31-03-18

PERROS NO? PERROS SI! [1]

IMG_5664 (2).JPG

Na een middag lezen en schrijven maak ik een korte wandeling naar Playa del Inglés. Ik slenter door de Calle Normara, waar zich het lekkere Maleisische restaurant El Baifo bevindt. ’s Avonds is het er altijd druk, je reserveert best enkele dagen op voorhand, ook al omdat het zo klein is. De baas van het eethuisje, die ook kok is, heet Andy. Enkele jaren geleden vertelde hij me een en ander over zijn leven. In de dagen voor de postmoderne tijdrekening was hij een Maleisische hippie die al liftend door Indië, Pakistan, Afghanistan, Iran, Turkije, Joegoslavië, Italië, Frankrijk, Spanje op de Canarische eilanden verzeilde. La Gomera, het tweede kleinste eiland van de archipel, dat in die dagen op toeristisch gebied nog grotendeels onontgonnen was, stal meteen zijn hart. Toch keerde hij naar zijn thuisland terug om orde op zaken te stellen. Wat later vestigde hij zich in Valle Gran Rey, waar hij met het restaurant van start ging waar ik nu voor sta om het menu nog een keer te bekijken. Andy is een uitstekende kok en een uitzonderlijk vriendelijke en goedlachse man. Die karaktertrekken stralen duidelijk af op het personeel in zijn zaak. 

Ik sla links af, dan rechts, en kom zo op Carretera de Playa del Inglés uit. Een gps heb je hier beneden niet nodig, zelfs een blinde vindt hier nog zijn weg. Sinds ik hier de eerste keer kwam, in 2003, is er zo te zien niets veranderd. Voor je aan het naaktstrand komt, loop je voorbij een klein stukje natuurreservaat. Ik ben niet wat je noemt een natuurmens, over de vogels die daar bescherming vinden kan ik bijgevolg weinig vertellen. Het valt wel op dat er in heel La Gomera weinig vogels te zien zijn. Ik las over de tjiftjaf, de pimpelmees en de pieper, maar ik heb alleen wat duiven en meeuwen gezien. Al die andere vogels mogen er natuurlijk ook wezen, maar een uurtje wat meeuwen observeren volstaat voor mij. Voyeurs zullen op het naaktstrand niet aan hun trekken komen. Het is al te fris om in je blootje te zwemmen of te zonnebaden. De surfers zijn wel nog ter plaatse, hun elegantie en souplesse is altijd een lust voor het oog. En straks komen de zonne-aanbidders; over twee uur gaat de zon onder.
Ik sla de geasfalteerde weg omhoog in die langs een voetbalveld en een tennisterrein voert. Altijd weer blijf ik naar de raadselachtige heliport kijken. Nog nooit heb ik er een helikopter gezien. Vandaag ga ik in het midden van het helipad staan. Vanuit de lucht gezien zal het lijken of ik in het centrum van een grote schietschijf sta. Ik ben de roos, doelwit voor onbekende luchtwezens. Heel zeker zijn bewakingscamera’s mij nu aan het filmen. De weg eindigt aan een poort die open staat. Daarachter ontwaar ik een gebouw dat al even mysterieus is als de heliport. Is het eigendom van de Guardia Civil, of van een of andere geheime dienst? Mogelijk, maar waarom staat die poort dan open?
Ik loop door in de richting van de uitnodigende poort. Opeens komen er twee gevaarlijk blaffende honden op me af gerend. Wat nu? Vreemd genoeg ben ik helemaal niet bang. Ik blijf staan, beweeg niet, kijk onverschrokken naar de grootste van de twee honden, die me lijkt te willen aanvallen. Omdat hij, zo denk ik, ziet dat ik niet bang ben, doet hij dat niet. Hij zal geen angstzweet ruiken. In plaats van mij te bijten snuffelt hij wat aan mijn been en laat een slijmspoor achter op mijn pas gewassen broek. De andere, wat kleinere hond houdt zich afzijdig. Ik aai de ‘gevaarlijke’ hond over het hoofd. Lief beest, zeg ik, loebas. Hij kijkt me met trieste hondenogen aan, draait zich dan om en loopt kwispelstaartend samen met zijn kameraad terug naar het huis van de vele mysteries. Beseffend dat ik aan een gewisse dood ben ontsnapt keer ik terug naar vertrouwder terrein. Al gauw mis ik de dieren al. Herinneringen aan andere honden in mijn leven maken hun entree in het theater binnenin mijn hoofd. Een van die viervoeters heet Jimpy, een andere Laika, nog andere honden kruisten onze weg in Eze, in de buurt van Nice, en er was ook een heel bijzondere Lassie op heilige Indiaanse grond in Taos in de Amerikaanse staat New Mexico. Daarover meer in een volgende aflevering van dit relaas van mijn grootse avonturen.


Maar toch nog dit. Als liefde een hond uit de hel is, zoals Charles Bukowski [2] beweert, wat is dan een hond uit de hemel?

[Wordt vervolgd]

IMG_6290.JPG

[1] Deel 8 van een reeks impressies van een reis naar Valle Gran Rey in La Gomera, Canarische Eilanden.

[2] Charles Bukowski, Love Is A Dog From Hell, Black Sparrow Press, 1981.

Foto's: Martin Pulaski, Valle Gran Rey, februari 2014.

Post een commentaar