20-01-18

OVER TWEE VORMEN VAN DWAASHEID

billy lee riley's little_green_men.jpg


Op de achtergrond hoor ik muziek uit Memphis in Tennessee. Sun rockabilly van Billy Lee Riley: ‘Flying Saucers Rock ‘n’ Roll’*. "The little green men were really hip cats", zingt Billy Lee, "I couldn't understand a word they said." Die kleine groene mannen leren Billy Lee Riley wel hoe hij bop moet dansen. Voor het lied begon zat ik nog te piekeren en mij over ik weet al niet meer wat op te winden. Met mijn gedachten op verre plaatsen, donkere oorden waar ik niets te zoeken heb en nog minder te vinden. Een primitief genie als Billy Lee Riley is op zo’n momenten een gids, hij wijst me de weg terug naar huis, en hoewel dat ook imaginair is kom ik daar toch vandaan. Ik sta er met mijn voeten op de grond. En versta me niet verkeerd, met primitief bedoel ik niets negatiefs, integendeel.

Nog niet zo heel lang geleden had je intellectuelen die in interviews en soms zelfs in hun werk tekeer gingen tegen rock & roll. Niet zoals Jerry Lee Lewis, uiteraard geen intellectueel, die rock de muziek van de duivel noemde, maar wel zoals Milan Kundera, nochtans een virtuoos schrijver, die het genre alleen maar vulgair vond, een primitieve uiting van een onderontwikkeld volkje. Bij mensen als Kundera had ‘primitief’ wel een negatieve betekenis. Nog niet zo heel lang geleden reageerde ik op dergelijke idiotie met een eigen fanatieke reactie. Ik riep uit dat ik walgde van het publiek dat in stadskledij in de Singel of de Munt kwam genieten van ‘Quatuor pour la fin du Temps’ van Olivier Messiaen en ‘Wozzeck’ van Alban Berg. Ik was zelfs zo dwaas voorbeelden te geven van composities die me dierbaar waren. Al wat minder lang geleden besefte ik dat de Tijd de uitspraken van dat soort intellectuelen zou weerleggen, ja, dat zijzelf over honderd of tweehonderd jaar al helemaal vergeten zouden zijn, zoals bijna iedereen die voor 1789 leefde en werkte nu vergeten is. Wat minder lang geleden besefte ik dat er niets mis is met mensen die van muziek houden, in wat voor klederdracht ze dat ook maar wensen te doen. Vandaag glimlach ik even als ik terugdenk aan die vroegere walging van me en leg nog een plaatje op van Billy Lee Riley of Warren Smith. Van die laatste kleine meester weerklinkt nu het onovertroffen ‘Black Jack David’**. Ik ben helemaal thuis. Barman, nog een rondje voor mijn gidsen!

...

* Flying Saucers Rock ‘n’ Roll. Opgenomen in de Sun studio van Sam Phillips in januari 1957. Billy Lee Riley, zang en gitaar; Jerry Lee Lewis, piano; Roland Janes en J.B. Perkins, gitaar; Clayton Perkins, bas; W.S. Holland, drums.

**Black Jack David. Opgenomen in de Sun studio van Sam Phillips in augustus 1956. Warren Smith, zang; Roland Janes en Quentin Claunch, gitaar; Marshall Grant, bas; Clyde Leoppard, drums.

Afbeelding: Billy Lee Riley's Little Green Men

De commentaren zijn gesloten.