19-01-09

AANWEZIGE AFWEZIGHEID


space odyssey2

Misschien valt het op, maar misschien ook niet: ik heb al een hele tijd niets meer geschreven voor hoochiekoochie. Eerlijk gezegd heb ik gewoonweg niets meer geschreven. En dat zal nog wel even duren. Ik ben flink verkouden en voel me zwak. Het is alsof ik al mijn energie nodig heb om gewoon aanwezig te zijn. Toch zijn er zeker een aantal dingen waarover ik zou willen schrijven. Over het bestand in Gaza, wat geen vrede betekent, maar voorlopig vallen er toch geen doden meer. Dat is al iets, een grote kleinigheid. En over de inauguratie van Barack Obama morgen. De hoop voor de toekomst, hoewel we misschien teveel van die man verwachten. De macht is veel te ingewikkeld en te corrupt om door een man hervormd te kunnen worden. Een revolutie moeten we zeker niet verwachten. Het is trouwens de vraag of een revolutie de wereld kan verbeteren. De mensen zijn zoals ze zijn. Ik bedoel: lees eens een tragedie van Shakespeare. Zo zijn de mensen, nog altijd. Het grote verschil met zijn tijd is de precisie waarmee alles gebeurt, de technologie en de zakelijkheid. Maar de strijd om de macht, de haat en het geweld zijn er altijd geweest. Het eerste gedeelte van ‘2001: A Space Odyssey’ laat daar, terecht, weinig twijfel over bestaan. Zouden een gedegen communicatie, artistieke ondernemingen en het voorbeeld van Orpheus ons enigszins voor nog groter onheil kunnen beschermen? Over zulke dingen wilde ik graag schrijven, maar het spijt me, ik moet er nog even het zwijgen toe doen.

18-12-08

MAN IN HET DONKER (EN HET LICHT)

lezen,boeken,tijd,reizen,licht,hanif kureishi,buiten,depressie,eels,donker,geheugenverlies,landschappen,haruki murakami,rilke,paul auster,tijdverdrijf,binnen,stendhal,terugblik,jaaroverzicht,richard yates,poe,william styron,philippe claudel,george eliot,elias canetti,siri hustvedt,peter ackroyd,cormac mccarthy,mark oliver everett,richard rorty,jospeh roth,banana yoshimoto,martin frost


Ik wil geen negatief klinkend jaaroverzicht schrijven. Maar ik wil toch beginnen met de waarschuwing dat ongeveer alles wat ik in 2008 beleefde in het teken stond van neerslachtigheid, melancholie, burn out, chronische vermoeidheid en de vloek van antidepressiva. Mijn geheugen is erdoor achteruit gegaan. Zowel synthetisch als analytisch denken valt me moeilijk. Ik ben bang voor cijfers, maar dat heb ik altijd wat gehad. Faalangst gecombineerd met perfectionisme. Ik wil zoveel mogelijk meemaken, bijwonen, zien, maar ik kan om een mij onbekende reden nog maar moeilijk de deur uit. Mijn levensgezellin stimuleert me daarin, zij is er nauwelijks in geïnteresseerd om – vooral ’s avonds – nog buiten te komen. Net als ik houdt ze van het leven en de kunst maar het werk slorpt het leeuwendeel van haar energie op.

In weerwil van die donkere schaduwen die op mijn levenspad vielen heb ik ook helder licht gezien, momenten van schoonheid beleefd, en fijne, lieve mensen ontmoet of er onrechtstreeks mee gecommuniceerd. De vriendschap is gebleven, ik haat niet, ik verkies nog steeds de liefde boven de oorlog. Ik ben vaak in mijn kamers gebleven maar heb ook korte, intense reizen gemaakt. In het zonlicht viel alle ellende van me af. Ik was dan soms opnieuw in de wereld, tegenwoordig, verzoend met mijn omgeving en met mezelf. Aan de Atlantische oceaan voelde ik een soort extase bij het zien van die immense hemel, met slechts hier en daar een wolk. En zover je kon zien alleen maar zand, water, schelpen. In de verte twee wandelaars. En ver achter mij mijn vrouw die rustig op een bank zat te lezen in een boek van Murakami.

Haruki Murakami heeft mezelf ook genoegen gedaan. Ik denk dat hij de beste schrijver van deze tijd is, maar ik kan er moeilijk over oordelen, omdat de tijd van het vele lezen voor mij voorbij schijnt te zijn. Wat ik doe is terugdenken aan de boeken die ik vroeger heb gelezen. Soms neem ik er nog eens een ter hand en lees een fragment. Hölderlin, TS Eliot, James Joyce, Cesare Pavese. Altijd kleine stukjes. Gewoon een boek vasthouden, er eens aan ruiken, is al een plezier. Ik las voor het eerst een boek van Richard Rorty, ‘Contingentie, ironie & solidariteit’: het maakte grote indruk op me. Hij is een filosoof die ik over het hoofd heb gezien toen hij nog leefde.  Mijn vriendin Inge wees me op het bestaan van Richard Yates. ‘Revolutionary Road’, een roman uit 1961, is droevig maar mooi een honderd procent echt. Er wordt veel in gedronken. Gelachen heb ik vooral met Hanif Kureishi. In zijn roman ‘Something To Tell You’ herkende ik heel veel van mezelf. Kureishi schrijft over mijn generatie, of liever, over de kleine minderheid van mijn generatie die het in het midden van de jaren zestig aandurfde een ander leven te gaan leiden, voor nieuwe muziek, film, theater en mode te kiezen. Want vaak wordt gezegd, die of die generatie, en dan worden daar alle positieve eigenschappen aan toegeschreven van die enkelingen die op hun tijd vooruit waren. Het spijt me als dit verwaand klinkt, maar zo is het nu eenmaal.

lezen,boeken,tijd,reizen,licht,hanif kureishi,buiten,depressie,eels,donker,geheugenverlies,landschappen,haruki murakami,rilke,paul auster,tijdverdrijf,binnen,stendhal,terugblik,jaaroverzicht,richard yates,poe,william styron,philippe claudel,george eliot,elias canetti,siri hustvedt,peter ackroyd,cormac mccarthy,mark oliver everett,richard rorty,jospeh roth,banana yoshimoto,martin frost

Ik heb nog andere mooie, ontroerende boeken gelezen, waaronder ‘Grijze Dagen’ – de titel zegt al veel - van Philippe Claudel, het zeer poëtische maar beangstigende ‘The Road’ van Cormac McCarthy, een geniale schrijver die dankzij de broers Coen ook in dit land wat meer aandacht kreeg, een aantal romans van de onvolprezen Joseph Roth (met dank aan Bart D., om mij hier op te wijzen), ‘Het duister zichtbaar’, een boek over depressie, van William Styron, ‘Party tijdens de blitz’ van Elias Canetti, ‘Kitchen’ van Banana Yoshimoto, een Japanse schrijfster die ik op het spoor kwam dankzij mijn Portugese vriendin Cristina, Rilkes ‘Brieven aan een jonge dichter’, ‘Poe – A Life Cut Short’, een korte maar uitstekende biografie van Edgar Allan Poe door Peter Ackroyd, een meester in het genre. Deze zomer had ik het genoegen een van mijn literaire helden, Paul Auster, in levenden lijve te zien in het Paleis voor Schone Kunsten, waar zijn film ‘The Inner Life Of Martin Frost’ werd vertoond. Ik zou het nooit geweten hebben als Valérie er me niet over had aangesproken. Paul Auster heeft prachtige ogen en een heel mooie vrouw, Siri Hustvedt, die er gelukkig ook bij was. Na afloop was er een signeersessie, maar ik had geen zin om in die lange rij te staan voor een handdruk, een handtekening (en een glimlach van Siri Hustvedt). Ik ben wel meteen haar boek gaan kopen en heb het ook gelezen. ‘The Sorrows of An American’ is zeer mooi geschreven, maar de plot bracht me soms in de war. Overigens is het hoofdpersonage net als in Kureishi’s laatste roman een psychoanalyst. Net wat ik nodig heb. Vanzelfsprekend heb ik Paul Austers ‘Man in the Dark’ in een ruk uitgelezen, en nu ben ik alweer vergeten waar die roman eigenlijk over ging. Dat geheugen! Maar ik val in herhaling.

De mooiste, rijkste, heerlijkste boeken die ik het voorbije jaar heb gelezen zijn twee klassiekers: ‘Middlemarch’ van George Eliot en ‘Lucien Leuwen’ van Stendhal. Hieruit mag duidelijk blijken dat ik geen recensies lees, maar me wel laat adviseren door vrienden. Oh, ja, een erg boeiend boek is ook ‘Things the Grandchildren Should Know’ van Mark Oliver Everett, beter bekend als zanger/songschrijver van Eels.

Tussen dat lezen door at ik aardappelen, soep, vis, brood, dronk wijn en luisterde naar muziek. Meer daarover in een volgende aflevering.

09-12-08

EROTISCHE VERBEELDING


 morning flesh


Vaak denk ik, onterecht, dat ik geen verbeelding heb. Maar zonder verbeelding zou ik niets begrijpen van de wereld rondom me, zou ik zonder meer niets begrijpen en niets voelen. Wat ik mis is fantasie, de gave om een ‘andere werkelijkheid’ te kunnen verzinnen.  Als ik dagdroom kom ik niet in vreemde landschappen terecht en beleef ik geen exotische avonturen. Ik verbeeld het bestaande, ik combineer bestaande beelden, ik bedenk geen nieuwe personages. Als ik iets schrijf is het op de werkelijkheid gebaseerd, op wat de Fransen ‘le vécu’ noemen. Mijn teksten zijn autobiografisch, ook mijn gedichten. Voor gedichten maak ik gebruik van woorden die mij door mijn omgeving worden aangereikt, of die als het ware komen opborrelen. Samengevoegd worden ze interessante beelden, of hun opeenvolging is welluidend. Omdat ik geen verhalen kan verzinnen ben ik geen schrijver. Ik kan niet zoals Jef Geeraerts over misdadigers, wilde achtervolgingen, mensen die aan geheugenverlies lijden en andere onzin schrijven. Ik wil dat ook niet. Ik praat over wat ik heb meegemaakt en over de mensen die ik rechtstreeks of onrechtstreeks ken of heb gekend. Als ik al wijsheid heb, komt die uit boeken. Ik heb nogal veel gelezen. Maar ik heb ook veel gereisd, gezien, gehoord.

Al een hele tijd geleden was ik eens laureaat van een verhalenwedstrijd, ingericht door De Morgen en Meulenhoff. Mijn verhaal, Sandra’s Blues, zou je als pornografisch kunnen omschrijven;  het is existentiële pornografie. Maar ongeveer alles wat daar in voorkomt, moet ik toegeven, is echt gebeurd. Sommige elementen heb ik toegevoegd of gedramatiseerd, omdat het tenslotte een verhaal moest zijn. En natuurlijk heb ik de namen en de plaatsen enigszins veranderd. Waarmee ik wil zeggen dat mijn erotische verbeelding niets nieuws voortbrengt, ik breng – in mijn hoofd of op papier – verslag uit van een aantal ervaringen. Als ik weer eens een keer erotisch zit te dagdromen, want dat gebeurt, dan is dat altijd op het verleden gericht: ik herinner me erotische situaties, en ik beleef er opnieuw plezier aan, de herinneringen winden mij op.

Het fantastische blijft in het vacuüm van mijn onbewuste opgesloten. ’s Nachts in mijn dromen en nachtmerries kan het van zich laten horen. Soms herinner ik me flarden. Het is een kwestie van oefening. Vroeger hield ik een nachtboek bij. Dat stond na een tijd vol fantastische verhalen: fragmenten van dromen. Ik ben ermee opgehouden omdat ik liever in de realiteit leefde, tussen echte mensen, wandelend in de schaduw van echte bomen, met aan de horizon echte bergen, en dichterbij het ruisen van een echte rivier. In mijn armen wilde ik een echte vrouw houden. Haar wilde ik kussen en nog veel meer. Ja, zeker, dat is wat ik hoe langer hoe meer wil.

Foto: Martin Pulaski, Laura, Antwerpen, Lamorinièrestraat, 1980.

ONSCHULDIGE DAGEN


neerharen 1965

Onschuldige dagen in Neerharen, toen nog geen deelgemeente van Lanaken. Arthur Penn moest Bonnie and Clyde nog maken.
Links op de foto mijn toenmalige schoonzus Astrid, rechts mijn al lang uit het oog verloren beste vriend Jean-Pierre. De wapens waren van mij. Ik had me nog niet tot flower power bekeerd: het was 1965, het jaar dat mijn leven grondig door elkaar werd geschud door the Byrds en Bob Dylan.

08-12-08

LEVEN EN DOOD VAN EEN CACTUS



umberto d

Met pijn in het hart heb ik een meer dan twintig jaar oude cactus in kleine stukken gezaagd; een levend wezen dat ik tot levenloosheid heb herleid. De cactus nam geen water meer op, en verschrompelde. Ook zonder mijn ingreep was hij ten dode opgeschreven. Het onderste gedeelte van de plant, die bijna dezelfde lengte had als ik, was zwart geworden en krom getrokken, maar de bovenkant was (en is) nog mooi groen. Misschien kan ik die groene stukken opnieuw aan het groeien krijgen.
Het is vreemd dat een voorwerp, een ding, je emoties zo sterk kan raken. Natuurlijk houdt dat verband met het verdwijnen, met het sterven en de ontbinding. Een cactus opruimen is misschien wel netjes, maar je beseft tegelijk dat alle leven eindig is en moet verdwijnen. De meeste dingen rondom ons blijven echter langer dan wij, de boeken, de beelden, muziek. Het huis waarin ik woon is in geen al te beste staat, maar ik twijfel er niet aan dat het hier nog zal staan als ik al lang vergeten zal zijn. Er zullen ooit, liever laat dan vroeg, nieuwe huurders komen die niets over me weten, over de gelukkige momenten, over het verdriet, over de honderden teksten die ik hier schreef en de zogenaamd onvergetelijke boeken die ik hier las. Het is goed mogelijk dat die nieuwe huurders niet meer zullen lezen, niet meer geïnteresseerd in film zullen zijn, en ook de zachtheid van de huid zullen hebben afgezworen. Want liefde is niet nuttig en brengt weinig op, tenzij in de prostitutie, zullen zij misschien zeggen. Ik mag hier niet te lang over nadenken, of er zit meteen al een alien in mijn kamer, een slijmerig wezen met scherpe tanden en kleine, lelijke ogen.

Enkele dagen geleden zag ik ‘Umberto D.’ van Vittorio De Sica. Dat had ik beter niet gedaan. Het is een onuitstaanbaar droeve film, met slechts enkele lichtpunten in – en de louterende schoonheid van de beelden, gelukkig. Een gepensioneerde ambtenaar komt niet rond met zijn pensioen en kan de huur van zijn kamer niet meer betalen. In heel Rome is er geen mens die hem kan of wil helpen. Hij heeft maar een vriend, zijn hond Flike, een buitengewoon welopgevoed beest. Er is ook nog het hulpje van de hospita: kennelijk heeft zij enige compassie met de oude Umberto D. Maar zij komt vooral af en toe in zijn kamer omdat ze door zijn raam naar de soldaten aan de overkant kan gluren. Twee van die jonge mannen zijn haar minnaars. Van welke van de twee ze zwanger is weet ze niet, maar ze maakt er zich weinig zorgen over. Op het einde van de film wil de hopeloze, gebroken Umberto D. samen met zijn hond onder een trein springen, maar Flike’s levenslust is te groot: hij doet de poging mislukken. Hoe het dan verder zal aflopen met die twee zullen we nooit weten.

Ik weet niet waarom ik die twee voorvallen hier vertel. Het zullen de donkere dagen zijn, de melancholie die me maar niet los wil laten. En melancholie voedt zich met melancholie, zwartgalligheid wil meer zwartgalligheid, geestespijn wil de donkere wijn van het verdriet drinken. Ik vermoed dat zelfs enkele bloemen van het kwaad me nu zouden kunnen bevallen.

Maar dit is slechts een winter. Er komen altijd weer mooie dagen. Spoedig zal het weer lente zijn en voor het zover is zal ik vrienden en geliefden ontmoeten. Ik zal de wijn drinken van het plezier en me laten ontroeren door de mooiste muziek die ik ken, zoals nu al door Neil Youngs in 1968 opgenomen ‘Sugar Mountain’. En ik zal terugdenken aan de mooie momenten van 2008. Ik leg me nog niet neer in de sneeuw en ben evenmin zinnens een paard te omhelzen in de straten van Turijn.

umberto d 2

Afbeeldingen uit Umberto D., een absoluut meesterwerk van Vittorio De Sica

15-11-08

A CHANGE IS GONNA COME

reizen,politiek,dood,economie,financien,thuiskomen,wannes van de velde,levend,martin luther king,uitpakken,barack obama,revolutionair,sam cooke,mitch mitchell,jimmy carl black,yma sumac,jimi hendrix experience,miriam makeba

Myriam Makeba.

Ik kom thuis van de reis, gezonder dan voorheen vermoed ik, maar moe, moe moe. Nauwelijks krijg ik een letter geschreven. Ik maak mijn koffer en mijn rugzak leeg, dat gaat snel, het is routine. Ik heb bovendien niets gekocht om te doorbladeren of te besnuffelen. In Portugal hebben we geleefd, niet geconsummeerd. Alleen in Lissabon heb ik enkele cd’s gekocht, waarover later meer.

Na het uitpakken doorblader ik mijn mail en lees dat Wannes Van De Velde, Miriam Makeba, de fantastische drummer Mitch Mitchell, Yma Sumac en last but not least Jimmy Carl Black, “the Indian of the Group” zijn overleden tijdens mijn toch korte reis. Het stemt mij droef te moede. Ik vond Jimmy Carl Black een prachtkerel, hij heeft me vaak aan het lachen gebracht. Zo vaak. Mitch Mitchell hoor ik bijna elke week en dat zal zo blijven. Voor ons is het een troost dat de muziek niet vergaat. Maar de muzikanten zijn dood. Ja, dat stemt me droef te moede. Ik zal weer in memoriams moeten gaan schrijven. Maar eerst wat zoete rust in mijn eigen bed.

 

Begrijp me echter niet verkeerd: ik ben ook tevreden en blij. Het gaat nog altijd niet goed met de economie en de financiële wereld. Daartegenover staat dat de Verenigde Staten nu een president hebben die Barack Obama heet. Alleen het feit dat hij verkozen is, is revolutionair. Een droom is waar geworden. De wereld kan nu alleen maar beter worden. A change is gonna come, zong Sam Cooke, vol overtuiging. En nu is het zo ver.

31-10-08

SCHWAB'S, MEMPHIS


schwab's, memphis


Dit is Schwab's klerenwinkel in Beale Street, in Memphis. Ik ging er destijds een kijkje nemen alleen omdat ik wist dat de jonge Elvis Presley er zijn jeans en ondergoed kocht. Sterke jeans, werd mij verteld. Later ging the Memphis Flash bij 'echte' kleermakers, kerels die hun prijs kenden. Ik weet niet meer of ik iets kocht bij Schwab's. Het was september 1992, een tijd toen ik nog niet met vallen was begonnen. Wel dronk ik af en toe graag een glas rum. Niemand spreekt het woord 'rum' zo mooi uit als Bob Dylan, de auteur van 'Stuck Inside Of Mobile With the Memphis Blues Again'. Op dit ogenblik klinkt in mijn kamer een andere song van de maestro, het onovertroffen 'If You See Her Say Hello'. De herinneringen die dat lied oproept begraaf ik terstond.

28-10-08

NA LAMBCHOP DE VAL

muziek,concert,pop,rock,live,val,lambchop,soul,ab,jeans,shaketown

Ik ben moe, afgemat, uitgeput en ik weet niet van wat. Zondagavond was ik in de AB en zag er Lambchop, met Kurt Wagner, een van de meest originele, soulvolle gitaristen en zangers van deze tijd. Graag had ik een verslag geschreven van het mooie concert, maar de inhoud van de eerste zin weerhield me ervan. En ook het volgende. Gisteren, toen ik van de psychiater kwam - een maandelijks uurtje therapie - struikelde ik en viel op het trottoir, recht voor de bouwwerf van metrostation West. Gelukkig had ik mijn handen niet in mijn zakken en waren mijn reflexen goed. Ik viel maar bezeerde me nauwelijks: mijn handen braken de val. Alleen wat schrammetjes en een wat geschaafde rechterknie. Rondom mij terugwijkende stedelingen. Reken er maar niet op dat je weer recht wordt geholpen. Vreemd is dat ik met dezelfde jeans aan nog een keer viel, een jaar of drie geleden – ja, sommige van mijn jeans gaan lang mee – op de Antwerpse Meir. Toen schaafde ik mijn linkerknie en bloedden mijn handen. Ik heb vandaag alvast een andere broek aangetrokken.

 

Als ik wel iets had geschreven over het concert van Lambchop zou het evenwel zeker niet beter, juister of interessanter geweest zijn dan het verslag van Mister Shake. Bovendien heeft hij erg mooie foto’s van Lambchop gemaakt.

15-09-08

DE POOLSE VRIENDIN


Na zoveel maanden, of waren het jaren, had ik niet meer verwacht haar nog terug te zien. Maar daar stond ze opeens voor mijn denkbeeldig raam: mijn Poolse vriendin A.
Het gaat niet goed met me, zei ze. Ik voel me depressief. Het grootste probleem is dat ik hier geen vrienden heb. De Denen zijn helemaal anders dan de Polen. Ik wil allerlei dingen doen, ik toon mijn emoties, mijn enthousiasme, maar zij zijn in zichzelf gekeerd, ze uiten zich niet.

Alle Denen zullen toch niet hetzelfde zijn, zei ik.
Nee, zei ze, maar op het werk is het vreselijk. Die mensen weten niet wat plezier is, of onderdrukken het.

Ik had me altijd voorgesteld dat Polen nogal in zichzelf gekeerd waren, dat ze weinig vreugde uitstraalden. Ik had mij dat beeld gevormd van de Polen door de films van Kieslowski, van Wajda en van de jonge Polanski, die van ‘Het mes in het water’. Zo zie je maar dat je nooit moet veralgemenen. Iedereen is anders. Er zijn geen Polen, geen Denen, er zijn zelfs geen Belgen. Overigens vond ik dat mijn Poolse vriendin nooit echt opgewekt was geweest. Een aura van melancholie had haar elke keer als ik haar gesproken had omgeven. En uit heel veel van wat ze me had verteld klonk een immense ontevredenheid met de werld rondom haar.

Hoe gaat het nog met jou, vroeg ze.

Ach, ik mag niet klagen, zei ik. Sinds vorige donderdagavond is mijn rechtervoet verlamd, maar die zal wel weer genezen. Mijn depressie neemt langzaam af, ik krijg weer meer zin in het leven. Ik neem een nieuw medicijn en dat schijnt beter te werken.

Je voet is verlamd, zei ze, hoe is dat gebeurd? En ik maar over mijn problemen zeuren.

Ik zat voor de zoveelste keer naar ‘Der Amerikanische Freund’ te kijken, zei ik, en ben halverwege in slaap gesukkeld. Toen ik wakker werd was de aftiteling bezig.

‘Der Amerikanische Freund’ van Wim, zei ze, wat gek!

Het toeval wil dat mijn Poolse vriendin een groot bewonderaar is van Wim Wenders. Ze heeft zelfs een foto waar ze samen met de Duitse regisseur opstaat. Ze heeft al zijn films gezien.

Ja, zei ik. Ik wilde de televisie en de dvd-speler af zetten, maar ik struikelde meermaals. Er zat geen leven meer in mijn voet. Ik ben toch nog naar de slaapkamer kunnen strompelen. Ik dacht, morgen zal mijn voet wel weer in orde zijn. Maar dat was niet zo.

Je zal je wel zorgen gemaakt hebben, zei ze.

Aanvankelijk wel, zei ik. Mijn huisarts heeft me enigszins gerustgesteld. Hij denkt dat onder mijn rechterknie een zenuw gekneld zit, waardoor ik geen controle meer heb op bepaalde spieren in mijn voet. Dat zou vanzelf moeten genezen. In het ergste geval moet je bij een neuroloog langs en misschien geopereerd worden, zei hij. Maar dat zal niet. Elke dag komt er nu een verpleegster langs, om me een spuitje te zetten. Dat is weer eens iets nieuws.

Wat jij toch allemaal voorhebt, zei ze.

Ach, dat valt wel mee, zei ik. Wel jammer dat ik voorlopig niet meer naar tentoonstellingen kan.

Zelf kom ik ook nooit meer buiten, zei ze.

En lezen, je leest toch, vroeg ik.

Ik ben er opnieuw mee begonnen, maar ik heb een hele tijd niet gelezen, zei ze.

Je moet lezen, zei ik. Boeken brengen de wereld binnen. En ze spreken met je, dan ben je minder alleen. Ga je niet meer dansen?

Nooit, zei ze. Hier in dit verdomde gat is er alleen maar een shit disco.

Ja, dat begrijp ik, zei ik.

Ik kan wel naar Hamburg, zei ze, dat is gemakkelijker dan naar Kopenhagen.

Ik houd van Hamburg, van Duitsland, zei.

Ik houd van Berlijn, zei ik.

Ja, Berlijn, zei ze.

Nu moet ik gaan, zei ze, ik ga nog een stukje lopen.

Ciao!, zei ik, en strompelde terug naar de canapé.

13-09-08

WIE IS WIE?


my old school

Wie is wie? De meeste namen ben ik vergeten. Wat ik zeker weet: ik wil nooit meer terug naar mijn oude school. Ik heb er niets geleerd, tenzij vriendschap.

12-09-08

EEN VERBLUFFENDE COMBINATIE VAN WOORDEN


mb 1968


Toen ik vijftien was werd ik dichter, wilde schrijver worden en filosofie studeren. Ik maakte rijmpjes, schreef een paar toneelstukken die op school werden opgevoerd, een fantastisch verhaal getiteld ‘Psychische ontbinding’ waarmee ik de hoofden van enkele schoolvrienden op hol bracht. Ik verhuisde naar Brussel, ging - in plaats van filosofie te studeren - leren hoe je foto’s en films moet maken. Dat mislukte: foto’s maken was eenvoudig, maar voor films had je heel veel geld nodig, discipline en overtuigingskracht. Ik was met niet een van die drie kwaliteiten geboren en zou ze ook nooit verwerven.

Ik trouwde, werd vader, studeerde alsnog filosofie en scheidde.

Toen ik vijfentwintig was dacht ik dat ik een schrijver was. Ik gebruikte bijvoorbeeld nooit het woord ‘toen’ aan het begin van een zin. Daar hadden ze mij voor gewaarschuwd. Ik schreef experimentele verhalen, publiceerde in tijdschriften, maakte met een groep ‘amateurs’ (gewoon mijn vrienden) twee toneelstukken, hield een dagboek bij en sliep niet. Al gauw voelde ik mij mislukken.

Maar ik volhardde. Wim Meewis had me dat gezegd: als je wil schrijven moet je hard zijn, jezelf hard maken, een rotsformatie, steenkool, diamant. Van wat echter moest ik leven? “Van de hemelse dauw kunt ge niet leven”, zei mijn vader altijd. Ik ging talen studeren, Frans, Engels, Duits; liet me inwijden in de opkomende informatica. WordPerfect, Dbase, flow-charts, de hele santenkraam. Ik schreef niet veel meer. Mijn dagboeknotities beperkten zich tot de films die ik had gezien. Wel verzond ik een honderdtal sollicitatiebrieven, zonder resultaat. Waarom werd ik niet aangeworven? Zelfs niet uitgenodigd voor een gesprek? Ik weet het nog altijd niet. Ik droeg een yuppiebril, mijn haren waren kort geknipt, mijn baard was verzorgd. Ik leek op iemand anders. Bij de overheid slaagde ik met glans in een toegangsexamen. Ik was 64ste op ongeveer 4000 deelnemers. Inmiddels was ik eveneens in psychoanalyse gegaan. Nee, ik was niet op zoek naar mezelf. Ik had meer dan genoeg van mezelf, wilde daar liever een punt achter zetten. Die verdomde ik-geschiedenis. Toch dacht ik dat ik nog steeds wilde schrijven. Maar ik was wanhopig. Ik was letterlijk ten einde raad. Ik had niet alleen veel films gezien en veel muziek gehoord, maar ik had ongeveer de hele wereldliteratuur gelezen. Wanhopig maakten mij dichters, toneelauteurs, romanschrijvers, filosofen.

Hoe kon ik een gedicht schrijven na Hölderlin, een verhaal na Kafka, een toneelstuk na Shakespeare, Kleist en O’Neil, een roman na Proust, Musil en Nabokov. Hoe kon ik me met filosofie bezighouden na Nietzsche en Heidegger. Met psychologie na Freud en Lacan? Met de geheimen van de taal en de mythologie na Roland Barthes, Michel Foucault en Jacques Derrida? Ik wist het niet. Was ik niet waardeloos? Woordenloos? Een volstrekte loser, down and out in Antwerpen?

Er waren natuurlijk mijn vrienden, vriendinnen, kennissen, mensen die ik toevallig ontmoette in cafés – allen op hun eigen manier mislukt. Ze deden niet waar ze ooit van gedroomd hadden, ze moesten overleven, en daarom veel van hun idealen opgeven. Dat was geen troost, maar zorgde er wel voor dat ik me minder eenzaam voelde.

Ik las Borges opnieuw en ontdekte dat ik me ook op een boeiende manier kon beperken tot het schrijven van voetnoten bij de grote literatuur. Ik maakte kennis met de ontregelde poëzie van Ezra Pound en e.e. cummings. Zo leek mijn onzinnige poëzie ook zin te krijgen. Verhalen van Toergenjev en Raymond Carver maakten duidelijk dat je niet op zoek moet gaan naar het verhevene maar dat het dagelijks leven voldoende stof biedt om ontzagwekkend over te schrijven. 

Er waren echter enkele belangrijke stelregels. Je moest discipline hebben, je moest heel veel moed hebben, je mocht verdwalen mits je altijd terugkeerde naar het begane pad, je moest je inspannen, niet om je grote voorbeelden te overtreffen, maar om op je eigen wijze even sterk en even authentiek te zijn, of te worden. Je moest jezelf uitvinden in je eigen taal en op die manier respect afdwingen. R.E.S.P.E.C.T! 
moest je afdwingen voor een verbluffende combinatie van woorden.

Foto: copyright Martin Pulaski.

11-09-08

HEEFT ARNON GRUNBERG ZWEETVOETEN?


Wat heb ik toch uitgespookt de voorbije weken, sinds ik terug ben uit Berlijn? Er zijn gaten in mijn geheugen, dat is niets nieuws, tenzij de nieuwe gaten. Ik probeer te ontwaken uit een lange nachtmerrie; ik wil mijn helse tocht een halt toeroepen. Ik liep vaak door lange donkere gangen, bevond mij in huizen zonder kamers, grote ruimtes volgestouwd met ongeveer alles wat ik in mijn leven ooit heb gezien of in mijn handen heb gehad. Vrouwen wilden mij verleiden, en ik zou geen enkele weerstand hebben geboden, maar ze veranderden van de weeromstuit  in brandende toortsen. Ik sloeg weer op de vlucht, mannen met slechte bedoelingen zaten achter me aan. Messen, revolvers reflecteren een flauwe zon. De stralende kleuren van surreële parken, waar rust heerst. Gezichtsbedrog. Om mij heen stort de wereld in. Ik kijk in de spiegel en zie mezelf snel verouderen. Mijn stervende vader kijkt me met droeve ogen aan.

Ik ging geregeld naar de Delhaize, kocht er zongedroogde tomaten, brood, wijn. Aan de kassa’s waren de meisjes vriendelijk, onvriendelijk, onverschillig. Ik scheer me niet. Weer zo’n schooier, denken ze. Nochtans koop ik geen Duvels, geen trappisten, alleen rode wijn om mijn bloed sterker te maken. Fruit eet ik niet, ik drink het. En elke morgen een flesje Omnivit Tonic. Daarna spoel ik met een glas water een Pharmaton caplet door. Als ik niet moet gaan werken lig ik enkele uren later weer uitgeput op de sofa.

Op de linkeroever, lang na middernacht, kijk ik naar de Antwerpse skyline. Bijna vullen tranen mijn ogen om alles wat ik gemist heb, alles wat aan mij is voorbijgegaan. Zeventien jaar ben ik nu lijfelijk weg uit mijn geboortestad, maar zowat alles in mij is daar nog verankerd, in die zinnelijke havenstad. Van het Antwerpen uit mijn kinderjaren blijft niets over. Maar daar maak ik me niet druk over. De wereld moet veranderen, zoals de talen. Elke dag komen er woorden bij, de oude verdwijnen in woordenboeken, of worden anders uitgesproken. Onze taal wordt de taal van Vondel genoemd, maar gebruikt iemand van ons nog een woord dat Vondel gebruikte? Welke wereld zag Vermeer? Je kunt het je niet voorstellen. Rothko kon dat misschien, of de waanzinnig Jackson Pollock, als al het bestaande (en voorbije) door zijn lichaam trok, een immense, eindeloze parade. Misschien zag John Coltrane of Albert Ayler die wereld. Misschien hoorden zij de eeuwenoude stemmen.

Van de Delhaize tot thuis is een wandeling van een kwartier. Ik kan dan ongeveer vijf songs beluisteren op mijn iPod. De rest van de dag luister ik niet veel naar muziek. Ik koop cd’s en leg ze op stapels, in mijn rekken is geen plaats meer. Is het mooie muziek? Ik weet het niet. Brian Wilson’s ‘That Lucky Old Sun’ bijvoorbeeld. Is het geen sentimentele, kinderachtige onzin? Oxygen to the brain, zingt hij. En hij gaat stemmen voor McCain. Want McCain heeft eerlijke ogen, godverdomme. Kan ik iemand die zulke domme uitspraken doet nog waarderen? Ja, ik weet het, je moet een onderscheid maken tussen de maker van een kunstwerk en het werk zelf. De vraag is of ik dat wil. Knut Hamsuns ‘Honger’ is duidelijk een meesterwerk, maar ik kan het boek niet onbevangen lezen omdat ik weet dat de schrijver vriend aan huis was bij de familie Goebbels. Hamsun was dan al oud en seniel, zegt men. Zal ik dan over een tiental jaar de voeten van Filip Dewinter kussen?

Van voeten gesproken, ik las in Humo een geestig, maar veel te kort stukje van Arnon Grunberg over couchsurfing. Ik heb een jonge vriendin, Deborah, die me enkele jaren geleden al op die mogelijkheid heeft gewezen. Maar het tijdperk van liften en wildslapen is voor mij definitief voorbij. Ik wil niet meer op andermans sofa. Ik ben te asociaal geworden en te traag ook. Ik wil als het enigszins kan een kamer in een palazzo. Lang geleden deden wij al aan couchsurfing, maar dat heette toen anders. Je belde gewoon bij iemand aan die op een gestencilde lijst stond en dan kon je daar op de vloer slapen. Bij ons thuis aan het kerkhof van Elsene hebben destijds veel mensen geslapen en brood gegeten: uit Finland, Frankrijk, de Verenigde Staten, Portugal, Nederland vooral. De meeste slapers kwamen uit Amsterdam. Zij hadden altijd honger, alsof de hongerwinter nog niet lang voorbij was. Arnon Grunberg merkt terecht op dat couchsurfing een hippiefenomeen is. De woorden, de mode, de trends veranderen, maar verandert de wereld? Wat ik me echter vooral afvraag is of Arnon Grunberg zweetvoeten heeft. En ook nog dit: waarom heb ik niets over dat indrukwekkend concert van Conor Oberst geschreven? En over enkele gedenkwaardige ontmoetingen met fijne vrienden? Ik weet het niet. Wat heb ik toch uitgespookt de voorbije weken, sinds ik terug ben uit Berlijn?

05-09-08

TELEVISIE / TELEVISION


tv fashion

Omstreeks 1980. Het kleine, witte televisietoestel was van mijn vriend Jos D. De zaterdagnachten duurden lang. 's Zondags keken we naar 'De collega's'. We luisterden naar Television; dit is geen grap. Tom Verlaine was een van mijn grote helden toen. Mijn geliefde A. knipte mijn haren. Ze nam de foto op de hoes van de eerste solo-lp van Tom Verlaine als model. Dat was mijn wens: niet te kort en niet te lang. Met de voeten in de sixties en het hoofd in Marquee Moon.

Ik denk nu terug aan 
Anne-Mie van Kerckhoven, met wie we in die tijd goed bevriend waren. Later zag ik haar elke week heel even in de studio van Radio Centraal in Antwerpen. Zij maakte er het programma 'Als u niet naar ons komt, komen wij wel naar u.' Vanavond zou ik naar een tentoonstelling van haar werk gaan in Wiels, het Centrum voor hedendaagse kunst in Vorst. Nothing More Natural. Dat is de titel van de tentoonstelling. Helaas heb ik koorts en moet ik thuis blijven. Ik vrees dat zij nu niet naar mij zal komen.


Foto: Martin Pulaski.

17-08-08

WAAR JE VANDAAN KOMT


mother, aunt georgette, françois & me

Mijn moeder, haar zuster tante Georgette (die iedereen tante Jos noemde en zelf haar leven beëindigde toen ik dertien was), mijn broer en mijn kleinere zelf. In Antwerpen omstreeks 1960. Waar je vandaan komt. Mijn moeder is eenennegentig geworden. Maar wat heb je aan zo'n lang leven?

24-07-08

DE NACHTEN ZONDER INNIGHEID


willy

Ik droomde van mijn oude, lang geleden gestorven vriend Willy B. Vermoedelijk doordat hij net als ik veel van Tim Hardin hield. In mijn droom was hij even levend als jij en ik. Ik kon hem aanraken, diep in de ogen kijken.We praatten met elkaar over de verleden tijd. Ooit reed ik met hem aan het stuur in de auto door het centrum van Brussel; we hadden een ongeval, een frontale botsing, maar het was niet erg, we hadden geen schrammetje. Een paar weken later leende ik hem mijn exemplaar van ‘Under the Vulcano’. Ja, we hielden ook beiden van de geniale dronkaard Malcolm Lowry. Niet veel later had hij een zwaar ongeval, de auto was een total loss of hoe verzekeringsmaatschappijen iets dergelijks ook mogen noemen, maar Willy was niet gewond. Mijn boek was ik kwijt.

Willy was een toxicomaan. Hij had altijd een koffertje vol medicijnen bij zich, vooral pepmiddelen en benzo’s, maar ook wel zware pijnstillers op basis van morfine. Eveneens bezat hij een dik apothekersboek waar al die medicijnen in stonden opgesomd en beschreven. Willy was al een aantal keren opgenomen om af te kicken, maar hij begon telkens opnieuw. Na een mislukte relatie met een vrouw waar hij van hield nam hij een te grote hoeveelheid pijnstillers. Het was in de koude maand januari van 1989. Twee weken voor die fatale dag was ik nog met Willy doorgezakt in de stad. Tot mijn schaamte moet ik bekennen dat ik onderweg naar huis in slaap ben gevallen. We zijn in stilte door de nachtelijke straten van Antwerpen gereden.

Willy is blijven overnachten, maar toen ik ’s morgens wakker werd was hij weg. Ik heb hem nooit meer gezien. Tot vorige nacht. We hadden het, zoals ik al zei over het verleden. Over liefde en seks. In mijn droomde beweerde Willy dat je seks kunt hebben zonder liefde te voelen. Ik was het daar niet mee eens. Mijn prille ervaringen met seks gingen altijd gepaard met echte liefde, zei ik. Het ene kon nooit zonder het andere. Willy vond dat je lekker seks kon hebben, zonder meer. Hij praatte er nogal beeldend over, waardoor mij allerlei erotische taferelen voor de geest kwamen. De geest in mijn droom, bedoel ik.

Elke nacht lig ik wakker of slaap ik, maar er is altijd, ben ik nu ziek of gezond, altijd is er een brandend verlangen in mij. Overdag ben ik zoals iedereen, maar ’s nachts word ik bijna puur verlangen naar een aantrekkelijke vrouw. Wat ik vooral wil is innigheid, maar ook seks. Ik weet niet of innigheid hetzelfde is als liefde. Ik ken geen innigheid meer. Je moet dan echt in de andere zijn. Maar met Willy sprak ik over de liefde, en zo bereikten we de ochtend en ontsnapten aan de dood. Ik ontwaakte in een tropisch land, waar een orkaan het hotel waar wij logeerden had verwoest. Alles wat we bij ons hadden was verdwenen. Daarna werd ik echt wakker en herkende aanvankelijk mijn kamer niet. Tot ik in de vertrouwde omgeving kwam, met rechts van mij het raam en links de deur naar de badkamer.

Ik vroeg mijn vrouw of ze wakker was. Ja, zei ze. Ik zou graag een rock & roll band oprichten, zei ik. Ik zou het Martin Pulaski & the Small Society noemen. Soms zouden we een big band worden, en dan zou het the Big Society zijn. Mijn vrouw ging op haar andere zij liggen en sliep verder. Ik vroeg me af wat ik met mijn leven moest doen. Wat ik vooral niet meer wilde was pillen slikken.


Foto: Willy B., fotograaf onbekend.

09-07-08

ARBEIDERS

 

schrijven,werken,zomer,wachten,schip,auto,huis,vader,jeugd,arbeiders,scheepvaart,bob dylan,ecologie,appartement,huur,astma,woning,seizoenen,joni mitchell,stephen stills,gevoeligheid

Eugene de Salignac, Brooklyn Bridge Workers.

Mijn vrouw en ik wonen in een appartement dat we huren. Dat is ongewoon voor mensen van onze leeftijd. Zowat iedereen die we kennen bezit een huis, een auto, soms zelfs een ‘buitenverblijf’. Voor mijn autoloos bestaan heb ik een duidelijke uitleg. Ik heb nooit willen rijden. Op mijn negentiende ben ik in de hoofdstad gaan wonen, en daar is een auto meer een last dan een lust. Voor grote afstanden maakte ik gebruik van mijn duim. Dat ging heel goed in die dagen. Nu zijn er goedkope vluchten, zolang het nog duurt. Ik was een groene jongen toen er nog maar weinig groene jongens waren, hoewel iemand als Stephen Stills al wel een ‘Ecology Song’ had, en er was natuurlijk ook ‘Big Yellow Taxi’ van Joni Mitchell, wat later nog eens gecoverd werd door Bob Dylan.

Waarom we geen huis hebben heeft voor een deel met vroegere armoede, te maken, werkloosheid, economische crisis in de jaren zeventig, maar ook met onverschilligheid en verkeerde keuzes. En ik dacht altijd, je kunt het toch niet met je meenemen op je laatste reis. En was eigendom geen vorm van diefstal?

Op dit ogenblik wordt er aan het huis gewerkt. Al meer dan vijf jaar slapen wij in een vochtige slaapkamer. Vocht sijpelde er binnen, het was er klam, koud, heel ongezond. In mijn werkkamer, waar het grootste deel van mijn boeken staat, regende het zelfs binnen. Al die jaren hebben wij de eigenaar gebeld en aangetekende brieven gestuurd.  Dat er iets moest gebeuren, dat ik elk jaar zieker werd. Er gebeurde niets. En nu opeens, als mijn vakantie begint, als ik wat wil schrijven, van de rust genieten, staan de arbeiders voor de deur. Het dak is een paar weken geleden hersteld. Daar hebben we geen last van gehad. De dakwerkers gingen via een ladder het dak op. Ik heb hen maar enkele keren gezien. Nu wordt er binnen gewerkt. De schimmel en het rot moet van de muren, er moet opnieuw worden geplamuurd. Overal verfschilfers, overal stof. Ik kan maar moeilijk ademhalen. En ik voel me niet op mijn gemak. Als ik een boterham wil eten voel ik me bijna een indringer in mijn eigen keuken, want daar wordt ook gewerkt, daar ligt ook overal stof.

Aan een vriendin schreef ik: “ Ik ben een socialist. Maar dat is niet meer dan theorie. De praktijk is dat ik overgevoelig ben;  hoe erg, dat besef ik nu pas. Ik wist het wel, maar dat het mij tot in mijn kern kon raken, dat wist ik niet. Dat belet me niet om respect te hebben voor arbeiders. Maar ik kan met hen niet op een ongedwongen wijze omgaan, ik ken hun taal niet, hun codes; ik heb het nooit geleerd."

Destijds toen ik klein was mocht ik van mijn vader nooit iets doen op het schip, schoonmaken na het lossen van een vracht, de stuurhut verven, binnen vernissen, geen sprake van, want ik was zogenaamd zwak en ziek. Ik was een astmalijdertje. Maar die houding van mijn vader heeft me pas écht zwak gemaakt. Wat mijn vader natuurlijk niet wist, hij was geen psycholoog, zijn bedoelingen waren goed. Het hard labeur was voor mijn oudere, veel sterkere broer ( hij heeft evenmin een eigen huis).  Ik moest maar lezen of naar muziek luisteren. Of fietsen met de vrienden. Of, later, toneelstukjes spelen. Toch jeukten mijn vingers om een verfborstel vast te houden, toch wilde ik de handen uit de mouwen steken. En nu verdraag ik niets meer.

Daaruit concluderen dat ik mij verheven voel boven een arbeider, dat zou verkeerd zijn, want het is gewoonweg niet zo. Ik vind dat iemand die boeken leest ook niet beter is dan iemand die geen boeken leest. Nee, ik ben gewoonweg anders. Het is een hypergevoeligheid, en die is niet alleen lichamelijk.

Nu wacht ik op het einde van de zomer, de rustige dagen van de herfst. Op een tijd dat ik eindelijk mijn meesterwerk kan schrijven. Ja.

02-07-08

DURE KERSEN: TERWIJL IK WACHT OP HET EINDE VAN DE WERELD

 

Ook de voorbije dagen heb ik geen kersen gegeten. Nochtans is het de tijd, dat zie ik als ik ’s middags tussen de massa’s door de Nieuwstraat loop en op andere plaatsen waar ik kom. Veel zijn het er niet, plaatsen bedoel ik, maar bijna overal zijn er kersen. Op de radio wordt almaar herhaald dat alles duur wordt, straks hebben we niets meer, en ook dat zie ik aan de kersen, aan hun hoge prijs. Toch trek ik mijn schouders op bij dergelijk slecht nieuws en begeef me naar de ‘markt’ waar ik boeken koop van Nietzsche, Aristoteles (die me opnieuw zal leren een goed mens te worden), Francis Bacon, Alberto Moravia, Rüdiger Safranski (een zeer geschikte schrijver voor jonge mensen die zich op het pad van de filosofie wensen te begeven), Mary Dearborn over Peggy Guggenheim, Paul Auster, Emily Brontë, Nathaniel Hawthorne, Ernest Hemingway, Maurice Maeterlinck, Michael Ondaatje, Michail Boelgakov, Philip Roth, Shakespeare, en Philippe Claudel, en ik weet niet wie nog allemaal. Een boek is nu goedkoper dan een kilo kersen.

Het zijn vreemde tijden. Soms denk ik echt dat het de laatste zijn, dat wij de laatste mensen zijn. Ik weet dat ik veralgemeen, maar het valt me op dat we zoveel mogelijk willen verzamelen. Straks zijn er geen cd’s meer, geen elpees, daarom moeten we er vandaag nog zoveel mogelijk kopen. Zo heb ik mij – en ik voel enige schaamte als ik aan deze opsomming begin – de voorbije maanden, wanneer precies weet ik niet meer, terwijl ik van al mijn oude platen nog min of meer weet op welke dag en op welke plaats ik ze heb gekocht, de volgende muziekverzameling aangeschaft: Sam Bush, ‘Laps In Seven’, met Emmylou Harris en en Buddy Miller, het is een bluegrassplaat maar er staat een bijna psychedelische versie op van 'White Bird' van de seventies band It's A Beautiful Day; Emmylou Harris, ‘All that I Intended To Be’; Woven Hand, ‘Mosaic’; Dion, ‘Dion’, uit 1968, voor de bonustrack Daddy Rollin’ In Your Arms', en zoals je weet is Dion de enige zanger die op de hoes van ‘Sergeant Pepper’s Lonely Hearts Club Band’ staat afgebeeld; Dion, ‘Bronx in Blue’ (2006), in Porto gevonden;  Bon Iver, ‘for Emma, forever ago’; Grant Green, ‘The Feelin’ Spirit’, zeer bezielde jazz, van een uitstekend gitarist; Dexter Godon, ‘A Swingin’ Affair’, voor de zomeravonden; The Style Council, ‘Our Favourite Shop’, uit nostalgie; Elliott Murphy, ‘Notes From The Underground’, een plaat die ik moest kopen, maar ik heb er geen spijt van, sinds ‘Just A Story From America’ (1977, dat was het jaar van de bicentennial) had ik geen platen van Elliott Murphy meer gekocht.

Het spreekt bijna vanzelf dat ik ook the Gutter Twins’ ‘Saturnalia’ aanschafte, en kort daarna Isobel Campbell & Mark Lanegans ‘Sunday At Devil Dirt’. Tot mijn spijt kon ik noch naar het concert van the Gutter Twins noch naar dat van Campbell & Lanegan. Ik gaf nog meer geld uit: Nick Cave & The Bad Seeds, ‘Dig!!! Lazarus, Dig!!!'; Gary Louris, ‘Vagabonds’, dit is een van de weinige tegenvallers die ik de afgelopen zes maanden heb gekocht ; Architecture In Helsinki, ‘In Case We Die’;  Clem Snide, ‘End Of Love’, als ik in de platenzaak iets tegenkom op het Fargo-label koop ik het meestal, hetzelfde geldt voor Secretly Canadian en Glitterhouse; Elvis Costello & The Imposters, ‘Momofuku’, zeker een van de betere cd’s van dit jaar; Soy Un Caballo, ‘Les heures de raison’; Joan As A Policewoman, ‘To Survive’; PJ Harvey, ‘White Chalk’, waar ik alleen maar een kopie van bezat en daarmee is nogmaals bewezen dat kopiëren en downloaden niet betekenen dat je geen cd’s koopt, eerder het tegendeel is waar: wat je echt mooi vindt wil je ook hebben; Lavender Diamond, ‘Songs For You To Sing’, zelfde opmerking als bij PJ Harvey;  Blood Meridian, ‘Kick Up the Dust’, zelfde opmerking als bij PJ Harvey; Aldina Duarte, ‘Apenas o amor’;  Madredeus, ‘Ainda – Original Motion Picture Soundtrack From The Film “Lisbon Story” written and directed by Wim Wenders’, deze plaat klinkt nog beter en droeviger zonder de mooie beelden van Wim Wenders erbij, het betoverende, soms wanhopige en zelfs mystieke geluid van Lissabon stijgt uit de stem van Teresa Salgueiro op; Madredeus, ‘Movimento’; Joni Mitchell, ‘Shine’, alleen Moody Blues had mottigere hoezen, waardoor ik zo lang gewacht heb om deze plaat te kopen; Damien Jurado, ‘And Now That I’m In Your Shadow’, een gezellige zeurpiet, en meestal wacht ik even voor ik plaatjes van gezellige en ongezellige zeurpieten koop (die worden namelijk heel snel goedkoop); Ry Cooder, ‘I, Flathead’, voor als ik toch nog een keer wil lachen; John Fogerty, ‘Revival’, klinkt als Creedence, maar toch iets minder vurig, je hoort de formule, en dat zou niet mogen, maar hey, het is John Fogerty!; Chris Whitley & Jeff Lang, ‘Dislocation Blues’, met uitstekende covers van ‘Stagger Lee’, ‘When I Paint My Masterpiece’ en ‘Changing Of the Guard’;  Bonnie “Prince” Billy, ‘Lie Down In the Light’, ook weer vrolijke muziek; Paula Frazer, ‘Leave the Sad Things Behind’, Chris & Carla, ‘Fly High Brave Dreamers’, voor Chris en Carla en hun Walkabouts heb ik al heel lang een zwak; en Howe Gelb, ‘Sno Angel / Like You’.

Ik kocht ook nogal wat soul en oude pop: Don Covay, ‘The Platinum Collection’, van Don Covay heeft de jonge Mick Jagger zeer veel opgestoken; Marvin Gaye, ‘Midnight Love’, ontstaan tijdens zijn Belgische periode, in Oostende; Delaney & Bonnie, ‘Home’, waar ik al een eeuwigheid naar zocht, het is de eerste elpee van het blanke soul-duo, dat eind jaren zestig zoveel deining zou veroorzaken in de rockwereld en waaruit Derek & The Dominos zou ontstaan; Aretha Franklin, ‘Amazing Grace – The Complete Recordings’, omdat Aretha nergens straffer zingt dan hier, in het aanschijn van haar god; The Delfonics, ‘The Very Best Of The Delfonics’, nee, the Delfonics zijn geen uitvinding van Quentin Tarantino; Clydie King, ‘The Imperial And Mint Years’; Betty Davis, ‘Betty Davis’, een funky sister, de plaat verscheen in 1973; Sharon Jones & The Dap Kings, ‘100 Days, 100 Nights’, reconstructie van de sixties soul; The Clique, ‘Sugar On Sunday: The Definitive Collection’, R.E.M. heeft destijds hun ‘Superman’ gecovered, ik bezat de elpee al, maar hier staan negen bonus tracks op; Harry Nilsson, ‘Son Of Schmilsson’, voor de vier bonustracks (of om ooit aan iemand cadeau te doen, voor Cristina in Porto kocht ik John Cales ‘Paris 1919’ en Dusty Springfields ‘A Girl Called Dusty’); Nick Lowe, ‘Jesus Of Cool’,  zeer mooi uitgegeven en nog altijd goed; Dennis Wilson, ‘Pacific Ocean Blue’, een schitterende heruitgave van de oorspronkelijke elpee, met daaraan gekoppeld het nooit eerder uitgebrachte materiaal voor de elpee ‘Bambu’, samen verpakt in ongetwijfeld de mooiste hoes van het jaar; Maria McKee, ‘Live At the BBC’, Jefferson Airplane, ‘Live At the Fillmore East 1969’; Jefferson Airplane, ‘The Essential Jefferson Airplane’, Stephen Stills, ‘Just Roll Tape', erg primitieve opnamen uit 1968 van latere hits als ‘Change Partners’ en ‘Suite:Judy BlueEyes’; Nick Drake, ‘Made To Love Magic’; The Everly Brothers, ‘The Works’, ik denk dat ik daar al lang alles van had, maar ik was niet helemaal zeker, het is een uitgave zonder enige informatie, een economische crisis-editie van het doorgaans vrij dure Rhino-label, waar desondanks 72 prachtige songs op verzameld werden; Everything But The Girl, ‘The Works’, zie bij the Everly Brothers; Diverse Artiesten, ‘Theme Time Radio Hour With Your Host Bob Dylan’; Diverse Artiesten, ‘On Vine Street – The Early Songs Of Randy Newman’; Bob Lind, ‘Elusive Butterfly - The Complete Jack Nitzsche Sessions’, zeer mooie folkrock, op deze compilatie heb ik heel lang zitten wachten, en hetzelfde geldt voor ‘More Of the Cake Please’ van de unieke girl group the Cake; Diverse Artiesten, ‘Blame It On the Dogg – The Swamp Dogg Anthology 1968-1978’, uitstekend ook al weer (je moet weten dat je dingen als dit in het vinyltijdperk onmogelijk kon vinden in België, ik ben overigens nog steeds op zoek naar ‘Total Destruction to Your Mind’ van diezelfde Swamp Dogg); Diverse Artiesten, ‘The Bert Berns Story – Twist And Shout Volume 1 – 1960-1964’, soul en pop van Solomon Burke tot Lulu; Tony Orlando, ‘Halfway To Paradise – The Complete Epic Masters 1961-1964’, een verzameling aanstekelijke kitsch, Brill Building Pop zeggen de kenners ( Yo La Tengo’s ‘And then nothing turned itself inside’ out bevat een song getiteld ‘Let’s save Tony Orlando’s House’, en zo zie je maar dat uit het ene altijd het andere voortkomt, soms met kleine, soms met grote gevolgen); voor wie van dit soort muziek houdt is ook het derde deel van de Phil Spector-imitators reeks interessant: ‘A Third Wall Of Soundalikes – Phil’s Spectre III'.

Om deze lange opsomming af te sluiten keer ik naar het vaderland terug. Ik heb als ik me niet vergis nog maar één Belgische elpee gekocht, ‘Vantage Point’van deus, zeker niet slecht, maar ik ben er nog niet vertrouwd mee. Hun ‘The Vanishing Of Maria Schneider’ is een van de beste nieuwe songs die ik dit jaar heb gehoord. Overigens is de hoes, ontworpen door Michael Borremans, heel bijzonder. Eerst vond ik ze aan de lelijke kant. Maar het beeld fascineerde me wel. Eigenlijk boezemde het me angst in. Het verband met de cd zag ik niet goed. In Porto ontmoette ik José Almeida Pereira, een jonge en veelbelovende kunstenaar. Hij toonde wat voor een interessante kunstenaar Michael Borremans is, iets wat ik helemaal niet wist. Ik volg de nieuwste ontwikkelingen in de kunst niet meer op de voet. Een soort oververzadiging, denk ik. Maar sinds José me al die werken van Borremans op internet heeft getoond zie ik ook de schoonheid van de hoes van 'Vantage Point'.

En nu ga ik eens kijken of ik toch niet wat betaalbare kersen kan vinden.

Voor ik het vergeet: ik wil in deze context Roen, Peerke, Boleuzia en andere muziekschrijvers bedanken voor hun enthousiaste omarming van rock and roll in al zijn vormen en gedaantes. Van hen blijf ik leren.

21-06-08

EEN HALF JAAR WACHTEN

 

annelies beck,stendhal,cormac mccarty,depressie,dagen,maanden,kopen,reizen,thuis,muziek,boeken,paul auster,siri hustvedt,porto,flickr,portugal,lezen,vermoeidheid,medicijnen,dokters,ziekenhuis,slaap,slaaponderzoek,wachten,film,cd s,verslaving,toeristen,vrienden,schrijvers,dood,stem,ogen

The Inner Life Of Martin Frost - Paul Auster.

Ik zou vertellen over mijn aankopen. Maar ik ben verstrikt geraakt in de woorden van Cormac McCarthy. Ik heb al veel van hem gelezen in de jaren negentig, maar dit, ‘The Road’ overtreft alles. Wat lijkt een lijst van mijn aankopen nu zinloos. Vroeg of laat vergaat het allemaal. Van ons blijft niets over, van de dingen evenmin. Als onze tijd gekomen is zullen de dingen onze sporen zijn, maar niet lang, want zij zullen eerst hun betekenis verliezen en dan vergaan. Vroeg of laat. Als je dat boek van Cormac McCarthy leest weet je het wel zeker. Daarom zullen we gedurende de tijd die we hier doorbrengen maar best vrolijk wezen en liederen zingen. Gedichten schrijven, films maken. Het lelijke en het slechte de rug toekeren.

Om mijn aankopen te verklaren moet ik eerst vertellen wat ik de voorbije weken en maanden heb gedaan. Dat is niet veel. Tot midden april heb ik mijn woning nauwelijks verlaten. Er waren enkele concerten, Iron & Wine, en Mavis Staples. Met mijn beste vrienden heb ik gegeten en gedronken. Maar ik ben vaker bij artsen geweest dan bij vrienden. Graag had ik mijn broer in Limburg een keer bezocht maar ik blijf het uitstellen. Met mijn vriend Koen ben ik naar een lezing van Kamiel Vanhole geweest. Reisverhalen, subtiel en vol humor en ironie. De man, die ik helaas niet heb leren kennen, is inmiddels overleden. Ik zal die avond niet snel vergeten, omdat er ondanks de ziekte en de aangekondigde dood euforie in de lucht hing. Ik ontmoette zielsverwanten. We praatten over muziek, over Peter Guralnick, over Greil Marcus, over ‘Matty Groves’ van Fairport Convention. Midden april ging ik weer werken, halftijds. Het viel me zwaar, omdat de depressie of wat het ook moge wezen wat ik heb, niet weg was. De dagen dat ik niet ging werken sliep ik vooral. Ik ben altijd moe. Antidepressiva schijnen geen vat te hebben op mijn aandoening. Een belangrijke deel van mijn budget ging naar grotendeels overbodige geneesmiddelen. Maar je hoopt natuurlijk dat ze wel werken. Vitamines en voedingssupplementen kosten eveneens veel geld. Omega-3, een wondermiddel, zo wordt beweerd.
Werken was moeilijk, niet werken was ook moeilijk. Ik maakte geen foto’s meer en schreef weinig. Ik ging niet naar de bioscoop, dat was toch al een besparing. Naar het theater ging ik evenmin: ik was bang voor de mensen. Ik was niet bij machte om tegen iemand iets te zeggen. Eind mei verbleef ik twee nachten in een ziekenhuis, voor een slaaponderzoek. Ik kocht een pyjama en een kamerjas. Dat waren kledingstukken die ik niet bezat. Natuurlijk moest ik ook boeken hebben om te lezen in het ziekenhuis. Ik moet altijd boeken hebben, ook al ben ik veel te moe om te lezen. Aan boeken en muziek ben ik verslaafd. Maar dat weet je al langer. Ik kocht boeken van alle schrijvers die ik ken en goed vind en die nieuwe boeken uit hadden. Ik kocht ook boeken van dode schrijvers, zoals Shakespeare en Stendhal. Het beste boek dat ik dit jaar las was Lucien Leuwen van Stendhal. Tenzij ik een ander werk over het hoofd zie. Over tien jaar zal ik misschien zeggen dat het dat van Cormac McCarthy was, maar nu niet.

Om naar Porto te gaan kocht ik geen nieuwe boeken, want ik had nog een hele stapel, en onze reisgids (Rough Guide) was nog niet echt verouderd. Zo’n gids kost al gauw 25 euro. Ik kocht wel nieuwe schoenen, maar ik ben er niet echt tevreden mee. Dat is vreemd want ik ben al jaren wel tevreden met de schoenen die ik koop. Ik kocht sokken en onderbroeken: dat doe ik altijd als ik op reis ga. Ik gaf geld uit aan tassen voor toiletgerief en voor medicijnen. Ik neem altijd massa’s medicijnen mee als ik op reis ga, zelfs als het maar voor een week is. Ik kocht een nieuw pak. Als ik dat aan heb voel ik mij een beetje een nieuwe man. In Porto droeg ik het om de toeristen belachelijk te maken. Zelfs op het vliegtuig had ik mijn pak aan. De meeste mannen zaten in hun onderbroek in het vliegtuig, en op hun sandalen. Ook in de kathedraal van Braga zag ik mannen met blote benen. Maar ik werd berispt omdat ik mijn Panamahoed op had op de patio van diezelfde kathedraal. Nochtans was ik, al ben ik ongelovig, blootshoofds voor het altaar verschenen. Ik had zelfs geknield, maar dat was om een foto te maken van de grote voeten van Jezus. (De foto is mislukt). Ik ben natuurlijk zelf ook een toerist, maar wat haat ik toeristen! En als ik het patois van Vlamingen hoor maak ik me snel uit de voeten. In del uchthaven van Porto heb ik Patrick en Johan gehoord, je weet wel. Patrick belde, niet met zijn dochter, maar met zijn zoon, ergens in de Kempen. Ach, het vaderland. In Porto kocht ik hemden en T-shirts en boeken en cd’s. Fado…

Vorige woensdag zijn we naar een filmvoorstelling van de jongste film van Paul Auster geweest. We zaten vlak bij het hoge podium. Annelies Beck stelde Auster een aantal grotendeels overbodige en onbenullige vragen, maar de schrijver bleef er charmant en geestig op antwoorden. Hij heeft zowat de mooiste ogen die ik ooit bij een man heb gezien en zijn stem is de stem van een verteller. Je verstaat elk woord, elke zin, niets ontsnapt aan je aandacht. Als mijn dokter een dergelijke stem had, dan was ik al lang kerngezond. Er waren ongeveer tweeduizend bewonderaars van Paul Auster in het Paleis voor Schone Kunsten bijeengekomen om naar de voorstelling van ‘The Inner Life Of Martin Frost’ te kijken. Een interessante mislukking, waarvan het verhaal voor degenen die ‘The Book Of Illusions’ hebben gelezen weinig verrassends te bieden heeft. Aan de mooie beelden, de montage, de stem van de verteller en het schitterende acteerwerk zie je natuurlijk wel meteen dat Paul Auster van film houdt. Na de voorstelling stonden honderden mensen in een rij aan te schuiven om zijn nieuwe boek, ‘Man in het duister’ te laten signeren. Zijn echtgenote, Siri Hustvedt heeft ook een nieuwe roman uit. Ze zat naast haar man. Door het raam zag ik de energie die van de ene naar de gaat en weer terug, twee energiebronnen die elkaar versterken. Wij hebben ons echter vlug uit de voeten gemaakt. Ik had het boek niet gekocht en wilde ook niet in zo’n lange rij staan. Ik dacht, ik wacht op de Engelse vertaling, die in september verschijnt. Maar gisteren kon ik mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en ben ik toch maar de Nederlandse vertaling gaan kopen. Dat ik geen handtekening heb vind ik niet erg, maar ik had de grote schrijver wel graag de hand gedrukt. En als ik dan Siri Hustvedt ook nog had mogen zoenen…

Toen ik dit stuk begon dacht ik een lijst te zullen maken van alle cd’s die ik dit jaar al heb gekocht. Maar het toeval heeft mij in een andere richting gestuurd. En daarover hoor je mij niet klagen. Voor een lijst heb ik nog alle tijd van de wereld. ‘The Inner Life Of Martin Frost’ werd in Portugal gedraaid. Er staan enkele foto’s uit Porto op flickr.

02-06-08

VERWELKEN

Voor het slapengaan, de laatste minuten van mijn zevenenvijftig jaar, sla ik een van mijn uitverkoren boeken open, toevallig op pagina 44 en lees dit:


“Van absoluut niemand die de leeftijd van vijfentwintig gepasseerd is, waarna de bloei van de jeugd direct begint af te nemen, kan naar waarheid gezegd worden, afgezien misschien van een of andere stompzinnige figuur, dat hij geen ongeluk ervaren heeft. Want ook al zou het lot iemand in alles gunstig gezind zijn geweest, dan toch zou deze na het verstrijken van genoemde periode zich een enorm zwaar en bitter ongeluk bewust zijn, een ongeluk dat misschien nog zwaarder en bitterder is voor degene die minder door ander ongeluk getroffen is, namelijk dat van het verval en het einde van zijn dierbare jeugd.”

Zijn deze regels van Giacomo Leopardi een troost of strooien ze zout in de wonde?

leopardi

27-05-08

NAAR PARAMARIBO

Na lang aarzelen besliste ik om toch maar een Duvel te drinken. Ik moest die avond naar het ziekenhuis en wist dat ik na tien uur niet meer uit bed zou kunnen. Ja, om halfzeven ’s morgens, dat gelukkig nog wel. Zo weinig mogelijk drinken, had ik me ingeprent. Maar het mooie weer, de terrasjes... Het centrum van Brussel op zijn mooist. Overal zaten toeristen en jonge mensen sterk Belgisch bier te drinken, alsof het voor hen een dagelijks gebruik was.

We gingen aan een tafeltje zitten in de PP, helemaal alleen op het terras. Alleen omdat de zon niet tot daar reikte. Waar de zon scheen zaten talloze meisjes in bloei.

Laura was voor het werk naar Gent geweest. Ze vertelde me een paar ditjes en datjes, over universiteiten, over collega’s, hoe goed ze met hen kan opschieten.

“Een collega van me vertrekt binnenkort naar…”

Op dat ogenblik schoot de naam Paramaribo me te binnen.

“Paramaribo”, zei ze.

Tussen mijn gedacht en haar uitgesproken ‘Paramaribo’ was geen tijd verlopen. Haar ‘Paramaribo’ en dat van mij vielen volkomen samen.

Al gauw zouden we weer afscheid moeten nemen, zou ik alleen in mijn hospitaalbed liggen, mijn lichaam aangesloten op een machine.

Vandaag heb ik nog wat vrouwen gekocht. Maar degene die ik echt wil bezitten is onbetaalbaar. Het schrijven zit me vandaag trouwens niet in het bloed. En geld regenen doet het ook al niet. Wat een man die ouder wordt niet allemaal moet meemaken!