28-08-15

STEMMEN UIT DE WOODSTOCK BAR

woodstock-002-jimi-cocker-custom.jpg

In Cadiz bestaat een echte Woodstock Bar, waar ik meer dan eens aan de toog heb gehangen of met vrienden aan een van de lage tafeltjes San Miguel en zelfs Duvel heb zitten drinken. Mooie herinneringen. Het onderstaande is geen verslag van een gesprek in een werkelijk bestaande bar maar een verzameling commentaren die gelukkig wat nuances aanbrengen in mijn strenge beoordeling van Pukkelpop en mijn misschien wat overdreven bejubeling van de film en ideologie van ‘Woodstock’.

Eerst wil ik nog even verduidelijken wat ik met popmuziek uit de sixties bedoel, waarvan ik in mijn betoog beweerde dat die nooit werd en zal worden geëvenaard. Wat genres betreft gaat het over beatmuziek, blues, Britse blues, pure pop (denk aan de producties van Phil Spector), bossa nova, soul (vooral Motown en Stax), folk rock, psychedelische pop en rock, acid rock, tropicalia, underground en progressieve rock, country rock - en alle varianten en mengvormen van die genres. Pop is trouwens vaak een mengvorm. The Beatles hebben niet alleen maar beat gespeeld, the Beach Boys niet alleen maar surf (wel integendeel), Bob Dylan niet alleen maar folk. Popmuziek uit de sixties werd gaandeweg meer en meer een bastaard; niet het kind van alle genres, maar meer dan eens van twee of meer. Vandaar dat het weinig zin heeft om duidelijk afgelijnde categorieën te hanteren. Hoewel het hokjesdenken altijd heeft bestaan – kijk maar naar hoe muziek op de jukebox werd ingedeeld - is dat  vanaf de jaren zeventig toegenomen.
Iedereen weet dat mooie liedjes niet lang duren. Ooit moet er een eind aan komen. Om precies te zijn: wanneer hielden de sixties op? Dat is echter moeilijk te zeggen. Zeker niet op 31 december 1969. Misschien toen de liedjes te lang werden om op een jukebox te kunnen worden gedraaid? In dat geval hebben Bob Dylan en the Velvet Underground de genadeslag toegediend. Of heeft het met de business te maken, met de industrialisering van wat toch in de eerste plaats een spontane kunstvorm was? Soms denk ik dat sixties pop nooit ophield. Ongetwijfgeld bleef de spirit nog lang voortleven. Voorbeelden genoeg, denk maar aan the Ramones, Blondie, Nick Lowe, en zelfs the Allah-Las, die deze zomer op Pukkelpop optraden.

Maar genoeg. Hier volgen twee nuchtere stemmen uit de Woodstock Bar. In werkelijkheid is het de letterlijke weergave van een discussie op facebook naar aanleiding van mijn tekst ‘Leve Woodstock’. Die stemmen wil ik zeker niet opnieuw laten horen om mijn gelijk te halen, wel integendeel.

Dirk Steenhaut: Mooi stukje, Martin. Ik zag 'Woodstock' voor het eerst in de zomer van 1971 en ik was wèl zeer onder de indruk. Ik was dan ook nog jong, ik moest nog dertien worden, maar de performances van Joe Cocker, Ten Years After en The Who deden me dromen van een wereld waarin véél, zoniet alles mogelijk was. Alleszins méér dan in het wereldje vol beperkingen waar ik toen nog in opgesloten zat. Maar laten we één ding voor ogen houden: 'Woodstock', tenminste de versie van Michael Radleigh of die van de platen (eerst de driedubbele, daarna de dubbele) was geen festival - het was een FILM over een festival. Een bepaalde visie erop. Een edit. Want er was heel veel aan het evenement dat op het split screen (indrukwekkend, ik had nog nooit zoiets gezien) NIET getoond werd. De verveling, het urenlange wachten, het gebrek aan eten en sanitair.. De organisatoren waren nu eenmaal niet voorzien op zoveel volk en de optredens begonnen wanneer ze begonnen. Soms uren te laat dus. Ik bedoel maar, of je nu een fan van Woodstock was of niet, een hippie of niet, het beeld dat in ons collectieve geheugen leeft door de documentaire, is in heel veel opzichten gemanipuleerd. Sommige artiesten waren helemaal niet in de film te zien omdat ze, zoals Neil Young, weigerden gefilmd te worden. Tim Hardin haalde evenmin de final cut. Maar betekent dat per se dat zijn optreden minder memorabel was dan dat van Joe Cocker? En was Joe's concert over de hele lijn wel zo goed als zijn versie van 'With A Little Help from My Friends?' Zeker, 'Freedom', de improvisatie van Richie Havens, was memorabel. Maar misschien was de rest van zijn set boring as hell? Ik wéét dat natuurlijk niet. Alleen: ik heb verder van meneer Havens nooit veel andere nummers gehoord waar ik echt warm van werd. En dat brengt me bij je commentaar op Pukkelpop die, vergeef me dat ik het zeg, nergens op slaat. Zeker, het is, zoals alle festivals vandaag de dag, een commerciële bedoening; iets dat gerund wordt als een bedrijf. Je kunt dat betreuren, maar als je straks in Vorst naar Bob Dylan gaat kijken, zal dat niet anders zijn. Het voordeel is nu tenminste wel dat je een artiest precies te zien krijgt op het aangekondigde tijdstip, en niet om vijf uur 's ochtends. En er zijn echte toiletten, voor wanneer de nood hoog is. Je hoeft niet met een knorrende maag naar bed, want er is genoeg ongezonde kost voor iedereen. En het verkeer wordt netjes geregeld, zodat je de festivalsite vlot in en uit kunt. Dat was ten tijde van Woodstock wel anders. Het grote verschil is dat er tijdens de sixties maar één echte subcultuur bestond. Vandaag bestaan er minstens tien. Dat maakt het allemaal minder overzichtelijk. Is de muziek écht walgelijk op Pukkelpop? Dat is een kwestie van smaak, natuurlijk. Ik vond Sha-Na-Na destijds ook geen hoogvlieger. In Kiewit staan, gespreid over drie dagen en acht podia meer dan 250 acts geprogrammeerd. Die kun je sowieso niet allemaal zien en dus destilleert eenieder uit het aanbod zijn eigen festival. Wie de shit wil zien, wel, iedereen zijn eigen trip, nietwaar? Maar voor wie zich tot de fijnproevers rekent, is de keuze nog altijd behoorlijk groot. Ik heb per dag gemiddeld 6 à 8 bands gezien (méér lukte niet omdat ik ter plekke recensies moest schrijven) en vrijwel alles wat op mijn programma stond (méér dan wat destijds op de affiche van Woodstock prijkte) was uitstekend. Ik bedoel maar: Pukkelpop is niet één maar vele dingen. En in wat ik er daarna van op tv te zien krijg, herken ik nooit, maar dan ook NOOIT, het festival waar ik jaarlijks naartoe ga. Dat heeft met keuzes te maken: de mijne en die van de reportagemakers. En dat geldt ook voor Woodstock. Mijn conclusie: de dingen zijn nooit wat ze lijken. Dat was zo in 1969 en dat is nog steeds zo in 2015. Generaliseringen, hoe verleidelijk ook, bewijzen niemand een dienst. En ze hebben een bedenkelijk waarheidsgehalte. Woodstock en Pukkelpop waren/zijn elk een beetje verschrikkelijk en een beetje fantastisch. Zoals het leven zelf, met andere woorden.

Martin Pulaski: Dank je voor de nuanceringen, Dirk. En nee, het is mij niet om de waarheid te doen. Met te veel waarheid zou ik niet kunnen leven. Het gaat om subjectieve ervaring en de uitdrukking daarvan. Mijn korte beschouwing is inderdaad gebaseerd op de film ‘Woodstock’ en niet op het festival zelf, en mijn evaluatie van Pukkelpop op wat ik erover zag en las in de media. Sinds 1969 ben ik maar vier keer op een festival geweest (een keer in Bilzen voor Kevin Ayers, twee keer in Peer, waar ik interviews deed en een keer op de weide van Pukkelpop voor Neil Young).

Wat de tijd betreft. In de dagen van Woodstock en de tegencultuur bestond er zeer waarschijnlijk een ander tijdsbegrip dan nu. De tijd was een vijand en werd daarom genegeerd. In films uit die dagen zie je vaak dat klokken worden vernietigd. Bijvoorbeeld in ‘Dagboek van een Shinjuku-dief’ van Nagisa Oshima. In zekere zin bestond de tijd niet meer. Sam Cooke zong het al: “We're gonna stay here till we soothe our souls If it takes all night long” (waar the Rolling Stones nog aan toevoegden: “Time don't mean that much to me”). De 'tegencultuurmensen' hadden veel geduld, meen ik me te herinneren. Als een band twee uur te laat was of zo werd gewoonweg een jointje gerookt.

Of er maar één echte subcultuur bestond betwijfel ik. Alleen al binnen de politieke underground had je verscheidene elkaar bestrijdende fracties. Black Panthers stonden lijnrecht tegenover escapistische 'terug naar de tuin van Eden'-hippies, om maar één voorbeeld te geven.

Maar het was natuurlijk niet allemaal rozengeur en manenschijn. Daarom bleef ik ook van festivals weg. Waar ik het echter vooral over heb is de utopie. De droom is weg, zo lijkt me. Het verlangen naar een andere, betere wereld, en het verlangen naar zelfverwezenlijking door inzicht en kennis, door ‘bewustzijnsverruiming’ (zoals het werd genoemd). De blik die je ziet in de ogen van de jongeren in de film van Michael Wadleigh, die zie ik gewoon niet meer. Nergens. Maar je hebt gelijk, het is maar een film.

Dat de dingen nooit zijn wat ze lijken, dat is volstrekt waar. Maar valt er mee te leven? (Overigens vond ik dat stuntelige van Woodstock ook wel mooi. Hoe bijvoorbeeld de geluidsinstallatie met plastic moest verpakt worden toen het onweer al bezig was. En de zorg voor elkaar, door en door christelijk eigenlijk.)

Dirk Steenhaut: Dat van die subculturen klopt, Martin. Er waren er inderdaad meerdere, maar wat ik bedoel is: rockmuziek (en daartoe reken ik ook folk, blues en soul) was nog relatief jong en verenigde het overgrote deel van de jongeren. Op Woodstock stond alles door elkaar. Vandaag is alles meer verbrokkeld: op Pukkelpop zijn er velen die de hele dag in de dancehall en boiler room (elektronische dansmuziek) of The Shelter (punk en metal) doorbrengen en naar niets anders gaan kijken. En popmuziek is al lang geen exclusieve jongerencultuur meer, waardoor het naïef-utopische vanzelf is verdwenen. In de sixties dacht men nog dat men de Vietnamoorlog kon stoppen. Zovele vuurhaarden verder - Afghanistan, Irak, Syrië, 9/11, IS… - weten we helaas dat geen enkele betoging of sit-in iets tegen de waanzin vermag. In de sixties waren veel dingen nog relatief nieuw en opwindend: de seksuele revolutie, de pil.. Dat bracht (de illusie van) een nieuw soort vrijheid mee. Vandaag weten we dat velen die in mei '68 op de barricades stonden, daarna even machtsgeil zijn geworden als vorige generaties. Het is onvermijdelijk dat zoiets het cynisme voedt. Is zorg dragen voor elkaar door en door christelijk? Ik zou het niet weten, ik ben als ketter opgevoed. Maar het lijkt me een uitspraak waar je veel niet-christelijke volkeren mee te kort doet. Laten die elkaar systematisch in de steek dan? Overigens, het onweer dat ik enkele jaren geleden tijdens Pukkelpop heb meegemaakt en dat vele malen erger was dan op Woodstock (er vielen vijf doden en andere slachtoffers raakten voor het leven verlamd) bracht toch ook in heel veel festivalgangers het beste naar boven. Ik heb toen met eigen ogen gezien hoezeer jong en oud, Pukkelpopbezoekers maar ook omwonenden, voor elkaar zorg droegen en solidair waren met elkaar. Sommige menselijke waarden zijn nu eenmaal niet tijdsgebonden. Je hebt wel gelijk als je stelt dat de Woodstockgeneratie niet dezelfde is als die van vandaag. De wereld is intussen meer dan ooit 'vercorporatiseerd' en het is eigen aan het menselijke ras dat het zich aanpast aan nieuwe contexten. Maar ik zie nog altijd veel jongeren zich engageren voor, pakweg, artsen zonder grenzen, Amnesty, Greenpeace en noem maar op. Ik zie jonge klokkenluiders opstaan die machten aan de kaak stellen die zoveel groter zijn dan zijzelf. De droom is dus niet weg, de droom heeft zich aangepast. En een beetje pragmatiek kon die sixties-generatie nog wel gebruiken...

Martin Pulaski: Je weet natuurlijk dat ik net zo'n ketter ben als jij, Dirk. Ik wil uiteraard helemaal niet beweren dat in andere religies dan het christendom en in het atheïsme geen mededogen, solidariteit, naastenliefde bestaan. Maar ik noemde het door en door christelijk in de context van de Verenigde Staten in 1970. Om dat hier uit te leggen is wat moeilijk. Toch denk ik dat je me zonder verwijzingen naar de bijbel en naar boeken van utopische denkers ook wel begrijpt.

Dat onweer op Pukkelpop zal ik nooit vergeten. Het lijkt wel of ik het zelf heb meegemaakt. Ik lag in het ziekenhuis en was na een tweetal maanden pas weer tot bewustzijn gekomen. Het was geen fijn ontwaken: Breivik, Amy Winehouse dood en het onweer op Pukkelpop.

Met het laatste, dat de droom niet weg is, ben ik het helemaal eens. In mijn tekst gaat het, denk ik, uitsluitend over de unieke droom van alle enkelingen op dat festival dat Woodstock heet. Een utopische droom. Ik spreek me nergens uit over de jongeren nu. Natuurlijk bestaan al die mooie dingen die jij hierboven opsomt nog.

Dirk Steenhaut:  Voilà, hebben we intussen toch maar weer even een interessante discussie gehad, Martin.

Martin Pulaski: Dat is zeker zo, Dirk. Je kritische opmerkingen zijn niet in dovemansoren gevallen.

woodstock, woodstock nation, pop, sixties, sixties pop, rock, popcultuur

 

24-08-15

LEVE WOODSTOCK

joan baez woodstock-1970-03-g.jpg


Als twintigjarige keek ik neer op het hele gedoe dat Woodstock heet. Of ik er al in 1969 over gelezen of gehoord had, kan ik me niet herinneren: ik had geen televisie, geen radio en las geen kranten. Wel is de maanlanding me bijgebleven: ik zag er beelden van door het raam van een of ander huis of appartement ergens aan de Belgische kust toen ik daar een wandeling maakte. Omdat the Byrds er een mooie kleine song over maakten, ‘Armstrong, Aldrin and Collins’, herinner ik mij het evenement des te beter. Ook weet ik nog hoe de moorden van de Manson Family me schokten, en enkele beelden van Altamont zijn me eveneens bijgebleven.

De film Woodstock zag ik in 1970 in de Variétés, een mooie bioscoop met groot scherm, nu verloederd of afgebroken, zoals bijna alle waardevolle gebouwen in Brussel. Ondanks de technische hoogstandjes en de geweldige sound maakte hij niet veel indruk op me. Hoewel ik langharig en werkschuw was herkende ik me niet in de bezoekers van het festival, een kudde hippies, vond ik, die the Woodstock Nation werd genoemd, alsof elke festivalganger deel uitmaakte van een stralende nieuwe wereld, terwijl ze er toch alleen maar stoned bijliepen, ‘no more rain’ scandeerden en pret maakten in de modder. Joni Mitchell, die zelf niet in Woodstock optrad, benadrukte het utopische aspect in haar lied over het festival:

By the time we got to Woodstock
We were half a million strong
And everywhere there was song and celebration
And I dreamed I saw the bombers
Riding shotgun in the sky
And they were turning into butterflies
Above our nation

In weerwil van mijn afkeer, al is dat een te sterk woord, van wat ik in de bioscoop zag, was ik in die dagen toch ook zeer hoopvol gestemd en geloofde ik in de utopie die Joni bezong, al hoorde ik de versie van Crosby, Stills, Nash & Young toen liever. Ik denk dat ik nogal gespleten was: een idealistische dromer maar tegelijk tegen het spektakel en het kuddegedrag van de andere dromende jongeren. Woodstock zei me niets, maar ik las met vuur in mijn hart de berichtgeving in Rolling Stone en andere undergroundbladen over communes, ecologie, vrije liefde en zo meer.

Woodstock 1969-2.jpg

Doorheen de jaren veranderde er niet erg veel aan mijn kijk op het fenomeen Woodstock. Een te gek feest in de modder, met weliswaar geweldige muziek. Maar… things have changed. De voorbije maanden luister ik veel naar pop, rock en soul uit de sixties in de overtuiging dat de kwaliteit van die muziekgenres nooit werd of zal worden geëvenaard. Ik heb mijn best gedaan om iets beters – of ten minste even goed – te vinden, maar tevergeefs. Punk, New Wave, Paisley Underground, Grunge, R&B, Indierock, noem maar op: ik heb het allemaal op de voet gevolgd, en vaak was ik enthousiast, maar nooit was iets even opwindend als ‘I’m Down’ van the Beatles, ‘Paint It Black’ van the Rolling Stones of ‘I Want You’ van Bob Dylan. Ik zou hier honderden songs kunnen noemen, maar deze drie voorbeelden volstaan.

Een week geleden nam ik Woodstock op. Ik neem wel vaker films op die ik nooit bekijk. Enkele dagen geleden zag ik op Canvas terloops enkele fragmenten van Pukkelpop. Welke bands of zangers of zangeressen het precies waren weet ik niet: daar was mijn walging te groot voor. Ik werd er werkelijk misselijk van. Ik besefte, wellicht niet voor de eerste keer, dat een evenement als Pukkelpop in alles het tegenovergestelde is van de festivals in de jaren zestig. In de eerste plaats door de ondermaatse muziek, wat essentieel is, maar zeker ook omdat de droom ontbreekt, ook al is die naïef. Alles wat ik zag was fake. Maar omdat ik een verdediger ben van de populaire cultuur twijfelde ik meteen. Was het geen vooroordeel? Werd ik misschien toch oud?

Ter vergelijking bekeek ik vervolgens een flink deel van Woodstock. Glorieus, vond ik nu. Een wonder. Richie Heavens*, die ik nooit echt heb gemogen, was pure passie: Freedom, freedom, freedom. Canned Heat, met de beer Bob Hite en Blind Owl Alan Wilson, con brio geslaagde studenten van de blues, ingehouden intensiteit, bezetenheid, de ziel vastgeklonken aan iets hogers; en dan Joan Baez, waar ik evenmin een bewonderaar van was, die helemaal alleen met haar gitaar voor een half miljoen muisstille luisteraars, haar stem puur als de sneeuw van toen (niet van nu), het opzwepende vakbondslied ‘Joe Hill’ ten gehore gaf, vervolgens, nu alleen nog haar kristalheldere stem, zelfs geen gitaar meer, de oude negro spiritual ‘Swing Low, Sweet Chariot’. En wat te denken van Joe Cockers ‘With A Little Help From My Friends’? Vertel het me maar, ik heb er geen woorden voor, net zomin als voor de molenwiekende rockarbeider Pete Townshend tijdens de uitvoering van ‘Summertime Blues’. In 1970 hadden de blote borst van Roger Daltrey, de jurk van Richie Havens, het schijnbaar stuntelige gedrum van Adolfo de la Parra en het kapsel van Joan Baez me gestoord; nu zag ik in dat dat uiterlijke details waren, het echte grandioze zat hem in de muziek, in elk detail, in elke noot, maar ook in elk dromerig gezicht van elke festivalganger. Niet een van hen leek op een andere, ze waren stuk voor stuk individuen, jongeren op zoek naar een betere wereld in zichzelf en buiten zichzelf. Ik zag nu dat de jonge hippies de vlinders van Joni Mitchell waren – de bommenwerpers gingen door met bommen werpen.

Wij mogen ons gelukkig noemen. We zijn opgegroeid in vermoedelijk een van de mooiste en meest creatieve periodes in de recente geschiedenis. Lang leve Woodstock!

Woodstock 1969-1.jpg


...

*Jimi Hendrix, John Sebastian, Tim Hardin, Sly & the Family Stone, et cetera, heb ik nog niet herbekeken.

17-08-15

HET BOEK ASTRID

astrid,dood,herinneringen,kroniek,blog,schrijven,vrijheid,openbaarheid,leugen,waarheid,verzinsel,uitgeven,zwijgen,stilte,maskerade,2005,relaas,verlangen,vorm,inhoud,dwang,zinsverbijstering,leesbaarheid,personages,fictie,moraal,zedelijkheid,verantwoordelijkheid,ethiek,elegie,boris vian,boeken,kroniekschrijver

Boeken zou je kunnen schrijven over Astrid. Maar wat ik schrijf zijn kronieken. Of is één enkele, doorlopende kroniek, een dag-tot-dag relaas met onderbrekingen. Die onderbrekingen drukken de dagen, weken uit waarin er niets gebeurt of waarin wat gebeurt niet tot opflakkeringen of ‘oplevingen‘* van het bewustzijn leidt.

Deze kroniek heeft in 2005 de vorm aangenomen van een blog. Tot dan was de kroniek bijna altijd privé geweest, nu werd hij openbaar. Tot dan kon ik schrijven wat ik wilde over wie of wat ik wilde. Rekening houden met wat of wie dan ook was niet nodig. Dat was een mooie compensatie voor het dagelijks leven waarin ik voortdurend met alles en iedereen rekening houd, wat mij jarenlang tot passiviteit, die soms extreem was, heeft gedwongen. In mijn schrijven was ik in zekere zin vrij: ik was nergens verantwoordelijk voor. Ik kon van reële of verzonnen personages tot in de kleinste details hun slechtheid beschrijven, maar net zo goed kon ik hun vaak onbestaande schoonheid en heiligheid bezingen. Dat laatste deed ik doorgaans in wat ik ‘gedichten’ noemde. Voor de wereld buiten mij maakte het geen verschil. Tot 2005 kon ik beslissen of ik mijn kroniek – of delen ervan – al dan niet openbaar zou maken. Of uitgevers konden dat doen, in het geval ik me tot hen richtte, wat zelden gebeurde. Dat laatste waarschijnlijk omdat ik vooraf wist dat ze mij de vrijheid die ik in het schrijven bezat, als het enigszins wilde lukken, zouden afnemen door het in een leesbare vorm te gieten, of mij daar toe te dwingen.

Sinds 2005 is de kroniek een blog. Hoewel ‘blog’ een lelijk woord is ben ik sindsdien gedwongen al wat ik schrijf daar naar te richten. Het gaat om een kracht, een verlangen, waar ik geen vat op heb, om een soort van zinsverbijstering. Soms verlang ik in extreme mate naar die uitingen, naar die in zekere zin toch erg banale vorm van openbaar maken: er bestaan miljoenen blogs. Maar gaandeweg heeft de vrijheid van het schrijven, van de kroniek mij bang gemaakt. Deze openbaarheid legt mij evenzeer aan banden. Een blog is net zo goed een keurslijf als een boek uitgegeven bij een gerespecteerde of verwenste uitgever. De vorm moet niet noodzakelijk leesbaar zijn, hoewel je toch altijd, en steeds meer, gelezen wilt worden. Omdat een blog openbaar is moet je vooral rekening houden met de inhoud, met de beschrijving van je personages, met wat je het ‘reële’ zou kunnen noemen – hoewel filosofen beweren dat je het ‘reële’ het zwijgen oplegt zodra je het in een relaas onderbrengt. Het is onmogelijk om in de openbaarheid om het even wat te doen. Dat geldt ook voor het schrijven. Ik heb het niet eens over de banaliteit van het legale, maar over de ernst van de morele verantwoordelijkheid.

Zoveel woorden heb ik nodig om te zeggen dat ik er aangaande Astrid, mijn overleden ex-schoonzus, grotendeels het zwijgen moet toe doen. Een bloemrijke elegie zal nog wel worden toegestaan (zou ik mezelf toestaan). Wat ik vanuit de vrijheid die ik me nog enigszins kan voorstellen zeer betreur. Zoals ik betreur dat ik in de openbaarheid niet over mezelf kan schrijven, over mijn** vrouwen, over de vrouwen naar wie ik verlangde en verlang, over mijn vrienden, over mijn ouders, over de hele mikmak die het echte leven wordt genoemd. Het enige wat ik kan doen is van Astrid en van alle anderen een andere maken. Haar een masker opzetten, een ander lichaam geven en een andere naam. Dat zou ik kunnen doen. Zoals, bijvoorbeeld, Boris Vian deed, toen hij zich Vernon Sullivan noemde. Een van zijn onder dat pseudoniem uitgebrachte boeken draagt de titel: ‘J'irai cracher sur vos tombes’. Maar ben ik dan nog een kroniekschrijver? Is mijn tekst dan nog een relaas en ben ik dan nog een heel klein beetje vrij?

astrid,dood,herinneringen,kroniek,blog,schrijven,vrijheid,openbaarheid,leugen,waarheid,verzinsel,uitgeven,zwijgen,stilte,maskerade,2005,relaas,verlangen,vorm,inhoud,dwang,zinsverbijstering,leesbaarheid,personages,fictie,moraal,zedelijkheid,verantwoordelijkheid,ethiek,elegie,boris vian,boeken,kroniekschrijver

...

*Martha Nussbaum noemt het ‘upheavals’.
**Het bezittelijk voornaamwoord drukt hier uiteraard geen bezit uit.

Foto's:
Boven: Mijn broer en ik.
Onder: gemaskerd ga ik door het leven.

14-08-15

HERINNER JE JE ASTRID?

broer+astrid.jpg

Astrid is nu bijna zes maanden dood. Heeft ze van haar ouders de naam van de geliefde Belgische koningin gekregen? Ik weet het niet. Hoewel ze vijftien lange jaren met mijn broer lief en vooral leed heeft gedeeld heb ik nooit een gesprek gehad met haar ouders. Wel met haar jongere zus, Lucienne, maar met haar praatte ik net zomin over het vorstenhuis als over de familie. Nolf, de vader, was een groentenboer. Van hem herinner ik me alleen nog zijn stofjas en zijn aftandse bestelwagentje. Van Astrids moeder niets meer. Van haar broer alleen maar dat hij zelden zijn kamer verliet. Hij zal wel een zonderling geweest zijn. En Lucienne? Lucienne was een tijd lang mijn vriendinnetje, maar dat is een ander verhaal. Van haar bezit ik een foto, waardoor ik weet hoe ze eruitzag. 

Het is allemaal erg lang geleden. We leven nu in een andere wereld; niets lijkt nog op hoe het in die dagen was, zelfs de muziek en de boeken niet. Niets kan die tijd weer oproepen, zelfs de herinneringen zijn aangetast door de dagen, maanden, jaren die daarna gekomen en gegaan zijn, en door het nu. Elk ogenblik vervormt, verminkt de herinneringen of wist ze uit.

Ik was erbij toen mijn broer Astrid ontmoette. Ongeveer dertien jaar zal ik geweest zijn. Het gebeurde waarschijnlijk in het laatste jaar van mijn gevangenschap in het Kinderdorp van Rekem, waar ik de geliefde jongen was van de juffrouwen, vooral van de stagiaires, en een doorn in het oog van Moeder Overste. Die laatste was van mening dat ik te veel wist en, erger nog, te veel naar de muziek van de duivel luisterde. De twist dansen, wat ik ‘s avonds soms deed met een van de stagiaires, was, denk ik nu, nog zondiger dan in de appel van de kennis bijten. Het was mijn geluk dat ik niet lang meer in het Kinderdorp zou moeten blijven. Mijn ouders, die er mij niet met slechte bedoelingen hadden laten opsluiten, hadden na drie jaar gedaan gekregen dat ik elk weekend naar huis mocht. De eerste jaren was dat alleen maar met Kerstmis, Pasen en in de grote vakantie.
Op zaterdagavond mocht ik soms mee naar de Metropole, het danscafé van Leontine. Daar werden vooral Duitse schlagers gedraaid. Ik herinner mij nog ‘Leila’ van Die Regenpfeifer, ‘Sag' Mir Was Du Denkst’ van  Conny Froboess & Peter Kraus en ‘Schuld war nur der Bossa Nova’ van Manuela, singles die al grijs aan het worden waren. Elke keer als mijn vader en mijn broer een pintje bestelden, en mijn moeder een koffie of een limonade, kreeg ik een reep chocolade. Mijn voorkeur ging naar bananensmaak.
In de Orchidee was het zwoeler dan in de Metropole. Er was een dansvloer met verlichte glazen tegels. Paars, blauw en rood – de kleuren die ik ook van op de kermis kende. Ook daar namen ze mij, ondanks mijn jeugdige leeftijd, soms mee naartoe. Mijn broer danste er met de meisjes op de opwindende muziek van Elvis, Fats Domino, Paul Anka en Brenda Lee. Van die meisjes vond ik Astrid de mooiste, de aantrekkelijkste, degene die het beste danste. Dat meisje, drukte ik mijn broer op het hart, moet je lief worden. Ik denk dat mijn advies niet echt nodig was. Na die eerste avond was François stapelgek op Astrid.

Ongeveer een jaar later waren ze man en vrouw. Over die vijftien jaar huwelijk zou je een boek kunnen schrijven, zoals de mensen zeggen. Meerdere boeken. Een romance, een zedenschets, een William Faulkner-achtige streekroman, vol geraas en gebral, een tragedie. Verwacht iets dergelijks niet van mij. Hoewel ik Astrid niet helemaal aan de vergetelheid zal prijsgeven. Alzheimer heeft vijftien jaar tijd gehad om dat te doen, net zo lang als het huwelijk, dat ergens in het begin van de jaren tachtig in een café in Heusden, terwijl ik er met mijn geliefde op 'Da Ya Think I’m Sexy' danste, op dat ogenblik ook al een roestige single, op de klippen liep.

08-08-15

EEN KLEINE EICHMANN

stratego.jpg

Enkele dagen geleden voelde ik me opeens een kleine Eichmann. Sinds juni 2005 heb ik een account bij Flickr, een populair sociaal netwerk voor voornamelijk amateurfotografen dat enkele jaren geleden leek te zullen verdwijnen, vooral na de opkomst van Facebook, maar nu bezig is de schade in te halen. Aanvankelijk was Flickr ook zeer geschikt voor geschreven communicatie, wel altijd met als uitgangspunt bepaalde foto’s, maar de dialoog kon alle richtingen uitgaan. Op die manier heb ik enkele vrienden gemaakt, die ik ook in het echte leven heb ontmoet. Dat aspect van Flickr is zo goed als verdwenen.

Na al die jaren had ik honderden contacten, mensen die ik volgde of vice versa. Van velen had ik geen idee wie ze waren, vaak had ik er al jaren niets meer van gehoord. Onder meer omdat sommige van de ‘followers’ – ik noem ze graag volgelingen – een schaduwbestaan lijken te lijden. Ze hebben niet echt een profiel, ze posten zelf geen foto’s, vaak zijn ze enkel geïnteresseerd in erotische foto’s of in porno. Dat zie ik als ik naar hun zogenaamde favorieten ga kijken: bijna niets dan vunzigheid. Die laatste categorie, die van de perverten, lijkt me evenwel een kleine minderheid van de Flickr-gebruikers. Toch besloot ik om in mijn contacten te gaan snoeien. Ik begon met iedereen die de voorbije zesendertig maanden geen foto’s had gepost te schrappen. Dat leek me zeer tolerant. Je bent toch op flickr om beelden met de wereld, met de anderen te delen? Na het lezen van enkele namen of pseudoniemen van mensen die ik tien jaar geleden bijna als vrienden was gaan beschouwen (flickr was toen nog vrij klein, het leek of iedereen iedereen kende), kwamen herinneringen naar boven. Aan foto’s, aan wat ik me over de levens van de mensen die ze hadden gemaakt had voorgesteld. Een soort van ingebeelde of verzonnen herinneringen. In je verbeelding creëer je op basis van enkele gegevens het leven van de anderen. Doordat die herinneringen, vrij schaars weliswaar, naar boven kwamen veranderden de contacten in échte mensen, waarvan ik in sommige gevallen gedacht had dat ik ze redelijk goed had gekend. Dat was natuurlijk niet voor iedereen zo. Heel veel namen en pseudoniemen zeiden me niets, ook al omdat ze me waarschijnlijk nooit iets hadden gezegd. Maar na het schrappen van een honderdtal contacten – voor degenen die ik echt goed had gekend maakte ik een uitzondering, zelfs al hadden ze zes jaar niets meer gepost – hield ik het voor bekeken.

Met wat was ik bezig? Wat was er gebeurd met de fotografen die wel nog een account hadden maar zwegen? Ik vermoedde dat een deel van hen was getrouwd en nu hard moest werken en voor de kinderen zorgen. Het huis afbetalen, de auto. Geen tijd meer voor foto’s, zeker niet die van anderen, van vreemden. Voor anderen was de fotografie een vluchtig tijdverdrijf geweest, ze hadden zich nu toegelegd op tekenen of tuinieren of op de studie van het Sanskriet. Een enkeling was blind geworden na een auto-ongeval. Sommigen waren aan aids ten prooi gevallen, of aan kanker. Ja, de dood gooit overal roet in het eten. Mij heeft hij in de zomer van 2011 ook bijna te grazen genomen. Nu vier jaar geleden lag ik al bijna twee maanden in het ziekenhuis, gelukkig met het vooruitzicht van een bijna volledig herstel.

Ja, met wat was ik bezig? Hoe kunnen wij ons soms zo onbezonnen, zo onnadenkend zijn, ons zo onverantwoordelijk gedragen? Ik kreeg het gevoel dat ik bezig was mensen vanop een afstand, via mijn laptop, fysiek uit te schakelen. Een kleine Eichmann. Ik hield er meteen mee op. Maar de honderd of zo contacten die ik al verwijderd had zijn definitief weg. Nooit zal ik weten wat met de mensen achter die verdwenen namen is gebeurd.
communie1.jpg

...

Foto's: uit de reeks 'Autobiografie'. Fotografen onbekend. Boven: Jean-Pierre en ik spelen Stratego, Neerharen, 1965. Onder: Plechtige Communie, Tournebride, 1962.

 

01-08-15

ZERO DE CONDUITE: HELLO, IT'S ME

la notte 1.jpg

Zéro de conduite is een POPprogramma op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 ’s avonds. Een muzikaal evenement voor allen en voor niemand. Uniek in de kosmos. Stem af op 106.7 FM. Je kunt Zéro eveneens via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over de radio.

Net zoals in pop kan in Zéro de conduite heel veel, traagheid, onzin, slecht gedrag, liefdesverdriet, vals gezang, wiskunde, zelfs psychoanalyse. Hoewel ik zelf geen discipel ben van Sigmund Freud, en al evenmin van Jacques Lacan, heb ik toch niet zo’n diepe afkeer van deze stroming in de psychologie en filosofie als Vladimir Nabokov. ‘Ik’, ‘zelf’ en ‘zelfs’: we komen al in de buurt van het nieuwe thema, waar we maar geen Nederlands woord voor vinden: het Franse ‘moi’ en het Engelse ‘me’. Er is natuurlijk altijd ‘ik’, om het met Elvis te zeggen (‘There’s Always Me’), maar dat is toch nog een ander ding. ‘Ik’ volstaat niet. ‘Je est un autre’. Is it ‘me’? Laten we voorlopig maar niet verloren lopen in woorden en spielereien en laten we ons evenmin door spiegelbeelden en dubbelgangers laten bedriegen. Laten we als uitgangspunt het liedje ‘I Me Mine’ van The Beatles nemen:

All I can hear I me mine, I me mine, I me mine,
Even those tears I me mine, I me mine, I me mine,
No-one's frightened of playing it,
Everyone's saying it,
Flowing more freely than wine,
All through the day I me mine.


Deze woorden van George Harrison duiden het complexe probleem op een eenvoudige manier aan. Vanavond komen heel wat eigenschappen van het ‘zelf’, om het ‘ik’ zo maar een keer te noemen, aan bod. In een dertigtal songs, gekozen uit een preselectie van ongeveer vijf uur muziek. Met pijn in het hart heeft de man in mij – of is het een beest? - tientallen zelven het spreken ontzegd. Desondanks is twee uur voor één psychoanalytische sessie bijzonder lang. Maar jullie, luisteraars, zijn bijzondere patiënten, die deze DJ gaarne verwent. Geniet van de tranen en het gelach van het ego.

bobdylan_dougsahm.jpg

Hello It's Me - Todd Rundgren - Something/Anything? (1972)

The Darker Days Of Me & Him - PJ Harvey - Uh Huh Her (2004)

Why did I come here?
Please tell me again
Why did you ask me?
Don't say you forget

The Age Of Self - Robert Wyatt – Old Rottenhat (1985)

Give Me Back My Name - Talking Heads - Little Creatures (1985)

The Selfishness In Man (Leon Payne) - Buddy & Julie Miller - Written In Chalk (2009)

And Me - Ian Matthews & Matthews' Southern Comfort - Later That Same Year (1970)

Less Of Me - The Everly Brothers – Roots (1968)

A Picture Of Me (Without You) - George Jones - Columbia Country Classics - A Picture Of Me (Without You)

The Beast In Me - Johnny Cash - American Recordings  I (1994)

Up To Me - Roger McGuinn – ‘Dylan Uncovered’ (Mojo 2005)

Hey Mister, That's Me Up On The Jukebox - James Taylor - Mud Slide Slim And The Blue Horizon (1971)

You Turn Me On I'm A Radio - Joni Mitchell - For The Roses (1972)

A Brand New Me - Aretha Franklin – Young, Gifted And Black (1972)

All Of Me - Billie Holiday With Eddie Heywood & His Orchestra - Lady Day: The Best Of Billie Holiday

I Want Everyone To Like Me - Randy Newman - Bad Love (1999)

I want everyone - to like me.
That's one thing I know for sure.
I want everyone - to like me.
'Cause I'm a little insecure.

aretha-franklin.jpg

I Said Goodbye To Me - Harry Nilsson - Aerial Ballet (1968)

Don't Think It's Me - Smokey Robinson & The Miracles - Make It Happen (1967)

I Can't Be Me - Eddie Hinton - Country Got Soul Volume Two (2004)

Just Like Me - Paul Revere & The Raiders – Just Like Us (1966)

Call Me Animal - MC5 - Back In The USA (1970, produced by Jon Landau)

The Real Me - The Who – Quadrophenia (1973)

Poor Poor Pitiful Me - Warren Zevon - Warren Zevon (1976, produced by Jackson Browne)

Why Am I So Short? - Soft Machine - The Soft Machine Volume One (1968)

Am I What I Was Or Am I What I Am - Traffic - Here We Go 'Round The Mulberry Bush (1968)

I Me Mine - The Beatles - Let It Be (1970)

That's Not Me - The Beach Boys - Pet Sounds (1966)

I went through all kinds of changes
Took a look at myself and said that's not me
I miss my pad and the places I've known
And every night as I lay there alone I will dream


I Am A Child - Buffalo Springfield - Last Time Around (1968)

Who Am I - Country Joe & the Fish - I-Feel-Like-I'm-Fixin'-To-Die (1967)

Did She Mention My Name - Gordon Lightfoot - Did She Mention My Name (1968)

It Ain't Me Babe - Bob Dylan - Another Side Of Bob Dylan (1964)

Me And My Destiny - Sir Douglas Quintet - The Return Of Doug Saldana (1971)

Nancy And Me - Lee Hazlewood - Poet, Fool Or Bum (1973)

Creeps Like Me - Lyle Lovett - I Love Everybody (1994)

Where I Lead Me - Townes Van Zandt - Delta Momma Blues (1971)

Ask the boys down in the gutter
Now they won't lie cause you don't matter
The street's just fine if you're good and blind
But it ain't where you belong

Things That Scare Me - Neko Case – Blacklisted (2002)

Bittersweet Me - R.E.M. - New Adventures In Hi-Fi (1996)

Heart Of Darkness - Sparklehorse – Vivadixiesubmarinetransmissionplot (1995)

Not Me (Colin Newman) - This Mortal Coil - It'll End in Tears (1984)
morgan-a-suitable-case-for-treatment-1966-001-david-warner-vanessa-redgrave-00m-vnq.jpg

Research & presentatie: Martin Pulaski & Me.