30-11-14

BRIEVEN VAN MEISJES

HELEN1 001 (2).jpg

Moonchild noemde ik haar, maar ze heette Helen Chrisopoulou. Vanmorgen meteen na het ontbijt wilde ik uitgebreid over haar schrijven. Twee jaar lang, van 1968 tot de herfst van 1969, schreef ik haar elke week een brief van tien bladzijden en zij schreef me elke week een brief van tien bladzijden terug. Ze was een meisje van Griekse origine maar woonde in Istanbul. Om echter over haar iets op papier te kunnen zetten moest ik eerst haar foto’s terugvinden. Ik wist dat het er tientallen waren. Twee, drie uur heb ik gezocht in de oude koekjesdozen van Delacre waar ik mijn foto’s in bewaar, zonder resultaat.
Haar brieven, of wat er nog van overblijft, vond ik wel terug. Mijn oog viel echter op nog een ander stapeltje brieven, van Claudia. Dat was in dezelfde periode mijn levensechte liefje van een paar dagen; kort maar intens. Ik leefde toen vijf levens tegelijk, besef ik nu, en had bijgevolg vijf vriendinnen nodig. In die dagen was ik er echter van overtuigd dat niet één meisje om mij gaf. Hoe bizar toch? Ik was helemaal vergeten dat Claudia me zoveel brieven had geschreven. Ik was zelfs vergeten dat ze hoe dan ook nog van zich had laten horen na die paar vurige zomerdagen. Wat waren haar brieven mooi, en levensecht en openhartig. Heb ik dat destijds niet gezien, niet gevoeld? Ik weet het niet. Ik ben zoveel vergeten. Ik zal naar Claudia en de vier andere meisjes zeker ook heel wat brieven hebben getypt op die oude Remington. Ja, getypt, omdat ik mijn handschrift veel te lelijk en vooral te onregelmatig vond. Zeker echter was het leeuwendeel van wat ik aan het papier toevertrouwde aan Helen, mijn Moonchild, gericht, het meisje dat het verst van me weg was en naar wie ik het meest verlangde. Het verhaal over die correspondentie zal voor morgen of overmorgen zijn. Eerst die foto’s terugvinden. Ze liggen hier ergens vlakbij. Ik kan bijna het blauwe luchtpostpapier ruiken van de enveloppe waar ik ze in heb opgeborgen, dat weet ik zeker.
claudi1.jpg

29-11-14

HERMAN CLAEYS EN DE VRIJHEID

herman claeys 002.jpg


Herman Claeys was een goede vriend van me. Hij heeft veel miserie gekend, onder meer door zijn onvoorwaardelijke inzet voor de vrijheid van meningsuiting en voor de vrijheid in het algemeen, maar dan wel niet in de betekenis die vrijemarkt-economen en allerlei liberaal gespuis in maatpakken eraan geven. Zijn Free Press Bookshop in de Spoormakersstraat te Brussel was een unieke onderneming. Elke keer als je er binnenstapte was het alsof je een betoverde wereld betrad. Alle bestaande wetten vielen er weg, tenzij misschien die van de zwaartekracht. Toen ik pas in Brussel woonde, in september 1969, miste ik mijn lijfblad Aloha en een aantal andere undergroundtijdschriften, waaronder Rolling Stone, International Times en Chicago Seed.

Nog in Limburg was ik altijd naar Maastricht gefietst om mij van boeken, elpees en tijdschriften te voorzien. Omstreeks 1966 was Hitweek, dat later Witheek en tenslotte Aloha werd, mijn lijfblad geworden. Samen met de boeken ‘Vogelvrij’ en ‘Weergaloos’ van Simon Vinkenoog veranderde het unieke tijdschrift mijn leven. Achteraf beschouwd weet ik niet of dat al dan niet een zegen was. Alleszins begon ik te beseffen dat er dingen als vrijheid, communicatie, expressie, liefde, seks, genot en roesmiddelen bestonden. In het Atheneum in Tongeren stond ik eerst alleen met de opvattingen die ik bij Vinkenoog en in Hitweek had gelezen, maar gaandeweg ontmoette ik enkele jongens – en buiten de school ook meisjes - die interesse toonden voor de nieuwe en frisse ideeën die toen in de lucht hingen. Opeens leek het leven een droom te worden, geen geparfumeerde nachtmerrie, maar een échte dagdroom, helder en mistig tegelijk en overal kon je de geur van seringen en lelies ruiken en in groten getale vlogen de roodborstjes om ons heen. De sixties zijn omstreeks 1965 begonnen en ik schat dat zo’n twee procent van de Belgische jongeren van toen er iets van hebben opgevangen; in steden als Antwerpen, Gent, Brussel en Charleroi misschien vijf procent. Daarom ging ik steevast in Maastricht op zoek naar voedsel voor de geest. Nederland was toen een gidsland, weet je wel.

Maar goed. In Brussel ontdekte ik door toedoen van een nieuwe vriend de Free Press Book Shop. Wat later opende Herman Claeys de beatnikkelder De Dolle Mol aan de Kaasmarkt, waar vooral schrijvers zich thuisvoelden. Op de Kaasmarkt hingen de Brusselse hippies rond, tot ze er weggejaagd werden door de Belgische Opsporingsbrigade. Er moest plaats worden gemaakt voor toeristen en pitatenten. In 1971 heb ik als barman in De Dolle Mol Herman Claeys beter leren kennen. Hij was niet altijd even prettig in de omgang, maar dat was ik zelf ongetwijfeld ook niet. De rest van het verhaal over Herman en De Dolle Mol heb ik hier al eerder verteld, naar aanleiding van zijn overlijden op 29 december 2009, nu alweer bijna vijf jaar geleden.



IMG_0945.JPG

Foto's: fotograaf foto Herman Claeys onbekend, foto Hitweek: Martin Pulaski, 29 11 2014.

28-11-14

VERLOREN IN DE WERELD

bio9 001.jpg

Altijd al hoorde ik graag songs over zwervers, hobo’s, zigeuners, circusartiesten en zo meer. Mensen zonder thuis en zonder echt vaderland. Wellicht viel ik om die reden ook meteen in de zomer van 1965 voor ‘Like A Rolling Stone’. Ik hield van zulke liederen omdat ik een schipperskind was, en hoewel schippers zelfstandigen waren en zich, in België althans, konden herkennen in de programma’s van liberale partijen - ook al hadden ze weinig tijd om die uit te pluizen en waren ze bovendien meestal laaggeschoold -, hadden zij geen huis en geen thuis en net als de personages die de liedjes die ik zo graag hoorde bevolkten geen echt vaderland.

Geen thuis hebben om naar terug te keren is wellicht een van de ergste dingen die een mens kan overkomen. Daarin zijn evenwel gradaties: ik kan mijn toestand onmogelijk vergelijken met die van iemand als Jean Améry, waar Sebald zo aangrijpend over schrijft in ‘Campo Santo’. Ik ben geen Europese jood wiens volk en cultuur is uitgeroeid en wiens huis, dorp, stadswijk, is verwoest. Ik ben geen zigeuner die overal met de vinger gewezen en weggejaagd wordt, ik ben geen zwerver die nergens meer naartoe kan en evenmin ben ik een dakloze wiens leven zich afspeelt op ongeveer vijftig vierkante meter. Maar toch voel ik me, omdat ik nooit naar mijn vaderland terugkeren kan, onzeker en voor altijd verloren in de wereld. Ik kan niet terug naar waar ik vandaan kom, want ik kom nergens vandaan.

Ik zag het levenslicht in een moederhuis op een steenworp van het Straatsburgdok in Antwerpen. Mijn vader was een natuurlijk kind uit een arme boerenfamilie in Neerharen. Mijn grootvader heb ik nooit gekend. Wellicht was hij een Dumonceau, een de Lambert of een van Langendonck, families die eigenaar waren van wat het ‘kasteel’ van Hocht werd genoemd, waar mijn grootmoeder als dienstmaagd werkte. Het kasteel was oorspronkelijk een abdij, gesticht in 1180 door Diederik van Pietersheim. De abdij was toegewijd aan Sint-Agatha, een naam die me altijd gefascineerd heeft. Wat hield ik van het incestueuze toneelstuk ‘Agatha’ van Marguerite Duras! In 1708 kwam de abdij in handen van Marie-Ursule de Minckwitz, de zogeheten 'Vrouwe van Neerharen'. Na de Franse revolutie werd het landgoed het bezit van de hierboven genoemde adellijke families. Welke familie er verbleef  toen mijn vader geboren werd heb ik nog niet kunnen achterhalen. Maar net zo goed kan hij de zoon geweest zijn van een stalknecht. Na als arme jongen op het veld te hebben gewerkt en enkele jaren in de koolmijn van Eisden huwde hij mijn moeder, schippersdochter. Hoewel haar ouders altijd schippers waren geweest, net zoals haar grootouders, had zij toch ook familie aan de wal, voornamelijk in het Antwerpse. Mijn moeder had niet lang school gelopen, hooguit vijf jaar, maar ze was intelligent, kon goed rekenen en schrijven – in een bijzonder verzorgd handschrift – en las graag romans. Bovendien sprak en schreef ze uitstekend Frans. En hoewel ze schippersvrouw was kon ze er als een ‘echte dame’ uitzien. Mijn band met Antwerpen is er door mijn moeder gekomen, maar ook mijn wanderlust. Het verlangen naar vaste grond onder de voeten had ik van de boerenjongen die mijn vader altijd is gebleven.
bio13 001.jpg

Tot mijn achtste ben ik ononderbroken op het schip gebleven. Een ander leven kende ik niet. Vriendschappen, als ze al bestonden, waren zeer vluchtig, een dag, soms wat langer. Lezen, schrijven en rekenen leerde ik van mijn moeder. Omdat ik een zwak kind was, ten gevolge van astma, wilden mijn ouders me niet, zoals mijn oudere broer, naar een schippersschool sturen. Zo kwam ik op aanraden van dokter Couvreur in Antwerpen in een kinderkolonie terecht, het Kinderdorp Molenberg te Rekem, waar ik al eerder over schreef. Een idyllische hel midden in de bossen vlak bij Opgrimpbie, waar Koning Boudewijn een domein bezat. Daar was ik een brave, gelovige, voorbeeldige en uitmuntende leerling. Maar ik was ook diep ongelukkig vanwege het bruuske afscheid van mijn ouders en van het toch wel avontuurlijke leven op het water. Ik was ook opvliegend van aard. Tijdens vakanties verbleef ik wel weer op het schip en voelde ik me stukken beter, hoewel al vervreemd van dat leven en van de taal die mijn ouders spraken. In het kinderdorp werd mij Nederlands aangeleerd, zij het met een Limburgs accent. De eerste jaren bad ik veel tot God, altijd in mijn eigen woorden; later begon ik liefdesbriefjes te schrijven naar Veronica en Betsy. Na vier jaar moest ik weg uit Rekem, omdat ik mijn geloof had verloren en in de ogen van Moeder Overste aan heiligschennis deed. Zo kwam ik in het Home voor Schipperskinderen in Eisden terecht, het mijnstadje waar mijn vader nog had gewerkt. Een fascinerende omgeving was dat, niet ver in afstand van Rekem maar toch een andere, een exotische wereld. Van vier uur ’s avonds tot de vroege ochtend verbleef ik in het home, dat nieuw was en helemaal niet streng, integendeel. Zelfs het eten was er lekker. Overdag fietste ik naar de reguliere school, het Atheneum van Eisden. Veel van mijn vriendjes en vriendinnetjes en medeleerlingen hadden vreemde namen, vooral Italiaanse en Poolse. Ik zal zeker nog niet beseft hebben dat zij net als ik ‘anders’ waren, outsiders in zekere zin. Tijdens de weekends kon ik nu naar ‘huis’. Ik verbleef dan ofwel op het schip, als dat toevallig aangemeerd lag in Neerharen, ofwel – ook in Neerharen - bij Berb, een nicht van mijn vader, ofwel bij Jefke en Louise, die een winkel hadden. Ik geloof dat Jefke samen met mijn vader in het verzet had gezeten. Stilaan bouwde ik in dat dorp een vriendenkring op. Ik begon me er thuis te voelen, ook al kende ik het dialect niet.

Voor de laatste vijf jaren van de middelbare school verbleef ik in het internaat van het Koninklijk Atheneum te Tongeren. Daar werd ik aanvankelijk gepest, maar omdat ik kon vechten en niet zo dom was als aanvankelijk misschien werd gedacht, dwong ik al gauw respect af en kreeg ik vrienden. Van Tongeren hield ik niet echt, wel van Hasselt, waar sommige van mijn vrienden vandaan kwamen. En nog meer van Maastricht, een mooie stad aan de Maas, waar ik boeken, platen en modkleren ging kopen. Tijdens de weekends trok ik nog altijd naar Neerharen, maar daar begon ik mij geestelijk van te verwijderen. Eigenlijk begon ik neer te kijken op de dorpsmentaliteit. De grote, bruisende, flitsende, coole wereld opende zich voor mij. Dat deed hij in boeken, in films, op televisie, in de winkels van Maastricht en vooral in popmuziek. Het werd me duidelijk dat Neerharen, Rekem, Eisden en zelfs Tongeren en Hasselt te klein voor me waren. Ik droomde van Londen en andere grote steden.
bio15 001.jpg

Brussel, waar ik eerst film en daarna filosofie zou studeren was geen slecht alternatief maar de stad van mijn moeder, Antwerpen, heeft me altijd meer aangetrokken. Na mijn studies en de mislukking van mijn eerste huwelijk ging ik daar wonen en werken. Overdag schreef ik tot ik erbij neerviel, ’s avonds dronk ik en tijdens de weekends werd er de hele nacht gedanst. In Antwerpen was ik ziek, euforisch, gelukkig, straatarm en even verloren als waar dan ook. Mijn beste vrienden wonen er, maar ik kon er niet blijven. Ik moest naar Brussel terugkeren.

Sinds 1991 woon ik hier nu als een banneling. Al die jaren al loop ik verloren in mijn stad, die een weerspiegeling is van de wereld. Meer dan eens ben ik al verdwaald, veel meer dan in New York, Londen of Lissabon. Ik moet altijd dezelfde metrolijn, dezelfde tram, dezelfde bus nemen of ik weet niet waar ik terechtkom en ben dan hulpeloos en bang. Maar wat een genoegen als ik toch eens een ander parcours neem! Op zo’n momenten – die lang  kunnen duren – is verdwalen een genot. Maar dat is literatuur, het is literair dolen en in de wereld zijn. Ik ben meer vertrouwd met de personages in de boeken en de films die hier staan dan met de mensen in mijn straat en in de andere straten van deze stad. Niemand groet mij en ik groet niemand. Omdat ik als kind zoveel afscheid heb moeten nemen kan ik geen gezichten herkennen en herinner ik me alleen maar namen van mensen die mij diep geraakt hebben met iets wat ik niet noemen kan. Die weinige mensen zijn mij dierbaar en houden mij in leven en doen mij verlangen naar een ander vaderland. Daar verblijf ik ’s nachts. Mijn vaderland, mijn thuis, is dan een conglomeraat van alle oorden waar ik ooit een dag, een week, een jaar heb doorgebracht. Alles is daar tegelijk vreemd en vertrouwd, angstaanjagend en verrukkelijk, wreed en levenslustig en erotisch. Ja, ik geloof dat ik ’s nachts naar huis ga. Maar waarom lig ik dan zo vaak wakker?

vaderland, moederland, thuis, huis, zwerven, schippers, schipperskind, school, internaat, kolonie, neerharen, rekem, eisden, tongeren, hasselt, maastricht, hocht, limburg, brussel, antwerpen, eenzaam, verloren, ballingschap, boeken


26-11-14

THUISKOMST*

giotto_di_bondone_-_stygmatyzacja_sw__franciszka_1295-1300.jpg

Voor mijn verwanten.

 

Ik keer naar huis terug. De onweersvogel roept de dag wakker. Uit de Alpen komt hij gevlogen en van verder, van Azië misschien. De morgen was altijd een feest als ik aan thuis dacht. Waarom dan naar verre streken gereisd, op zoek naar mensen die me niet kenden?

Herinner je hoe het dorp aan de rivier ontwaakte. De Maas was heilig als er mist uit opsteeg en rondom het gekraai van de haan, de gehoorzame kippen en daarna ontwaken de volwassenen en kinderen met nog de doornen en vleugels van de slaap in hun hoofd. Maar nu begeven zij zich naar werkplaats en school. Een hele dag zwoegen en leren over de steden van de wereld en de stromen en wat er in de grond zit.

In de winter dikke lagen sneeuw die alles verstommen. Niemand durft nog te liegen in dat landschap. Waarom weet niemand. Want een God die allen begroet, ons vreugde geeft en genot, die geluk brengt in de steden en huizen en na de winter de aarde vruchtbaar maakt met zijn regen, die alles nieuw maakt en open, die treurigen verblijdt en het hart van wie ouder wordt teder beroert, die is er niet. Als zijn naam nog ergens wordt genoemd stelt die niets voor, niet meer dan een schim; het is een laatste wegstervende echo.

Maar jong en onschuldig sprak ik tot hem. Ik was een dichter en wat een dichter deed was spreken met engelen en met hem. Ik sprak tot hem en vroeg hem over het gevaar dat de mensen bedreigde, dat ons schuilkelders deed bouwen en voorraad opslaan voor vele donkere winters. Dat was vaak als ik wat uitrustte van het roeien in mijn bootje, op de Zuid-Willemsvaart. Het frisse water van de Kempen dat glinsterde in de zon. Of als ik op de oever zat tussen de stille vissers sprak ik tot hem over een onbekende kracht in mijn borst en tintelingen in mijn slapen. Ik vroeg hem wat er achter de bergen lag, voorbij het soms verlammend gevaar.

Ik maakte wandelingen over smalle paden door de velden. Klaprozen en boterbloemen lachten me toe en de liederen van de vogels verkwikten me, ook al waren hun boodschappen geheimzinnig. Onderweg ontmoette ik vriendelijke boeren, altijd groetend ook al liepen zij voortijdig gebukt van het geploeter.

Het was mijn vaderland. De streek waar mijn vaderloze vader zijn wieg stond en waar ik zelf ook mijn vaderland van maakte omdat ik er zoveel vrienden vond en de aarde en het water er heilig waren. Waar ik naar terugkeer om er namen en woorden te zoeken, of terug te vinden, want die ben ik vergeten of heb ik nooit gekend. Hoe kan ik je dan roemen? Dorp met je gastvrije boerderijen en schaduwrijke bossen en de Maas zo vredig in de zomer maar in de winter altijd dreigend, na wekenlange sneeuwval en daarna de dooi. Het licht dat daar op de bescheiden huizen schijnt en de geluiden van de eerste industrie, het grint dat wordt gewassen voor de aanleg van wegen naar ver weg, naar dit verblijf en naar de andere plaatsen waar ik me altijd een vreemde voelde.

Een hele weg heb ik nog af te leggen naar jou, Maasvallei. Een reis in mijn hoofd, in mijn kamer, over gevaarlijke wegen en door de tijd terug naar jou, geliefde in alle kleuren van de regenboog. Ik zie je bomen staan in Zutendaal, Neerharen en Rekem, groen in de zomer en sterk geurend in de herfst, en de paden ’s nachts, het geroep van de uil en de dartele konijnen. En als de heren op jacht gingen in hun rode jassen en het geschal van de hoorns, want ik wist niet wat doden was en bloedend vlees kende ik nog niet. De eiken en berken en populieren die zich verenigden als mensen van verschillende kleur, met één doel voor ogen. Samen de god te vinden die in hen woont en die ze zelf zijn als ze hem willen worden in een innige omhelzing.

Ja, het oude bestaat nog en wordt weer nieuw. Niets is verloren, niets is beter, niets is best. Alles wat liefheeft en leeft blijft zingen ook als de tijd hard is en de mens wreed en bloeddorstig. Het klinkt dwaas als ik het zo uitspreek of neerschrijf. Maar dat is van blijdschap. Weldra ben ik terug. Dan gaan wij samen het gewas op de velden zien en wandelen onder de bloesem en vieren het lentefeest. En dan ’s avonds zal ik liederen zingen voor jou bij het vuur dat altijd al brandde voor de vrijheid. Veel heb ik daarover gelezen in de boeken die ik hier om mij heen heb verzameld. Dat de vrijheid ons toekomt, de hemelse gaven die aardse gaven zijn, de engelen van vlees en bloed en niet anders dan duivels en saters. Alleen de macht van de sterkste en zijn geweld wil zij niet en bezing ik niet in mijn lied. Want helder blijft altijd mijn gezang.

Ik keer naar huis terug. Toch is het niet daarom dat elk uur van de dag vrolijke wetenschap zijn moet. Nee, het moet zo zijn omdat het zo moet zijn. Je moet kunnen liefhebben, je moet onbezorgd lachend je leven kunnen veranderen en feest vieren omdat je je leven verandert. Het leven moet zo zijn omdat het leven heilig is en wanklank weigert. Ik weet dat ik dwaas klink. Om het allemaal te vatten is onze vreugde te klein. Het gejubel drijft ons tot waanzin, die verrukkelijk kan zijn. Maar vaak is het beter daarover te zwijgen, want wat betekent heilig als we er geen woorden voor hebben en de spraak ons wordt ontzegd?  Wat me overblijft is werken aan het lied dat de zorgen bezweert. Zorgen over wat niet kan worden gezegd maakt zich de zanger opdat ze de anderen blijven bespaard.

...


* Geen vertaling, maar inzake beeldspraak, ritme, toon, filosofie en religiositeit geïnspireerd door Hölderlins late elegie ‘Heimkunft’ uit 1801. Bij het in één ruk schrijven van deze neo-elegie zaten diverse vertalingen van Hölderlins werk in mijn onbewuste te wroeten. De nacht was onrustig en vol dromen, onder meer over het gedicht van Hölderlin. Vanmorgen ben ik enigszins slaapwandelend naar mijn kamer gekomen om deze ‘idiote’ woorden uit mij te laten vloeien.

24-11-14

VOORBIJ DE GROTE RING

IMG_0865.JPG

Gisteren lokte de zon me naar buiten. Een wandeling in een bos, een groot en niet te druk bezocht park, of gewoon op de buiten is een van de beste remedies tegen melancholie. Waar ik woon valt echter niet veel te beleven op dat gebied. Flatgebouwen uit de jaren zeventig, lelijke huizen, grijze straten, slecht onderhouden trottoirs en geen mens te zien op straat. Rustig is het wel, veel bomen, een klein ziekenhuis om de hoek. Op zondag bijna geen verkeer. Maar vlakbij de duivelse Ring, met zijn ononderbroken geraas, zelfs op de dag des heren.

Vroeger liep je van waar ik woon (maar toen woonde ik hier nog niet) zo naar het platteland. Op een kwartier, niet langer, tenzij je onderweg even bleef staan om naar een vogel te kijken of je geliefde te kussen. De Ring heeft die bijna natuurlijke overgang van stad naar platteland vernietigd. Nu ja, de Ring is geen levend wezen, hij heeft dat niet zelf gedaan. De eenzame enkelingen in hun verlangen naar afzondering, naar zinloze snelheid, naar een onbestemde bestemming of gewoonweg naar het werk hebben het gedaan. Door hen verkozen politici en de beste vrienden van die laatste beroepscategorie, de bouwondernemers en de afbraakwerkers hebben het gedaan.

Denk maar niet dat ze er mee ophouden. Onderweg naar het Pajottenland in de warmte van november, onder een hoogst vriendelijke zon, zelfs de lelijkste gebouwen met een laagje schoonheid omhuld, ontwaarde ik op veel plaatsen sporen van de afbraakwerkers en ik zag er nu al de monsters van de volgende jaren uit de idyllisch glooiende velden – ooit door Brueghel geschilderd – oprijzen.


Desondanks ben ik tevreden. Mijn landerigheid valt al gauw van me af. Eens voorbij de Ring geniet ik van wat overblijft van het Pajottenland, van de vijvers, velden, de eenden en duiven en eksters, de vogels van het veld, de schapen en koeien. Veelkleurige bladeren aan de bomen en op de vettige kleigrond. De geur van de boerderijen, hooi, koeien in de modder. Een stapel reusachtige bieten, een rode tractor, een molen aan de horizon. Mijn schoenen zwaar van de modder als ik me een weg baan door een groot kaal veld, op weg naar die molen aan de horizon. Omdat ik te diep wegzak moet ik rechtsomkeert maken. Ik zet mijn fototoestel op de nachtfunctie, op die manier maak ik blauwe foto’s. Zo zien die lelijke Ring en de eerste vuile huizen er draaglijker uit. En thuis weerklinkt al muziek van My Morning Jacket en daarna is het de beurt aan ‘After the Goldrush’. Tijd om me af te vragen waarover nu weer eens iets te schrijven.

IMG_0845.JPG

IMG_0851.JPG

Foto's: Martin Pulaski, Neerpede, 23 11 2014

20-11-14

HISTORISCHE STAD, HISTORISCHE ONTMOETING 2

baudelaire-nadar_68.jpg

Voor Geerten Meijsing

Omdat ik tijdens het verblijf in Sicilië een luchtwegontsteking had, heb ik toen helemaal niets genoteerd, ook niet de dagen na de ontmoeting met Geerten Meijsing. Toch herinner ik me nog veel van die nacht, zij het niet chronologisch. Wat ik nu ga doen lijkt een beetje op het neerschrijven van een droom, kort na het ontwaken, maar ik heb wel eerst al koffie gedronken.

Ik ben geen beroemdheid, alsjeblieft. Ik ben ook schuchter. Als het weer het toelaat zit ik buiten. Waarschijnlijk kennen we elkaars innerlijk al te goed om nog een compromisloos gesprek te kunnen voeren, maar who cares. Nee, ik ga nooit meer uit, en drink eigenlijk ook geen alcohol meer.

De dag van de ontmoeting bleef ik in bed, hopend dat ik me nog voor zonsondergang beter zou voelen. Mijn vrouw vond dat ik de afspraak niet kon afzeggen, en uiteindelijk vond ik dat zelf ook. Suf van de halfslaap en vage, verontrustende dromen verliet ik het hotel. In de buurt van de Fontana Aretusa, “waarin dikke karpers zwermen en witte eenden tussen de papyrus zwemmen”, aten we wat vis met weer van die zo verfrissende Siciliaanse wijn. Wijn combineren met cortisone en antibiotica beveel ik niet aan, maar ik hervond wel wat van mijn krachten en kon me  met voldoende zelfvertrouwen naar de Piazza San Rocco begeven. Het was inmiddels bijna half negen.

Hoewel ik de schrijver nog maar een keer had gezien en hij met de rug naar me toe was gekeerd, herkende ik hem meteen. Hij zat aan een tafeltje buiten, met een glas whisky en rookte een sigaar. Alsof hij aanvoelde dat ik er was draaide hij zich naar me om en stond op. Na de eerste warme handdruk beseften we beiden dat er altijd al een diepe vriendschap was geweest tussen ons, ook al hadden we elkaar nooit ontmoet.

De dagen die voorafgaan aan een ontmoeting, zelfs met de beste vrienden, ben ik altijd erg gespannen. Ik heb er geen idee van wat er in zulke periodes in mijn hoofd gebeurt. Waarschijnlijk houdt het verband met de verlatingsangst waar ik sinds mijn achtste onder gebukt ga. Ondanks jaren van psychoanalyse en andere therapieën raak ik daar niet van verlost. Zodra we echter samen zijn valt die stress van me af: ik verander in iemand anders, in iemand die ik altijd zou willen maar niet kan zijn, enthousiast, empathisch en sociaal. Dat was nu niet anders. Ik voelde me meteen goed. Hoe beschrijf je dat? Alsof je wegzinkt in een zachte wereld, alsof niets je nog pijn kan doen of van streek kan brengen.

Geerten bestelde wat antipasti voor hem en voor mij een Nastro Azzurro. Aan whisky waagde ik me niet, de volgende dag zou ik vroeg naar Taormina vertrekken. We praatten wat over mijn reis, over het hotel waar ik logeerde, over Syracuse, over gewone dingen. Ik vertelde hem van de cortisone. Dan is het einde nabij, zei hij. Hij wilde me graag wat bloed zien ophoesten. Als ik je blog lees stel ik me voor dat het bij jou op het huis van Usher lijkt. Ziekte, pijn, bleke vrouwen, gitaarimpromptu’s. Hij reciteerde de openingszinnen van dat mooie verhaal van Edgar Allan Poe. De schrijver die mijn allereerste leermeester was. Ik had hem ontdekt in ‘Zoek het eens op’, een jeugdencyclopedie uit de vroege jaren zestig. Of al die verschrikkelijke dingen die hij in ‘Tussen mes en keel’ beschrijft werkelijk gebeurd waren? Het is allemaal waar, zei hij. De depressie, de zelfmoordpogingen, de opname, de antidepressiva. Nu zag Geerten er echter goed uit, wat opgewonden, maar vooral vrolijk. Wel wat gebogen lopend, net als ik. Hij had veel last van reuma. Normaal dronk hij niet, maar nu kon hij het niet laten. Hij treurde nog erg om Doeschka, van wie hij veel meer houdt dan hij in ‘Moord & Doodslag’ wil toegeven. Tussen de regels kun je dat wel lezen, natuurlijk. Ze was nog maar kort tevoren overleden, in januari 2012. Over zijn vader, zijn broers, het huis in Haarlem. De boeken in dozen in dat huis. Ik had graag voor jou en je vrouw gekookt, zei hij, maar dat lukte niet meer.

We praatten over boeken en schrijvers. Hou je echt van Paul Auster, vroeg hij, met wat teleurstelling in zijn stem. Ik heb al zijn boeken gelezen, zei ik. Mijn favorieten zijn ‘Moon Palace’ en ‘The Book Of Illusions’, heel filmisch. En al die popmuziek van jou? The Rolling Stones, die jongens zijn toch zielig nu? Ik ben bevriend met George Kooijmans van the Golden Earrings, zei hij. Fijne man. Ik vermoed dat Mazzy Star je wel zal liggen. Met een ontzettend zwoele zangeres, Hope Sandoval. Ze heeft de stem van een muze, een heroïnenimf. Dat zoek ik morgen op, zei hij. Soms kan ik zomaar verliefd worden op een meisje dat ik heel vluchtig zie. Ja, dat heb ik ook wel. Baudelaire heeft daar over geschreven, ‘A une passante’, geloof ik. En als je ze dan aanspreekt lachen ze je uit. Wat wil die oude man van me? We hebben bijna dezelfde leeftijd, Geerten is twee maanden jonger dan ik. Ben je al in Catania geweest? De vrouwen van Catania zijn de mooiste van de wereld. Ik was er al geweest, maar dat was me toen niet opgevallen. Een week later keerde ik er terug en wilde er heel graag blijven: de mooiste meisjes van de wereld, maar alleen ’s avonds, als de toeristen in bed lagen.

Als je één van mijn boeken herleest raad ik je Cecilia aan, daar ben ik het meest tevreden over. Ik wil al je boeken herlezen. Nee, niet doen, je zal teleurgesteld zijn. Ik vertelde hem uitgebreid over mijn ervaringen met ‘Erwin’, waar ik hier eerder al over heb geschreven.

Landschappen, daar kan ik zo van genieten. Het blauw van de zee is goed tegen depressie. Ik leid hier een eenzaam leven. Maar gelukkig komt mijn dochter nogal eens op bezoek. Weet je wat je moet lezen? James Salter, ‘All That Is’. En ‘Eight White Nights’ van André Aciman. Geweldig, heel sensueel. Ken je Pascal Quignard, vroeg hij. Nee, die kende ik net zomin als Aciman en Salter. (James Salter’s ‘All That Is’ heb ik inmiddels gelezen, een schitterende roman.) Pascal Quignard is vooral bekend van ‘Tous les matins du monde’, dat in 1991 door Alain Corneau verfilmd werd. En van ‘Villa Amalia’. Ach, al die prachtige Franse films. Ik werk aan een boek over actrices, vooral Franse. Dat vond ik interessant. Vooral omdat ik niet wist dat Geerten zo van film hield. Isabelle Adjani, zegt hij. Isabelle Huppert. En hoe heet ze ook alweer, die andere Franse actrice. Bulle Ogier, zeg ik. Precies, zegt hij, Bulle Ogier. Hoe kon je mijn gedachten lezen? Dat weet ik ook niet, zei ik. Het was alleszins een magisch moment én grappig.

Was het niet een teken van boven dat ik je wilde vertellen over Bulle Ogier, niet op de naam kon komen, jij wist die wel en wist mij vervolgens veel meer over haar te vertellen dan ik al wist. Nu ben ik bezig deze lacune in mijn kennis in te halen, en heb op YouTube al veel stukjes met de geweldig geile Bulle, die ook een groot actrice en een groot kunstenaar is, gezien, o.a. de gehele film La maîtresse, in het Russisch nagesproken, maar je kon het Frans er nog net doorheen ontwaren. Jezus, wat een film; die zouden ze nu niet meer ongeknipt in de bioscoop durven uitbrengen.
bulle ogier (3).jpg

Nog maar wat bier en whisky. Binnen mag je geen sigaren roken, Geerten. We gingen naar een andere bar. Alleen om daar naar een meisje te kijken. Het werd al gauw rustiger, bijna stil in de omgeving van Piazza San Rocco. Ondanks al de whisky’s werd mijn nieuwe vriend niet dronken, en ik werd almaar nuchterder van de pils. De minuten duurden lang, de uren kort. Ik vertelde hem over mijn kinderjaren op het schip. De vreselijke tijd in de kinderkolonie, het altijd afscheid moeten nemen en de verlatingsangst die daar het gevolg van is. Geerten luisterde aandachtig, mededogen in zijn blik. Hij die zelf zoveel pijn voelt, niet alleen de pijn van de melancholie maar ook die van de liefde en van het hart. En die film van Chabrol, hoe heet die toch ook al weer? Dat wist ik helaas niet. Achteraf bleek dat hij ‘Que la bête meure’ bedoelde.

Ik moet mijzelf hier in bescherming nemen tegen de nachtelijke verleidingen, want anders loopt het heel snel heel slecht met mij af. Dat zal sowieso wel het geval zijn, maar ik moet nog minimaal vier grote romans schrijven. Dat zal je zeker lukken, Geerten, je ziet er goed uit, en energiek. Ach, op onze leeftijd verliezen we zoveel mensen. We denken dat we jong blijven, maar als we dan in de spiegel kijken… Ja, zoals in ‘The Picture Of Dorian Gray’. Je denkt heel lang dat de meeste mensen ouder zijn dan jij, en dan opeens… Veel vrienden van vroeger zijn al weggerukt. Kees Snel, wat een tragische geschiedenis... (Kees Snel maakte deel uit van het schrijverscollectief Joyce & Co.) Nog één broer en één zus heb ik. Na Doeschka’s dood ben ik gestopt met whisky drinken. Nu ja, vanavond maak ik een uitzondering. Laat mij maar Baudelaire zijn, dan ben jij Edgar Allan Poe. Goed, zeg ik, dat betekent dan dat jij me in het Frans hebt vertaald.

Edgar_Allan_Poe_daguerreotype_crop.png

Mijn vrouw belde me, ze was ongerust. Zou ik wel uit bed kunnen voor de trein naar Taormina? Geerten stelde voor dat ik terugkeerde naar mijn hotel, maar ik wilde nog wat blijven, kon geen afscheid nemen. Nu we daar eenmaal waren, op die plaats waar ik zo zelden kom. Je mag ook Félicien Rops zijn, zei hij. We hadden het over de vrouwen en de verliefdheden in ons leven. Een verslaving die je te gronde kan richten. Maar die willen we toch niet opgeven? We willen toch verliefd kunnen worden, kunnen blijven, tot de laatste snik?

Op de terugweg naar het hotel, bijna vier uur was het, wankelde ik wat. Toch had ik alleen Italiaans bier gedronken. Ik zal met je meelopen, zei Geerten. Op straat,  die er helemaal verlaten bijlag, ondersteunde hij me, of dat probeerde hij. Maar hij wankelde al net zo als ik, zodat ik op mijn beurt hem moest ondersteunen. Aan de Duomo in nachtlicht en volstrekte stilte gehuld, op dat gracieus plein in Syracuse, hebben we afscheid genomen.

Vanmorgen was ik natuurlijk nog altijd ziek. Maar we zijn toch in Taormina geraakt, met veel medicatie en wilskracht. Ik heb al heimwee naar Syracusa. Taormina is ooit mooi geweest, maar de voorbije twintig, dertig jaar is het ten prooi gevallen aan massatoerisme. En er waait een frisse wind, maar het is niet koud. Heerlijke zon, en de Middellandse zee zo groenblauwachtig. Wat heb ik een prachtige ervaring, een onvergetelijke ontmoeting, achter de rug. We wilden de nacht niet laten eindigen, maar ja... Mijn leven is veranderd.

Ik voelde mij meteen zéér nauw aan je verwant, en had het idee dat ik je al mijn hele leven heb gekend. Wees voorzichtig met je gezondheid, zodat we elkaar in de toekomst nog vaker kunnen ontmoeten. Hope Sandoval zal ik bekijken.

Ik ben gisteravond, op jouw aanraden, opnieuw begonnen in 'Cecilia'. Zevenentwintig jaar geleden verschenen. Wat een fijnzinnig, ontroerend, met hart en ziel geschreven boek. En zo overvloeiend van voorgevoelens. Ik herken je in het boek, zoals je nu bent, niet helemaal, maar toch. En ik herken ook iets van mezelf. Je voelde kennelijk al heel goed aan hoe je dertig jaar later ongeveer zou denken en leven. Toch schrijf je dit: "Met deze boeken heb ik door de jaren heen een geestelijke barrière opgeworpen tussen mijzelf en de wereld die zo moeilijk te nemen is dat ik geen contacten meer met de ander kant onderhoud en slechts met spijt dit papieren universum kan verlaten." Zo zag ik jou helemaal niet: boeken, films, muziek, leken net verbindingen, koppelingen, bruggen tussen ons. Ik mag je natuurlijk niet vereenzelvigen met je personages.

Buiten is de regen opgehouden. De zon breekt door de novemberwolken, de donkerste. Blauwe lucht, een rusteloze merel voor mijn raam. Wees niet boos en niet bedroefd. Ik zet iTunes aan. ‘Blue Mountains’ van Sam Amidon. Tadadada Tadadada Tadadada Dadada.

 

felicienropsmaturiteit-c-1886.jpg

 

19-11-14

HISTORISCHE STAD, HISTORISCHE ONTMOETING 1

2013_05_SICILIE-CANON 041.JPG

Ik was nu in het bezit van Geerten Meijsings adres, telefoonnummer en e-mailadres. Dat betekent nog niet dat er een uitgebreide briefwisseling begon, wel enkele korte mailtjes over en weer. Hij bejubelde mijn blog, vond ook de ‘prentjes’ in de marge erg leuk. Hoe speel je dat toch klaar, vroeg hij. Ik wist op dat ogenblik niet of hij ernstig was, of zich wat naïef voordeed. Kennelijk was hij werkelijk onder de indruk, vooral van de kleine foto’s van mooie, voornamelijk Franse actrices. Nu weet ik dat hij het meende.

U hebt me – ongewild natuurlijk – ertoe aangespoord om opnieuw Georges Simenon te gaan lezen. Dat was ongeveer veertig jaar geleden. Soms voel ik mij nu schuldig omdat ik mijn tijd besteed aan pulpfictie. Maar dan vraag ik me meteen af of Simenon wel pulpfictie is. Het lezen van die boeken is alvast een aangenaam tijdverdrijf.  Binnenkort ga ik toch maar eens aan ‘De ongeschreven leer beginnen’, dat boek heb ik nog altijd niet gelezen. De reden is dat ik mijn Plato niet heel goed ken, hoewel ik filosofie heb gestudeerd. Ik heb echter nooit zijn volledig werk gelezen en ken jammer genoeg ook geen Grieks.

In mei 2013 reisde ik voor de tweede keer in mijn leven naar Sicilië. Het gebeurt wel vaker dat ik ziek ben als ik op reis vertrek en schonk er bijgevolg weinig aandacht aan. Toen ik in Catania aankwam werd het hoesten erger, de koorts steeg snel. Een dag later nam ik mijn toevlucht tot antibiotica en cortisone. Zo reisde ik met mijn vrouw naar Syracuse. Ik had Geerten Meijsings personalia bij me, maar wist dat ik hem niet zou ontmoeten. Ik had nooit eerder iemand opgezocht die ik bewonderde, mijn schuchterheid en gevoel van minderwaardigheid hadden me altijd in de weg gestaan, en nu was ik nog ernstig ziek op de koop toe. Ik had Geerten ook helemaal niet verwittigd van mijn komst naar Syracuse.

In Sicilië heb ik gezien dat het onvolmaakte bijna volmaakt kan zijn en onbevredigde verlangens grootser zijn dan bevredigde en de weg wijzen naar iets onnoemelijks, al zal ik nooit in een opperwezen geloven.

Syracuse is dan ook nog eens een van de mooiste steden die ik ken, vooral het schiereiland Ortigia is een parel, met overal waar je kijkt de zaligmakende zee. Dat blauwe water en het licht dat erop schijnt, de beste middelen tegen melancholie. Geneesmiddelen, wandelingen in de stad, heerlijke wijn en eenvoudig bereide vis gaven me weer levenskracht. Ik besloot Geerten een mail te sturen: of hij zin had in een ontmoeting?

Ik ben van vandaag aangekomen in Siracusa en logeer in Ortigia, nog tot vrijdagochtend. Zou je heel graag ontmoeten. We zouden bijvoorbeeld op een avond wat kunnen gaan drinken bij Doctor Sam, waar jij zo mooi over hebt geschreven. Ik heb er vanavond naar het vuurwerk gekeken.

Ja, ze hebben er flink op los geknald en ik hoorde ook kerkklokken luiden die ik anders nooit hoor; ik denk dat het weer iets met Santa Lucìa is geweest - ik raak de tel van al die feestdagen enigszins kwijt.

Geerten stemde toe. Donderdagavond wat drinken bij Doctor Sam vond hij een goed idee. Stel maar een uur voor, schreef hij. Drinken deed hij niet meer en hij voegde eraan toe dat alles verandert en dat het in die door hem zo levendig beschreven bar lang niet meer zo als vroeger is; de scootermeisjes waren ook helemaal verdwenen.

Geweldig dat we elkaar donderdagavond kunnen ontmoeten. Ik kijk er zo naar uit, ook al is het niet mijn gewoonte om met beroemdheden, grote schrijvers, halfblinde vossen en prominenten op café te gaan. Daar ben ik veel te schuchter voor. Ik heb je in Brussel ooit horen voorlezen; toen heb ik het zelfs niet gewaagd je aan te spreken

De verwijzing naar die scootermeisjes deed me echter weer twijfelen. Kende ik het werk van de geliefde schrijver wel voldoende? ‘De scootermeisjes van Ortigia’, had ik zelfs niet gelezen, om de eenvoudige reden dat ik het boek nergens had kunnen vinden. Zou ik de afspraak niet alsnog afzeggen? Die nacht sliep ik amper. Ik was gespannen, onrustig, twijfelde of ik wel een woord zou kunnen zeggen, ik kon me zelfs de titels van Geerten Meijsings boeken niet meer herinneren, wist niets over literatuur, wist eigenlijk helemaal niets meer, was tot lichaam herleid.2013_05_SICILIE-CANON 035.JPG

….

 

*Titel uit een e-mail van Geerten Meijsing van na onze ontmoeting.

Foto's: Martin Pulaski, Syracuse, 12 5 2013.

18-11-14

DE VRAAG DRINGT ZICH OP (EEN ONTMOETING)…

anais nin1.jpg

“Et qu’est que c’est que l’infini? Au juste nous le savons pas.”
Antonin Artaud, Pour en finir avec le jugement de dieu

Wie ben je?
Wat doe je in mijn kamer, wat wil je van me?
Doe je dat vaak, schrijvers aanschrijven die je bewondert?
In wat voor wereld leef je?
Wat wil je van me weten?

Ik weet niets.

Ik weet niet wie je bent.
Ik ken je naam, maar wat is een naam?
Ik ken je niet.
Ik ken mijn wereld niet.
Misschien ben ik niet eens van deze wereld.
Ik weet niets.
Of toch: achter wat ik zie ligt wat ik niet zien kan.
Maar wat dat is, dat weet ik niet.

Daarin, in wat ik niet zie, dwaal ik soms rond.
Noem het de andere wereld.
Noem het aan gene zijde, zoals Alfred Kubin deed.
Maar het kan net dezelfde wereld zijn als deze, zijn spiegelbeeld.
Als je een stap voorwaarts zet, zet je ook een stap achterwaarts.

Ik heb nooit kunnen denken.*
Ik denk dat daarachter waar ik soms kom hetzelfde gebeurt als hier.
Wat daar gebeurt weet ik evenmin als wat hier gebeurt.
Noem die vreemde wereld de oneindigheid.
Het spiegelbeeld van wat ik in de spiegel zie.
De oneindigheid is een woord dat we spellen om in slaap te vallen.
Die oneindigheid van jou houdt me wakker en wiegt me in slaap.

Wiegt de oneindigheid jou of wiegt ze mij?
Waar begin jij en houd ik op?
Jouw voeten mijn armen onze droom.

Ik spuit mijn aders vol oneindigheid.
Ik ben verslaafd aan het onbekende.
Je hebt het mysterie zelf ook al meegemaakt.
Het is seks, nee het is geen seks, het is iets diepers.
Ik denk dat we het beiden al hebben gevoeld.

Vind je het erg dat ik je arm aanraak?
De zachte haartjes, alleen maar zichtbaar in het zonlicht.
Je trekt hem niet terug.
Je komt dichter bij me zitten, ik voel je haren in mijn hals.
De geur van de sirocco.
Hoe zal ik de geur van je haren, je huid ooit kunnen vergeten?

Nee, ik wil je lichaam niet.
Ik wil je geest niet.
Ik wil je vlees en bloed.
Ik wil je schreeuw om genade horen.
Liefde die je nooit hebt gekend
Ik wil je om ongehoorde woorden horen vragen.
Ik wil van je lettergrepen woorden maken en daarna zinnen.
Zinnen die je kunt ruiken en voelen.
En van je hoofd een hagedissenhoofd.
Met zijn tong in mijn oor.
Een revolutionaire hagedis.
Je gesis tegen de platluis god.
Je gesis tegen de kardinalen van de casino’s.
Je gesis tegen de eigenaars van de vrijheid.

Heb je honger?
Mijn lijf is giftig en smaakloos.
Eet maar, maar eet zonder smaak zoals de velen.
Je weet toch dat er velen zijn die honger hebben zonder appetijt.
Die appels eten voor de dorst en om de doktersrekening uit de weg te gaan.
Eet maar van mijn zure syntaxis.
Maar geloof niet dat mijn lijf brood is en mijn bloed wijn.
Ik ben van vlees en bloed en heb een hagedissenhoofd.
Ik ben mijn lichaam en wat er gebeurt, gebeurt in mijn lichaam.
Minnezang, verspilling, verwoesting van de verbeelding.

Ik geef om niets en ik geef niets om niets.
Ik heb nooit kunnen denken.
Mijn geest is het gehuil van elektriciteit in hoogspanningskabels.
Ik denk dat er geen niets is dat iets is.
Er is alleen maar niets dat niets is.

Een gapende opening is de oneindigheid waaruit gas ontsnapt
dat niets is maar niet niets dat iets is.
Gas dat me doet stikken.
Doe de ramen open!
Heb je dan geen ademende ziel?
En wat doe je met je ogen als je niets ziet?

Ik weet niets.
Het oneindige is een woord voor wat ik niet weet.
Een opening.
Een opening in mijn bewustzijn.
Een mateloze mogelijkheid.
Zodat je je voor kunt stellen dat het niets iets is.

Laat het oneindige dat woord zijn.
Een niets dat iets is.

Niets dat je zin geeft in het zonlicht en de bomen.
Niets waar alles in jou begint.
Dat je hongerig maakt en dorst doet krijgen.
Je eet mijn lichaam met smaak.
Mijn vlees en bloed en hagedissenhoofd.
Hoor je me nog sissen?
Je trekt je kleren uit en duikt in de rivier.
 

Je bent een niets dat iets is.
Een lichaam dat niet meer afziet.
Een lichaam dat niet aangeraakt wordt.

Dat niemand me aanraakt, zeg ik.
Dat niemand me aanraakt.
Dat niemand me aanraakt.
Dat niemand me aanraakt.
Dat niemand me ooit ooit ooit aanraakt.
Niemand.
Mijn lichaam dat ik ben.

Günther Brus - Ana.jpg


Dit is de tweede monoloog die ik schreef voor ‘Omtrent Antonin Artaud’. De inspiratiebron is ‘La question se pose de…’, het vierde luik van ‘Pour en finir avec le jugement de dieu’. Het gaat nogmaals om een ontmoeting met Artaud, met de taal, met wat de taal niet vermag te zeggen. De monoloog bevat tevens sporen van een ontmoeting van Artaud met Anais Nin, zoals zo mooi beschreven in het eerste deel van haar dagboeken.

Wellicht is de hevigste strijd die we te strijden hebben die van het lichaam tegen de oneindigheid, of wat we oneindigheid noemen. Liefde en seks zijn rustpunten, ontsnappingsroutes, maar als puntje bij paaltje komt vallen we weer in ons lichaam neer, waarin de geest van zich doet spreken, zolang hij dat nodig acht. De geest is meteen altijd de geest van het lichaam. Het lichaam dat wenst aangeraakt te worden, of net niet.

...

 

*”De mogelijkheid om in gedachte terug te gaan en ineens uit te varen tegen je gedachte.”
Antonin Artaud, ‘De Zenuw-waag’ (vertaling van ‘Le Pèse-Nerfs’, door Hans van Pinxteren).

17-11-14

ZAAD VOOR ANTONIN ARTAUD

kinderjaren 001 (7).jpg

EEN MONOLOOG

Al vroeg op mijn reis zette ik een wankele stap op je braakliggende grond.
Een vreemde man die ik wilde kennen en niet wilde kennen.
Een vreemde man van de Indianen en de Mexicanen
en het voortdurende feest van de dood.
Een wrede engel die braakt in het gezicht van wie in de pas loopt.
Ik wilde zoals jij zijn – me aan je puriteinse wreedheid spiegelen.
Hoe ik naar je wreedheid verlangde.
Maar hoe ik mijn eigen haat en wreedheid vervloekte.

Ik verwierp de liefde van moeder en vader.
Ik verwierp de liefde van broer.
Ik verwierp de liefde van de zusters van liefde en haat.
Ik verwierp de liefde van de doctoren.
Ik verwierp de liefde van de chirurgen.
Ik verwierp de liefde van onderwijzers en gemeentesecretarissen.
Ik verwierp de liefde van vrederechters, monniken en hoeren.
Ik verwierp de liefde van sergeanten en onderpastoors.
Ik verwierp hun verlangen naar verwoesting.
Ik verwierp de liefde van tuinders en boeren en boswachters.
Ik verwierp de liefde van kunstenaars en dichters.
Ik verwierp hun stichtende ordonnantie en hun misprijzen.
Ik verwierp de liefde van allen die me leerden vergéten.
Ik verwierp de liefde van allen die me van het leven vervreemdden.
Ik verwierp je wreedheid Antonin Artaud.
Ik verwierp mijn eigen wreedheid en mijn eigen liefde.
Liefde was geen liefde, zij was oorlog en haat.

Later in de woestijn aanbeland en verloren
zag ik in een plas helder water van een oase
in een ogenblik van bezinning je blik even troebel
als mijn blik - en ik zag je troebele ziel.
Je hoofd door ordelijke wraakzucht getekend.
Je huid als in een woestijnfilm verbrand.
En alles in mij brandde - niet in een film maar in het echt
en om mij heen brandden de woorden en de namen
van wat in het zand groeit en kruipt
en van alles wat ik me herinneren kon.
Alles brandde en brandde beter en feller dan dor struikgewas.
Alles brandde met meer wreedheid dan het vuur dat de aarde verschroeit. 

Later in slecht verlichte straten van mijn stad verloren gelopen.
Een hoofd vol drugs en brandewijn heb ik je opnieuw ontmoet.
Jij die in de kerkers van mestkevers zo vaak was gemolesteerd.
Jij die door burgerfantomen negen jaar lang de mond was gesnoerd
met elektriciteit en vergif - met adoratie en welsprekendheid.
Met satanische missen en schietgebeden van lamme prelaten.
Het ware vuur nog steeds woekerend aan de rand op de purperen heide
en in de harten van wilde meisjes op zoek naar lust en profetieën.
Vooral in hun meest gekoesterde dromen – onuitgesproken.
Hun verlangen naar jouw donkere onkruidadem en magere armen Antonin Artaud.
Naar het gekras van de raven en de slechte opium in je stem.
Het gekras dat Edgar Allan Poe Lautréamont en Baudelaire je schonken.
Het enige cadeau zonder waarde maar hoger aangeslagen dan agaat.
Ja hoger aangeslagen dan agaat uit Egypte.

In vijandige bars omhelsde je me terwijl dronkenlappen met hun stierenkoppen
me leken te willen villen zoals in 1958 de jongens in de Kolonie.
Daar waar ik voor altijd van iedereen afscheid nam -
en leerde beminnen omdat ik onder datzelfde gesternte
een in stilte razende gek werd - en in het geheim nog altijd.
Een spion in het huis van de valse liefde - nooit opgesloten.
Zo erg geschonden en zo vaak verslonden maar toch onkwetsbaar.

Hard is een leven van falen en dwalen en ziekte en elke dag doodgaan
maar sterk is de wil van verzet en niet gillen maar doorgaan
met wat restjes met wat as van verbrande zinnen en woorden
en zachte machines en wapens van liefde en verheffing.
Met het heilige dat soms mijn woord wordt als ik nog eens droom
van wat een paradijs lijkt - of van een spoor ernaartoe.

Want ik heb me uit je omhelzing losgerukt Antonin Artaud.
Ik ben geworden wie ik al was van toen de sterren begonnen
en het woord vlees werd neergeschreven door ik weet niet wie.
Het woord dat een vrucht was een eicel een zaadcel een embryo.
Het woord dat woekert onder de grond en sterk maakt als ik ervan drink
of erop kauw en ook nog als ik het daarna uitspuw.

En dan opeens worden de dagen helder.
Het braakliggend terrein open en vruchtbaar en klaar voor wat het toekomt.
Wat valt er nu nog te verwensen?
Wat valt er  nu nog te verwerpen?
De dwaze mensen in mijn leven waren maar korreltjes zand
in die woestijn waar ik verloren liep en van waar ik mijn weg vond naar hier.
Hier waar ik nog altijd alleen ben en eenzaam en vreemder dan ooit.
Maar het geeft niet dat weet je - het geeft niet.
Want vandaag is mijn hart harder en sterker en blauwer dan agaat
en ook is het een Mijn van ongehoorde, onontgonnen liefde en opstand.

anton artaud, artaud, monoloog, zaad, reis, ontmoeting, identificatie, afscheid, psychoanalyse, symboliek, biijdschap in de vernietiging, verwerpen, verwerping, taal, semiotiek, semiologie, chora, terugkeer, liefde, opstand

Dit is de eerste monoloog die ik schreef voor ‘Omtrent Antonin Artaud’. Het is een soort verslag van mijn ontmoeting met Antonin Artaud. Van hoe ik me in hem herkende, me tot op zekere hoogte met hem identificeerde, en hoe ik hem uiteindelijk verwierp om te kunnen leven, lust te voelen en lief te hebben. Tegelijk is het een liefdesbrief gericht aan de taal waaruit ik, net zoals Kaspar Hauser, ontstaan ben. Een universum waarin Artaud opnieuw een plaats heeft gekregen.

Elk leven is een reis door ruimte en tijd. Elk reis bestaat uit een reeks ontmoetingen, identificaties, ‘verwerpingen’. Altijd is er het afscheid.

De leestekens - vooral punten - en witregels horen niet bij de aanvankelijk ononderbroken woordenstroom. Ze zijn er bewust aan toegevoegd als breekpunten en openingen. Om dezelfde reden werden tijdens het (her)schrijfproces aanvankelijk zinvolle en ‘mooie’ woorden en zinnen verworpen. Die bevinden zich nu buiten de monoloog, in de marge of er ver weg van.

 

Over Artaud en de verwerping, zie Julia Kristeva, “Le sujet en procès”, in ‘Artaud-Colloque de Cerisy-la-Salle, 1972.

15-11-14

ENKELE NOTITIES 'OMTRENT ANTONIN ARTAUD'

Artaud Abel Gance (Marat).jpg

Ik kijk terug op een geslaagde avond omtrent Antonin Artaud, een performance, als ik het zo mag noemen, maar net zo goed een feest van het woord en van de ware vriendschap, in Den Hopsack in Antwerpen. Uitgeput van slapeloze nachten en een luchtwegeninfectie vond ik in de taal een partner om mij op zo goed als onbekend terrein te begeven. Ik bedoel niet het onderwerp maar de ruimte. Mijn ‘poëtische’ optredens zijn schaars. Ik twijfel aan de kracht van mijn woorden, vooral vraag ik me af of ik ze wel voldoende leven kan geven. Ik herinner me een rampzalig non-optreden tijdens een zogenaamde nacht van de poëzie, ook in Antwerpen, in 2012. Geen mens die ook maar één woord wilde horen van mijn breekbare verzen. Of misschien toch één, maar zeker niet meer. Zich dichters noemende brulapen kregen het dronken publiek wel op hun hand. Zo heb ik het altijd geweten: hoe luider je roept en hoe sterker je je voordoet hoe populairder je bent. Voor een tijdje.
Donderdagavond was het anders. De ruimte was intiem, de luisteraars waren open van geest en oor en niet vooringenomen. Wat een dankbaar publiek. Het heeft me zin doen krijgen in meer performances, maar zeker niet in nachten van de ‘poëzie’, slamwedstrijden of gevechten in een of andere sterrenarena.

Mijn levensgezellin - die toevallig mijn partner op het podium werd – en ik hadden ons natuurlijk wel terdege voorbereid.  In plaats van de hele Antonin Artaud nieuw leven in te blazen, een onmogelijke opdracht, kozen we ervoor één heel bijzondere tekst/performance te belichten, met name ‘Pour en finir avec le jugement de dieu’. Dat hoorspel werd opgenomen in een studio van de Franse radio tijdens meerdere sessies in de periode van 22 tot 29 november 1947. Artauds kritische en orakelachtige fragmenten – die één geheel vormden – werden uitgevoerd door hemzelf, Maria Casarès, Roger Blin en Paule Thévenin.

Het hoorspel zou op 2 februari 1948 worden uitgezonden. Echter, de directeur van de Franse openbare radio, Wladimir Porché, verbood de uitzending.  Ook nadat het programma werd voorgelegd aan een soort jury van schrijvers, acteurs  en kunstenaars – onder meer Jean Cocteau, Paul Eluard, Jean-Louis Barrault en Louis Jouvet –  een jury die van mening was dat het wel kon,  bleef de directeur weigeren. De tekst verscheen al kort na de dood van Artaud in 1948.
De uitzending werd veel later zelfs op cd uitgebracht en is ook online terug te vinden op onder meer ubuweb. Volledige tekst, brieven en krantenartikels over het hoorspel zijn opgenomen in deel XIII van de ‘Œuvres complètes’ (in 28 delen in de collection Blance van Gallimard).

Omdat we zelf geen muzikanten zijn en te weinig tijd hadden om anderen om een muzikale bijdrage te vragen (tamboerijnen, trommels, trompetten) besloten we enkele bestaande muzikale rustpauzes in te lassen, waardoor ik even het gevoel kreeg dat ik Zéro de conduite aan het uitzenden was. Dat zal de koorts geweest zijn.
P1100956.JPG

Het programma zag er zo uit:

1. Sanities, uit ‘Music For A New Society’ van John Cale.
2. Pour en finir avec le jugement de dieu – inleiding.
Agnes Anquinet leest de ‘inleiding’ voor uit ‘Pour en finir avec le jugement de dieu’.
3. Zaad voor Antonin Artaud.
Monoloog door Martin Pulaski.
4. I Saw The Best Minds Of My Generation Rot, uit ‘Virgin Fugs’ van the Fugs.
Gebaseerd op het gerenommeerde ‘Howl’ van Allen Ginsberg, een lang gedicht dat zeker ook verwant is aan het werk van Artaud.
5. Tutuguri – Le rite du soleil noir.
Tweede fragment uit ‘Pour en finir avec le jugement de dieu’door Agnes Anquinet.
6. De vraag dringt zich op (een onmoeting)… 
Monoloog door Martin Pulaski.
7. Water Music, uit ‘The Last Album’ van Albert Ayler.
Deze lyrische free jazz sluit aan bij de tweede monoloog, waarin de vrouw haar kleren uittrekt en in een rivier duikt. Met deze muziek werd de performance afgesloten.


Tijdens de weken van voorbereiding vond ik tot mijn verbazing, mijn geheugen is slecht, massa’s aantekeningen terug bij het werk van Artaud. Twee cahiers volgeschreven, losse blaadjes, notities in de marge van het verzameld werk en van studies en essays over deze unieke figuur. Artaud verscheen opnieuw in mijn leven, zoals hij er in het midden van de jaren zeventig in was verschenen. Maar al gauw veranderde hij in een tijdgenoot, in iemand van nu; ik vulde hem aan met mijn ervaringen, gedachten, dromen, liefde en pijn. Ik mag hopen dat er van mijn overrompelende omgang met deze anti-oedipus een vonk is overgesprongen naar het publiek.

Veel dank gaat naar de organisatoren van de Muzeval, Pipelines vzw, naar literair artistiek café Den Hopsack en naar alle goede, oude en nieuwe vrienden die aanwezig waren en degenen die niet aanwezig konden zijn.
P1100959.JPG


...

Voor de lezer die veel meer wenst te weten over Antonin Artaud volgen hier enkele werkdocumten. De twee monologen mag je morgen of overmorgen verwachten.

Documenten

Brontekst

Œuvres complètes, vingt-six tomes publiés (en 28 volumes) aux Éditions Gallimard, coll. Blanche, 1956-1994
In de ‘Œuvres complètes’, 28 delen, uitgegeven in de collection Blanche tussen 1956 en 1994 vind je de tekst en Artauds brieven die er verband mee houden terug. Bovendien staan er alle krantenartikels uit die dagen in, en zeer verhelderende voetnoten.

Geraadpleegde werken (selectie)

Obliques / Artaud, Roger Borderie et Jean-Jacques Pauvert, 1986, textes de Michel Sicard, Michel Camus, Jérôme Peignot, Guy Rosolato, Jean Domeneghini, Jérôme Prieur, Jean Cocteau, Françoise Buisson, Marc Fumaroli, Jean Thibaudeau, Odette et Alain Virmaux, Alain Jouffroy, Jean-Michel Heimonet, Jean-Paul Morel, Pierre Courtens, Jacques Sojcher, Georges-Arthur Goldschmidt, Charles Bachat, Ronald Hayman, Jacques Prevel, Bruno Chabert, Claude Reichler, Florence de Meredieu, Daniel Giraud, Antonin Artaud.
Gilles Deleuze & Félix Guattari, L’anti-oedipe. Capitalisme et schizophrénie, Les éditions de minuit, 1972. (Deleuze & Guattari vonden hun belangrijk filosofisch concept ‘le corps sans organes’ in ‘Pour en finir avec le jugement de dieu’ van Artaud).
Jacques Derrida, « Le théâtre de la cruauté et la clôture de la représentation », in L'écriture et la différence, Seuil, 1967.
Jacques Derrida, « La parole soufflée », in L'écriture et la différence, Seuil, 1967.
Gérard Durozoi, Artaud, l'aliénation et la folie coll. Thèmes et textes, Larousse, 1972.
Michel Foucault, Histoire de la folie, Plon, 1961.
Julia Kristeva, Le sujet en procès, colloque de Cerisy 1972), Artaud 10/18, 1973.
Anais Nin, Journals, Volume One, Quartet, 1973.
Johny Lenaerts, Artaud en het theater van de wreedheid, Socialisme21 (online)
Jacques Prevel, En compagnie d'Antonin Artaud (1974), texte présenté, établi et annoté par Bernard Noël, Flammarion.
Poèmes Flammarion. (Jacques Prevel was een vriend van Artaud en tevens zijn dealer.°

Philippe Sollers, L'Écriture et l'expérience des limites, Points Seuil, p. 88-104, 1971.
Philippe Sollers, L'État Artaud, (colloque de Cerisy 1972), Artaud 10/18, 1973.

Raoul Vaneigem, Handboek voor de jonge generatie, De arbeiderspers, 1978.
Raoul Vaneigem, Traité de savoir-vivre à l’usage des jeunes générations, Gallimard, 1967.

Geluid

Pour en finir avec le jugement de Dieu, Sub Rosa, 1995 / INA et André Dimanche Éditeur, 1995.
Pour en finir avec le jugement de Dieu, intégralité de l'émission et remix par Marc Chalosse, Artaud Remix, préface de Marc Dachy, France Culture, collection Signature, 2001

 

05-11-14

IMMERSIES

la révolution surréaliste.jpg

Maandenlang dompelde ik me onder in de wereld van Geerten Meijsing, dode en levende meisjes, decadente schrijvers, snelle auto’s, sigaren, whisky, verdriet en melancholie, jaloezie, levenslust, Italië en in het bijzonder Lucca en het pittoreske Syracuse, en bovenal een zo goed als ongeëvenaarde literaire stijl, de stijl van een uniek auteur. Het is een microkosmos die ik met veel tegenzin verlaat, ook al is het maar voor enkele weken. Het voorlopige eindresultaat van die immersie mag u van mij verwachten op 18 november reeds, onder de titel ‘Historische stad, historische ontmoeting’.

Nu betreed ik ietwat nieuwe grond, hoewel niet geheel verschillend van het milieu waarin Geerten Meijsing leeft en werkt. Het gaat ook niet om een nieuwe ontdekking, iets nieuws in mijn leven. Met Antonin Artaud, zijn denkwereld, zijn werk, zijn bestaan, ben ik omstreeks 1974 in aanraking gekomen. Het is nu niet het moment om daarover in detail te treden, dan zou de verrassing op 13 november, datum van het ‘evenement’, er helemaal af zijn. Alleen dit: de voorbije dagen heeft de hele sfeer van die magische tijd, vooral van de periode 1975-1977, zich opnieuw van me meester gemaakt. Bij wijze van spreken. Want terwijl ik toen de gewillige onderdaan was van die visionaire realiteit denk ik er nu in zekere zin over te kunnen heersen; mijn blik is scherper, mijn denken en voelen zijn harder geworden, ik ben meer van het hier-en-nu.

Alfred_Jarry.jpg

Toch begint mijn hart sneller te kloppen als ik in het verzameld werk van Artaud zit te bladeren, die prachtige witte Gallimards, of als ik nog maar de namen Anais Nin, Henry Miller, Raoul Vaneigem, Gérard de Nerval, Alfred Jarry en zo meer hoor. Met rechte blijdschap denk ik terug aan de uren dat ik de surrealistische manifesten bestudeerde, of zat te lezen in het grote oranje boek waarin alle afleveringen van La révolution surréaliste waren opgenomen. En opnieuw loop ik met André Breton door de straten van Parijs, hand in hand met Nadja. Voor een amour fou echter is er geen plaats meer in mijn hart. Of misschien toch wel, want wie kent zijn eigen hart en wie kan zonder liefde leven, en wie zonder momenten van waanzin? 
nadja.jpg

Afbeeldingen: La révolution surréaliste; Alfred Jarry; Mme Sacco, helderziende, 3e Rue des usines.

04-11-14

STILTE, ANTONIN ARTAUD

antonin-artaud.jpg

Enkele dagen stilte, tijdens deze stormachtige, kille periode aan de vooravond van meer dan ooit terechte stakingen en allerlei vormen van protest tegen een brutale, harteloze uitbuitersregering. Aan een verslag van de ontmoeting met Geerten Meijsing, in de lente van 2013, werk ik gestaag verder. Het moet een tekst worden de uitmuntende auteur waardig. Maar eerst bereid ik me voor op een avond gewijd aan de revolutionaire schrijver, theatermaker, acteur, kunstenaar, theoreticus, heidense profeet en dichter Antonin Artaud.
Het evenement ‘Omtrent Antonin Artaud’ vindt plaats op donderdag 13 november in Den Hopsack in Antwerpen. Ik breng er enkele korte teksten van Artaud (in het Frans) en richt me daarna in een monoloog tot de man zelf (in het Nederlands, een visionair begrijpt die taal, zelfs als hij dood is) en tot mijn vrienden. Een van die vrienden is Johny Lenaerts, die enkele dagen geleden een mooie inleiding schreef tot het theater van de wreedheid, Artaud’s  misschien wel belangrijkste en nooit werkelijk verwezenlijkte droom.

antonin artaud, artaud, revolutie, anarchisme, surrealisme, waanzin, antipsychiatrie, poëzie, 13 november, antwerpen, den hopsack, omtrent antonin artaud, monoloog, muziek, johny lenaerts, theater van de wreedheid

Ik hoop dat velen op 13 november willen komen meedromen. Ook al is alles van waarde waardeloos en nutteloos hebben we rebelse geesten als Antonin Artaud meer dan ooit nodig en verdient hij onze volle aandacht.

01-11-14

ZERO DE CONDUITE: BARFLIES

bettie-page.jpg

Zéro de conduite is een POPprogramma op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 ’s avonds. Heerlijk als je druk bezig bent in de keuken, of bij het aperitief, en later aan tafel bij de antipasti, de vissoep, de Roma-tomaten! Stem af op 106.7 FM. Je kunt het programma eveneens via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over de radio.

patsy cline4.jpg

Vanavond begeven we ons naar de bars, om er bourbon, scotch en tequila te drinken, te jiven, muntjes in de juke box te stoppen, te dansen met de vrouwen en mannen aan de bar, te boppen en te rocken, te slowen en te zoenen, nog meer te drinken, tot we de hik krijgen. Op een klein podium voor een roodfluwelen gordijn doen Ruby en Ida een striptease. Op straat onder het gelige lantaarnlicht vechten twee jongens, ze worden gevaarlijk, halen de stiletto’s boven, de blondines, brunettes, de rood- en zwartharige meisjes juichen hun toe of gaan met hun zachtaardigere vriendjes naar een andere club. Zware jongens met een hart van peperkoek, lichte meisjes op de rand van een inzinking. Allemaal dansen ze op de waanzinnige rockabilly van Johnny & Dorsey Burnette, met Paul Burlison op gitaar. Jeani laat de afwas voor wat hij is en komt meedansen. Ze is hier elke nacht. Juke Box Mama kiest voor A1: There Is A Light That Never Goes Out. In de bar waar we nu zijn aanbeland bestaat de tijd niet langer. Daar buiten is er geen leven meer. Hier is het te doen. We staan hier nu al vier nachten te drinken. Hoe houden we het vol? Nog wat amfetamine jongens! Dan schrijf ik gauw nog een ode aan de man daar helemaal op het einde van de bar, de eenzame jongen die niets zegt. En ik kom hier al zo vaak dat je best een drankje naar mij mag noemen, beste barman. Ik heb toch eigenlijk alleen maar in bars geleefd. De zevende hemel. Ik heb er gesprekken gevoerd met consuls en circusartiesten, met frontsoldaten en secretarissen-generaal, met playboys en playgirls, die denken dat ze over de wereld heersen. Dat denken ze, ja. Maar kijk ons hier, hier heersen wij, met onze honky tonk music, onze blues en onze rock & roll.
hank williams 001 (2).jpg

Let's Go Boppin' Tonight - Al Ferrier - The  Goldband Records Story - 1956         

Honky Tonkin' - Townes Van Zandt - The Late Great Townes Van Zandt - 1972

Honky Tonk Blues - Hank Williams - Let's Turn Back The Years - 1951

Let The Jukebox Keep On Playing - Carl Perkins - The Real Rock Master - 1957

Gambling Bar Room Blues - Jimmie Rodgers - Jimmie Rodgers 1932 : No Hard Times - 1932

Honky Tonk Merry Go Round - Patsy Cline - Patsy Cline's 50 Golden Greats: Complete Early Years - 1955

I'm A Honky Tonk Girl - Loretta Lynn – Gold - 1960

Sittin' At The Bar - Little Junior's Blue Flames -Sun Records The Blues Years 1950-1958

Gettin' Drunk Johnny "Guitar" Watson - Space Guitar - 1954

Rock 'n' Roll Ruby - Warren Smith - Real Raw Rockabilly - 1956

Honky Tonk Hiccups - Neko Case & Her Boyfriends - The Virginian - 1997

Dirty Dishes - Jeani Mack - Rockin' From Coast To Coast Volume 1 - 1958

Juke Joint Boogie - Freddie Hart - Juke Joint Boogie –  s.d.

Drinking Wine, Spo-Dee-O-Dee - Johnny Burnette -Johnny Burnette And The Rock 'n' Roll Trio - 1956

One Bourbon, One Scotch, One Beer - John Lee Hooker - Chill Out - 1995

Country Honk - The Rolling Stones - Let It Bleed - 1969

Juke Box Mama - Link Wray - Link Wray - 1971

Jockey Full Of Bourbon - Tom Waits - Rain Dogs - 1985

The Fourth Night of My Drinking - Drive-By Truckers - The Big To-Do - 2010

Outside This Bar -American Music Club - Engine - 1987

Ode to the Man at the End of the Bar - Moby Grape - 20 Granite Creek - 1971

N.S.U – Cream - Fresh Cream – 1966 - In memory of Jack Bruce

Barstool Blues - Neil Young - Zuma - 1975

I Want To See The Bright Lights Tonight - Richard & Linda Thompson - Want To See The Bright Lights Tonight - 1974

There Is A Light That Never Goes Out - The Smiths - The Queen is Dead - 1986

Dancing With The Women At The Bar - Whiskeytown - Strangers Almanac - 1997

One Drink Down - Gerry Rafferty - Can I Have My Money Back? - 1971

Barroom Girls - Gillian Welch - Revival - 1996

Lived In Bars - Cat Power - The Greatest - 2006

Yes I Guess They Oughta Name A Drink After You - John Prine - Diamonds In The Rough - 1972

What Made Milwaukee Famous - Rod Stewart – Single B-side - 1972

He'll Have To Go - Jim Reeves - Golden Age Of American Rock & Rol: Vol 10 - 1959

Bartender Blues (with Trisha Yearwood) - George Jones - Bradley Barn Sessions - 1994

Honky Tonk Masquerade - Joe Ely - Honky Tonk Masquerade - 1978

It Won't Hurt - Dwight Yoakam - Guitars, Cadillacs, Etc., Etc. - 1986

Close Up The Honky Tonks (Early Version) - Buck Owens - Buck 'Em: The Music Of Buck Owens - 1964

Dim Lights - The Flying Burrito Brothers - Sleepless Nights - 1970

Honky Tonk Downstairs – Poco - Poco - 1970

Hey Mister, That's Me Up On The Jukebox - James Taylor- Mud Slide Slim And The Blue Horizon - 1971

neko case 2.jpg

Research & presentatie: Martin Pulaski.
Foto's: Bettie Page, Patsy Cline, Hank Williams, Neko Case.