hakken
haar vel in een vlies van lingerie.
Een tijgerin vol melancholie.

Is haar oogopslag zwoel of gelaten
ontwaar je op haar gelaat sporen
van wurgseks en sodomie of is het

gewoonweg 's werelds verveling
als zij haar enige vriend belt,
een dooddoener zonder geweten.

Dat schreef ik in 1994 na het zien van The Big Heat van Fritz Lang. Nog een film noir meesterwerk. Nu zou ik zulke verzen niet meer kunnen, niet meer willen schrijven. Vandaag al helemaal niet.

Over enkele uren vertrek ik naar Antwerpen. Vandaag maak ik een programma over the summer of love in 1967. Een groot deel van de songs die ik draai werden in dat jaar opgenomen. De playlist plaats ik hier morgen of overmorgen, zo houd ik de spanning er nog wat in. Helaas ben ik helemaal niet in de stemming voor een summer of love. Love-ins kunnen mij vandaag gestolen worden. De rook rond mijn hoofd is geheel verdwenen.

gloria gramahe 2

Afbeeldingen: Gloria Grahame.

28-06-07

VOORBEREIDENDE OEFENINGEN VOOR DE DOOD II

dood,leven,literatuur,popcultuur,ontspanning,seks,lust,film,muziek,pop,westerns,opsomming,lijst

  1. Ik heb vandaag ‘Easy Tiger’ van Ryan Adams en ‘Dear Companion’ van Meg Baird, de zangeres van Espers, gekocht. Geen van beide plaatjes verrast me nog. Ik zal niet zeggen: verveling, gegeeuw, maar wel een grote onverschilligheid. Wat was the Cake levensbevestigend in vergelijking met dit zoeken-en-niet-vinden-van-melodieën.
  2. Ik heb mijn knie tegen de trapleuning gestoten.
  3. De zon schijnt, maar hoelang nog?
  4. Ik heb vandaag afscheid genomen van een goede collega, die vandaag verjaart en op pensioen gaat.
  5. Toen ik vandaag thuis kwam lag een boekje van Paul Nougé binnen handbereik. Ik sloeg het open en las dit: “Seule une longue patience nous garde de mourir.” (uit: Quelques Bribes).
  6. Ga terug naar af, u mag de kassa niet passeren, betaal en ga terug naar de gevangenis.
  7. Louis-Ferdinand Céline.
  8. Michel Houellebeck.
  9. Auto’s, motoren, fabrieken, tabakrokende soortgenoten, madame Pijp, Petoetje en Petatje.
  10. Het idee van Irak en Afghanistan in het hoofd van Bush (en zijn trawanten).
  11. Het Belgische zakenleven in China.
  12. Het zakenleven in China.
  13. Avonturiers die orkanen trotseren, of Polen bedwingen.
  14. In de modder liggen luisteren naar het in het hoofd wereldverbeterend gezeur van Peter Gabriel – de naam alleen al – en het navelgezanik van Tori Amos.
  15. Elke zin van Gustave Flaubert.
  16. De films van Abel Ferrara.
  17. De prijzen van hotels in Venetië.
  18. De buurt rondom de Beurs van Brussel na middernacht (en vroeger).
  19. Mannen met haar op hun bovenlijf die bovendien graag boksijzers en andere geniepige wapens hanteren.
  20. Mannen en vrouwen die graag wapens hanteren.
  21. Huurlingen.
  22. Wapenfabrikanten.
  23. Cafébazen die niet om hun klanten geven.
  24. De foto’s van Nan Goldin.
  25. Billy the Kid en de overige helden in het Wilde Westen.
  26. Het Wilde Westen.
  27. Scholen en kazernes.
  28. Het stille leven.
  29. Het dagelijks bestaan in kleine dorpen ver weg van alles en iedereen.
  30. Om de zoveel minuten wordt een vrouw verkracht.
  31. Syd Barrett: “When I live I die.”
  32. Ik heb eergisteren naar de film ‘Thief ‘ van Michael Mann gekeken en ik vond het een heerlijke ervaring.

25-06-07

SKALDEN, HASSELT: HOE BEDRIEGLIJK IS HET GEHEUGEN?


SKALDEN

‘Het opzettelijk geheugen’ schrijft Samuel Beckett in zijn studie over Marcel Proust, ‘heeft geen waarde als middel tot evocatie, en geeft ons een beeld dat even ver staat van het werkelijke beeld als de mythe van onze fantasie, of als de karikatuur van de werkelijkheid die door onze directe waarneming wordt verkregen. Over geen van beide bezitten we ook maar de geringste controle.’


Hoe bedrieglijk is het geheugen? Hoe weten wij of wat we ons herinneren strookt met hoe de werkelijkheid zich op het moment van het ‘herinnerde’ aan ons (en aan de andere aanwezigen) voordeed? Ik heb een slecht geheugen, aangetast als mijn hersencellen zijn door veroudering, alcohol, tabak (tot 1977) en geneesmiddelen. Ik heb een slecht geheugen maar ik ben geen leugenaar.

 

Nu is er die geschiedenis van Skalden, een uniek beatnikcafé in Hasselt – vergelijkbaar met de vroege Muze in Antwerpen - dat ik met enige regelmaat frequenteerde. In feite was het in de periode 1968-1969 de plek waar ik bij voorkeur mijn tijd doorbracht. Ik hield van de sfeer die er hing, van de andere bezoekers, beatniks, hippies, artiesten, muzikanten, anarchisten en filosofen. Het grote verschil met de cafés waar ik nu kom is dat er nauwelijks werd gedronken. Een bezoeker van de Skalden werd nooit gedwongen om te consumeren. Het ging niet om de winst maar om de ruimte. Het principe van gelijkgestemden die elkaar ontmoeten was ‘heilig’ (om een woord van Allen Ginsberg aan te halen). Verwante zielen die elkaar eindelijk zonder argwaan in de ogen kunnen kijken in een - voor de rest - grotendeels vijandige wereld. Van de oudere generatie begreep namelijk hoegenaamd niemand dat dit ‘werkschuw tuig’ (toen) niet geïnteresseerd was in geld noch bezit. De oudere generatie begreep niet dat er andere, nieuwere, betere tijden waren aangebroken.

 

Omdat ik in een internaat zat opgesloten kon ik niet zo vaak in de Skalden vertoeven als ik wel wilde. Dat zorgde ervoor dat ik een buitenstaander bleef in de ‘bruine kroeg’. Ik behoorde bijgevolg niet tot de ‘inner circle’. Ja, inderdaad, een ‘inner circle’ had je ook in zulke kroegen – en dat was al meteen het begin van het einde, de rotte plek in de appel van de provo’s, want waar een elite bestaat worden anderen uitgesloten. Ik sloot er waarschijnlijk om die reden, maar ook omdat ik een schuchtere aard heb, geen vriendschappen; ik kwam er met de vrienden die ik al had, Luc Verjans, Henry Janssen, Jan Depooter, Guy Bleus en ik leerde er mijn lief Monique, een mooi meisje uit Alken, kennen.

Nu reageert de vroegere uitbaatster van de Skalden, El (Elisabeth), met een vriendelijk commentaar op de foto hierboven, waarvan ik altijd heb gedacht, waarvan ik met zekerheid wist dat hij tijdens het Hasselts Carnaval van 1968 in haar café door een straatfotograaf werd gemaakt. Zij zegt in haar commentaar dat wij, mijn toenmalige vrienden, vriendinnen en ik, ons zeker niet in de Skalden bevonden. Die foto werd ergens anders gemaakt, zegt ze. Kan ik Els woorden in twijfel trekken? Zij is zo zeker van haar stuk. En het was haar café! Maar anderzijds was het daar waar we met ons groepje samen waren gekomen, verkleed en tegelijk niet verkleed. Nee, we waren helemaal niet verkleed, we waren gewoon onszelf, hadden onze buitenissigheid alleen wat geaccentueerd. Maar nu werden we voor een keer niet uitgejouwd, omdat het Carnaval was en de brave mensen die overal in gekke pakjes door de straten liepen dachten dat wij ook in gekke pakjes waren gehuld en net hetzelfde waren als zij. Ha, ha, lekker mis. Wij waren de anderen. Wij waren geen hypocrieten die ons gedurende 364 dagen in een burgerpak door het leven worstelden en ons één dag lang verkleedden als uitzinnige, stomdronken hansworsten.

Ik weet het niet, El. Ik heb je verhaal over de Skalden gelezen op je blog. Sommige gezichten heb ik herkend, vooral dat van Lode, die me af en toe meenam in zijn auto, gewoon voor een ritje, of me naar huis bracht. Je verhaal heeft me droef gemaakt. Zoveel van de mensen die je café bezochten zijn al gestorven! En waar zijn de anderen? Waar is iedereen? Wat gebeurt er met ons? Zijn wij allen  gedoemd om in het leven te mislukken? Is het een grote grap? Een Carnaval? Lijden we met z’n allen aan geheugenverlies en bevinden we ons helemaal ergens anders dan we denken?

24-06-07

KRANTENKNIPSELS: EEN PERSOONLIJKE GESCHIEDENIS


The Days Of Wine And Roses 3

Jack Lemmon en Lee Remick in The Days Of Wine And Roses.


Gisteren heb ik niets gedaan. ’s Avonds ben ik in slaap gevallen bij de film The Days Of Wine And Roses van Blake Edwards. Ik denk dat het een film is over een echtpaar dat aan alcohol ten gronde gaat. Ik werd wakker toen Jack Lemmon alweer was afgekickt, maar Lee Remick nog niet; de drank en de lokroep van de bars bevallen haar te zeer. Voor haar is de wereld een lelijke plek; hij krijgt pas wat glans, een lichte betovering, als ze een fles gin naar binnen heeft.

Vandaag heb ik een zolderkamer opgeruimd. Ik heb veel tijd ‘verloren’ met het doorbladeren van oude krantenknipsels. Veel boekbesprekingen van romans van Paul Auster vond ik terug. (Het wijst op mijn grote bewondering voor de auteur.) De New Yorkse schrijver Paul Auster is furieuzer dan ooit: “Een Bush is een giftige woestijnplant.” Recensies van concerten van Bob Dylan in Vorst. Analyses van stukken van het Zuidelijk Toneel, onder meer India Song van Marguérite Duras, een prachtige voorstelling met de verrukkelijke Chris Nietvelt. De film 21 grams (waar ik een t-shirt van heb) van Alejandro Gonzalez Inarritu. Een bijlage over chronische vermoeidheid. Toen die werd gedrukt had ik daar nog geen last van. Honderd jaar Georges Simenon: hij sliep met 10.000 vrouwen, 7.000 meer dan Henry Miller. Een interview met mijn oude vriend Marc Didden (“Dan is mijn respect voor Neil Young oneindig veel groter, ik ontdekte hem in 1965 en vandaag boeit hij me nog altijd” staat in dat interview zwart op wit.) Mijn oude vriend Guillaume Bijl loodst ons door Art Brussels. De mooie Carla Bruni heeft het over haar eenzaamheid: “Oh, maar begrijp me niet verkeerd. Ik vind het net heel aantrekkelijk om eenzaam te zijn. Ik zoek dat soort omstandigheden ook zelf op. En daarin ligt het verschil: het is geen opgelegd alleen-zijn.”

 

kunst,boeken,knipsels,recente geschiedenis,schrijvers,films,muziek,theater,leven,brokstukken

Met Marc Didden in Oostduinkerke.

Wat nog meer? De zot van Zomergem, Gie Van den Berghe krijgt de Arkprijs van het Vrije Woord (ik was daar toen nog bij). Nick Cave and The Bad Seeds in Vorst op 24 november 2004. Dat optreden woonde ik bij in het gezelschap van mijn vriend Bart. Bart had zijn kaartje in de auto laten liggen, hij moest een heel eind teruglopen. De opening act, Mercury Rev, hebben we daardoor moeten missen, maar ik heb later mijn schade ingehaald. En Nick Cave was groots. The Cowboy Junkies op mijn verjaardag in de AB, een welluidend en ingetogen cadeau. Wong Kar Wai regisseert 2046. Wat betekenen de begrippen ‘liefde’ en ‘geheugen’? Volksbühne Berlijn speelt ‘Pablo in der Plusfiliale’ in het Kaaitheater. ‘Gaten of toen we niet in het gelid stonden’ in Theâtre National. “Ik ga graag naar school en ik denk dat je de school nodig hebt om iemand te worden.” Een gesprek met Arne Sierens en Alize Zandwijk over het stuk ‘Meiskes en Jongens’ in de KVS. Brussel: Mediterrane hoofdstad van Europa. Jonathan Safran Foer: “Schrijvers mogen heikele onderwerpen nooit uit de weg gaan”. Michael Cunningham: Liefde en dood in New York. Een filosoof onderweg: Stefan Hertmans’ ‘Steden’. Ik las dat boek negen of tien jaar geleden op de trein naar Berlijn. Onderweg naar mijn stad. Tien tips om Tuymans te trotseren: meesterlijk maar moeilijk. Overzicht van Antwerpse schilder in Londense Tate Modern. Koen Vidal in gesprek met Geert Mak over ‘In Europa’. Indrukwekkend retrospectief van de Amerikaans-Britse schilder John Singer Sargent in Tate Gallery. Voor het werk van Sargent stond ik haast met tranen in de ogen in Boston in september 1994. Schilderijen van David Hockney hebben veel plaats nodig, een artikel van Eric Min. Eric Min publiceerde in de jaren ’80 gedichten in ons filosofisch tijdschrift Aurora, gesticht door Leopold Flam. Georges Perec komt dan weer naar voren als de schrijver die vrijwel alles kan: de ernstige speelvogel, de nuchtere socioloog van zijn tijd, de epicurist van het dagelijkse, de ingenieur van de taal, de verhalenverzinner. En om het af te leren nog dit. ‘In ‘Utopie en onttovering’, het essay waarin Claudio Magris de werkelijkheid van haar vermommingen probeert te ontdoen, formuleert de schrijver het in de helderheid van de paradox: “De ontnuchtering is een ironische, melancholische en herstelde vorm van de hoop.” Magris’ opstellen zijn vaak vlammende betogen tegen de sluipende pogingen om het onderscheid tussen goed en kwaad op te heffen en om ons geweten, dat door de schrijver een demon wordt genoemd, te corrumperen en in slaap te sussen.’

Voldoende, denk ik. Deze brokstukken van mijn leven liggen zomaar in een rommelkamer te vergelen. Heb ik dat allemaal gelezen, gezien, gehoord? Onvoorstelbaar. En dat is dan nog maar een kleine, zeer willekeurige selectie en allemaal vrij recent. Veel van wat hierboven wordt opgesomd was ik al grotendeels vergeten. Ik zal de knipsels dan toch maar bijhouden. Ze kunnen mijn geheugen vervangen.

20-06-07

DROMEN VAN DE TUIN VAN DE FINZI-CONTINI

 

Finzi-Contini

Over reizen had ik het, onder meer. Over vluchten, verdwijnen. Ook nu, nadat ik een lange blik heb geworpen op het zinken dak en de blauwe hemel daarboven, denk ik aan reizen in het verschiet. Over minder dan een maand vertrek ik naar Berlijn. Ik houd van Berlijn. Ik denk dat die stad mij het dierbaarst is, nog dierbaarder dan New York, the city that never sleeps. Een rationele verklaring voor die aantrekkingskracht kan ik niet geven. Het is gewoon zo. Op de avond van 15 juli begeef ik mij naar een hotel in de buurt van de Oranienburgerstrasse om er mij in een soort van wellicht aangename eenzaamheid onder te dompelen. Ik zal alleen zijn, een week lang. Maar Berlijn trekt eenzame mensen aan en op die manier zal ik niet echt alleen zijn. En als ik me toch soms alleen zal voelen zal ik mij tot de engelen richten, op het bestaan waarvan Wim Wenders ons lang geleden heeft gewezen in Der Engel Über Berlin. Als ik verdwaal, wat heel goed mogelijk is, zullen zij me de weg wijzen. Het enige spijtige aan die zaak is dat het mannelijke engelen zijn. Ach, als het lot mij gunstig gezind is kruisen misschien wel enkele vrouwelijke engelen mijn pad. Of het kan ook zijn dat ze helemaal geen geslacht hebben, want ik vermoed dat de strijd nog altijd niet beslecht is.

Ik weet nog niet wat ik in Berlijn ga doen. Samen met Laura heb ik er alles al bezocht. Alles? Nee, dat is niet mogelijk. Streunerin, een Berlijnse, schreef me dat zoals elke mens elke stad op zijn minst twee gezichten heeft. Laten we er dan maar van uitgaan dat ik een tweede, derde, of vierde gezicht ga zoeken. Dat ik het aandachtig ga observeren. Mag ik hopen dat ook dat gezicht mij zal bevallen en inspireren?

In augustus maken we – dit keer samen - een nostalgische en literaire reis naar Noord-Italië. Eerst naar Triëste, de stad van Italo Svevo en waar diens vriend James Joyce een groot deel van Ulysses schreef. Vlakbij ligt het dorp Duino waar Rainer Maria Rilke in 1911 en 1912 logeerde bij de gravin Marie von Thurn und Taxis. Je kunt er in de omgeving, heb ik gelezen in Triëste autrement, een Rilke-wandeling maken langs het traject waar Rilke wandelde en nadacht over zijn meesterwerk, De Duineser Elegien. Tegenwoordig is Triëste de stad van Claudio Magris, de onvolprezen schrijven van onder meer Donau.

Van Triëste reizen we naar Ferrara, niet al te ver van Bologna. Ferrara is de stad van de Estes-familie, die ervoor zorgde dat het een van de allereerste renaissancesteden van Italië werd. Petrarca verbleef aan hun hof. Overigens zag ik enkele jaren geleden een mooie tentoonstelling over de Estes, in het Paleis voor Schone Kunsten hier in Brussel (Een bijzondere renaissance. Het hof van de Estes in Ferrara.) Ferrara is voor mij evenwel in de eerste plaats de stad van de meesterlijke schrijver en uitgever Giorgio Bassani. Zijn Ferrara-romans zijn in het Nederlands vertaald en uitgegeven in één deel. Het hoogtepunt is De tuin van de Finzi-Contini, een meeslepende roman over een rijke Joodse familie. Daar maakte Vittorio De Sica dan weer een meer dan behoorlijke film van met de de nu wat vergeten Dominique Sanda, een van de vamps van de jaren ’70. Hoewel die tuin van de Finzi-Contini verzonnen is ga ik hem in Ferrara toch bezoeken. Ik ben er zeker van dat ik hem zal vinden. En heel zeker zal ik eveneens het graf van Giorgio Bassani vinden.

Om onze reis af te sluiten gaan we drie dagen naar Venetië, de stad waar Laura ooit in een woeduitbarsting in mijn duim beet. Dat is dan het nostalgische deel van de trip. Venetië is voor mij minder een stad van schrijvers dan van filmregisseurs, hoewel Henry James er heeft gewoond en The Comfort Of Strangers van Ian McEwan zich er afspeelt. Venetië associeer ik heel sterk met Don’t Look Now van Nicholas Roeg, een film die al even luguber is als het boek van McEwan. Maar wel mooi. Met Julie Christie en Donald Sutherland. Bijna even mooi is natuurlijk Dood in Venetië van Luchino Visconti, maar uiteraard is dat gebaseerd op een klassiek verhaal van Thomas Mann.

Tot het zover is probeer ik niet de dagen te tellen. Elke dag geteld is een dag verloren. Je moet vind ik de dagen niet tellen maar ze leven. Anders heeft het leven geen zin.



Foto: uit de film Il giardino dei Finzi-Contini.

18-06-07

LAND VAN BELOFTE II


Het jaar is 1975. We lopen door de Brusselse straten, op verkenning in de stad, en op verkenning in elkaar. Je ziel is nog een donker pad. Wie zijn we, waar gaan we naartoe? Er is veel duisternis in ons leven, ondanks je overrompelende schoonheid. Als je passeert houdt iedereen zijn adem in. Een nu al lang afgebroken buurtcinema vertoont Andrej Wajda’s Het land van de grote belofte (Ziemia obiecana). We blijven staan en bekijken de foto’s. Jij kijkt met je allerdiepste blik naar een mij nog onbekende verte. De verhalen moeten nog verzonnen worden. Reizen, avonturen, dwalingen, armoede en geluk. Momenten van vriendschap, vernederingen en verwensingen, nieuwe werelden die opengaan, honger en ziekte, geboortes, de wreedheid van het lot, gestorven familieleden en vrienden. Huwelijken. Hoe vaak zag je de volle maan? Raadsels, mysteries en sprookjes. Ambiguïteiten. Rafels, parels, harde rotsen, de wijnrode zee. Jaren van eenzaamheid en ontmoeting. Razernijen. Witte jurken en witte kostuums met het bloed van dansende idioten bespat. Jarenlang dansten wij in de straten van de stad aan de rivier. In glimmende trucks doorgebrachte dagen. Dwars door Duitsland, het zwarte woud, en verder tot waar Hölderlin woonde. Sigaretten, bier en schuimende wijn. Alle dagen muziek, woorden van troost en gemeenschap. Je huid die geen einde kent en geen begin. Duizenden dagen in je nabijheid. Het jaar was 1975. Het jaar is 2007. Het regent niet langer. Het lijkt wel een feestdag.

LAND VAN BELOFTE I


the promised land - ziemia obiecana

Mijn geliefde voor een bioscoop in Brussel in 1975. Foto: Martin Pulaski.

13-06-07

PROCESSIERUPSEN EN DE VRIJE WIL VAN DE APOLOGEET

 

Apollo and Daphne - JW Waterhouse

JW Waterhouse - Apollo and Daphne


De wolken glijden in de lucht boven het zinken dak waar ik vijf dagen per week op uitkijk. Ik zit wat te kijken naar die wolken. Al een hele tijd zit ik te kijken en te mijmeren en te dagdromen. Er is leegte in mijn hoofd. Geen gedachten, niets. De motor van mijn verbeelding komt niet op gang. Waar een wil is, is een weg, zeggen de mensen, maar ik wil niets. Of toch wel, ik wil een ding, ik wil weg. Ver weg van hier, van de processierupsen en het bal van de burgemeester en de biefstukkenchristendemocraten. Van de laatste shows en de eeuwige wegenwerken. Van deze stad vol fijn stof van de afbraakwerken, de ononderbroken afbraakwerken. Van deze stad zonder ziel, zonder rivier. Ja, de rivier is de ziel van de stad. En muziek is het hart van de stad. Muziek creëert bijna ontelbaar veel harten. Ik ben met tellen gestopt.

Af en toe steekt dat wilde verlangen om weg te gaan de kop op, de wil om te verdwijnen in een imaginair gebied, een streek die nog niet in kaart werd gebracht, tenzij door Dante misschien. Ik voel het hart van Brussel maar zelden kloppen. De muziek die ik hier hoor is mooi maar komt van ver. Import is de enige redding. Transfusie. Daar is deze stad goed in. En in mensen op de vlucht jagen, hele wijken platgooien, de Noordwijk, de Europawijk, de Zuidwijk. Cafés waar ik enkele jaren geleden nog met Poolse meisjes danste liggen nu tegen de vlakte. Jarenlang heb ik op de Lottotoren uitgekeken en zitten dromen terwijl de wolken daar boven hun eigen weg zochten. Nu staat er een karakterloos gebouw in de plaats, een gebouw dat niet zingt, dat niet wordt gevoed door een ziel en niet gekoesterd door een hart. Maar zoals deze stad is, is heel het land, ook al is er de majestueuze Maas en de diepe, diepe Schelde. Het land is ziek en schreit. Zijn inwoners zijn ontevreden, lusten elkaar rauw – en zelfs dat valt te betwijfelen. Er is vooral onverschilligheid. Niet voldoende, roepen de media. Niet voldoende onverschilligheid! Denk aan je rimpels, maak je daar zorgen over, en niet over de aarde en over de vrienden aan de andere kant van de taalgrens, die het moeilijk hebben in de buurt van hun oude mijnen en hoogovens. Dat zijn geen vrienden, zeggen ze, dat zijn vijanden. Ze spreken een andere taal en hebben ongebruikelijke zeden en gewoontes. Het woord ‘taalgrens’ is een schande, zeg ik. Een identiteit is geen schande, maar een identiteitskaart is een schande. Ik wil nu opeens wel. Deze woorden hier hebben mij een wil ingefluisterd. Ik wil als vrije mens kunnen reizen en omhelzen wie ik wil. Ik ben geen vijand van de Vlamingen, maar ik kan niet overweg met rancuneuze vetzakken die alle dagen biefstuk-friet eten en elk moment vetter worden. Die de vloek van de processierupsen over zich afroepen. En veel ergere vloeken. Klink ik als Job? Dan klink ik maar als Job. Misschien is dat mijn opdracht, mijn missie – hier in dit tranendal. Ik ben alvast geen evangelist. Ik ben eerder een apologeet, de apologeet van mijn eigen bestaan. Wat zeg je? Apollo? Nee, zeker geen Apollo. Die is van marmer en bevindt zich in Firenze. Ik wil niet naar Firenze. Firenze is ingenomen door immense processierupsen, wist je dat dan niet? Heb je dan geen enkele levenservaring? Ik wel. Maar wat maakt het uit. Ook toen ik zwarte sneeuw zag staarde ik naar de grond en liep ik met mijn hoofd in de wolken. Toen ik zwarte sneeuw zag snoof ik de geur op van de rivier en waren er talrijke gelukkige dagen. Dat was net zo goed hier in dit land dat nu zwarter is dan de sneeuw die ik zag, en dat verlamd wordt door de haat. Ik vlucht weg in de muziek en in het ritme van een ingebeelde rivier. Ik ben weg. Dat is wat ik wil. Tot een volgende keer.

08-06-07

EEN HOOFD VOL DODE WOORDEN


distracted

De woorden van de wereld en de tijd hebben je bescheiden gemaakt, maar tegelijk hebben ze je de zekerheid gegeven dat je niet waardeloos bent, dat je een mens bent. Een mens die droomt en denkt en verlangt. Een mens die ernaar streeft een mensch te worden. Ooit. Dat woord mensch ben je voor het eerst tegengekomen in de autobiografie van Elias Canetti, de schrijver die sterfelijkheid een schande noemde. De woorden hebben je gerustgesteld, maar ook verontrust. Bij het lezen van sommige woorden werd je verontwaardigd. De woorden lieten je een gefundeerde orde zien. Maar hun betekenissen veranderden voortdurend, net zoals de oorzaken van je plezier. Sommige woorden waren als mooie vrouwen, modellen, druktemakers, Eryniën. Sommige woorden waren als vliegen, die je toch niet doodmepte. Integendeel, je luisterde goedkeurend naar hun gebrom. De woorden vormden lange ketens. Of zal ik zeggen, guirlandes? Rozenkransen, lauwerkransen? De woorden waren sterren die je de weg toonden. Leugens die je op een dwaalspoor zetten. 's Nachts met ontbloot hoofd. De woorden brachten dat hoofd op hol. Je kon niet meer terug naar een veilig oord, waar het stil was. Altijd was er ten minste een gefluister te horen. De woorden hebben je kijk op de werkelijkheid aangescherpt maar ook vertroebeld. Je bent een andere geworden dan degene die je bent, je bent duizend anderen geworden. Talloos veel miljoenen ben je geworden, zoals de woorden om je heen en de woorden in je hoofd. Je raakt ze niet meer kwijt tot je de gifbeker drinkt, dat troebel water van de dood. De kruik, echter, zegt de volksmond, gaat zo lang te water tot ze breekt.

Foto: Martin Pulaski, Zelfportret.

05-06-07

IN MY SOLITUDE

cesare pavese,eenzaam,alleen,adolescentie,verdriet,heimwee,jeugd,elvis presley,memphis,leven als ambacht,solitude,billie holiday

In 1950, toen ik geboren werd, zette Cesare Pavese een dramatisch punt achter zijn leven. Tussen beide gebeurtenissen is er geen logisch verband. Maar niemand verplicht je ertoe logische beweringen te formuleren. Je kunt zoveel verbanden leggen als je zelf wilt. Een verband dat ik leg tussen mezelf en Pavese is de eenzaamheid, het alleen-zijn.  De eenzaamheid hoort voor Pavese bij de stad. ‘Een dorp wil zeggen dat je niet alleen bent, dat je weet dat er iets van jou is in de mensen, in de planten, in de aarde, dat er op je wordt gewacht ook als je er niet bent’.

Ik maakte eerder al het onderscheid tussen een positieve eenzaamheid en een negatief alleen-zijn. Maar dat was een theoretisch onderscheid. Je kunt net zo goed het omgekeerde beweren. De eenzaamheid als het pijnlijke isolement, zoals Billie Holiday er zo hartverscheurend over zingt in ‘In My Solitude’, en het alleen-zijn als de zelfgekozen, trotse afzondering van de anderen, die je hinderen in je gedachten, in je werk, in je bestaan. Laat me maar een tijdje alleen, zodat ik eindelijk eens mijn zaken op orde kan brengen. Eenzaamheid is in deze benadering een vorm van de blues, het is afzien. Je mist de aanwezigheid van de andere, de geliefde, de vriend. ‘The blues ain’t nothing but a woman on your mind’, wordt er gezongen. En daar bestaan natuurlijk variaties op. Ben je alleen, dan kun je je overgeven aan dagdromen, aan plannen smeden, aan euforie. Er zijn talloos veel mogelijkheden, je denkt niet aan de zwaarte van onmogelijk uit te spreken woorden. In de romans en gedichten van Cesare Pavese lees ik de verstrengeling van deze twee tegengestelde en toch zeer verwante begrippen. In mijn eigen leven is het niet anders. Bij de anderen kan ik me goed voelen, gelukkig zelfs, maar ik heb me zelden zo eenzaam gevoeld als in een groep of in een menigte. Voor mij is het onmogelijk om op mijn eentje naar de bioscoop of naar een concert te gaan. Dan word ik gek van eenzaamheid.

Een ander verband tussen Pavese en mezelf is het treuren om de verloren adolescentie. Zodra de adolescentie ophoudt begint de aftakeling. Maar je weet tegelijk heel goed dat je niet meer terug kan. Het heeft geen zin nostalgisch te doen. Het gaat er niet om dat het vroeger beter was. De adolescentie was het diepe leven, toen je nog niet nadacht over aftakeling en mislukking. De adolescentie is het beste, maar dat weet je pas als je volwassen bent en je leven mislukt is. Als je weet dat je niet meer naar huis kunt en dat zelfs niet wilt. Eigenlijk is het dan ook geen treuren om de adolescentie, maar om de onvermijdelijke mislukking van het leven. Je zou kunnen zeggen dat de adolescentie de mogelijkheid is, en de volwassenheid de onmogelijkheid. Je verwijdert je steeds verder weg van je huis. Elvis Presley verwoordt dit gevoel in een prachtige song, Long Black Limousine, terug te vinden op From Elvis in Memphis, zijn meesterwerk. Met deze verwijzing naar toch weer rock & roll wil ik deze korte beschouwing over eenzaamheid, adolescentie en mislukking beëindigen en iedereen nog een mooie lentedag wensen.
Of nee, ik wil eindigen met dit fragment uit het dagboek van Cesare Pavese: ‘Laten we eerlijk zijn. Als Cesare Pavese voor je zou verschijnen, je zou aanspreken, proberen vriendschap met je te sluiten, ben je zeker dat je hem niet verwerpelijk zou vinden? Zou je vertrouwen in hem hebben, zou je bereid zijn met hem mee te gaan voor een plezierige avond in zijn gezelschap?’ (uit ‘Leven als ambacht’)

04-06-07

EEN AVOND IN ANTWERPEN II


in de studio 2 juni 2007

annick en ik

Voor een laatste keer geef ik me over aan mijn vrij lang aanslepende narcistische bui. Voor morgen en de volgende dagen beloof ik verbetering. Ik zal mijn blik opnieuw op de wereld richten en op al de narigheden rondom ons. Nu nog een paar sfeerbeelden van radio centraal, waar ik al 25 jaar in alle vrijheid en waanzin een radioprogramma kan maken.  De foto's zijn niet helemaal narcistisch. Op de onderste zie je mijn goede vriendin, de zeer begaafde styliste Annick. Op de bovenste, helaas wat op de achtergrond, een van de liefste mensen die ik ken, de fotografe Katrin, met wie we al heel wat reizen hebben gemaakt. Nu hebben we weer afscheid genomen en vallen we op onszelf terug. Op onze droefheid, onze eenzaamheid, onze dwaalwegen, onze vergissingen, onze domheden, onze vergetelheid. Even waren we gelukkig en uitzinnig. Nu is het weer tijd voor de alledaagsheid.

02-06-07

EEN NIEUW PAAR SCHOENEN


old brown shoes

Wat heb ik nu weer gedaan! Daags voor mijn verjaardag een foto van een grafsteen, zelfs al is het een ‘opmonterende’, op mijn blog gezet. Nu staan al jullie mooie en vertederende verjaardagswensen als commentaar bij een zerk van Herbert Marcuse, een filosoof die overigens volledig uit de mode is. (Want niemand denkt nog aan revolutie, tenzij het over waspoeders en schoonheidsproducten gaat. De grote vijand van het proletariaat heet nu cellulitis of sinaasappelhuid. Maar ik mag niet klagen, het is tenslotte mijn verjaardag.)

Zo zie je maar hoe onnadenkend en onberekenend ik ben. In verband met die grafsteen, bedoel ik. Ik heb geen levensplan, en ik heb evenmin een plan de campagne voor mijn blog. Ik ga inderdaad impulsief te werk, als er al van werk sprake kan zijn. Vandaag zing ik alvast de lof der luiheid. Maar doe ik dan niets vandaag? Toch wel. Ten eerste schrijf ik dit korte stukje. Ten tweede vertrek ik over een uur of zo naar Antwerpen, voor mijn radioprogramma, ten derde vier ik feest en zal ik cava drinken, ten vierde, dat zullen we wel zien. Misschien koop ik wel een nieuw paar schoenen? Of krijg ik ze cadeau, je weet maar nooit.

 

Ik vind het heerlijk om aandacht te krijgen. Verjaardagswensen van jullie, van vrijwel onbekenden op MySpace, prentkaarten van mijn vrienden, lieve sms’jes van andere vrienden (die geen kaartjes in huis hebben of misschien geen mooie postzegels), een warme zoen van mijn geliefde, en straks veel kussen, denk ik, van mijn Antwerpse vrienden, met wie ik het glas zal heffen. Op het leven, op de rijpe leeftijd, op zowel nadenkendheid (vooral ten aanzien van onze aarde) als op extase, op de liefde, en toch ook wel op Herbert Marcuse’s ‘weitermachen’! Salud!

Krijg ik dat paar schoenen nu?

Foto: Martin Pulaski, Zelfportret.

31-05-07

HEY BO DIDDLEY!




Het is gelukkig niet allemaal kommer en kwel. Ik las dat Bo Diddley, die een beroerte heeft gehad, aan de beterhand is. Daarnaast hoorde ik dat Ryan Adams (Easy Tiger) een nieuwe cd heeft. Gisteren zag ik trouwens het nieuwe schijfje van Chris en Carla (Fly High Brave Dreamers) liggen, maar ik heb het nog niet aangeschaft. Ik weet niet wat me scheelt, maar ik heb de voorbije dagen geen zin gehad om iets te kopen. Misschien zijn mijn driften voldoende bevredigd, maar dat betwijfel ik. Het zal eerder zijn dat ik zelfs te moe ben om een cd te kopen. Maar het blijft een goede zaak dat het beter gaat met Bo Diddley. Ik houd van de man. Van hem heb ik een paar weken geleden nog een schitterende dubbele verzamelaar gekocht, met eindelijk een degelijke, lekkere vettige sound, waarbij dat vuile ritme van Bo, Jerome, the Duchess et al heerlijk gaat klinken. Bo Diddley moet inderdaad goed klinken, cd’s uit de jaren ’80 van de man gooi je best in de vuilbak, die klinken als alle andere rotzooi uit die vreselijke periode. Niet dat het nu veel beter is, met Bush en Wolfowitz en Yves Leterme en Bart De Wever en de hele vermaledijde parade van levenshaters en afgeborstelde marionetten. Die Bart De Wever ligt nota bene wakker van een gedenkteken voor Peter Benoit, terwijl de wereld naar de verdoemenis gaat. Ik weet overigens helemaal niet meer voor wie ik nog kan stemmen. Die kerels zijn allemaal waardeloos, en de politica’s gaan dezelfde richting uit. Jongens toch! Vroeger was er nog klein links en eventueel de groenen, maar waar zijn klein links en de groenen naartoe? Ik kan nergens meer heen. Dakloos ben ik. Geen grond meer onder de voeten. Het Vlaams Blok ligt al op de loer… Maar liever op mijn blote voeten naar Fatima dan een stem voor dat geteisem. Ik zal zoals Diogenes de volgende dagen op zoek moeten gaan naar een mens. Een ‘mensch’ in het Jiddisch. In Wikipedia lees ik daarover het volgende:
In Yiddish (from which the word has migrated into American English), mensch roughly means "a good person." A role model. A "mensch" is a particularly good person, like "a stand-up guy," a person with the qualities one would hope for in a dear friend or trusted colleague. According to author and Yiddish popularist Leo Rosten, [A] mensch is a someone to admire and emulate, someone of noble character. The key to being "a real mensch" is nothing less than character, rectitude, dignity, a sense of what is right, responsible, decorous. (Rosten, Leo. 1968. The Joys of Yiddish. New York: Pocket Books. 237).


“Bo diddley done had a farm,
On that farm he had some women,
Women here, women there,
Women, women, women everywhere.”
Bo Diddley, door Bo Diddley alias Ellas McDaniel.

Nu begint het weer te bliksemen en donderen. En thuis in de slaapkamer staat het raam open. Een mens is nooit gerust.

29-05-07

LOST WEEKEND IN GENT EN BRUSSEL

feest,nachtleven,ontmoetingen,brussel,gent,blackout,euforie,drinken,roken,edgar allen poe,usher,gitaar,bob dylan,ierland,monk,le coq,alcohol

Familiefeest, Gent. Martin Pulaski.

Je kijkt met grote verwachtingen uit naar een lang weekend. Er zullen vele dingen gebeuren. Boeken zullen worden gelezen, films bekeken, mensen ontmoet, wijn en bier gedronken. Er zal feest worden gevierd. Dat is wat voorafgaat. Zaterdag doe je boodschappen en knap je wat klussen op. Je leest iets over de sixties, en in Murakami’s A Wild Sheep Chase. Je boekt een vlucht naar Italië. Je stippelt een traject uit: Treviso – Trieste – Padoua – Ferrara - Venetië.

’s Avonds kijk je nog een keer naar Performance. Mick Jagger in al zijn androgyne schoonheid. Anita Pallenberg in al haar androgyne schoonheid. Het mooiste stel uit het einde van de jaren zestig? Alvast op pellicule. Maar een zeer kortstondig stel. Keith Richards zat buiten in de auto op Anita Pallenberg ongeduldig en jaloers te wachten. Anita was een echt Rolling Stones-meisje. 

Dan komt de euforie van zondag. In Gent zie je je familieleden terug, je praat, wordt vrolijk van de drank, wil het feest zolang mogelijk rekken. Later in de trein naar Brussel praat je met een onbekende, een interessante man. Het was een vluchtig gesprek, de drank speelde in je hoofd. Je weet niet meer waar jullie het over hadden. 
 Terug in Brussel ga je naar de cafés, eerst De Dolle Mol, maar die legendarische kroeg gaat pas weer op 1 juni open, daags voor je verjaardag.

Daarna naar de Monk. In de Monk ga je, volledig tegen je gewoonte in, bij onbekenden aan een tafeltje zitten. Het zijn jonge mensen, ze hebben geen bezwaar tegen je aanwezigheid. Het is een delegatie uit verschillende nationaliteiten samengesteld. Dat is heerlijk aan Brussel, dat je hier aan één tafel zes verschillende nationaliteiten kunt aantreffen. Het spijtige is dat de alcohol je geheugen wist, dat je je van alle mooie dingen die werden gezegd, misschien wel van plannen die werden gesmeed, afspraken die werden gemaakt, niets meer herinnert. Je herinnert je alleen een meisje uit Ierland, Jean. Dat weet je nog omdat ze jou haar kaartje heeft gegeven. Met haar had je het over Galway, Doolin, Roundstone en de Aran-eilanden, hoe je van die streek houdt. Het lieflijkste landschap dat je ooit zag. En van de muziek, van de vriendelijke Ierse mensen, van de pubs en de Guinness.

Je nam afscheid van de delegatie, er kwamen andere mensen aan ‘jouw’ tafel zitten, echte jongeren, met lange haren, zoals de zoon van je schoonbroer,  de ‘kroonprins’ noemt zijn vader hem. Wat zullen ze gedacht hebben? Wat zit die oude kerel hier te doen? Waarschijnlijk niet. Ze zagen er zachtaardig uit.  

Vervolgens
begaf je je naar Le Coq, waar veel dronkaards zitten. Je nam plaats naast een oude man met een baard. Je weet nog dat je hem vroeg wat hij daar deed. Drinken, antwoordde hij. Hij was niet bepaald communicatief. Een superopgewekte jongen met een rastakapsel kwam samen met een andere man aan jouw tafeltje zitten. Er was ook een meisje tegen wie je zei dat je haar al eerder had gezien. Of dat je dat dacht. Ze was er met haar vriend: een verliefd stelletje. Af en toe raakte je haar voet aan, per ongeluk, denk je, je hebt nogal rusteloze voeten. Een andere man, met lange zwarte haren, een Indiaans type, waarschuwde je en zei je dat je je voeten thuis moest houden. Je verontschuldigde je, want je wilde geen pak slaag. Dat is al te vaak gebeurd. Het meisje zelf had echter niets gezegd. Ze wond zich niet op over je rusteloze voeten.  De man die bij de jongen met het rastakapsel was had een gitaar. Je vroeg of je een stukje mocht spelen. Ga je gang, zei hij. De muziek in het café werd stiller gezet. Je speelde een eigenzinnige versie van It Takes A Lot To Laugh It Takes A Train To Cry van Bob Dylan en nog wat impromptus, zoals Usher die moet hebben gespeeld in het verhaal The Fall Of the House Of Usher. Je ging flink tekeer op de gitaar; een e-snaar brak. (Ik gebruik het woord ‘eigenzinnig’, wat in dit geval ook vals of wat dan ook kan betekenen. Ik kan gewoonweg niet zo goed gitaar spelen.)  

De eigenaar van de gitaar zette zijn zonnebril op en zag er opeens heel cool uit. Hij vroeg of je wat wilde roken. Je zei hem dat je astma hebt, maar een trekje wilde je wel eens proberen, voegde je eraan toe. De uitbater zei dat jullie buiten moesten gaan. Hier binnen wordt geen cannabis gerookt. Jullie gingen buiten zitten, je nam een trekje en inhaleerde en de realiteit veranderde bijna volledig. Het was ongeveer twintig jaar geleden dat je nog gerookt had, cannabis, tabak of wat dan ook. Twee vreemde mannen zaten op het trottoir te lachen als oude gekken, de ene met een zonnebril op, de andere met een ‘gewone’ bril. Nu kreeg je nog meer zin om gitaar te spelen, maar dat ging niet meer vanwege die gebroken snaar.

De jongen met het rastakapsel was in slaap gevallen. Je wekte hem en zei hem dat hij voorzichtig moest zijn, niet iedereen in Brussel is even vriendelijk en vredelievend. Je herinnerde je de lelijkheid en het gevaar. Het was tijd voor een taxi. In de wagen telde je je geld en schrok toen je vaststelde dat je niet voldoende had voor het ritje. Je hoopte dat Laura, die al lang thuis was, nog wat geld zou hebben, 5 euro zou volstaan. Het was maandagochtend, de zon kwam op.

25-05-07

JO RÖPKE EN DE FILMSCHOOL

jo ropke,film,filmschool,ritcs,vrienden,dood,in memoriam,easy rider,premiere,televisie,professoren,marc didden,william blak,humo,boek,leo steculorum,guillaume bijl,antwerpen,brussel

Ik heb de innemende filmliefhebber Jo Röpke nooit echt gekend, ook al heb ik les van hem gehad, lang geleden toen ik nog film studeerde aan het Rits (dat toen nog Ritcs heette). Aan die studies heb ik weinig goede herinneringen, waarbij ik een uitzondering maak voor de vriendschap. Ik heb op die school Marc Didden ontmoet, die lange tijd mijn beste vriend is geweest. We gingen zeker een keer per maand met z’n beiden in het Zoniënwoud wandelen en zongen dan liedjes van Creedence Clearwater Revival, The Rolling Stones en Pink Floyd. Waarschijnlijk werd er ook veel over film en meisjes gepraat, maar dat kan ik me niet meer zo goed herinneren. Samen met Marc schreef ik tijdens een verloren weekend een boek. Er bestaat maar één exemplaar van en dat is nu in zijn bezit. Al vele jaren. Eén hoofdstuk ging over alle mensen die, geloof ik, Pete heetten. Ik herinner mij dat er een Pete Lennon en een Pete McCartney in de lijst stond. Want het hoofdstuk was een lijst. Er stonden ook echte Petes in de lijst, de onlangs overleden Sneaky Pete bijvoorbeeld. Marc ging af en toe naar Londen; hij werkte al deeltijds als popjournalist voor Humo. Een keer heeft hij me zeer gelukkig gemaakt: hij had het verzameld werk van William Blake voor me meegebracht, een onovertroffen product van de verbeeldingskracht. Er gaat geen maand voorbij of ik lees er wel een stukje in en af en toe zing ik een van de Songs of Innocence, onder meer How Sweet I Roamed From Field To Field.

Op de filmschool ben ik bevriend geraakt met de kunstenaar Guillaume Bijl en de filosoof Leo Steculorum. Tijdens mijn Antwerpse jaren was Guillaume een van mijn beste vrienden. We hielden beiden hartstochtelijk van film (John Casavetes, Wim Wenders, Werner Herzog) en van het nachtleven (Pannenhuis, Mok, De Kroeg). Nu heb ik geen contact meer met hem. Een spijtige zaak, maar afscheid hoort bij het leven. Met Leo ben ik nog altijd goed bevriend.

Zoals ik al zei heb ik aan het Rits als onderwijsinstelling weinig goede herinneringen, ik heb er nauwelijks iets geleerd: een beetje fotografie, een beetje filmanalyse, een beetje scenarioschrijven. De dingen die ik er niet geleerd heb zal ik niet opsommen. Er hing altijd een vervelende sfeer, niet bepaald artistiek; men was er vrij streng. Veel van mijn medestudenten waren liefhebbers van kleinkunst, een genre dat ik hartsgrondig haatte. Hoe kan kunst klein zijn, vraag ik me nog steeds af. De meeste profs waren zeurkousen. Marc Galle bijvoorbeeld. Maar er waren nog ergere exemplaren, van wie ik de naam vergeten ben. Jo Röpke was anders. Hij kon boeiend over film vertellen en gaf je zin om naar de cinema te gaan, om de laatste Polanski of Fellini te gaan bewonderen. Het was niet echt lesgeven wat hij deed, het was werkelijk met veel enthousiasme en ironie vertellen. Een beetje zoals in zijn televisieprogramma Première, maar dan minder afgeborsteld, vrijer. Ik herinner me dat ik voor mijn examen bij Jo Röpke een uiteenzetting over de paranoia in Easy Rider gaf. Die uiteenzetting zal ongetwijfeld zeer idiosyncratisch zijn geweest, vooral omdat ik nog veel meer paranoia aan de film toeschreef dan er sowieso al in werd getoond. Jo Röpke vond mijn invalshoek origineel en gaf me een warme handdruk toen ik de examenruimte verliet. Dat was in 1970. Sindsdien heb ik hem nooit meer teruggezien. En nu is hij dood. Wel mooi dat hij in Cannes is gestorven. Moge hij in vrede rusten. Maar daar twijfel ik eigenlijk niet aan.

23-05-07

BOZE JONGEN


angry young mod


Er was eens een boze jongen... Een boze jongen die de liefde predikte. Nostalgische gevoelens in verband met de zogeheten summer of love in 1967 overweldigen me nu de zon op mijn elleboog schijnt. Ik heb al meermaals geschreven dat ik het niet zo heb voor herdenkingen en dergelijke, maar hier maak ik een uitzondering: het gevoel is sterker dan mezelf. Nee, juister nog, ik val samen met het gevoel. Nochtans betekende die zomer hier bij ons niet zo heel veel. Ik was veel liever in San Francisco of in Londen geweest, maar dat was niet mogelijk. Wij probeerden onze dromen hier dan maar waar te maken, en ten dele zijn we daarin geslaagd. Mijn vrienden en ik hebben in Tongeren en Hasselt van 1967 een heel bijzonder jaar gemaakt. Ik vrees - voor degenen die al genoeg gehoord hebben over die beruchte zomer - dat ik hier de volgende weken en maanden nog op zal terugkomen.

19-05-07

VERVELING, VERMOEIDHEID EN LEEGTE

Ik verveel me. De leegte is overal om me heen. Het lukt me niet om eraan te ontsnappen. In weerwil van mijn afkeer van de man die zich Lux laat noemen - waarschijnlijk omdat hij zich altijd met de zeep van de filmsterren wast -, heb ik gisteravond uit pure verveling toch naar Luc Tuymans gekeken. Ik heb me ontiegelijk geërgerd aan het programma, of wat dacht je. Lux vindt zichzelf zo belangrijk dat hij zijn gasten niet een keer laat uitspreken. Mensen niet laten uitspreken is het toppunt van grofheid. In een van zijn laatste interviews heeft Jacques Derrida nog op die kwalijke eigenschap van de televisie (en van de media in het algemeen) gewezen. Er mag niet geaarzeld, niet getwijfeld, niet nagedacht worden op televisie. Dat is slecht voor de kijkcijfers. En gisteravond was dat ongetwijfeld slecht voor het imago van Lux. Ik had medelijden met Luc Tuymans, ook al is hij rijk en beroemd. Voor dat verdomde programma met de grote Belgische schilder als gast (terwijl de zeepman maar niet genoeg kon krijgen van de woorden ‘Vlaams’ en ‘Vlaanderen’) had ik al naar iets over de Azteken gekeken, “de grootste beschaving aller tijden”. Ik had gelezen dat het een programma van DBC Pierre was, wiens boek Vernon God Little ik graag heb gelezen. Maar wat een shitprogramma was dat, over die Azteken! Van het begin tot het einde kitschbeelden, van een onheilspellende lelijkheid, en wat verteld werd zouden zelfs onnozele kinderen niet geloven. Het is dan nog heel goed mogelijk dat er helemaal geen onnozele kinderen meer bestaan. Toch ben ik als een ervaren couch potato in mijn sofa blijven zitten. Meestal schiet ik bij zulke rotzooi mijn televisietoestel aan flarden, maar daar had ik gisteravond de energie niet meer voor. Ik vind het jammer dat ik het moet zeggen, maar de grote DBC Pierre had de uitstraling van een ezelsoor in mijn exemplaar van Don Quichot (het is een oude uitgave). En ik die dacht dat hij zulke grote avonturier was…

oblomov,gontsjarov,leegte,verveling,wat te doen,boeken,luc janssen,luc tuymans,schrijvers,dbc pierre

Ik verveel me. De leegte dreigt me op te slokken. Ik heb nergens zin in. Stapels boeken liggen op me te wachten. Op mijn ogen, op geknetter in mijn hersens. Het treurig beroep van schrijver, van Gérard de Nerval; Down and Dirty Pictures van Peter Biskind; Vorst van Thomas Bernhard, A Wild Sheep Chase van Haruki Murakami; Hard Boiled Wonderland en het einde van de wereld, van dezelfde schrijver; De Oude Geschiedenis van de Joden, van Flavius Josephus; Middlemarch van George Eliot; On Beauty van Zadie Smith; The Grapes Of Wrath van John Steinbeck. En Oblomov van Ivan Gontsjarov heb ik ook nog altijd niet gelezen. Ja, ik verveel me, en ik heb zin om heel veel bourbon whiskey te drinken, maar daar kan ik niet meer tegen. What to do, yeah, I really don’t know what to do. Ik zal nog maar eens door raam gaan kijken, naar de zonovergoten bomen in onze straat.

15-05-07

GELD MAAKT ONS KAPOT


treasure_of_the_sierra_madre

Ik kijk door het raam naar het sombere zinken dak. Erboven een stukje blauw en een grote wolk. Ik neem een afwachtende houding aan. Aan het raam, het dak, het stukje blauw en de hemel heb ik niets. Er komen geen associaties – en die wil ik ook niet. Ik zit niet bij mijn pyschoanalyst, daar zit ik al jaren niet meer. Ik ben op mijn werk, maar ik zou elders willen zijn. Het is vier uur en ik ben het werk beu. Als je werkt voor het geld heb je niets aan je leven. Het is een vloek dat wij geld nodig hebben om te leven, dat wij vervelend werk moeten doen om aan geld te komen. Geld maakt ons kapot; als we het niet hebben omdat we er willen hebben (en omdat we dan honger en dorst lijden), als we het wel hebben omdat we bang zijn om het te verliezen en er geen meer te hebben (en honger en dorst te krijgen). In het lied Something In the Night zingt Bruce Springsteen:

You're born with nothing and better off that way
As soon as you got something they send
Someone to try and take it away.

En in de meesterlijke film The Treasure Of the Sierra Madre van John Huston zie je hoe Humphrey Bogart verandert van een avonturier met een menselijk gezicht in een paranoïde smeerlap, zodra hij wat goud heeft vergaard. Op het einde van de film is Bogart dood en is het met zoveel moeite ontgonnen goud met de wind naar het Noorden weggewaaid, naar waar het vandaan kwam. Voor de oude goudzoeker, gespeeld door Walter Huston, vader van John Huston, is dit een immense, kosmische grap. Zijn lach werkt aanstekelijk – heel terecht won Walter Huston een Oscar - maar ik blijf er toch stil bij want ik had dat goud ook wel graag gewild. Ik speel niet op de Lotto, omdat ik niet geloof dat ik kan winnen, maar Laura speelt wel en samen met haar hoop ik dat ze ooit eens zal winnen. Een mens zit eigenaardig in mekaar.

14-05-07

JUNKIES EN HET VERLOREN PARADIJS


madredeus

Vroeger hield ik me veel op nabij rivieren en vooral op de groene oevers van de Zuid-Willemsvaart. Ik hield van de bedwelmende, mysterieuze geur die daar hing, alsof daar de echte wereld begon, ver weg van leugens en volwassenenmaskerades. Ook nu ga ik nog wel eens fietsen aan het kanaal naar Charleroi, van Anderlecht tot Halle, verder geraken mijn stramme spieren niet meer. De geur die daar hangt is er een van chemische producten en rottende matrassen, het einde van de echte wereld, het einde van ongeveer alles. Hier en daar staat nog wel een boom en groeit wat gras; er zitten vissers giftige vis te vangen, op het vuile kanaalwater varen roeiers in hun rode en gele kano’s. Op het voordek van een aak ligt een vrouw topless te zonnebaden in de gevaarlijke zon. Ik spoed me terug naar huis, waar ik wat ik zag zo snel mogelijk probeer te vergeten. Ik blader wat in een boek over François Truffaut, drink een glas Chardonnay, leg wat muziek op. Maar niets schijnt te helpen, de onrust blijft, ik word er moe van en doe een dutje op de sofa. In Nederland wordt het woord ‘bank’ gebruikt, maar dat is voor mij iets wat in een park staat, van hard hout gemaakt. Er zijn nog andere banken maar daar wil ik het nu zeker niet over hebben. Ik lig op de sofa, terwijl de muziek van Madredeus de kamer vult. O Paraiso, altijd hetzelfde ritueel. Vlucht naar het paradijs van de muziek en de slaap, broer van de dood.

 Later zit ik bij de televisie en bekijk achtereenvolgens Clean van Olivier Assayas en Drugstore Cowboy van Gus Van Sant, twee uitstekende no-bullshit films over druggebruikers. Clean heeft een open einde, je weet niet wat er met Maggie Cheung zal gebeuren. Op het einde opent ze een deur en kijkt uit over de magistrale baai van San Francisco; op de soundtrack hoor je haar zingen, begeleid door de narcotische gitaarsound van David Roback. In Clean heb je personages die beweren dat mensen niet veranderen. Dat zijn degenen die niemand een kans geven. Je hebt tevens degenen die van mening zijn dat mensen wel (kunnen) veranderen. Zij geven je een kans. En nog een kans. Ik denk dat zowel Olivier Assayas als Gus van Sant tot die tweede categorie behoren. In Drugstore Cowboy wordt het gebruik van drugs niet verheerlijkt, maar ook niet veroordeeld. William Burroughs speelt erin mee, dat zegt al genoeg. De junkies in Drugstore Cowboy zijn mooie jonge mensen. Sommigen worden blauw en sterven een gruwelijke dood. Het hoofdpersonage stopt met het gevaarlijk leven, vindt een job als arbeider en geeft zijn drugs aan Burroughs. Dan wordt hij in zijn miezerig kamertje in Portland, Oregon – op dit ogenblik de hipste stad van de VS - neergeschoten door nog jongere kerels, speedfreaks met maskers op. Ook hier een open einde. Je hoopt dat de voormalige junkie (Matt Dillon) zal overleven, maar dat weet je niet. Je zou hem zo graag een nieuw leven zien opbouwen. Je zou zelf zo graag een nieuw leven opbouwen. Maar om nu nog naar Portland te verhuizen is het te laat. Naar Halle misschien?

 Foto: Madredeus.