20-05-16

DE ROKENDE MAN

2016-05-Andalusië-Canon-Totaal 040.JPG

     Zondagmiddag. Ik ben al een paar dagen in Cadiz. De zuivere lucht van de Atlantische Oceaan doet me goed. Het ziet er naar uit dat ik spoedig zal herstellen. Gisteren schaamde ik me voor de koortsblaas op mijn lip en de zware hoest. Maar dat was niet nodig. Maria Jesus omhelsde me alsof ik een reis rond de wereld had gemaakt en nu weer thuis was gekomen, alsof ik grote gevaren en fatale verleidingen had getrotseerd. Later stonden we in de bars te praten en te lachen en plannen te maken alsof er niets aan de hand was. Nergens, met niemand. Wat maakte die hoest uit… Drink nog een glas bier, eet nog wat boquerones!
     En nu zit ik op dit terras. Wat zou er op deze zonnige middag in het hoofd van de man daar aan het andere tafeltje omgaan? Je hebt geen idee. Of toch wel? Denkt hij aan invasies van goddelozen, aan nieuwe veroveringen, aan bloedvergieten? Waarom die zonnebril in de schaduw van een parasol? Waarom de burgerlijke blazer, de zegelring, het gekleed hemd? Hoe hij zijn brandende sigarettenpeuken op de vijandige grond gooit. Met zwier, met kracht, met minachting, met onverschilligheid. Hij lijkt niet in de richting van de vijandige grond te kijken, maar dat kan ik niet zien. Ik heb een vermoeden dat zijn ogen bloeddoorlopen zijn. Of nietszeggend, leeg. Misschien koortsig, onverschillig, wanhopig… Verdelgd.

     Ik zou graag met je praten over gisteren, over Menchu – niemand noemt haar Maria Jesus - en over de nieuwe vrienden, Carmen, Harvey en Juan. Over de sublieme heiligen van Murillo. Hun donkere, extatische ogen. Maar de rokende man neemt me volledig in beslag. Wie weet hoeveel verrukkelijke Gaditanas in dunne zomerjurkjes hier inmiddels al voorbij zijn gelopen. Zijn vijftiende sigaret reeds. Ik heb ze een voor een geteld. Nu gaat ook het lege pakje tegen de grond. Zijn het zijn laatste uren? Heeft hij zijn dagen gewikt en gewogen? Is deze performance zijn adieu? Of is het gewoon maar routine? Een elke zondagmiddag herhaald leren wennen aan het snel naderend onheil? Is het geen invasie waar hij aan denkt maar een catastrofe?
     De glazen bier die hij drinkt tel ik niet, ik beperk me tot de sigaretten. Anders wordt het te chaotisch in mijn hoofd. Dag ga ik zelf misschien ook pils drinken en krijg ik nog zin in een sigaret ook. Want wat moet het heerlijk zijn om zo’n brandende peuk met zoveel levensverachting weg te slingeren. In de richting van de vijandige aarde. De aarde die met haar rampen en catastrofes zoveel schade aanricht bij mensen en dieren en planten en die ons allen zo weinig tijd gunt voor ze ons naar zich toetrekt.
     
     Kom schat, laten we de rekening vragen, zeg je. Ik wil nog even naar de nieuwe stad, wat uitwaaien op het strand daar. Heel goed, zeg ik. Wat ik me afvraag is of we ooit Toronto en Vancouver zullen zien. Dat komt door Harvey, die lang geleden uit Canada hierheen is gekomen. Je vraagt je af waarom. Is Canada dan niet het beloofde land? Ik weet het niet. Het lijkt er wel op of ik helemaal niets meer weet. We zullen de bus nemen, zeg ik, dan kunnen we wat langer op het strand wandelen.

...

Foto: Martin Pulaski, Cadiz, 15 april 2016

11-05-16

DE GROT VAN DE DOLLE MOLLEN

 0bascarlamarlunsford.png

Voor Philippe Quesne en de mollen.

Met grote verwachtingen naar het Kaaitheater voor ‘La nuit des taupes’ van Philippe Quesne. In de buurt van de KVS tientallen zo te zien nog piepjonge straathoeren. Café Tropicalia, het ‘kantoor’ van de pooiers, is al een tijd geleden gesloten. Nu zitten de pooiers wat verderop gezellig in gemakkelijke zetels op een terras, vadsige koningen van het kwartier. De hele buurt wordt groezeliger: dronkaards, uitschot, ‘kleine’ delinquenten. Ook in de metro valt de verloedering op. De politie zit achter de terroristen en de jihadi’s aan. De boeven hebben vrij spel. Noem het straattheater, helemaal gratis. Ondanks al die dingen is het een mooie, aangename lenteavond. Je laat je niet van je stuk brengen.

In het café van het Kaaitheater, van de oude glorie uit de tijd van La Luna blijft hier ook niet veel meer over, heb ik voldoende tijd om het publiek te observeren en wat na te denken. Vroeger dronk ik bier of wijn voor een voorstelling, nu tonic, liefst Schweppes (voor de kinine), maar dat wordt hier niet geschonken. Eens te meer valt mij op hoe oud ik word; de andere kunstenfestivalgangers worden almaar jonger. Het is zoals in sommige films van Sam Peckinpah: de oude revolverhelden willen er tot elke prijs bij blijven horen, met hun roestige revolvers en hun vermoeide paarden en hun oude, strikte  moraal – terwijl de jongere gunfighters machinegeweren hanteren, de auto gebruiken om zich te verplaatsen en een ondoorgrondelijke erecode hebben (of amoreel zijn). Het is een natuurwet, niets aan te doen. Erger is de apartheid. In een theater als dit zie je geen zwarten, geen moslims, geen kleine delinquenten, geen dronkaards. Het kunstenfestival is er voor de blanke, goed opgeleide en grotendeels Nederlandstalige elite. Het is van in het begin zo geweest en ik vrees dat het zo zal blijven. Vorig jaar zag ik een stuk van Marokkaanse vrouwen: het publiek was volledig blank.
sampeckinpah ride the high country.png

‘La nuit des taupes’ (onderdeel van ‘Welcome to Caveland!) van Philippe Quesne gaat over mollen in een grot. Daarin staat een witte barak die aan de voorkant open is. Via een buis komen de mollen met hun logge lijven de barak binnen. Het zijn bijzonder grote mollen, zo groot als mensen. De klompen aarde lijken op rotsen. De mollen lijken blind te zijn en met hun grote handen zijn ze erg onhandig. Ze lopen elkaar in de weg. Het publiek lacht want wat het te zien krijgt is erg grappig. Ha ha ha! Mij vergaat het lachen al snel. De anderen hoor ik ook al gauw niet veel meer lachen. Je wordt reeds na kwartier of zo geconfronteerd met de zinloosheid van het bestaan, met de absurditeit van alles wat je elke dag doet, de routine, de sleur. Ook met de overbevolking, hoe je altijd en overal met te veel bent, elkaar in de weg loopt. Je beseft dat je blind als een mol door het leven gaat. Goed georganiseerd, kijk maar eens hoe werd omgegaan met de tragedie in Zaventem en Maalbeek, maar zonder duidelijk doel. Als je een tijdje naar de activiteiten van mieren kijkt vraag je je soms ook wel eens af: waarom doen ze dat allemaal? Voor ons is het net hetzelfde. We bouwen onze huizen voor de eeuwigheid en één tsunami vernielt er 250.000 in een oogwenk.
Terug naar de voorstelling. Ze is nog maar net begonnen. Voor we de mollen te zien kregen hoorden we - voor het eerst met de versterker op 10 - de mysterieuze folksong ‘I Wish I Was a Mole in the Ground’ van Bascar Lamar Lunsford, opgenomen in een studio in Ashland, Kentucky in 1928. Velen in het publiek zullen het nummer nooit eerder gehoord hebben. Wat gaat er in hun hoofd om als deze geheimtaal, deze roestige banjoklanken tot hen doordringen? Zou nog iemand in dit theater Greil Marcus’ schitterende essay ‘World Upside Down’* (over dit lied) gelezen hebben. Philippe Quesne misschien? De acteurs? Iedereen zou het moeten lezen. Iedereen zou ongeveer alles van Greil Marcus moeten lezen. En alle liedjes op de ‘Anthology of American Folk Music’ van Harry Smith op z’n minst één keer per jaar moeten beluisteren. Zes langspeelplaten, dat moet te doen zijn.
We leven er maar op los, zonder duidelijk doel, schreef ik. Is muziek de uitweg? Zo lijkt het wel. Of is muziek in dit geval een metafoor voor creativiteit? Tegenover destructie verbeelding en scheppingskracht, tegenover de duisternis van de grot het licht van de poëzie. Poëzie betekent iets moois maken, iets duurzaams, iets wat de soort voor lange tijd ten goede komt.
Nu is het gaan regenen. Ik had me al zitten afvragen of die mollen nooit honger kregen. Nu wordt het duidelijk: ze verorberen gigantische regenwormen. Ze zijn natuurlijk niet echt gigantisch, wij zien ze alleen maar zo. Als je door een microscoop naar kleine wezentjes kijkt lijken die ook immens, maar dat is gezichtsbedrog, dat weet het kleinste kind. De sterren zijn dan weer veel groter dan wat wij te zien krijgen. Te veel regenwormen eten is slecht voor de gezondheid. Ja, het valt op: geboorte en dood verschillen bij mollen niet echt van geboorte en dood bij mensen. Net als mensen kennen mollen empathie, verdriet, verlangen. Geert Van Istendael zit net voor me. Met zijn stekelige haren belet hij me het zicht op de poten van de mollen. Wat zou hij er van vinden? Misschien verveelt hij zich wel? Maar dan zou hij toch gewoonweg naar huis gaan? Zou hij van de 4/4 beat, de krautrockachtige muziek van de mollenband houden? Want inderdaad, inmiddels is zo’n mollenbandje beginnen te spelen. Ze hebben gaten geslagen in een wand van de barak en zijn daar door gekropen. Niet alle mollen, net genoeg voor een rockgroepje. Maar daarover later meer.
Quesne.jpg

‘La nuit des taupes’ roept bij mij tal van associaties en herinneringen op, een beetje alsof ik bij de psychoanalyticus op de zetel lig. Mijn eerste associatie is die met het lied van Bascar Lamar Lunsford, dat spreekt vanzelf.  “I’d root that mountain down / And I wish I was a mole in the ground.” Maar dan gaan mijn gedachten al gauw naar De dolle mol, ooit een beruchte bar in Brussel. Ik werkte er enkele maanden in de zomer van 1971. Net als in deze voorstelling gebeurde daar alles letterlijk en figuurlijk onder de grond. De dolle mol bevond zich toen op de Kaasmarkt in een oude jazzkelder. Vandaar, denk ik, de naam die Herman J. Claeys eraan gaf. Het publiek dat er kwam bestond uit ‘undergroundtypes’, vertegenwoordigers van de tegencultuur, langharig werkschuw tuig. We leefden ondergronds, we waren vijanden van het establishment. Mollen die de berg van de macht wilden ondergraven. Niemand van ons wilde lang ondergronds blijven: we wilden de hele wereld mooier en beter maken. Vooral met liefde en muziek.
0themroc-3.jpg

Ik dacht terug aan de film ‘Themroc’ van Claude Faraldo. Michel Piccoli is een arbeider die genoeg heeft van de macht en haar repressie. Hij stopt met werken, verwerpt de taal van de vader (of is het die van de moeder?) en brengt voortaan alleen nog maar dierlijke geluiden voort. Mollentaal. In zijn appartement sloopt hij de muren. Hij bedrijft de liefde met zijn zus. ’s Nachts gaat hij op jacht naar voedsel. Hij doodt een flik. Het kadaver neemt hij mee naar zijn woning, die nu op een grot lijkt, om het daar te roosteren en vervolgens samen met enkele ‘medeplichtige’ buren op te peuzelen. Zo herinner ik mij de film. ‘Themroc’ is geen utopische vertelling (wat ik als twintigjarige waarschijnlijk wel dacht). Het is een verhaal van uitzichtloze, brutale anarchie. Je kunt niet ontsnappen uit de grot. Bij ‘Themroc’ is er zelfs niet de uitweg van de muziek en de creativiteit.
Tijdens de voorstelling kon ik maar niet op het woord komen voor het instrument dat the Beach Boys in ‘Good Vibrations’ gebruiken. ‘Theremin’ is het, gelukkig heb ik het niet moeten opzoeken. Een van de muzikanten van de mollenband bespeelt namelijk de theremin, of iets wat er op lijkt. De groep bestaat verder uit een bassist, een drummer en een gitarist. Met die grote, onhandige mollenpoten van ze kunnen ze alleen maar repetitieve muziek spelen. Krautrock of motorik, zoals ik hierboven al schreef. Denk aan Neu!, daar lijkt hun muziek het meest op. Eerst verzet je je tegen dit ‘lawaai’. Maar dat is verkeerd. Je moet loslaten, je overgeven aan het ritme. Dan geraak je in een trance. Dat gebeurt alvast bij mij. Ik weet niet of Geert Van Istendael het ook zo beleeft en ik heb het hem niet durven te vragen. Tijdens het miniconcert breken de andere mollen de barak helemaal af, zoals Michel Piccoli zijn appartement. In het halfdonker vervoeren een drietal mollen op gemotoriseerde fietsen stalactieten. Niet bepaald ergens naartoe. Maar het lijkt er wel op dat de blinde dieren het prettig vinden.
Het meest lyrische gedeelte, waarbij de mollen zich achter een doek (dat een scherm is) bevinden, roept bij mij meerdere associaties en herinneringen op. Op het scherm krijgen we goede oude vloeistofprojecties te zien. Die doen me terugdenken aan Pink Floyd in februari 1968 in het Pannenhuis in Antwerpen. Dat was met net dezelfde, echt heel mooie vloeistofprojecties. Ze zetten je aan tot dagdromen, ze openen een andere wereld. Nog mooier waren de projecties in mijn toneelstuk ‘De droom’ in mei 1968 in Tongeren. Niet omdat het mijn stuk was – ook wel een prestatie – maar omdat mijn vriend Henry Janssen een werkelijke magister van de vloeistofprojecties was. Echt waar, de mooiste, dromerigste vloeistofprojecties zag ik in de gymzaal van het Koninklijk Atheneum in Tongeren!

0Flaming-Lips.jpg

Wayne Coyne en zijn Flaming Lips maken tijdens hun concerten eveneens gebruik van zulke projecties. Dat is niet de enige overeenkomst met ‘La nuit des taupes’. Bij the Flaming Lips staan er steevast als dieren verklede mensen op het podium. Zo vrolijk, zeker met de grote kleurige ballons die door de zaal vliegen. Ook al zijn de liedjes van Flaming Lips soms erg melancholisch. Maar nooit macaber of uitzichtloos; bijna altijd op de toekomst gericht. De verbeelding biedt een uitweg. Carnaval, feest, fanfare!
Je denkt niet logisch maar associatief. Soms worden die associaties onderbroken door wat je waarneemt. Bij een performance is dat nog meer het geval. Met Wayne Coyne associeerde ik ‘Lucy in the Sky With Diamonds’ en zo ging ik helemaal terug naar mijn kinderjaren in Neerharen. Mijn vader kwam uit een arme boerenfamilie. In die omgeving was de mol de vijand. Hij moest worden bestreden, afgemaakt. Het was een genocide in het klein, maar mag ik dat wel schrijven? Elizabeth Costello kreeg met een gelijkaardige uitspraak heel wat problemen. Een hele tijd heb ik zelf dat beeld van de mol als vijand gehandhaafd. Ik denk tot in 1971, tot ik in De dolle mol ging werken en besefte dat de mol in wezen een revolutionair dier is.

the_residents.jpg
In de sixties was er het liedje ‘We Are the Moles’ van The Moles. Er werd beweerd dat het the Beatles waren, onder een andere naam. Het had best gekund, maar in werkelijkheid was het Simon Dupree & the Big Sound. Het gaat van ‘We are the moles and we live in our holes…’
Hoe lang is het niet geleden dat ik nog naar the Residents heb geluisterd… Zij hebben een viertal elpees uitgebracht voor een project dat ‘The Mole Trilogy’** heet. Deel drie van de trilogie is nooit verschenen, maar deel vier dan weer wel. En waar is volume 2 van the Travelling Wilburys? Nu ik eraan denk: waren Nelson Wilbury, Otis Wilbury, Lefty Wilbury, Charlie T. Wilbury jr. en Lucky Wilbury ook niet een soort van mollen. Terug naar the Residents. Ik sla een boekje open dat bij een verzamelbox*** zit en lees het volgende: ‘While the Residents are singular in their dedication to unmasking the rotten cavity [hol, gat] at the heart of the American dream, they are equally insistent in keeping the mask on their own identities.” Hun studio in San Francisco wordt ‘this windowless, cramped space’ genoemd.
De identiteit van de mollen in ‘La nuit des taupes’ wordt wel meegedeeld en op het einde van de voorstelling, bij het applaus ontdoen de acteurs zich van hun mollenhoofd (niet meteen, we moeten eerst voldoende in de handen klappen) en zien we ook dat ze niet echt blind waren. Wat ik een beetje vreesde, vooral toen ze op die fietsen zaten. Maar stekeblind hadden ze zelfs geen motorik kunnen spelen. Wat moeten de mollen het warm gehad hebben! Ik had niet in hun plaats willen zijn.

In een bespreking in De Standaard lees ik - van de hand van Wouter Hillaert - dat Quesne “in het duister is blijven tasten over wat hij meer wilde vertellen dan die eenduidige dierenfabel” en “ofwel heeft het allemaal weinig meer om het lijf dan grote mollenpakken, goed voor spijtig leeg spektakel.” Dat “in het donker blijven tasten” vind ik wel leuk. Maar leeg?

lanuitdestaupes.jpg


*World Upside Down, in ‘Three Songs, Three Singers, Three Nations’, Greil Marcus, Harvard University Press, 2015.
**The Mole Trilogy bestaat (voorlopig) uit: Mark of the Mole (1981); The Tunes of Two Cities (1982); Intermission (1982); The Big Bubble (1985)
***The Residents, Our Tired, Our Poor, Our Huddled Masses, Ralph Records, 1997

Afbeeldingen: Bascar Lamar Lunsford; Ride the High Country, Sam Peckinpah; La nuit des taupes; Themroc, Claude Faraldo; The Flaming Lips; The Residents; La nuit des taupes

07-04-16

TRIPTIEK VOOR MERLE HAGGARD

merle haggard 1 001.jpg

1.
Merle Haggard is dood. Waarom hield ik zoveel van zijn stem, van zijn songs, van zijn mythe? Zo lang ik me kan herinneren heb ik me een outsider gevoeld, anders dan de anderen, ongeschikt voor een netjes afgelijnd leven, voor een planmatig opgebouwde toekomst als burgerman, voor succes van welke aard dan ook. Ik had aanleg, talent, was met mijn ideeën vaak op mijn tijd vooruit en ik heb veel vrienden gehad. Gedurende enkele jaren was ik het centrum van een klein universum van gelijkgezinden. Maar ik geloofde niet in mezelf, ik achtte me niet tot iets goeds in staat. Tot iets groots, iets wat de wereld waarderen zou. Er ontbrak me een essentiële eigenschap of karaktertrek. Niet alleen discipline en doorzettingskracht, maar ook het vermogen om je naam op te dringen, om de anderen ervan te kunnen overtuigen dat je onmisbaar bent, dat ze zonder jou niet kunnen. Dat jij de man bent. Van in het begin was ik gebrandmerkt om te verliezen. De hoogmoed, zo die er al was, was van erg korte duur en aan de val lijkt geen einde te komen, en dat wil ik ook niet. Want liever vallen dan een verrader te zijn van alles wat me lief en dierbaar is. Hoewel mislukt en onder die mislukking soms gebukt gaand voel ik aan dat vallen beter is dan vliegen met de vleugels van onverdiend succes. Wat mij had kunnen redden – behoeden voor de val - was bijval als dichter, maar ook in die wereld voelde ik me niet thuis: het was een pseudowereld, een leugen. Echte dichters waren als Hölderlin en Artaud, ze waren antisociaal, leefden in een toren of zaten in een asiel. Ze gingen niet naar cocktailparty’s en lazen niet voor in cultuurhuizen.

Ik besef dat ik heel gemakkelijk op het verkeerde pad had kunnen komen.  “En de leraar die mij altijd placht te dreigen: / jongen, jij komt nog op het verkeerde pad, / kan tevreden zijn en hoeft niets meer te krijgen. / Dat wil zeggen: hij heeft toch gelijk gehad” zong Boudewijn De Groot*  in ‘Testament’, woorden die me als vijftienjarige tegelijk aantrokken en de daver op het lijf joegen. Dat het mooie lied me fascineerde blijkt uit de titel die ik gaf aan ons provo-schooltijdschrift met dezelfde naam. Tegelijk heb ik er alles voor gedaan om niet in de goot of de gevangenis te belanden, wat ook niet gebeurd is. Voorzichtigheid is misschien niet de meest bewonderenswaardige levenskunst, ze behoedt je wel voor veel gevaren. Maar een outsider ben ik altijd gebleven.

Bacon three studies for a crucifixion.jpg

2.
Wat heeft deze korte analyse van mijn persoonlijkheid met Merle Haggard te maken? Bijna alles. Dat uitleggen en aantonen is erg moeilijk. Hoewel de Americana-wereld van de gisteren – op zijn 79ste verjaardag - overleden countryzanger zeer specifiek is, is hij ook universeel. Dat alleen al is een bewijs voor zijn groot kunstenaarschap. Ik denk nu aan de schilder Francis Bacon, een kroegtijger die wat hij ’s nachts in de onderbuik van de grote stad zag en voelde en beleefde overdag met wilde precisie aan zijn doeken toevertrouwde. Je ontwaarde in Bacons genadeloze werken alle stemmen die in dronkenschap, wanhoop, verbijstering en verrukking tot hem doorgedrongen waren. Elk beeld van Francis Bacon is een echt beeld. De composities van Merle Haggard zijn op dezelfde manier echt en waar. Elk woord van hem, elke zin, elke vocale nuance drukt een reële en precieze ervaring uit. Vaak hoor je in zijn songs – noem ze gerust levensliederen - de stem  van mensen die niet mee kunnen eten van de gelukskoek, die nooit part zijn geweest van de American Dream en dat ook nooit zullen zijn. De personages van Merle Haggard verschillen heel erg van die van Francis Bacon maar de overeenkomst zit hem in de aandacht voor wie uitgesloten wordt, voor de outsider, voor de ‘andere’. Merle Haggard zingt al heel zijn lange leven over arme gelukszoekers, hardwerkende arbeiders, rechtse rednecks, hoeren, vervreemde cowboys, bajesklanten, dronkaards, moordenaars, treurende zonen, zwervers, hongerige immigranten, bastaards, drugverslaafden, gauwdieven, truckers, desperado’s, vluchtelingen, seizoenarbeiders, halfbloeden, reactionaire dwazen, mensen zonder illusies. Dit is geen willekeurige opsomming. Luister naar zijn platen: deze échte mensen komen stuk voor stuk in zijn liedjes voor. Zijn verzameld werk is voor mij op zijn minst zo veel waard als dat van Walt Whitman en John Steinbeck.

merle haggard 2.jpg

3.
Ik heb het geluk gehad dat ik in 1965 een fan mocht worden van the Byrds. Hun albums waren schatkamers, juwelenkistjes van liedschrijfkunst. Toen Gram Parsons in 1968 lid werd van de groep stopte hij een aantal parels van de countrymuziek in de juwelenkist die ‘Sweetheart of the Rodeo’ heet. Zo ontdekte ik country en meteen ook Merle Haggard via hun cover van ‘Life In Prison’. Op muzikaal gebied was dat een ommekeer in mijn leven. Maar met wie kon ik daar over praten? Haast niemand in mijn omgeving hield van country: het was muziek voor boerenkinkels en buitenlui. Tot ik Erik Van Neygen ontmoette, van de Belgische countryrockgroep Pendulum. Ik geloof dat hij de eerste was die ook naar Merle Haggard, Buck Owens en George Jones luisterde. Pas omstreeks medio de jaren zeventig vond ik een zielsverwant, Jos D., met wie ik nachtenlang naar Merle Haggard kon luisteren en in de Antwerpse volkse bars en kroegen opnieuw en opnieuw onze bewondering voor hem uitspreken. Vandaag hoor ik opnieuw en opnieuw ons van Duvels doordrongen gejubel weerklinken, ons euforisch gebral, doorspekt met citaten uit ‘Swinging Doors’, ‘The Bottle Let Me Down’, ‘Branded Man’ en ‘Sing Me Back Home’. Ja, ook Jos D. was een personage in een lied van onze held. De bars en het verdriet van de liefde, ongeneeslijke wanhoop, hebben hem de das omgedaan. Ik was sterker, denk ik. Zo valt me nu het trieste geluk te beurt dat ik me kan blijven onderdompelen in de muzikale wereld van de gebrandmerkte man die dank zij zijn groot talent, zijn originaliteit en zijn werkkracht erin slaagde een mythische held te worden. Merle Haggard is dood.

  merle haggard 1.jpeg

*tekst van Lennart Nijgh

28-03-16

HIJ ZEI DAT HET EEN NARE DROOM WAS

 odani motohiko.jpg


And if my thought-dreams could be seen
They’d probably put my head in a guillotine
But it’s alright, Ma, it’s life, and life only

Bob Dylan

Ongeveer een maand geleden was ik voor een raadpleging bij professor Pattyn in het UZ Gent. Ik zou moeten beslissen of ik binnenkort, dit jaar nog, een Zenker-Divertikel chirurgisch zou laten verwijderen. Eind 2012 is in het UZ Brussel een endogene ingreep mislukt. Uiteraard is zo’n invasieve operatie in de hals en slokdarm risicovol.Niet alleen omdat ik door andere operaties verzwakt ben, maar ook omdat een divertikel van Zenker erg zeldzaam is. Per jaar krijgen ongeveer 2 op 100.000 mensen de diagnose. Medici hebben er bijgevolg weinig ervaring mee. Professor Pattyn, een chirurg die al na één blik in de ogen vertrouwen inboezemt, stelde me gerust. Het divertikel wordt niet snel groter. Als ik er niet te veel last van heb kan ik nog lange tijd wachten met een ingreep, jaren zelfs. Het grootste risico zijn longontstekingen.

Vorige nacht droomde ik dat ik een rondleiding kreeg in het ondergronds labyrint van een groot ziekenhuis. Alles was er opgetrokken uit wit, synthetisch materiaal. De gids – die tevens geneesheer was – had me toevertrouwd dat professor Pattyn me niet de waarheid had durven zeggen. Die was dat ik ten laatste over vier maanden zou moeten geopereerd worden. Mijn kamer was al gereserveerd. Die was gelegen helemaal op het einde van een lange gang. Dat stuk van het ziekenhuis gaf uit op een lager gedeelte van de stad. Vanuit de mij toegewezen kamer was er uitzicht op een middeleeuws , donker straatje met hier en daar een oude lantaren, overblijfsels uit de periode dat J.K Huysmans zijn boeken schreef en zich tot het katholicisme bekeerde. Heel pittoresk, en door de contrastwerking met het klinische interieur goed voor mijn gemoed. Er zal uitstekend voor je gezorgd worden, zei de gids. Je bent hier in verzorgende handen. Je zal spionageromans kunnen lezen en naar alle rockmuziek van de wereld luisteren, zelfs je eigen playlists samenstellen. Houd ik wel van rockmuziek, dacht ik, ik ben dezer dagen toch meer begaan met jazz en modern klassiek, gisteren beluisterde ik nog The Modern Jazz Quartet en Debussy? Maar ik hield deze bedenking voor me.

Weer op de gang, de deur van de voor mij bestemde luxekamer al toe, klampte een Aziaat de gids aan. De man had ook een kamer nodig, in dezelfde vleugel waar die van mij was gelegen. Eigenlijk had hij zijn oog laten vallen op mijn vertrek, zo mooi wit en synthetisch! Geen goed idee, zei de gids tegen de Aziaat, jij komt toch uit het Noorden? Dan zal een houten kamer je veel meer deugd doen. Daarbij knipoogde hij naar me. Hij wilde me doen geloven dat ‘synthetisch’ een hogere categorie is dan ‘hout’, dat ik bijgevolg een voorkeurbehandeling genoot en de Aziaat gediscrimineerd werd. De Aziaat leek met het voorstel in te stemmen. Het zal zeker een gevaarlijke ingreep worden, zei de gids nog. Je zou kunnen sterven. Maar je hebt vier maanden om je erop voor te bereiden.

Vier maanden om me voor te bereiden op de dood. Opeens besef ik dat ik een heilige soldaat ben. Mijn opdracht is over vier maanden te zullen sterven. Ik behoor tot de groep van de zuiveren. Mijn gedachten zijn rustig, weloverwogen, rationeel. Ik zal gezond moeten leven, volgens de regels van het Boek. Discipline, oefeningen, vasten, gebed. Volgens de regels die eeuwen geleden werden opgetekend en nog steeds even geldig zijn. Transparante voorschriften voor een transparant, dienstbaar en strijdend leven. Je zal je leven moeten veranderen, gaat het door mijn hoofd.
Ik voer lange gesprekken over de juiste weg, de via perfectionis en de via humilitatis*, met een andere uitverkorene. Wie hij is weet ik niet. Hij lijkt op mij.  Misschien is hij mijn spiegelbeeld? Beiden streven we naar het goede (ἀγαθός), het leven in evenwicht. We hebben het nooit over geweld of oorlog, alleen maar over getrouwheid aan de leer, over zuiverheid. Vier maanden resten ons om in zuiverheid te zullen sterven.

Maar wat vreemd toch dat ik nu in het hoofd van een terrorist zit, ik Martin Pulaski,  de man die me vanuit de spiegel aankijkt. Hoe kan dat? Neen, dat ben ik niet, die stem in mij. Het is de stem van een verzonnen personage. Ik ben een acteur, ik speel een personage uit een pas verschenen boek. Pas verschenen? Dat is dan wel heel vlug gegaan. Hoe kan de auteur al zo kort na de verschrikkingen van 22 maart zo’n indringende roman klaar hebben? Over de gebeurtenissen in Brussel, over de denkwereld van de zelfmoordterroristen, over hun mentale voorbereiding? Is het een werk van Thomas Mann? Maar die schrijver is al lang dood? Hoe ongeloofwaardig ook, toch denk ik dat het om een roman van de grote Duitse schrijver gaat, vooral omdat de dialogen doen denken aan die van de humanist Settembrini en de jezuïet Naphta in ‘De Toverberg’.

Nu ik besef dat ik niet werkelijk de heilige soldaat ben, de terrorist, en dat ik zelfs niet over vier maanden moet sterven, voel ik een lichtheid zich van mij meester maken zoals ik die naar mijn weten nooit eerder heb ervaren, een onmetelijke euforie, misschien vergelijkbaar met die van een gelovige aan het eind van de negentiende eeuw die een zware zonde aan zijn biechtvader heeft opgebiecht en de absolutie gekregen. (Maar mijn lichtheid is niet die van een vervlogen tijd: ik begin niet met gebogen hoofd en gevouwen handen vurig te bidden.)

odilon redon fallen-angel-1872.jpg

*”waarbij de adept zichzelf leegmaakt vanuit de veronderstelling dat het absolute zelf of het absolute Niets vroeg of laat de plaats zal innemen van het oude ik.”
Peter Sloterdijk, Je moet je leven veranderen

Mikhail_Nesterov_001.jpg

Afbeeldingen: Odani Motohiko; Odilon Redon; Mikhail Nesterov

23-03-16

EN NU? IS HET NU GENOEG GEWEEST?

belgië2011 030 i love you.jpg

Je vroeg me wat ik dacht van die kop in De Morgen. Dat half Molenbeek  (“de hele buurt”) wist van de aanwezigheid van Salah Abdeslam, dat bijgevolg half Molenbeek op zijn minst passief steun verleend had aan een koelbloedige massamoordenaar, de meest gezochte misdadiger in Europa.  En je vroeg dan ook nog eens of ik geloofde dat werkelijk honderden jongeren in Molenbeek met stenen en flessen naar de politie hadden gegooid tijdens de overmeestering en inhechtenisneming van die zelfde Salah Abdeslam, en, indien ik dacht dat dat de waarheid was, wat ik daar dan van vond. Ik had eergisteravond op televisie een panelgesprek gevolgd waarin Douglas De Coninck, onderzoeksjournalist en schrijver van die kop en het bijbehorende artikel, discussieerde met Veerle De Vos, Dyab Abou JahJah, Sven Gatz en Bart Schols.

Om ongeveer half negen gisteren begon ik aan mijn antwoord op die vragen. Ik had er ’s nachts over liggen nadenken. Ik zou zeker schrijven dat ik mijn mening over Sven Gatz moest herzien. Wat erg dat ik soms zo bevooroordeeld ben, zou ik toegeven. Sven Gatz valt eigenlijk best mee, hij lijkt me meer een socialist dan een liberaal. Hij is sociaal bewogen, zou beter minister van welzijn of sociale zaken dan van cultuur zijn. Over Veerle De Vos zou ik schrijven, had ik me voorgenomen, dat zij ontwapenend is in haar eerlijkheid en directheid. Die vrouwen zijn boos omdat ze niet naar hun kinderen of naar hun woning kunnen. Maar ik ken Veerle persoonlijk; dat ik haar zo sympathiek en intelligent en no-nonsense vind is misschien ook een vooroordeel, dacht ik. Ik had me afgevraagd of ik dat wel zou vermelden, dat ik Veerle De Vos in het echte leven kende. En hoe zou ik de heldere en kritische blik van Dyab Abou JahJah onder woorden brengen? Ooit de baarlijke duivel, nu haast de grote verzoener…

Inmiddels was het negen uur, half tien… Ik had nog altijd niets genoteerd. Even op facebook kijken, even de mail checken… Bomaanslagen in de luchthaven en in metrostation Maalbeek. Doden en zwaargewonden, paniek. Wat ongeveer iedereen wist dat zou gebeuren (zonder er nog veel bij stil te staan) was gebeurd. Ik liep de trappen af, omhelsde A. Daar stonden we dan. In de keuken. Zonder woorden, zonder wat dan ook… Op het terras was wat meer lucht misschien… Maar ook onheilspellend lawaai…  Op de ring, vijf minuten hier vandaan, hoorde ik de ambulances. Alles wat we op de radio hoorden was waar. Dat was de werkelijkheid. Veel werkelijker dan wat ik de vorige avond, na De afspraak, in een film van Kathryn Bigelow over de jacht op Osama Bin Laden had gezien. (Overigens ging ik daar ook over schrijven, en dat doe ik ooit nog wel eens. En over het toeval dat die film, ‘Zero Dark Thirty’, op de avond van de arrestatie van Salah Abdeslam werd uitgezonden).

Ja, op lijn 5 van de Brusselse metro, in metrostation Maalbeek in Elsene, was een bom ontploft of had iemand zich opgeblazen. In datzelfde Elsene logeerde onze Franse vriend Xavier, die maandagavond zijn geliefde tindersticks had zien optreden in de Bourla in Antwerpen en later op de dag met ons naar Leuven zou rijden om er samen met ons nog een concert van tindersticks bij te wonen. De unieke band die wij zo bewonderen, Xavier misschien nog meer dan ik, als dat al mogelijk is. Het zou een heerlijke avond worden, we zouden onze vrienden Deborah en Neil terugzien…  En in de inkomhal van de luchthaven hadden twee of drie mannen zich opgeblazen. Hoe ver verwijderd moet je zijn van jezelf, van je ziel, van je menselijkheid, om dat te kunnen, om dat te willen? Hoe kunnen wij recht spreken over een mens die zich aan al wat menselijk is heeft onttrokken? Het is als recht spreken over vuur of over een stortvloed. Of toch niet? Zijn deze misdadigers alleen maar menselijk, al te menselijk en verdienen ze daarom de allergrootste straf? Maar welke straf kan de tragedie die zij bewerkstelligden ongedaan maken?

Het had nu geen enkele zin meer om wat dan ook te schrijven. Wat hebben woorden vandaag nog voor zin? Kunnen zij gewetenloze mensen een geweten schoppen?  Ik geloof in de kracht van de liefde. Ik geloof dat liefde sterker is dan de dood. Liefde overwint haat. Als je niet in een god gelooft, zoals ik, geloof je toch nog altijd in iets goddelijks, iets wat ons verbindt met elkaar. Die kracht noem ik liefde. Het is het allerhoogste. Maar net als jij weet ik dat we met die kracht geen schoenveters kunnen knopen of het verkeer regelen. Liefde is het allerhoogste; het is echter ook een zwakte. Vooral als we hard en streng, zelfs meedogenloos moeten zijn. Als we niet anders kunnen dan meedogenloos zijn. Meer dan die woorden, die gevoelens, ‘liefde is sterker dan de dood’, vond ik echter niet. En ‘solidariteit’. We moeten solidair blijven, of als we het nog niet zijn moeten we het alsnog worden. Geen tweedracht zaaien, ons niet door tweedrachtzaaiers laten ophitsen. Niet alle mensen zijn slecht. Alleen een kleine minderheid is door en door slecht. Kijk eens hoeveel goeds er gisteren weer naar boven is gekomen! Zoveel kleine en grote helden hebben laten zien hoe goed wij mensen kunnen zijn. ‘Kruisvaarders’ noemt het ongedierte de onschuldige mensen die het in een laffe zelfmoord aan stukken rijt. ‘Kruisvaarders’: onschuldige mensen (mannen, vrouwen, kinderen, baby’s) op weg naar het werk, naar huis, naar familie, naar een welverdiend vakantieoord. Heb ik dan niet het recht om die massamoordenaars ‘ongedierte’ te noemen? Zelfs ‘ongedierte’ is een te poëtisch woord om ze een naam te geven.

bruegel_triumphdeath.jpg

Nee, schrijven had geen zin meer. Niet dat ik er geen zin in had. Ik kon niet. Ik was geestelijk verlamd. Maar misschien zou het concert van tindersticks ons goed doen. Weg uit mijn geteisterde stad, het hellegat aldus Donald Trump. Xavier was gelukkig niets ergs overkomen. Niemand van mijn vrienden en kennissen was iets ergs overkomen. Dat kon ik op de veiligheidscheck van Facebook zien.  “I know the world has changed when Facebook has a Safety Check app...” schreef mijn vriend Gary F. daarover. Omstreeks zes uur belde Xavier hier aan. Ondanks de tragische gebeurtenissen waren we blij elkaar terug te zien. Xavier is een van de liefste mensen die ik ken, een en al voorkomendheid.

Automerken kan ik nooit onthouden, maar het merk van Xavier’s wagen is in mijn geheugen gegrift. En wel hierom. Omstreeks zeven uur vertrokken we richting Het Depot in Leuven. Aan het bijzonder gevaarlijk kruispunt van de oprit van de Grote Ring en de Sylvain Dupuislaan was Xavier een seconde onoplettend. (Er staan geen verkeerslichten, wat toch onbegrijpelijk is.) Hij reed door zonder te beseffen dat er van rechts, uit de Sylvain Dupuislaan, ook auto’s in volle snelheid kwamen aangereden. Eén wagen kon hij vermijden, maar op de tweede, bestuurd door een jonge vrouw, reed hij met zijn rechtervoorkant in. Op de linkervoorkant. Een zware klap maar we waren grotendeels ongedeerd. Ook het meisje in de andere wagen was ongedeerd. Vooral haar auto had veel schade opgelopen. We hebben bijzonder veel geluk gehad, maar tegelijk toch ook veel pech. Voor Xavier was het rampzalig. Hij schaamde zich tegenover ons, hij voelde zich schuldig. Politie kon ons niet helpen: elke agent was nodig voor de terreurbestrijding. Xavier vond dat we best naar huis gingen. Hij moest met de vrouw documenten van de verzekering invullen en wachten op een sleepwagen. Daarna zouden we wel zien. Uiteindelijk heeft onze vriend de taxi naar huis genomen. Hij moest om acht uur op het werk zijn. Een ongeluk gebeurt nooit alleen, zeggen de mensen. Ik geloof dat het waar is.

En hoe het nu verder moet? Met deze mooie stad? Met haar inwoners? Leraressen, leraren, arbeiders, metrobestuurders, restauranthouders, daklozen, vluchtelingen, bejaarden, moordenaars, dieven, goochelaars, muzikanten, museumbezoekers, marktkramers, plantrekkers, publicisten, macho’s, beenhouwers, houthakkers, kwelgeesten, fietsers, bibliothecarissen, vertalers, wegenbouwers, tunnelinspecteurs, rechercheurs, geografen, bedelaars, verkopers, scenarioschrijvers, vetzakken, schoenmakers, prostituees, soldaten, ruziestokers, kleuters, peuters, professoren, dj’s, karottentrekkers, godsdienstwaanzinnigen, zuipschuiten, psychopaten, sopranen, radiologen, tandartsen, boekbinders, straatvegers, verpleegsters, kinesisten, clowns, slotenmakers, loodgieters, advocaten en allerhande ander gespuis. Hoe moet het nu verder? Is het nu genoeg geweest?

belgië2011 243 (2).jpg

Foto's: Martin Pulaski; reproductie van Pieter Bruegel de Oude, Triomf van de dood (1562).

11-03-16

IS ALLES GENADE?

Diary of a Country Priest 1.jpg


Toen ik soldaat was, in het jaar 1950, lag er met Pasen een halve meter sneeuw, hoor ik een man zeggen. Ik zie hem niet want ik lig op de behandeltafel achter een scherm. 1950, mijn geboortejaar… Ja maar, in welke maand viel Pasen dat jaar, vraagt de kinesiste. In maart, zegt de man. Ondanks zijn vrij hoge leeftijd, toch zeker tachtig, schat ik, klinkt zijn stem niet ouder dan die van een vijftigjarige. Het duurt een tijd eer de gewezen soldaat het vertrek verlaten heeft; last van eenzaamheid waarschijnlijk. Tot hij de deur uit is moet ik achter mijn donkere gordijnen wachten op de kinesiste die aan mijn nek en rug gaat werken. Zelf heeft zij dan weer een schorre stem, ouder dan haar leeftijd. Hoewel zij niet echt een leeftijd heeft, ten minste: ik zie hem niet en kan hem niet raden.
Met streekgenoten spreekt de kinesiste een plat Brabants dialect.
Eigenlijk moet je alleen maar langs het Bracops ziekenhuis lopen, dan de parking (waar altijd auto’s van rijscholen staan) met aan weerszijden mooie oude kastanjebomen, vervolgens de drukke Sylvain Dupuislaan oversteken en een paadje tussen twee flatgebouwen zien te vinden, en dan ben je er: een vergeten straatje in de vierde wereld. In het straatje alleen oude arbeidershuisjes met onpare huisnummers. Met overal rondom razend verkeer. Daar zal de kinesiste met de rauwe stem en het Brabantse accent (dat ik niet echt graag hoor) me van mijn nekpijn verlossen. De meeste genade komt van vrouwen.
Maar dan is er nog het lang niet opgeloste probleem van de ziel. Mijn ziel die liefde nodig heeft. Liefde die ver te zoeken is en niemand schijnt nog te weten bij wie of waar. Als je de logica toepast op de dood van god is er geen liefde meer in de wereld. Voor de plattelandspriester in ‘Journal d’un curé de campagne’, die leeft op een dieet van brood en wijn, is dat een zekerheid. Of toch niet. Bij Robert Bresson kun je nooit zeker zijn. ‘Alles is genade’, zegt de priester op het einde, en dan is hij dood. Het brood en de wijn – en de afwezigheid van liefde – hebben hem de das omgedaan. ‘Journal d’un curé de campagne’ werd gedraaid in 1950, het jaar van mijn geboorte, het jaar dat het met Pasen sneeuwde. Waarna de Koreaanse oorlog begon. Daarna Vietnam, de Zesdaagse Oorlog, het Plein van de Hemelse Vrede - en nu hebben we de vluchtelingen en Isis is ook niet langer een godin-heelmeesteres.

03-03-16

DUBBELGANGERS IN HET SPIEGELPALEIS

DSC_0249.JPG


Zal ik klagen of niet klagen, dat is de vraag. Het antwoord is dat gezeur geen zin heeft. Waar ik last van heb, hoofdpijn ’s morgens, lusteloosheid, vermoeidheid en dergelijke, doe ik mezelf aan. Het antwoord is dat ik naar buiten moet, onder de mensen, gesprekken voeren, naar concerten gaan, naar de bioscoop, theater, op café. Dat ik andere oorden moet opzoeken, reizen, mijn zorgen laten verdampen samen met de mist, ergens in een groots en troostend landschap. Of naar steden! Venetië, New York, Rome, Stockholm, Wenen (en de steden die ik bijna niet meer durf te noemen, zoals Boedapest, Praag, Krakau). Maar ik doe het niet. Ik blijf lekker thuis, wat lezen, wat schrijven, een film bekijken (op te klein scherm), wat liedjes beluisteren.

Andere jaren verbleven we in de winter een maand in Valle Gran Rey of Tazacorte, waar de lucht goed is en de mensen vriendelijk zijn. Altijd de nabijheid van de oceaan. Altijd het heilzame licht van de zon. Elke dag een stevige wandeling, ’s avonds vis en een glas witte wijn. Muzikanten op de kleine promenade, een jonge vrouw die op Janis Joplin lijkt zingt ‘Ol’ 55’ van Tom Waits.

Gisteren las ik in Knack een gesprek met kinderen, jongens van vijf tot vijftien die in trainingskampen alle technieken leren om 'ongelovigen' zo efficiënt en afschrikwekkend mogelijk te doden.
“Salem: 'Ze leerden ons hoe we wapens in en uit elkaar moesten halen en schoonmaken. En ook hoe we een explosievengordel moesten omdoen. Ze vertelden ons dat we naar het paradijs zouden gaan als we onszelf opbliezen. De mannen van het FSA (Vrije Syrische leger) waren kafirs, ongelovigen zeiden ze. Die moesten dood. Ook als er in onze familie mensen zaten bij de FSA moesten die dood, want dat waren ook ongelovigen.'”
Sandro_Botticelli_-_La_Carte_de_l'Enfer.jpg

Ik herlees ‘Aurélia of De droom en het leven’ van Gérard de Nerval. Het verhaal is een proeve van antipsychiatrie avant la lettre. Dat de verteller een aandoening die zich in de psyche voordoet 'ziekte' noemt vindt hij een vergissing, “want wat mijzelf betreft heb ik me nog nooit zo goed gevoeld. Soms dacht ik dat mijn energie en mijn activiteit verdubbeld waren; ik meende alles te weten en alles te begrijpen; de verbeeldingskracht bezorgde me grenzeloze verrukkingen.” ‘Aurélia’ is het verslag van een mystieke ervaring (of een psychose), van een aanval van wat nog niet zo lang geleden schizofrenie werd genoemd. De gespleten persoonlijkheid – bij Ronald Laing ‘the divided self’ – stemt overeen met het romantisch begrip van de dubbelganger. Ieder mens heeft een dubbelganger en wanneer hij hem ziet is de dood nabij. “Er schuilt in ieder mens een toeschouwer en een speler,” schrijft Nerval, “degene die praat en degene die reageert. De oosterlingen hebben daar twee vijanden in gezien: de goede en de slechte genius. Ben ik de goede of ben ik de slechte, vroeg ik mij af. In ieder geval staat de ander vijandig tegenover mij.”
0Félix_Nadar_1820-1910_portraits_Gérard_de_Nerval.jpg

Meer met de voeten op de grond maar even grote literatuur is ‘Jongensjaren’ van J.M. Coetzee, waar ik vandaag in begonnen ben. Literatuur als bewustzijnsverruimer en als geneesmiddel.

Gisteren ook nog een schitterend interview van Piet Piryns met Ilja Leonard Pfeijffer. Ik ken ‘de grote vriendelijke reus’ alleen maar van zijn gedichten. Nu ga ik zeker ook zijn proza lezen, met als startpunt ‘Brieven uit Genua’. Het hele gesprek is een plezier om te lezen, maar dit stukje, over authenticiteit, sprong er voor mij toch uit:
“Een van de grote consequenties van internet is dat het hele begrip authenticiteit problematisch is geworden. Daarom fascineert Facebook me ook zo, de verhouding tussen feit en fictie is een van de grote thema’s in al mijn boeken. Feit en fictie lopen steeds meer in elkaar over, ook in het dagelijks leven. Mensen kiezen in het restaurant bijvoorbeeld gerechten uit waarvan ze vermoeden dat die het goed zullen doen op Instagram. Facebook wekt de indruk dat het medium bedoeld is voor een ongegeneerd inkijkje in het dagelijks leven en dat het allemaal heel spontaan gaat, maar het tegendeel is waar: men is heel erg bewust bezig met de constructie van een identiteit en het creëren van een imago. Facebook is een spiegelpaleis van authenticiteit, waarin je kunt verdwalen.”

Feit en fictie als dubbelgangers, als elkaars spiegelbeeld, toeschouwer en speler, de goede en de slechte genius. Als we de technologie even wegdenken is er sinds Gérard de Nerval en de romantiek niet zo erg veel veranderd.

IDYLLEN.jpg

Afbeeldingen: La Gomera (Martin Pulaski, 2012); Sandro Botticelli, Kaart van de Hel; Gérard de Nerval (Félix Nadar).

01-03-16

HOOGSTE TIJD

heartworn2.jpg

Gisteren zag ik toevallig enkele fragmenten uit de film ‘Heartworn Highways’ van James Szalapski over de Outlaw Country-beweging in Texas en Tennessee. De documentaire werd pas in 1981 uitgebracht, maar de opnames werden al in de periode 1975-1976 gemaakt. In die tijd waren de protagonisten van ‘Heartworn Highways’, onder meer Townes Van Zandt, Rodney Crowell, Guy Clark en Steve Earle, nog onbekend. Steve Earle was pas twintig, zijn eerste volwaardige elpee, ‘Guitar Town’, zou pas in 1986 uitkomen. Van de drie of vier geziene uittreksels werd ik vrolijk en triest tegelijk. Een soort van opgetogen weemoed overviel me.
James Szalapski filmt in 1975 een uitgelaten ‘kerstfeestje’ ten huize van Guy Clark en zijn vrouw Susanna. Aanwezig zijn, naast de gastheer en -vrouw, Steve Earle, Rodney Crowell, Steve Young, Jim McGuire en enkele anderen. Hoewel alle gasten stevig gedronken hebben (en andere middelen gebruikt) zijn ze nog goed bij stem en bespelen ze hun gitaren en dobro’s met verve. Hoogtepunten zijn Steve Earle’s ‘Mercenary Song’, Guy Clark’s ‘Country Morning Music’ en ‘Stay a Litte Longer’, een duet van Steve Earle met Rodney Crowell. Het is duidelijk dat voor deze muzikanten het verleden en de toekomst niet bestaan: iedereen is in het nu. Wat niet zo ongewoon is bij dronkenschap en euforie, maar meestal bestaan er geen behoorlijke beelden – met klankband – van zo’n ‘nu’. Die euforie werkte bij mij aanstekelijk, maar zoals gezegd werd ik er ook triest van, waarschijnlijk omdat ik me niet in het ‘nu’ bevond maar in het ‘gisteren’, vier decennia geleden.

Waar was ik zelf op die kerstavond in 1975 en wat deed ik daar? Mijn herinneringen zijn grotendeels vervaagd. Ligt het aan een slecht werkend geheugen of aan de wil om te vergeten? In die tijd maakte ik vrijwillig géén foto’s: ik dacht dat ik over een fotografisch geheugen beschikte en me later nog alles zou herinneren. Ten minste, ik meen me te herinneren dat ik dat dacht.
Dit zijn enkele feiten. Ik was nog maar pas afgestudeerd, werkte bij boekhandel Corman in Brussel, woonde met A. in de Waterkrachtstraat in Sint-Joost, was arm en redelijk gelukkig. Als ik niet in de winkel stond schreef ik experimentele teksten en gedichten, vrijde uitbundig maar niet losbandig, ontmoette vrienden, dronk Jim Beam en Jack Daniels en rookte af en toe een joint (zoals de muzikanten in ‘Heartworn Highways’) en leefde, daar ben ik bijna zeker van, helemaal in het nu.
Mouchette5.jpg

Waaraan ik, naast seks en schrijven, het meeste plezier beleefde was film. We gingen twee, drie keer per week naar het Filmmuseum, nu officieel Cinematek, een benaming die ik weiger te gebruiken. Daar zagen we films die me in veel gevallen beter zijn bijgebleven dan de details uit mijn eigen leven. Een daarvan was ‘Mouchette’ uit 1967. Gisteren zag ik Robert Bresson’s meesterwerk opnieuw.
Wat vind ik het moeilijk om met redelijke argumenten aan te tonen dat het om een hoogtepunt uit de filmgeschiedenis gaat. Om het even welk adjectief is te schamel, te nietszeggend. Zelfs onredelijke argumenten hebben geen zin. Uitroepen, beledigingen, vloeken, gebral, gejubel… Net zomin als gelovigen kunnen bewijzen dat god bestaat kan ik aantonen dat ‘Mouchette’ beter is dan om het even welk ander meesterwerk - in om het even welke discipline. ‘Mouchette’ maakt je sprakeloos, brengt je op het randje van het catatonische. De film verandert je leven. Of stelt op zijn minst de vraag of het niet de hoogste tijd is om je leven te veranderen.

Van kerstavond, - nacht en –dag 1975 herinner ik me vandaag niets. Was er een feestje bij iemand, hadden we zelf iets georganiseerd? Wie zal het zeggen.
mouchette3.jpg
Afbeeldingen: Guy & Susanna Clark; Mouchette (Nadine Nortier).

 

28-02-16

VRIJE RADICALEN: ROBERT BRESSON, SAMUEL FULLER, MARGARETHE VON TROTTA

balthazar1.jpg
Vlucht ik weg in films of ga ik op zoek naar aanvullingen van mijn kleine werkelijkheid, naar verbeeldingswerelden die mijn ‘geestelijke’ woestijn vruchtbaarder zouden kunnen maken? Aan de groei van woestijnen valt evenwel niet te ontsnappen. Je brengt water naar de zee. De beelden die in je geheugen zitten opgeslagen, herinneringen, worden vervangen door die van filmkunstenaars als Robert Bresson, Samuel Fuller en Margarethe Von Trotta. Niet de verhalen blijven je bij (die vergeet je bijna meteen weer) maar de welsprekende beelden, en soms ook de associaties die ze oproepen, zoals de ogen van de ezel in Bressons ‘Au Hasard, Balthazar’ die van Jezus in ‘Het evangelie volgens Matteüs’ van Pasolini oproepen, en de verschijning van het meisje Marie, vertolkt door een betoverende Anne Wiazemsky, de verschijning in mijn leven van mijn jeugdvriendinnetje Henrietta. Zelden heb ik een fictief personage gezien dat meer indruk op me maakte. Twee personages eigenlijk: Balthazar de ezel en Marie het boerinnetje. Hoe is het mogelijk dat een film over niet veel meer dan een ezel zo mooi kan zijn, zo krachtig, ontroerend en ‘menselijk’ dat ik hem al na een eerste keer meteen een tweede keer wil zien?

shockcorridor12.jpg
Samuel Fullers ‘Shock Corridor’ is zowat het tegenovergestelde van een verhaal over een ezel. Bij hem ook de kracht van beelden, van licht en donker, al is zijn donker veel zwarter dan dat van Robert Bresson*. Fuller brengt het slagveld dat de Amerikaanse samenleving is in beeld. Een journalist die bereid is catatonisch te worden als hij maar de Pulitzerprijs wint; zijn geliefde, een prostituee, die in zijn verbeelding zijn zuster moet worden, om op die manier aan zijn incestverlangens tegemoet te komen; een blanke jongen uit het Zuiden, die in Korea verlokt wordt door het communisme maar zich daarna opnieuw ‘bekeert’ tot het kapitalisme en ten gevolge van die verwarring in een psychose terecht komt, waarin hij een Zuidelijke generaal is tijdens de Amerikaanse burgeroorlog; een psychotische zwarte man die denkt lid te zijn van de Ku Klux Klan en haatpropaganda tegen de zwarten verspreidt; een kernfysicus die zich gedraagt als een klein bang kind van zes; een bende nimfomanen die de ambitieuze journalist willen verslinden. Dwangbuizen, elektroshocks. En geen happy end.
bleierne-zeit1.jpg
Ook ‘Die bleierne Zeit’ van Margarethe von Trotta loopt niet goed af. Ook bij haar zijn de beelden belangrijker dan het verhaal. ‘Die bleierne Zeit’ vertelt een aantal episodes uit het leven van Gudrun Ensslin, nauwelijks gefictionaliseerd. Als ‘Balthazar’ ‘de idioot’ is, dan is dit ‘schuld en boete’. De film begint met een huiselijk tafereel, maar meteen daarop volgt de zelfmoord van Werner (in werkelijkheid Ensslins echtgenoot, Bernward Vesper, auteur van het verontrustende romanessay ‘Die Reise’). Vanaf dan zit je tot het einde, met de zelfmoord van Marianne Klein (in werkelijkheid Gudrun Ensslin) middenin de paranoia en de grauwheid van het Duitsland van midden de jaren zeventig en de terreur van de Rote Armee Fraktion. Die paranoia wordt niet op een hysterische manier getoond. Wat je ziet zijn sobere beelden. “De personages staan onbeschermd in een wereld die kaal is”, schreef Joyce Roodnat over ‘Die bleierne Zeit’. De terreur en de wraakroepende reactie daarop van de kleinburgerlijke Duitse politiek en media worden niet getoond. Je voelt die spanning in het dagelijks leven van Juliane Klein (vertolkt door een geweldige Jutta Lampe), de zus van Marianne, en zeker als de zusters elkaar ontmoeten in de streng bewaakte Stammheim-gevangenis.

Tijdens en na het zien van ‘Die bleierne Zeit’ zat ik te denken hoe moedig, sterk, waarachtig die twee vrouwen waren. In hun daden, in hun historisch bewustzijn, in hun woorden. Ongetwijfeld waren er veel meer zoals zij, ook mannen. Het werd me droef te moede dat er van al dat idealisme van die dagen – helaas soms verkeerd aangewend – zo weinig is overgebleven. Alleen al de kleinigheid dat de vrouwen het vanzelfsprekend vonden geen beha te dragen was in zekere zin revolutionair. Zeker bekeken met de ogen van iemand die in het heden leeft, tijd van de nieuwe preutsheid, de nieuwe zedigheid en de afschuw voor alles wat radicaal is.

Ja, films blijven ongetwijfeld aanvullingen van mijn kleine werkelijkheid, zoals mijn dromen correcties zijn van mijn dagen die ik abusievelijk kleurloos en vaak vervelend noem. Wat geschreven is,- ook door mij, die mezelf soms zo minacht, minderwaardig vind - is rijk, betekenisvol, zit vol lagen, verwijzingen, connotaties. Elk woord is een universum. Het komt erop aan het zien te schitteren in zijn tekstveld, in zijn tuin van tekens, veelkleurig of in de talloze nuances van zwart en wit en schuld en boete en verlossing.

GUDRUN ENSSLIN2.jpg

 

* Schitterend camerawerk van de Belgische cinematograaf Ghislain Clocquet

26-02-16

LIEFDE, CYNISME, KLEINE EN GROTE OORLOG

neko case3.jpg


Eerst de ergernissen. Wie is P.B. Gronda? Hoe lang zou hij nadenken voor hij aan een column begint? En hoe lang eraan werken? In zijn meest recente column in Focus Knack – de eerste die ik van hem lees, ik lees zelden columns – schrijft hij onder meer dat mensen niet van muziek houden voor de muziek en voetbalsupporters niet echt van de voetbalploeg waar zij supporters van zijn. Hij geeft enkele voorbeelden: Oasis, Sufjan Stevens, AA Gent en RSC Anderlecht. “Op een bepaald moment”, merkt Gronda op, “zodra de naam gemaakt is, zijn de liedjes van de band of de prestaties van het team van weinig tot geen belang meer. Het gaat vanaf dan meer over een positie in de maatschappij en het gevoel dat je eigen stem versterkt wordt door een grote machtige entiteit: een rijke voetballer en zijn club, een rockster en zijn band.” Het komt erop neer dat mensen van een bepaald soort muziek, van een bepaalde voetbalploeg houden om zich te definiëren, zich te onderscheiden van de anderen, wil Gronda zeggen, meen ik te verstaan. Wat een cynische psychologie, wat psychologisch cynisme. Moet ik werkelijk geloven dat ik niet echt van de songs en elpees van Tim Hardin, Patti Smith, Neko Case, Jeffrey Lee Pierce houd, dat hun muziek mij niet ontroert, dat het mij alleen om een attitude te doen is, om bij een bepaalde groep te horen en bij een andere dan weer niet. Daar geloof ik niets van. Ik geloof dat muziekliefhebbers echt houden van de muziek waar ze van houden, dat de liedjes van hun muzikale ‘helden’ diepe gevoelens bij hen oproepen, hen omzeggens betoveren. Bij voetbalsupporters gebeurt zeker iets gelijkaardigs, maar op een andere manier. Wel begrijp ik dat er meelopers zijn, maar om dat dan te gaan veralgemenen?

Bleri_Lleshi_liggend.jpg

Een paar dagen geleden zag ik auteur/filosoof Bleri Lleshi in De Afspraak – een min of meer onuitstaanbaar programma op Canvas – om er over de liefde te praten. Ik heb zijn boek, ‘Liefde in tijden van angst’, nog niet gelezen, weet hoegenaamd niet of het alleen maar over liefde als agape gaat, of ook over erotische liefde en liefde als vriendschap (en welke andere vormen van liefde er ook nog mogen wezen). Maar ik volg Lleshi in zijn stelling dat de liefde een afdoend antwoord is op de angst die de samenleving nu teistert. Jammer genoeg gaf de arrogante en ook al cynische presentator Bart Schols de schrijver geen enkele kans om zijn stelling te verduidelijken. “Onnozele idioot”, las ik in de lichaamstaal van de presentator, “wat kom jij hier over de liefde leuteren!” Zo vernederend en beledigend was dat, dat ik mij werkelijk zat te schamen. Nog een geluk dat de door het volk beminde psychiater Dirk De Wachter zich achter Bleri Lleshi schaarde. Zo kon ik dan toch met een enigszins rustig gemoed beginnen te kijken naar de wat bizarre film ‘The Shout’ (1978) van Jerzy Skolimowski.

HOPPER OFFICE IS A SMALL CITY.jpg

Gisteren bij IVD ging het over mijn toenemend ongemak wanneer ik me onder mijn soortgenoten begeef. Mijn onvermogen tot small talk. Pijnlijke stiltes, die minuten kunnen duren. Zelfs face to face, wat tot voor kort een genoegen was, worden gesprekken moeilijker, tenzij ik enkele glazen bier of wijn drink. Ik trek me terug in mijn ‘eigen’ wereld, maar welke wereld dat is en hoe hij eruitziet weet ik niet. Niet dat ik al actief banden aan het verbreken ben, maar ik onderhoud de vriendschappen niet, ik blijf in stilte wachten op een af ander teken. Ik praat met haar over depressie en zelfmoord in de literatuur. Daar las ik over in ‘Americana’ van Joost Zwagerman. Ernest Hemingway, Sylvia Plath, William Styron, David Foster Wallace, ze zijn met zovelen. ‘Darkness Visible’ van Styron heb ik destijds twee of drie keer gelezen. Ik herkende mij er gedeeltelijk in – maar ik leed toen zelf aan een depressie, veroorzaakt door een onhoudbare situatie op het werk. Mijn baas nam me een voor een mijn taken en verantwoordelijkheden af, waardoor ik op den duur hele dagen zat te niksen, terwijl ik ernaar snakte dat van mijn gaven, die ik zeker bezat, nuttig gebruik zou worden gemaakt. Dat is echter verleden tijd, vergeven maar niet vergeten. Zodra ik daar weg was, was de depressie ook weg.
Nu herken ik mij in een aantal karaktertrekken en attitudes - bij depressieve schrijvers - die Zwagerman in ‘Americana’ beschrijft. Kwetsbaarheid, niet kunnen omgaan met kritiek, met afwijzing, je in jezelf terug trekken, het gevoel hebben dat je geen gevoel meer hebt, dat niets je nog raakt, zelfs de mooiste muziek niet. Maar een depressie lijkt het nog niet te zijn. Ik sta vroeg op, geniet van het ontbijt, probeer te schrijven, lees verhalen en romans, ben nieuwsgierig naar waar de facebookvrienden mee bezig zijn en wil daar zelf ook dingen delen, kijk ’s avonds naar een film, drink een Rochefort, soms twee. Zo lang als het mogelijk is geen antidepressiva voor mij. Maar ik ben er niet zo gerust in. Het heeft ook niet alleen met mezelf te maken, integendeel. Terwijl ik dit schrijf worden mensen gefolterd, misbruikt, verkracht en gedood, worden steden en landschappen verwoest.
hemingway.jpg

A. vindt de stem van Patty Griffin irriterend, voor mij is ze echter rijk en expressief (niet aangenaam, of mooi, dat niet). Haar stem is die van het harde leven, je hoort er de pijn van de ziel in, verdriet, rouw; maar ze drukt ook hunker, lust, liefde uit. De muzikanten die haar begeleiden voelen elke nuance in haar stem aan en vertalen die naar hun instrumenten, borduren erop verder, en vervolmaken ze – elk in hun heel eigen stijl, wat je bijvoorbeeld hoort in hoe ze de snaren aanraken – tot er een song ontstaat die af is. Een song die, zoals een meanderende rivier in een Amerikaans landschap, perfect is ingebed in een album – in dit geval is dat het juiste woord. Album. Ik heb het over Patty Griffins ‘American Kid’.
PATTY GRIFFIN AMERICAN KID.jpeg

Afbeeldingen: Neko Case; Bleri Lleshi; Edward Hopper, Office in a Small City; Ernest Hemingway; Patty Griffin, American Kid.

24-02-16

OP ZOEK NAAR EEN VLAG DIE DE LADING DEKT

dagboek,journal,journaal,dagboeknotitie,kroniek,relaas,schrijfsel,aantekening,kenneth patchen,albion moonlight,henry miller,leuven,vriendschap,vriend,vriendin,boeken,sylvia plath,goncourt,george orwell,café,licht,pijn,verdriet,boosheid,gezelligheid,tekens,tekeningen,betekenis,begin,cultuur


Is het omdat ik herbegonnen ben met een soort van dagboeknotities dat ik gisteren drie dagboeken heb gekocht? Ik was in Leuven om er met een goede vriend enkele aangename uren door te brengen, pratend over de films die we onlangs hebben gezien, boeken die we hebben gelezen, en bijwijlen ook, als het niet anders kon, over politiek. Als ik in Leuven ben ga ik meestal even bij De Slegte binnen en soms ook bij Fnac. In Brussel is er al een tijd geen De Slegte meer, en de afdeling Nederlandstalige literatuur in de Fnac in de hoofdstad wordt elke dag wat kleiner. En zo kwam het dat mijn oog viel op de dagboeken van Sylvia Plath, Edmond en Jules de Goncourt en George Orwell.
De aankoop houdt met mijn eigen dagboeknotities geen verband. Mocht ik science-fiction schrijven of, om in mijn levensonderhoud te voorzien, Vlaamse pornofilmkens maken, zou ik deze werken ook aangeschaft hebben.
Overigens mag het wel duidelijk zijn dat mijn schrijfsels geen ‘echte’ dagboeknotities zijn. Indien dat wel het geval was zou ik ongetwijfeld schrijven over mijn vriend J. (met wie ik gisteren in Leuven een afspraak had), over hoe hij eruitziet, wat hij me vertelt, zijn fysieke conditie, de kleur van zijn jas, en zo meer; en ook zou ik het hebben over S. (bij wie we zondagmiddag op visite waren) en haar man en haar twee kinderen en de taartjes en de koffie en de kleur van de pas geverfde muren en de buren en zo meer. Wat ik duidelijk niet doe. Dus dit is geen dagboek. Maar wat is het dan wel?

Vorige nacht zat ik met R. en G. in een ouderwets café, zo een waar alle mogelijke soorten mensen iets komen drinken, een beetje zoals de Cirio maar beter verlicht en met minder pluche. We zaten aan het raam in het felle zonlicht. Al gauw zag ik dat R. ontevreden was over iets. Had ik iets verkeerds gezegd, was er iets mis met de kleur van mijn hemd? Ondanks het zonlicht was haar aangezicht in schaduw gehuld. Haar ogen, waar ik de glinstering en zachtheid in zocht die ik er altijd in zie, hadden iets hards gekregen, iets vijandigs. Weinig doet meer pijn dan de boosaardige blik van iemand die je als je beste vriendin beschouwt. Ze was echter nog niet bereid om te zeggen wat haar zo stoorde. Wel ging ze wat verder weg van me zitten, alsof ze al niet meer bij ons gezelschap hoorde, alsof ze zich al voor ons schaamde. ‘Kun jij nu nooit eens een plek kiezen die een beetje van deze tijd is, een beetje modern”, riep ze uit. “Want jij met je gezelligheid altijd!”.
kenneth patchen.jpg

Hoewel ik soms wat droomrafels onder woorden probeer te brengen is dit toch ook geen nachtboek. Ik heb al eens geschreven dat hoochiekoochie een ‘kroniek’ is, maar dat was bluf. Ik vond dat het woord goed klonk en de verwijzing naar Bob Dylans ‘Chronicles Volume One’ streelde mijn ego. Voor een deel dekken ‘kroniek’ en ‘relaas’ wel de lading. In het Engels heb je naast ‘diary’ ook nog ‘journal’. Misschien komen deze geschriften meer in de buurt van zo’n ‘journal’? Ik denk dan onder meer aan het waarschijnlijk al wat vergeten kleinood ‘The Journal Of Albion Moonlight’ van Kenneth Patchen. Over ‘Albion Moonlight’, het alter ego van Patchen, schreef Henry Miller dat hij “de meest naakte man [is] die ik ooit in de literatuur ben tegengekomen.” Kenneth Patchen brengt waarheidsgetrouw, onbevreesd verslag uit van het leven van zijn hoofdpersonage. Zo wil ik eigenlijk ook over mijn hoofdpersonage schrijven, het personage dat ik tegelijk zelf ben en niet ben. Ja, ‘Het dagboek van Albion Moonlight’ (titel van de vertaling door John Vandenbergh’) is een goed voorbeeld. Maar het woord ‘journaal’ is onbruikbaar. Weet je wat, ik zal het bij ‘aantekeningen’ houden. Daar kan ik alle kanten mee uit, zelfs die van de tekens en de tekeningen. Is onze cultuur niet begonnen met tekeningen?

[Als titel had ik eerst ‘Op zoek naar een vlaag die de landing denkt’, maar dat was wat vergezocht. Dat was weer ander proza.]
albion moonlight.jpg

 

23-02-16

DE GENIALE EN STIJLVOLLE GEDACHTEN VAN EEN DRONKAARD

polaroid 1983.jpg
‘Niets heeft meer weet van de dood’, ging hij door, ‘dan de zomerzon, het felle licht en de uitbundige natuur. Je ademt de lucht, je ruikt het bos, en je merkt dat bomen en planten zich niets van je aantrekken. Alles leeft en vergaat in zichzelf. De natuur is de dood…’

Cesare Pavese, De duivel op de heuvels

Gisteravond laat, voor het inslapen, herinnerde ik me weer de sfeer in Antwerpen in de jaren tachtig. Hele nachten in cafés, het buitensporig drinken, de vele lange gesprekken met vrienden, kennissen, onbekenden. Veel van wat ik zei als ik dronken was, was banaal, maar door de alcohol, door de roes kreeg het voor mij een diepere betekenis. Soms vond ik, geloof ik, mijn uitspraken haast geniaal. Terwijl ik ze uitsprak, niet daarna, als ze al neergedwarreld waren op een vochtige tafel of toog. En al helemaal niet als ik ontwaakte in de walgelijke bleke ochtend. Die eigendunk zal wel typisch zijn voor dronkaards die al eens een boek lezen of wat gestudeerd hebben. De drank heeft vooral mijn geheugen aangetast, besef ik al veel langer dan vandaag. Vandaar dat ik me die jaren tachtig in Antwerpen – en elders - ook maar vaag herinneren kan. Al die nachten ging ik op zoek naar iets, maar ik weet nog altijd niet wát.

Ik dacht terug aan de nostalgie van Cesare Pavese. Ook bij hem het nachtleven, maar zo verschillend van het mijne destijds, dat van hem zo bitterzoet en luchtig – en toch ook leeg, zinloos: er gebeurt niets in die nachten; het echte leven van zijn personages voltrekt zich overdag. Maar ook dan heeft het geen zin, geen toekomst. De gelukkige momenten zijn altijd al achter de rug en de herinneringen eraan bieden geen soelaas, integendeel ze maken de dagen zwaar. Veel beter is het te vergeten, te leven in een grenzeloos nu. Het verleden dien je zoveel mogelijk uit te wissen en je maakt best ook geen plannen voor de toekomst.

Ik benijdde Pavese om zijn stijl, om zijn eenvoud. Een stijl, een vorm die ik noodgedwongen moest missen, omdat ik voor ‘ander proza’ gekozen had. Of ‘ander proza’ had mij gekozen: het gebeurde immers onder druk van de tijdsgeest. Hoe de juiste vorm geven aan weemoed, vroeg ik me af, aan de lijdensweg van de uren in eenzaamheid doorgebracht, hunkerend naar iets dat je zou kunnen verlossen. Een kleinigheid of iets groots, dat wist je niet.
Je wist wel dat je het lijden niet mocht verheerlijken. Ondanks de mateloosheid van het experiment voelde je de noodzaak van soberheid, van naakte woorden en zinnen. Samuel Beckett, de late Sylvia Plath. Nostalgie, weemoed, melancholie mochten een rol spelen in je ‘teksten’, maar met mate. Bovendien: hoe kon je controle behouden over dergelijke stemmingen? Gingen zij niet telkens weer met je gedachten op de loop, en schreven zíj niet je gedichten en dromen van proza?

Toen je met schaamte terugdacht aan het belachelijk stukje dat je geschreven had naar aanleiding van de dood van Harper Lee en Umberto Eco viel je gelukkig in slaap. Maar niet voor lang.

 

agnes-didi-matti-patje.jpg

 

 

20-02-16

ORDE VAN DE DAG*

hail 1.jpg

Nu weer de oude vertrouwde onrustige slaap, met om het half uur wakker worden om te kijken of het nog geen half acht is. Het is nog maar drie uur, half vier, et cetera. Over dat patroon maak ik me minder zorgen dat over een lange, diepe slaap waaruit ik me maar met moeite los kan rukken. Mensen zijn vreemde wezens, niets menselijks is ons vreemd.

Een vriend liet me een onbekend lied van the Byrds horen. Het stond op een tape die uit een grote witte magical mystery box kwam. Daar zat nog ander materiaal in, onder meer palimpsesten, teksten die van achteren naar voor waren geschreven, mystieke traktaten, kosmische muziek. De song zelf was mooier dan om het even wat the Byrds ooit op plaat hebben gezet, mooier dan ‘Draft Morning’ en ‘Hickory Wind’. Hij klonk ook als een palimpsest, meerlagig, met zang en instrumenten die in sommige gedeeltes achterstevoren waren gemixt. Toch was het geluid helder, transparant (niet als glas maar als vleugels van grote witte vlinders in de zon). Het was de ‘typische’ sound van the Byrds, maar nog meer pastoraal, met nog meer hunker, met een duidelijk uitgesproken verlangen naar eenwording met de natuur, met het Al – en daar tegenover de melancholie die het gevolg is van de onmogelijkheid van zo’n eenwording. De verscheurdheid van de mens die alleen staat in de natuur, zoals een personage op een doek van Caspar David Friedrich. Een verscheurdheid die met veel schoonheid - tedere en etherische geluiden, harmonieuze zangpartijen – wordt uitgedrukt, niet met brutaliteit, niet met geluidsterreur. Het lukte me om hier en daar een woord van de achterstevoren geschreven tekst te ontcijferen. Ik besefte dat ik hier de sleutel kon vinden voor de deur naar een andere vorm van waarnemen en ervaren. Maar dan had ik geduld nodig en tijd.

0notorious.jpg

Het is erg mistig maar je voelt dat de zon er al door wil dringen. Nog even wachten voor ik de ramen open. Frisse lucht in deze kamers.

Het is niet goed als de patronen die je dagen bepalen een routine worden. De herhaling - van altijd dezelfde handelingen op dezelfde uren van de dag - is een kwelling, een koud vuur dat je opbrandt zonder dat je er erg in hebt. Herhaling en routine maken je oud en moe. Maar anderzijds heb je discipline nodig om te kunnen werken, om ‘geestelijk’** te kunnen leven. Chaos maakt je net zo goed kapot als orde. Is het mogelijk de ene dag chaotisch te leven en de andere gedisciplineerd, de ene dag als een anarchist de andere als een emotionele fascist (om eens een uitdrukking van Elvis Costello te gebruiken)?
0frances-mcdormand-as-c-c-calhoun.jpg

Na lang geaarzel en nietszeggende argumenten pro en contra dan toch naar de cinema. ‘Hail, Caesar!’ van de gebroeders Coen. Ik heb van al hun films genoten, van hun stijl, hun humor, hun dialogen, van alles. Het meest van al van ‘Fargo’, in mijn ogen een meesterwerk van zwarte humor. Soms doet het werk van de broers me wat aan dat van Mel Brooks denken. Maar heb ik destijds niet veel van Mel Brooks gehouden? De Coens doen het echter allemaal nog beter. Niet alleen de humor, de satire en pastiche maar ook en vooral het verbeelden (in beeld brengen) van de tijd, van specifieke tijdsperiodes. Van ruimte in de tijd, van locaties en personages. En er is bij hen niet alleen maar humor en satire maar ook drama, passie en zelfs tragedie. In ‘Hail, Caesar!’ sprak de eigenlijke intrige, het Christus-verhaal zal ik het maar noemen, mij meer aan dan de ‘fragmenten’ – elk in een specifiek genre, melodrama, musical, western, zwemfilm – die er zijn in ingebed. Het maakt mij niet uit of dat verhaal ernstig mag genomen worden of niet, voor mij is het een mooi voorbeeld van een kleine heroïsche strijd tegen corruptie, verleiding, bedrog, zelfverlies. Het is niet nodig om in Jezus, de duivel of god te geloven om geraakt te worden door een passiespel. De fragmenten, pastiches van Hollywoodgenres zoals die in het begin van de jaren vijftig werden gedraaid, vond ik bijwijlen minder geslaagd. Zeker de musical ‘No Dames!’ had beter gekund. Waarschijnlijk was het budget van de regisseur van de matrozenfilm wat te klein om zo’n dansnummer tot in de kleinste details te verzorgen. Het is zelfs mogelijk dat de gebroeders Coen het zo bedoeld hebben. Het meeste pret heb ik beleefd aan de vergadering met de geestelijken waarin over de aard van god en Jezus wordt geredetwist, aan de bijeenkomst van de communistische scenaristen en aan de stukjes met Scarlett Johansson (voor mij voor altijd het meisje uit ‘Lost In Translation’, nu wel erg grofgebekt), Tilda Swinton (voor altijd de echtgenote van David Bowie) en Frances McDormand (voor altijd een zwangere politieagente).
Ik ging ervan uit dat ‘Hail, Caesar!’ een film voor het zogeheten ‘grote publiek’ was. Maar gelukkig is dat niet het geval. Alleszins heb ik geen geur van popcorn opgesnoven.
0tilda-david3.jpg

Op televisie ging het over de uitverkoop van de Europese Unie, het bedriegen en uitpersen van de Belgische bevolking, vooral van degenen die het financieel of op ander gebied moeilijk hebben, de grote meerderheid dus, en over de gunsten, geschenken en privileges van ‘onze’ regering voor de superrijken. Walgelijk spektakel. Escapisme is een tijdelijke oplossing, maar wat meer en meer noodzakelijk wordt is actie. Dat we eindelijk op straat komen en onze woede uiten, dat we eindelijk deze verdomde regeringen naar huis sturen en mensen verkiezen die ons werkelijk en rechtstreeks vertegenwoordigen.

...


*Stemmingswisselingen iii
**’Geestelijk leven’, is er iemand die die uitdrukking nog gebruikt?
Afbeeldingen: Scarlett Johansson; The Notorious Byrd Brothers; Frances McDormand; Tilda Swinton & David Bowie.

 

19-02-16

STEMMINGSWISSELINGEN ii

0Rimbaud Henri_Fantin-Latour_005.jpg

In De witte raaf een interessant essay van Alain Badiou gelezen, ‘Het onbehagen van de zonen in de hedendaagse cultuur’, een soort van vervolg op ‘Het onbehagen in de cultuur’ van Freud. Badiou heeft het onder meer over de initiatie van de zonen, waarin hij drie mogelijkheden of perspectieven ontwaart: het perspectief van het perverse lichaam, het perspectief van het geofferde lichaam en het perspectief van het verdienstelijke lichaam. Geen van de drie mogelijkheden biedt een uitweg. Er vindt geen initiatie plaats (in de zin van een overgang, een aflossing, een wording). “Het is een door en door nihilistische ruimte, ook al moet het verdienstelijke lichaam dit nihilisme juist verhullen: we moeten doen alsof een carrière zin heeft. Een carrière moet het gat van de onzin vullen.”
Alain Badiou is zelf, uiteraard, geen nihilist. Hij ziet een uitweg, een toekomst. “Tegen het verdienstelijke lichaam dat kennis gebruikt om zijn carrière op te schroeven, kan het subject een echte vrije intellectuele uitvinding in stelling brengen, de belangeloze vreugde van de wetenschap en kunst, de idee die zich weigert te onderwerpen aan het financiële universum van de techniek.” Volgens Badiou had Rimbaud, ondanks zijn keuze voor de wereld van de handel, reeds een voorgevoel van die uitweg, hij wist dat er een andere kijk op de zoon en een andere initiatie mogelijk waren, een ander subjectiveerbaar lichaam, dat zich aan het lichamelijke drievoud van perversie, martelaarschap en en conformisme onttrok.
(Alain Badiou wijst er terloops op dat het de taak van de filosoof is om de jeugd te bederven. Terwijl ik altijd heb gedacht dat die opdracht was weggelegd voor rocksterren.)

0mick-jagger-performance2.jpg

Nog een koude, grijze dag, nu met winterse neerslag. Na lange tijd heb ik nog eens een dagboeknotitie publiek gemaakt. Mijn bedoeling is het om dit voortaan met regelmaat te gaan doen, ook als er niets te zeggen valt. Maar valt er niet altijd iets te zeggen – in een wereld die aan nietszeggendheid lijkt ten onder te gaan? Is dat voornemen een symptoom van wanhoop, van ontreddering? Zal het om een therapeutische werkzaamheid gaan? Ik denk het niet. Ik denk dat ik alleen maar wil zeggen: ik ben een mens, ik besta, ik leef. Mijn diepste verlangen is het dit mee te delen, niet alleen dat ik een mens ben, maar zeker ook de manier waarop ik dat ben. Hoe ik van de nood een deugd probeer te maken. Het is mogelijk dat ik mij afzonder om die opdracht, als ik het zo mag noemen, beter aan te kunnen. Misschien gaat het om een strategie, hoewel ik nooit geloofd heb in strategisch denken en handelen.

Het is altijd een lange tocht naar IVD. Voor haar kom ik nog graag buiten, ook al kost zij me redelijk veel geld. In oktober 2012 heeft ze mogelijk mijn leven gered. Neen, dat heb ik zelf gedaan; nog voor het te laat was heb ik haar gebeld. Of ik mocht komen? Alleen door ja te zeggen heeft ze mijn leven gered. Hoewel ik helemaal geen zin had in zelfmoord en het waarschijnlijk ook zonder haar niet zou hebben gedaan. In Brussel gebruik maken van het openbaar vervoer is weer gewoon geworden. Je denkt al een tijdje niet meer aan gevaar, aan mogelijke aanslagen. De politie in je straat patrouilleert omdat er vanavond een voetbalmatch wordt gespeeld, niets om over naar huis te schrijven. Aan Simonis moet je in de koude wind op bus 13 wachten, de ongeluksbus. Van de verhoogde frequentie die was beloofd merk je niet veel. Dan veertig minuten praten, meestal met de ogen toe. Nu en dan kijk je haar aan. Wil je je ervan verzekeren dat ze niet ingedut is?

Al een paar dagen slaap ik diep en lang. ’s Morgens is het moeilijk om uit bed te komen. Ik zit slaperig en met een ochtendhumeur aan het ontbijt. Dat is nieuw. Tot voor kort werd ik voor dag en dauw wakker en stond dan meteen op. Het had geen enkele zin om te blijven liggen. Het vreemde is dat die lange en diep slaap de vermoeidheid niet wegneemt, integendeel. Maar ik wil er niet te veel belang aan hechten. Het is iets waar je mee moet leven. De ene slaapt zus, de andere zo. Er is geen enkele theorie daarover die deugt.
0thebraineaters.jpg

Ik moet het nog hebben over hoe ik ertoe gekomen ben om opnieuw dagboeknotities te gaan publiceren. Maar dat gaat nog niet. Het houdt verband met wat me in 2011 is overkomen, hoe die gebeurtenissen mijn leven voor altijd hebben veranderd. Dat heb ik pas enkele dagen geleden ten volle ingezien. Het heeft met die veertien dagen coma te maken. Het heeft lang geduurd eer ik weer kon denken, mijn gedachten formuleren, woorden vinden, zinnen maken. Ik heb nooit goed kunnen denken (en wat is goed denken eigenlijk?), maar sinds 24 mei 2011 is het heel lastig geworden. Er zijn geloof ik dagen dat ik helemaal niet denk. Lege dagen, noem ik ze. Maar natuurlijk zijn ze helemaal niet leeg. Er gebeurt gigantisch veel, doodgewone dingen, catastrofale dingen.

In verband met de arrestatie van El Chapo beweert Roberto Saviano het volgende. “… de criminele economie is de winnaar, de totale opbrengst van de drugseconomie bedraagt ongeveer 300 miljard dollar. Als we over de bosses spreken, hebben we het dus niet over randfiguren, maar over de hoofdrolspelers van de wereldeconomie.” Joaquin ‘El Chapo’ Guzman, dat is pas een verdienstelijk lichaam.

“En toen werd ik verdrietig omdat het tot me doordrong dat je mensen nooit meer kunt repareren als ze eenmaal kapot zijn, en dat niemand je dat ooit vertelt als je jong bent en dat je er altijd weer door wordt verrast naarmate je ouder wordt en je ziet dat de mensen in je leven één voor één kapot gaan. Je vraagt je af wanneer je zelf aan de beurt bent, en of dat misschien al gebeurd is.” Dat las ik in Douglas Couplands ‘Leven na God’, uit 1994. Zou ik dat boek niet eens herlezen (maar dan in het Engels)?

 

18-02-16

STEMMINGSWISSELINGEN

zulawski isabelle adjani.jpg

Het is koud en zonnig en ik ben eens te meer moe. Naarmate de dag vordert neemt de vermoeidheid toe en ga ik me koortsig voelen. Als zo vaak maak ik me zorgen over mijn gezondheid. Dat doe ik al ongeveer mijn hele leven lang, maar het wordt erger. Wat me hoegenaamd niet verbaast.

Emmanuelle Béart werkt aan de chansons van haar vader, Guy Béart. Ze is ‘on the road’, waarom weet ik niet, en legt zich bij dat lot neer.

A. en ik maken uitvoerig plannen om naar de cinema te gaan, maar zullen we het ook doen? Het kost mij hoe langer hoe meer moeite om de deur uit te gaan, niet vanwege de kou, veeleer vanwege de boeken, de muziek en de stilte. De voorkeur geven aan een soort van ‘heilige’ ruimte, terwijl daar buiten alles ten onder gaat.

Andrzej Zulawski is dood. Ik herinner me twee grandioze, pathetische, ronduit romantische films van hem: ‘Possession’, met een zichzelf overtreffende Isabelle Adjani, extreem intens, en ‘L’important c’est d’aimer’ met een hartverscheurende Romy Schneider en in nevenrollen Jacques Dutronc en Klaus Kinski. ‘La Femme Publique’ zag ik ook, lang geleden: ik herinner me banaliteiten, een mislukking. Valérie Kapriski, aantrekkelijk en voluptueus maar talentloos. Ik ga nog een keer op zoek naar foto’s van de bezeten Isabelle Adjani. Veel blauw en de rode kreet van haar bloed, het wit van de melk. Haar copulatie met een monster. Wat is dat monster? Het kwaad, de hele wereld die ons op de hielen zit? Beter ermee te copuleren dan ervoor op de vlucht te gaan? Ik zou de film opnieuw moeten zien. Vaarwel Andrzej Zulawski.

muntzer.jpg



Ik lees W.G. Sebalds ‘Naar de natuur’, werkelijk een hoogtepunt van schrijfkunst, met niets of niemand vergelijkbaar, maar op dezelfde hoogte als Kleist, Hölderlin en Rimbaud. Ik voel geen behoefte om werken van Grünewald, die in het eerste deel van het drieluik opduikt, te gaan opzoeken: Sebald heeft er woorden van gemaakt, zinnen, Grünewald komt in zijn taal tot leven. Hetzelfde voor ‘bijrollen’ als Thomas Müntzer (hoewel ik over hem weer wil gaan lezen). Het tweede deel, ‘Ik ging wonen aan het uiterste der zee’, neemt Sebald je mee op een helse reis naar de Beringzee. Onderweg vang je glimpen op van ongeveer de hele menselijke geschiedenis, van de korte en tragische aanwezigheid van de mens op deze planeet. Alles bij Sebald is catastrofaal, maar zijn tovenaarskunst biedt, net zoals de gedichten van Hölderlin, een uitweg. In het derde deel, ‘De duist’re nacht vaart uit’, is Hölderlin écht aanwezig. “En als klimop, schreef Hölderlin, / hangt takloos de regen omlaag.” Een van de mooiste en griezeligste vergelijkingen die ik ooit las is deze: “vliegtuigen, de grijze broeders van de oertijd”.
Sebalds meesterwerk, ‘Austerlitz’, is waarschijnlijk een emanatie van de passage die met deze twee zinnen begint, “Meneer Deutsch, / uit Kufstein afkomstig, / was in achtendertig als kind / naar Engeland gekomen. / Veel kon hij zich niet meer / herinneren; sommige dingen kon hij / niet meer vergeten.”

Zo is mijn dag toch niet helemaal leeg en nutteloos geweest, in weerwil van vermoeidheid, angst en kleine rouw.

marie et julien.jpg

Afbeeldingen: Isabelle Adjani in 'Possession'; Thomas Müntzer; Emmanuelle Béart in 'Histoire de Marie et Julien' (Jacques Rivette).

20-01-16

JUST LIKE DAVID BOWIE

G._Gordon_Liddy_c_1964.jpg

Dat mijn treurnis over de dood van David Bowie blijft voortduren verontrust me. Is het ‘normaal’ dat je rouwt om iemand die je niet hebt gekend? Gaat het om narcisme? Om identificatie en bijgevolg om verdriet over de eigen dood (of op z’n minst de eigen sterfelijkheid)? Vragen die ik niet kan en eigenlijk ook niet wens te beantwoorden. Al dat gepsychologiseer vermoeit me alleen maar, terwijl ik meer dan ooit energie nodig heb. Hoe kom ik anders door deze donkere dagen?

Dat er in de vroege jaren zeventig sprake was van een sterke identificatie met David Bowie, of met de voorstelling die ik me van hem maakte, vermoedde ik al langer. Gisteren vond ik er een bewijs voor. Ik schreef destijds (1973-1974) liedjes. Niet echt afgewerkte songs, meer schetsen; niet veel meer dan surrealistische teksten en enkele akkoorden. Bij sommige liedjes had ik een melodie, herinner ik me, een melodie die ik niet meer kan achterhalen. Tijdens een geïnspireerde nacht in de Dolfijnstraat – omstreeks 1977 - heb ik een deel van de songs opgenomen met zo’n ouderwetse bandopnemer. Die ik had ik geleend van mijn vriend en buur Leo S. Waar de tapes naartoe zijn weet ik niet, waarschijnlijk verloren gegaan toen ik van Antwerpen naar Brussel verhuisde. Gisteren stelde ik tot mijn verbazing vast dat ik een van de liedjes(teksten) ‘Just Like David Bowie’ als titel gaf. Ik ben niet bepaald trots op mijn schepping en weet ook niet waarom ik ze heb overgetypt. Is het een onderdeel van mijn rouwproces? Ik heb er enkele woorden aan veranderd: flagrante fouten en een paar idiotieën.

ziggystardust.jpg


"JUST LIKE DAVID BOWIE

Invitation for an obligation
      a small sensation
revolutionary brothers I gave up
      a notorious bunch
throwing bombs before the embassy
      of Pigman’s Land (where is it really?)
Gordon Liddy an enemy he screams
my black brother balls his fists
it’s a talked about party
      it really is but you could die
doctor d will lose his dream
all the redheaded suckers will
      get his shoes
I will love but there’s only holes
seasons of saturation
      (she’s searching for a game
      a pious teacher reads his poems
      but Mary she’s like Faust)
blind body of him goes up in smoke
they torture it with wine
      & someone sings a raging song
another one weeps with lotsa noise
came down from Jerusalem
      flashy & dressed up in white
      (Jackie Wilson’s tryin’ to take off his
      clothes but he shouts and screams
      and jumps in a yellow cab
      crawls through the window
      - roses rain down
                        but they all take him for the wrong man)

the building rose higher
our feet were on fire
      - I rapped about andré gide
                        but I got so stoned out of my mind
                        that only too late I realized I was talkin’
                        to a Sicilian nun & I started to puke)
the music was fast
& the groovies thought it was rock and roll
      but the poet’s muse wouldn’t come
because the chimney was filled with junk
      and I cry now for their souls all did die
      my sword was thin
      but my last word was truth

1973-1974"

justlikedavidbowie 001 (2).jpg

12-01-16

FASCINATION: DAVID BOWIE

davidbowie-earth1.jpg

Net zomin als ik meteen na de dood van Lou Reed waardige, glansrijke woorden vond om afscheid van hem te nemen kan ik dat nu na het verscheiden van David Bowie. Miljoenen van zijn fans maken hetzelfde mee; hun verbijstering en sprakeloosheid is in zekere zin een troost. Een troost is ook dat wij, hoe artificieel het ook mag wezen, ons verdriet met elkaar kunnen delen. "While troubles are rising / We'd rather be scared / Together than alone". Terneerdrukkend is dan weer de vele onzin, de onnauwkeurigheden en flagrante fouten die ik in op maat gemaakte in memoriams lees (en probeer dat niet te doen).

Vergeef mij dat ik deze zeer subjectieve en magere beschouwingen toch ter lezing aanbied. Ik kan niet anders, ik moet.

Het enige wat mij gisteren lukte, na enige uren voor mij uit te zitten staren, was een kort gedicht. Nee, niet eens een gedicht, een treurstukje, een naïeve en kinderlijke poging om David Bowie uit zijn schuilplaats te lokken. Zonder resultaat. De Britse dichter Algeron Charles Swinburne schreef het al (en hij was niet de enige):

That no life lives for ever;
That dead men rise up never

Alles aan David Bowie was me dierbaar, zij het met onderbrekingen. Ik leerde zijn muziek kennen in een wazige, op elk gebied troebele, chaotische maar ook euforische tijd. Daardoor herinner ik me niet meer zo goed hoe het avontuur begon. Met ‘The Rise And Fall Of Ziggy Stardust And The Spiders From Mars’? Of met de Amerikaanse RCA-versie uit 1972 van ‘The Man Who Sold the World’? Het heeft weinig belang: beide langspeelplaten maakten een verpletterende indruk op me.
Aanvankelijk hield ik niet zo van David Bowie. Een goede vriend van me had me circa 1970 de elpee ‘David Bowie’ - die soms ook ‘Space Oditty’ heet - laten horen: die vond ik te bombastisch en te zweverig. Ik luisterde in die dagen naar Bob Dylan, the Rolling Stones, the Velvet Underground, Johnny Winter, the Grateful Dead, Johnny Cash en Neil Young. ‘Space Oddity’ paste niet in die sfeer. Alleen de single ‘Space Oddity’ viel in de smaak. Als ik de elpee nu beluister klinkt ze lang niet meer zo bombastisch, maar geslaagd vind ik ze nog steeds niet.
davidbowie hunkydory.jpg

Vermoedelijk na het verschijnen in 1972 van Lou Reeds ‘Transformer’, die Mick Ronson en David Bowie produceten, begon de echte fascinatie. De dagen die ik doorbracht met ‘Ziggy Stardust’ – alle songs – en ‘The Man Who Sold the World’ – alle songs – waren opwindend, betoverend… Neen, die woorden volstaan niet. Ik kan de sfeer die in onze muziekkamer hing en die me helemaal doordrong, lichamelijk en geestelijk, niet benoemen. Het gaat niet. Het volstaat ook niet om nu naar die magische platen te luisteren: de gevoelens en emoties die ze opriepen komen nooit meer terug. Ik herinner me dat mijn kleine wereld in een theater veranderde waar veel meer mogelijk werd dan ik ooit vermoed had. Dankzij ‘Transformer’ en de twee platen van David Bowie werd ik sterk, onoverwinnelijk, en in zekere zin ook meedogenloos. Dat ik me in dezelfde periode in Nietzsche verdiepte en antipsychiatrie bestudeerde zal daar ook wel toe bijgedragen hebben. Songs als ‘The Width Of A Circle’ en vooral ‘All the Madmen’ drukten heel goed die tijdsgeest uit. Overigens lazen mijn vrienden en ik in die dagen Kahlil Gibran, een ‘profeet’ waar Bowie eveneens naar opkeek. Wat wij in die hele Kahlil Gibran zagen is me nu een raadsel. De leermeesters van de antipsychiatrie, Ronald Laing en David Cooper, blijven echter waardevol.

Omdat ik weinig geld had duurde het enkele maanden voor ik me ook ‘Hunky Dory’ kon aanschaffen, een album dat al in 1971 was uitgekomen. Van de beginperiode vind ik dat het hoogtepunt, hoewel ik voor die voorkeur geen muzikale of tekstuele argumenten kan aanreiken. Hoewel. Er staan schitterende songs op, dat zeker. En kant twee is perfect. Heeft de begenadigde zanger ooit betere songs geschreven en gezongen dan ‘Life On Mars?’, ’Andy Warhol’, ‘Song For Bob Dylan’ en ‘The Bewlay Brothers’?

Ook 1973 was voor mij nog een David Bowie-jaar. ‘Pinups’ blijft voor altijd een van de meest overtuigende cover-elpees. Perfecte keuze van swinging sixties en psychedelia, perfecte uitvoering, met als hoogtepunt ‘Sorrow’, dat ik kende in de versie van the McCoys. Daarna de waanzinnige vloedgolf die ‘Aladdin Sane’ heette, androgynie en antipsychiatrie ten top gedreven. ‘Panic In Detroit’, ‘Time’ met de cabaretpiano van Mike Garson, en Bo Diddley op amfetamine in ‘The Jean Genie’, met voor de liefhebbers verwijzingen naar de dief Jean Genet. (Lees Patti Smith’s M Train voor mooie verhalen over Jean Genet.)

Waarom hield mijn bewondering voor David Bowie in 1974 op? Heel zeker weet ik het niet, maar ik denk dat ik stilaan genoeg kreeg van rock. Ik werd ‘sick of all this repetition’ en ging me in jazz en klassieke muziek verdiepen. Trouw bleef ik zeker wel aan Bob Dylan, John Cale, Syd Barrett, Captain Beefheart en Alexander Spence.
david_bowie_-_1977_low.jpg

1977 was een keerpunt. Opeens hoorde je op de radio the Clash, the Sex Pistols, the Buzzcocks, herrieschoppers - een nieuwe muzikale revolutie. Bowies ‘Rebel, Rebel’ - uit ‘Diamond Dogs’, 1974 - was opnieuw relevant. We gingen weer elk weekend dansen, extatischer dan ooit tevoren. Punk rock, rockabilly, reggae, elektronica. Een hoogtepunt op de dansvloer was de single ‘”Heroes”’. De gelijknamige elpee van Bowie - de zanger woonde nu in West-Berlijn en werkte samen met Brian Eno - was het hoogtepunt van dat jaar. Ik was werkloos en arm, maar ging toch op zoek naar wat ik gemist had. Zo vond ik in de tweedehandsbakken ‘Station To Station’(1976), wellicht als geheel zijn meest geslaagde album en ‘Low’ (ook uitgebracht in 1977). ‘Low’ is de eerste plaat die ik gisteren heb opgelegd. Een meesterwerk, zowel de bijna traditionele songs op kant één als de abstracte soundscapes op kant 2. Ik geloof dat ik bij Matti Piucci las dat de B-kant van ‘Low’ hopeloos verouderd is. Wat een onzin. Kant 2 van ‘Low’ is nagenoeg perfect. Is ‘Lodger’, deel drie van wat de Berlijnse trilogie wordt genoemd, minder goed? De plaat is niet zo experimenteel als de twee andere, maar naar mijn mening hoort ze desondanks bij Bowies betere werk. Wat een uitstekende en avontuurlijke musici zijn hier aan het werk! Luister nog een keer naar ‘Repetition’, waar ook een mooie cover van bestaat door the Au Pairs. “What’s the good of me working / When you can’t damn cook”.

davidbowieeno_fripp.jpg

In 1980 verraste David Bowie ons met een “commerciële” rockplaat, ‘Scary Monsters and Super Creeps’. Het is de elpee van de betreurde zanger die ik het meest heb gedraaid. Er was een tijd dat ik alle teksten uit het hoofd kende. Helaas zijn alleen van ‘Teenage Wildlife’ wat flarden blijven hangen. Of misschien maar goed ook, want ik zing even vals als Bowie zelf in een scène van de film ‘The Man Who Fell To Earth’. De fraaie cover van Tom Verlaine’s ‘Kingdom Come’ is mooi meegenomen, een fijn voorbeeld van David Bowies generositeit. Ook weer heel veel gedanst op ‘Fashion’ en ‘Ashes To Ashes’.

Wat mij betreft is ‘Let’s Dance’ uit 1983 David Bowies – voorlopig - laatste grote album. Het is zijn meest toegankelijke werk, zijn vrolijkste ook, maar gelukkig hoor je trieste ondertonen. Vrolijkheid zonder verdriet is leugenachtig. De productie van Nile Rodgers is kristalhelder, het gitaarspel van Stevie Ray Vaughn economisch en expressief. Op ‘Let’s Dance’ staat mijn uitverkoren Bowie-nummer: ‘Without You’. Ook toen Bowie nog leefde kreeg ik er vaak de tranen bij in de ogen.
davidbowieletsdance.jpg

Altijd ben ik naar de muziek van David Bowie blijven luisteren. Maar wat na ‘Let’s Dance’ is uitgekomen heb ik niet meer gevolgd. Vanaf 1982, toen ik met mijn eerste radioprogramma ben begonnen, ben ik me meer en meer gaan verdiepen in muziek uit het verleden, zij het met veel aandacht voor nieuwe bands en singer-songwriters. Op dezelfde manier ben ik aandachtiger gaan luisteren naar opnamen van Bowie die ik nog niet zo goed kende, onder meer naar het sublieme blanke soulalbum ‘Young Americans’ – waarvoor hij samenwerkte met Luther Vandross - en naar de liedjes uit het prille begin, zoals het wondermooie ‘You’ve Got A Habit Of Leaving’, met Nicky Hopkins op piano, en ‘London Boys’. Nieuwe releases echter gingen aan me voorbij. Daar zal wel een reden voor bestaan, maar ook die ken ik niet. Wel zag ik gisteren op BBC Bernard Sumner van Joy Division/New Order met zijn mond vol tanden staan toen hem gevraagd werd wat hij dacht van Bowies oeuvre na 1990. Zelfs met de titel van ‘The Next Day’ had hij het moeilijk. Zo hoef ik mij er niet al te erg voor te schamen dat ik mijn David verwaarloosd heb tot ik ‘Where Are We Now?’ hoorde. Was dat in januari 2013 dat ik zo heb zitten huilen? Ik dacht dat David Bowie ziek was, dat hij ging sterven. Zo triest was dat lied. Maar buitensporig mooi en nostalgisch. Ik kon niet anders dan op zoek gaan naar sporen van de geniale performer in Berlijn. Die heb ik er in september vorig jaar gevonden. In het huis waar ik logeerde lag dezelfde traploper als in dat waar David Bowie en Iggy Pop hebben gewoond. In mijn verbeelding was mijn oude held weer jong en springlevend. Ik had the Lodger nieuwsgierig en levenslustig door de Berlijnse straten zien lopen. Zelfs dacht ik hem in een van de aanwezigen bij een concert van Ryley Walker in de Privat Club te herkennen.

Vanaf morgen ga ik mij overgeven aan ‘Blackstar’. Ik weet nu al dat ik in weer een andere wereld zal aanbelanden. Een wereld die geen theater zal zijn, waar ik niet als een sterke, onoverwinnelijke en enigszins meedogenloze man zal ronddwalen. Ik denk dat ik de wereld van ‘Blackstar’ al ken. Maar met David Bowie weet je het nooit zeker. Een ding staat vast: David Bowie veranderde misschien aan de oppervlakte, in de diepte bleef hij zichzelf, een en al emotie en fascinatie, een en al levenslust.
davidbowiejong.jpg

Somebody up there likes me



Ik heb het hier niet gehad over soundtracks, singles, live-platen, video’s, films (waaronder een van mijn lievelingsfilms, ‘The Man Who Fell To Earth’ van Nicolas Roeg, met David op z’n allermooist), theater, performance. Jammer. En laat Bob Dylan nu maar een ‘Song For David Bowie’ schrijven.

Ook interessant: David Bowies honderd favoriete boeken.

 

 

 

05-01-16

EEN JAAR LEZEN

modiano-hardy.jpg

Lang geleden dat ik nog eens een leeslijst heb gemaakt, waarschijnlijk omdat ik al een aantal jaren zelfs de titels van de boeken (en de namen van hun auteurs) die ik las niet meer noteerde, of bij uitzondering en zeker niet op één plaats. Vandaag heb ik het nog een keer geprobeerd. Aangezien er in 2015 in mijn agenda veel plaats was heb ik daar elke dag bijgehouden wat ik aan het lezen was. Omdat ik aanneem dat er dit jaar in die agenda nog meer plaats zal zijn, zal ik veel meer moeten gaan lezen. Films zien is ook een optie: die noteer ik eveneens opnieuw. Ik weet niet of het met mijn lectuur te maken heeft dat ik zo weinig mensen zie, maar het zal wel een rol spelen. Over boeken praten wordt sowieso nog maar weinig gedaan, denk ik, en over de boeken die ik toevallig lees nog minder. Waar praten de mensen over? Ik weet het niet.

Wat ik ook niet weet is wat mij ertoe aanzet om het ene boek wel te lezen en het andere niet. Sinds mensenheugenis verzet ik mij al tegen de markt, tegen televisieschrijvers, tegen radioschrijvers, tegen verkoopscijferschrijvers, tegen salon- een beurzenschrijvers. Ik zoek degenen op die in het donker werken, of die ziek zijn, ongelukkig, boos. En vooral de doden. Ik koester de doden en de stervenden. Schoonheid is sterker dan de tijd. Bloeddorstige barbaren mogen De Stad van Duizend Zuilen plunderen en vernietigen, ze mogen elk spoor van beschaving en religie uitwissen, de woorden in de bijbel en de koran en in zoveel andere religieuze boeken krijgen ze niet stuk. En niet alleen woorden die naar men beweert een goddelijke oorsprong hebben blijven springlevend: gelukkig voor ons, ongelovige honden, zijn er ook seculiere boeken die weigeren te sterven.

Schrijvers die alleen maar succes hadden en weinig of geen talent dringen zich gelukkig niet aan ons op. Alleen de grootsten trotseren de eeuwen. Daar gaat mijn voorkeur naartoe. Niet alleen naar de grote grootsten, ook naar de allerkleinste. Gelukkig gebeurt het af en toe dat zo’n kleine grote schrijver, die in zijn tijd geen bijval had, opnieuw van zich laat horen. Er bestaan ongetwijfeld lezers en literatuurliefhebbers die de gave bezitten om zulke schrijfkunstenaars op hun deur te horen kloppen. Als die bescheiden schrijvers daar al de moed toe hebben. Mogelijk fluisteren zij de ontdekkingsreizigers van de literatuur alleen maar iets toe in hun droomoren. Tot mijn spijt overkomt mij dat niet. Mij wordt nooit iets in het oor gefluisterd en als er op mijn deur wordt geklopt barricadeer ik ze.

Ik denk dat ik me nog steeds door het toeval laat leiden. De naam van een schrijver klinkt mooi, of een titel spreekt tot mijn verbeelding. Misschien heb ik er iets over gelezen en heb ik dat – ondanks mijn weerzin van recensies – onthouden. Mijn studies spelen eveneens een rol: die intellectuele achtergrond bepaalt natuurlijk voor een deel mijn keuze. Ik lees weinig pulp en onzin is aan mij meestal niet besteed. Meestal. Wat ik lees moet een hogere waarde hebben, moet bijdragen tot de ontwikkeling van onze soort. Ik heb gelukkig nog enkele vrienden. Hun aanbevelingen zijn me dierbaar. Daar houd ik bijna altijd rekening mee. En ik blijf trouw aan de schrijvers die ik ooit heb uitgekozen. Ian McEwan is daar een voorbeeld van. Ik lees hem al van in het begin, van toen hij nog quasi onbekend was. In 1978 trok zijn tweede verhalenbundel, ‘In Between the Sheets’ meteen mijn aandacht. Niet alleen door de titel, die verwees naar een liedje van the Rolling Stones (‘Live With Me’, op ‘Let It Bleed’) maar ook door de foto van het half blote meisje op de kaft. Nu kan een bloot meisje op een kaft mij niet meer verleiden, integendeel, maar in 1978 nog wel. Overigens is Ian McEwan vandaag een ernstige schrijver: geen naakt meer op zijn omslagen. En ik blijf hem trouw en zijn boeken blijven goed. Overigens vond ik zijn reactie bij de lafhartige moordaanslagen op Charlie Hebdo van een redelijkheid getuigen die ik bij weinig anderen, mezelf incluis, aangetroffen heb.

En Patrick Modiano dan, dat is toch een Nobelprijswinnaar? Ja, dat is zo. Mag ik mezelf tegenspreken? Moeten we altijd consequent zijn? Bovendien betwijfel ik of Modiano veel inspanningen gedaan heeft om die prijs te winnen. Hij is gewoonweg zichzelf gebleven, van helemaal in het begin. Of liever: hij is in zijn werk meer en meer zichzelf geworden, geworden wie hij in het begin al was. Hij heeft los van elke stroming, trend, maatschappelijke context, aan een schitterend oeuvre gewerkt. Zijn werk is een variant op de recherche van Marcel Proust. Of Modiano de verloren tijd ooit terugvinden zal durf ik echter te betwijfelen. Al zijn personages zijn voor altijd verloren, zowel in de ruimte als in de tijd. Patrick Modiano is de auteur die mij in 2015 het meest heeft weten te bekoren en betoveren en dromen. Door hem ben ik nog veel meer van Parijs gaan houden dan ik al deed. Op zaterdag 14 november heb ik een hele voormiddag zitten huilen, niet alleen omdat mijn zoon in Parijs woont, maar ook omdat ik het gevoel had dat ik zelf een Parijzenaar was geworden, een van die melancholische schimmen uit de romans van Patrick Modiano, schimmen van vlees en bloed, personages waar ik mezelf zo goed in herken.

Gelukkig was er na de terreur en de lockdown in Brussel ‘M Train’ van Patti Smith. Dat schitterend boek heeft me geholpen om me door die vreselijke dagen te worstelen en heeft mijn horizon opnieuw verruimd: er zijn goede mensen, er zijn kunstenaars, muzikanten, mensen die liefhebben, hartstochtelijke mensen, mensen die oplossingen zoeken, die elkaar willen helpen in plaats van elkaar de duivel aan te doen, mensen die leven voor schoonheid, mensen die het grote in het kleine zien. Mensen die zeggen: de andere, dat ben ik. En er is nog altijd koffie. Dat heb ik ook van Patti Smith geleerd.
A-Sport-And-A-Pastime.jpg


Patrick Modiano, In het café van de verloren jeugd

James Salter, Light Years

Walter Benjamin, Maar een storm waait uit het paradijs

Robert Stone, Prime Green: Remembering the Sixties

Patrick Modiano, De stad van de donkere winkels

Patrick Modiano, Zondagen in augustus

Ana Teixeira Pinto (red.), The Reluctant Narrator

Hans Lodeizen, Gedichten

Patrick Modiano, Uit verre vergetelheid

Patrick Modiano, Verloren wijk

Patrick Modiano, Aardige jongens

Evelyn Waugh, Een handvol stof

Stefan Zweig, Ongeduld

Paul Rigaumont, Anekdota XIX

Rüdiger Safranski, Hoeveel waarheid heeft de mens nodig?

Elias Canetti, Het geheime hart van het uurwerk – aantekeningen 1973-1985

Knut Hamsun, Mysteriën

Haruki Murakami, 1Q84. Boek 1

Haruki Murakami, 1Q84. Boek 2

Haruki Murakami, 1Q84. Boek 3

Sandro Veronesi, Grote reizen, kleine reizen

James Salter, A Sport and a Pastime

Patrick Modiano, Pedigree

Patrick Modiano, Dora Bruder

Patrick Modiano, De plaats van de ster

Ian McEwan, The Children Act

James Salter, Burning the Days

Patrick Modiano, Het circus trekt voorbij

W.G. Sebald, Logies in een landhuis

Patrick Modiano, La petite Bijou

Patrick Modiano, Des inconnus

Sandro Veronesi, Zeldzame aarden

Patrick Modiano, Fleurs de ruine

Patrick Modiano, Chien de printemps

Fred Goodman, Mansion On the Hill

Patrick Modiano, Livret de famille

Jonathan Swift, Gullivers reizen

Patrick Modiano, Vestiaire de l’enfance

Geerten Meijsing (red.) – Van Como tot Syracuse

Patrick Modiano, Het gras van de nacht

Stefan Zweig, Schaaknovelle en andere verhalen

Paul Eluard, Lettres à Gala

Marc De Kesel, Zizek

Patrick Modiano, Remise de peine

Michel Houellebecq, Onderworpen

Rainer Metzger, London in the Sixties

Patrick Modiano, Accident nocturne

Goethe, Affiniteiten

Vladimir Nabokov, Speak, Memory

Jacques Rancière, De fabel van de cinema

Czeslav Milosz, Geboortegrond

Stefan Zweig, Reis naar het verleden

John Cheever, Bullet Park

László Krasznahorkai, Satanstango

Daniil Kharms, Today I Wrote Nothing

Raoul Vaneigem, Rien n'est fini, tout commence, livre d'entretiens avec Gérard Berréby

Georges Simenon, Zondag

Gustave Flaubert, Bouvard en Pécuchet

Jorge Luis Borges, De geschiedenis van de eeuwigheid en andere essays

Georges Simenon, Stoplicht

Georges Simenon, Leven met Anais

J.M. Coetzee, Dagboek van een slecht jaar

Rainer Maria Rilke, Het lied van de liefde en dood van Kornet Christoph Rilke

Martinus Nijhoff, Verzamelde Gedichten

Patti Smith, M Train

patti smith m train.jpg

11-12-15

DE WEG NAAR BRUCE SPRINGSTEEN

BRUCESPRINGSTEENbest.jpg

Welke (muzikale) weg had ik afgelegd om in 1981 bij een concert van Bruce Springsteen & the E-Street Band aanwezig te zijn? In het milieu waarin ik in die tijd leefde was Springsteen niet geliefd. Het was de periode van new wave en post-punk. In de clubs en cafés waar we kwamen hoorde je Rip Rig & Panic, Simple Minds, the Fall, PiL, the Au-Pairs – veel politiek geëngageerde en minimalistische pop, in bijna alles het tegenovergestelde van de rock & roller uit Asbury Park in New Jersey. Sommige vrienden vonden mijn bewondering voor de man die ‘the Boss’ werd genoemd vreemd, misschien wel een beetje lachwekkend. Uitzonderingen die ik me nu nog kan herinneren waren Guillaume Bijl en Jos Dorissen.

Tot 1975 had ik Bruce Springsteen nooit beluisterd. Natuurlijk had ik wel al over hem gelezen maar ik had hem niet interessant gevonden. Misschien was het zijn macho imago of zijn gedoe met auto’s en highways dat me gestoord had? Of zijn muts en baard?

Ik luisterde nooit naar de radio, bezat geen televisie en las bijna nooit een krant. Toch was ik dank zij Rolling Stone, een tijdschrift dat ik verslond, en Time Magazine, op de hoogte van wat er in de wereld, maar toch voornamelijk in de Verenigde Staten, gebeurde. Naast de boeken die ik las, Westerse filosofie en literatuur, en de films die ik zag, vormden die tijdschriften mijn wereldbeeld. Voor muziek was er daarnaast nog NME en soms Oor, een Nederlands popmagazine dat ik niet echt waardeerde. Ik had een vrij ruime muzikale smaak, die het product was van intuïtie, toeval en vooroordelen. Wat Bruce Springsteen betreft was ik ongetwijfeld bevooroordeeld.

Op een dronken avond in 1975 in de buurt van het Brusselse Madouplein liet Paul D. me ‘Born To Run’ horen. Een wereld ging open. Een revelatie. Die stem, die spectoriaanse sound, die romantische teksten, dat glorieuze escapisme. Paul gaf me de elpee mee, ik liet mijn ‘Basement Tapes’ bij hem achter, evenals een bijzonder mooie editie – op groot formaat, zoals het hoort - van ‘Un coup de dés jamais n’abolira le hasard’ van Mallarmé. Die avond werd ik een bewonderaar van the Boss. Paul zou ik nooit meer terugzien. Hij stapte niet lang na die heuglijke avond uit het leven. Op een dag was hij met mij naar zijn geboortedorp gereden en had me de balk getoond waar zijn vader zich aan opgehangen had. Dezelfde balk zou Paul wat later ook gebruiken. Of misschien ook niet, misschien speelt mijn geheugen me parten. Zeker is dat mijn exemplaar van ‘Born To Run’ dat van Paul is. En dat op ‘The Basement Tapes’ een vloek rust. Vooral op de song ‘Too Much Of Nothing’.
BasementTapes.jpg

De rest van de weg die ik aflegde is niet zo bijzonder. Ik las alles wat er te lezen viel over Springsteen en toen ‘Darkness on the Edge of Town’ uitkwam vond ik dat meteen een meesterwerk. Duizenden keren heb ik er naar geluisterd, heel vaak luid meezingend. Dat deed ik in 1978 maar met twee platen, ‘Darkness on the Edge of Town’ en ‘Some Girls’ van the Rolling Stones. Als er geen platen van Springsteen uitkwamen troostte ik me met die van Southside Johnny & the Asbury Jukes, een fantastische band, die ik op 10 oktober 1979 live in de AB zag, nog voor Bruce Springsteen & the E-Street Band. Van ‘Hearts Of Stone’ kende ik alle teksten uit het hoofd (nu niet meer). Natuurlijk had ik inmiddels de eerste elpees van Bruce Springsteen aangeschaft, ‘Greetings from Asbury Park, N.J’. en ‘The Wild, the Innocent & the E Street Shuffle’, allebei uit 1973. Vooral die tweede vond ik bijzonder mooi en romantisch. Ik herinner me een avond met Jos D. in de Dolfijnstraat, toen we met gesloten ogen als naar een gezongen gebed zaten te luisteren naar ‘4th of July, Asbury Park (Sandy)’ en hoe moeilijk het na dat sacrale moment was om nog een andere plaat op de platenspeler te leggen. Ik vermoed dat het ‘Pet Sounds’ zal geweest zijn.

Sandy the angels have lost their desire for us
I spoke to 'em just last night and they said they won't
set themselves on fire for us anymore
southside johnny.jpg

‘The River’ moest dan nog uitkomen. Ik weet niet meer of ik die fenomenale dubbel-elpee beter vond dan ‘Darkness’. Vermoedelijk niet, want op mijn lijstje van 1980 stond ‘London Calling’ van the Clash op nummer 1. Toch raakte ik meteen verslingerd aan de meeste nummers op ‘The River’ en vond ik de combinatie van uitbundigheid en melancholie erg geslaagd. Het enige probleem was dat er te veel op stond. Het was overdaad. Maar zo is Bruce Springsteen. Zo was hij in die periode live met the E-Street Band.
Je zou je kunnen afvragen waarom ik niet vaker naar optredens van Bruce Springsteen ben gegaan. Mijn antwoord daarop is: ik heb maar één keer in mijn leven een LSD-trip genomen. Na een hoogtepunt moet je ermee ophouden. The Rolling Stones heb ik twee keer gezien, Townes Van Zandt ook. De eerste keer was telkens de beste.


Na ‘Nebraska’, het hoogtepunt in het oeuvre van Bruce Springsteen en een mijlpaal in de twintigste-eeuwse popmuziek tout court, is mijn interesse voor zijn platen gaan tanen. Ik vond ze niet meer zo avontuurlijk. Het vonkje dat er tot ‘Nebraska’ was geweest leek uitgedoofd. Misschien lag het aan mij, ik weet het niet. Maar wat ik wel weet is dat Bruce Springsteen & the E-Street Band in Vorst op 26 april 1981 in mijn top-5 van beste concerten staat genoteerd. Jammer dat Jos er niet meer is om herinneringen op te rakelen.

jos-matti1.jpg

...

Foto's: Bruce Springsteen (boven): Frank Stefanko; Basement Tapes: Reid Miles; Southside Johnny en Steve Van Zandt:(onbekend); Jos & Martin: Agnes A.

 

10-12-15

BRUCE SPRINGSTEEN 26 APRIL 1981

BRUCE SPRINGSTEEN-2-23-81.jpg

Ik zag Bruce Springsteen & the E-Street Band maar één keer, op zondag 26 april 1981. Samen met mijn levensgezellin, mijn beste vriend Jos Dorissen, zijn broer Luc en zijn vriend. Onderweg van Antwerpen naar Brussel, op ongeveer twintig kilometer van onze bestemming, kregen we pech met de auto. We moesten hem achterlaten en in de gietende regen liftend Vorst zien te bereiken. We hadden al gauw een lift tot het Meiserplein en van daar namen we de taxi. Zo kwamen we nog net op tijd voor het begin, om stipt half negen. Natuurlijk waren we zeer onder de indruk. Een van de beste optredens die we ooit hadden meegemaakt, vonden we. Hoogtepunten waren ‘This Land Is Your Land’, ‘Badlands’ en ‘Independence Day’. (Dat laatste vind ik in mijn dagboeknotities terug.)

Na het concert was het te laat voor de laatste trein. Jos, Agnes en ik brachten de nacht door in De Dolle Mol in de Spoormakersstraat. Helemaal niet moe, integendeel, boordevol energie van het wellicht meest geestdriftige concert dat ik ooit bijwoonde.

Vandaag vond ik de setlist terug.

Follow That Dream
Prove It All Night
Out in the Street
The Ties That Bind
Darkness on the Edge of Town
Independence Day
Who'll Stop the Rain
Two Hearts
The Promised Land
This Land Is Your Land
The River
Badlands
Thunder Road
Cadillac Ranch
Sherry Darling
Hungry Heart
Because the Night
You Can Look (But You Better Not Touch)
Fire
Stolen Car
Racing in the Street
Backstreets
Ramrod
Rosalita (Come Out Tonight)

Encore:
Born to Run
Detroit Medley
Rockin' All Over the World



Nu verbaast mijn toenmalige opwinding me helemaal niet meer. If I could turn back the hands of time

BRUCE SPRINGSTEEN-2.jpg
Foto's: boven:onbekend; onder: Frank Stefanko (?).