15-11-08

A CHANGE IS GONNA COME

reizen,politiek,dood,economie,financien,thuiskomen,wannes van de velde,levend,martin luther king,uitpakken,barack obama,revolutionair,sam cooke,mitch mitchell,jimmy carl black,yma sumac,jimi hendrix experience,miriam makeba

Myriam Makeba.

Ik kom thuis van de reis, gezonder dan voorheen vermoed ik, maar moe, moe moe. Nauwelijks krijg ik een letter geschreven. Ik maak mijn koffer en mijn rugzak leeg, dat gaat snel, het is routine. Ik heb bovendien niets gekocht om te doorbladeren of te besnuffelen. In Portugal hebben we geleefd, niet geconsummeerd. Alleen in Lissabon heb ik enkele cd’s gekocht, waarover later meer.

Na het uitpakken doorblader ik mijn mail en lees dat Wannes Van De Velde, Miriam Makeba, de fantastische drummer Mitch Mitchell, Yma Sumac en last but not least Jimmy Carl Black, “the Indian of the Group” zijn overleden tijdens mijn toch korte reis. Het stemt mij droef te moede. Ik vond Jimmy Carl Black een prachtkerel, hij heeft me vaak aan het lachen gebracht. Zo vaak. Mitch Mitchell hoor ik bijna elke week en dat zal zo blijven. Voor ons is het een troost dat de muziek niet vergaat. Maar de muzikanten zijn dood. Ja, dat stemt me droef te moede. Ik zal weer in memoriams moeten gaan schrijven. Maar eerst wat zoete rust in mijn eigen bed.

 

Begrijp me echter niet verkeerd: ik ben ook tevreden en blij. Het gaat nog altijd niet goed met de economie en de financiële wereld. Daartegenover staat dat de Verenigde Staten nu een president hebben die Barack Obama heet. Alleen het feit dat hij verkozen is, is revolutionair. Een droom is waar geworden. De wereld kan nu alleen maar beter worden. A change is gonna come, zong Sam Cooke, vol overtuiging. En nu is het zo ver.

31-10-08

SCHWAB'S, MEMPHIS


schwab's, memphis


Dit is Schwab's klerenwinkel in Beale Street, in Memphis. Ik ging er destijds een kijkje nemen alleen omdat ik wist dat de jonge Elvis Presley er zijn jeans en ondergoed kocht. Sterke jeans, werd mij verteld. Later ging the Memphis Flash bij 'echte' kleermakers, kerels die hun prijs kenden. Ik weet niet meer of ik iets kocht bij Schwab's. Het was september 1992, een tijd toen ik nog niet met vallen was begonnen. Wel dronk ik af en toe graag een glas rum. Niemand spreekt het woord 'rum' zo mooi uit als Bob Dylan, de auteur van 'Stuck Inside Of Mobile With the Memphis Blues Again'. Op dit ogenblik klinkt in mijn kamer een andere song van de maestro, het onovertroffen 'If You See Her Say Hello'. De herinneringen die dat lied oproept begraaf ik terstond.

28-10-08

NA LAMBCHOP DE VAL

muziek,concert,pop,rock,live,val,lambchop,soul,ab,jeans,shaketown

Ik ben moe, afgemat, uitgeput en ik weet niet van wat. Zondagavond was ik in de AB en zag er Lambchop, met Kurt Wagner, een van de meest originele, soulvolle gitaristen en zangers van deze tijd. Graag had ik een verslag geschreven van het mooie concert, maar de inhoud van de eerste zin weerhield me ervan. En ook het volgende. Gisteren, toen ik van de psychiater kwam - een maandelijks uurtje therapie - struikelde ik en viel op het trottoir, recht voor de bouwwerf van metrostation West. Gelukkig had ik mijn handen niet in mijn zakken en waren mijn reflexen goed. Ik viel maar bezeerde me nauwelijks: mijn handen braken de val. Alleen wat schrammetjes en een wat geschaafde rechterknie. Rondom mij terugwijkende stedelingen. Reken er maar niet op dat je weer recht wordt geholpen. Vreemd is dat ik met dezelfde jeans aan nog een keer viel, een jaar of drie geleden – ja, sommige van mijn jeans gaan lang mee – op de Antwerpse Meir. Toen schaafde ik mijn linkerknie en bloedden mijn handen. Ik heb vandaag alvast een andere broek aangetrokken.

 

Als ik wel iets had geschreven over het concert van Lambchop zou het evenwel zeker niet beter, juister of interessanter geweest zijn dan het verslag van Mister Shake. Bovendien heeft hij erg mooie foto’s van Lambchop gemaakt.

15-09-08

DE POOLSE VRIENDIN


Na zoveel maanden, of waren het jaren, had ik niet meer verwacht haar nog terug te zien. Maar daar stond ze opeens voor mijn denkbeeldig raam: mijn Poolse vriendin A.
Het gaat niet goed met me, zei ze. Ik voel me depressief. Het grootste probleem is dat ik hier geen vrienden heb. De Denen zijn helemaal anders dan de Polen. Ik wil allerlei dingen doen, ik toon mijn emoties, mijn enthousiasme, maar zij zijn in zichzelf gekeerd, ze uiten zich niet.

Alle Denen zullen toch niet hetzelfde zijn, zei ik.
Nee, zei ze, maar op het werk is het vreselijk. Die mensen weten niet wat plezier is, of onderdrukken het.

Ik had me altijd voorgesteld dat Polen nogal in zichzelf gekeerd waren, dat ze weinig vreugde uitstraalden. Ik had mij dat beeld gevormd van de Polen door de films van Kieslowski, van Wajda en van de jonge Polanski, die van ‘Het mes in het water’. Zo zie je maar dat je nooit moet veralgemenen. Iedereen is anders. Er zijn geen Polen, geen Denen, er zijn zelfs geen Belgen. Overigens vond ik dat mijn Poolse vriendin nooit echt opgewekt was geweest. Een aura van melancholie had haar elke keer als ik haar gesproken had omgeven. En uit heel veel van wat ze me had verteld klonk een immense ontevredenheid met de werld rondom haar.

Hoe gaat het nog met jou, vroeg ze.

Ach, ik mag niet klagen, zei ik. Sinds vorige donderdagavond is mijn rechtervoet verlamd, maar die zal wel weer genezen. Mijn depressie neemt langzaam af, ik krijg weer meer zin in het leven. Ik neem een nieuw medicijn en dat schijnt beter te werken.

Je voet is verlamd, zei ze, hoe is dat gebeurd? En ik maar over mijn problemen zeuren.

Ik zat voor de zoveelste keer naar ‘Der Amerikanische Freund’ te kijken, zei ik, en ben halverwege in slaap gesukkeld. Toen ik wakker werd was de aftiteling bezig.

‘Der Amerikanische Freund’ van Wim, zei ze, wat gek!

Het toeval wil dat mijn Poolse vriendin een groot bewonderaar is van Wim Wenders. Ze heeft zelfs een foto waar ze samen met de Duitse regisseur opstaat. Ze heeft al zijn films gezien.

Ja, zei ik. Ik wilde de televisie en de dvd-speler af zetten, maar ik struikelde meermaals. Er zat geen leven meer in mijn voet. Ik ben toch nog naar de slaapkamer kunnen strompelen. Ik dacht, morgen zal mijn voet wel weer in orde zijn. Maar dat was niet zo.

Je zal je wel zorgen gemaakt hebben, zei ze.

Aanvankelijk wel, zei ik. Mijn huisarts heeft me enigszins gerustgesteld. Hij denkt dat onder mijn rechterknie een zenuw gekneld zit, waardoor ik geen controle meer heb op bepaalde spieren in mijn voet. Dat zou vanzelf moeten genezen. In het ergste geval moet je bij een neuroloog langs en misschien geopereerd worden, zei hij. Maar dat zal niet. Elke dag komt er nu een verpleegster langs, om me een spuitje te zetten. Dat is weer eens iets nieuws.

Wat jij toch allemaal voorhebt, zei ze.

Ach, dat valt wel mee, zei ik. Wel jammer dat ik voorlopig niet meer naar tentoonstellingen kan.

Zelf kom ik ook nooit meer buiten, zei ze.

En lezen, je leest toch, vroeg ik.

Ik ben er opnieuw mee begonnen, maar ik heb een hele tijd niet gelezen, zei ze.

Je moet lezen, zei ik. Boeken brengen de wereld binnen. En ze spreken met je, dan ben je minder alleen. Ga je niet meer dansen?

Nooit, zei ze. Hier in dit verdomde gat is er alleen maar een shit disco.

Ja, dat begrijp ik, zei ik.

Ik kan wel naar Hamburg, zei ze, dat is gemakkelijker dan naar Kopenhagen.

Ik houd van Hamburg, van Duitsland, zei.

Ik houd van Berlijn, zei ik.

Ja, Berlijn, zei ze.

Nu moet ik gaan, zei ze, ik ga nog een stukje lopen.

Ciao!, zei ik, en strompelde terug naar de canapé.

13-09-08

WIE IS WIE?


my old school

Wie is wie? De meeste namen ben ik vergeten. Wat ik zeker weet: ik wil nooit meer terug naar mijn oude school. Ik heb er niets geleerd, tenzij vriendschap.

12-09-08

EEN VERBLUFFENDE COMBINATIE VAN WOORDEN


mb 1968


Toen ik vijftien was werd ik dichter, wilde schrijver worden en filosofie studeren. Ik maakte rijmpjes, schreef een paar toneelstukken die op school werden opgevoerd, een fantastisch verhaal getiteld ‘Psychische ontbinding’ waarmee ik de hoofden van enkele schoolvrienden op hol bracht. Ik verhuisde naar Brussel, ging - in plaats van filosofie te studeren - leren hoe je foto’s en films moet maken. Dat mislukte: foto’s maken was eenvoudig, maar voor films had je heel veel geld nodig, discipline en overtuigingskracht. Ik was met niet een van die drie kwaliteiten geboren en zou ze ook nooit verwerven.

Ik trouwde, werd vader, studeerde alsnog filosofie en scheidde.

Toen ik vijfentwintig was dacht ik dat ik een schrijver was. Ik gebruikte bijvoorbeeld nooit het woord ‘toen’ aan het begin van een zin. Daar hadden ze mij voor gewaarschuwd. Ik schreef experimentele verhalen, publiceerde in tijdschriften, maakte met een groep ‘amateurs’ (gewoon mijn vrienden) twee toneelstukken, hield een dagboek bij en sliep niet. Al gauw voelde ik mij mislukken.

Maar ik volhardde. Wim Meewis had me dat gezegd: als je wil schrijven moet je hard zijn, jezelf hard maken, een rotsformatie, steenkool, diamant. Van wat echter moest ik leven? “Van de hemelse dauw kunt ge niet leven”, zei mijn vader altijd. Ik ging talen studeren, Frans, Engels, Duits; liet me inwijden in de opkomende informatica. WordPerfect, Dbase, flow-charts, de hele santenkraam. Ik schreef niet veel meer. Mijn dagboeknotities beperkten zich tot de films die ik had gezien. Wel verzond ik een honderdtal sollicitatiebrieven, zonder resultaat. Waarom werd ik niet aangeworven? Zelfs niet uitgenodigd voor een gesprek? Ik weet het nog altijd niet. Ik droeg een yuppiebril, mijn haren waren kort geknipt, mijn baard was verzorgd. Ik leek op iemand anders. Bij de overheid slaagde ik met glans in een toegangsexamen. Ik was 64ste op ongeveer 4000 deelnemers. Inmiddels was ik eveneens in psychoanalyse gegaan. Nee, ik was niet op zoek naar mezelf. Ik had meer dan genoeg van mezelf, wilde daar liever een punt achter zetten. Die verdomde ik-geschiedenis. Toch dacht ik dat ik nog steeds wilde schrijven. Maar ik was wanhopig. Ik was letterlijk ten einde raad. Ik had niet alleen veel films gezien en veel muziek gehoord, maar ik had ongeveer de hele wereldliteratuur gelezen. Wanhopig maakten mij dichters, toneelauteurs, romanschrijvers, filosofen.

Hoe kon ik een gedicht schrijven na Hölderlin, een verhaal na Kafka, een toneelstuk na Shakespeare, Kleist en O’Neil, een roman na Proust, Musil en Nabokov. Hoe kon ik me met filosofie bezighouden na Nietzsche en Heidegger. Met psychologie na Freud en Lacan? Met de geheimen van de taal en de mythologie na Roland Barthes, Michel Foucault en Jacques Derrida? Ik wist het niet. Was ik niet waardeloos? Woordenloos? Een volstrekte loser, down and out in Antwerpen?

Er waren natuurlijk mijn vrienden, vriendinnen, kennissen, mensen die ik toevallig ontmoette in cafés – allen op hun eigen manier mislukt. Ze deden niet waar ze ooit van gedroomd hadden, ze moesten overleven, en daarom veel van hun idealen opgeven. Dat was geen troost, maar zorgde er wel voor dat ik me minder eenzaam voelde.

Ik las Borges opnieuw en ontdekte dat ik me ook op een boeiende manier kon beperken tot het schrijven van voetnoten bij de grote literatuur. Ik maakte kennis met de ontregelde poëzie van Ezra Pound en e.e. cummings. Zo leek mijn onzinnige poëzie ook zin te krijgen. Verhalen van Toergenjev en Raymond Carver maakten duidelijk dat je niet op zoek moet gaan naar het verhevene maar dat het dagelijks leven voldoende stof biedt om ontzagwekkend over te schrijven. 

Er waren echter enkele belangrijke stelregels. Je moest discipline hebben, je moest heel veel moed hebben, je mocht verdwalen mits je altijd terugkeerde naar het begane pad, je moest je inspannen, niet om je grote voorbeelden te overtreffen, maar om op je eigen wijze even sterk en even authentiek te zijn, of te worden. Je moest jezelf uitvinden in je eigen taal en op die manier respect afdwingen. R.E.S.P.E.C.T! 
moest je afdwingen voor een verbluffende combinatie van woorden.

Foto: copyright Martin Pulaski.

11-09-08

HEEFT ARNON GRUNBERG ZWEETVOETEN?


Wat heb ik toch uitgespookt de voorbije weken, sinds ik terug ben uit Berlijn? Er zijn gaten in mijn geheugen, dat is niets nieuws, tenzij de nieuwe gaten. Ik probeer te ontwaken uit een lange nachtmerrie; ik wil mijn helse tocht een halt toeroepen. Ik liep vaak door lange donkere gangen, bevond mij in huizen zonder kamers, grote ruimtes volgestouwd met ongeveer alles wat ik in mijn leven ooit heb gezien of in mijn handen heb gehad. Vrouwen wilden mij verleiden, en ik zou geen enkele weerstand hebben geboden, maar ze veranderden van de weeromstuit  in brandende toortsen. Ik sloeg weer op de vlucht, mannen met slechte bedoelingen zaten achter me aan. Messen, revolvers reflecteren een flauwe zon. De stralende kleuren van surreële parken, waar rust heerst. Gezichtsbedrog. Om mij heen stort de wereld in. Ik kijk in de spiegel en zie mezelf snel verouderen. Mijn stervende vader kijkt me met droeve ogen aan.

Ik ging geregeld naar de Delhaize, kocht er zongedroogde tomaten, brood, wijn. Aan de kassa’s waren de meisjes vriendelijk, onvriendelijk, onverschillig. Ik scheer me niet. Weer zo’n schooier, denken ze. Nochtans koop ik geen Duvels, geen trappisten, alleen rode wijn om mijn bloed sterker te maken. Fruit eet ik niet, ik drink het. En elke morgen een flesje Omnivit Tonic. Daarna spoel ik met een glas water een Pharmaton caplet door. Als ik niet moet gaan werken lig ik enkele uren later weer uitgeput op de sofa.

Op de linkeroever, lang na middernacht, kijk ik naar de Antwerpse skyline. Bijna vullen tranen mijn ogen om alles wat ik gemist heb, alles wat aan mij is voorbijgegaan. Zeventien jaar ben ik nu lijfelijk weg uit mijn geboortestad, maar zowat alles in mij is daar nog verankerd, in die zinnelijke havenstad. Van het Antwerpen uit mijn kinderjaren blijft niets over. Maar daar maak ik me niet druk over. De wereld moet veranderen, zoals de talen. Elke dag komen er woorden bij, de oude verdwijnen in woordenboeken, of worden anders uitgesproken. Onze taal wordt de taal van Vondel genoemd, maar gebruikt iemand van ons nog een woord dat Vondel gebruikte? Welke wereld zag Vermeer? Je kunt het je niet voorstellen. Rothko kon dat misschien, of de waanzinnig Jackson Pollock, als al het bestaande (en voorbije) door zijn lichaam trok, een immense, eindeloze parade. Misschien zag John Coltrane of Albert Ayler die wereld. Misschien hoorden zij de eeuwenoude stemmen.

Van de Delhaize tot thuis is een wandeling van een kwartier. Ik kan dan ongeveer vijf songs beluisteren op mijn iPod. De rest van de dag luister ik niet veel naar muziek. Ik koop cd’s en leg ze op stapels, in mijn rekken is geen plaats meer. Is het mooie muziek? Ik weet het niet. Brian Wilson’s ‘That Lucky Old Sun’ bijvoorbeeld. Is het geen sentimentele, kinderachtige onzin? Oxygen to the brain, zingt hij. En hij gaat stemmen voor McCain. Want McCain heeft eerlijke ogen, godverdomme. Kan ik iemand die zulke domme uitspraken doet nog waarderen? Ja, ik weet het, je moet een onderscheid maken tussen de maker van een kunstwerk en het werk zelf. De vraag is of ik dat wil. Knut Hamsuns ‘Honger’ is duidelijk een meesterwerk, maar ik kan het boek niet onbevangen lezen omdat ik weet dat de schrijver vriend aan huis was bij de familie Goebbels. Hamsun was dan al oud en seniel, zegt men. Zal ik dan over een tiental jaar de voeten van Filip Dewinter kussen?

Van voeten gesproken, ik las in Humo een geestig, maar veel te kort stukje van Arnon Grunberg over couchsurfing. Ik heb een jonge vriendin, Deborah, die me enkele jaren geleden al op die mogelijkheid heeft gewezen. Maar het tijdperk van liften en wildslapen is voor mij definitief voorbij. Ik wil niet meer op andermans sofa. Ik ben te asociaal geworden en te traag ook. Ik wil als het enigszins kan een kamer in een palazzo. Lang geleden deden wij al aan couchsurfing, maar dat heette toen anders. Je belde gewoon bij iemand aan die op een gestencilde lijst stond en dan kon je daar op de vloer slapen. Bij ons thuis aan het kerkhof van Elsene hebben destijds veel mensen geslapen en brood gegeten: uit Finland, Frankrijk, de Verenigde Staten, Portugal, Nederland vooral. De meeste slapers kwamen uit Amsterdam. Zij hadden altijd honger, alsof de hongerwinter nog niet lang voorbij was. Arnon Grunberg merkt terecht op dat couchsurfing een hippiefenomeen is. De woorden, de mode, de trends veranderen, maar verandert de wereld? Wat ik me echter vooral afvraag is of Arnon Grunberg zweetvoeten heeft. En ook nog dit: waarom heb ik niets over dat indrukwekkend concert van Conor Oberst geschreven? En over enkele gedenkwaardige ontmoetingen met fijne vrienden? Ik weet het niet. Wat heb ik toch uitgespookt de voorbije weken, sinds ik terug ben uit Berlijn?

05-09-08

TELEVISIE / TELEVISION


tv fashion

Omstreeks 1980. Het kleine, witte televisietoestel was van mijn vriend Jos D. De zaterdagnachten duurden lang. 's Zondags keken we naar 'De collega's'. We luisterden naar Television; dit is geen grap. Tom Verlaine was een van mijn grote helden toen. Mijn geliefde A. knipte mijn haren. Ze nam de foto op de hoes van de eerste solo-lp van Tom Verlaine als model. Dat was mijn wens: niet te kort en niet te lang. Met de voeten in de sixties en het hoofd in Marquee Moon.

Ik denk nu terug aan 
Anne-Mie van Kerckhoven, met wie we in die tijd goed bevriend waren. Later zag ik haar elke week heel even in de studio van Radio Centraal in Antwerpen. Zij maakte er het programma 'Als u niet naar ons komt, komen wij wel naar u.' Vanavond zou ik naar een tentoonstelling van haar werk gaan in Wiels, het Centrum voor hedendaagse kunst in Vorst. Nothing More Natural. Dat is de titel van de tentoonstelling. Helaas heb ik koorts en moet ik thuis blijven. Ik vrees dat zij nu niet naar mij zal komen.


Foto: Martin Pulaski.

17-08-08

WAAR JE VANDAAN KOMT


mother, aunt georgette, françois & me

Mijn moeder, haar zuster tante Georgette (die iedereen tante Jos noemde en zelf haar leven beëindigde toen ik dertien was), mijn broer en mijn kleinere zelf. In Antwerpen omstreeks 1960. Waar je vandaan komt. Mijn moeder is eenennegentig geworden. Maar wat heb je aan zo'n lang leven?

24-07-08

DE NACHTEN ZONDER INNIGHEID


willy

Ik droomde van mijn oude, lang geleden gestorven vriend Willy B. Vermoedelijk doordat hij net als ik veel van Tim Hardin hield. In mijn droom was hij even levend als jij en ik. Ik kon hem aanraken, diep in de ogen kijken.We praatten met elkaar over de verleden tijd. Ooit reed ik met hem aan het stuur in de auto door het centrum van Brussel; we hadden een ongeval, een frontale botsing, maar het was niet erg, we hadden geen schrammetje. Een paar weken later leende ik hem mijn exemplaar van ‘Under the Vulcano’. Ja, we hielden ook beiden van de geniale dronkaard Malcolm Lowry. Niet veel later had hij een zwaar ongeval, de auto was een total loss of hoe verzekeringsmaatschappijen iets dergelijks ook mogen noemen, maar Willy was niet gewond. Mijn boek was ik kwijt.

Willy was een toxicomaan. Hij had altijd een koffertje vol medicijnen bij zich, vooral pepmiddelen en benzo’s, maar ook wel zware pijnstillers op basis van morfine. Eveneens bezat hij een dik apothekersboek waar al die medicijnen in stonden opgesomd en beschreven. Willy was al een aantal keren opgenomen om af te kicken, maar hij begon telkens opnieuw. Na een mislukte relatie met een vrouw waar hij van hield nam hij een te grote hoeveelheid pijnstillers. Het was in de koude maand januari van 1989. Twee weken voor die fatale dag was ik nog met Willy doorgezakt in de stad. Tot mijn schaamte moet ik bekennen dat ik onderweg naar huis in slaap ben gevallen. We zijn in stilte door de nachtelijke straten van Antwerpen gereden.

Willy is blijven overnachten, maar toen ik ’s morgens wakker werd was hij weg. Ik heb hem nooit meer gezien. Tot vorige nacht. We hadden het, zoals ik al zei over het verleden. Over liefde en seks. In mijn droomde beweerde Willy dat je seks kunt hebben zonder liefde te voelen. Ik was het daar niet mee eens. Mijn prille ervaringen met seks gingen altijd gepaard met echte liefde, zei ik. Het ene kon nooit zonder het andere. Willy vond dat je lekker seks kon hebben, zonder meer. Hij praatte er nogal beeldend over, waardoor mij allerlei erotische taferelen voor de geest kwamen. De geest in mijn droom, bedoel ik.

Elke nacht lig ik wakker of slaap ik, maar er is altijd, ben ik nu ziek of gezond, altijd is er een brandend verlangen in mij. Overdag ben ik zoals iedereen, maar ’s nachts word ik bijna puur verlangen naar een aantrekkelijke vrouw. Wat ik vooral wil is innigheid, maar ook seks. Ik weet niet of innigheid hetzelfde is als liefde. Ik ken geen innigheid meer. Je moet dan echt in de andere zijn. Maar met Willy sprak ik over de liefde, en zo bereikten we de ochtend en ontsnapten aan de dood. Ik ontwaakte in een tropisch land, waar een orkaan het hotel waar wij logeerden had verwoest. Alles wat we bij ons hadden was verdwenen. Daarna werd ik echt wakker en herkende aanvankelijk mijn kamer niet. Tot ik in de vertrouwde omgeving kwam, met rechts van mij het raam en links de deur naar de badkamer.

Ik vroeg mijn vrouw of ze wakker was. Ja, zei ze. Ik zou graag een rock & roll band oprichten, zei ik. Ik zou het Martin Pulaski & the Small Society noemen. Soms zouden we een big band worden, en dan zou het the Big Society zijn. Mijn vrouw ging op haar andere zij liggen en sliep verder. Ik vroeg me af wat ik met mijn leven moest doen. Wat ik vooral niet meer wilde was pillen slikken.


Foto: Willy B., fotograaf onbekend.

09-07-08

ARBEIDERS

 

schrijven,werken,zomer,wachten,schip,auto,huis,vader,jeugd,arbeiders,scheepvaart,bob dylan,ecologie,appartement,huur,astma,woning,seizoenen,joni mitchell,stephen stills,gevoeligheid

Eugene de Salignac, Brooklyn Bridge Workers.

Mijn vrouw en ik wonen in een appartement dat we huren. Dat is ongewoon voor mensen van onze leeftijd. Zowat iedereen die we kennen bezit een huis, een auto, soms zelfs een ‘buitenverblijf’. Voor mijn autoloos bestaan heb ik een duidelijke uitleg. Ik heb nooit willen rijden. Op mijn negentiende ben ik in de hoofdstad gaan wonen, en daar is een auto meer een last dan een lust. Voor grote afstanden maakte ik gebruik van mijn duim. Dat ging heel goed in die dagen. Nu zijn er goedkope vluchten, zolang het nog duurt. Ik was een groene jongen toen er nog maar weinig groene jongens waren, hoewel iemand als Stephen Stills al wel een ‘Ecology Song’ had, en er was natuurlijk ook ‘Big Yellow Taxi’ van Joni Mitchell, wat later nog eens gecoverd werd door Bob Dylan.

Waarom we geen huis hebben heeft voor een deel met vroegere armoede, te maken, werkloosheid, economische crisis in de jaren zeventig, maar ook met onverschilligheid en verkeerde keuzes. En ik dacht altijd, je kunt het toch niet met je meenemen op je laatste reis. En was eigendom geen vorm van diefstal?

Op dit ogenblik wordt er aan het huis gewerkt. Al meer dan vijf jaar slapen wij in een vochtige slaapkamer. Vocht sijpelde er binnen, het was er klam, koud, heel ongezond. In mijn werkkamer, waar het grootste deel van mijn boeken staat, regende het zelfs binnen. Al die jaren hebben wij de eigenaar gebeld en aangetekende brieven gestuurd.  Dat er iets moest gebeuren, dat ik elk jaar zieker werd. Er gebeurde niets. En nu opeens, als mijn vakantie begint, als ik wat wil schrijven, van de rust genieten, staan de arbeiders voor de deur. Het dak is een paar weken geleden hersteld. Daar hebben we geen last van gehad. De dakwerkers gingen via een ladder het dak op. Ik heb hen maar enkele keren gezien. Nu wordt er binnen gewerkt. De schimmel en het rot moet van de muren, er moet opnieuw worden geplamuurd. Overal verfschilfers, overal stof. Ik kan maar moeilijk ademhalen. En ik voel me niet op mijn gemak. Als ik een boterham wil eten voel ik me bijna een indringer in mijn eigen keuken, want daar wordt ook gewerkt, daar ligt ook overal stof.

Aan een vriendin schreef ik: “ Ik ben een socialist. Maar dat is niet meer dan theorie. De praktijk is dat ik overgevoelig ben;  hoe erg, dat besef ik nu pas. Ik wist het wel, maar dat het mij tot in mijn kern kon raken, dat wist ik niet. Dat belet me niet om respect te hebben voor arbeiders. Maar ik kan met hen niet op een ongedwongen wijze omgaan, ik ken hun taal niet, hun codes; ik heb het nooit geleerd."

Destijds toen ik klein was mocht ik van mijn vader nooit iets doen op het schip, schoonmaken na het lossen van een vracht, de stuurhut verven, binnen vernissen, geen sprake van, want ik was zogenaamd zwak en ziek. Ik was een astmalijdertje. Maar die houding van mijn vader heeft me pas écht zwak gemaakt. Wat mijn vader natuurlijk niet wist, hij was geen psycholoog, zijn bedoelingen waren goed. Het hard labeur was voor mijn oudere, veel sterkere broer ( hij heeft evenmin een eigen huis).  Ik moest maar lezen of naar muziek luisteren. Of fietsen met de vrienden. Of, later, toneelstukjes spelen. Toch jeukten mijn vingers om een verfborstel vast te houden, toch wilde ik de handen uit de mouwen steken. En nu verdraag ik niets meer.

Daaruit concluderen dat ik mij verheven voel boven een arbeider, dat zou verkeerd zijn, want het is gewoonweg niet zo. Ik vind dat iemand die boeken leest ook niet beter is dan iemand die geen boeken leest. Nee, ik ben gewoonweg anders. Het is een hypergevoeligheid, en die is niet alleen lichamelijk.

Nu wacht ik op het einde van de zomer, de rustige dagen van de herfst. Op een tijd dat ik eindelijk mijn meesterwerk kan schrijven. Ja.

02-07-08

DURE KERSEN: TERWIJL IK WACHT OP HET EINDE VAN DE WERELD

 

Ook de voorbije dagen heb ik geen kersen gegeten. Nochtans is het de tijd, dat zie ik als ik ’s middags tussen de massa’s door de Nieuwstraat loop en op andere plaatsen waar ik kom. Veel zijn het er niet, plaatsen bedoel ik, maar bijna overal zijn er kersen. Op de radio wordt almaar herhaald dat alles duur wordt, straks hebben we niets meer, en ook dat zie ik aan de kersen, aan hun hoge prijs. Toch trek ik mijn schouders op bij dergelijk slecht nieuws en begeef me naar de ‘markt’ waar ik boeken koop van Nietzsche, Aristoteles (die me opnieuw zal leren een goed mens te worden), Francis Bacon, Alberto Moravia, Rüdiger Safranski (een zeer geschikte schrijver voor jonge mensen die zich op het pad van de filosofie wensen te begeven), Mary Dearborn over Peggy Guggenheim, Paul Auster, Emily Brontë, Nathaniel Hawthorne, Ernest Hemingway, Maurice Maeterlinck, Michael Ondaatje, Michail Boelgakov, Philip Roth, Shakespeare, en Philippe Claudel, en ik weet niet wie nog allemaal. Een boek is nu goedkoper dan een kilo kersen.

Het zijn vreemde tijden. Soms denk ik echt dat het de laatste zijn, dat wij de laatste mensen zijn. Ik weet dat ik veralgemeen, maar het valt me op dat we zoveel mogelijk willen verzamelen. Straks zijn er geen cd’s meer, geen elpees, daarom moeten we er vandaag nog zoveel mogelijk kopen. Zo heb ik mij – en ik voel enige schaamte als ik aan deze opsomming begin – de voorbije maanden, wanneer precies weet ik niet meer, terwijl ik van al mijn oude platen nog min of meer weet op welke dag en op welke plaats ik ze heb gekocht, de volgende muziekverzameling aangeschaft: Sam Bush, ‘Laps In Seven’, met Emmylou Harris en en Buddy Miller, het is een bluegrassplaat maar er staat een bijna psychedelische versie op van 'White Bird' van de seventies band It's A Beautiful Day; Emmylou Harris, ‘All that I Intended To Be’; Woven Hand, ‘Mosaic’; Dion, ‘Dion’, uit 1968, voor de bonustrack Daddy Rollin’ In Your Arms', en zoals je weet is Dion de enige zanger die op de hoes van ‘Sergeant Pepper’s Lonely Hearts Club Band’ staat afgebeeld; Dion, ‘Bronx in Blue’ (2006), in Porto gevonden;  Bon Iver, ‘for Emma, forever ago’; Grant Green, ‘The Feelin’ Spirit’, zeer bezielde jazz, van een uitstekend gitarist; Dexter Godon, ‘A Swingin’ Affair’, voor de zomeravonden; The Style Council, ‘Our Favourite Shop’, uit nostalgie; Elliott Murphy, ‘Notes From The Underground’, een plaat die ik moest kopen, maar ik heb er geen spijt van, sinds ‘Just A Story From America’ (1977, dat was het jaar van de bicentennial) had ik geen platen van Elliott Murphy meer gekocht.

Het spreekt bijna vanzelf dat ik ook the Gutter Twins’ ‘Saturnalia’ aanschafte, en kort daarna Isobel Campbell & Mark Lanegans ‘Sunday At Devil Dirt’. Tot mijn spijt kon ik noch naar het concert van the Gutter Twins noch naar dat van Campbell & Lanegan. Ik gaf nog meer geld uit: Nick Cave & The Bad Seeds, ‘Dig!!! Lazarus, Dig!!!'; Gary Louris, ‘Vagabonds’, dit is een van de weinige tegenvallers die ik de afgelopen zes maanden heb gekocht ; Architecture In Helsinki, ‘In Case We Die’;  Clem Snide, ‘End Of Love’, als ik in de platenzaak iets tegenkom op het Fargo-label koop ik het meestal, hetzelfde geldt voor Secretly Canadian en Glitterhouse; Elvis Costello & The Imposters, ‘Momofuku’, zeker een van de betere cd’s van dit jaar; Soy Un Caballo, ‘Les heures de raison’; Joan As A Policewoman, ‘To Survive’; PJ Harvey, ‘White Chalk’, waar ik alleen maar een kopie van bezat en daarmee is nogmaals bewezen dat kopiëren en downloaden niet betekenen dat je geen cd’s koopt, eerder het tegendeel is waar: wat je echt mooi vindt wil je ook hebben; Lavender Diamond, ‘Songs For You To Sing’, zelfde opmerking als bij PJ Harvey;  Blood Meridian, ‘Kick Up the Dust’, zelfde opmerking als bij PJ Harvey; Aldina Duarte, ‘Apenas o amor’;  Madredeus, ‘Ainda – Original Motion Picture Soundtrack From The Film “Lisbon Story” written and directed by Wim Wenders’, deze plaat klinkt nog beter en droeviger zonder de mooie beelden van Wim Wenders erbij, het betoverende, soms wanhopige en zelfs mystieke geluid van Lissabon stijgt uit de stem van Teresa Salgueiro op; Madredeus, ‘Movimento’; Joni Mitchell, ‘Shine’, alleen Moody Blues had mottigere hoezen, waardoor ik zo lang gewacht heb om deze plaat te kopen; Damien Jurado, ‘And Now That I’m In Your Shadow’, een gezellige zeurpiet, en meestal wacht ik even voor ik plaatjes van gezellige en ongezellige zeurpieten koop (die worden namelijk heel snel goedkoop); Ry Cooder, ‘I, Flathead’, voor als ik toch nog een keer wil lachen; John Fogerty, ‘Revival’, klinkt als Creedence, maar toch iets minder vurig, je hoort de formule, en dat zou niet mogen, maar hey, het is John Fogerty!; Chris Whitley & Jeff Lang, ‘Dislocation Blues’, met uitstekende covers van ‘Stagger Lee’, ‘When I Paint My Masterpiece’ en ‘Changing Of the Guard’;  Bonnie “Prince” Billy, ‘Lie Down In the Light’, ook weer vrolijke muziek; Paula Frazer, ‘Leave the Sad Things Behind’, Chris & Carla, ‘Fly High Brave Dreamers’, voor Chris en Carla en hun Walkabouts heb ik al heel lang een zwak; en Howe Gelb, ‘Sno Angel / Like You’.

Ik kocht ook nogal wat soul en oude pop: Don Covay, ‘The Platinum Collection’, van Don Covay heeft de jonge Mick Jagger zeer veel opgestoken; Marvin Gaye, ‘Midnight Love’, ontstaan tijdens zijn Belgische periode, in Oostende; Delaney & Bonnie, ‘Home’, waar ik al een eeuwigheid naar zocht, het is de eerste elpee van het blanke soul-duo, dat eind jaren zestig zoveel deining zou veroorzaken in de rockwereld en waaruit Derek & The Dominos zou ontstaan; Aretha Franklin, ‘Amazing Grace – The Complete Recordings’, omdat Aretha nergens straffer zingt dan hier, in het aanschijn van haar god; The Delfonics, ‘The Very Best Of The Delfonics’, nee, the Delfonics zijn geen uitvinding van Quentin Tarantino; Clydie King, ‘The Imperial And Mint Years’; Betty Davis, ‘Betty Davis’, een funky sister, de plaat verscheen in 1973; Sharon Jones & The Dap Kings, ‘100 Days, 100 Nights’, reconstructie van de sixties soul; The Clique, ‘Sugar On Sunday: The Definitive Collection’, R.E.M. heeft destijds hun ‘Superman’ gecovered, ik bezat de elpee al, maar hier staan negen bonus tracks op; Harry Nilsson, ‘Son Of Schmilsson’, voor de vier bonustracks (of om ooit aan iemand cadeau te doen, voor Cristina in Porto kocht ik John Cales ‘Paris 1919’ en Dusty Springfields ‘A Girl Called Dusty’); Nick Lowe, ‘Jesus Of Cool’,  zeer mooi uitgegeven en nog altijd goed; Dennis Wilson, ‘Pacific Ocean Blue’, een schitterende heruitgave van de oorspronkelijke elpee, met daaraan gekoppeld het nooit eerder uitgebrachte materiaal voor de elpee ‘Bambu’, samen verpakt in ongetwijfeld de mooiste hoes van het jaar; Maria McKee, ‘Live At the BBC’, Jefferson Airplane, ‘Live At the Fillmore East 1969’; Jefferson Airplane, ‘The Essential Jefferson Airplane’, Stephen Stills, ‘Just Roll Tape', erg primitieve opnamen uit 1968 van latere hits als ‘Change Partners’ en ‘Suite:Judy BlueEyes’; Nick Drake, ‘Made To Love Magic’; The Everly Brothers, ‘The Works’, ik denk dat ik daar al lang alles van had, maar ik was niet helemaal zeker, het is een uitgave zonder enige informatie, een economische crisis-editie van het doorgaans vrij dure Rhino-label, waar desondanks 72 prachtige songs op verzameld werden; Everything But The Girl, ‘The Works’, zie bij the Everly Brothers; Diverse Artiesten, ‘Theme Time Radio Hour With Your Host Bob Dylan’; Diverse Artiesten, ‘On Vine Street – The Early Songs Of Randy Newman’; Bob Lind, ‘Elusive Butterfly - The Complete Jack Nitzsche Sessions’, zeer mooie folkrock, op deze compilatie heb ik heel lang zitten wachten, en hetzelfde geldt voor ‘More Of the Cake Please’ van de unieke girl group the Cake; Diverse Artiesten, ‘Blame It On the Dogg – The Swamp Dogg Anthology 1968-1978’, uitstekend ook al weer (je moet weten dat je dingen als dit in het vinyltijdperk onmogelijk kon vinden in België, ik ben overigens nog steeds op zoek naar ‘Total Destruction to Your Mind’ van diezelfde Swamp Dogg); Diverse Artiesten, ‘The Bert Berns Story – Twist And Shout Volume 1 – 1960-1964’, soul en pop van Solomon Burke tot Lulu; Tony Orlando, ‘Halfway To Paradise – The Complete Epic Masters 1961-1964’, een verzameling aanstekelijke kitsch, Brill Building Pop zeggen de kenners ( Yo La Tengo’s ‘And then nothing turned itself inside’ out bevat een song getiteld ‘Let’s save Tony Orlando’s House’, en zo zie je maar dat uit het ene altijd het andere voortkomt, soms met kleine, soms met grote gevolgen); voor wie van dit soort muziek houdt is ook het derde deel van de Phil Spector-imitators reeks interessant: ‘A Third Wall Of Soundalikes – Phil’s Spectre III'.

Om deze lange opsomming af te sluiten keer ik naar het vaderland terug. Ik heb als ik me niet vergis nog maar één Belgische elpee gekocht, ‘Vantage Point’van deus, zeker niet slecht, maar ik ben er nog niet vertrouwd mee. Hun ‘The Vanishing Of Maria Schneider’ is een van de beste nieuwe songs die ik dit jaar heb gehoord. Overigens is de hoes, ontworpen door Michael Borremans, heel bijzonder. Eerst vond ik ze aan de lelijke kant. Maar het beeld fascineerde me wel. Eigenlijk boezemde het me angst in. Het verband met de cd zag ik niet goed. In Porto ontmoette ik José Almeida Pereira, een jonge en veelbelovende kunstenaar. Hij toonde wat voor een interessante kunstenaar Michael Borremans is, iets wat ik helemaal niet wist. Ik volg de nieuwste ontwikkelingen in de kunst niet meer op de voet. Een soort oververzadiging, denk ik. Maar sinds José me al die werken van Borremans op internet heeft getoond zie ik ook de schoonheid van de hoes van 'Vantage Point'.

En nu ga ik eens kijken of ik toch niet wat betaalbare kersen kan vinden.

Voor ik het vergeet: ik wil in deze context Roen, Peerke, Boleuzia en andere muziekschrijvers bedanken voor hun enthousiaste omarming van rock and roll in al zijn vormen en gedaantes. Van hen blijf ik leren.

21-06-08

EEN HALF JAAR WACHTEN

 

annelies beck,stendhal,cormac mccarty,depressie,dagen,maanden,kopen,reizen,thuis,muziek,boeken,paul auster,siri hustvedt,porto,flickr,portugal,lezen,vermoeidheid,medicijnen,dokters,ziekenhuis,slaap,slaaponderzoek,wachten,film,cd s,verslaving,toeristen,vrienden,schrijvers,dood,stem,ogen

The Inner Life Of Martin Frost - Paul Auster.

Ik zou vertellen over mijn aankopen. Maar ik ben verstrikt geraakt in de woorden van Cormac McCarthy. Ik heb al veel van hem gelezen in de jaren negentig, maar dit, ‘The Road’ overtreft alles. Wat lijkt een lijst van mijn aankopen nu zinloos. Vroeg of laat vergaat het allemaal. Van ons blijft niets over, van de dingen evenmin. Als onze tijd gekomen is zullen de dingen onze sporen zijn, maar niet lang, want zij zullen eerst hun betekenis verliezen en dan vergaan. Vroeg of laat. Als je dat boek van Cormac McCarthy leest weet je het wel zeker. Daarom zullen we gedurende de tijd die we hier doorbrengen maar best vrolijk wezen en liederen zingen. Gedichten schrijven, films maken. Het lelijke en het slechte de rug toekeren.

Om mijn aankopen te verklaren moet ik eerst vertellen wat ik de voorbije weken en maanden heb gedaan. Dat is niet veel. Tot midden april heb ik mijn woning nauwelijks verlaten. Er waren enkele concerten, Iron & Wine, en Mavis Staples. Met mijn beste vrienden heb ik gegeten en gedronken. Maar ik ben vaker bij artsen geweest dan bij vrienden. Graag had ik mijn broer in Limburg een keer bezocht maar ik blijf het uitstellen. Met mijn vriend Koen ben ik naar een lezing van Kamiel Vanhole geweest. Reisverhalen, subtiel en vol humor en ironie. De man, die ik helaas niet heb leren kennen, is inmiddels overleden. Ik zal die avond niet snel vergeten, omdat er ondanks de ziekte en de aangekondigde dood euforie in de lucht hing. Ik ontmoette zielsverwanten. We praatten over muziek, over Peter Guralnick, over Greil Marcus, over ‘Matty Groves’ van Fairport Convention. Midden april ging ik weer werken, halftijds. Het viel me zwaar, omdat de depressie of wat het ook moge wezen wat ik heb, niet weg was. De dagen dat ik niet ging werken sliep ik vooral. Ik ben altijd moe. Antidepressiva schijnen geen vat te hebben op mijn aandoening. Een belangrijke deel van mijn budget ging naar grotendeels overbodige geneesmiddelen. Maar je hoopt natuurlijk dat ze wel werken. Vitamines en voedingssupplementen kosten eveneens veel geld. Omega-3, een wondermiddel, zo wordt beweerd.
Werken was moeilijk, niet werken was ook moeilijk. Ik maakte geen foto’s meer en schreef weinig. Ik ging niet naar de bioscoop, dat was toch al een besparing. Naar het theater ging ik evenmin: ik was bang voor de mensen. Ik was niet bij machte om tegen iemand iets te zeggen. Eind mei verbleef ik twee nachten in een ziekenhuis, voor een slaaponderzoek. Ik kocht een pyjama en een kamerjas. Dat waren kledingstukken die ik niet bezat. Natuurlijk moest ik ook boeken hebben om te lezen in het ziekenhuis. Ik moet altijd boeken hebben, ook al ben ik veel te moe om te lezen. Aan boeken en muziek ben ik verslaafd. Maar dat weet je al langer. Ik kocht boeken van alle schrijvers die ik ken en goed vind en die nieuwe boeken uit hadden. Ik kocht ook boeken van dode schrijvers, zoals Shakespeare en Stendhal. Het beste boek dat ik dit jaar las was Lucien Leuwen van Stendhal. Tenzij ik een ander werk over het hoofd zie. Over tien jaar zal ik misschien zeggen dat het dat van Cormac McCarthy was, maar nu niet.

Om naar Porto te gaan kocht ik geen nieuwe boeken, want ik had nog een hele stapel, en onze reisgids (Rough Guide) was nog niet echt verouderd. Zo’n gids kost al gauw 25 euro. Ik kocht wel nieuwe schoenen, maar ik ben er niet echt tevreden mee. Dat is vreemd want ik ben al jaren wel tevreden met de schoenen die ik koop. Ik kocht sokken en onderbroeken: dat doe ik altijd als ik op reis ga. Ik gaf geld uit aan tassen voor toiletgerief en voor medicijnen. Ik neem altijd massa’s medicijnen mee als ik op reis ga, zelfs als het maar voor een week is. Ik kocht een nieuw pak. Als ik dat aan heb voel ik mij een beetje een nieuwe man. In Porto droeg ik het om de toeristen belachelijk te maken. Zelfs op het vliegtuig had ik mijn pak aan. De meeste mannen zaten in hun onderbroek in het vliegtuig, en op hun sandalen. Ook in de kathedraal van Braga zag ik mannen met blote benen. Maar ik werd berispt omdat ik mijn Panamahoed op had op de patio van diezelfde kathedraal. Nochtans was ik, al ben ik ongelovig, blootshoofds voor het altaar verschenen. Ik had zelfs geknield, maar dat was om een foto te maken van de grote voeten van Jezus. (De foto is mislukt). Ik ben natuurlijk zelf ook een toerist, maar wat haat ik toeristen! En als ik het patois van Vlamingen hoor maak ik me snel uit de voeten. In del uchthaven van Porto heb ik Patrick en Johan gehoord, je weet wel. Patrick belde, niet met zijn dochter, maar met zijn zoon, ergens in de Kempen. Ach, het vaderland. In Porto kocht ik hemden en T-shirts en boeken en cd’s. Fado…

Vorige woensdag zijn we naar een filmvoorstelling van de jongste film van Paul Auster geweest. We zaten vlak bij het hoge podium. Annelies Beck stelde Auster een aantal grotendeels overbodige en onbenullige vragen, maar de schrijver bleef er charmant en geestig op antwoorden. Hij heeft zowat de mooiste ogen die ik ooit bij een man heb gezien en zijn stem is de stem van een verteller. Je verstaat elk woord, elke zin, niets ontsnapt aan je aandacht. Als mijn dokter een dergelijke stem had, dan was ik al lang kerngezond. Er waren ongeveer tweeduizend bewonderaars van Paul Auster in het Paleis voor Schone Kunsten bijeengekomen om naar de voorstelling van ‘The Inner Life Of Martin Frost’ te kijken. Een interessante mislukking, waarvan het verhaal voor degenen die ‘The Book Of Illusions’ hebben gelezen weinig verrassends te bieden heeft. Aan de mooie beelden, de montage, de stem van de verteller en het schitterende acteerwerk zie je natuurlijk wel meteen dat Paul Auster van film houdt. Na de voorstelling stonden honderden mensen in een rij aan te schuiven om zijn nieuwe boek, ‘Man in het duister’ te laten signeren. Zijn echtgenote, Siri Hustvedt heeft ook een nieuwe roman uit. Ze zat naast haar man. Door het raam zag ik de energie die van de ene naar de gaat en weer terug, twee energiebronnen die elkaar versterken. Wij hebben ons echter vlug uit de voeten gemaakt. Ik had het boek niet gekocht en wilde ook niet in zo’n lange rij staan. Ik dacht, ik wacht op de Engelse vertaling, die in september verschijnt. Maar gisteren kon ik mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en ben ik toch maar de Nederlandse vertaling gaan kopen. Dat ik geen handtekening heb vind ik niet erg, maar ik had de grote schrijver wel graag de hand gedrukt. En als ik dan Siri Hustvedt ook nog had mogen zoenen…

Toen ik dit stuk begon dacht ik een lijst te zullen maken van alle cd’s die ik dit jaar al heb gekocht. Maar het toeval heeft mij in een andere richting gestuurd. En daarover hoor je mij niet klagen. Voor een lijst heb ik nog alle tijd van de wereld. ‘The Inner Life Of Martin Frost’ werd in Portugal gedraaid. Er staan enkele foto’s uit Porto op flickr.

02-06-08

VERWELKEN

Voor het slapengaan, de laatste minuten van mijn zevenenvijftig jaar, sla ik een van mijn uitverkoren boeken open, toevallig op pagina 44 en lees dit:


“Van absoluut niemand die de leeftijd van vijfentwintig gepasseerd is, waarna de bloei van de jeugd direct begint af te nemen, kan naar waarheid gezegd worden, afgezien misschien van een of andere stompzinnige figuur, dat hij geen ongeluk ervaren heeft. Want ook al zou het lot iemand in alles gunstig gezind zijn geweest, dan toch zou deze na het verstrijken van genoemde periode zich een enorm zwaar en bitter ongeluk bewust zijn, een ongeluk dat misschien nog zwaarder en bitterder is voor degene die minder door ander ongeluk getroffen is, namelijk dat van het verval en het einde van zijn dierbare jeugd.”

Zijn deze regels van Giacomo Leopardi een troost of strooien ze zout in de wonde?

leopardi

27-05-08

NAAR PARAMARIBO

Na lang aarzelen besliste ik om toch maar een Duvel te drinken. Ik moest die avond naar het ziekenhuis en wist dat ik na tien uur niet meer uit bed zou kunnen. Ja, om halfzeven ’s morgens, dat gelukkig nog wel. Zo weinig mogelijk drinken, had ik me ingeprent. Maar het mooie weer, de terrasjes... Het centrum van Brussel op zijn mooist. Overal zaten toeristen en jonge mensen sterk Belgisch bier te drinken, alsof het voor hen een dagelijks gebruik was.

We gingen aan een tafeltje zitten in de PP, helemaal alleen op het terras. Alleen omdat de zon niet tot daar reikte. Waar de zon scheen zaten talloze meisjes in bloei.

Laura was voor het werk naar Gent geweest. Ze vertelde me een paar ditjes en datjes, over universiteiten, over collega’s, hoe goed ze met hen kan opschieten.

“Een collega van me vertrekt binnenkort naar…”

Op dat ogenblik schoot de naam Paramaribo me te binnen.

“Paramaribo”, zei ze.

Tussen mijn gedacht en haar uitgesproken ‘Paramaribo’ was geen tijd verlopen. Haar ‘Paramaribo’ en dat van mij vielen volkomen samen.

Al gauw zouden we weer afscheid moeten nemen, zou ik alleen in mijn hospitaalbed liggen, mijn lichaam aangesloten op een machine.

Vandaag heb ik nog wat vrouwen gekocht. Maar degene die ik echt wil bezitten is onbetaalbaar. Het schrijven zit me vandaag trouwens niet in het bloed. En geld regenen doet het ook al niet. Wat een man die ouder wordt niet allemaal moet meemaken!

10-05-08

LANGZAAM EN KWETSBAAR OP WEG

traagheid,leven,ziekte,vermoeidheid,eels,mark oliver everett,alexander mackendrick,literatuur,roman,middlemarch,george eliot,lezen,muziek,film,geneesmiddelen,vitamines

Ik heb zo’n beetje de indruk dat ik jaren achtereen in hetzelfde boek heb zitten lezen. Gelukkig is George Eliots ‘Middlemarch’ nu uit. Negenhonderdzestien pagina’s heb ik doorgebracht in het gezelschap van Dorothea Brooke, Rosamond Vincy, Will Ladislaw, Fred Vincy, Caleb Garth (die mij altijd weer aan Garth Hudson deed denken), Edward Casaubon, de bankier Bulstrode en de onfortuinlijke dokter Lydgate, in een fictieve regio ergens in Engeland omstreeks 1830. Een geheel andere wereld dan degene waar we nu in leven, en toch maakt veel van wat er in de roman gebeurt een zeer vertrouwde indruk. De meeste personages zouden net zo goed nu kunnen leven; hun emoties, verlangens, dromen, ziektes, tegenslagen, geluksmomenten, liefdes en de tientallen misverstanden zijn helemaal van deze tijd. Daarom heb ik geen spijt van de in Middlemarch geïnvesteerde uren. Het is een onbetwist meesterwerk dat iedereen zou moeten lezen. Het is een van die zeldzame boeken die je verzoenen met de wereld en de mensen.

Al die maanden heeft er in België een politiek crisis gewoed waarmee ik nauwelijks begaan ben geweest. Mijn dagen zijn in een waas gehuld, ’s nachts jaagt de ene nachtmerrie de andere weg en word ik badend in het zweet wakker. Overdag ben ik uitgeput maar zoek ik toch naar een zin. Ik neem geneesmiddelen, massa’s vitamines, en omega-3, om aan de slag te kunnen gaan. Ik heb meerdere opdrachten; de ene, het werk, is een uiterlijke noodzaak, om te overleven en de andere, het schrijven, is een innerlijke noodzaak, om geen zelfmoord te plegen. Ik houd van het leven en wil me niet zomaar van uitputting overgeven aan leegte en uitzichtloosheid. Maar ik weet het niet. Ik weet niet wat ik moet doen. Ik ben nog niet wanhopig, maar sta wel op het punt om de strijd op te geven.

Toch blijf ik cd’s en boeken kopen, alsof er niets veranderd is, alsof ik even snel en intens lees als twintig jaar geleden en de muziek mij naar even hoge sferen zal brengen als in 1968 en 1977. Die tijd is lang voorbij. Er zijn geen hogere sferen en ik bewandel mijn pad in traagheid. De warmte verandert mij in een slak, zonder beschermend huisje; neen, ik wandel naakt en kwetsbaar. Het is helemaal niet de trotse naaktheid van Moby Grape en Cat Power in ‘Naked If I Want To’. Het is een beschamende en lachwekkende naaktheid en traagheid. Ik schrijf dit neer, niet als zelfbeklag maar als een stand van zaken. Straks drink ik wijn bij het eten en luister naar the Gutter Twins en Karen Dalton. Straks lees ik  de wederwaardigheden van een andere loser, maar dan wel een loser met succes, ik bedoel de autobiografie van Mark Oliver Everett, ‘Things the Granchildren Should Know’. Straks kijk ik voor de zoveelste keer naar de genadeloze film ‘Sweet Smell Of Success’ van Alexander Mackendrick. Straks val ik in een diepe, droomloze slaap. En volgende week laat ik mijn fiets herstellen. Want wat ik vooral mis is beweging. Leven is niet alleen luisteren en lezen, maar zeker ook bewegen.

"Ver weg in de welvende lucht was het parelmoeren licht en ze voelde de grootheid van de wereld en de menigvuldigheid van het ontwaken van mensen tot arbeid en lijdzaamheid. Ze maakte deel uit van dat onbewuste, kloppende leven en kon er vanuit haar comfortabele onderkomen niet zomaar als toeschouwer naar kijken, noch haar ogen afwenden in zelfbeklag."
George Eliot, Middlemarch

11-04-08

OPSTAND VAN HET ES

Beste lezer wees niet bevreesd, ik ben niet naar Macao vertrokken. Ik zou niet eens weten waar die exotische plek zich bevindt en of ze hoegenaamd nog bestaat. Nee, de waarheid is prozaïscher. Dit schrijfbedrijf is tijdelijk gesloten wegens insubordinatie van het Es. Een mens is nooit de meester in zijn huis, dat weet u. Met andere woorden: ik heb eigenlijk niks te zeggen, maar voer uit wat mij wordt opgedragen. Het Es is in opstand gekomen. Een zware hoest, gepaard gaande met de secretie van onnoemelijke lichaamsvochten, uitputtingsverschijnselen en ademnood zijn er het gevolg van. Ik moet er nu zorg voor dragen dat ik mijn Es opnieuw te vriend maak. Maar zonder dat hij het weet poog ik met behulp van antibiotica zijn meest geniepige agenten uit te roeien. Andere middelen worden eveneens aangewend. Het resultaat is echter nooit vooraf gekend. Wij leven in een onheilspellende duisternis. Maar liefde, zegt men, kan wonderen verrichten. De dokter, een man van genade, heeft net mijn huis verlaten. Nu ben ik weer alleen om dit geschil te beslechten. In afwachting van een herstel van dit eenmansbedrijf verwijs ik u naar mijn recente en minder recente geschiedenis. Daar zijn nog wel wat edele metalen te vinden, als ik dat zo mag zeggen.

Ondertussen schijnt een heilzame zon, waar ik zelf geen heil van verwacht, in deze donkere, vochtige vertrekken, vol woorden en hels kabaal.

04-04-08

EEN 'WISKUNDIG' LEVEN


william burroughs the job 2

Ik heb discipline nodig. Dat is altijd al het geval geweest. En nu met die verdomde depressie is dat nog meer het geval. In ‘The Job’ van William Burroughs las ik deze naar mijn aanvoelen enigszins ironische passage:

“You are now going to learn how to dress and undress. You may think you already know this. Chances are you don’t. You may have heard of the man mentioned in Lord Chesterfield’s letters who killed himself because he could not stand to dress and undress himself and wash and shave. It wasn’t the monotony of these operations that killed him. It was the fact that he was not performing them properly. Any action not properly performed becomes increasingly painful. He was not performing these simple actions properly because he was not there. He considered these actions unimportant so he was thinking about something else while performing them. If you are thinking about something else while you do something you won’t do it right. That is why you fumble with your shoes and socks. That is why you leave your shirt half-buttoned to look for your tie or cuff links. That is why you wander out into the hall with one shoe on to see if there is any mail. In dressing as in any other operation always complete a cycle of action.”

Ironisch of niet, ik kan er veel uit leren. Veel van mijn dagelijks gedrag lijkt op wat hierboven beschreven staat. Terwijl ik dit noteer zit ik bijvoorbeeld al te denken aan mijn radioprogramma, dat ik dat nog moet voorbereiden, en aan de boodschappen die ik straks moet doen. Ik verwacht een telefoontje. Ik moet me nog scheren. Het wordt tijd dat ik eens wat nieuwe hemden koop. En zo gaat dat de hele dag door. Mijn sokken liggen in een ladenkast in de badkamer, mijn t-shirts in mijn kleerkast in de slaapkamer. Dat is ’s morgens altijd een gedoe. Neem ik, nog half slapend, al een t-shirt uit de kleerkast of keer ik na mijn douche met mijn sokken en mijn onderbroek al aan naar de koude slaapkamer terug om er een geschikt t-shirt te kiezen? Ondertussen vraag ik me af of ik de knop van het koffiezetapparaat wel heb aangezet. Brood is er, dat weet ik. Er is altijd brood.
Wat mij niet meer lukt – en wat ik eigenlijk nooit goed heb gekund – is een goede volgorde aanhouden, en met mijn gedachten bij zelfs de allerkleinste daad blijven. Deze vorm van discipline en controle voor de kleine dingen heb je ook nodig voor belangrijker werk, zoals schrijven of muziek maken. Het komt me echter voor dat met het toenemen van de leeftijd het almaar moeilijker wordt om orde in je leven te brengen en bij alles wat je doet, zoals William Burroughs zegt, aanwezig te zijn. Voor mij is dat altijd al moeilijk geweest, omdat ik, of ik het nu wilde of niet, heel vaak afwezig was. Tijdens de lessen wiskunde, zeven uur per week, was ik er zelden bij. Mijnheer Pulaski zit weer te dromen, zei de dog dan. De dog was de naam die wij de leraar wiskunde gaven. Niemand wist waarom precies. Ik heb in die periode, toen ik wiskunde studeerde, drie jaar de tijd gehad om te leren erbij te zijn, me de formules eigen te maken, zodat ik ze niet altijd weer moest gaan opzoeken, maar dat heb ik niet gedaan. Ik zat te dagdromen, van mooie meisjes, van reizen naar Istanbul, of ik zat met een regel voor een gedicht in mijn hoofd. Het is mijn mening dat ik als ik bij de wiskundeles was gebleven nu een geordend en gedisciplineerd leven zou leiden, wat voor mijn schrijven veel voordelen zou hebben gehad. Het heeft echter geen zin daar nu nog om te treuren. Wellicht kan ik mijn toestand nog veranderen. Time changes everything, zingt Bill Monroe. Tijd verandert alles, ten goede en ten kwade.

24-03-08

SCHRIJVEN IN EEN BEHOEFTIGE TIJD


“…Indessen dünket mir öfters
Besser zu schlafen, wie so ohne Genossen zu sein,
So zu harren, und was zu tun indes und zu sagen,
Weiss ich nicht, und wozu Dichter in dürftiger Zeit.”
Friedrich Hölderlin, Brot und Wein.

Het schrijven moet vooral uit onszelf komen; als het niet uit een innerlijke noodzaak voortvloeit, betekent het niets. Ben je wel iets waard als je je laat ontmoedigen door gebrek aan succes? Ook al leef je sinds je vijftiende jaar ten dienste van het woord?

Je ‘voelt’ je al miskend sinds omstreeks 1975, dat is al meer dan dertig jaar. Nog erger is de zekerheid dat je uitgesloten en verzwegen wordt.

Je hebt destijds, vanaf je vijftiende, toen de leraren je hadden gezegd dat je een goede pen had, aan heel wat wedstrijden meegedaan, onder eigen naam, en nooit wat gewonnen. Toen je dan op latere leeftijd een verhaal opstuurde onder een gekozen naam, Martin Pulaski, voor een verhalenwedstrijd van De Morgen was je meteen bij de winnaars. Het verhaal werd gepubliceerd in een bundel bij Meulenhoff. Je had inderdaad hard aan dat verhaal gewerkt, maar niet harder dan aan heel wat andere van je vroegere verhalen en gedichten (die alleen in onbekende, onbeminde tijdschriften werden gepubliceerd; met uitzondering van het NVT, daar was je trots op, omdat je in een zelfde nummer stond als Hugo Claus, de eerste Belgische schrijver die je meteen goed vond.)

Het gevoel miskend, uitgesloten, verzwegen te worden vreet een mens geleidelijk aan kapot. Je voelt je almaar waardelozer worden, omdat je je eigen waarde uit het oog verliest en jezelf door de ogen van de anderen bekijkt. Je wordt niet geapprecieerd en trekt daaruit de conclusie dat je niets kunt. Je denkt dat je een dorpsidioot bent, ook al ben je een stedeling. Je gelooft niet dat je iets blijvends kunt maken, iets sterks, iets dat tot de verbeelding van de mensen spreekt. Je bron droogt op. De mensen zeggen: "hij gaat door een diep dal". En zo is het ook, een diep, donker dal. Hetzelfde dal waar de zelfmoordenaars door moeten, voor ze tot de daad overgaan. Impotentie gaat je leven beheersen. Je hebt geen mogelijkheden meer, wil dat zeggen. Er valt niet meer te kiezen. Je hebt geen ‘macht’ meer, en ook geen ‘wil tot macht’. Wil je nog iets? In het begin wilde je succes, wilde je geliefd worden, door zoveel mogelijk mensen. Daardoor werd je afhankelijk van de anderen. En velen waren als roofdieren, maar erger, en profiteerden van je afhankelijkheid en je zwakheid. Zwakken worden altijd het eerst verscheurd. Je ging jezelf als een slachtoffer zien, een lachwekkend iemand. Een mislukkeling. Iemand die uit de annalen van de geschiedenis wordt gewist. (Je verloor uit het oog dat dat met bijna elke mens gebeurt.) Een slachtoffer is gekwetst, diep gewond zelfs. Meermaals lag je bloedend in de goot. Want in je waardeloosheid zocht je het gevaar op. Zoals Montgomery Clift met zijn geschonden aangezicht koppelde je je lot aan alcohol en medicijnen. Je strompelde door de straten van het donkere dal, op zoek naar een goed verlichte plaats waar vreemden je zouden troosten, vrouwen of mannen, dat maakte niet uit. Ja, zij luisterden naar je donker, dronken gebral, en naar je euforische uitvallen, in het Engels, het Frans, je moedertaal. Je moedertaal die je liefhad en haatte. In je moedertaal werd je verzwegen en miskend. In de bars sprak je een nieuw Esperanto, het was het zuchten van je nachtziel, die eigenlijk hoorde te rusten. Want je was lichamelijk zwak, dat had je moeder je al ingeprent toen je nog heel jong was. Je was een zwakke jongen. De vele dokters in je leven hadden dat bevestigd. Je was zwak, je moest rusten. Maar hoe zwakker je werd, hoe sterker je wilde zijn. Je daagde het noodlot uit. Je zei dat je alleen maar wilde genieten. Je dacht dat je een hedonist was, met genot als hoogste goed, als god.

Maar je wist heel goed dat je vluchtte, dat je een ontsnappingsroute zocht, een uitweg uit het dal.
En nu probeer je je diepte te peilen, en kijk je naar boven, naar het licht. Je schrijft nieuwe zinnen en luistert naar nieuwe muziek. Je zwartste zinnen moeten je in staat stellen om het lichtste licht te bereiken. Neen, je wil geen Jan Arends worden, geen Woyzeck, die niet in staat is voor zichzelf op te komen, zelfs geen Biberkopf, die van het ene uiterste naar het andere wordt geslingerd. Maar wat wil je dan eigenlijk, jongen? Ja, wat wil je eigenlijk?

Het schrijven moet vooral uit onszelf komen; als het niet uit een innerlijke noodzaak voortvloeit, betekent het niets. Ben je wel iets waard als je je laat ontmoedigen door gebrek aan succes? Ook al leef je sinds je vijftiende jaar ten dienste van het woord?

19-03-08

GUESS I'M DUMB: MIJN BEACH BOYS VERHAAL


PET SOUNDS

Opgedragen aan Haruki Murakami, schrijver van het surferverhaal ‘Hanalei Bay’

Ik heb gisteravond zitten luisteren naar de compilatie ‘Pet Projects: The Brian Wilson Productions’ op het onvolprezen Ace-label. Op die cd staat het werkelijk sublieme ‘Guess I’m Dumb’, gezongen door Glenn Campbell en het al even wonderlijke’ Fallin’ In Love’, uitgevoerd door American Spring, een van de mooiste popliedjes die ik ken.

Meteen was het idee bij me opgekomen om eindelijk eens iets over the Beach Boys te schrijven; het verhaal van een blijvende fascinatie. Vandaag echter las ik op Peerke’s  blog twee schitterende artikels over Dennis Wilson, met grote kennis van zaken en veel liefde geschreven. Ik gebruik hier het woord echter omdat  tijdens die lectuur de moed me in de schoenen is gezonken. Ik heb niet het geduld om zo’n doorwrocht stuk te schrijven. Mijn concentratievermogen is dat van een puber; daarin lijk ik wellicht ook een beetje op Dennis Wilson. Het valt mij heel moeilijk om een project af te werken. Zelfs een gedicht beëindig ik zelden. Een roman, wat ik de hoogste vorm van schrijven vind, is voor mij helemaal onbegonnen werk. Want niet alleen heb ik geen geduld, ik heb ook geen verbeelding. Als de verbeelding hier ooit aan de macht komt, moet ik emigreren.

The Beach Boys, dus. Gisteravond dacht ik, ik moet mijn verhaal laten beginnen in de eerste helft van de jaren zestig. Niet het echte begin van the Beach Boys, omdat hun surfmuziek destijds onopgemerkt aan me voorbij is gegaan (later ben ik er wel gaan naar luisteren, natuurlijk).

Ik wilde schrijven hoe ik in de eerste helft van de jaren zestig in de ban was gekomen van de sound van the Beach Boys. De euforische gevoelens die in me opwelden toen ik voor het eerst ‘Help Me Rhonda’ op de transistorradio hoorde, in hetzelfde jaar als ‘Like A Rolling Stone’. Hoe mijn vrienden en ik wild tekeer gingen op ‘Barbara Ann’ (een cover, in 1961 een hit voor The Regents). De kick die ik kreeg elke keer ‘Sloop John B.’, ‘Caroline, No’, ‘Good Vibrations’ en ‘Heroes And Villains’ op Radio London werden gedraaid – en dat was heel vaak.

Ik wilde zeker ook toegeven – want ik wil niet aan persoonlijke geschiedenisvervalsing doen - dat ik niet meteen doorhad dat ‘Pet Sounds’ uit 1966, ik was toen zestien, een absoluut hoogtepunt is in het oeuvre van the Beach Boys en in de popmuziek in het algemeen.

Mijn voorkeur ging eerst naar de elpees ‘Smiley Smile’ (1967), ‘Sunflower’ (1970) en ‘Surf’s Up’ (1971). Pas in het midden van de jaren zeventig was ik helemaal rijp voor de schoonheid van ‘Pet Sounds’. Ik draaide de plaat zo vaak dat ik de teksten allemaal uit het hoofd kende. Die tijd is lang voorbij. Naar teksten luister ik niet langer. Ik hoor alleen nog ritmes en melodieën. Overigens moet ‘Pet Sounds’ het vooral van ritme en melodie hebben. Het genie van Brian Wilson zit in de muziek, in de arrangementen, niet in de teksten. Ach, beste lezer, hoe druk je de unieke schoonheid van die elpee uit in povere woorden? Ik kan het niet, het is zoals het schrijven van een roman: onbegonnen werk. Het enige wat ik kan zeggen is, leg de elpee of cd op en luister en word een andere mens!

Ik wilde het hebben over een van de mooiste avonden in mijn leven, in de winter van 1970, toen ik the Beach Boys live zag optreden in het Paleis voor Schone Kunsten, in Brussel. Mijn toenmalige vriendin en ik, die eruitzagen als hippies en voor de ‘hippe’ Beach Boys waren gekomen en de rest van het publiek dat uit vetkuiven en boerinnen bestond, die voor de surfmuziek kwamen en niet voor de kunst. Ik overdrijf natuurlijk een beetje. Maar alleen maar een beetje. Die verscheurdheid was het grote probleem van the Beach Boys. Op muzikaal gebied waren ze vooruitstrevender dan de meeste andere popgroepen uit die tijd, maar ze hadden een ‘straight’ imago. Hun fans zagen hen als brave strandjongens, en hun platenmaatschappij Capitol bleef hen ook op die manier promoten. Braaf waren ze zeker niet. Ik denk dat geen enkele popmuzikant meer drugs heeft genomen dan Brian en Dennis Wilson. Niet dat dat veel belang heeft. Maar voor de hippies en later voor de punks – met uitzondering van the Ramones, die bijzonder veel van the Beach Boys hebben opgestoken - was dat wel doorslaggevend. Op enkele uitzonderingen na bleven die weg van hun concerten, en ze kochten geen Beach Boys-platen. Gek, want Dennis Wilson was een tijdlang bevriend met Charles Manson, de hippie bij uitstek. (Een vreemd jaar was dat toch, 1969, van onder meer die verweving van het sublieme met het absolute kwaad. Er zijn veel boeken over geschreven en films over gemaakt, daarom ga ik er niet dieper op in. Ook omdat ik te lui ben en dit kort wil houden.)

Ik wilde het hebben over hoe ik overweldigd werd door het nummer ‘Cabin Essence’ op 20/20 en door ‘Surf’s Up’ op de gelijknamige elpee. De tekst van ‘Surf’s Up’ was van de hand van Van Dyke Parks, een James Joyce in popwonderland. Als u ooit de kans ziet om zijn eerste soloplaat, ‘Song Cycle’, te beluisteren, luister dan aandachtig, ook naar de teksten. Brian Wilson en Van Dyke Parks werkten een tijd lang samen en zijn nog steeds bevriend.

Ik wilde verder nog eens keer benadrukken hoe ik buiten mijn wil altijd tegen de stroom inga. Toen ik in 1982 mijn radioprogramma Shangri La op radio centraal in Antwerpen begon, draaide ik zowat elke week een track uit ‘Pet Sounds’, of uit een van de andere hierboven genoemde elpees. Schandaal! Ik was een oude zak (tweeëndertig), met wel zeer commerciële smaak. De hippe deejays spuwden op the Beach Boys. Als je cool was draaide je Kid Creole & the Coconuts, Echo & the Bunnymen, Simple Minds, Frankie Goes To Hollywood en andere onzin. Ik gaf mijn helden echter niet op (er kwamen er gelukkig wel andere bij). Nu zijn we vijfentwintig jaar verder en the Beach Boys zijn nog steeds vaste waarden in mijn radioprogramma.

Ik heb een keer gehuild in de Beursschouwburg, toen ik David Thompson (van Pere Ubu) ‘Surfer Girl’ hoorde zingen.

Als mensen die niet beter weten mij nu naar mijn muzikale voorkeuren vragen vermeld ik nog steeds the Beach Boys, naast the Velvet Underground, Mazzy Star, Wilco, Eels en Townes Van Zandt en zo. “The Beach Boys”, zeggen ze dan, “dat zijn toch die surfers met die gestreepte hemden aan?” Dan draai ik me enigszins gekrenkt om en denk aan wat Jimi Hendrix zong op zijn ‘Third Stone From The Sun’: “You’ll never hear surf music again…” Hoewel hij zich toen vergiste. Hij had the Jesus & Mary Chain nog niet gehoord...

En nu ga ik nog een keer naar Glen Campbells 'Guess I'm Dumb' luisteren. Kom, we zij hier weg.