20-05-16

DE ROKENDE MAN

2016-05-Andalusië-Canon-Totaal 040.JPG

     Zondagmiddag. Ik ben al een paar dagen in Cadiz. De zuivere lucht van de Atlantische Oceaan doet me goed. Het ziet er naar uit dat ik spoedig zal herstellen. Gisteren schaamde ik me voor de koortsblaas op mijn lip en de zware hoest. Maar dat was niet nodig. Maria Jesus omhelsde me alsof ik een reis rond de wereld had gemaakt en nu weer thuis was gekomen, alsof ik grote gevaren en fatale verleidingen had getrotseerd. Later stonden we in de bars te praten en te lachen en plannen te maken alsof er niets aan de hand was. Nergens, met niemand. Wat maakte die hoest uit… Drink nog een glas bier, eet nog wat boquerones!
     En nu zit ik op dit terras. Wat zou er op deze zonnige middag in het hoofd van de man daar aan het andere tafeltje omgaan? Je hebt geen idee. Of toch wel? Denkt hij aan invasies van goddelozen, aan nieuwe veroveringen, aan bloedvergieten? Waarom die zonnebril in de schaduw van een parasol? Waarom de burgerlijke blazer, de zegelring, het gekleed hemd? Hoe hij zijn brandende sigarettenpeuken op de vijandige grond gooit. Met zwier, met kracht, met minachting, met onverschilligheid. Hij lijkt niet in de richting van de vijandige grond te kijken, maar dat kan ik niet zien. Ik heb een vermoeden dat zijn ogen bloeddoorlopen zijn. Of nietszeggend, leeg. Misschien koortsig, onverschillig, wanhopig… Verdelgd.

     Ik zou graag met je praten over gisteren, over Menchu – niemand noemt haar Maria Jesus - en over de nieuwe vrienden, Carmen, Harvey en Juan. Over de sublieme heiligen van Murillo. Hun donkere, extatische ogen. Maar de rokende man neemt me volledig in beslag. Wie weet hoeveel verrukkelijke Gaditanas in dunne zomerjurkjes hier inmiddels al voorbij zijn gelopen. Zijn vijftiende sigaret reeds. Ik heb ze een voor een geteld. Nu gaat ook het lege pakje tegen de grond. Zijn het zijn laatste uren? Heeft hij zijn dagen gewikt en gewogen? Is deze performance zijn adieu? Of is het gewoon maar routine? Een elke zondagmiddag herhaald leren wennen aan het snel naderend onheil? Is het geen invasie waar hij aan denkt maar een catastrofe?
     De glazen bier die hij drinkt tel ik niet, ik beperk me tot de sigaretten. Anders wordt het te chaotisch in mijn hoofd. Dag ga ik zelf misschien ook pils drinken en krijg ik nog zin in een sigaret ook. Want wat moet het heerlijk zijn om zo’n brandende peuk met zoveel levensverachting weg te slingeren. In de richting van de vijandige aarde. De aarde die met haar rampen en catastrofes zoveel schade aanricht bij mensen en dieren en planten en die ons allen zo weinig tijd gunt voor ze ons naar zich toetrekt.
     
     Kom schat, laten we de rekening vragen, zeg je. Ik wil nog even naar de nieuwe stad, wat uitwaaien op het strand daar. Heel goed, zeg ik. Wat ik me afvraag is of we ooit Toronto en Vancouver zullen zien. Dat komt door Harvey, die lang geleden uit Canada hierheen is gekomen. Je vraagt je af waarom. Is Canada dan niet het beloofde land? Ik weet het niet. Het lijkt er wel op of ik helemaal niets meer weet. We zullen de bus nemen, zeg ik, dan kunnen we wat langer op het strand wandelen.

...

Foto: Martin Pulaski, Cadiz, 15 april 2016

11-05-16

DE GROT VAN DE DOLLE MOLLEN

 0bascarlamarlunsford.png

Voor Philippe Quesne en de mollen.

Met grote verwachtingen naar het Kaaitheater voor ‘La nuit des taupes’ van Philippe Quesne. In de buurt van de KVS tientallen zo te zien nog piepjonge straathoeren. Café Tropicalia, het ‘kantoor’ van de pooiers, is al een tijd geleden gesloten. Nu zitten de pooiers wat verderop gezellig in gemakkelijke zetels op een terras, vadsige koningen van het kwartier. De hele buurt wordt groezeliger: dronkaards, uitschot, ‘kleine’ delinquenten. Ook in de metro valt de verloedering op. De politie zit achter de terroristen en de jihadi’s aan. De boeven hebben vrij spel. Noem het straattheater, helemaal gratis. Ondanks al die dingen is het een mooie, aangename lenteavond. Je laat je niet van je stuk brengen.

In het café van het Kaaitheater, van de oude glorie uit de tijd van La Luna blijft hier ook niet veel meer over, heb ik voldoende tijd om het publiek te observeren en wat na te denken. Vroeger dronk ik bier of wijn voor een voorstelling, nu tonic, liefst Schweppes (voor de kinine), maar dat wordt hier niet geschonken. Eens te meer valt mij op hoe oud ik word; de andere kunstenfestivalgangers worden almaar jonger. Het is zoals in sommige films van Sam Peckinpah: de oude revolverhelden willen er tot elke prijs bij blijven horen, met hun roestige revolvers en hun vermoeide paarden en hun oude, strikte  moraal – terwijl de jongere gunfighters machinegeweren hanteren, de auto gebruiken om zich te verplaatsen en een ondoorgrondelijke erecode hebben (of amoreel zijn). Het is een natuurwet, niets aan te doen. Erger is de apartheid. In een theater als dit zie je geen zwarten, geen moslims, geen kleine delinquenten, geen dronkaards. Het kunstenfestival is er voor de blanke, goed opgeleide en grotendeels Nederlandstalige elite. Het is van in het begin zo geweest en ik vrees dat het zo zal blijven. Vorig jaar zag ik een stuk van Marokkaanse vrouwen: het publiek was volledig blank.
sampeckinpah ride the high country.png

‘La nuit des taupes’ (onderdeel van ‘Welcome to Caveland!) van Philippe Quesne gaat over mollen in een grot. Daarin staat een witte barak die aan de voorkant open is. Via een buis komen de mollen met hun logge lijven de barak binnen. Het zijn bijzonder grote mollen, zo groot als mensen. De klompen aarde lijken op rotsen. De mollen lijken blind te zijn en met hun grote handen zijn ze erg onhandig. Ze lopen elkaar in de weg. Het publiek lacht want wat het te zien krijgt is erg grappig. Ha ha ha! Mij vergaat het lachen al snel. De anderen hoor ik ook al gauw niet veel meer lachen. Je wordt reeds na kwartier of zo geconfronteerd met de zinloosheid van het bestaan, met de absurditeit van alles wat je elke dag doet, de routine, de sleur. Ook met de overbevolking, hoe je altijd en overal met te veel bent, elkaar in de weg loopt. Je beseft dat je blind als een mol door het leven gaat. Goed georganiseerd, kijk maar eens hoe werd omgegaan met de tragedie in Zaventem en Maalbeek, maar zonder duidelijk doel. Als je een tijdje naar de activiteiten van mieren kijkt vraag je je soms ook wel eens af: waarom doen ze dat allemaal? Voor ons is het net hetzelfde. We bouwen onze huizen voor de eeuwigheid en één tsunami vernielt er 250.000 in een oogwenk.
Terug naar de voorstelling. Ze is nog maar net begonnen. Voor we de mollen te zien kregen hoorden we - voor het eerst met de versterker op 10 - de mysterieuze folksong ‘I Wish I Was a Mole in the Ground’ van Bascar Lamar Lunsford, opgenomen in een studio in Ashland, Kentucky in 1928. Velen in het publiek zullen het nummer nooit eerder gehoord hebben. Wat gaat er in hun hoofd om als deze geheimtaal, deze roestige banjoklanken tot hen doordringen? Zou nog iemand in dit theater Greil Marcus’ schitterende essay ‘World Upside Down’* (over dit lied) gelezen hebben. Philippe Quesne misschien? De acteurs? Iedereen zou het moeten lezen. Iedereen zou ongeveer alles van Greil Marcus moeten lezen. En alle liedjes op de ‘Anthology of American Folk Music’ van Harry Smith op z’n minst één keer per jaar moeten beluisteren. Zes langspeelplaten, dat moet te doen zijn.
We leven er maar op los, zonder duidelijk doel, schreef ik. Is muziek de uitweg? Zo lijkt het wel. Of is muziek in dit geval een metafoor voor creativiteit? Tegenover destructie verbeelding en scheppingskracht, tegenover de duisternis van de grot het licht van de poëzie. Poëzie betekent iets moois maken, iets duurzaams, iets wat de soort voor lange tijd ten goede komt.
Nu is het gaan regenen. Ik had me al zitten afvragen of die mollen nooit honger kregen. Nu wordt het duidelijk: ze verorberen gigantische regenwormen. Ze zijn natuurlijk niet echt gigantisch, wij zien ze alleen maar zo. Als je door een microscoop naar kleine wezentjes kijkt lijken die ook immens, maar dat is gezichtsbedrog, dat weet het kleinste kind. De sterren zijn dan weer veel groter dan wat wij te zien krijgen. Te veel regenwormen eten is slecht voor de gezondheid. Ja, het valt op: geboorte en dood verschillen bij mollen niet echt van geboorte en dood bij mensen. Net als mensen kennen mollen empathie, verdriet, verlangen. Geert Van Istendael zit net voor me. Met zijn stekelige haren belet hij me het zicht op de poten van de mollen. Wat zou hij er van vinden? Misschien verveelt hij zich wel? Maar dan zou hij toch gewoonweg naar huis gaan? Zou hij van de 4/4 beat, de krautrockachtige muziek van de mollenband houden? Want inderdaad, inmiddels is zo’n mollenbandje beginnen te spelen. Ze hebben gaten geslagen in een wand van de barak en zijn daar door gekropen. Niet alle mollen, net genoeg voor een rockgroepje. Maar daarover later meer.
Quesne.jpg

‘La nuit des taupes’ roept bij mij tal van associaties en herinneringen op, een beetje alsof ik bij de psychoanalyticus op de zetel lig. Mijn eerste associatie is die met het lied van Bascar Lamar Lunsford, dat spreekt vanzelf.  “I’d root that mountain down / And I wish I was a mole in the ground.” Maar dan gaan mijn gedachten al gauw naar De dolle mol, ooit een beruchte bar in Brussel. Ik werkte er enkele maanden in de zomer van 1971. Net als in deze voorstelling gebeurde daar alles letterlijk en figuurlijk onder de grond. De dolle mol bevond zich toen op de Kaasmarkt in een oude jazzkelder. Vandaar, denk ik, de naam die Herman J. Claeys eraan gaf. Het publiek dat er kwam bestond uit ‘undergroundtypes’, vertegenwoordigers van de tegencultuur, langharig werkschuw tuig. We leefden ondergronds, we waren vijanden van het establishment. Mollen die de berg van de macht wilden ondergraven. Niemand van ons wilde lang ondergronds blijven: we wilden de hele wereld mooier en beter maken. Vooral met liefde en muziek.
0themroc-3.jpg

Ik dacht terug aan de film ‘Themroc’ van Claude Faraldo. Michel Piccoli is een arbeider die genoeg heeft van de macht en haar repressie. Hij stopt met werken, verwerpt de taal van de vader (of is het die van de moeder?) en brengt voortaan alleen nog maar dierlijke geluiden voort. Mollentaal. In zijn appartement sloopt hij de muren. Hij bedrijft de liefde met zijn zus. ’s Nachts gaat hij op jacht naar voedsel. Hij doodt een flik. Het kadaver neemt hij mee naar zijn woning, die nu op een grot lijkt, om het daar te roosteren en vervolgens samen met enkele ‘medeplichtige’ buren op te peuzelen. Zo herinner ik mij de film. ‘Themroc’ is geen utopische vertelling (wat ik als twintigjarige waarschijnlijk wel dacht). Het is een verhaal van uitzichtloze, brutale anarchie. Je kunt niet ontsnappen uit de grot. Bij ‘Themroc’ is er zelfs niet de uitweg van de muziek en de creativiteit.
Tijdens de voorstelling kon ik maar niet op het woord komen voor het instrument dat the Beach Boys in ‘Good Vibrations’ gebruiken. ‘Theremin’ is het, gelukkig heb ik het niet moeten opzoeken. Een van de muzikanten van de mollenband bespeelt namelijk de theremin, of iets wat er op lijkt. De groep bestaat verder uit een bassist, een drummer en een gitarist. Met die grote, onhandige mollenpoten van ze kunnen ze alleen maar repetitieve muziek spelen. Krautrock of motorik, zoals ik hierboven al schreef. Denk aan Neu!, daar lijkt hun muziek het meest op. Eerst verzet je je tegen dit ‘lawaai’. Maar dat is verkeerd. Je moet loslaten, je overgeven aan het ritme. Dan geraak je in een trance. Dat gebeurt alvast bij mij. Ik weet niet of Geert Van Istendael het ook zo beleeft en ik heb het hem niet durven te vragen. Tijdens het miniconcert breken de andere mollen de barak helemaal af, zoals Michel Piccoli zijn appartement. In het halfdonker vervoeren een drietal mollen op gemotoriseerde fietsen stalactieten. Niet bepaald ergens naartoe. Maar het lijkt er wel op dat de blinde dieren het prettig vinden.
Het meest lyrische gedeelte, waarbij de mollen zich achter een doek (dat een scherm is) bevinden, roept bij mij meerdere associaties en herinneringen op. Op het scherm krijgen we goede oude vloeistofprojecties te zien. Die doen me terugdenken aan Pink Floyd in februari 1968 in het Pannenhuis in Antwerpen. Dat was met net dezelfde, echt heel mooie vloeistofprojecties. Ze zetten je aan tot dagdromen, ze openen een andere wereld. Nog mooier waren de projecties in mijn toneelstuk ‘De droom’ in mei 1968 in Tongeren. Niet omdat het mijn stuk was – ook wel een prestatie – maar omdat mijn vriend Henry Janssen een werkelijke magister van de vloeistofprojecties was. Echt waar, de mooiste, dromerigste vloeistofprojecties zag ik in de gymzaal van het Koninklijk Atheneum in Tongeren!

0Flaming-Lips.jpg

Wayne Coyne en zijn Flaming Lips maken tijdens hun concerten eveneens gebruik van zulke projecties. Dat is niet de enige overeenkomst met ‘La nuit des taupes’. Bij the Flaming Lips staan er steevast als dieren verklede mensen op het podium. Zo vrolijk, zeker met de grote kleurige ballons die door de zaal vliegen. Ook al zijn de liedjes van Flaming Lips soms erg melancholisch. Maar nooit macaber of uitzichtloos; bijna altijd op de toekomst gericht. De verbeelding biedt een uitweg. Carnaval, feest, fanfare!
Je denkt niet logisch maar associatief. Soms worden die associaties onderbroken door wat je waarneemt. Bij een performance is dat nog meer het geval. Met Wayne Coyne associeerde ik ‘Lucy in the Sky With Diamonds’ en zo ging ik helemaal terug naar mijn kinderjaren in Neerharen. Mijn vader kwam uit een arme boerenfamilie. In die omgeving was de mol de vijand. Hij moest worden bestreden, afgemaakt. Het was een genocide in het klein, maar mag ik dat wel schrijven? Elizabeth Costello kreeg met een gelijkaardige uitspraak heel wat problemen. Een hele tijd heb ik zelf dat beeld van de mol als vijand gehandhaafd. Ik denk tot in 1971, tot ik in De dolle mol ging werken en besefte dat de mol in wezen een revolutionair dier is.

the_residents.jpg
In de sixties was er het liedje ‘We Are the Moles’ van The Moles. Er werd beweerd dat het the Beatles waren, onder een andere naam. Het had best gekund, maar in werkelijkheid was het Simon Dupree & the Big Sound. Het gaat van ‘We are the moles and we live in our holes…’
Hoe lang is het niet geleden dat ik nog naar the Residents heb geluisterd… Zij hebben een viertal elpees uitgebracht voor een project dat ‘The Mole Trilogy’** heet. Deel drie van de trilogie is nooit verschenen, maar deel vier dan weer wel. En waar is volume 2 van the Travelling Wilburys? Nu ik eraan denk: waren Nelson Wilbury, Otis Wilbury, Lefty Wilbury, Charlie T. Wilbury jr. en Lucky Wilbury ook niet een soort van mollen. Terug naar the Residents. Ik sla een boekje open dat bij een verzamelbox*** zit en lees het volgende: ‘While the Residents are singular in their dedication to unmasking the rotten cavity [hol, gat] at the heart of the American dream, they are equally insistent in keeping the mask on their own identities.” Hun studio in San Francisco wordt ‘this windowless, cramped space’ genoemd.
De identiteit van de mollen in ‘La nuit des taupes’ wordt wel meegedeeld en op het einde van de voorstelling, bij het applaus ontdoen de acteurs zich van hun mollenhoofd (niet meteen, we moeten eerst voldoende in de handen klappen) en zien we ook dat ze niet echt blind waren. Wat ik een beetje vreesde, vooral toen ze op die fietsen zaten. Maar stekeblind hadden ze zelfs geen motorik kunnen spelen. Wat moeten de mollen het warm gehad hebben! Ik had niet in hun plaats willen zijn.

In een bespreking in De Standaard lees ik - van de hand van Wouter Hillaert - dat Quesne “in het duister is blijven tasten over wat hij meer wilde vertellen dan die eenduidige dierenfabel” en “ofwel heeft het allemaal weinig meer om het lijf dan grote mollenpakken, goed voor spijtig leeg spektakel.” Dat “in het donker blijven tasten” vind ik wel leuk. Maar leeg?

lanuitdestaupes.jpg


*World Upside Down, in ‘Three Songs, Three Singers, Three Nations’, Greil Marcus, Harvard University Press, 2015.
**The Mole Trilogy bestaat (voorlopig) uit: Mark of the Mole (1981); The Tunes of Two Cities (1982); Intermission (1982); The Big Bubble (1985)
***The Residents, Our Tired, Our Poor, Our Huddled Masses, Ralph Records, 1997

Afbeeldingen: Bascar Lamar Lunsford; Ride the High Country, Sam Peckinpah; La nuit des taupes; Themroc, Claude Faraldo; The Flaming Lips; The Residents; La nuit des taupes

08-05-16

BACK TO NEW YORK CITY: EEN SELECTIE

bobdylan 1965.jpg


1.
Just Like Tom Thumb’s Blues (Alternate Take) - Bob Dylan
The Bootleg Series, Vol. 7 No Direction Home : The Soundtrack. Originele versie op Highway 61 Revisited, 1965. Deze take werd opgenomen op 2 augustus 1965.


Bob Dylan kwam in New York aan op een koude winterdag in januari 1961. In die stad, en meer bepaald in Greenwich Village, kwam zijn talent tot bloei. 4th Street, Suze Rotolo, Fred Neil, John Hammond, de folkclubs, de verhalen zijn bekend.  New York is, het hoeft niet te verbazen, een thema in veel van Dylans songs, soms op de voorgrond, soms op de achtergrond. Bij ‘Just Like Tom Thumb’s Blues’, een ‘on the road’ van 5:44 minuten, voel je meteen aan waar de verteller naar terug zal keren als het hem allemaal te veel wordt.

When you’re lost in the rain in Juarez
And it’s Eastertime too
And your gravity fails
And negativity don’t pull you through

[…]

I started out on burgundy
But soon hit the harder stuff
Everybody said they’d stand behind me
When the game got rough
But the joke was on me
There was nobody even there to call my bluff
I’m going back to New York City
I do believe I’ve had enough


2.
I Guess The Lord Must Be In New York City - Harry Nilsson
Harry, 1969. Derde elpee van Harry Nilsson.

Harry Nilsson schreef dit nummer voor de soundtrack van John Schlesinger’s film ‘Midnight Cowboy’. John Schlesinger had Harry Fred Neil’s ‘Everybody’s Talking’ laten horen en hem gevraagd iets in die stijl te componeren. Uiteindelijk besliste de regisseur om Nilsson’s cover van ‘Everybody’s Talking’ te gebruiken. Fijn voor Fred, heel jammer voor Harry. Het prachtige nummer werd later wel gebruikt voor de film ‘You’ve Got Mail’ van Nora Ephron.


3. New York City Song – Dion
Dion, Born To Be With You, 1975. Producer: Phil Spector

That's the year my dream died in New York City
That's the year I had to leave that town
That's the year people my dream died in New York City
That's the year I left without a sound

Dion DiMucci is geboren en getogen in New York, meer bepaald in The Bronx. Als tiener was hij er lid van een straatbende. Hij kreeg succes met de doo-wopgroep Dion & the Belmonts (‘I Wonder Why’, ‘Teenager in Love’). In 1960 ging Dion solo en maakte wat ruigere singles, waaronder ‘The Wanderer’ en ‘Runaround Sue’.  Vervolgens raakte hij aan de drugs en ontdekte hij de échte blues en Bob Dylan. Zijn prachtige folk-rock songs zijn weinig bekend. Sommige hebben dezelfde sound als Dylan ten tijde van Highway 61 Revisited, mede dank zij producer Tom Wilson en orgelman Al Kooper. In 1968 was hij clean. Vanaf 1970 had hij bij Warner Brothers enig succes als schrijver en zanger van meer contemplatieve songs.  ‘Born To Be With You’ een Phil Spector-productie werd door het publiek genegeerd. Dion is nog altijd actief in New York. Treedt op met fans als Bruce Springsteen en Paul Simon.

4. The Pushers - Dizzy Gillespie
The Cool World, 1964.

Dizzy Gillespie, trompet; James Moody, tenor saxofoon en fluit; Kenny Barron, piano; Chris White, bas; Rudy Collins, drums.

Uit de soundtrack van de film ‘The Cool World’ (1963) van New Yorkse underground-cineaste Shirley Clarke. Geschreven door Mal Waldron. De film speelt zich af in de mean streets van Harlem. Hij volgt het reilen en zeilen van enkele jongeren die lid zijn van een jeugdbende. Schitterende kleine film.


5. On Broadway - The Drifters

Under The Boardwalk, Atlantic, 1964.
Lead vocals: Rudy Lewis.

Geschreven door Barry Mann & Cynthia Weill. Twee van de songschrijvers die actief waren in de legendarische Brill Building , een liedjesfabriek in New York. Voor dit nummer werkten ze samen met een ander al even legendarisch duo: Jerry Leiber & Mike Stoller.
Na een nacht brainstormen kreeg het liedje een meer rockende groove, met bluesy ingrediënten. De knappe gitaarsolo is van Phil Spector. Neil Young heeft er een zinderende cover van gemaakt.
Zanger Rudy Lewis is 27 geworden: een van de eerste leden van club 27.

6. Spanish Harlem - Ben E. King

Deze single op Atco was een hit in 1960. Ook op de gelijknamige elpee. Een compositie van Jerry Leiber & Phil Spector.
Ben E. King’s eerste hit nadat hij the Drifters verliet. King kwam uit North Carolina maar verhuisde op zijn negende naar Harlem. Hij was de grote held van Willy DeVille. Spanish Harlem is vaak gecoverd, maar de versie van King werd nooit overtroffen.

7. Dirty Blvd. - Lou Reed
Uit New York, 1989.


‘New York’ is een van Lou Reeds beste elpees. De song schetst een groezelig beeld van New York, totaal verschillend van hoe we de stad te zien krijgen in Woody Allen’s ‘Manhattan’.

Give me your hungry, your tired your poor I'll piss on 'em
that's what the Statue of Bigotry says
Your poor huddled masses, let's club 'em to death
and get it over with and just dump 'em on the boulevard

Get to end up, on the dirty boulevard
going out, to the dirty boulevard
He's going down, on the dirty boulevard
going out

8. Harlem – Suicide
The Second Album, Ze Records, 1980.

Een productie van Rick Ocasek van The Cars. Alan Vega zingt & Martin Rev bespeelt synthesizer en drum machine. Baanbrekende plaat. Suicide was even minimalistisch en even invloedrijk als the Velvet Underground. Hun performances waren heel sterk en controversieel. Luister maar eens naar ‘23 Minutes Over Brussels’, live opgenomen op 16 juni 1978.

9.
Rockaway Beach - The Ramones
Rocket To Russia, 1977.


31 minuten punk rock van de bovenste plank. Met onder meer de single ‘Sheena Is A Punk Rocker’. The Ramones gaven ons echte punk, the Sex Pistols de namaakversie.
In ‘Rockaway Beach’ van Deedee Ramone hoor je de invloed van the Beach Boys en surf.

Up on the roof, out on the street
Down in the playground the hot concrete
Bus ride is too slow
They blast out the disco on the radio

Rock Rock Rockaway Beach
Rock Rock Rockaway Beach
Rock Rock Rockaway Beach
We can hitch a ride to Rockaway Beach

07-05-16

ZERO DE CONDUITE: BACK TO NEW YORK CITY

0sometime in new york city.jpg

Zéro de conduite is een POPprogramma op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 ’s avonds. Een muzikaal evenement voor allen en voor niemand. Uniek in het universum. Stem af op 106.7 FM.
Je kunt Zéro via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over de radio.

But the joke was on me
There was nobody even there to call my bluff
I’m going back to New York City
I do believe I’ve had enough
Bob Dylan


Net thuis van een lange reis door Andalusië. Moe maar tevreden. Vandaag tijd voor een nieuwe muzikale reis, of beter: een terugkeer… Want met Zéro de conduite waren we al eerder in New York, de stad die nooit slaapt, hoewel toch ook de stad van miljoenen dromen. A thousand dreams that would awake me, om het met Lou Reed te zeggen.
Ook nu was het weer bijzonder moeilijk om een ultieme keuze te maken. Er wordt en werd in New York zoveel verrukkelijke en grensverleggende muziek gemaakt. Ik wil alvast duidelijk maken dat in deze selectie niet noodzakelijke de béste songs over New York en van New Yorkers zitten. Het is ons altijd om het geheel te doen, de samenhang, de sfeer, de link(s) met vorige afleveringen van Zéro de conduite. Ik waag me ook zelden aan muziekgenres waar ik niet goed thuis in ben, bijvoorbeeld hip hop en techno. Daarmee spreek ik geen waardeoordeel uit.

Geniet van de volgende dromen over of uit New York!

0laura nyro.jpg

Just Like Tom Thumb’s Blues (Alternate Take) - Bob Dylan - The Bootleg Series, Vol. 7 No Direction Home : The Soundtrack - Bob Dylan

New York, New York - Ryan Adams - Gold - Ryan Adams

New York City Lullaby - Danny & Dusty - Cast Iron Soul – Dan Stuart, Steve Wynn

New York - Cat Power - Jukebox - John Kander, Fred Ebb

Venus Of Avenue D - Mink DeVille - Cabretta – Willy DeVille

New York Tendaberry - Laura Nyro – New York Tendaberry - Laura Nyro

Chelsea Hotel No. 2 - Leonard Cohen - New Skin For The Old Ceremony - Leonard Cohen

New York City Song - Dion - Born To Be With You - Bill Tuohy, Dion DiMucci

I Guess The Lord Must Be In New York City - Harry Nilsson - Harry - Harry Nilsson

Bleecker & MacDougal - Fred Neil - Bleecker And McDougal – Fred Neil

Spanish Harlem Incident - The Byrds - Mr. Tambourine Man - Bob Dylan

Summer in the City - The Lovin' Spoonful - Greatest Hits – John Sebastian, Steve Boone

Give Him A Great Big Kiss - The Shangri-Las - Sophisticated Boom Boom: The Shadow Morton Story - George Morton

Subway Train - New York Dolls - New York Dolls – David JoHansen, Johnny Thunders

New York City - John Lennon, Yoko Ono & The Plastic Ono Band - Some Time In New York City - John Lennon

Rockaway Beach - The Ramones - Rocket To Russia - The Ramones

Hanging On The Telephone - Blondie - Parallel Lines - Jack Lee

Distant Fingers - Patti Smith - Radio Ethiopia – Allen Lanier

Souvenir From A Dream - Tom Verlaine - Tom Verlaine (First Album) - Tom Verlaine

Harlem - Suicide - The Second Album – Alan Vega, Martin Rev

The Ballad Of Dorothy Parker - Prince - Sign O' The Times - Prince

Miss You - The Rolling Stones - Some Girls - Mick Jagger, Keith Richards 

Dirty Blvd. - Lou Reed - New York - Lou Reed 

The Pushers - Dizzy Gillespie - The Cool World - Mal Waldron 

Harlem Nocturne - Lounge Lizards - Lounge Lizards - Earle H. Hagen 

Contort Youself - James Chance & The Contortions - Buy - James White 

Uptown To Harlem - Johnny Thunders & Patti Palladin - Copy Cats – Betty Mabry

Diary Of A Taxi Driver - Bernard Hermann - Taxi Driver OST - Bernard Hermann

Spanish Harlem - Ben E. King - Spanish Harlem - Jerry Leiber, Phil Spector 

On Broadway - The Drifters - Under The Boardwalk - Barry Mann, Cynthia, Weil, Jerry Leiber, Mike Stoller

I Love New York  - Marva Josie - In The Naked City  - Unknown

Coney Island Baby  - The Excellents - The Golden Age Of American Rock & Roll – V. Catalano, P. Alonzo

The Only Living Boy In New York - Simon & Garfunkel – Bridge Over Troubled Water – Paul Simon

Chelsea Girls - Nico - Chelsea Girl - Lou Reed, Sterling Morrison 

Just Like Tom Thumb's Blues - Nina Simone - To Love Somebody  - Bob Dylan
0ramones.jpg

Deze aflevering van Zéro de conduite is opgedragen ter nagedachtenis aan Prince.

Research, techniek en presentatie: Martin Pulaski