30-11-07

GRAND CANYON IN 1993


agnes, grand canyon 1993

Ik herinner me nu de dag dat we de Grand Canyon bezochten. Dat was op 15 september 1993. We logeerden in het Monte Vista Hotel in Flagstaff, Arizona. Elke kamer droeg de naam van een filmster; heel toevallig sliepen wij in een vertrek dat genoemd was naar de held uit mijn kinderjaren, Alan Ladd (vooral bekend uit de klassieker van George Stevens, ‘Shane’). Van Flagstaff naar de Grand Canyon is het nog een heel eind. De Nava-Hopi Indianen exploiteren gelukkig een buslijn, zodat het niet veel moeite kost om er te geraken. Een mooie rit door de bossen. En dan kom je daar aan en ligt daar uitgestrekt als een wonder die gigantische kloof die je de adem beneemt. Overigens geeft de hoogte je ook al een ijl gevoel in het hoofd. Het valt niet onder woorden te brengen wat er allemaal door je heen gaat als je aan de rand van die afgrond staat, of als je het pad naar de bedding afdaalt. Ik weet nog dat we liters water hebben gedronken en dat we niet helemaal tot beneden geraakt zijn; we moesten op tijd weer boven zijn voor de bus terug naar Flagstaff. Tijdens die terugrit was het al donker. Nu geloof ik helemaal niet in UFO’s, maar die avond zagen wij aan de hemel een zeer vreemd oplichtend voorwerp. Niemand van de Amerikanen in de bus wist wat het was, iedereen was verbaasd en werd er sprakeloos van. Het vliegend voorwerp was vrij lang te zien, zeker een kwartier, het was duidelijk geen vliegtuig of helikopter. We zullen nooit weten wat het dan wel was.

De volgende avond trad Dwight Yoakam in Flagstaff op in het grote stadion, een concert dat ik al evenmin als de Grand Canyon snel zal vergeten. Rechts naast me zat een Indiaan, die me een ongemakkelijk gevoel gaf, vooral omdat hij er zo macho uitzag, met de benen wijd open in zijn zitje, waardoor ik zelf niet veel plaats had. Later, tijdens de pauze, raakte ik met hem aan de praat. Het was een zeer vriendelijke kerel, nieuwsgierig naar waar we vandaan kwamen en wat we deden. Zijn vader werkte in het Museum voor Amerikaans-Indiaanse kunst. Hij was een grote fan van Dwight Yoakam. Alle Indianen houden van countrymuziek, zei hij.

Foto: Martin Pulaski.

28-11-07

WAAROM IK AFZAG VAN EEN GEVONDEN GEDICHT

warren oates,tirade,gevonden gedicht,tags,seks,encyclopedie,wikipedia,bob dylan,marcel duchamp,film,pop,pisbak

Ik was al begonnen aan een ‘gevonden gedicht’ – in navolging van de pisbak van Marcel Duchamp, maar dan met gevonden woorden - opgedragen aan de seksprentjesknippers, en een tirade tegen de encyclopedieknippers zou daar op volgen… Opeens herinnerde ik mij echter Bob Dylans ‘Just Like Tom Thumb’s Blues’ en de regels:
  
When you're lost in the rain in Juarez
And it's Eastertime too
And your gravity fails
And negativity don't pull you through…

Ik dacht tegelijk aan de blik in de ogen van acteur Warren Oates, en hoe hij zijn schouders opgetrokken zou hebben bij de aanblik van zoveel onzin. En zo kwam het dat mijn zin in pisbakkenpoëzie en tirades tegen ingebeelde vijanden meteen verdween. Ik ging het toch weer niet hebben over de belachelijkheid van blogs over sexy girls, lingerie, big tits, vibrators en parenclubs?  Ik dacht, waarom zou ik tot vijand verklaren wie het niet waard is. Bovendien hebben die mensen je niets misdaan, jongen, dacht ik, ze willen toch ook maar ‘escapen’, net zoals jij. Want dit is geen prettige wereld. Soms wel natuurlijk, maar daar heb ik het nu even niet over. Laat hen toch rustig bezig zijn en hun zinnen verzetten. Als zij graag prentjes van blote babes uitknippen of de Wikipedia overschrijven dan moeten ze dat maar doen. Zij doen er niemand kwaad mee. Beter dat dan in Irak onschuldige burgers gaan doodschieten of wapens leveren aan de moordenaarsbendes in Darfoer. Nee, zoals ik een paar dagen geleden al schreef, ik moet opnieuw beginnen. Mijn ‘onschuld’ terugvinden en alle bijkomstigheden, alles wat me van mijn pad doet afwijken, terzijde schuiven. Mijn leven is al moeilijk genoeg, ik moet het nog niet verergeren door mij onnodige vijanden op de hals te halen. Of door dingen te schrijven die ondoordacht en ongemeend zijn.

27-11-07

DE VOGELS VAN CADAQUES


the birds of cadaques I

Tijdens een wandeling in de omgeving van Cadaqués in Catalonia in 1996 - al 11 jaar geleden, hoe de tijd vliegt! - werd ik verrast door deze massa opvliegende en weer neerstrijkende vogels. Het was, zoals iemand in een commentaar op flickr schrijft, inderdaad alsof het vogels regende. Ik denk dat ik nogal wat gezien heb in mijn leven, waaronder drakenbomen, Grand Canyon, garnaalvissers te paard, the Rolling Stones in 1972 (met Mick Taylor), the Byrds, de ogen van mijn zoon en zijn kleine handjes en de huid van mijn geliefde. Zelden echter werd wat ik voor het gemak mijn ziel noem dieper geraakt. Het is een beetje zoals de imaginaire klok in de parabel hieronder.

In Port Lligat, een gehucht van Cadaqués, waar Salvador Dali een groot deel van zijn leven doorbracht, was toen nog geen museum. Je kon gewoon naar het huis wandelen en door een deur naar binnen kijken, maar veel zag je niet. Vlakbij in een winkeltje kon je een mapje kopen met foto's in bizarre kleuren van het interieur van Dali's huis, van datgene wat je door de deur niet kon zien. Die beelden volstonden om je nieuwsgierigheid te bevredigen. Een bewonderaar van Dali ben ik alleen geweest in de zomer van 1968. Een bevlieging, meer niet.

Foto: Martin Pulaski

19-11-07

EEN VERHAAL DAT GOED AFLOOPT

gesprek,vriendschap,liefde,blues,jazz

Ken je dat lied van Chet Baker, ‘I Fall In Love Too Easily’?, vroeg ze. Nee, zei ik, dat ken ik niet. Maar misschien is het wel waar, misschien heb je gelijk. Maar als het al zo is, is het toch bijna nooit ernstig. Ik word inderdaad vaak verliefd, maar het is altijd van zeer voorbijgaande aard. Soms zie ik iemand in de metro, of een passante op straat, en ik voel de verliefdheid meteen zinderen in mij. Zodra echter het ‘object’, om het in psychoanalytische termen en niet oneerbiedig bedoeld, te zeggen, uit mijn blikveld is verdwenen is ook de verliefdheid of het verlangen weg.

Ik heb alleszins het gevoel dat ik op iemand verliefd moet zijn om iets voort te kunnen brengen, zelfs om creatief te zijn met kurk. Liefde op lange afstand is nog het veiligste, zeg ik.

Ja, zegt ze, maar onze liefde is anders. Onze liefde is vriendschap. Dat gaat veel dieper en doet minder pijn. Bedoel je Platonische liefde, vraag ik. Zo zou je het kunnen noemen, ja. Alleszins mag een verwoestende liefde onze vriendschap, die zo mooi is, ja het gaat vooral om de schoonheid, niet aantasten, zegt ze. We moeten voor altijd vrienden blijven.

Ik heb slechte ervaringen met vriendschap, zeg ik. Als je je een tijdje terugtrekt in jezelf vergeten je vrienden je snel. En zeker als het slecht met je gaat. Jij kent toch die blues, ‘Nobody Knows You When You’re Down and Out’? Ja, zegt ze. Vriendschap is een zware opgave, maar dat is de liefde die ik voor je voel, zegt ze. Ik voor jou ook dan, zeg ik. In feite komt het daarop neer, voeg ik er nog aan toe. Maar ik voel dat mijn woorden tekortschieten. Eigenlijk wil ik dat dit allemaal veel intenser is, maar ik zit opgesloten in een vreemde huid. Ik ken mezelf niet meer. Ik ben mezelf niet meer.

Dit is een verhaal dat – voorlopig – nogal goed afloopt. Maar er is parallel hiermee een ander verhaal dat veel wreder is en waar mijn woorden niet alleen voor tekortschieten, maar waar ik geen woorden voor heb. Kon ik de blues maar zingen. Zoals Little Willie John of Blind Willie McTell.

18-11-07

WAAROM ZOU IK NOG BUITENGAAN?


dancing with myself

Waarom zou ik nog buitengaan? Alle muziek van de wereld heb ik om mij heen verzameld. Ach, nee, niet alle - maar voldoende om mijn jaren mee te vullen, voldoende om mijn ziel, waarin ik niet geloof, te voeden. En zo dans ik voorlopig met mezelf, geduldig wachtend op mijn andere helft. Denk niet dat ik medelijden vraag, want het is goed zo en er komen andere tijden. Alleen deze lege armen...

Foto: Martin Pulaski, Dancing with myself.

14-11-07

VOOR DE TWEE MILJOEN 'ZIELEN'


I thank you! 

Een welgemeend dank u uit de grond van mijn hart en de bodem van mijn ziel.

GROTE PLANNEN, TOEKOMSTDROMEN, VERLANGENS

dromen,reizen,plannen,canada,portugal,porto,toronto,belgie,polanski,schoonheid,fassbinder,berlin alexanderplatz,barbara sukowa,robert longo,feist,biberkopf,film,mieze,vrouwen,douro,atom egoyan,joni mitchell

Natuurlijk denk ik nog aan de vele mooie dingen die de wereld heeft te bieden. Maar ik ben in de war, het is moeilijk om alles op een rij te zetten, orde te brengen in de chaos van mijn denken en voelen. Ik zou op dit ogenblik graag mooie volzinnen formuleren, maar dat is me voorlopig niet gegund. Alsof dat een toepassing is, die gewist is. Ik slaap, eet, drink en luister wat naar muziek. ’s Avonds bekijk ik een film, een aflevering van Berlin Alexanderplatz (maar daar zit ik bijna aan het tragische einde, aflevering 13). Het is een vreselijk verhaal, dat me heel vaak woedend maakt. Ik bedoel met ‘vreselijk verhaal’ niet dat het slecht geschreven is of zo, integendeel. Het is vreesaanjagend, het doet je werkelijk pijn. Hoe kan iemand zo blind op zijn noodlot toestappen – ik wil die Franz Biberkopf toeroepen: niet doen, niet doen! Maar dat heeft geen zin, dat weet ik ook wel, ik ben geen kind dat naar een poppenkastvoorstelling zit te kijken. En wat zit ik in met die onschuldige Mieze, met haar roze strikje in haar haren. Wat een fijne actrice ook, Barbara Sukowa. Ze is even oud als ik en woont samen met de kunstenaar Robert Longo. Maar Mieze toch! Biberkopf! Fassbinder heeft ons daar een mooi vergiftigd geschenk gegeven… Dank je, Rainer Werner.


Ik zou graag naar Canada reizen, maar niet nu, volgende zomer. Ik heb er een nichtje, veel ouder dan ik, met een dochter die al volwassen is. Sinds mijn vijfde of zesde jaar heb ik Josephine niet gezien. Toen was ik verliefd op haar, nu zal ze al heel wat rimpels hebben, wat verschroeid zijn van de Canadese zon. In Toronto wil ik ook graag een keer Stephanie Fysh gaan bezoeken, een fascinerende vrouw. Ik denk dat we veel zouden lachen, samen. Ja, Canada. Met een bus door het land rijden en de landschappen aanschouwen die Neil Young bezingt, de landschappen die Atom Egoyan in beeld brengt, het land van Joni Mitchell en the Band.


Net zo graag wil ik naar Porto, maar dat kan al in de lente, dan is het daar al warm. In Porto heb ik mijn hart verloren. Daar langs de Douro wandelen tot waar hij in de oceaan stroomt, en tegen zonsondergang terugkeren naar het centrum, langs de vissers lopen, en langs mannen die eenzaam in hun auto’s naar de zonsondergang zitten te kijken, alsof ze wachten op een mirakel. Mooiere dingen kun je niet doen. En ’s avonds ga je met Cristina naar een bar, ingericht in seventies stijl, en drink je een amêndoa amarga, en een paar glazen koel bier, en je praat over de films van Roman Polanski, die jullie beiden bewonderen. Ik ben gek op Cul de Sac en Repulsion, Cristina bekijkt één keer per week Rosemary’s Baby. We lezen graag, Murakami, Virginia Woolf.


Maar je zou niet in Canada, niet in Porto kunnen blijven. Op een dag zou je je koffers moeten pakken en terugkeren naar dit mooie land België waar je maar niet kunt aarden. Dit onvriendelijke land waar ongeveer iedereen de toekomst schijnt vergeten te zijn en waar het moeilijk is om nog mannen en vrouwen te ontmoeten die grote plannen hebben en grote dromen. Waar hartstochtelijk leven naar het asiel of het kerkhof leidt. Of is dat maar een idee van mij, perceptie, zoals de politici graag zeggen? Ja, het is allemaal perceptie, zeggen zij, en zeggen de journalisten hen na. Die mooipraters, die papegaaien. En op televisie kwist men er lustig op los; bekende Vlamingen, weduwen en wezen, allemaal kwissen ze er lustig op los. En toch is dit een mooi land. Dat zag ik nog op een foto van een eenzame wandelaar. En hier zit ik nu in mijn kamer en luister wat afwezig naar The Reminder van Feist.

10-11-07

HALLUCINATIES

metro,brussel,slang,madou

Toen ik vanmorgen in station Madou op de metro stond te wachten, overviel me plotseling een gevoel van duizeligheid. Het begon, even voor tien, met een metaalachtig gesis – een geluid dat meteen mijn aandacht opeiste -, waarna uit de donkere tunnel aan mijn rechterkant de gele slang tevoorschijn kwam. Het schreeuwerige geel zond trillingen uit die een verlammend effect hadden, wat ik niet alleen bij mezelf maar ook bij de mensen in mijn omgeving kon waarnemen.

De trillingen werden heftiger; redelijk en logisch denken werden onmogelijk. Het menselijk lichaam werd herleid tot puur gevoel. Zenuwen. Het menselijk lichaam werd herleid tot puur lichaam.


De gele slang stopt niet, op een spoor van slijm glijdt ze voort… Haar kop is al voorbij, die heb ik niet eens kunnen zien… Maar haar langgestrekt lichaam… Op sommige plaatsen is haar huid doorzichtig: wij, de toeschouwers op het perron, kunnen af en toe een blik werpen op het drama dat zich in haar ingewanden afspeelt (hoe vaak zat ik zelf niet in haar buik)… Een floorshow achter de grote schubben van vensterglas… Geharnaste schimmen, die neerzitten, of rechtop staan in wolken van ultraviolet licht… Wat verderop maken enkele spookvormen in grijze gewaden trage, krampachtige bewegingen… Spastici, die niet schreeuwen, niet zingen, niet fluisteren… Hoe lang zijn ze al dood? zou iemand kunnen vragen. De gele slang, zij snelt voort…

LIFE HAS ITS LITTLE UPS AND DOWNS

leven,wil,verveling,machteloosheid,toeschouwer,charlie rich,elvis presley,sam phillips,muziek,rock and roll,pop,sun

Is mijn leven niet dor geworden, saai, eentonig? Onvruchtbare algemeenheid, verstoken van poëzie en avontuur. Maar hoe komt het dan dat ik me toch niet verveel? Dat heb ik denk ik aan mijn wil te danken: in mijn gevecht met de verveling is dat mijn enige steun en toeverlaat. Hoe lang echter zal ik nog op hem kunnen rekenen?

Alles verandert, mensen en dingen, het gebeuren gebeurt – en je weet niet goed wat jij hier in die drukte kunt of moet aanvangen… Wat kun je doen? Je bent niets, je hebt immers geen macht. Aan ergens ingrijpen in een proces hoef je niet te denken. Zelfs al verkeerde je in goede gezondheid en beschikte je over twee sterke armen. Het is wel waar dat je nog altijd een arm meer hebt dan Franz Biberkopf.

Je bent niet veel meer dan een toeschouwer. Je hele leven lang zit je passief te kijken naar een min of meer dramatische maar niet bepaald spannende of ontroerende B-film, een slechte kopie trouwens – de versleten stukken werden niet gerestaureerd maar er botweg uit weggeknipt – die, en dat weet je maar al te goed, op elk willekeurig moment kan breken.

De titel van dit stukje verwijst naar een song van de zeer miskende Amerikaanse zanger en pianist Charlie Rich, destijds ongeveer samen met Elvis Presley 'ontdekt' door Sam Phillips in de Sun studio:


"But I can count on her to take it
With a smile and not a frown.
She knows that life
Has its little ups and downs..."

08-11-07

HERACLITUS EN DE VERANDERING

heraclitus,verandering,geluk

Foto (Verandering), Martin Pulaski.

Alles verandert. De ene dag is iets zo, de volgende dag is het helemaal anders: je herkent het niet meer. Met mensen is dat zeker het geval, ze veranderen, ze komen, ze gaan – ze zijn onberekenbaar. In de lente sluit je vriendschap met iemand, in de zomer gaat hij op reis, wanneer je hem terugziet, in de herfst, is hij een vreemde geworden. Eigenaardig is het dat je nooit verwacht dat zoiets zal gebeuren. Je bent er nogal zeker van dat alles zal blijven zoals het is, zoals het was. Misschien is dat geluk: niets, niemand verandert? Onbeweeglijkheid. Misschien zijn we daardoor zelden gelukkig, er is immers altijd iets dat verandert, iets dat ons daardoor stoort. Als ik bijvoorbeeld de meubels in onze woning verplaats, ben ik daarna een tijd lang zeer ontstemd, bijna als een muziekinstrument.


Daarom is het beter verandering te aanvaarden. Ik moet mijn mentaliteit wijzigen, leren inzien en accepteren dat niets bestendig is, dat alles verandert, dat alles vloeit. Uit verandering moet ik nieuwe energie putten, en geestdrift. De verandering is, om het paradoxaal te zeggen, de grond van mijn bestaan, van ieders bestaan. In onze geschiedenis tekent zich onze toekomst af, een toekomst die eruitziet als een impressionistisch schilderij. Of zou het expressionistisch kunnen zijn?


Lang geleden schreef de Griekse filosoof Heraclitus het volgende: “Op wie in dezelfde rivieren treden stromen steeds nieuwe wateren toe; ook zielen dampen immers uit het vochtige op.”

07-11-07

WILCO EN DE NIEUWE POLITIEKE CULTUUR

wilco,bart de wever,walging,politiek,vlamingen,schat,liefde,jean-luc godard,anna karina,frank vandenbroucke,nationalisme,democratie,pop,live,haat,godard,alphaville,troost,muziek,concert


Zou zo’n kerel als Bart De Wever, vervloekt zij zijn naam, nooit eens een keer kijken naar een film als ‘Alphaville’ van Jean-Luc Godard? Om bijvoorbeeld te weten te komen wat liefde is. Anna Karina zou het hem zeggen… ‘Dichter, dichter’, zegt de liefde. ‘Verder, verder’, zegt de haat. Het zou al volstaan als hij alleen maar naar dat fragment hier beneden zou kijken. Een fragment van een ‘discours amoureux’. Geen gezeur aan mijn hoofd, zeg ik maar. Maanden lang is die vent nu al bezig ons land te gijzelen. Een niemendal als hij. Wie heeft eigenlijk voor Bart De Wever gestemd? Hij betekent niets, en toch krijgt hij zoveel aandacht, zelfs van mij nu. Frank Vandenbroucke heeft gelijk: De Wever maakt van Vlaanderen een karikatuur, hij zorgt ervoor dat Vlamingen een verschrikkelijk imago krijgen, in Brussel, in Wallonië en in het buitenland. Ik schaam mij er nu al voor om in winkels hier in Brussel nog Nederlands te spreken. De mensen denken wellicht al dat wij Nederlandstaligen allemaal een soort Bart De Wevers zijn, kleinzielige nationalisten, separatisten en antisemieten. Het is walgelijk. Intelligente mensen als Verhofstadt, Vandenbroucke, Dewael (van wie ik onlangs een uitstekend opiniestuk las, in De Standaard, of was het De Morgen?) moeten die man tegenhouden, hij hoort niet thuis in een democratie. Stuur hem terug naar zijn dorp! En Olivier Maingain hoort evenmin thuis in deze democratie, maar dat zijn mijn zaken niet, ik ben geen Franstalige, daar moeten de Franstalige democraten zich mee bezighouden.‘Verder, verder’, zegt de haat. Verwijder je. Ga weg. Ik luister niet naar je. Zwijg. Ga uit het licht, je staat in de weg.

En dan was er Wilco. De absolute troost van muziek. De volledige overgave. De ontploffing van het verlangen. Ik schrijf korte zinnetjes omdat ik buiten adem ben en geen geduld heb. (Op dit ogenblik wordt valse geschiedenis geschreven.) Wilco, alleen maar vergelijkbaar met het allerbeste. Als the Beatles nog zouden bestaan en ze zouden live spelen, zouden ze met dezelfde intensiteit, schoonheid, gewelddadige liefde en muzikale perfectie spelen als Wilco gisteren in het Koninklijk Circus. Ik hoorde gisteravond de hele geschiedenis van de rock & roll, maar niet in flarden, niet ironisch, niet post-modern, maar in een bezielde synthese. Het eerste lied, ‘Sunken Treasure’, bevatte een intentieverklaring:

“Music is my savior, and I was maimed by rock and roll.
I was maimed by rock and roll.
I was tamed by rock and roll.
I got my name from rock and roll.”

En daar werd niet meer op teruggekomen. Twee uur later werd met enkele verwijzingen naar the Kinks en vooral the Who een punt gezet achter een concert dat, denk ik, bij iedereen die erbij was in de ziel zit opgeborgen als een unieke schat. Voor de details, lees de recensies. En nu ga ik opnieuw wat walgen van de nieuwe politieke cultuur.

05-11-07

DIMITRI VERHULST EN HET GELUK


Gisteravond zag ik Dimitri Verhulst op televisie (alias cinema Eden). Ja, ik geef het toe, ik heb het weer gedaan, maar het was toevallig. Ik had zitten kijken naar de vierde episode van Fassbinders ‘Berlin Alexanderplatz’. ‘Een handjevol mensen in de diepste stilte’ heet dat deel. Eigenlijk is het niet geschikt voor melancholische mensen. Of juist wel, omdat het een tegengif is? Franz Biberkopf, het hoofdpersonage uit het boek en de film, is weg van zijn vriendin Lina en wil niemand meer zien; hij zuipt zich te pletter. Het is onwaarschijnlijk hoeveel die man kan zuipen. Af en toe kijkt hij door zijn raam en dan ziet hij alleen maar slechte mensen. En hij kaart met Satan.

dimitri verhulst,fassbinder,david cronenberg,berlin alexanderplatz,jaloezie,afgunst,franz biberkopf,satan,barbara sukowa,meesterwerk,film,boeken,marc didden,geluk


Daarna zag ik ook nog de film ‘A History Of Violence’ van David Cronenberg. Ik houd van het werk van de Canadese regisseur, maar hij wordt almaar commerciëler. Dat is al begonnen met ‘Spider’. Waar is de tijd van films als ‘Videodrome’ en ‘Crash’? Toch heb ik mij kunnen verplaatsen in het donkere, spannende verhaal, vooral omdat er zo goed in geacteerd wordt. De cameo van William Hurt is werkelijk verbluffend. Toen die dvd afgelopen was zag ik plots het hoofd van Dimitri Verhulst opduiken. Wat heeft die man vettige haren. Of zou het gel zijn? Ik vond desondanks dat hij een aangename stem had, en bleef geboeid kijken. Mijn vriend Marc Didden, ere wie ere toekomt, heeft mij een paar maanden geleden Verhulsts ‘De helaasheid der dingen’ aanbevolen. Het is er nog niet van gekomen, maar ik zal de roman zeker lezen. Maar! Wat ben ik afgunstig op deze schrijver! Of is het gewoonweg jaloers? Waarom zou ik toch jaloers of afgunstig zijn? Omdat Dimitri Verhulst gelukkig is (dat zegt hij zelf) en ik ben het niet. En hij heeft zelfvertrouwen en ik niet. En hij kan zich verplaatsen in zijn fictionele wereld en ik niet.

DIMITRI VERHULST

Ik zit in mijn biografie opgesloten. In mijn huid waar ik niet uitgeraak. En om mijn huid zit nog een ander omhulsel, waardoorheen ik de anderen niet meer kan bereiken, en de anderen mij niet. En fictie? Soms zoek ik nog wel naar personages, maar ik vind ze niet en ik kan ze niet uitvinden. Ik heb geen toegang tot dat gedeelte van mijn hersens waar mijn fictieve personages worden bedacht. Toch ben ik op de eerste plaats jaloers / afgunstig op Dimitri Verhulst omdat hij zo gelukkig is. Met zijn vrouw en zijn werkkamer en zijn boeken en zijn vettige haren. Of is het gel? Wat niet betekent dat ik de schrijver zijn geluk niet gun. Alleen zou ik ook graag zo gelukkig zijn. Ik heb eveneens een vrouw en een werkkamer en vettige haren (zij een veel kleiner aantal dan Verhulst). Waar wacht ik dan op? Wat houdt me tegen? Misschien moet ik toch eerst eens dat boek lezen, en staat daar in hoe ik het geluk kan vinden.


Afbeeldingen: eXistenZ en Dimitri Verhulst.

DEPRESSIE: HET DONKERE HART


Melancholie 6


Depressie, daar staat het woord. Het wordt te pas en te onpas gebruikt, zodat je er achteloos aan voorbijgaat, eroverheen leest. Je had zelf al wel eens een dipje, je voelde je wel vaker depressief, je had vrienden die aan depressie leden, drie van hen hebben zich al jaren geleden de dood in gejaagd. Het woord ‘zelfmoord’ mag je niet gebruiken. Nu heb je zelf een depressie, een echte, een klinische depressie. Het heeft met neurotransmitters en serotonine en zo te maken, wordt gezegd. Een klinische depressie is een ernstige stemmingstoornis. Je hebt nog weinig belangstelling voor om het even wat. Alleen muziek en bewegende beelden doen je nog iets. Hoe eerlijk kun je hier over schrijven? Zijn deze openhartige notities geen vorm van exhibitionisme? Ik denk het niet. Het boek dat Geerten Meijsing over zijn depressie schreef  - ‘Tussen mes en keel’ – is een aangrijpend relaas en volkomen eerlijk. Wees gerust, zelf zal ik er geen boek over plegen, aangezien het al bestaat. Er zijn er nog andere, dan dat van Geerten Meijsing, zoals ‘Darkness Visible’ van William Styron, de schrijver van ‘Sophie’s Choice’.
 

Je voelt je geestelijk en fysiek uitgeput. Je loopt traag over straat, terwijl je nog niet zo lang geleden zeer snel stapte (maar nooit zo snel als je zoon). Je geraakt niet vooruit. Je hebt geen lustgevoelens. Vanavond niet schat. Toch lig je hele nachten wakker en besluipen je dan allerlei angsten en angstgevoelens. Je vreest de algehele aftakeling en de dood. Je gelooft niet in jezelf. Je denkt dat je je werk niet meer aankan. Je kan maar niet beslissen om de verzekeringsmaatschappij te bellen, of andere administratieve zaken in orde te brengen. De kraan in de badkamer moet worden vervangen, je fiets hersteld. Je kunt helemaal niets beslissen. Als je boodschappen doet vergeet je de kip voor de waterzooi. Je voelt je schuldig omdat je niet kunt werken. Je denkt dat niemand nog respect voor je heeft. Je hebt zelf geen respect meer voor jezelf. Het is alsof je in het tegenovergestelde van een roes leeft, een anti-roes. De psychiater schrijft je antidepressiva voor, maar daar word je ziek van, ze wekken braakneigingen op, je zweet ervan als een oude os, je geeuwt de hele dag door, je krijgt pijn in de borststreek… Het is een vicieuze cirkel: medicatie om te genezen en je wordt er ziek van. Catch-22, voor wie het boek van Joseph Heller of de film van Mike Nichols kent. Tijd heelt alle wonden, zeggen de mensen. Zouden de mensen gelijk hebben?


Afbeelding: Zelfportret met de dood, Arnold Böcklin.

01-11-07

VIRGINIA WOOLF OP DE BOEKENBEURS?


virginia woolf 2


Van de eenenzeventigste boekenbeurs lig ik niet wakker. Ook niet van de vorige boekenbeurzen en evenmin van het andere boek. Het ‘andere’ boek verschilt nauwelijks van het ‘gewone’ boek. Ik zag eergisteren de begenadigde schilder Sam Dillemans op televisie. Ja, soms laat ik mij toch wel eens verleiden tot het bekijken van een programma, maar meestal gebruik ik het toestel als mijn privé-cinema. Ik heb onze televisie cinema Eden gedoopt. Gisteren ben ik begonnen aan de systematische vertoning van Fassbinders mooi gerestaureerde ‘Berlin Alexanderplatz’. Maar ik had het over Sam Dillemans. De schilder is niet alleen een kenner van de schilderkunst – en hij weet als geen ander de kijker duidelijk te maken wat kunst is en wat geklungel – maar hij leest tevens veel boeken, wereldliteratuur. Hij schept er een groot genoegen in klassieke werken zoals die van Dostojewski voor 50 eurocent op de kop te tikken in een kringloopwinkel. Ik denk dat je Dillemans niet tegen het lijf zult lopen op de boekenbeurs. Voor mij is dat ook een van de redenen om er niet naartoe te gaan. Wat een plezier is het om in een tweedehandswinkel op de Lemonnierlaan een prachtige editie van de dagboeken van Gombrowicz aan te treffen voor de prijs van één euro! Een andere reden waarom ik niet graag naar die beurs ga is dat de massa mij ademnood bezorgt. En dan is er nog Jef Geeraerts, die er elk jaar weer zijn nieuw volume pulpfictie zit te signeren. Maar schrijvers zijn arm heb ik vernomen, dus moeten ze zich wel profileren. Twee weken lang zijn ze de sandwichmannen voor hun eigen producten.

Ik kan me moeilijk voorstellen dat iemand als Virginia Woolf op een boekenbeurs zou hebben zitten signeren. Haar prachtige roman ‘The Waves’ bijvoorbeeld. Bijna elke zin die ik daarin lees ontroert me – zoals alleen de allermooiste muziek dat kan doen. Soms heb ik de indruk dat in haar taal de natuur zelf aan het woord komt. Virginia Woolfs melodieuze woorden, zacht en transparant, stromen over de witte bladzijden zoals water in een ongerepte rivier, niet ver van haar bron. Haar woordenschat – die uitdrukking komt hier werkelijk tot haar recht  - is zo rijk dat ik mij schaam voor mijn eigen bijna rancuneuze armoede.

“But we sit together, close, we melt into each other with phrases”.

30-10-07

NEW YORK CITY HERE I COME


public library new york


"You should live in New York City. America's largest city will ensure that you will blend into the crowd. You are the brooding type--introspective, creative, and eccentric--and NYC's cutting-edge, individualistic culture and ambience will appeal to you."

Find Your Character @ BrainFall.com


Ik haat kwissen, eraan deelnemen is zowat het domste wat je kunt doen, vind ik. Nu zondig ik al twee dagen tegen mijn eigen stelregel... Waar gaat het met me naartoe? In deze belachelijke kwis ging het erom welke stad het beste bij je past. Uit mijn antwoorden blijkt dat ik een New Yorker zou moeten zijn. Misschien klopt dat nog wel ook.

2.
Vorige zondag was ik plotseling razend populair. Duizenden en duizenden bezoekers kwamen hier over de vloer. Daarna gingen ze weer weg, zonder een boodschap achter te laten, alsof deze plek een donker en grauw station is, waar je je zo snel mogelijk uit de voeten moet maken. Je zou er wel eens voor onaangename verrassingen kunnen komen te staan. Als dat zo is, dan ben ik degenen die hier zo vaak komen lezen en zelfs af en toe - of heel vaak - een commentaar schrijven bijzonder dankbaar.

Photo: MP in de Public Library in New York City

27-10-07

VOETZOEKERS OF VOETNOTEN?


Hoe ontstaat zo’n tekst als ‘Heaven’s Gate’? Je zit naar nog maar eens een miskend meesterwerk te kijken, in dit geval ‘Heaven’s Gate’, de 220 minuten durende film van Michael Cimino, gebaseerd op de Johnson County Wars in Wyoming, die plaatsvonden op het einde van de 19de eeuw. In 1980, toen de film werd uitgebracht, werd hij door vooral Amerikaanse recensenten grondig afgekraakt. Het publiek bleef massaal weg. De zeer dure film werd bijna overal een regelrechte flop, met uitzondering van een aantal Europese cultuursteden.

In ‘Heaven’s Gate’ wordt veel gedanst, gemusiceerd, en er wordt een bloederige, wrede oorlog uitgevochten tussen rijke veebaronnen en hun huurlingen enerzijds en boeren-immigranten (vooral uit Oost-Europa) anderzijds. Er is een subverhaal over de liefde van zowel Kris Kristofferson als Christopher Walken voor Isabelle Huppert, in deze film mooier dan ooit, en nog zo jong. Zij is de tragische heldin van het verhaal. Tragische heldinnen moeten sterven.

De mooiste scène is wellicht die in de danshal ‘Heaven’s Gate’, waar de boeren dansen op rolschaatsen – met op de voorgrond adembenemende muziek van de toen jonge componist en muzikant David Mansfield. Hij is trouwens meermaals te zien in de film. Dylan-bewonderaars zullen de engelachtige David Mansfield ongetwijfeld kennen; in de jaren ’70 speelde hij in Dylans begeleidingsband, onder meer op ‘Street Legal’, ‘Bob Dylan at Budokan’ en ‘Hard Rain’. Te zien is hij in Dylans ook al zeer lange film ‘Renaldo and Clara’. Zelf heb ik hem in 1993 live zien optreden in The Bottom Line in New York waar hij toen Lucinda Williams begeleidde op viool.

Terwijl ik naar de film zat te kijken, een Duvel dronk en mijn emoties de vrije loop liet, werd ik opnieuw opgezweept door de soundtrack en verbluft door de Ciminos beeldenrijkdom en geweldige montage. Cimino stelt dat de Verenigde Staten gebaseerd zijn op uitbuiting, geweld, hypocrisie en verraad.

Ik nam vlug een langwerpig velletje papier om er wat woorden op te noteren. Door die langwerpige vorm moest ik de woorden onder elkaar zetten, zodat er qua vorm een gedicht ontstond.

De volgende dag heb ik eens gekeken naar wat ik neergeschreven had. Ik zag het bruin en het groen van de aarde in Wyoming en het bruin van de kleding en hoeden van de boeren.  Het asgrijs van de dood die hen boven het hoofd hing. De immigranten zagen er vermoeid uit, de aarde leek hen niet toe te lachen. Je zag beelden van een grauw en donker bestaan. Daartegenover enkele ogenblikken lichtheid, van het walsen op rolschaatsen in een grote houten danshal waar een orkestje opgewekte en tegelijk melancholische muziek speelde. De boeren waren moe, maar in zekere zin onbezorgd. Ze wisten nog niet dat de asgrauwe dood op hen wachtte.

Op mijn papiertje trof ik sporen aan van de lichte huiduitslag waar ik last van had, ten gevolge van antibioticagebruik. In de proloog van ‘Heaven’s Gate’ neemt Cimino je mee naar de universiteit van Harvard (in werkelijkheid is het Oxford, maar in film mag dat, het Vietnam van Kubrick is een oud fabrieksterrein ergens in Engeland). Er worden diploma’s uitgereikt, er wordt feest gevierd, gewalst. Harvard, een rijke, lichte wereld. De jonge mannen die hier afstuderen zullen van het nog jonge, ruwe land een beschaafde natie moeten maken. Maar zullen ze daar in slagen? Zijn de natuur en de aard van de mens niet weerbarstig en opstandig als het om cultuur en fijne manieren gaat? Worden verfijnde mensen in ruwe streken niet belachelijk gemaakt of afgeslacht? Denk maar aan Peckinpahs ‘Straw Dogs’. Denk maar aan William Wylers ‘The Big Country’.

In mijn hoofd waren de walsers aan het jiven geslagen, wat natuurlijk een anachronisme is, maar in een gedicht mag dat. De natie waar ik het over het is de VS maar het gaat uiteraard ook over België. De vader is de rector van de universiteit, en is mijn eigen vader, die toen ik klein was graag Willem II sigaren rookte. Hij is een gewone man, een boerenzoon – het praktische nut van een diploma lijkt hem gering. Je kunt er geen grond mee bewerken noch de mijnschacht in.

David Mansfield speelt de hele tijd door op de blauwe gitaar van dichter Wallace Stevens. Diens lange gedicht ‘The Man with the Blue Guitar’ is in het Nederlands vertaald door Rein Bloem. Peter Case verwees er enigszins ironisch naar in de titel van een van zijn elpees: ‘The Man with the Blue Post Modern Fragmented Neo-Traditionalist Guitar’ (op die plaat staat de schitterende song ‘Entella Hotel’ geduldig op luisteraars te wachten). De oesters verwijzen naar de als oesters levende burgers uit Hölderlins ‘Hyperion’. En het gedicht eindigt met een deuntje van Howlin’ Wolf alias Chester Burnett.

***

(1. / Van mijn lippen valt schimmel / en woorden in het gruwelgrijs van de dood / van mijn lippen op de oude aarde / groen en bruin de mensen moe. // Onder de maan alleen een blauwe melodie / aan de beroemde blauwe gitaar ontlokt / een wegebbende echo nog maar / na een eeuw walsen en jiven en zweten. // 2. / De vader zit op een bank, rookt zijn sigaar / Willem II, onverrichter zake. / Boven zijn hoed wappert de vlag / van een natie de mensen moe. // Wenst me geluk met mijn diploma, / veel succes etcetera etcetera – maar, / filosofen komen niet verder dan oesters, / vertrouwt hij me toe. // Kijk naar de historie, / Wyoming, de trek naar de Far West / tot aan de Pacific, / kijk hoe dat verhaal afliep: / follow me baby, have a real good time.)

23-10-07

THUISKOMST / HÖLDERLIN


Het onderstaande fragment uit Hölderlins gedicht ‘Heimkunft’ is me – vooral in deze periode van mijn leven – uit het hart gegrepen.

 

“Nenn ich den Hohen dabei? Unschikliches liebet ein Gott nicht,

Ihn zu fassen, ist fast unsere Freude zu klein,

Schweigen müssen wir oft; es fehlen heilige Namen,

Herzen schlagen und doch bleibet die Rede zurück.”

 

(fragment uit het gedicht ‘Heimkunft – And die Verwandten’, in: Friedrich Hölderlin, Werke und Briefe, Herausgegeben von Friedrich Beissner und Jochen Schmidt, Insel Verlag, Frankfurt am Main, 1969, 122.).

 

“Noem ik de naam des Hoogsten daarbij? Hij weigert de wanklank,

om hem te vatten is haast zelfs onze vreugde te klein.

Zwijgen moeten wij vaak, ons ontbreken heilige namen,

hoezeer het hart in ons bonst, toch blijft de spraak ons ontzegd.”

 

(fragment uit 'Thuiskomst', uit: Friedrich Hölderlin, Gedichten, de Prom, 1988, 227, vertaling door door Ad den Besten.)

Over die vertaling valt veel te zeggen, maar dat zou me te ver
leiden, voorbij de taal, waarover ik zelf op dit uur van de dag niet beschik. Waar het mij hier inderdaad om gaat is dat mij de taal, het woord, de rede, de logos ontbreekt. Hoe deel ik dit in vredesnaam mee?

20-10-07

OP HET GOEDE PAD


op het goede pad

Jan Wolkers had ik toen nog niet gelezen. Een jaar later zou ik mijn geloof definitief verliezen. Of mag je dat niet zeggen, definitief?

Ongeveer veertig jaar later: ik ben na drie dagen gestopt met de anti-depressiva. Ik voelde me nog veel ellendiger als ik die rotzooi slikte. Goed advies van mijn vrienden heeft me geholpen om de juiste beslissing te nemen. Nu zal ik het gevecht met mijn demonen op eigen kracht moeten aangaan. Geenszins zal ik de hulp van bovennatuurlijke wezens inroepen, zelfs al is er destijds een plechtige communie geweest. Ik begreep in die dagen helemaal niet wat 'communie' betekende. Alleen om die reden was mijn belofte betekenisloos en was ik tot niets verplicht.

Ik luister nu naar 'Little Amber Bottles' van Blanche, tijdloze, wondermooie muziek. Het feit dat ik erdoor ontroerd word betekent dat mijn depressie niet onoverkomelijk is.

 

17-10-07

HET EINDE VAN DE WERELD BINNEN HANDBEREIK


tokyo monogatari van ozu 2


Gisteren verscheen ik opnieuw op het werk, na een afwezigheid van meer dan een maand wegens ziekte. Wat gebeurde er met me? Ik betrad een mij ineens volkomen vreemde wereld. De grond onder mijn voeten? Om mij heen soortgenoten, mijn collega’s – vreemden met vreemde gezichten. Ik vroeg me af waar ik was, of ik wel bestond. Het was onmogelijk om me in hen te herkennen, terwijl het toch elementair is voor het menszijn dat je je in de andere herkent.
 

Gisteren gaapte er een afgrond tussen ‘hen’ en ‘mij’, een afgrond die me letterlijk deed verstommen. Ik heb van de hele dag nauwelijks een woord gesproken; ik zat te wachten op een einde, misschien wel het einde van de wereld. Je hebt de ervaring dat je in een hinderlijke cocon zit opgesloten, een omhulsel dat je geen bescherming biedt – een cel die samenvalt met je huid. Ik was de ‘zieke’, de ‘andere’… Niet dat mijn collega’s me daar op wezen of in enig opzicht vijandig deden, integendeel. Het was geheel mijn ervaring, ikzelf zag me zo en zag de anderen zo. En in mijn hoofd herhaalde een stem opnieuw en opnieuw: je kunt alleen maar mislukken. Je kreeg buikkrampen van die stem, tranende ogen, hoofdpijn, dyslexie. De enige rol die je kunt spelen is die van het slachtoffer, zei de stem. Ik zweeg zo hard dat de pijn die ik al had nog verhevigde.
 

Wat ik me afvraag is of ik de rol van het slachtoffer speel. Is het niet sterker dan mezelf? Is het een fenomeen waar ik geen vat op heb, waardoor ik een speelbal ben die ook slachtoffer is?  Ik weet het niet. Voorlopig doe ik er het zwijgen toe en wacht. Alleen een paar woorden van zelfbeklag kan ik nog kwijt.

Sinds deze morgen slik ik anti-depressiva. Deze pillen geven mij een enorme dorst, maar honger heb ik niet meer.


Ben ik te openhartig als ik zeg dat ik gisteravond door een waas van tranen naar Tokyo Monogatari zat te kijken, misschien wel de meest humane film die ooit werd gemaakt?


Afbeelding: uit Tokyo Monogatari (1953) van Yasujiro Ozu

14-10-07

SUNDAY AFTERNOON


zondagmiddag

Vandaag was ik te lui om te schrijven. Vermoeidheid en de laatste sporen van ziekte heb ik van me af gewandeld in het Terkamerenbos. Een schitterende zondagmiddag. Dat sluit goed aan bij het lied van The Velvet Undergound hieronder.

En morgen opnieuw the struggle for life.