18-03-08

AAN DE LIEFDE GELEDEN

Je hebt als alle jongens aan de liefde geleden, zelfs tijdens die zomer toen alles gonsde en alles licht was om je heen, zodat het wel leek of je een van de uitverkorenen was. Veel twijfels had je maar je was ook zeker van de richting die je insloeg. Later hoorde je dat dat het kruispunt was geweest. 

Uit het groen vertrok je al wat gebogen, in cirkels van waanzin gevangen, trots op je hart en zijn woorden, je sterke, magere armen uitstrekkend naar wat je niet kende. Spiegels noch lege bladzijden schrikten je af.

Daar liep de massa bekoorlijk onder de torens over de lanen in september. Het was de grote schoonmaak van je zinnen. Veel van wat je geleerd had keerde je binnenstebuiten; je ademde moeilijk maar ging toch tegen de stroom in, met maandenlang een purperen jas aan, de jas van de heilige die je zou worden.


De jaren bevlekten je vel. Je droomde de dagen weg. Je beschreef een ontsnapping uit de grenzeloze psychose van wat de wet heet.

Je ging naar je bron om jezelf te ontginnen, niet voor het goud, want dat was maar een woord, maar voor het erts van een waarheid. Een waarheid die niemand vermoedde. Schuld en boete betekenden niets daarmee vergeleken. Zou men je vermoorden als men het wist wat je bezielde?

14-03-08

LUGARES COMMUNES

pop,popcultuur,mozilla firefox,haruki murakami,toeval,kris kristofferson,tweedehandsplatenzaken,tijd,bob lind,jack nitzsche,luk paard,simon vinkenoog,sixties,allen ginsberg,bob dylan,mode,sandy denny,argentinie,lugares communes,ann christy,marie laforet,an salens,jan fabre,daan,veronique branquinho,luc janssen,teheran,heroine,internet explorer,weemoed,melancholie


Hoe breng ik mijn dag door? Het is al moeilijk om me vandaag nog te herinneren wat ik gisteren deed. Ik noem een aantal dingen die me bijgebleven zijn, wellicht omdat ze nogal eens terugkomen. (Maar herhaling of niet, toch is elke daad ook uniek.) Ik luister naar de melancholische stem van Bob Lind en overdenk dat producer Jack Nitzsche echt een genie was. “In the ocean of your arms I won’t be lonely”. Violen, Hal Blaine, de perfecte pop-drummer.

Drie, vier, vijf keer op een dag krijg ik video’s toegestuurd van Luk Paard, die de poëzie heruitvindt. Ik word er niet goed van, hoe goed en echt en onvoorwaardelijk hij met woorden omgaat, hoe heel zijn gezicht poëzie wordt als hij leest. Hij is een echte dichter, hij leeft voor niets anders. Simon Vinkenoog zag ik op televisie, ter gelegenheid van het boekenbal. Wat ziet die man er nog goed uit, op zijn leeftijd, met die lange opstandige lokken en altijd slanke gestalte. Geen grammetje verraad zit in die man. Maar een genie is en was hij niet. Hij was een soort van orakel. Uit mannen als Simon Vinkenoog, Allen Ginsberg en Bob Dylan zijn mijn jaren zestig ontstaan.

Een vriendin vraagt me in een mail naar de geest van de jaren zestig. Wat voelden wij? Wij jongeren ‘voelden’ een echt revolutionaire sfeer overal om ons heen. Het was niet alleen maar pop. Het was een globaal fenomeen dat plaatsgreep, een besef dat wij alles konden veranderen. Een nieuwe, mooie wereld maken, weg van de oude generatie die alles verknoeid had. Muziek speelde daar een belangrijke rol in. De muzikanten waren boodschappers. Maar politiek was eveneens een essentiële factor, bewust of onbewust. En de alternatieve mode die ontstond. Dat antwoord ik haar, terwijl ik besef dat er van die idealen zo weinig is terechtgekomen. Inmiddels is de wereld leeggezogen, de aarde uitgeput. In plaats van mooier en beter is de menselijke werkelijkheid lelijker en slechter geworden. Het platste spektakel vult onze dagen. Maar lang geef ik me niet over dan zulke pessimistische gedachten, anders zou ik mij al lang hebben opgehangen aan de hoogste boom in het Zoniënwoud.

Aan een muziekliefhebber schrijf ik over Sandy Denny’s ‘Who Knows Where the Time Goes’; ja, ik weet het, het is van Fairport Convention, maar in dit geval wàs Sandy Denny Fairport Convention. Ik schrijf hem dat ik dit lied niet melancholisch vind. De zangeres houdt zich sterk, ze is niet bang voor de tijd, wellicht omdat ze in zichzelf een liefde voelt groeien, die wij niet kennen. En de vogels die in het begin van het lied wegvliegen komen op het einde terug.

Ik ga naar de Delhaize en koop brood en eend en Argentijnse wijn en groenten. Daarna rust ik een tweetal uur, even uitgeput als de aarde. Sinds vorige vrijdag heb ik me niet meer geschoren. Ik heb zitten huilen bij een film over een Argentijnse professor die met vervroegd pensioen wordt gestuurd. ‘Lugares Communes’ heet de mooie, gevoelige film. Want er zijn toch ook nog mooie dingen. Maar niet alle kunstenaars zijn zuiver op de graat, niet alle kunstenaars streven naar het goede of hebben edele gevoelens. Ik hoop dat Jan Fabre niet ten valt komt, hoogmoedig als hij is. En hoe kan een muzikant als Daan op zoek gaan naar popmuziek in China? China heeft geen popmuziek nodig. De tijd van de popmuziek, hoeveel ik er ook van houd, is voorbij. De tijd van Daan is voorbij. Ook Veronique Branquinho, ik houd van haar mooie Portugese naam, zag ik terugblikken, naar Ann Christy, Marie Laforêt, de betreurde An Salens. Alsof de toekomst geheel zwart is. Ik houd niet van Luc Janssen, Lux XL, en toch kijk ik er telkens weer naar; het lijkt wel of ik graag zit te walgen. Ja, ik vind die wereld van snelle wagens, champagne en cocaïne walgelijk. In Teheran kost een gram heroïne nu 2 euro, ongeveer even weinig als bij ons een brood, hoorde ik op de radio.  

Ik zou orde moeten aanbrengen in deze chaotische woorden, maar de tekst vindt toch wel zijn eigen orde. Ik zet een clip van Kris Kristofferson op hoochiekoochie. Daar doe ik meer dan een uur over, omdat er zoveel clips zijn om uit te kiezen. Ik gooi Mozilla Firefox opnieuw van mijn computer af, omdat ik de indruk heb dat die browser onafgebroken een strijd op leven en dood levert met Internet Explorer. Zal ik naar cinema gaan, vraag ik mij af. Er zijn zeker vier films die ik wil zien. Nee, ik zal ze niet opsommen. Nu hoor ik Bob Linds ‘Remember the rain’: “remember the rain, when you think of the sunshine”, kan het weemoediger?  

Gisteren schreef ik in verband met een tekst over Kris Kristofferson nog een keer over toeval. Ik schrijf graag over dat thema, maar probeer het toch te vermijden. Maar wat moet je dan denken als je diezelfde avond in bed nog een verhaal leest van Haruki Murakami, dat toevallig ook over toeval gaat, ‘Chance Traveller’ heet het verhaal, dat terug te vinden is in de bundel ‘Blind Willow, Sleeping Woman’. Er staan merkwaardige staaltjes van toeval in. Eén voorbeeld. Murakami woont in Cambridge, nabij Boston. Net als ik gaat hij er graag in de tweedehandsplatenwinkels snuffelen. Zo vindt hij op een keer een nog uitstekend exemplaar van Pepper Adams’ ’10 to 4 at the 5 Spot’. Hij koopt de elpee, stapt de winkel uit, een voorbijganger spreekt hem aan, vraagt hoe laat het is, Murakami kijkt op zijn horloge, tien voor vier, zegt hij. De rest moet u zelf maar lezen. Ik denk dat ik me nu toch maar eens ga scheren. En daarna de stad in, naar de tweedehandsplatenzaken. En dan zien we wel weer.

03-03-08

ALWEER GEEN BLOWJOB

blow job,muziek,populaire cultuur,pop,rock,muziekwinkels,dvd s,vincent gallo,ozu,kurosawa,carole king,gerry goffin,mar-keys,kim ki-duk,pasolini,antwerpen,king curtis,don covay,jerry leiber,mike stoller,phil spector,the cake,bob lind,the brown bunny

Martin Pulaski, Zelfportret

Word ik debiel, seniel, goed gek of gaat het gewoon beter met me? Oordeel zelf maar. Vrijdagavond heb ik geboeid en geïntrigeerd naar een aflevering van ‘Het uur van de wolf’ over Johnny Hoes zitten kijken, de schrijver van bekende Nederlandstalige liedjes als ‘Cherie’ (Eddy Wally) en ‘Och was ik maar bij moeder thuisgebleven’  (door Johnny Hoes zelf naar de top van de toenmalige hitparades gezongen). De man is negentig jaar, nog steeds levenslustig en geïnteresseerd in gewone mensen als u en ik – en bovendien lijkt hij me volkomen eerlijk. In Humo las ik de volgende uitspraak, die Johnny Hoes helemaal typeert: “Moet je luisteren, mijn vader werd 102, dus misschien heb ik nog wel een tijdje te gaan. Maar goed, die dag komt zeker. Naast mijn graf mogen ze dan een jukebox zetten met al mijn grote hits, zodat bezoekers naar believen een nummer kunnen draaien. Eén euro per liedje, dan verdienen we nog wat ook.” Ik heb nu het plan opgevat om weer als vroeger rommelmarkten af te gaan schuimen en er – niet als vroeger – langspeelplaten op het Telstar-label van Johnny Hoes te zoeken. Dat belooft.


Zaterdag was ik na lange tijd nog eens in Antwerpen, de stad waar ik me altijd thuis heb gevoeld.

Een Rus zei op televisie dat hij shoppen veel leuker vond dan stemmen voor een of andere corrupte politicus. Mijn über-ich zal opperen dat ‘ik’ het daar niet mee eens ben, niet omdat ik winkelcentra haat (dat doe ik ook) maar omdat het niet politiek correct is. Onbewust echter voel ik mij aangetrokken tot alles wat glinstert, ook al is het geen goud. In plaats van te vechten in een of andere ‘dirty little war’ ga ik veel liever shoppen, ook al vind ik dat verkeerd. Een mens zit vreemd in elkaar. Een goede god zou de mens veel duidelijker en meer samenhangend hebben gemaakt, en een slechte god ook.

Op de  De Keizerlei nam ik afscheid van mijn geliefde, zij ging in navolging van Imelda Marcos schoenen kopen, en ik stapte haastig de mediamarkt binnen. Daar keek ik even naar de dure camera’s en spoedde me dan naar de afdeling dvd’s en cd’s, waar mijn oog op een plaatje van Bobbejaan Schoepen viel, de zanger van ‘Een hutje op de heide’, ‘Café zonder bier’ en ‘’k Zie zo gere mijn duivenkot’. Ik heb me de cd meteen aangeschaft en zit nu mee te zingen op ‘Zie ik de lichtjes van de Schelde’. Bangelijk, zoals ze in Antwerpen zeggen.

Maar vrees niet, beste lezers: ik gaf daarnaast veel geld uit aan ‘kwaliteit’, films van Yasujiro Ozu, Akira Kurosawa, Kim Ki-Duk,Vincent Gallo en een box met vier films van Pier Paolo Pasolini. In mijn favoriete platenwinkeltje, Fat Kat in de Lange Koepoortstraat, vond ik ongeveer alles wat ik de voorbije maanden op mijn ongeschreven lijstje had genoteerd: Bob Lind – The Complete Jack Nitzsche Sessions; Goffin & King – A Gerry Goffin & Carole King Song Collection 1961-1967; The Cake - More Of the Cake Please; Phil’s Spectre III – A Third Wall Of Soundalikes; the Leiber & Stoller Story – Volume One: Hard Times; The Leiber & Stoller Story – Volume Two: On The Horizon; The Leiber & Stoller Story – Volume Three: Shake ‘Em Up And Let ‘Em Roll; en uitstekende verzamelingen op het Atlantic-label, van the Mar-Keys, King Curtis en Don Covay.

Misschien is het nog goed dat ik aan een depressie lijd. Anders zou ik binnen de kortste keren bankroet zijn. Maar als het nodig is kan ik mijn koopgedrag uitstekend verdedigen. Overigens ga ik altijd graag stemmen, omdat ik weet dat onze politici hier in vrolijk België helemaal niet corrupt zijn. Helemaal niet.

vincent gallo 2


Maar Vincent Gallo wel. Van Chloë Sevigny nog wel.

26-02-08

EEN ONTMOETING MET EEN FILMREUS

film,paul koeck,rva,popcultuur,schrijver,scenario,jean vigo,l atalante,zero de conduite,antwerpen,secretariaat-talen

Jean Vigo.


In 1987 maakte ik kennis met Hilde Geudens, een jonge vrouw die nog sneller kon typen dan ik. We zaten in een klasje van werkloze universitairen en volgden bij de RVA een cursus secretariaat-talen. Al snel werden Hilde en ik onafscheidelijke kameraden. We vonden het grappig als we weer eens een uurtje razendsnel hadden zitten typen en baalden van de cursus boekhouding. Ik heb nooit iets saaiers meegemaakt in mijn leven dan die cursus boekhouden en het toneelstuk ‘In de eenzaamheid van de katoenvelden’ van Bernard-Marie Koltès. Hilde en ik gingen af en toe uit in de Antwerpse kroegen, of we zochten elkaar thuis op voor een gesprek en een kopje koffie. Hilde wist dat ik schreef en zeer geïnteresseerd was in film. Of ik Paul Koeck eens wilde ontmoeten, dat was een vriend van haar? Ik had nooit iets van de man gelezen, en zal dat ook nooit doen. Maar in die dagen van wanhoop en uitzichtloosheid dacht ik, baat het niet dan schaadt het niet.

Op een avond ging ik bij Paul Koeck op visite. Ik had een boek bij van P.E. Salles Gomes over leven en werk van de Franse, erg jong gestorven regisseur Jean Vigo, mijn favoriete filmmaker. In mijn hoofd zat een vaag ‘idee’ voor een scenario, dat grotendeels gebaseerd was op ‘L’atalante’, het meesterwerk van een jong genie. Ik wist natuurlijk dat een remake van die film absurd zou zijn. Een meesterwerk kun je immers niet overtreffen. Wat ik beoogde was ervaringen uit mijn jeugd op een rijnaak, zij het wat avontuurlijker dan in werkelijkheid, enten op het verhaal van ‘L’atalante’. Hoe mijn verhaal precies opgebouwd was kan ik me niet meer herinneren, ik heb er geen notities meer van. Van Paul Koeck verwachtte ik dat hij zijn mening zou geven over mijn synopsis. Ik was nog niet aan een scenario begonnen maar had me wel door de vuistdikke scenariocursus van John Bloch, William Fadiman en Lois Peyser geworsteld. Paul Koeck, die in die dagen een autoriteit was inzake scenarioschrijven, vond mijn idee niet goed. Hoewel de man nog nooit van Jean Vigo had gehoord en ‘L’Atalante’ nooit gezien, vond hij wat ik hem vertelde over de film vervelende onzin. En ook mijn synopsis keurde hij af: de kijker zou er bij in slaap vallen. Waar was de actie? Waar zat het conflict? Dat waren natuurlijk retorische vragen, want er was op het eerste gezicht actie noch conflict. Als je wat dieper ging graven wel natuurlijk, maar subtiel, onderhuids, als contrasten in een gedicht. Maar dat scheen Paul Koeck niet te kunnen vatten. En zelf zag ik al heel snel in dat de film die ik in mijn hoofd had in het nuchtere en oppervlakkige Vlaanderen nooit gedraaid zou kunnen worden. Mijn toekomst zou van secretariaat-talen, inclusief boekhouding, afhangen en van niets anders. Af en toe zagen Paul en ik elkaar nog wel eens, onder meer om te biljarten, waarbij ik telkens glansrijk verloor, maar we waren te verschillend, we lagen elkaar niet. Kort nadien verhuisde de snelste typiste naar een stadje in de Kempen en op de duur verwaterde ook onze vriendschap. Wat blijft zijn de herinneringen en de films van Jean Vigo.

23-02-08

MY KINGDOM FOR A HORSE

paarden,westerns,films,horse operas,helden,boeven,neerharen,foto,martin pulaski,film,sofia coppola,ang lee,cinema,bioscopen,jeugd,familie

Marie- Antoinette.
 

Gisteravond zat ik naar ‘Marie-Antoinette’ van Sofia Coppola te kijken, een veel minder geslaagde film dan haar ‘Lost In Translation'. Maar toch loont hij de moeite omdat de kostuums, de kapsels en de taarten zo mooi en kleurrijk zijn. Er komen ook verbluffende koetsen in voor, en Kirsten Dunsts en paarden. Bij het zien van die paarden herinnerde ik mij de paarden van eergisteren in ‘Brokeback Mountain’ van Ang Lee, een sentimenteel liefdesdrama in pittoreske landschappen, en besefte ik opeens dat ik al honderden, duizenden, misschien wel miljoenen paarden heb gezien in mijn leven. Weinig paarden in de werkelijkheid, veel paarden in films.

Al van toen ik nog een kleine jongen was ben ik dol op westerns. Als mijn ouders mij en mijn broer meenamen naar de bioscoop kon ik echt een driftkop worden als ik mijn zin niet kreeg: in de krant had ik gezien dat in de Astra of de Kinox ‘Geronimo’ of ‘Shane’ (met mijn jeugdheld Alan Ladd) op het programma stond, en niets of niemand kon me tegenhouden, die film moest ik zien. Meer dan eens gebeurde het dat ons gezinnetje zich opsplitste in twee partijen: mijn vader en mijn broer - die zes jaar ouder is – kozen voor een oorlogsfilm en mijn moeder ging met mij naar een cowboyfilm, zoals wij dat noemden. In al die films kwamen grote aantallen paarden voor, wilde paarden, getemde paarden, uitgeputte paarden, paarden die doodgeschoten moesten worden. De Indianen reden meestal op ongezadelde paarden, bij de blanke helden was het zadel eer soort van fetisj. Een typische scène in een western is dat een held die pas aangekomen is in een vijandig stadje,  op de proef wordt gesteld door hem een wild paard te laten berijden. Hij moet tonen dat hij het paard kan temmen, en zo laten zien dat hij een echte man is. Als hij dat niet kan is hij waarschijnlijk een schurk.
paarden,westerns,films,horse operas,helden,boeven,neerharen,foto,martin pulaski,film,sofia coppola,ang lee,cinema,bioscopen,jeugd,familie

The Searchers.

Heel af en toe wordt het paard even belangrijk, even sterk van karakter, en veel mooier dan de held of de boef. Dan zien we het paard met ogen die de onze niet zijn, maar die van de camera die objectief lijkt te registreren hoe het paard zich in de wereld bevindt. Het paard krijgt als het ware een stem en een bestemming, ook al spreekt het niet, want dat zou belachelijk zijn. (Over de stem heb ik het eerder al gehad maar ik kom er de volgende dagen zeker nog op terug.) De bestemming van het paard, denken we dan, is niet de slaaf te zijn van de mens, niet voor een kar gespannen te worden, maar vrij rond te draven en galopperen in ongeschonden natuur. In de zeer miskende film ‘The Shooting’ van Monte Hellman zien we dergelijke paarden. Een ander voorbeeld is ‘Vlammende paarden’ van Sergej Paradjanov.

paarden,westerns,films,horse operas,helden,boeven,neerharen,foto,martin pulaski,film,sofia coppola,ang lee,cinema,bioscopen,jeugd,familie

The Shooting.

Als kleine jongen trokken paarden mij aan, maar ik was er tegelijk ook bang voor. Ooit had een paard mijn hond verwond, zo erg dat ik vreesde voor zijn dood. Zo wist ik dat paarden gevaarlijk kunnen zijn. Toch ging ik de paarden in de weiden aan het kanaal in Neerharen vaak klontjes suiker geven. En ook nu nog, als ik op reis ben, zie ik soms paarden langs de weg en hoop ik dat ze op me toe komen, mij als het ware komen begroeten en verwelkomen in hun wereld. En meestal gebeurt dat ook, want paarden kennen de waarde van genade.

Er zijn ook veel schitterende songs gemaakt over paarden, maar dat is een ander verhaal voor een andere keer. Ik wil de paardenvleeseters niet met een al te groot schuldgevoel opzadelen.


La Palma - El Paso # 5

Foto: Martin Pulaski, Paarden, La Palma 2005.

20-02-08

JUBEL EN WAANZIN

tubingen,salvatore adamo,waanzin,gustav mahler,muziek,gedicht,holderlin,mnemosyne,hanky panky nohow,john cale,paris,kindertotenlieder,pop,popcultuur,seventies

Wellicht is ‘Hanky Panky Nohow’ van John Cale, terug te vinden op de werkelijk sublieme elpee ‘Paris 1919’, het mooiste lied dat ik ken. Althans, zo denk ik er nu over; morgen kan het al een van de ‘Kindertotenlieder’ van Mahler zijn, of, kleine kans, ‘Mes mains sur tes hanches’, van Salvatore Adamo:

Sois pas fâchée si je te chante
Les souvenirs de mes quinze ans
Ne boude pas si tu es absente
De mes rêveries d'adolescent.

Op ‘Mes mains sur tes hanches’ kon je alvast heel goed op slowen en bij de ‘Kindertotenlieder’ kun je onbeschaamd je tranen laten vloeien. Maar wat doe je bij ‘Hanky Panky Nohow’? Op de eerste plaats laat je figuurlijk gesproken alles vallen en luister je; al van bij de eerste noten wordt je meegenomen naar ergens anders, een melodieus utopia, waar vreemde wetten gelden. Dat er wetten gelden maakt John Cale duidelijk in de tekst:

There’s a law for everything
And for elephants that sing to keep
The cows that agriculture won’t allow.


Het lijken mij ook weer van de mooiste en meest diepgaande regels die ooit door een populair componist/tekstdichter op papier zijn gezet. Bijna altijd als ik John Cale die woorden hoor zingen gaan mijn gedachten naar Hölderlins gedicht ‘Mnemosyne’. Wat doe je dan? Je neemt de ‘Gedichten’ van Hölderlin uit het rek met de dichtbundels, en zoekt op hoe Hölderlin over een gelijkaardige wet als in ‘Hanky Panky Nohow’schreef. En vervolgens schrijf je de eerste regels over met de vertaling erbij, want het is geen gemakkelijk gedicht:

Reif sind, in Feuer getaucht, gekochet
Die Frücht und auf der Erde geprüfet und ein Gesetz ist,
Dass alles hineingeht, Schlangen gleich,
Prophetisch, träumend auf
Den Hügeln des Himmels.

(Rijp zijn, in vuur gedoopt en gestoofd / de vruchten en op aarde geproefd, en het is een wet, / profetisch, dromend op / de heuvlen des hemels, / dat alles in ’t vuur gaat, slangen gelijk. Vertaling: Ad den Besten).

Dan herinner je je het einde van de jaren zeventig, toen je elke dag Hölderlin las en er bijna gek van werd, er bijna gek van wilde worden, omdat je de waanzin aantrekkelijk vond. Nu echter weet je al een tijdje dat de waanzin niet aantrekkelijk is en vraag je je af of Höldelin niet erg geleden heeft, al die jaren in zijn kamer in de toren in Tübingen. Ja, waarschijnlijk heeft hij veel geleden. Er bestonden geen anti-psychotica geen anti-depressiva, geen benzodiazepines. Wel waren er koudwaterbaden en dwangbuis.

Maar als Hölderlin in de waanzin is verzonken, wat is er dan met John Cale gebeurd, een man die ook een moeilijk pad bewandelde? Ik denk dat hij en wij allen blij mogen zijn dat hij de jaren zeventig – voor hem en voor velen onder ons jaren van echte, uitbundige én uitzichtloze waanzin – overleefd heeft, en dat hij er nu gezond uitziet, sterk zelfs. Maar jubelende, euforische liederen als ‘Hanky Panky Nohow’ schrijft en zingt hij niet meer. Dit is geen tijd voor jubelende, euforische liederen. Dit is zelfs geen tijd voor melancholie. Ik weet niet meer wat voor tijd dit is.


tubingen,salvatore adamo,waanzin,gustav mahler,muziek,gedicht,holderlin,mnemosyne,hanky panky nohow,john cale,paris,kindertotenlieder,pop,popcultuur,seventies

18-02-08

OVER DE WAARDE VAN HOOCHIEKOOCHIE

Uit mijn vorige notitie mag duidelijk blijken dat ik niet voor mezelf schrijf maar wel voor jou, beste lezer. En wellicht omdat ik het fijn vind dat mijn ijdelheid wordt gestreeld door je aandacht. Ik vind het eveneens fijn om jouw ijdelheid te strelen door je zomaar toegang te geven tot wat er zich in mijn hoofd – en in mijn leven - afspeelt en door je af en toe met symbolische rijkdom te overladen.

Maar ik zal er niet langer doekjes om winden. Ik probeer zo goed mogelijk en zo eerlijk mogelijk te schrijven over mensen en dingen waarover ik iets weet, of over persoonlijke ervaringen die ik voldoende algemeen vind en waarvan ik denk dat ‘de anderen’ er iets aan hebben; daarnaast is het mijn bedoeling een beetje schoonheid aan de wereld toe te voegen. Dat werd tot woensdag 13 februari kennelijk zeer op prijs gesteld. Wat ik op bijna drie jaar zorgvuldig en geduldig, met veel toewijding, heb opgebouwd gooien de computers van Skynet nu helemaal overhoop. Wellicht is het idioot van me maar ik erger me mateloos aan deze op hol geslagen toestand. Ja, bijna drie jaar heb ik hard gewerkt – en ook veel plezier beleefd - aan het maken van deze literaire ‘puzzel’ die hoochiekoochie heet. Ik ben van mening dat deze teksten even veel waarde hebben als wanneer ze in een boek zouden gedrukt staan. Voor mij is deze wijze van ‘publiceren’ bijna ideaal om een enigszins substantieel publiek te bereiken, omdat het mij aan voldoende sociale vaardigheden en overredingskracht ontbreekt om door te dringen in literaire kringen en cenakels en om uitgevers te overtuigen van de waarde en de schoonheid van mijn geschriften. Op deze manier sla ik immers de schakel van het uitgeven over. Maar bijna altijd besteed ik evenveel zorg aan de eindredactie van wat hier verschijnt als wanneer het voor een boek zou zijn bestemd. Ik heb de indruk dat een aantal lezers dat ingezien heeft en dat mijn hoge positie in de verschillende lijsten echt wel te danken was aan de kwaliteit van wat ik onder woorden breng. Nu zijn die blijken van waardering op enkele dagen teniet gedaan.

Ik geloof niet dat deze klachten uit zelfgenoegzaamheid voortvloeien, of geuit worden omdat ik elitair of arrogant zou zijn. Toch is er – daar kan niemand onderuit - duidelijk een verschil in kwaliteit (en inhoudelijke duurzaamheid) tussen de blogs. Waarmee ik niet wil zeggen dat bloggers die andere ambities hebben dan ik idioten zijn. Integendeel. Voor mij is vrijheid geen hol begrip, dus iedereen mag doen wat hij wil zolang hij mij of degenen die mij dierbaar zijn maar niet kwetst. Maar verwacht van mij geen respect voor mensen die anderen napraten of voor degenen die alleen maar paragrafen en prentjes knippen en plakken. Ik heb ook geen respect voor postzegelverzamelaars. Ze laten me onverschillig. Ik kan me niet met alles bezighouden. Mijn liefde gaat uit naar gepassioneerde mensen, naar mensen die zich inzetten voor een project van de verbeelding en het plezier. Mijn liefde gaat uit naar mensen die het leven liefhebben en de anderen als gelijken behandelen. In mijn hart is plaats voor vreugde en verdriet. Ik geef toe dat mijn levensvreugde vaak wordt overschaduwd door mijn angst voor de dood. Maar ik merk dat ik aan een belijdenis begonnen ben, en dat was niet mijn bedoeling.

Dit zijn hopelijk mijn laatste woorden over dit onderwerp. Nu ga ik lezen en inspiratie zoeken voor nieuwe teksten, voor morgen, overmorgen en de volgende jaren.

16-02-08

AMBITIE

top-30,verdwenen,hoochiekoochie,mark eitzel,pop,popcultuur,rock,clip,ab,american music club


Leve American Music Club. Leve de AB Club. Oud België. Leve Western Sky. Leve Mark Eitzel. Leve de top-30 van skynetblogs. Ja, kennelijk geef ik daar wel om. Van vier naar nergens. Kennelijk heb ik ook gewone kleinmenselijke trekjes. Ambitie. Altijd een oog op de leescijfers. Etcetera. Ja. Kortademig vandaag. Toch wil ik de eerste en de beste zijn. Vind ik mezelf nu lachwekkend?

13-02-08

WAS IT ALL A CRAZY DREAM?

anderlecht,shopping center,leven,dood,droom,muziek,fenix,drive-by-truckers,euforie,ingmar bergman,joni mitchell,river,ts eliott,pop,popcultuur,mark eitzel,stem,film,wilde aardbeien,boeken,stendhal,john lennon

Ik ben nooit volwassen geworden. Soms gedraag ik me echt pathetisch en dwaas. Eergisteren toen ik terugkeerde van de Delhaize (in dat afschuwelijk Westland Shopping Center - ik noem het altijd ‘wasteland’ en waan me dan heel even TS Eliott) had ik opeens een intens gevoel, echte euforie, waarschijnlijk veroorzaakt door het mooie weer, maar zeker ook door Joni Mitchells ‘River’. Ik had de oortjes van mijn iPod in, die op shuffle stond. Opeens hoorde ik de jingle bells van ‘River’ mijn oren binnenstromen en het leek alsof ik Joni’s stem voor de eerste keer hoorde. Of liever, ik was ervan overtuigd dat ik Joni’s echte stem voor de allereerste keer hoorde, haar stem zoals ze werkelijk klinkt. Dat was een zeer aangrijpend moment, waarbij de tranen over mijn wangen rolden. En meteen schaamde ik me – voorbijgangers zouden een man van middelbare leeftijd tranen zien storten, een belachelijk zicht. Toch bleef dat gelukzalige gevoel voortzinderen, blij dat ik eindelijk nog eens iets had gevoeld.

Later, mijn gedachten nog steeds in de VS, doemde George Bush op voor mijn geestesoog. Ik veracht de man, hoe kun je hem niet verachten? Maar dan dacht ik eraan hoe moeilijk het voor hem moet zijn om met die haat van de halve wereldbevolking te moeten leven. Bijna kreeg ik medelijden met de man. Bijna. Daarna las ik gelukkig twee interviews met Mark Eitzel waarin hij zijn gal uitspuwt over de Amerikaanse politiek in het algemeen en de neocons in het bijzonder. Mijn medelijden veranderde gelukkig weer in ongezonde verontwaardiging en verachting. Mark Eitzel, die ik tot de tien beste levende songschrijvers reken, had me mijn kortstondige verblinding al heel snel doen inzien.
anderlecht,shopping center,leven,dood,droom,muziek,fenix,drive-by-truckers,euforie,ingmar bergman,joni mitchell,river,ts eliott,pop,popcultuur,mark eitzel,stem,film,wilde aardbeien,boeken,stendhal,john lennon

Gisteravond zat ik naar Ingmar Bergmans ‘Wilde Aardbeien’ te kijken en opnieuw had ik die intense ervaring: dit is van het mooiste en subliemste wat ik ooit heb gezien. (Het leven is een droom en een droom is het leven. De dood als het spiegelbeeld van het leven. De wilde aardbeien van de jeugd, die al ‘Strawberry Fields Forever’ aankondigen.)

Stilaan krijg ik het gevoel dat ik mezelf uit mezelf opnieuw laat ontstaan. De ziel van de muziek, de illustere boeken, waaronder het meesterwerk ‘Lucien Leuwen’ van Stendhal, de schitterendste films, maar ook mijn eigen woorden en de antwoorden van vrienden zijn het goede vuur dat mij tot as herleidt waaruit ik als een feniks (Ο Φοίνιξ) herboren word. Nee, ik zal nooit volwassen worden. John Lennon vergiste zich toen hij zong ‘the dream is over’. Er komt geen einde aan de droom en er komt geen einde aan het leven.

Ik draag deze tekst op aan mijn blogvriend Roen en aan the Drive-By Truckers.

09-02-08

OVER EEN BESPOTTELIJK KERELTJE EN EEN ZELFMOORDDROOM

woede,mark lanegan,antwerpen,droom,vriendschap,grap,schilfertje,drive-by-truckers,verachting,delhaize,dood,verdriet,lafheid,filsofie,diploma,zelfmoord,collega,onverschilligheid,egoisme,drukdrukdruk

Door al dat geschrijf over de jaren zestig en zeventig, over mijn verleden, zit ik nu met de gebakken peren. Waande ik mij een nieuwe Rousseau of zo? Dan is nu bewezen dat ik zeker op dit ogenblik niet sterk genoeg ben voor zo'n onderneming. Maar zoals in reacties al stond te lezen zal ik toch nog over dat verleden schrijven, ik kan mijn herinneringen – gelukkig maar – niet uitwissen. Voorlopig houd ik mij echter bezig met het heden, waarmee ik ook gisteren en eergisteren bedoel. Over de toekomst heb ik weinig te vertellen, ik heb geen glazen bol en houd niet van sciencefiction.

Gisteren heb ik niets geschreven omdat ik geheel van streek was door een vreselijke droom die ik gehad had. Ik wandelde met mijn oude vriend L. door de jubelende straten van Antwerpen. Mijn radeloosheid contrasteerde zeer scherp met de vrolijkheid van de toeristen. Er waren nog een vijftal andere vrienden of kennissen in ons gezelschap, maar die hadden geen gezicht. Ik was wanhopig en kon mijn wanhoop niet langer voor L. verbergen. Alles in mijn leven is mislukt, zei ik. Ik heb zelfs geen diploma filosofie, en dit is nu al de tweede keer dat ik die studies doe. L. toonde zich verbaasd dat ik in 1975 geen diploma had behaald. Nee, zei ik, mijn thesis werd te zwak gevonden, ik dacht dat je dat wist. Daarom ben ik een paar jaar geleden opnieuw begonnen te studeren, maar ik ben ermee moeten stoppen. Het gaat niet meer, ik kan niet meer verder. Al lopende keerde ik mij naar L., die me bezorgd aankeek. Vervolgens kwamen de tranen, warm en bitter. We liepen voorbij een afgrond, die me leek toe te roepen, spring, spring. Ik zag echter dat ik niet dood zou zijn, de diepte was niet diep genoeg. Snikkend zei ik tegen L., ik kan ook niet meer naar huis, naar vrouw en kind, dat is definitief voorbij. Er is niets wat mij nog aan de wereld bindt. Ik ga zelfmoord plegen. En nat van het zweet en de tranen werd ik wakker en huilde verder in het onherbergzame bed.

(In werkelijkheid studeerde ik in 1975 samen met L. af aan de VUB in het bezit van het diploma licentiaat in de wijsbegeerte, met grote onderscheiding. Mijn thesis over het einde van het gezin, viel bij heel wat mensen – niet alleen professoren – in de smaak. Mijn excuses voor deze ijdele woorden, maar ik moet dat hier vermelden.)

Omstreeks de middag had ik voldoende moed gevat, om naar de stad te gaan, waarbij het mooie weer een bijkomende stimulans was. Ik spoedde me als een blinde naar de Fnac waar ik een aantal cd’s en dvd’s kocht. Ik schafte mij opnieuw ‘I’ll Take Care Of You’ van Mark Lanegan aan, een plaatje dat op onverklaarbare wijze zoek is geraakt. Maar ik heb dat plaatje nu meer dan ooit nodig. Ik kocht kaartjes voor het concert van Mavis Staples. Omstreeks halfzes ontmoette ik mijn levensgezellin, met wie ik afgesproken had om boodschappen te doen in de Delhaize aan de Anspachlaan. In die winkel zag ik een collega terug, die ik ooit een vriend heb genoemd. We hebben elkaars verjaardagen gevierd. Laura en ik hebben hem meermaals hier in huis uitgenodigd om te komen eten en drinken. We zijn samen naar Cap Griz Nez geweest. Vele avonden hebben we over boeken en muziek gepraat. Met zijn beiden hebben we Nick Cave, Magnolia Electric Co en Devendra Banhart gezien. We gingen samen naar theater. Enkele maanden hebben we intens samengewerkt aan een project.

Maar nu zit ik in de put en wat doet mijn oude vriend? Hij maakt zich meteen uit de voeten, met de woorden ‘druk, druk, druk’ en ‘stress’. Met zijn mand vol boodschappen gaat hij zelfs in een andere rij staan, om maar niets tegen me te moeten zeggen.

Mijn geliefde was nog veel bozer dan ik. Wat een verachtelijk ventje, zei ze. En voor dat mannetje heb ik eten gemaakt, zei ze. Dat is een gastje dat er wil komen, zei ze. Waar wil hij komen, vroeg ik. Goede vraag, antwoordde ze. Heel goede vraag.

Mijn woede en verachting beginnen nu pas de kop op te steken. Maar ik schud dat kereltje van me af als een enkele kleine schilfer van mijn rechterschouder en leg een plaatje op van Drive-By-Truckers. De zon schijnt in mijn kamer en zo is het goed.

07-02-08

CONTINUÏTEIT EN DISCONTINUÏTEIT


Ik heb nog heel wat autobiografische notities in kladversie over mijn eerste Brusselse periode (van 1969 tot 1977, het jaar dat Laura en ik naar Antwerpen verhuisden). Maar voorlopig zet ik een punt achter dat verhaal. Ik stel vast dat het mij geen goed doet om intensief in mijn verleden te gaan wroeten. Ik geloof dat Ester me daar ook al voor gewaarschuwd heeft in een ‘voetnoot’. Twee keer ben ik in psychoanalyse geweest; ik wil dat hier niet nog eens over doen, hoe verleidelijk het ook is, vooral als je geen nieuwe ideeën hebt. Dat sluit niet uit dat ik later de draad weer opneem.

Want ik wil nog schrijven over het Living Theatre in Brussel; de schoonheid van Julian Beck en Judith Malina; een gast in de Karmelietenstraat die Ildemaro heette en een film had gemaakt over Frederico Garcia Lorca in New York; mijn eerste grote liefde; Sarah; de geboorte van mijn zoon; de geuren en kleuren van een nieuw leven; de schitterende jaren dat ik filosofie studeerde aan de VUB; hoe Leopold Flam mijn kijk op de wereld en op de menselijke werkelijkheid veranderde; het tijdschrift Aurora; Oswald in de gevangenis; een trip in Holsbeek; ziekenhuiservaringen; ingebeelde geslachtsziekten; champagne drinken bij de schoonouders; vegetarisme en macrobiotiek; nieuwe vrienden in Tram 81; een weekend met Oswald in Neerharen; wandelingen in het Zoniënwoud; twee concerten van the Rolling Stones, een van Lou Reed en een van Traffic; Angie; Oostduinkerke (waar Rilke verbleef); astma-aanvallen ten gevolge van het roken van teveel hasjiesj; hoogtes en laagtes van mijn huwelijksleven; kennismaking met de eerste platen van Neil Young; vrienden in Amsterdam; Luc D. en de andere vrienden aan de VUB; de dandy Eric DC; de echtscheiding, het gevecht met J. (die mijn beste vriend zou worden); Nietzsche en Marx; flirten met extreem-links; Trotski; toneelspelen in Doorndal; twee toneelstukken, waarvan maar een werd opgevoerd; mijn ‘echte’ ontdekking van William Blake, Walt Whitman, Hölderlin en het surrealisme; mijn liefde voor de VS, vooral gevoed door schrijvers, regisseurs en het tijdschrift Rolling Stone; de tegencultuur; mijn licentiaatsthesis over het einde van het gezin; enz. enz.


Dat is natuurlijk allemaal boeiend materiaal, onder meer omdat het zijn oorsprong vindt in een bijzonder boeiende periode, de eerste helft van de jaren zeventig. Maar ik moet het een tijdje laten rusten en me met het veel saaiere heden en de onzekere toekomst bezighouden. Met echte angsten en echte demonen; met vriendschap en liefde; met België; met mijn plaats in de gemeenschap; met mijn eenzaamheid en de eenzaamheid van zoveel mensen; met de imbeciliteit van film, radio en televisie; met de leugens en de waarheid in de kranten; met de weinige bewonderenswaardige mensen die zich verzetten tegen wreedheid, onrecht, onverschilligheid en lelijkheid; met schoonheid.

 young parents and kids

Foto: met vrienden en kinderen in Brugge, 1973

05-02-08

DON'T LOOK BACK: BRUSSEL IN 1969 (3)

 

ritcs,filmschool,brussel,vriendschap,vrienden,film,muziek,theater,1969,bob dylan,breda,herman claeys,anti-semitisme,yellow submarine,underground,tegencultuur,tongeren,dichter,guy bleus,bizar,foto,broer,subterranean,testament

Brussel, 1969


Vervolg.

Een andere Ritcs-student die ik een paar weken later leerde kennen was Oswald. Zijn vader was een ex-nazi, die aan zijn stupide en mensonterende overtuigingen trouw was gebleven. Oswalds gedrag was soms een beetje bizar, en om in die dagen bizar te worden gevonden moest je wel heel erg bizar zijn. Toch was hij een lieve jongeman en een dichter. Hij heeft een aantal schitterende gedichten geschreven, waar weinig mee is gebeurd. Mijn toenmalige vriend uit Wellen, Guy B., die ook zeer onder de indruk was van Oswalds poëzie, heeft enkele gedichten uit de bundel ‘De val van de tandloze kannunik’, opgenomen in het Tongerse tijdschrift Subterranean. Dat was een tijdschrift dat ik had opgericht in 1966; eerst heette het Testament, later Subterranean. Eens weg uit Limburg had ik me over dat provokind niet langer ontfermd. Guy heeft nog een mooi exemplaar uitgegeven. Ik bedoel mooi van inhoud, niet van vorm. Voor mooi drukwerk was er geen geld. Oswalds gedichten in ‘De val van de tandloze kannunik’ waren uniek in hun beeldspraak, met ongewone maar toch niet al te gezochte metaforen.

Oswalds vriendin kwam uit Breda, waar het gemakkelijk was om aan shit te geraken. Geregeld gingen ze zich daar bevoorraden en dan kwamen ze op mijn kamer in de Karmelietenstraat blowen. Af en toe nam ik ook eens een trekje. Josie was een erg aantrekkelijk meisje, en het feit dat ik een joint in mijn mond nam waar zij eerst al aan had getrokken gaf mij een kick. Je zou kunnen zeggen dat het een heel brave vorm van groepsseks was.

Voortaan was Oswald mijn gast. Hij had geen zin om weer bij zijn nazi-vader te gaan overnachten. Een viertal maanden heeft hij bij me gelogeerd. Oswald was het type mens waar Marc niet erg op gesteld was. Hij was een ‘hippie’ en had, net als ik, weinig of geen ambities. Marc was wel ambitieus, en nu terugkijkend volkomen terecht. Ik leefde van dag tot dag, min of meer tevreden met wat er met mij gebeurde. Nog steeds leef ik zonder een plan voor de toekomst. Ik bevond me tussen twee vuren: Marc, de halve ‘rationalist’ en Oswald, de halve ‘heilig waanzinnige’. Marc, die iets wilde bereiken en verwezenlijken in de wereld en Oswald die wilde ontsnappen aan verschrikkingen uit zijn jeugd. Ik heb de vader van Oswald een keer ontmoet. Een van de dingen die hij toen zei was dat hij nog planken had gezaagd waar doodskisten van werden gemaakt. Daar werden de Joden in begraven, zei hij. Hij betreurde het dat hij daarmee had moeten ophouden. Die vader had zijn hele gezin ontwricht. Als ik het goed voor heb is het met niemand van de kinderen goed gekomen. Met Oswald heb ik geen contact meer. Ik weet zelfs niet waar hij verblijft. Het leek er sterk op dat ik moest kiezen tussen twee vrienden, maar dat kon ik niet. Ik was graag in het gezelschap van Marc, vond het heerlijk om met hem te praten en liedjes te zingen. Maar ook Oswald was me dierbaar. Zodra hij bij me was ingetrokken deden we alles samen.

Ik begon meer te blowen, ging veel minder vaak naar de cursussen, koos voor het onmiddellijke genot. We gingen samen naar de film. Ik herinner me nog hoe we ons purper lachten met ‘Yellow Submarine’, “It’s all in the mind, man…” bleven we maar herhalen. Ik wil nog eens benadrukken dat we toen nooit alcohol dronken, tenzij op een verjaardagsfeestje of iets dergelijks. We waren gewoon gezond gek en genoten van het leven in Brussel in de buurt van de Naamse Poort, waar toen een bohemiensfeer heerste, vanwege de nabijheid van Ritcs en Insas (de Franstalige tegenhanger van het Ritcs). In die buurt waren overigens ook veel luxebordelen en uitzuipkroegen.

Ik sliep in een klein bed, Oswald op de canapé. Een meningsverschil hadden we nooit. Alle taken werden mooi verdeeld. Misschien was dat dan toch een soort van commune?  Een commune van twee. Het was evenwel geen homoseksuele relatie. Ik vond homo’s fijne mensen, maar zelf had ik geen homo-erotische gevoelens en Oswald evenmin. Later heb ik eens in bed gelegen met mijn beste vriend J., zijn vriendin lag tussen ons in en zei, laat hem slapen, maar ik wilde hem iets van mijn tederheid geven, en streelde zijn haren, maar hij bleef snurken. Over het algemeen ben ik als een slak als een man mij probeert te knuffelen. Met Oswald had ik een perfecte aseksuele relatie. Hij bleek wel een perfecte seksuele relatie te hebben met Josie – wellicht zat de rode libanon die ze meebracht uit Breda er voor iets tussen. In die tijd was het ‘cool’ om een Hollands liefje te hebben; alle goede dingen kwamen uit Nederland. Zelfs aan de Free Press Bookshop van Herman Claeys werd daar aandacht besteed, en aan alle mogelijk studentenprotesten en vooral aan de performances op het Conscienceplein en de Groenplaats in Antwerpen. In Nederland had men de indruk dat wij in een zeer repressief land leefden. In het weekblad Aloha werd daar meermaals aandacht aan gegeven. Mijn twee stukjes voor dat undergroundblad versterkten die indruk wellicht nog. In België heerste het ‘klootjesvolk’, vond ik. Het ‘klootjesvolk’, dat was Jan-met-de-pet. Van Marx had ik toen nog niets gelezen, ik keek vooral op naar Allen Ginsberg, Jack Kerouac en Simon Vinkenoog. En ik voedde mijn geest met wat ik in undergroundtijdschriften las. Vaak lag daaraan een sfeer van paranoia ten grondslag, die zeer waarschijnlijk voortkwam uit het gebruik van zogeheten soft drugs, maar wisten wij veel.

Zoals ik al zei had ik een bijna perfecte vriendschapsrelatie met Oswald. Maar we hadden weinig of geen pecunia. Ik kreeg van mijn ouders wat geld toegestuurd in de vorm van postcheques. Dat was telkens een stukje van mijn studiebeurs. Om het geld te in de hand te hebben moest ik dan naar de post, in de rij gaan staan. Ik heb dat altijd vreselijk gevonden, in een rij staan. Voor dat eerste jaar aan het Ritcs had ik inderdaad een studiebeurs, maar het bedrag was niet bepaald hoog. Mijn vader geloofde helemaal niet in die studie van mij, dus hij wilde zeker niet bijpassen – bovendien waren mijn ouders niet welgesteld. Oswald ging toch af en toe naar huis, naar de nazi, om wat geld te vragen en dan wist hij wel wat los te peuteren. Maar veel meer dan brood, jam, groenten en de allergoedkoopste Spaanse wijn (voor eventuele gasten) konden we ons daar niet mee veroorloven. Het filmbezoek moesten we daar ook mee betalen en Oswalds reisjes naar Breda. Dan was het geld weer op en moesten we soms een week lang van aardappelen leven. Met water uit het kraantje. En van die joints kreeg je een geweldige honger, had ik al gemerkt.

Ja, ja, we waren vegetariërs. Ik had op het Ritcs nog iemand ontmoet, een ‘kortstondige’ vriend, zal ik maar zeggen, waardoor ik me zijn naam niet meer kan herinneren. Maar dat is niet zo belangrijk want ik verander toch alle namen, zoals Bob Dylan in ‘Desolation Row’. Ik zal hem Ismaël noemen. Hij was een vegetariër die wist wat dat inhield. We aten zowat elke doordeweekse middag groenten die ik bereid had in een grote kookpan; aardappelen, uien, bloemkool, wortels met flink wat cayennepeper erin. Dat ‘gerecht’ zette ik in een grote kom op tafel. We zaten dan met een zestal vrienden op mijn kamer en aten met zijn allen uit die kom, met onze handen, want ik had maar twee messen en twee vorken. We praatten over de films van Godard, Truffaut, Pasolini en aten onze groenten doorgespoeld met water uit de kraan. Als dessert zorgde ik voor een jasmijnthee. Smakelijker heb ik zelden gegeten. Ismaël bracht grote blikken dozen mee, waarin geconcentreerde proteïne zat. Dat moesten we gewoon mixen met onze melk of in water oplossen, een glas had evenveel voedingswaarde als een biefstuk.

ritcs,filmschool,brussel,vriendschap,vrienden,film,muziek,theater,1969,bob dylan,breda,herman claeys,anti-semitisme,yellow submarine,underground,tegencultuur,tongeren,dichter,guy bleus,bizar,foto,broer,subterranean,testament

Foto: François B., Karmelietenstraat, Brussel 1969. 

01-02-08

DON'T LOOK BACK: BRUSSEL IN 1969 (2)

brussel,ritcs,filmschool,vriendschap,vrienden,film,muziek,theater,1969,easy rider,marc didden,tegencultuur,underground,popcultuur,rolling stones,rimbaud,syd barrett,pink floyd,140,herman claeys,media,hippies,flying burrito brothers,gram parsons,dolle mol,velvet underground,ivo michiels

Toen ik jong was vond ik mezelf belangrijk, uiterst hip, bijna een uitverkorene, een genie. Terugblikkend weet ik niet goed waar mijn zelfverklaarde genialiteit op gebaseerd was. Het is evenwel een belangrijk element bij het lezen van de volgende autobiografische notities.

Het feit dat ik vanaf oktober 1969 door een bende imbecielen was omringd heeft mijn carrière als toneel- of filmregisseur ongetwijfeld mee in de kiem gesmoord. Ik haatte die kleinkunstjongens met hun goedkope gitaren en hun ringbaardjes. Ik hield van the Rolling Stones, Blue Cheer op z’n luidst, Bob Dylan, the Band en de countrymuziek van the Flying Burrito Brothers, Poco, Buck Owens en George Jones. Ik had helemaal in het begin van mijn studies aan het Ritcs maar een vriend, en wel bijna meteen, en dat was Marc D. Die jongeman wist net als ik altijd wat goed was op gebied van populaire muziek en wat bullshit. Hij was – ook net als ik - als jongetje een fan geweest van Cliff Richard & the Shadows en van Elvis Presley en hij had een Franstalige vriend die van Baudelaire en Rimbaud hield. Ik denk dat hijzelf die voortreffelijke dichters ook bewonderde, maar dat niet durfde te zeggen tegen iemand die zo ‘modern’ en ‘hip’ was als ik. Ik moest in die tijd echter nog ongeveer alles leren over Rimbaud en Baudelaire, hoewel ik ‘L’albatros’ uit het hoofd kende. Ik was zelf een beetje een Rimbaud, maar wist het niet. Ik bedoel niet dat ik zulke geniale gedichten schreef, maar heb het over mijn manier van leven als bohemien.

Ondanks die vriendschap was ik de eerste weken in Brussel erg eenzaam. Voor mij was het een grote stad, hoewel het in vergelijking met Londen of New York maar een klein gat is. In Brussel viel in die dagen niet veel te beleven. Je kon wel veel uitstekende films zien en er was het heerlijke Theâtre 140 van Jo Dekmine, waar alle underground bands die België aandeden optraden. Marc en ik waren fans van Pink Floyd en betreurden het dat Syd Barrett de groep had moeten verlaten. We behielpen ons dan maar met de versie met David Gilmour, een groep die een vrij slaapverwekkend concert gaf in 140. En toch vonden we het prachtig! Ik ben overigens nooit met Marc naar een concert geweest dat we niet prachtig vonden, behalve dat van het Mahavishnu Orchestra: toen zijn we Vorst Nationaal uitgevlucht. Pink Floyd was in die periode echt nog wel een band met een eigen gezicht, alleen misten wij de betovering van Syd Barrett. Marc en ik praatten bijna voortdurend over ‘alternatieve’ muziek en over undergroundtijdschriften zoals het Nederlandse Aloha, het Britse it (International Times) en het Amerikaanse Rolling Stone, die we bij Herman Claeys in de Free Press Bookshop gingen kopen. Marc hielp daar soms een handje, als Herman een glas wijn ging drinken in de Florio of een dringende boodschap moest doen. Dat gebeurde allemaal tijdens de laatste maanden van 1969. Altamont moest nog plaatsvinden; wij waren onschuldig en geloofden in een betere toekomst, een andere samenleving. Was het daarom dat wij zoveel belang hechtten aan zulke tijdschriften en aan muziek? De undergroundkranten brachten ons op de hoogte van nieuwe, experimentele vormen van samenleven in de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Nederland en de muziek hielp ons vergeten in wat voor strontland wij leefden. Het leek wel alsof utopische ideeën nu eindelijk konden worden verwezenlijkt. Vreemd was wel dat Marc zeer hevig gekant was tegen hippies, terwijl hij lange haren had, en ik er al helemaal als een hippie uitzag. Ik was trouwens gek op ‘Hippie Boy’ van the Flying Burrito Brothers. Af en toe discussieerden we daarover, maar onze standpunten lagen niet zo ver uiteen omdat ik zelf ook geen ‘echte hippie’ was: ik leefde niet in een commune, deed niet aan groepsseks, gebruikte weinig of geen drugs, dronk slechts bij speciale gelegenheden, maar rookte wel heel veel sigaretten van het merk Lucky Strike.

brussel,ritcs,filmschool,vriendschap,vrienden,film,muziek,theater,1969,easy rider,marc didden,tegencultuur,underground,popcultuur,rolling stones,rimbaud,syd barrett,pink floyd,140,herman claeys,media,hippies,flying burrito brothers,gram parsons,dolle mol,velvet underground,ivo michiels


“Het verschil tussen ons en de hippies is dat wij van rock & roll houden en drinken en dat zij gek zijn op die Duitsers en altijd maar zitten te trippen en joints te roken”, zei Marc vaak. Met die Duitsers bedoelde hij de bands die later onder de noemer ‘krautrock’ zouden vallen. Ik had niet een krautrockplaat in die tijd. Wel hoorde ik graag ‘Marmor, Stein Und Eisen Bricht’, van Drafi Deutscher, en dat hoorde Marc ook graag, omdat het rock & roll was. Bij ‘Black is Black’ had hij evenwel zijn twijfels, vanwege de Duitse zanger bij Los Bravos, een groep die voor de rest uit Spanjaarden bestond (in Spanje was Franco nog aan de macht). Ik vond ‘Black is Black’ zeer opwindend.

Aan Marc heb ik alleszins veel te danken. Hij waarschijnlijk ook aan mij, maar dat moet hij maar vertellen. Hij bracht me in contact met Herman Claeys en zijn bookshop, met de Dolle Mol en met rode wijn. Nooit in mijn weliswaar nog jonge leven had ik gebraakt. In café Florio had ik op een avond echter zoveel wijn gedronken (drie of vier glazen, het was puur vergif wat ze in de Florio als wijn schonken), dat ik me naar buiten moest reppen. Marc en Herman ondersteunden me terwijl ik stond te kotsen in de goot. Later die avond stond ik opnieuw te kotsen in mijn lavabo. Ik vroeg me af waar al die kots vandaan kwam, want eten deed ik nauwelijks.


Als ik niet in het gezelschap van Marc was, was ik alleen. Ik had wel wat Franstalige kennissen, hippies die ik kende van aan zee, maar mijn Frans was te slecht voor een diepgaand gesprek. Wat ik vooral nodig had was een vriendin. Marc had wel een vriendin, al heel lang, sinds zijn kinderjaren. Zij waren nog steeds smoorverliefd. Soms spraken we af in de Florio, zij met hun beiden en ik alleen. Ik vermoed dat Angie zal gezegd hebben, “die Martin ziet er zo eenzaam en verdrietig uit, zouden we voor hem geen vriendin kunnen vinden?” De beste vriendin van Angie was Sarah. En zo kwam het dat we aan elkaar werden voorgesteld, maar zonder rechtstreeks resultaat. Ik was bijzonder schuchter. Sarah was een mooi en zeer speciaal meisje maar ik vond dat ze ook iets cynisch had, en soms leek het of ze op iedereen neerkeek die niet even hip was als zij. Ik voelde mij geïntimideerd. Wel bleek dat we elkaar al eerder gezien hadden, in een verlaten huis, na een concert van Jethro Tull.


Op school gebeurde niet veel. Marc en ik zaten tijdens de cursussen meestal te kletsen, hitlijsten te maken (de beste elpees allertijden!), of surrealistische woordspelletjes te spelen; af en toe kregen we opmerkingen van professoren, zoals van Tone Brulin, die echt niet met ons gebrek aan aandacht opgezet was. Maar wij waren – zeker in die periode - nu eenmaal meer geïnteresseerd in Soft Machine, Led Zeppelin II en Incredible String Band (wow, jongen ‘The Hangman’s Beautiful Daughter’, nog altijd even mooi, heb ik van Marc, maar Marc heeft van mij ‘The Velvet Underground & Nico’ en ‘White Light White Heat’, die decadente New Yorkse scène was hem volkomen vreemd – de Britse weirdo folk is echter de New Yorkse underground waard, of niet soms?).

 

brussel,ritcs,filmschool,vriendschap,vrienden,film,muziek,theater,1969,easy rider,marc didden,tegencultuur,underground,popcultuur,rolling stones,rimbaud,syd barrett,pink floyd,140,herman claeys,media,hippies,flying burrito brothers,gram parsons,dolle mol,velvet underground,ivo michiels

Andy Robinson's 'Patterns Of Reality' (1968). Ook gekoesterd.


Ik had een zogenaamde anti-progressieve partij opgericht, om de pseudo-progressieven belachelijk te maken. Die partij van mij had een aantal harde regels, waar niemand zich aan kon houden, veel succes had ze dan ook niet. De documenten die ik nog heb, koester ik wel. Het was allemaal nogal dadaïstisch, terwijl ik van die kunststroming in Tongeren nooit had gehoord. Tongeren was een stadje in de toendra, niemand had daar ooit van iets gehoord. Het meeste van wat ik nu weet heb ik trouwens zelf moeten leren. Ook op het Ritcs heb ik weinig opgestoken. Maar de vrienden die ik er heb ontmoet zijn veel meer dan goud waard. Marc, Leo S., Oswald G., Guillaume B.


Het leven op het Ritcs hing mij al een beetje de keel uit. Wij hadden les in elektriciteit en scheikunde, vakken waaraan ik dacht te zijn ontsnapt bij mijn vertrek uit Tongeren. Niet dus. Of toch wel. Na een paar maanden bleef ik uit de meeste cursussen weg. Dinsdagmiddag was ik altijd aanwezig: dan werden twee films vertoond, stuk voor stuk klassiekers, van Truffaut, Godard, Antonioni, Fellini, enz., allemaal regisseurs die ik ben blijven bewonderen. Ik bleef ook naar de ‘praatjes’ van Jo Röpke over film gaan, en hij vond me een goede leerling omdat ik een degelijke analyse van de film ‘Easy Rider’ had gemaakt. Wat ik ook nooit miste was de scenariocursus van Ivo Michiels, een zeer beminnelijke man. En nooit miste ik de lessen fotografie, omdat ik graag wilde leren fotograferen en omdat we een uitstekende kleinbeeldreflexcamera ter beschikking kregen. Uit de andere cursussen bleef ik weg.

easy rider

Easy Rider, Dennis Hopper

31-01-08

OVER ZONSOPGANGEN EN GEVERFDE VOGELS

zonsopgang,zonsondergang,depressie,cinderella s ballroom,geweld,jerzy kosinski,de geverfde vogel,kwetsbaarheid,ondergang,antwerpen,wreedheid,schelde,konijn,zon

Feldhase, Albrecht Dürer.

Zelden zie ik de zon opgaan. Ik ben meer een zonsondergangmens. En al een tijd ben ik vaak in ondergangsstemming: het gaat niet goed met me en ik heb de indruk dat het evenmin goed gaat met de wereld. 's Ochtends is mijn blik meestal nog inwaarts gekeerd, en dat duurt zo op zijn minst tot het middaguur. Ik moet grote inspanningen doen om mijn blik naar buiten te sturen, in de richting van het andere en de anderen. Toch weet ik heel goed hoe mooi zonsopgangen kunnen zijn. Want ik heb er wel meegemaakt, af en toe, als ik de hele nacht was opgebleven, vooral in Antwerpen. Dan wandelden mijn geliefde en ik na een nachtje dansen in Cinderella’s Ballroom tot aan de Schelde om de zonsopgang te voelen, dan zinderde alles in mij. Op een keer zag ik een dik konijn op de Scheldekade zitten en ik ging erop af om het te vangen, maar het vluchtte snel weg. Ik liep het nog achterna, gek als ik was, en zou me zo belachelijk hebben gemaakt als er nog iemand anders had toegekeken dan mijn geliefde.

Mensen die ‘zich belachelijk maken’ zijn vaak kwetsbare mensen. Een ‘soort’ mensen die wrede, psychisch of lichamelijk gewelddadige mensen aantrekt. Het spreekwoord ‘soort zoekt soort’ gaat niet altijd op. Nee, kwetsbare mensen moeten geen mededogen verwachten, veeleer roepen zij haat en verachting op. In een boek van Jerzy Kosinski las ik, lang geleden, over een vogel die werd gevangen en geverfd en daarna weer losgelaten. Hij werd meteen door zijn soortgenoten aangevallen en kapotgemaakt. Een kwetsbare mens is een geverfde vogel.

28-01-08

DON'T LOOK BACK: BRUSSEL IN 1969 (1)

tests,studies,brussel,toneel,ritcs,film,1969,rits,kleinkunst,de droom,muziek,1968
Karmelietenstraat, Brussel, 1969.

In 1968 kreeg ik een tweede ‘roeping’: ik wilde toneelregisseur worden. Dat was nu mijn grote droom. Ik had al een stuk geschreven en geregisseerd en dat heette ook ‘De droom’. Moeilijk te realiseren, omdat ik niet met meisjes mocht repeteren aan het Koninklijk Atheneum Tongeren, terwijl meisjes in de gedaante van witgeklede elfjes net zo’n belangrijke rol speelden in het stuk, met name om de vrede op de wereld te stichten. Er kwam een prins in voor en een slechte held die ik Avantokani had genoemd. Later, op een reünie van de klassen van 1969, ontmoette ik de jongen die de rol had gespeeld, hij was inmiddels burgemeester van Peer of een van die bijzondere plekken in Limburg, waar zulke voortreffelijke festivals worden georganiseerd. Een andere medeleerling van me, uit de Wetenschappelijke A, deed iets met de crematoria in Oost- en West-Vlaanderen. De zoon van de leraar fysica had, meen ik, de rol van zijn vader overgenomen. Spijbelaars waren nu dronkaards. Van al mijn vroegere leraars was alleen de leraar wiskunde, die ik zo had gehaat, nog aanwezig, de anderen waren dood en begraven.


De film- en toneelschool, het Ritcs in Brussel – nu Rits - was een geheel andere zaak. Ik dacht dat mijn studietijd daar een soort van hemelse ervaring zou worden. Toneelregisseur, bevelhebber, god! Geloof het maar... De meeste jongens (meisjes waren er nauwelijks) die meededen aan de toegangstests waren weg van kleinkunst. Weet je wat kleinkunst was? Vlamingen die Vlaamse liedjes zongen en drie akkoorden konden spelen op een goedkope gitaar. Punks eigenlijk, met een afzichtelijke ringbaard, pijprokers die zichzelf zeer au sérieux namen.


Desalniettemin waren die toegangstests voor het Ritcs een aangename ervaring. We moesten iets schrijven over een film van een Vlaamse regisseur, ‘Palaver’ van Emile Degelin, een man die later ook enkele romans zou schrijven. Een oude vriend van me uit Tongeren had me gezegd dat ik iets over de slechte techniek moest vermelden in mijn kritiek, een onbedoeld optisch effect of iets dergelijks. Misschien heb ik dat ook gedaan, maar ik heb zeker ook opgemerkt dat ik het een mooie film vond. Een dag later moesten we een toneelstuk bespreken. Ik weet niet meer precies welk stuk het was, alleszins een Griekse tragedie. Ik herinner me nog dat ik heel vlot geschreven heb over een van de heldinnen, Klytaemnestra, gespeeld door een actrice die een diepe indruk op me had gemaakt.


Een zwaardere opdracht was het filmpje dat we moesten maken. Dat moest meteen een afgewerkt product zijn; het mocht niet gemonteerd worden, daar was geen tijd en geen geld voor. We werden in ploegjes ingedeeld. Ik werd tot regisseur uitgeroepen, waarschijnlijk omdat ik het langste haar had. Een verwante ziel die ik nog maar pas had leren kennen, Leo Steculorum (nog altijd een goede vriend), wilde graag de hoofdrol spelen; dan waren er ook nog een cameraman en een scenarist. Het scenario hebben we, als ik me nog goed herinner, samen geschreven, vooral Leo en ik. De titel was ‘Nowhere Man’; het ging over een schilder die zijn levenswerk ging offeren aan de onbekende soldaat. Het feit dat we daar het mooiste zicht op Brussel hadden, had zeker bijgedragen tot de keuze van de locatie. Toen de tests afgelopen waren werden de filmpjes aan ons vertoond. De profs waren tevreden over ‘Nowhere Man’, wij vonden het echter een mislukking. Maar we hadden er hoe dan ook veel plezier aan beleefd.

Tijdens de zomer die vooraf ging aan de ingangstests hadden we een ‘werkstuk’ moeten klaarstomen. Voor mij was dat een dichtbundel geworden, waar ik echt wel op gezwoegd had (nu durf ik die gedichten niet meer lezen), getiteld ‘Vechtende Kinderen’.

Op die twee elementen, werkstuk en tests, werden we beoordeeld om toegelaten te worden tot de toch wel wat elitaire school. Velen waren niet geslaagd. Ik was en ben er nog steeds trots op dat ik wel met glans geslaagd was. Het onrechtvaardige van die hele zaak was dat die tests en die uitslagen niet bindend waren, het kwam neer op aanbevelingen. Zelfs de allerdomste idioten mochten aan de studies beginnen en een groot aantal van hen zijn ook afgestudeerd. Waarmee ik niet wil zeggen dat alleen dommeriken zijn afgestudeerd. Eigenlijk kwam het er niet zozeer op aan of je een visie had, of je creatief was, of je een kunstenaar was, maar wel dat je hard werkte.

25-01-08

REVOLUTIONAIR MET VETTIGE HAREN


Word ik op oudere leeftijd toch nog een revolutionair? Alvast heb ik al vettige haren en een smerige baard en beantwoord ik op die manier aan de criteria van Stendhal.

22-01-08

VOOR LOUIS BOON - 1967


for louis paul boon - 1967

Teruggevonden blaadje, getypt na het lezen van De Kapellekensbaan. Ergens in 1967 op een Remington schrijfmachine.
 

15-01-08

DENK JE NOG AAN MIJ, LIEVELING?

passages,literatuur,hoeren,stroom,huid,sodom en gomorra,vriendschap,schrijven,citeren,stijl,marcel proust,verfraaien,hoochiekoochie

Foto: Nobuyoshi Araki
 

Marcel Proust is een zo buitengewoon goede schrijver dat hij mij zin geeft om hem heel vaak te citeren, wat ik echter probeer te vermijden. Want wat voor zin heeft het te herhalen wat al in een boek staat? Wellicht doe je daar jezelf een plezier mee, het plezier van het lezen en het citeren, maar of je lezers er iets aan hebben is nog maar de vraag. Je rukt een passage los uit haar context, uit de in dit geval lange stroom van het ‘verhaal’, hoewel Proust niet echt een verhaal vertelt, en plaatst ze in een andere context, zonder het oorspronkelijke ‘ervoor’ en ‘erna’. Misschien wil je je eigen stroom met die mooie citaten verfraaien, haar oevers verstevigen, ze beter bevaarbaar maken, er meer diepte aan geven, zodat ze voor de zwemmer even gevaarlijk wordt als de Schelde of de Mississippi?

Want telkens weer zie je in dat je eigen verhaal niet altijd veel om het lijf heeft, het doet je veeleer denken aan de hoeren aan het Noordstation, waar je met de trein naar Antwerpen zo vaak voorbijrijdt: je vangt een flits op van hun zachte huid, maar altijd van ver, nooit kom je in hun nabijheid, nooit raak je hun huid aan. De ‘treinreiziger’ die station Hoochiekoochie passeert zal soms ook een flits schoonheid opvangen, maar dan stuit hij al gauw op een banale uitspraak, of een slecht geformuleerde zin – want er is altijd haast mee gemoeid, alsof de duivel de schrijver op de hielen zit - of hij gaat voorbij aan een schitterend gedicht zonder dat hij de tijd heeft kunnen nemen om het te lezen.


Toch kan ik het ook deze keer niet laten Proust aan te halen, enkele zinnen uit ‘Sodom en Gomorra’:


“Maar, zoals wij ook van het richtinggevoel zijn verstoken, waarmee bepaalde vogels zijn toegerust, zo missen wij het gevoel voor zichtbaarheid, zoals wij dat voor afstanden missen, in de waan levend dat wij van nabij belangstellend gevolgd worden door de mensen die juist nooit aan ons denken, en niet bevroedend dat wij onderwijl het voorwerp zijn van andermans grootste zorg.”

14-01-08

DE JAREN ZEVENTIG IN ANTWERPEN (VERKENNING)

tweedehands,popcultuur,kringloop,wit pak,zwart leer,nostalgie,pop,mini-tv,herinneringen,antwerpen,punk,cinderella s ballroom,pannenhuis,television,reggae,vintage,interieur,vrienden,wolmolen,dao,sint-jansplein,pil,tante georgette,kleren,juwelen,spiegel,narcisme,foto,martin pulaski,jos d,dansen,cinderella,firenze

Agnes, Lamorinièrestraat, Antwerpen, 1980. Foto: Martin Pulaski.

Zaterdagavond zaten mijn levensgezellin en ik aan tafel in een nostalgische bui te praten over lang vervlogen dagen. Vooral onze eerste jaren in Antwerpen van 1977 tot 1984 hebben een onvergetelijke indruk nagelaten. Het waren schitterende dagen, dagen van verandering, er hing revolutie in de lucht; veel nieuws en vrolijk stemmends ontstond spontaan voor onze ogen in kleine, nieuwe kunstgaleries en immense hangars zoals de Montevideo en wij werkten er soms aan mee, waren er deelgenoten van. We herinnerden ons weer die talloze uitbundige, weergaloze nachten in kroegen die nu niet langer donker of bruin meer waren maar wit, met onze vrienden Guillaume Bijl en Renée Strubbe, aan wie ik vaak terugdenk, omdat haar doodsprentje hier in mijn kamer staat, Ria Pacquée, Leo Steculorum, Flor, Jos Dorissen, over wie ik al vaak heb geschreven, Hilde V., Luc en zijn Hilde, Herman en Harry en vele anderen. En de diepe vriendschap met Rita en Jules die nog steeds voortduurt. Hoe we bijna zonder geld konden overleven en zelfs nog rockabilly-, blues- en punk-elpees en boeken konden kopen. De tijd van Elvis Costello, the Clash, the Ramones, Television en reggae.

Voor goedkope ‘hippe’ kleren gingen we naar het Berghmanshuis (als dat de juiste naam is) op het Sint-Jansplein, de Wolmolen in de Provinciestraat en Dao in een zijstraat van de Nationalestraat. In de winkel op het Sint-Jansplein – waar kleren uit faillissementen werden verkocht – vond je alles wat je nodig had om een avond uit te gaan. Wij waren echt wel voorlopers op dat gebied, als ik dat zo mag zeggen. Nu gaat iedereen naar de kringloopwinkels en combineert oude met nieuwe kleren. Toen was bijna niemand geïnteresseerd in ‘vintage’.
(Eigenlijk was ik vanaf 1965 ongeveer al bezig met me oude kleren toe te eigenen, vooral zijden sjaaltjes van mijn tante Georgette, zij had er tientallen, en juwelen, af en toe ook kledingstukken uit mijn moeders jonge jaren. Als ik dat toen allemaal aantrok leek ik op Brian Jones en was ik gelukkig.)
tweedehands,popcultuur,kringloop,wit pak,zwart leer,nostalgie,pop,mini-tv,herinneringen,antwerpen,punk,cinderella s ballroom,pannenhuis,television,reggae,vintage,interieur,vrienden,wolmolen,dao,sint-jansplein,pil,tante georgette,kleren,juwelen,spiegel,narcisme,foto,martin pulaski,jos d,dansen,television,cinderella,firenze

Aan zo’n avondje uit in Antwerpen ging een heel ritueel vooraf, waarbij we twee à drie uur voor de spiegel allerlei combinaties probeerden. De ‘perfecte’ combinatie vinden, dat was het moeilijkste. Maar het gaf een eerlijk gevoel om dan later zo uitgedost in het Pannenhuis en Cinderella’s Ballroom binnen te stappen. Vaak ging ik naar Cinderella’s Ballroom in een wit pak, gekocht in Firenze, een zekere Alan Farbman uit New York, had dat daar voor mij betaald, en begaf me daar tussen in zwart leer gehulde punks op de dansvloer. We dansten vol overgave op de muziek van Maryse (ik hoop dat ik haar naam juist spel), de beste dj die ik ooit heb gehoord. Dansen op ‘Marquee Moon’ van Television, dat betekende extase (terwijl die pilletjes toen niet eens bestonden). In dezelfde Cinderella’s Ballroom leerde ik reggae appreciëren en er uren lang op dansen. Ik schoot zeer goed op met de punks, het waren stuk voor stuk vriendelijke jongens en meisjes. Ze namen geen aanstoot aan mijn wit pak. Integendeel: ze begrepen dat ik een individu wilde zijn en hadden daar duidelijk respect voor. Soms kwam ik echter ’s morgens thuis met bloedspatten op mijn pak. Een jongen had bijvoorbeeld al dansend op PiL (This Is Religion, of ‘Careering’) tot bloedens toe met zijn vuisten op de muren gebeukt. Dat hoorde erbij. Ik zal hier later meer over vertellen, als ik meer energie heb. Alleszins was de tweede helft van de jaren zeventig op zijn minst even boeiend als de zo bejubelde sixties.
tweedehands,popcultuur,kringloop,wit pak,zwart leer,nostalgie,pop,mini-tv,herinneringen,antwerpen,punk,cinderella s ballroom,pannenhuis,television,reggae,vintage,interieur,vrienden,wolmolen,dao,sint-jansplein,pil,tante georgette,kleren,juwelen,spiegel,narcisme,foto,martin pulaski,jos d,dansen,television,cinderella,firenze

 

Vaak denk ik eraan om weer in Antwerpen te gaan wonen, waar alles gebeurt. Maar heeft het zin? Jaag ik niet op een droom die al lang vervlogen is?

12-01-08

EEN BEKENTENIS IS GEEN EXHIBITIONISME

 

Wat ik gisteren bekendmaakte over mijn geneesmiddelengebruik is geen uiting van exhibitionisme. Het viel me erg moeilijk om hierover openhartig te zijn. Mijn vrienden, mijn collega’s, bijna niemand wist van de ernst van mijn toestand af. Ik zelf had ook meestal de neiging dat allemaal te verdringen, te doen alsof er niets aan de hand was, of toch niets ernstigs. Ik wilde voortgaan met leven zoals iedereen, alles doen wat de anderen doen, als ik daar zin in had, bedoel ik – en hen soms zelfs overtreffen. Alsof ik onkwetsbaar was, ben. Alsof ik een ander was.


Zo’n lijstje had ik nooit eerder gemaakt; ik ben er gisteren zelf van geschrokken.

Ik heb de knoop doorgehakt om dit publiek te  maken, na me nog eens voor de geest te hebben gehaald waarom ik aan deze onderneming - dit elektronisch boek dat de werktitel ‘hoochiekoochie’ meekreeg, een titel die mijn ‘verachting’ van mijn zwaktes verraadt - ben begonnen (op 8 maart 2005). En ik herinnerde me nog heel goed, ook al had ik het niet met veel zoveel woorden gezegd, waarom ik eraan begon.

De basis van al wat ik zou schrijven, het uitgangspunt van hoochiekoochie, liep gelijk met dat van Rousseau in zijn ‘Bekentenissen’. Denk nu niet dat ik me met de grote filosoof wil vergelijken. Ik heb het slechts over zijn uitgangspunt, waarmee hij zijn opzienbarende boek begint. En in het Nederlands staat er dit:

“Ik ga iets ondernemen dat nooit eerder is gedaan en dat, als het eenmaal is uitgevoerd, niet zal worden nagevolgd. Ik wil aan mijn medemensen een mens laten zien zoals hij werkelijk is en die mens, dat ben ik zelf.

Enkel en alleen ik zelf. Ik ervaar mijn eigen innerlijk en ik ken de mensen. Ik ben niet gemaakt als enig ander mens die ik heb ontmoet. Ik durf zelfs te geloven dat ik niet gemaakt ben als enig ander mens ter wereld. Ook al zou ik niet beter zijn, ik ben op zijn minst anders. Of de natuur er goed of slecht aan heeft gedaan de mal te breken waarin ik gegoten ben, daarover kan men alleen oordelen als men mij gelezen heeft.”


Zijn onderneming zal door geen mens worden nagevolgd, schrijft Rousseau. En ik denk dat het waar is, ook al lijkt het niet zo. Mijn uitgangspunt is hetzelfde maar de onderneming is anders.

(Ik ken maar een kunstenaar die even ver is gegaan in het zichzelf blootgeven en dat is John Lennon, op zijn John Lennon/Plastic Ono Band elpee, uitgebracht in 1970, dat wonderlijke jaar. )

 

Plastic Ono Band
 

 

Zelf voel ik mij nu naakt en zeer kwetsbaar, alsof ik droom dat ik opgesloten zit in een glazen ruimte. Iedereen kan mij in mijn naaktheid en kwetsbaarheid bespieden en ik kan aan geen blik ontsnappen. Maar dat is mijn ‘opdracht’ en het is niet mijn bedoeling de strijd nu op te geven. Want ik voel me behalve zwak ook sterk en vertrouw erop dat wat ik schrijf en hoe ik leef waardevol is. Ook geloof ik dat ik soms wat schoonheid voortbreng.


Het is geen gemakkelijk leven. Maar dat had ik niet eens verwacht. Ik was van bijna in het begin gewaarschuwd. Ik maak mezelf niets wijs: het wordt niet gemakkelijker, het wordt niet beter, ik bedoel voor mezelf, niet voor de anderen, want dat weet ik niet.