22-04-15

VERSLAG VAN EEN WANDELING

herman claeys 001.jpg

Om wat gemoedsrust te vinden besluit ik een wandeling te maken. Links van mij de drukke steenweg, aan mijn rechterhand groene velden achter een prikkeldraadomheining. Een vriendelijke blonde jongen, echt het outdoor type, is mijn gids. Hij zal me tot aan een verkoelende veldweg leiden en nog een eindje verder. Onderweg vertelt hij me een en ander over zichzelf. Hij toont me zijn armen – allebei zijn ze gebroken geweest, aan de polsen. Nog niet helemaal geheeld. Een brutale medeleerling van hem heeft dat gedaan. Die had de jongen gewoon even krachtig bij de polsen gegrepen. In een oogwenk was het gebeurd. Eerst had hij geen pijn gevoeld, maar daarna, een minuut of vijf later!
“Gebruld dat ik heb!”
“Die gast moet zich dan wel schuldig gevoeld hebben, zeker?” vraag ik.
“Helemaal niet” zegt de jongen lachend, “die was er zelfs trots op…”
Zo’n echt fascistisch mannetje, denk ik bij mezelf en ik vermoed dat de jongen er net zo over denkt.
“Zie je daar recht voor je dat bordje. ‘Aurora’ staat er in Pruisisch blauwe letters op. Wel, daar moeten we rechts afslaan. Daar wordt het bijzonder fijn om te wandelen.”

We slenteren door zomerse velden. Idyllisch op het eerste zicht, maar er hangt iets dreigends in de lucht. Het verhaal van de jongeman laat me maar niet met rust. Een half uur laten komen we in een dorp aan. Was dit niet het doel van mijn korte reis? We nemen afscheid en ik begeef me naar de grote dorpsgelagzaal waar ‘Just A Gigolo’, een film van David Hemmings, wordt vertoond. Ik heb het gevoel dat ik binnenstap in een mij uit mijn kinderjaren vertrouwde omgeving. In de zaal doven de lichten.
De film begint.

In de eerste sequens zien we een ogenschijnlijk gewone misdadiger een trappenhal van een Berlijns herenhuis binnenkomen. Wij – of is het de camera? – bevinden ons op de eerste verdieping van het huis. We zien de wenteltrap met grillige Jugendstilleuning in metaal. Vervolgens beneden de man, die omhoog kijkt. Zijn gezicht is nog in schaduw gehuld. Daarna een close-up van zijn gezicht. Het is Hitler. Zijn ogen zwart omrand, een priemende, boosaardige blik. Een zwarte lok over zijn voorhoofd. Ik hoor een stem die ik van ergens ken vragen:
“Zou Hitler er zo uitgezien hebben?”
Zelf vraag ik me af hoe een acteur zo sterk op Hitler kan lijken.
Nu ben ik niet langer toeschouwer: ik ben in de ruimte van de film, van het verhaal zelf… Maar passief, niemand van de anderen kan me zien.
David Bowie, die de hoofdrol speelt, richt zich rechtstreeks tot het publiek.
“Wat je nu ziet,” zegt hij, “zijn mijn 32 Elvis Presley-films in één keer”.

De jongen die mijn gids was heeft zich in een klaslokaal van een naburige school teruggetrokken. Niet op zijn gemak, schichtig om zich heen kijkend, alleen. In een gebroken wit geverfde wand van het lokaal zie ik grote openingen die toegang geven tot een tweede klaslokaal. In het klaslokaal aan mijn linkerkant zitten de Nationalisten. Deze jongeren zien eruit als brave smeerlapjes: ze spreken en zingen in de Duitse taal, zoals die in de jaren dertig klonk. Ze verdedigen de fascistische ideologie van het Vaderland. In het andere lokaal zitten de Socialisten, die Italiaans spreken en zingen. Straatjochies, zo lijkt het wel. Duidelijk minder ernstig dan de Duitstaligen. In hun ogen blikkert dezelfde humor als die van de oude film ‘Zéro de conduite’. De jongen die mijn gids was moet kiezen tussen een van de twee klassen maar zou zich veel liever afzijdig houden. Wat gebeurt er daarna met de lieve jongen?

Af en toe steekt iemand van de ene klas zijn hoofd door een van de gaten in de gebroken wit geschilderde wand om met de andere klas mee te doen, ja, om zogenaamd te sympathiseren met het andere kamp. Ik span me in om te verstaan wat de Socialisten zeggen. Maar eenvoudig is dat niet – deze potpourri van klanken. En toch geeft het een mooi effect, al die talen door elkaar. Ik onderscheid nu zelfs Nederlandse woorden. Een oudere man houdt een aanvankelijk onverstaanbare redevoering. Geleidelijk aan gebruikt hij meer Nederlandse woorden. Na een poos hoor ik geen enkele andere taal meer.

Nu heb ik het door. Dankzij een of andere truc heb ik de ruimte van de film kunnen verlaten en ben ik weer een gewoon toeschouwer. Woedend wend ik me tot de uitbater.
“Dit is een groot bedrog. Wat hier vertoond wordt is een gedubde versie, er zijn immers geen ondertitels.”
"..."
“Ik wil mijn geld terug” zeg ik.
De man bekijkt me onderzoekend en weigert.
“U had buiten moeten aankondigen dat het geen oorspronkelijke versie is,” zeg ik.
“Ga dan maar eens kijken buiten” zegt hij.
Uitzinnig van woede loop ik naar de bar, waar een aantal dorpelingen staan te praten en te drinken.
“David Bowie heeft een prachtige stem!” roep ik uit.
Dit herhaal ik een keer of drie.
Niets dan apathie. Toch blijf ik hopen op de solidariteit van de aanwezigen. Waar is mijn jonge gids dan gebleven? Ik bestel een dubbele bourbon en drink hem snel leeg.
“Nog veel nationalistisch genot!” brul ik voor ik de deur van de grote dorpsgelagzaal achter me dichtsmak.

Enkele straten met niets dan verweerde huisjes en ik ben weg uit de dorpskom. Daarna terug langs de veldweg. De mist hangt dicht boven de velden.

De commentaren zijn gesloten.