28-10-14

TOT STRAKS, LOU, IN DE MUZIEKKAMER

Lou Reed looking down holding guitar in Recording Studio NEW YORK CITY, 1977.jpg

“Time is a jetplane — it moves too fast. Oh but what a shame that all we've shared can't last…” zingt Bob Dylan in ‘You’re A Big Girl Now’.  Gisteren was het een jaar geleden dat Lou Reed in Southampton overleed. Had ik niet net zo goed kunnen schrijven dat de dichter/zanger/muzikant gisteren de geest gaf? Toch is er in dat jaar, nu voorgoed begraven, tenzij de herinneringen, veel gebeurd. Het staat in de kranten, in de tijdschriften, in boeken, er zijn documentaires en reportages over, het zit opgeslagen in het geheugen van NSA. Oorlogen, plunderingen, verkrachtingen, verwoestingen, een onophoudelijke horrorshow; maar ook mooie dingen, mannen en vrouwen  die verliefd werden, kinderen die liedjes zongen, nieuwe bladeren aan de bomen in april, gedroomde treinen naar werkelijke paradijselijke bestemmingen. Zo veel en zo weinig.  
Mocht Lou Reed nog leven hij zou z’n schouders eens ophalen. Want was de duisternis in zijn ziel niet nog veel donkerder dan de wereld zelf? Neen, dat geloof ik niet. Lou Reed was kwetsbaar, zoals veel grote kunstenaars, maar dat liet hij slechts zelden zien. Lou Reed kende mededogen en wist wat liefde was, ‘Pale Blue Eyes’ en ‘Magic & Loss’ zijn daar maar twee bewijzen van, mocht iemand die nodig hebben. Waarom haalde hij dan z’n schouders op? Misschien om er wat stof van die donkere wereld af te schudden, wat onzin, wat leugens?

Ook al is er nog al de onsterfelijke muziek die ik hier vorig jaar opsomde, toch mis ik Lou Reed. Ik mis de man, zijn rock & roll heart, zijn bittere troostende woorden, zijn strelende venijnige stem, zijn poëzie die altijd echt en waar was, nooit onderdanig of  bang maar trots en verheven, stekelige bloemen in de wereldstorm. “He wouldn’t bow down or kneel”, om nog een keer zijn geestverwant aan te halen. Tot straks Lou, in de muziekkamer.
lou-reed.jpg

...

Foto's: Lynn Goldsmith, Garry Gross

26-10-14

DE VAAS VAN DE JEPANTSJINS

dostojewski.jpg

"En niet wij alleen, maar heel Europa staat verbaasd over onze Russische hartstocht; als iemand zich bij ons tot het katholicisme bekeert, dan wordt hij meteen jezuïet, en van het fanatiekste soort; als hij atheïst wordt, dan eist hij meteen dat het geloof in God met geweld wordt uitgeroeid, dat wil dus zeggen, met het zwaard! Waarom is dat, waarom meteen zo extreem? Weet u dat niet? Dat is omdat hij een vaderland heeft gevonden, dat hij hier heeft gemist, en waar hij dolblij mee is; hij heeft een oever, land gevonden en valt op zijn knieën om dat te kussen! Onze Russische atheïsten en Russische jezuïeten komen niet alleen maar uit ijdelheid, niet allen uit smerige ijdele gevoelens voort, maar uit geestelijke pijn, geestelijke dorst, uit het verlangen naar een hogere zaak, naar een vaste oever, een vaderland, waarin wij opgehouden zijn te geloven omdat we die nooit gekend hebben!”*

Dit fragment is terug te vinden in de nieuwe vertaling door Arthur Langeveld van Dostojewski’s meesterwerk, ‘De idioot’.

Het is de idioot zelf, vorst Lev Nikolajevitsj Mysjkin, die deze woorden uitspreekt. Dat gebeurt op een avondje bij de Jepantsjins, een bijzonder moment in de roman. Voor het eerst vertoeft de vorst in het gezelschap van gelijken (adel, hogere klasse), gezelschap dat hij in een soort verblinding, of is het naïviteit, voor moreel hoogstaand, 'honderd karaats goud' aanziet, maar dat in de ogen van de verteller niet veel meer is dan een stelletje vermolmde hypocrieten. De vorst richt zich tot deze 'notabelen' alsof hij bezeten is, alsof de geest in hem is neergedaald. Mysjkin, die niet eens goed Russisch kent, opgevoed als hij is in een sanatorium in Zwitserland, neemt het op voor de échte Russen en het orthodoxe christendom, dat niet de haat en het geweld predikt, maar de liefde en tegen de Russen die op fanatieke wijze het katholicisme en het atheïsme omarmen, omdat ze zich in hun vaderland niet thuis voelen. De koortsige redevoering is een pleidooi voor de ware Russische ziel. Of voor wat Mysjkin en met hem Dostojewski als de ware Russische ziel beschouwde. Een discussie wordt er eigenlijk niet gevoerd. Daar is het gezelschap niet toe in staat. Bovendien stoot Mysjkin een waardevolle Chinese vaas om, én krijgt hij een epileptische aanval.

Je zou vorst Lev Nikolajevitsj Mysjkin een verwarde nationalist kunnen noemen. Een beetje bizar: hij heeft zelf de voeling met Rusland verloren maar valt bijna in zwijm voor wat hij als de ziel ervan beschouwt en voor de orthodoxe kerk - en van daaruit valt hij andere Russen aan, die zich vervreemd voelen van hun land, van hun gemeenschap en hun geloof en nihilisten, atheïsten en jezuïeten worden.

[Op facebook had ik een fijne discussie over deze passage met Marc Schepers. Hem deed ze aan Andrej Roebljov denken, gezien door de ogen van de grote Russische regisseur Andrej Tarkovski. En dat zal wel kloppen, want het gaat bij Mysjkin om hetzelfde ‘zuivere’ geloof als bij de iconenschilder.]
Andrej_Rublëv_001.jpg

Wat mij in dit hoofdstuk nog meer trof dan het pleidooi voor de Russische ziel was de geschiedenis van de Chinese vaas. De vorst vreest al een dag en een nacht dat hij die zal breken. Als hij dan uiteindelijk bij de Jepantsjins op visite gaat, zoekt hij een plaats zo ver mogelijk weg van die vaas. In het vuur van zijn vertoog, die openbaring dus, komt hij dichter en dichter bij de vaas en uiteindelijk gebeurt datgene wat hij zo vreesde en tot elke prijs wilde vermijden: hij stoot het kostbare voorwerp om en het valt in honderd scherven uiteen. Hoe idioot!

..

*Dostojewski, De idioot. Verzamelde Werken VI, vierde deel, hoofdstuk VII, 588-589.

Afbeeldingen: Dostojewski; 
Andrej Roebljov, Icoon van de Heilige Drie-Eenheid.

22-10-14

STIJL EN VERBLINDING

Niccolò_Machiavelli_by_Santi_di_Tito.jpg

Ten aanzien van politici - en zeker ten aanzien van invloedrijke en machtige politici met een diploma geschiedenis op zak – ben ik bijzonder voorzichtig en kritisch als zij dwepen met extreemrechtse voorgangers, ideologen, collaborateurs en zo meer. En niet alleen als zij ermee dwepen, ook als zij ze afdoen als ongevaarlijk omdat zij tot het verleden behoren. De uitspraken van Bart De Wever van de voorbije dagen zijn verwerpelijk. Voor hem is de eerste helft van de twintigste eeuw een oude geschiedenis. We moeten de problemen van deze eeuw aanpakken. Hoe cynisch kun je zijn? Hebben Rimbaud, Vermeer, William Blake, Shakespeare, the Beatles geen invloed meer op de hedendaagse mens en meer bepaald op de jeugd? De Poolse auteur Jan Kott noemde Shakespeare terecht een tijdgenoot. Hetzelfde geldt helaas voor misdadige ideologen als Alfred Rosenberg, hoofdredacteur van de Völkischer Beobachter, Joseph Goebbels, minister van Volksvoorlichting en Propaganda onder Hitler, cineaste Leni Riefensthal en vele anderen. Ik vermoed dat de huidige voorzitter van de Vlaams-nationalistische partij Machiavelli in zijn boekenkast heeft staan. Of toch niet? Misschien vindt hij het werk van die denker het lezen niet waard vanwege te lang geleden te boek gesteld?
jan kott 001.jpg

Politici en historici moeten duidelijk zijn; ze mogen de waarheid geen geweld aandoen. Het is onze morele plicht hun eventuele leugens, bedriegerijen en uitvluchten aan te klagen. Maar hoe gaan wij om met ‘bedenkelijke’ kunstenaars en schrijvers uit het verleden? En hoe met schrijvers en kunstenaars van nu die – bijvoorbeeld – fascistische, nazistische en antisemitische kunstenaars en schrijvers bewonderen? Hoe gaan wij om met Ezra Pound, Louis Ferdinand Céline, Heidegger, Paul Morand, Roger Nimier en - de door Eddy Du Perron bejubelde - Pierre Drieu la Rochelle? Hoe gaan wij om met hun werk, met onze mogelijke bewondering voor hun werk, en met de uitgesproken bewondering van anderen voor dat werk?

Nimier.jpg

Wat mezelf betreft wil ik op dit ogenblik alleen kwijt dat ik van Ezra Pound nooit veel begrepen heb, enkele Pisaanse Canto’s (vertaald door Paul Claes en Mon Nys) niet te na gesproken; dat ik Heidegger grondig heb gelezen toen ik filosofie studeerde en sommige van zijn boeken soms nog wel eens ter hand neem, vooral zijn ‘Erlauterungen zu Hölderlins Dichtung’ en dat ik daar geen spoor van totalitarisme en nog minder van antisemitisme in aantref; dat ik van Céline alleen ‘Reis naar het einde van de nacht’ (vertaald door E.Y. Kummer) en ‘Moord op krediet’ (vertaald door Frans van Woerden) heb gelezen, lang geleden, meesterwerken vond ik beide romans, dat ik me daar nu soms voor schaam, ook al wist ik destijds niet hoe ver het antisemitisme van Céline reikte; de andere schrijvers heb ik geweigerd te lezen.

Gabriele-DAnnunzio.jpg
Waarom breng ik dit nu ter sprake? Omdat ik al een hele tijd omcirkelende bewegingen maak rond Geerten Meijsing en meer bepaald rond mijn ontmoeting met de eminente schrijver in mei 2013. Ik wist en weet van Geerten dat hij met een aantal - vooral Franse en Italiaanse - fascistische schrijvers dweept. Hij heeft daar nooit dubbelzinnig over gedaan. Ik weet dat hij een zwak heeft voor dandy’s als Gabriele d'Annunzio, toch een proto-fascist en Pierre Drieu La Rochelle, collaborateur en antisemiet; veel meer vanwege hun stijl, hun levenswijze, hun decadentie dan hun ideologie. D’Annunzio had bijvoorbeeld verhoudingen met heel wat beroemde vrouwen; dat speelt voor onze held zeker een rol.  Het sterk door de jonge Flaubert beïnvloede werk van D’Annunzio is gedateerd, in tegenstelling tot dat van Flaubert zelf, dat tijdloos is. Of Geerten opkijkt naar de rechtse non-conformist Charles Maurras, leider van de reactionaire beweging Action Française, weet ik niet. Wel weet ik dat hij Guy Dupré en Roger Nimier (snelle auto’s!) nogal bewondert, die beiden gerekend worden tot de Huzarenbeweging, een groepje literatoren dat zich vooral tegen het existentialisme van Sartre keerde. Deze beweging ken ik maar oppervlakkig. Dat de groep zich tegen Sartre afzette lijkt me geen misdaad. En hun stijl (1) spreekt ook mij wel aan.


Nu kan het lijken dat ik Geerten toch niet als een vriend beschouw, dat mijn bewondering helemaal niet zo groot is als ik aanvankelijk beweerde. Niets is minder waar. Maar mijn achting is niet onvoorwaardelijk. Ik doe niet aan idolatrie. Geerten Meijsing is geen fascist, geen antisemiet, geen racist. Hij is veeleer een apolitieke outsider, een non-conformist, een dandy en een begenadigd auteur. Hij dweept met schrijvers als D’Annunzio vanwege hun decadentie, en ook, denk ik, omdat zij wegens hun foute politieke overtuigingen werden verstoten uit het intellectuele en maatschappelijk leven. Ik betreur deze bizarre voorkeuren van hem ten zeerste. Maar daartegenover staat zijn liefde voor zoveel schoonheid – die niet door politieke idiotie is aangetast – en voor het leven in het algemeen, daartegenover staat zijn generositeit die tot uiting komt in al zijn boeken maar ook in de schaarse interviews die hij geeft. Geerten Meijsing is een warme man die veel afgezien heeft maar die desondanks zijn levenslust en zijn humor heeft kunnen behouden.

...

(1)
Le style du hussard, c’est le désespoir avec l’allégresse, le pessimisme avec la gaieté, la piété avec l’humour.
C’est un refus avec un appel. C’est une enfance avec son secret.
C’est l’honneur avec le courage et le courage avec la désinvolture.
C’est une fierté avec un charme ; ce charme-là hérissé de pointes.
C’est une force avec son abandon. C’est une fidélité.
C’est une élégance. C’est une allure.
C’est ce qui ne sert aucune carrière sous aucun régime.
C’est le conte d’Andersen quand on montre du doigt le roi nu.
C’est la chouannerie sous la Convention.
C’est le christianisme des catacombes.
C’est le passé sous le regard de l’avenir et la mort sous celui de la vie.
C’est la solitude et le danger. Bref, c’est le dandysme.

Pol Vandromme, Roger Nimier le grand d'Espagne

...

Illustraties: 
Niccolò Machiavelli door Santi di Tito; Jan Kott's 'Shakespeare tijdgenoot'; Roger Nimier; Gabriele D’Annunzio.

 

21-10-14

MOORD EN DOODSLAG

geerten meijsing,doeschka meijsing,moord en doodslag,dubbelroman,duoroman,misdaad,crime,sicilië,syracuse,vriendschap,uitgever,contact,kennismaking,hagiografie,nuance

The continuing saga… Een tussendoortje. Hoewel ik al sedert mijn kinderjaren ordelijk en netjes ben vind ik niet terug wanneer en waar precies ik ‘Moord & Doodslag’, de duoroman van Doeschka Meijsing en Geerten Meijsing heb gekocht. Ik denk in 2006, maar het heeft weinig belang. Het boek, zowel het eerste deel, ‘Moord’ van Doeschka, als het tweede, ‘Moord en doodslag’ van Geerten, was onderhoudend, fascinerend en zelfs meeslepend. Het verhaal navertellen doe ik niet, wie geïnteresseerd is moet maar op zoek gaan naar deze merkwaardige roman. Alleen dit: het onderwerp is een bezoek van Doeschka aan haar broer: Geerten is onlangs in Syracuse in Sicilië gaan wonen, een plek waar ik toen ik er voor het eerst kwam, in juni 1998, meteen verliefd op werd. Dat Geerten Meijsing daar nu woonde maakte me toch wel wat jaloers. Ik vond het zelfs een geruststelling te lezen dat het er in de winter erg koud kan zijn.

Zoals de meeste lezers wil ik graag weten hoe een roman of een verhaal afloopt. Bovendien heeft Geerten in zijn deel een soort van misdaadverhaal verwerkt, waarvoor hij, althans voor de vorm, inspiratie gezocht heeft bij onder meer Edgar Allan Poe, Georges Simenon en Jef Vermassen. Spannend dus. Helaas ontbraken de laatste acht bladzijden. Wat frustrerend! Eerst wilde ik een nieuw exemplaar aanschaffen, in die periode had ik nog een behoorlijk salaris, maar ‘Moord & Doodslag’ bleek uitverkocht. Schoorvoetend heb ik dan maar contact opgenomen met de Belgische afdeling van de uitgeverij. Schoorvoetend omdat ik dacht, misschien denken ze wel dat ik een verhaaltje verzin om hen een gratis boek te ontfutselen. Het antwoord op mijn briefje was niet bepaald vriendelijk van toon maar de uitgever zou me wel een nieuw exemplaar sturen. Dat duurde een poos. Op een dag zat er een pakje van Geerten Meijsing in de bus. Het was zijn boek en een begeleidend briefje waarin hij zich boos maakte op de uitgeverij. Hij had van een werknemer van de uitgeverij vernomen dat ze me nog altijd niets hadden toegestuurd. Dat vond hij werkelijk schandalig. Wat later kreeg ik toch ook nog een exemplaar van de uitgever. Daardoor heb ik er nu drie: het boek met acht ontbrekende bladzijden, het cadeau van Geerten Meijsing (gesigneerd in groene inkt, op 24 januari 2007), en het boek dat de uitgever me stuurde. En ik was nu ook in het bezit van Geertens adres, telefoonnummer en emailadres.

Deze stukjes gaan als geheel wellicht op een hagiografie lijken. Hoogste tijd dus voor wat nuancering. Dat is voor morgen. Je zal dan merken dat mijn bewondering voor Geerten Meijsing niet onvoorwaardelijk is.

2013_05_SICILIE-CANON 041.JPG

...
Foto onder: Syracuse, 12 5 2013, Martin Pulaski.

20-10-14

WILLIAM EGGLESTON: DONKERE KANT VAN DE AMERIKAANSE DROOM

william eggleston3.jpg

Eind september bezocht ik de tentoonstelling ‘William Eggleston: From Black and White to Color’ in het Parijse Fondation Henri Cartier-Bresson. Geen majestueus gebouw, eerder bescheiden, maar toch ook ruim en luchtig. Het werk van Eggleston komt goed tot zijn recht in de sobere ruimtes; door het schaarse publiek was het mogelijk om elk beeld aandachtig te bekijken. Bij sommige foto’s verdween ik uit Parijs en kwam ergens in Tennessee terecht, met mijn voeten op de warme Zuiderse grond in die staat, waarvan de naam mijn hart bijna altijd wat sneller doet kloppen. Memphis, Elvis, Graceland, de Sun studio, Stax, soul, Alex Chilton, Big Star, the Peabody Hotel, de Mississippi.

Zonder me ervan bewust te zijn heb ik het werk van William Eggleston voor het eerst gezien op elpeehoezen: de al genoemde Big Star en Alex Chilton maar ook Green On Red die in Memphis onder begeleiding van James Luther Dickinson in Memphis hun geweldige elpee ‘Here Come The Snakes’ opnamen. Het kan geen toeval zijn dat deze muziek net als de foto’s van Eggleston de tand des tijds heeft weten te trotseren. Het kan ook geen toeval zijn dat ik op de trein van Parijs terug naar Brussel vaststelde dat de foto op de hoes van Sid Selvidge’s ‘The Cold Of The Morning’ – uit 1976, nu pas op cd uitgebracht – van Eggleston is. Ik had de cd een dag eerder bij de fantastische platenwinkel Gibert Joseph aangeschaft.
william eggleston2.jpeg

William Egglestons pop art lijkt minder tijdsgebonden dan die van Andy Warhol. Beide kunstenaars zijn geïnteresseerd in wat doorgaans ‘het banale’ wordt genoemd. Bij Warhol onder meer  Brillo-dozen, Campbell-soep, Coca Cola, Marilyn Monroe, auto-ongevallen; bij Eggleston shopping malls, gloeilampen aan het plafond, diners, pompstations, afgelegen wegen, auto’s, gootstenen, gasfornuizen, koelkasten. Wellicht is fotografie een geschikter medium dan assemblages, zeefdrukken en dergelijke, om zulke objecten, ‘gewone’ voorwerpen, aan de tijd te ontrukken en ze voor een langere periode in een tijdloos nu te plaatsen. En niet de fotografie in het algemeen maar die van William Eggleston, met zijn specifieke standpunten, invalshoeken en uitsnedes (“crops”) in het bijzonder.

De foto’s van Eggleston zijn woorden, zinnen, paragrafen van een lange roman, een roman fleuve die de lotgevallen vertelt, niet van enkele personages, maar van voorwerpen, van alledaagse, banale dingen. De foto’s van deze kunstenaar lijken snapshots, en zijn het ook, maar tegelijk zijn ze veel meer dan dat, zeker als je ze in een reeks ziet, als je de interactie tussen de beelden ziet, als je beseft dat de objecten met elkaar omgaan als personages in een verhaal. En behalve de dagelijkse voorwerpen zijn er de ruimtes en landschappen, de bijna zinloze context waarbinnen de dingen zin zouden moeten krijgen; maar of ze die krijgen hangt van de toeschouwer af. Het zijn “visual metaphors of an alienated world” schrijft Thomas Weski in ‘The Tender-Cruel Camera’.
William-Eggleston-Near-the-River-at-Greenville,-Mississippi-1984-painting-artwork-print.jpeg

Je ziet zeker niet altijd mensen op de foto’s van Eggleston. (Waar mijn voorkeur nochtans naar uitgaat.) Maar elk voorwerp, elk landschap is doordrongen van menselijke aanwezigheid. En de mensen die je wel ziet lijken bang, onzeker, vijandig, mogelijk gewelddadig, neurotisch. Vervreemd van hun omgeving, die zelf al erg vreemd is, ook al fotografeert Eggleston meestal in Tennessee, de staat waar hij als rijkeluiszoon is opgegroeid. Van die rijkdom is zijn fascinatie voor dure auto’s en een dandyachtige verschijning overgebleven. Vaak maakt hij foto’s vanuit een van zijn luxueuze auto’s. Niet zo verbazingwekkend dat personen die op die manier gefotografeerd worden er verontrust of schrikachtig uitzien. Maar rijke afkomst of niet: Eggleston noemt zijn stijl democratisch. Dat heeft onder meer met die standpunten en cadrages te maken. Het gaat bij hem om een democratie waar een broodrooster evenveel of even weinig waard is, evenveel of even weinig aandacht verdient als een man met een revolver. Als je dat beseft voel je je wat ongemakkelijk. Of bedreigd, zelfs. Dat had ik al in 1989 bij het bekijken van de hoes van ‘Here Come the Snakes’ van Green On Red. Degene die mij kan vertellen voor wat de bloederige bijl op de foto dient, trakteer ik een trappist in café Cirio. De hoesfoto van Alex Chilton’s ‘Like Flies On Sherbert’, een tegendraads voodoo-meesterwerk (1), is ook behoorlijk onheilspellend. In haar voorwoord bij de catalogus van de tentoonstelling heeft Agnès Sire het over die dreigende ondertonen: “Everything is silent, almost menacing. One sometimes senses danger just at the edge of the field; the color seems more realistic, more direct.”
william eggleston, parijs, tentoonstelling, fotografie, tennessee, memphis, voorlopger, baanbreker, fondation henri cartier-bresson, memphis, elpeehoezen, banaliteit, pop art, andy warhol, tijd, transcendentie, muziek, rock, alex chilton, big star, green on red, jim dickinson, sid selvidge, gibert joseph, chrome, objecten, voorwerpen, alledaags, gevaar, dreiging, techniek, roman, roman fleuve, auto's, rijkdom, democratische stijl, robert frank, the americans,

Een voorloper van William Eggleston was Robert Frank, vooral bekend van zijn ‘The Americans’, met het voorwoord van Jack Kerouac. Frank maakte eveneens foto’s van een ander Amerika, een Amerika waar armoede, alcoholisme, racisme, geweld en televisie het leven beheersten. Het waren snapshots, onderweg gemaakt, foto’s waar de gevestigde fotografen en curatoren op neerkeken.
Maar Eggleston kende het werk van Frank niet. In Tennessee vond je in de jaren vijftig en zestig geen fotoboeken. Naast Robert Frank en Eggleston waren er andere fotografen die in ongeveer dezelfde periode braken met het fotografisch classicisme en een nieuwe taal uitvonden: Diane Arbus, Lee Friedlander en Gary Winogrand. Weg met de conventies, weg met de objectiviteit, leken ze te zeggen. Gary Winogrand maakte foto’s om te zien hoe de dingen eruitzagen.

Wie de donkere kant van de Amerikaanse droom wil zien en van de films van David Lynch, PT Anderson (vooral ‘Hard Eight’) en Gus Van Sant houdt, raad ik een bezoek aan de tentoonstelling aan. De foto’s komen er zoveel meer tot hun recht dan in een boek of online. ‘William Eggleston: From Black and White to Color’ loopt nog tot 21 december.

william-eggleston-theredlist.jpg

(1) Allmusic's David Cleary was van mening dat "sound quality is terrible, instrumental balances are careless and haphazard, and some selections even begin with recording start-up sound." En beschreef de elpee als "universally slipshod and boorish...sloppy and lackluster."
De illustere Stephen Thomas Erlewine was ervan overtuigd dat Sherbert "a front-runner for the worst album ever made” was.

  

17-10-14

WE MELT INTO EACH OTHER WITH PHRASES

La_maman_et_la_putain.png

Dat ik – zoals ik gisteren beweerde - maar één collega vond met wie ik over boeken kon praten moet ik nuanceren. Zeker kon ik met meerdere collega’s praten over boeken, soms lange gesprekken voeren zelfs. Maar er zijn verschillende manieren om dat te doen. Ik denk nu aan twee manieren, maar dat er meer zijn hoeft niet betwijfeld te worden.

De eerste manier is vrijblijvend en gezellig: je zit met een vriend, kennis of collega in een café, op de trein, of thuis en vertelt over wat je aan het lezen bent, of je het goed vindt, waarom, waarover het gaat, et cetera. Een plezierige manier om de tijd te verdrijven, niets verkeerd mee. De tweede manier is die van de versmelting, waar ik het gisteren al over had. Jij en je gesprekspartner worden naarmate de dialoog vordert meer en meer één met de boeken, met de schrijvers, zoals, opnieuw, in de film ‘Fahrenheit 451’ van Truffaut. Tegenover jou zit Edgar Allan Poe, zit Arthur Schopenhauer, zit Jorge Luis Borges, zit Virginia Woolf. Sterker nog: terwijl jullie over boeken praten versmelten jullie met elkaar. Virginia Woolf drukt het in haar roman ‘The Waves’ zo uit:
“But when we sit together, close,’ said Bernard, ‘we melt into each other with phrases. We are edged with mist.
We make an unsubstantial territory.”


Ik vermoed dat je in je leven maar weinig mensen ontmoet met wie je zulke diepe (of beter: intense) gesprekken kunt voeren, niet alleen over romans, gedichten, filosofische verhandelingen, maar ook over films, kunstwerken, theater, muziek, en meer nog over het leven, over jullie levens, over emoties zoals verdriet, pijn, boosheid, teleurstelling, genot. Niet de emoties op abstracte wijze natuurlijk, maar zoals ze zich in je dagelijks leven manifesteren. Over blijdschap en vreugde gaan de gesprekken zelden: dat zijn emoties die je op zulke momenten voelt. Die weinige mensen zijn je ware vrienden. Wat niet betekent dat je andere vrienden vals zijn, onecht, zeker niet. Maar met hen heb je een andere band; hen kun je vaak niet duidelijk maken waarom je hen graag ziet; dat weet je meestal zelf niet eens.

Dat was de nuance die ik aan mijn woorden van gisteren wilde toevoegen. In de jaren negentig was er maar één collega met wie ik, als de sterren goed stonden, op die tweede manier kon praten. Het gebeurde niet elke dag, niet elke week, maar het gebeurde en dat was goed.

 

2012_11_PORTO_VOLLEDIG 245.JPG

...

Foto's: La maman et la putain, Jean Eustache; Porto 11 11 2012, Martin Pulaski.

16-10-14

TEGEN DE STROOM

trial3.jpg

Dagen, maanden, jaren vlogen voorbij. Ik was arm, werkloos, werkte op het veld van de taal - van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. ’s Nachts dronk ik porto en bourbon en praatte ik met talloze vrienden, ging dansen, vrijde, was gelukkig en ongelukkig. Het was een intens leven, de woorden en herinneringen waar ik mee worstelde, de taal, de beelden, de liefde, de wrok en afkeer, de haat. De boeken die ik las waren intens, en ik las ze als een bezetene. Mijn boeken waren als mijn vrienden, als mijn muziek: ik herkende me erin, ze werden deel van me, we versmolten met elkaar. Mijn boeken waren personen, zoals in het boek van Ray Bradbury en de film van François Truffaut. Ik herinner me niet veel Nederlandse literatuur die ik in die tijd las. Patrizio Canaponi, Habakuk II De Balker, Martinus Nijhoff, Lucebert, Maurice Gilliams, Willem Frederik Hermans en, om wie het in deze reeks herinneringen gaat, Geerten Meijsing.

leven,tijd,herinneringen,werken,schrijven,lezen,vriendschap,boeken,geerten meijsing,armoede,geld,depressie,schuchter

 

Na zeven magere jaren, die heftig waren, boordevol extase, verdriet, dronkenschap, vreugde, ontgoocheling, lust, seks, waanzinnige poëzie en honger, vond ik wat de meeste mensen écht werk noemen: ik verdiende er geld mee en kon er redelijk goed van leven. Dat werk bestond vooral uit vergaderen, verslagen en jaarverslagen schrijven, adviezen redigeren, met delegaties buitenlandse jeugdorganisaties bezoeken en vooral toenadering zoeken tot mensen die altijd een min of meer ‘normaal’ leven hadden geleid. Dat was moeilijk. Na enkele jaren vond ik één collega met wie ik over boeken kon praten, ook over die van Geerten Meijsing. Onze bewondering voor zijn werk was groot. Dat was in de periode van ‘Veranderlijk en wisselvallig’, ‘Altijd de vrouw’, ‘De grachtengordel’ en het beklemmende ‘Tussen mes en keel’.

Ik begon me beter te voelen tussen mijn soortgenoten, ik werd bijna een van hen. De foto’s die van mij zijn gemaakt in die periode durf ik haast niet meer te bekijken. Hoe gewoon ik eruitzag, hoe zielloos mijn kleren, mijn haarsnit, mijn bril. Ik was aan het verdwijnen. Maar hoezeer ik me ook inspande om te integreren in het functionarissenbestaan, mijn zogenaamde ware ik kon ik niet klein krijgen. Een vonkje van poëzie, van woorden die vele lagen hebben en het geijkte denken kunnen ontwrichten, van een taal die tegen de taal van de politiek en de ambtenarij maar ook die van de media inging, bleef branden. Wat een cliché is. Maar het is de waarheid. Dat vonkje van protest, van verzet, van ontevredenheid, hield me op de been.

Naarmate de jaren negentig vorderden ging ik weer meer tegen de stroom in varen, zoals ik op school en op de universiteit had gedaan. Op de achtergrond waren er altijd schrijvers en muzikanten. En een van hen was Geerten Meijsing, die ik bleef bewonderen, hoewel hij nu een gevestigd auteur was, een die prijzen had gewonnen en geld bezat. Soms vroeg ik me af of hij nu zijn ziel had verkocht aan de markt. Maar ik dacht van niet. De roman die gebaseerd is op zijn zware depressie is daarover duidelijk. En ‘De grachtengordel’ natuurlijk ook. Een keer ging ik naar een lezing – of was het een interview – van Geerten Meijsing, in de hoofdstedelijke bibliotheek. Hoewel hij ouder geworden was, was hij nog steeds een dandy. Ik hield van zijn stijl, hoewel ik nog altijd meer naar ‘het nieuwe’ opkeek, naar wat ik in tijdschriften als i-D en Dazed & Confused zag. Maar zijn hoeden, zijn wandelstok, zijn wit pak stonden hem goed. Zijn stijl paste bij de stijl van zijn geschriften. Wat had ik na afloop graag met hem gepraat, maar dat durfde ik niet. Ik was veel te schuchter en mijn geloof in mezelf was uiterst klein. Dat heb ik hem later verteld. Wat jammer, zei hij. We hadden meteen goed kunnen opschieten, je moest eens weten hoe schuchter ik zelf ben.
santiago de compostela bewerkt.jpg

...

Foto's: The Trial, Orson Welles; Fahrenheit 451, François Truffaut; In Santiago de Compostella, oktober 1998, Martin Pulaski.

15-10-14

WE MOGEN ONZE BELANGRIJKE MISSIE NIET UIT HET OOG VERLIEZEN

anita-pallenberg-02.jpg

Bij zonsopgang vertrekken Lana en ik met Paul voor een bijeenkomst van archivarissen naar Hasselt. Ik heb mij er zoals wel vaker niet op voorbereid, weet nauwelijks wat daar besproken zal worden. Zal er wel iets besproken worden? Onderweg praten heeft weinig zin; door het geronk van de motor hoor ik amper wat mijn medepassagiers zeggen. Dan knik ik ja als er neen van me wordt verwacht of zit ik te lachen als ik moet huilen. Zo van die dingen.
Ik probeer wat te lezen in Red Harvest van Dashiell Hammett, maar lezen maakt me ook nu weer autoziek. In de verte trekt een wonderlijk gebouwencomplex in futuristische stijl, ik denk meteen aan de gebouwen van Oscar Niemeyer in Brasilia, mijn aandacht. Het lijkt lang te duren eer we wat dichterbij komen. Dan zie ik dat de gebouwen die de architect vanuit de toekomst naar hier heeft gehaald worden overschaduwd door een glanzende, witte kathedraal in rococostijl. De reusachtige kerk weerkaatst het zonlicht zo sterk dat je er maar een seconde naar kunt kijken. Hoe heet deze plek, vraag ik aan Paul. Hij weet het niet, Diest misschien, zegt hij. Of Diepenbeek? Moet ik nu lachen of huilen?

Lana heeft honger, wat eerlijk gezegd zeldzaam is. Nu ja, ik heb ook honger. Paul wil liever in één ruk doorrijden naar onze bestemming maar kan moeilijk verbergen dat zijn maag rammelt. En Lana heeft een halfdoorzichtig jurkje aan. Hij parkeert zijn Fiat voor een fabriek van Fiat, of dat denk ik eerst toch. Het blijkt een immense kantine te zijn die herinneringen oproept aan mijn vele werkbezoeken aan de Sovjet-Unie. De klanten zitten er aan lange tafels en eten zuurkool met worst. Het ziet er werkelijk gezellig uit, vooral dank zij de neonverlichting. Over een uur treedt een plaatselijke rock & roll-band op. Op de affiche zien the Hip Stars, zo heten de jongens, er echt cool uit. Lana en ik willen graag blijven, we zijn nieuwsgierig, maar Paul vindt dat tijdverlies: we mogen onze belangrijke missie bij de archivarissen in Hasselt niet uit het oog verliezen. Laten we vertrekken, zegt hij. Ik heb nog niet eens de helft van mijn zuurkool op, maar ik geef toe dat ik een trage eter bent.

T
eleurgesteld en nukkig loop ik achter Lana en Paul over een grasveld, groter dan een voetbalveld, naar de Fiat toe. Wat ver toch naar die auto van Paul, mompel ik. Wat gaan we daar in Hasselt doen, ik ben toch ook helemaal geen archivaris, denk ik nog. Daarop maak ik rechtsomkeert, in de richting van de communistenzaal en de coole band. Maar Lana houdt me tegen. Zo staan we daar dan midden op dat grasveld. Lana probeert me aan het verstand te brengen dat we met Paul mee moeten, we hebben geen keuze. Natuurlijk heeft ze gelijk, we hebben geen keuze. Er staan tranen in mijn ogen. Maar een blik op haar blauw jurkje kan wonderen doen.

Geheel onverwachts, zoals opeens een storm kan opsteken of iemand in een menigte kan neerzijgen, verander ik in iemand die ik nooit eerder in de spiegel zag. Ik loop zo hard ik kan weg van Lana en  Paul, die het portier van zijn auto al aan het openen is. Ik loop en loop tot ik een bus zie aankomen. De chauffeur is een van die hoffelijke types die om het even waar voor je stoppen. Na een tijdje zit ik nog alleen in de bus. Praten doen we niet, niet alleen vanwege de motor, mijn hoofd is even leeg als een voetbal. Aan de eindhalte komt de bus tot stilstand. De buschauffeur zegt “terminus”, laat me eruit en wuift me even na.

Ik sta aan de rand van een maïsveld. Hoewel besluiteloos besluit ik verder te lopen over een asfaltweg met twee smalle rijstroken. Er is geen verkeer. Na vele kilometers kom ik aan de Zuid-Willemsvaart. Wat verderop zo’n oude, pittoreske sluis. Het beton overwoekerd door onkruid dat lekker ruikt. Braamstruiken, netels, varens, lisdodde. In groene overalls gehulde, zwijgende vissers op twee, drie meter afstand van elkaar. Hun gerei glinstert in de late middagzon. Gefascineerd door het water dat ongewoon helder is buig ik voorover, waardoor mijn bril in het kanaal valt. Ik kan hem duidelijk zien liggen op de bodem, maar het is te diep om hem zelfs maar aan te kunnen raken. Misschien kan de jongeman die net komt aangewandeld me helpen. Hij ziet er behulpzaam uit, dat merk ik meteen aan de blik in zijn ogen. Bovendien heeft hij van die hoge visserslaarzen aan. Hij negeert echter mijn verzoek en vraagt of ik mijn vakantiegeld al heb ontvangen. In diezelfde behulpzame ogen zie ik dat hij het antwoord op die vraag kent. Maar hoe kan hij wat dan ook over mijn vakantiegeld weten? Van Colombo, zegt hij. Ach zo. Ik doe mijn schoenen uit, rol met wat moeite mijn broekspijpen op en wil in het water stappen. Colombo staat nu glimlachend naast de blonde jongen. Dat hij blond was had ik nog niet gezien. Mooie schoenen, zegt Colombo, naar mijn versleten witte schoenen wijzend. Ja, zeg ik, het zijn Italiaanse. Siciliaanse eigenlijk, in Agrigento gekocht. In Italië maken ze de mooiste schoenen, voeg ik er nog aan toe. Je weet maar nooit met Colombo.
federico bahamontes.jpg

Ik ga aan boord van een schip, richting Charleroi. Onderweg praat ik met twee oude schoolkameraden; een van hen is Antoine, een jongen met wie ik bijna alle dagen ging fietsen toen mijn bijnaam nog Bahamontes was. Wat een mooie naam toch, daar moet ik ooit eens een gedicht over schrijven! Na een poos daagt het me dat ik op het verkeerde schip zit – het vaart precies in de tegenovergestelde richting, en nog wel naar Gent. Antoine lacht om mijn verstrooidheid. Dat is niet slecht bedoeld – hij weet immers niet welke afstand ik al heb afgelegd. Vanop het dek kijk ik aandachtig naar het kanaal, en vooral naar zijn ligging, hoe het in het landschap is ingebed. Er is iets dat niet klopt. Ik herken dit landschap niet. Deze waterweg werd verlegd, op zijn minst twee kilometer in westelijke richting. Daardoor heb ik me dus vergist. Ja, alles ziet er hier anders uit, het water, de populieren, zelfs het zonlicht.

Aan de Tolhuissluis in Gent ga ik aan boord van een ander schip, dit keer in de goede richting mag ik hopen. Ik strompel de trap af, ga op een bed liggen en val meteen in slaap. Tot we in Charleroi aankomen slaap ik door. Ik droom over een geheime zending naar Hasselt, over massale vissterfte, over een communistische invasie en over een hartelijke ontmoeting met Richard Nixon en zijn stafchef H.R. Haldeman, die een super-8-filmpje van me maakt. In Charleroi ontwaak ik uit die lange slaap als de aak aanmeert bij de Zieke Grond. Ik haast me naar het station, drink gauw twee koffies, en stap op de trein naar huis. Het is genoeg geweest.

Weer thuis krijg ik meteen het gevoel dat ik ga stikken. Wat gebeurt er toch met me! Ik waad door stapels reclame, brochures, folders, kranten en literaire bijlagen, omslagen, herfstbladeren, duivenveren, ijsschrapers, schoenveters en begeef me wankelend naar de keuken waar ik wat water wil drinken.  Daar stel ik vast dat twee knoppen van het gasfornuis open staan. Er moet al een grote hoeveelheid gas zijn ontsnapt. Bliksemsnel draai ik de knoppen toe en open de ramen.

Ik zet de televisie aan voor het laatavondnieuws. In Hasselt is in de koffer van een Fiat een grijze plastieken zak met daarin het in stukken gezaagde lijk van een nog onbekende vrouw aangetroffen. De gangster Johnny Stampanato zou erbij betrokken zijn. Zijn naam klinkt vertrouwd, maar wie was het toch ook alweer? Ik zet de televisie af, slik een valium en probeer me voor te stellen hoe Brenda Lee er nu uitziet. Daarna komen de dromen.

 mickey cohen johnny stampanato2.jpg

12-10-14

BINNENKORT: OMTRENT ANTONIN ARTAUD

pulaski-artaud 001 (2).jpg

09-10-14

BRUNO SCHULZ, TEKENAAR

schulz3.jpg

 

schulz4.jpg

Twee tekeningen van Bruno Schulz (Drohobycz1892 - Drohobycz,1942), begenadigd Pools schrijver en tekenaar. Bij ons is hij wellicht beter bekend als auteur van de eigenzinnige roman 'De kaneelwinkels' dan als kunstenaar. Veel van zijn werk, zowel geschreven als getekend, is verloren gegaan na zijn dood in 1942. Hij werd in zijn geboorteplaats op straat doodgeschoten door de Gestapo. Drohobycz ligt in de huidige Oekraïne.

IS THERE A MURDER IN YOUR FILM?

01_inland_empire.jpg

Neighbor: Is there a murder in your film?

Nikki: Uh, no. It’s not part of the story.

Neighbor: No, I think you are wrong about that.

Nikki: No.

Neighbor: Brutal fucking murder!

 

[David Lynch, Inland Empire, 2006]

03inland_empire.jpg

05inland_empire.jpg



06-10-14

ECHOLALIA: ANA TORFS

IMG_9952.JPG

Ja, ik ben verslingerd aan echolalie. Aan het woord en aan wat het woord betekent. Sinds ik de tentoonstelling  ‘Echolalia’ van Ana Torfs in Wiels heb gezien is de ziekte nog erger geworden, als het al een ziekte is. Indien wel dan smaakt ze eerder zoet, zoals de jaloezie bij Patricia Highsmith. Freud schrijft dat de neurose verdwijnt als de neuroticus zich bewust wordt van wat tevoren onbewust was. In mijn geval van die echolalie; maar ik ben niet genezen, en dat vind ik een goede zaak.

‘Echolalia’ van Ana Torfs is werkelijk interessant als je er je tijd voor neemt. Vanuit het Zuidstation ga je best te voet naar Wiels, via de industriezone in Anderlecht. Onderweg kun je een blik werpen op de Zenne, een rivier die een nogal schimmig bestaan leidt. Als je niet van woorden en van taal houdt blijf je beter thuis.

IMG_9934.JPG

Eén afdeling van de tentoonstelling heet ‘TXT (Engine Of Wandering Words)’. Het gaat om zes prachtige wandtapijten waarin telkens vijfentwintig beelden verwerkt zijn die verband houden met gember, saffraan, suiker, koffie, tabak en chocolade. Wat de zes wandtapijten met elkaar verbindt is een fragment uit Swift’s ‘Gulliver’s Travels’, dat verbluffend geestige boek (waarvan nog vaak wordt verondersteld dat het voor kinderen werd geschreven); met name een paragraaf uit ‘A Voyage To Laputa’ waarin onder meer deze merkwaardige zin voorkomt: “The first project was to shorten discourse by cutting polysyllables into one, and leaving out verbs and particles, because in reality all things imaginable are but nouns.” Maar, hoe kan het anders, ook deze zin: “The other project was a scheme for entirely abolishing all words whatsoever; and this was urged as a great advantage in point of health as well as brevity.” Omdat woorden slechts benamingen zijn voor dingen, is het beter voor de gezondheid en de communicatie dat mensen rechtstreeks gebruik maken van de dingen om met elkaar te ‘praten’. Personen die over diverse dingen willen praten moeten natuurlijk een veel zwaarder gewicht torsen dan degenen die maar weinig te vertellen hebben. Maar enkele slaven lossen dat dan wel op. Een van de (honderdvijftig) illustraties op een tapijt van Ana Torfs is trouwens een advertentie voor een slavenverkoop. Ondanks hun vele verwijzingen naar lang vervlogen tijden en gebruiken zien de tapijten er hedendaags uit: de honderdvijftig prenten lijken op icoontjes op internet. Dat je er niet op kunt klikken is een bijkomend voordeel: het zet je tot denken en lezen aan, de beelden maken je nieuwsgierig. Als je thuiskomt neem je toch zeker al ‘Gulliver’s Travels’ uit het boekenrek. En dat is slechts het begin van een nieuwe aanval van echolalie.

Een tweede deel, ‘Family Plot’ is al net zo boeiend. Het gaat ook weer over classificaties, met als lichtend voorbeeld Carl Linnaeus, de Zweedse natuuronderzoeker en taxonoom. ‘Family Plot’ is een imaginaire stamboom, een grillige maar tegelijk zeer ordelijke encyclopedie van ontdekkingsreizigers, botanici, bloemen, vruchten, wereldkaarten, gebieden. Dit gedeelte is wellicht het vermoeiendste. Je hebt er goede ogen voor nodig.

Het meest oogstrelende deel draagt de titel ‘Stain’. Dit is een echolalie-encyclopedie van bijzondere kleuren: mauve, Bismarckbruin, Pruisisch blauw, Bengaals roze, malachietgroen, Aurantia (een kleur die ik niet kende; in de Webster vond ik dit: “a poisonous red-brown crystalline alcohol-soluble dye C12H8N8O12 used in biological staining, in desensitizing photographic plates, and in colored photographic filters —the ammonium salt of hexanitrodiphenylamine”); Indisch geel. Over ‘Stain’ kan het moeilijkst worden gepraat of geschreven, je moet het zien en horen. Bij Mauve hoor je bijvoorbeeld een vrouwenstem iets uit Oscar Wilde’s ‘The Picture Of Oscar Wilde’ citeren: “Never trust a woman who wears mauve, whatever her age may be, or a woman over thirty-five who is fond of pink ribbons. It always means they have a history”.

 oscar1-wilde.jpg

Een voor mij wat minder boeiend gedeelte, ‘Legend’, behandelt de geschiedenis van het Canarisch eiland La Gomera. Het eiland kent voor mij nog maar weinig geheimen: ik heb vier keer als het hier koud was vrij lang rondgehangen, vooral in het idyllische hippiedorp Valle Gran Rey. Geen spoor van de generalissimo daar.

Bij ‘Displacement’ schrok ik toch wel even. De beelden riepen herinneringen op aan een film van Chantal Akerman. Dezelfde leegte en zinloosheid, veel ongemakkelijke stiltes, verveling, vervreemding. Maar het verhaal dat erbij verteld wordt... Opeens wist ik het: het was dat van het meesterwerk van Roberto Rosselini, ‘Viaggio in Italia’. De film spreekt me meer aan, de beelden van Rosselini doen me meer. En je hebt de geweldige rol van Ingrid Bergman.

viaggio-in-italia_2.jpg

Voor het laatste gedeelte, ‘The Parrot & The Nightingale, a Phantasmagoria’ was ik te moe. Zeker, het is een vermoeiende tentoonstelling. Maar je wordt er als gezegd op een prettige manier ziek van. De echo’s brengen andere echo’s voort, die op hun beurt voor weer nieuwe echo’s zorgen: mijn kamer is een volmaakte echokamer geworden; uit al mijn boeken stijgen stemmen op. Ik heb me voorgenomen voor lange tijd niet meer buiten te komen, zelfs niet om een reis naar La Puta of La Gomera te maken.

04-10-14

HOOCHIEKOOCHIE: LACH, SPRING, DANS

howlin wolf en muddy.jpg

Zéro de conduite is een POPprogramma op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 ’s avonds. Heerlijk als je druk bezig bent in de keuken, of bij het aperitief, en later aan tafel bij de antipasti, de vissoep, de Roma-tomaten! Stem af op 106.7 FM. Je kunt het programma eveneens via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over de radio.

“Misschien moeten we (…) in onze oudste herinneringen graven en in de spelletjes die we als kind leuk vonden de eerste aanzet zoeken tot diverse manieren waarop mensen aan het lachen gemaakt kunnen worden. Te vaak hebben we het over onze gevoelens van plezier of verdriet, alsof die louter van recente datum zijn, alsof niet elk van hen zijn eigen geschiedenis heeft. Te dikwijls vooral miskennen we wat er in het merendeel van onze gevoelens van blijdschap als het ware nog aan kinderlijks schuilt. Een groot deel van de pleziertjes van nu schrompelt echter, bij nadere beschouwing, ineen tot louter herinneringen aan pleziertjes van vroeger!
Henri Bergson, Lachen

Vorige maand werden er tranen gestort, tranen van verdriet maar ook van vreugde en plezier. Valleien, rivieren oceanen van tranen. Zelf had ik het gevoel dat al die songs, hoe melancholisch soms ook, troost brachten en in enkele gevallen tot dansen aanzetten. Vandaag zal het niet anders zijn, maar dan omgekeerd. Lachen is niet altijd plezierig. In elk menselijk handelen, in elke menselijke emotie zitten meerdere lagen, vaak maakt zelfs het tegenovergestelde er deel van uit. “There ain't no dark till something shines”, zingt Townes Van Zandt in ‘Rex’s Blues’. Hegel had het niet beter kunnen formuleren, wel ingewikkelder.

Vandaag hebben we gekozen voor liedjes over plezier, vreugde, geluk, lachen. Meer dan eens zijn het droeve, sombere, zelfs wanhopige songs. Maar dat geeft niet, stemmen, melodieën, ritmes maken mensen altijd al op een bepaalde manier blij. En vaak ook roepen ze mooie herinneringen op, plezierige herinneringen. Want die zijn bijna altijd met liedjes vergroeid. Dat zal ook wel de reden zijn waarom radio nostalgie zoveel succes heeft. Deze radio hier is geen radio nostalgie, al doe ik mijn best om er een van te maken. Vergis je echter niet: mijn nostalgie is net weer een beetje anders dan die van jou. En in mijn nostalgie is er altijd plaats voor de toekomst.

Geniet van de mooie muziek!

love2.jpg

Happy Madness (1995) - Joe Henderson – Double Rainbow: The Music of Antonio Carlos Jobim - Antonio Carlos Jobim, Vinícius de Moraes         

Laughin' And Clownin' (1963) - Sam Cooke – Nightbeat (1963) - Sam Cooke

300 Pounds Of Joy (1963) - Howlin' Wolf - The Genuine Article - Willie Dixon    

Pride And Joy (1963) - Marvin Gaye -  Anthology - Norman Whitfield, Marvin Gaye, William Stevenson

Laugh It Off  (1963) - The Tams - The Fame Studio Story 1961-1973 Home Of The Muscle Shoals Sound - Ray Whitley

I'm So Happy (Tra-La-La-La-La-La) (1958) - Lewis Lymon And The Teenchords – Fury single - Bobby Robinson

Laugh (1961) - The Velvets - Golden Age Of American Rock & Roll : The Follow-Up Hits - Roy Orbison, Joe Melson

Laughin' & Jokin'  (1957) - Ernie Chaffin - Sun Collection - Murphy “Pee Wee” Maddux, Jr.

Soldier's Joy (live, 1964) - The Kentucky Colonels (Roland White, Clarence White, Billy Ray Lathum & Roger Bush) - Long Journey Home - traditional

Don't Laugh (1957) - The Louvin Brothers - When I Stop Dreaming-  Rebe Gosdin                          

Joy To The World (1968) - John Fahey - The New Possibility: John Fahey's Guitar Soli Christmas Album - Handel

Wild About My Lovin' (1976) - Sid Selvidge - The Cold Of The Morning - traditional        

Soldier's Joy, 1864 (2002) - Guy Clark - The Dark – Guy Clark, Shawn Camp

Laughing Boy (1968) - Randy Newman -  Creates Something New Under The Sun – Randy Newman

Crying Laughing Loving Lying (70s) - Rod Stewart - Handbags & Gladrags – Labi Siffre   

I Laugh In Your Face (1969) - Bee Gees – Odessa – Barry, Robin & Maurice Gibb

Frozen Laughter (1967) - Rising Storm - Calm Before The Storm – A. Thompson              

Laugh, Laugh (1965) - The Beau Brummels - Introducing The Beau Brummels - Ron Elliot

Laughing (1969) - The Guess Who - Greatest Hits - Bachman/Cummings

It Takes A Lot To Laugh, It Takes A Train To Cry - Al Kooper, Steve Stills - Super Session - B.Dylan

Laughing Stock (1968) - Love - Single B-Side  - Arthur Lee                           

Laughing  (1971) - David Crosby - If I Could Only Remember My Name - David Crosby

The Old Laughing Lady (1968) - Neil Young - Neil Young (First Album) - Neil Young

Yemeni Jade (2014) - Allah-Las - Worship The Sun – Allah-Las                  

Virgo Clowns (1970) - Van Morrison - His Band And The Street Choir - Van Morrison

Milneburg Joys (1992) -  Dr. John - Goin' Back To New Orleans- Jellyroll Morton

Make A Joyful Noise (1972) - Jesse Ed Davis – Ululu - Jesse Ed Davis

While You Were Having Fun (1986) - Rainer & Das Combo - Barefoot Rock With ... (bonus track) – Rainer Ptacek           

Joy And Jubilee (2003) - Bonnie "Prince" Billy - Master And Everyone - Will Oldham

Silver Joy (2013) - Damien Jurado - Brothers and Sisters of the Eternal Son                       

Love Like Laughter (1998) - Beth Orton - Central Reservation – Beth Orton       

Happy (1996) - Mazzy Star - Among My Swan - Hope Sandoval, David Roback

Happy When It Rains (1987) - The Jesus & Mary Chain – Darklands - William Reid

Falling and Laughing (1982) - Orange Juice - You Can't Hide Your Love Forever - Edwyn Collins

People's Pleasure Park (1989) - The Durutti Column - The Best Of The Durutti - Vini Reilly, Bruce Mitchell

Out Of Egypt, Into The Great Laugh Of Mankind, And I Shake The Dirt From My Sandals As I Run - Sufjan Stevens - Come On Feel The Illinoise! - Sufjan Stevens 

Laughing (1978) - Pere Ubu - The Modern Dance – Pere Ubu

...

Research & presentatie: Martin Pulaski

jesse davis.jpg

03-10-14

IRINA EN EVA IONESCO

 

my little princess.jpg

Van ‘Erwin’ via ‘Moord & Doodslag’ en ‘Siciliaanse vespers’ naar Syracuse (16 mei 2013) is een lange weg. Die moet ik helemaal in woorden afleggen, waarbij ik niet alleen hoop mijn doel te bereiken – het aantal hindernissen neemt elke dag toe – maar tevens een plaats te bereiken die in de toekomst ligt, een bestemming die nu nog in donkere nevelen is gehuld en naamloos is. Geduld, moed en ontvankelijkheid zijn hierbij, zoals bij zoveel belangrijke ondernemingen, onontbeerlijk.

Onlangs zag ik de film ‘My Little Princess’ (2011) van Eva Ionesco. Ik had hem een paar dagen tevoren opgenomen vanwege de thema’s (fotografie, grensoverschrijdend gedrag, uitbuiting, incest) maar vooral vanwege Isabelle Huppert, sinds vele jaren mijn uitverkoren actrice. Pas na het zien van de erg mooie maar verontrustende film besefte ik dat andere, onbewuste drijfveren mij tot opname hadden aangezet. En nee, er is niet meteen een verband met het werk van Geerten Meijsing, tenzij misschien het jonge meisje, een verbluffende rol van de onbekende Anamaria Vartolomei, en meer algemeen de decadentie en het narcisme.
my little princess 3.jpg

Al bij het begin van de film herinnerde ik mij opeens een kostbare, vrij grote map met foto’s van Irina Ionesco die ik bij Boekhandel Corman, waar ik toen werkte, meermaals voorzichtig had geopend om een blik te werpen op de perverse afbeeldingen van meisjes en jonge vrouwen. Ik vond het mooie en opwindende foto’s, echte kunstwerken; het was duidelijk dat er hard was aan gewerkt, zeker ook aan de enscenering en de kleding (en ontkleding). Ik herinner me niet of er foto’s bij waren van een jong meisje, van een kind. Het is mogelijk. Ook in die dagen – de eerste helft van de jaren zeventig - waren dergelijke beelden nog altijd pervers en opwindend, maar schokken deden ze nauwelijks (1). In West-Europa leek de censuur eindelijk voorgoed te zijn afgeschaft. Wat mij betreft waren afbeeldingen van seks met kinderen een stap te ver. De daad zelf kon ik me zelfs niet voorstellen (en ik kan dat nog altijd niet). Ik heb ooit een aflevering van het undergroundtijdschrift Suck gekocht, waar ik zulke foto’s in aantrof. Hoe walgelijk en wansmakelijk! Niet zo bij de foto van Germaine Greer, auteur van de bestseller ‘The Female Eunuch’, die trots haar vagina tentoon spreidt. Maar beroemde vagina of niet, van Suck wilde ik niets meer horen. Het ging bij dat tijdschrift ook helemaal niet om de vrijheid: er werd een nieuwe markt aangeboord, die van de pornografie, van lust als handelswaar.
Ionesco1.jpg

De foto’s van Irina Ionesco, zoals ik ze mij van die map herinner, waren niet pornografisch in de betekenis die dat adjectief vandaag heeft. Geen sprake van penetratie, cunnilingus, fellatio en al helemaal geen ‘cum shots’. Maar de fotograaf dwong haar kleine dochtertje, Eva, om de rol van een obscene Lolita te spelen. Aanvankelijk had Eva, jong als ze was, daar geen bezwaar tegen. Gaandeweg echter kwam ze meer en meer in opstand tegen haar moeder, ze begon zich gebruikt en misbruikt te voelen. Als volwassen vrouw spande ze een proces aan tegen Irina; pas in 2012 kwam er een uitspraak: Eva’s moeder moest haar dochter een boete (of smartengeld) betalen van 200.000 euro.

Ten minste drie dingen vind ik vreemd aan dit hele verhaal. Waarom was ik Irina Ionesco en haar foto’s vergeten; waarom had ik nooit iets over die moeder-dochterrelatie gelezen (of was ik het vergeten?); waarom maakte Eva Ionesco zo’n oogstrelende en zelfs opwindende film over dat pijnlijke onderwerp, over het misbruik waar zij het slachtoffer van was? ‘My Little Princess’ is, nogmaals, een schitterend in beeld gebrachte film, met veel aandacht voor decors, kostuums en belichting.(2) Maar mag een kunstwerk dat voor de kunstenaar (en voor de toeschouwer) voor loutering, voor catharsis moet zorgen wel zo mooi zijn? Moet hij niet veel rauwer, wreder, lelijker zijn? Een moeder die haar dochter uitbuit en misbruikt verdraagt geen schoonheid, hoe mooi en opwindend haar kunst ook mag wezen.

[Eva Ionesco lijdt wellicht aan wat Freud herhalingsdwang noemt – of is het een bewuste beslissing om het gedrag van haar moeder te herhalen? Wat zij met de jonge actrice Anamaria Vartolomei doet is misschien niet echt misbruik maar ook zij maakt van het meisje een Lolita, een verleidelijk wezentje, niet alleen aantrekkelijk voor het artistieke ‘Humbert Humbert’-type maar zeker ook voor mannen of vrouwen die wat minder esthetisch zijn ingesteld.]

 IrinaIonesco35.jpg

 ...

(1) Schokken deden ze nauwelijks. Op 23 mei 1977 sierde een foto van de jonge Eva Ionesco de voorpagina van Der Spiegel. De tijden zijn evenwel veranderd. Als je naar het archief van Der Spiegel gaat zie je alle afleveringen netjes geklasseerd, alleen die waarop Eva staat afgebeeld is niet zichtbaar.

(2) “Il faut donc rendre grâce à Eva Ionesco, à son talent et à son courage, d'avoir signé ce film si personnel dans un esprit de drôlerie”. Jacques Mandelbaum in Le Monde.

...

Foto's: Anamaria Vartolomei en Isabelle Huppert in 'My Little Princess'; Anamaria Vartolomei in 'My Little Princess'; foto van Irina Ionesco; foto van Irina Ionesco.