18-12-13

GOED, BETER, BEST

Velvet-Underground-770.jpg

Waarom houd ik me nog bezig met wat het beste is, met beter, goed, minder goed, slecht? Het is onzinnig en volstrekt overbodig. Kunst is kunst, en wat uniek is uniek. Iedereen moet voor zichzelf maar uitmaken wat hij of zij graag hoort, ziet, voelt.

Maar wacht even… Dat hele fenomeen van lijstjes maken, van kunstuitingen (vooral muziek en literatuur in mijn geval) ‘bewieroken’, van sommige werken een ereplaats geven is iets emotioneels, het getuigt van enthousiasme en liefde. En enthousiasme wil je delen, wat je goed vindt wil je propageren; van wat miskend wordt hoop je dat het meer erkenning krijgt, of eindelijk wat aandacht. Dat is evenwel in tegenspraak met mijn - nogal snobistisch en kinderachtig – bij een groepje van aficionado’s willen horen die op de hoogte zijn, en alleen wij zijn op de hoogte, alleen wij zijn ingewijd. Op degenen die dat niet zijn, daar wordt op neergekeken. Ja, tegenspraken!

Daar komt nog bij dat ik al het grootste deel van mijn leven lijstjes maak. Ik geloof dat het begonnen is met Toppers voor Tobbers van het tijdschrift Humo, midden de jaren zestig in het Atheneum van Tongeren. In de begindagen werd je naam als samensteller van de wekelijkse hitlijst en de naam van je school nog in het tijdschrift vermeld. Trots dat ik daar op was!

Lijstjes maken is zinloos en overbodig, maar ik volhard in wat nutteloos is. Dat heb ik altijd gedaan. Het nuttige daarentegen laat ik links liggen. Ik voel er alleen maar onverschilligheid voor, en dat is niet eens een gevoel. Het is niets. Mocht ik het nuttige niet links hebben laten liggen bezat ik nu een villa, een Mercedes Benz en een buitenverblijf in Cabo de São Vicente.

wlwh vu.jpg

 

Mijn lijst van meest gekoesterde platen in 2013 is nog niet afgerond (wel al een voorlopige versie op facebook, en een tijdje geleden hier). Toch weet ik nu al dat dit mijn favoriete muzikale momenten waren:

Platen

The Velvet Underground – White Light / White Heat (hoe dan ook beste rockplaat ooit gemaakt)
Van Morrison – Moondance
Phosphorescent – Muchacho
Tift Merritt – Traveling Alone
Bob Dylan – Another Self Portrait


Film als muziekvorm

Coen Brothers – Inside Llewyn Davis

Live

Neko Case in AB Club, Brussel
Tindersticks in Rivierenhof, Antwerpen
Phosphorescent in Botanique, Brussel
Rosanne Cash in Roma, Antwerpen
Low in Koninklijk Circus, Brussel
Sam Amidon in Feeërien, Brussel
Tift Merritt in Botanique, Brussel
Amanda Shires & Jason Isbell in Botanique, Brussel

tift_merritt.jpg

Rouwproces

Kevin Ayers
Lou Reed

kevin ayers0.jpg

Over 'White Light / White Heat' maakte ik op 2 maart 2012 een terloopse opmerking:

“Ben ik nu een snob? Wacht dan. Ik ben waarschijnlijk ook de enige Belg die ‘White Light / White Heat’ heeft aangeschaft toen die LP in 1968 uitkwam. Mijn vroegere vriend Guy Bleus mag hier ook wat komen bluffen als hij zin heeft: hij was de eerste jongen die ‘The Velvet Underground & Nico’ bezat, de originele versie met de schilbare banaan.”
Ik haal dit aan omdat de 45th Anniversary Deluxe Edition van de plaat deze uitspraak van Lou Reed meekreeg:
“No one listened to it. But there it is, forever – the quintessence of articulated punk. And no one goes near it.”
Dat verklaarde hij in august, kort voor zijn overlijden. De eerste zin is een overdrijving. De rest is helemaal waar. En sinds Lou’s dood leven we in een andere wereld. Er zit een diep gat in. We moeten verder de duisternis in zonder een van onze meest achtenswaardige gidsen.

...

Afbeeldingen: Velvet Underground; White Light / White Heat; Tift Merritt; Kevin Ayers.

15-12-13

HET WERELDBEELD VAN FRANCIS BACON (in 2013)

14_francis-bacon_three-studies-for-a-crucifixion_1962.jpg

Het heeft even geduurd maar nu neem ik de draad weer op van mijn ‘toevallige’ genealogie. Hoewel invloeden en bewondering toch bijna altijd op zijn minst zijdelings, terloops, naar boven komen.

Toevallig, want ik begin inderdaad te vermoeden dat wat mij op ‘geestelijk’ gebied altijd al heeft aangesproken het gevolg is van toevallige omstandigheden en situaties. Net zoals je toevallig mensen ontmoet met wie je het goed kunt vinden, kom je soms oog in oog te staan met kunstwerken die je ontroeren, of boeken die je naar binnen zuigen in hun wereld, of muziek die je voorbij de regenboog brengt.

Zo bezocht ik op een zonnige dag in 1973 het nog jonge Europalia, toen aan Groot-Brittannië gewijd. Daar trof ik niet alleen werk aan van de reus William Blake, met wiens mystieke gedichten ik al enigszins vertrouwd was en van David Hockney, die ik kende dankzij de documentaire ‘A Bigger Splash’, maar ook van Francis Bacon van wie ik nooit eerder had gehoord. Ik weet niet meer welk werk van Bacon het was dat mij zo van mijn stuk bracht, maar ik herinner me wel nog heel goed dat ik flink door elkaar geschud werd. Sinds die dag kijk ik op een andere manier naar kunst, heb ik er een andere band mee, en ben ik zelf ook anders. Sinds die dag ben ik verslaafd aan Bacon.

francis_bacon__studies_for_a_portrait_of_peter_beard_i-139-1.jpg

In 1977 verscheen in het filosofisch tijdschrift Aurora mijn semi-autobiografische tekst ‘Het wereldbeeld van Francis Bacon’. Die was het product van drie jaar opzoekingen, onder meer in de Albertina, maar ook op andere plaatsen. Op den duur was ik zo ondergedompeld in de geest van Bacons werk dat ik er bijna overal sporen van aantrof. In mijn archiefkast staan nog meerdere cahiers vol aantekeningen ter voorbereiding van het experimentele ‘verhaal’*. Ik durf er nauwelijks in lezen: bijna uit alles, behalve de citaten, wordt duidelijk dat ik op de rand van de waanzin balanceerde.

Ik denk dat het om die reden is – angst voor waanzin en afgrond – dat ik deze nieuwe tekst, hoe realistisch ik ook probeer te zijn, niet naar behoren geschreven krijg. Het moet, maar ik kan niet, het is een onmogelijke opdracht.

Het vreemde is dat ik zulke angsten helemaal niet heb als ik reproducties bekijk - ik heb enkele mooie monografieën en een voortreffelijke catalogus uitgegeven in 1996 door Centre Georges Pompidou - of als ik zijn werken in musea/tentoonstellingen aantref. Integendeel: de figuren op zijn doeken zijn me al zo vertrouwd dat ik ze haast als familieleden ben gaan beschouwen. Bijna, maar nog niet helemaal, ken ik er elk trekje van.

Ik hoop dat deze schaarse woorden voorlopig volstaan als uitdrukking van mijn onvoorwaardelijke bewondering voor deze ongeëvenaarde kunstenaar. Voor mijn liefde voor zijn kunst en zijn techniek, zijn vaardigheid, zijn kijk op de mens, op de erotiek en op het geweld dat wij dagelijks plegen. Ja zelfs dat bewonder ik in Francis Bacon: de gruwel, de horror, het afschuwelijke. Francis Bacon heeft niemand mij cadeau gedaan: ik stond oog in oog met zijn werk en daar was hij, meteen diep in mij, in een ogenblik was het gebeurd, zoals liefde op het eerste gezicht. Na al die jaren is de aanvankelijke waanzin weggeëbd, maar zijn beelden zijn gebleven, ik zie ze op straat, in winkelcentra, in hotelkamers, op recepties, in vliegtuigen, hier thuis als ik in de spiegel kijk of als ik vrienden ontvang, ik zag ze in het gezicht van mijn stervende vader, mijn stervende moeder, ik zag ze op polaroids van mezelf, waarop ik zwaar toegetakeld door crimineel tuig stond afgebeeld. Het zijn meestal geen prettige beelden, maar er zit zoveel diepe, diepe lust en schoonheid in. Het is de lust die eeuwigheid wil maar tegelijk tragisch en kwetsbaar is en ten onder moet gaan.

francis bacon 01.jpg

...

*Dat verhaal, ‘Het wereldbeeld van Francis Bacon’, is te lang voor een blog. Misschien dien ik u later wel enige fragmenten toe.

 Reproducties: Three Studies For A Crucifixion, 1962; Study For A Portrait Of Peter Beard, 1976; Second Version Of Triptych, 1944

6

14-12-13

EEN SPIEGEL IS GEEN FOTO

important-c-est-d-aimer-0.jpg

Tijdens een veeleer droefgeestige wandeling in het dorp Anderlecht, nee, helaas niet in het 14de arrondissement in Parijs, besefte ik dat ik ondanks alles en met enige spoed iets moest schrijven over de psychologische en psychoanalytische aspecten van foto’s in speelfilms, al was het maar om een voorbeeld te geven van de diepgang van het oppervlakkige.

Ik heb even de gordijnen toegedaan: de bijna volle maan scheen me te fel in de ogen.

Een spiegel is geen foto. In een spiegel ziet een personage zichzelf weerspiegeld, zoals Narcissus in het water. De protagonist kan tevreden zijn met dat beeld, er van schrikken, zich er boos op maken, of er een mix van tegenstijdige emoties bij voelen zoals Robert De Niro in ‘Taxi Driver’.

Een foto van de protagonist is niet zijn weerspiegeling. Het is een ander beeld, meer verwijderd van hem, behandeld, bewerkt, vervormd. In Fritz Langs ‘You Only Live Once’ toont de Wanted-foto van Henry Fonda een ander aspect van zijn persoonlijkheid, van zijn karakter. Je zou kunnen zeggen dat de samenleving (of de ‘gemiddelde’ burger) het Freudiaanse Über-ich is; de handelende Henry Fonda is dan het Ego en de foto staat ons toe een blik te werpen op zijn Onbewuste. Want het is natuurlijk niet waar dat het personage door en door goed is: de foto corrigeert die perceptie, ook al is hij door de politie bewerkt, heeft men van de goede man een boef gemaakt.

Het tragische is dat de ‘gemiddelde’ burger de brave man niet ziet, maar alleen Über-Ich ‘is’, dat hij slechts oog heeft voor wet en orde, en profijt. Hij ziet alleen de boef, degene die de wet overtreedt, de man die hem misschien zal bestelen, zijn vrouw verkrachten of hem zelfs vermoorden. Weg ermee! Weg met de boef!

...

 

Foto: L'important c'est d'aimer (1975), Andrzej Zulawski

DROMEN VAN FILMS EN FOTO'S

memento.jpg

Ik geloof niet dat ik ooit heb stilgestaan of –gezeten bij de rol van foto’s in de speelfilm. Misschien wel, omdat het onderwerp zo voor de hand ligt, maar dan ben ik het vergeten. Afgelopen nacht werd ik wakker nadat een oude vriend me uitgescholden had om iets wat ik gezegd had aan tafel, terwijl ik nochtans al de hele tijd had zitten zwijgen. Vervolgens viel zijn vriendin me aan, dat ik moest zwijgen over al dat onheil, en vooral over mijn kwalen, want dat ik van dat gekanker van mij vast kanker zou krijgen, en dat ik er anderen, mijn goede vrienden allemaal gezellig rond de tafel, ook kanker mee bezorgde. Helemaal wakker dacht ik opeens aan die foto’s in films. Ik probeerde me te herinneren welke films essentieel zijn in die context. Gelukkig duurde dat denken niet al te lang en viel ik weer in slaap. Een blauwe schuit voerde me over stille wateren en door kleine sluizen naar mijn bestemming, het Entella Hotel, dat zich in het 14de arrondissement in Parijs bleek te bevinden. Wat me nauwelijks verbaasde. Al gauw zat ik met een zekere Wanda Kosakiewicz de ene koffie na de andere te drinken, zodat ik opnieuw wakker werd en aan deze tekst dacht te kunnen beginnen.

Geen sprake van. Het zou een boek moeten worden. Tien delen, op z’n minst. Mijn geheugen is nog niet in gang geschoten of ik vind al enkele schitterende voorbeelden.

a you only live once lang fonda.jpg

Ik heb er geen idee van maar ik vermoed dat er alleen reeds over Antonioni’s ‘Blow-Up’ en de foto als belangrijk narratief element tientallen studies zullen verschenen zijn. Een paar dagen geleden zag ik nog een keer het geweldige ‘You Only Live Once’ van Fritz Lang met Henry Fonda en Sylvia Sydney. Daar komt de foto in voor zoals die in massa’s andere Amerikaanse misdaadfilms wordt gebruikt: een misdadiger wordt gezocht, er staat een prijs op zijn hoofd. “WANTED - $10.000 REWARD”. Alleen zien de foto’s bij Fritz Lang er beter uit dan in de doorsnee ‘crime films’. Henry Fonda, een man met een goede inborst en zachtaardige trekken, krijgt op de foto van de politie of FBI een groezelige kop aangemeten, de kop van iemand wiens slechtheid tot de verbeelding van de gemiddelde Amerikaan spreekt. Hoewel ze hem ongetwijfeld voor het geld aangeven. Je hebt die ‘Wanted’-foto’s natuurlijk ook in westerns, maar in dat genre zien ze er altijd wat kitscheriger uit, net zoals de decors.

bonnie and clyde.jpg

Van ongeveer dezelfde aard zijn de foto’s van misdadigers in kranten. Bijvoorbeeld in ‘Bonnie And Clyde’ van Arthur Penn: vond Clyde Barrow zo’n foto nu weer bijzonder geslaagd of werd hij er integendeel helemaal niet door gecharmeerd, dat kan ik me niet meer herinneren. Het is wel een typische scène. Er is ‘Alice in den Städten’ van Wim Wenders, die in zekere zin fotografie als onderwerp heeft. Ik denk dat Rüdiger Vogler van ongeveer alles foto’s maakt omdat hij de werkelijkheid van wat hij ziet in twijfel trekt. De foto’s moeten dan bewijzen dat wat er is er is, net zoals in het liedje van the Kinks (van in het begin al favorieten van Wenders):

People take pictures of each other
Just to prove that they really existed

aliceimg5za3.jpg

De film is heel wat meer dan dat. Het personage van Rüdiger Vogler leert anders naar de wereld en de mensen kijken dankzij het meisje Alice en uiteindelijk kan hij er zich mee verzoenen. In ‘Der Amerikanische Freund’, ook van Wim Wenders, maakt Ripley (Dennis Hopper) polaroids van zichzelf. Zeer waarschijnlijk omdat hij, als oplichter, twijfelt aan zijn identiteit.

hopper polaroids.jpg

In het sublieme ‘Memento’ van Christopher Nolan lijdt het hoofdpersonage aan geheugenverlies: Polaroids zijn veel meer dan een geheugensteun, ze nemen er de plaats van in.

Geen sprake van dus dat ik hier dieper op inga. Ik ben een man van de oppervlakte, wat niet betekent, mag ik hopen, dat ik oppervlakkig ben. De werkelijke diepte bevindt zich aan de oppervlakte – dat is toch een sterk vermoeden van me. Laat me dan liever aan de oppervlakte blijven en niet verdrinken in een zee van details.

...

Afbeeldingen:
Memento, Christopher Nolan; You Only Live Once, Fritz Lang; Bonnie And Clyde, Arthur Penn; Alice in den Städten, Wim Wenders; Der Amerikanische Freund, Wim Wenders. 

13-12-13

OVER FOTOGRAFIE

bill brandt2.png

Verschenen in 1977 - niet echt van deze tijd - maar nog altijd interessant en stimulerend is Susan Sontag's 'On Photography'. Enkele citaten:

“All photographs are memento mori. To take a photograph is to participate in another person’s (or thing’s) mortality, vulnerability, mutability. Precisely by slicing out this moment and freezing it, all photographs testify to time’s relentless melt.”

“We have a modern notion of embellishment – beauty is not inherent in anything; it is to be found, by another way of seeing – as well as a wider notion of meaning, which photography’s many uses illustrate and powerfully reinforce."


Susan Sontag, On Photography, 1977.
bill-brandt-untitled-1953.jpg

...

Foto's: Bill Brandt,  
Hampstead, 1945; Untitled, 1953.

11-12-13

FOTOGRAFIE EN HERINNERING

diane-arbus-self-portrait-in-mirror-1945.jpg

Nu ik het toch over herinneringen en fotografie heb… En wanneer heb ik het eigenlijk niet over herinneringen? Als de herinneringen als vanzelf op het witte blad verschijnen, dan niet, dan zijn het herinneringen. En over fotografie? Dat zou ik eens moeten onderzoeken. Alleszins is de afbeelding van toen ik nog een kleine jongen was tot vandaag er altijd geweest, een evidentie, zoals water of een wiel. Ik schrijf nu ‘afbeelding’, maar ‘beeld’ zou beter zijn.

Maar terzake. Jaak Geerts, een facebookvriend, bezorgde me een link naar een artikel over het geheugen en de fotografie. De stelling daarin is dat een gebeurtenis – of object, persoon - fotograferen min of meer gelijkstaat aan ze vergeten. In een museum gaan twee personen van ongeveer dezelfde leeftijd naar een kunstwerk kijken. De ene maakt er een foto van, de andere observeert alleen maar. Een dag later blijkt de ‘fotograaf’ zich heel wat minder details te herinneren dan degene die slechts aandachtig gekeken heeft. Het is een kort en wat oppervlakkig stukje, maar het klopt wel, denk ik. Alleszins was precies dat de reden waarom ik lange tijd geen* fototoestel meenam op reis, of waar dan ook. Ik wilde alles zien zoals het was, het in mij opnemen, er mocht niets tussen mij en de ‘werkelijkheid’ staan. Als je een foto maakt schakel je je zintuigen uit, je wordt een verlengstuk van het toestel (en vice versa, dat dan weer wel). Je ziet op dat ogenblik niets. In mijn jeugdige overmoed was ik er bovendien zeker van dat ik me later alles nauwkeurig zou kunnen herinneren.

Toen ik ouder werd begon ik aan dat laatste te twijfelen. Was het toch niet beter om beelden te hebben als ‘geheugensteun’, als triggers? Erger nog: ik ging het betreuren dat ik van zoveel mooie dingen en gebeurtenissen in mijn leven geen enkel beeld bezat. Op een ongetwijfeld narcistische wijze beklaagde ik mezelf dat ik geen foto’s had van mijn geliefde in bikini (of was het monokini?) op het strand van Cannes in 1976, of van de lege straten van Firenze datzelfde jaar, of van de sfeer die er hing op het feest van de communistische krant ‘L’Unità’ in het centrum van Rome in 1979 (we mochten er zoveel goedkope rode wijn drinken als we maar konden). Foto’s van de mooiste jaren van ons leven, toen we er op z’n best uitzagen, toen we bijzonder ‘cool’ waren. Daar heb ik nu geen bewijzen van, hoe cool ik was in de jaren zeventig, verdomme toch!


Tot 1980 maakte ik maar zeer sporadisch foto’s. Bijna altijd binnenskamers, bijna altijd van personen, van een vrouw, liefst erotisch. Steeds met de camera van iemand anders. Ik had er zelf geen. Bijna altijd slecht belicht. Maar mooie foto’s… Daarna was er een overgangsperiode. Ik geloof dat foto’s maken me helemaal niet meer interesseerde. Ik ging ook niet meer op reis. We zaten in de kroegen, gingen dansen, maakten plezier om het plezier. Op een dag, ik geloof in 1989, onderging ik zoals Gregor Samsa een gedaanteverwisseling: ik werd wakker als toerist. Als een bezetene ben ik alles maar dan ook alles gaan fotograferen, meer nog toen ik op digitaal ben overgeschakeld. Maar mooi vond ik mijn foto’s niet meer. Het was allemaal veel te realistisch wat ik zag en stond daarom de realiteit in de weg.

dianearbus.jpg

Ik ben gek op foto’s van anderen. Ik geloof dat ik vooral van afbeeldingen houd van een werkelijkheid die niet de mijne is, waar ik geen toegang toe heb. Zoals die van Diane Arbus, maar zeker niet alleen die van haar. Er moet iets mysterieus op of onder de beelden te zien zijn, iets magisch, iets onverklaarbaars. Ik houd ook zeer van erotische foto’s, maar ze moeten buitengewoon goed zijn en ‘anders’. Die van Bettina Rheims bijvoorbeeld. De meisjes die zij fotografeert zijn onbereikbaar in hun bereikbaarheid. Ook een wereld waar ik geen toegang toe heb, al lijkt hij toch heel dichtbij. Als ik buiten ga en ik loop wat verder, eerste straat links, tweede rechts, voilà, daar heb je zo’n mooie jonge vrouw. Even later zit ik al bij haar op haar kamer en schenkt ze me een glas lekkere rode wijn in. Veel betere dan die op het ‘Festa de l’Unità’.

bettina_rheims_14.jpg


... 

*Financiële en praktische overwegingen laat ik nu liever buiten beschouwing.

Foto: Boven: Diane Arbus (Self-Portrait). Midden: Diane Arbus. Onder: Bettina Rheims.

OIDIPOUS IN CADAQUÉS

cadques2.jpg

"De dagen tellen die verstreken zijn is ergerlijk." Sofokles, Oidipous, vertaald door Gerard Koolschijn.

...

Foto: Agnes Anquinet, Cadaqués, november 1996.
Vermoedelijk is de foto bij de vorige notitie ook in november 1996 gemaakt. We verbleven dat jaar twee keer in in het stadje in Catalonië, vandaar de verwarring.

DE VOGELS VAN CADAQUÉS

1934511673_2835f86cb6_o.jpg

De vogels van Cadaqués herinner ik me alsof ik er gisteren nog door verrast werd. Het was tijdens een eenzame maar bijzonder aangename wandeling over een rotsig pad net buiten het centrum van Cadaqués, waar mijn geliefde en ik in de jaren negentig meermaals verbleven. Opeens werd ik uit mijn gepeins opgeschrikt door die immense vlucht vogels, hoewel 'opgeschrikt' niet het juiste woord is, daarvoor was de ervaring bijna te sacraal, alleszins te ontzagwekkend. En ik had ook helemaal geen schrik. In die dagen was ik nog niet gewoon geraakt aan buitenshuis en op reis te fotograferen. Ik was daar eigenlijk tegen gekant. Fotograferen en reizen, dat ging moeilijk samen: een foto maken stond de rechtstreekse ervaring in de weg. Toch kon ik er niet aan weerstaan om dit ogenblik vast te leggen. De foto stelt technisch niets voor, maar het is een bewijs dat ik ik daar toen was, dat ik het gezien heb. Ik twijfel er evenwel niet aan dat ik me dit beeld ook zonder de afbeelding nog erg goed zou herinneren. Misschien zelfs beter. Maar dat weet ik nu niet, omdat de foto er is, en zelfs al vernietig ik hem, dan blijft er toch altijd nog de herinnering aan. Vervloekte foto!

Cadaqués was toen mooi en overdag erg rustig. Het huis van Dalí was er natuurlijk al, maar het was nog geen museum. Als je een kater had kon je naakt op de rotsen in de zon liggen bekomen. Overigens was het niet zo moeilijk om daar een kater te hebben. Er was een geweldige club, waar de hippies en de bohémiens kwamen, en nog een beetje 'beau monde' (want Mick Jagger en Dalí zelf en hun entourage hadden er rondgehangen) en er werd bijzondere dansbare pop en rock uit de sixties gedraaid, tot zonsopgang. Whisky en tequila kostten er nagenoeg niets. Toch verkoos ik de vogels van Cadaqués boven de bars en de nachtclubs. Zo gaat dat in het leven.

...

Foto: De vogels van Cadaqués, circa 30 juni 1995.

10-12-13

EEN BLAUWE BIKINI

wat doe je zoal.jpg


Je stem zwerft door deze kamer, soms hoor ik een heel koor van halve engelen, soms de echo van een kleine gekwetste vogel. Die van de duivel in je hoor ik hier nooit.

Van toen je zei: Ik heb een nieuwe bikini.
Een blauwe, zoals de kimono in het liedje van Will Tura?
Ja.
Met bolletjes?
Ja.
Zwarte?
Nee, witte.
Mmmm.
Het was een koopje.

Ik was door en door gelukkig, maar mogelijk was ik toch in een slechte bui. Perfect geluk bestaat gelukkig niet. Er is altijd iets anders, iets donkerders, om het geluk als het ware te overbelichten, wat goede fotografen bijna altijd doen als ze iets zien wat ze graag zien.

We zouden een moord moeten plegen.
Een moord, jongen toch… Op wie dan?
Op niemand, niet op een mens, eerder op de slechte smaak.
Vind je mijn bikini niet mooi dan?
Natuurlijk wel, gek.
Welke slecht smaak dan?
Ach nee, niet de slechte smaak, ik weet het niet.
Ik wil geen moord plegen.
Een aanslag dan?
Dat is nog erger.
Een aanslag tegen alles wat ons wetmatig belet lief te hebben.
Dat kan ik niet, hoe doe je dat?
Dat weet ik niet, misschien moeten we er nog over nadenken.
Ik wil niet nadenken, alleen maar liefhebben.
Ja, dat weet ik, en ik weet niet wat ik zeg.
Je zei onlangs nog dat ik te ver over de grenzen ging, dat zei je zelf.
Ja, dat herinner ik me, ik was dronken.
Maar je was bang.
Ja, ik was bang en boos vanwege die wetmatigheden.
Waarom was je bang?
Dat jou iets zou overkomen.
Mij overkomt niets, ik ben sterk genoeg.
Ach liefste, ik wil niet moorden en ik wil geen aanslag plegen.
Wat wil je dan, mijn lief?
Lach nu niet, ik wil een kleine vogel zijn.
En naar me toevliegen?
Ja.

O hoe we lachten! Ook die lach van jou en mij blijft hier nog de kamer vullen. Maar alleen op heel bijzondere dagen. Dagen waar ik zelf geen vat op heb. En dat maak het wachten zo treurig en zo lang. En daarom luister ik zo graag naar ‘Best Of Both Worlds’ en ‘Sneakin’ Thru’ The Alley With Sally’ van Robert Palmer, zoals zovelen in zijn vak veel te jong gestorven.

RobertPalmer-AddictedToLovevo.jpg

07-12-13

ZERO DE CONDUITE: HANDEN

 Taj-Mahal.jpg


Zéro de conduite is een POPprogramma op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 ’s avonds. Heerlijk als je druk bezig bent in de keuken, of bij het aperitief, en later aan tafel bij de mosselen! Stem af op 106.7 FM. Je kunt het programma eveneens via 
streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over de radio.
 

Vandaag zal wel bijna iedereen zijn buik vol hebben van chocolade, marsepein en mandarijntjes. Laten we dan maar even denken aan het eelt op de handen van de goede Sint en nog meer van Zwarte Piet, die dat lekkers allemaal hebben moeten uitdelen. Dat is natuurlijk niet de reden waarom ik ‘handen’ als thema heb gekozen: er is namelijk geen reden. Alles gebeurt bijna altijd toevallig in mijn leven. Ik hoef maar ‘Grandma’s Hands’ te horen, of iets in die aard, en ik ben al vertrokken. Eens de keuze gemaakt begint het echte werk, gelukkig geen handenarbeid: het beluisteren, selecteren, nog een keer selecteren, de volgorde bepalen, et cetera.

In heel wat van de songs die ik heb gekozen blijkt de hand een nogal religieus beeld, of metafoor te zijn. Ook weer toevallig, of misschien toch niet. Ik draai namelijk nogal veel Americana, en de VS, met name het Zuiden, is een land van Baptisten en andere soms erg fanatieke christenen. Het is dan ook niet zo vreemd dat de religieuze symboliek doordringt tot in hun muziek: integendeel, het ligt voor de hand. Zelfs als je niet in god gelooft is muziek vaak een religieus fenomeen; zeker bij het zingen ontstaat er bijna altijd een gemeenschapsgevoel, wat voor mij het enige positieve aspect van religie is. Als het maar een open en positief gemeenschapsgevoel is, waarbij niemand wordt uitgesloten. Maar nu ben ik aan het preken. Terwijl ik iets over handen wilde vertellen. Dat zal ik dan maar aan de zangers en zangeressen overlaten. Overigens vind ik de beste plaat van 2013 ‘Moondance’ van Van Morrison, maar die komt vandaag niet aan bod.

Veel luistergenot.

charlotte-gainsbourg.jpg

Hand In Hand - Elmore James & His Broomdusters – Flair Recordings

Mojo Hand - Lightnin' Hopkins - His Blues: 1947-1959

Grandma’s Hand - Bill Withers - Best Of Bill Withers: Lean On Me

Take My Hand (Precious Lord) - Link Wray - Beans and Fatback (1973)

Keep Your Hands Off Her - Taj Mahal - Giant Step & De Ole Folks At Home

Take Your Hands Off It - Ry Cooder - Election Special

Clean Hands, Dirty Hands  - Nick Cave & Warren Ellis – The Proposition (soundtrack)

The Good Hand - Woven Hand – Woven Hand (2002)

Turn Back The Hands Of Time - Tyrone Davis - The Story Of Brunswick

Handclapping Song - The Meters  - The Original Funk Soul Brothers And Sisters!

War Or Hands Of Time -The Masters Apprentices - Nuggets II: Original Artyfacts From The British Empire And Beyond, Vol. 1

Mary Anne With The Shaky Hand - The Who - The Who Sell Out

Little Hands - Skip Spence - Oar

Helping Hand – Pentangle -  Reflection (1971)

Hard Hand to Hold - Willy Mason - Where the Humans Eat

The Bird That I Held In My Hand - T-Bone Burnett – T-Bone Burnett (1986)

These Hands - Bob Dylan - Another Self Portrait (1969-1971): The Bootleg Series, Vol. 10

My Hands - Grey Reverend - A Hero's Lie

Bloody Hands - Mark Olson & Gary Louris - Ready for the Flood

My Sister's Tiny Hands - The Handsome Family - Through The Trees

All The Trees Of The Field Will Clap Their Hands - Sufjan Stevens - Seven Swans

Clap Hands - Tom Waits - Rain Dogs

Hand In Hand - Elvis Costello & The Attractions - This Year's Model

Hand Of Fate - The Rolling Stones - Black And Blue

Even A Dog Can Shake Hands - Warren Zevon - Sentimental Hygiene

Hand in Glove - The Smiths - Singles

Back Of My Hand - Ron Sexsmith - Forever Endeavour

Victor Jara’s Hands – Calexico - Carried To Dust

Master’s Hands - Charlotte Gainsbourg - IRM

Taking Your Life In Your Hands - John Cale - Music For A New Society

Red Right Hand - Nick Cave & The Bad Seeds – Let Love In (1994)

The Breaking Hands - Mark Lanegan - The Journey Is Long


Research & presentatie: Martin Pulaski 

WarrenZevon.jpg

Foto's: Taj Mahal, Charlotte Gainsbourg, Warren Zevon.

04-12-13

HET WONDERMIDDEL

Drunken_Ange2.png

Een waargebeurd verhaal, in een ziekenhuiskamer in Brussel.

Meer dan twee jaar later zou ik Kurosawa’s ‘Drunken Angel’  (酔いどれ天)opnieuw bekijken, een film over de intense en toch ook wel bizarre relatie tussen een aan de alcohol verslaafde arts en een aan tbc lijdende yakuzi Matsunaga. Mijn aandacht zou al vanaf de eerste beelden groot zijn, de film zou me in een roes brengen, bijna hypnotiseren. Als de goede dokter vraagt om wierook te gaan halen om de muggen waar hij zoveel last van heeft te verjagen zou ik me een hallucinatie herinneren die ik in de zomer van 2011, in een - onbewuste - strijd tegen de dood, meermaals had.

Vanuit mijn kamer keek ik uit op een plein omringd door wat vervallen flatgebouwen. Ik bevond me in een buitenwijk van Tokyo. Op het plein stond een hijskraan en er was een lange balk opgesteld, die wat leek op een balk in de gymles, maar veel groter. Elke dag kwamen er jonge Japanners, meisjes en jongens, een show voor me opvoeren. Ze haalden allerlei acrobatische toeren uit, misschien om me te vermaken, om me te helpen de tijd – waar ik me niet van bewust was – te doden; hun blikken waren ernstig. Nooit werd er gelachen. Ze herhaalden steeds weer dezelfde, bijna rituele handelingen. Toch keek ik altijd nieuwsgierig toe, vooral vanwege een van de meisjes, in vurige kleuren, dat me soms recht in de ogen keek als om me te troosten.

Verpleegsters kwamen mijn kamer binnen en gingen weer weg. Ik dacht aan een koel glas Manzanilla uit Sanlucar de Barrameda, aan een hele fles, maar mocht niet drinken. Helemaal niets, zelfs geen water. Dat vergat ik altijd. Ik kon moeilijk ademhalen, alsof ik maar een klein stuk van één long meer overhad, de rest verteerd door de tbc, een ziekte waar zoveel mooie liedjes over bestaan. De hoofdverpleegster, die in Woodstock nog met Jimi Hendrix had gejamd, kwam met een middel om mijn ademhaling minder moeizaam te maken. Ze hield iets wat op een wierookstokje leek onder mijn neusgaten; gretig inhaleerde ik de zoete rook. Het was een geur die ik nooit eerder geroken had. Heel even voelde ik minder pijn. Dan ging de hoofdverpleegster weer weg. Soms kwamen drie of vier verpleegsters mijn kamer binnen om me vast te binden. Mijn linkerarm zwol een keer zo erg op dat hij op een ballon leek, een heel zware ballon, groter dan mijn hele koortsige romp. Een van de verpleegsters was ook Japans. Tijdens een treinreis had ze met mij willen vrijen, maar ik vond haar niet aantrekkelijk. Sindsdien was ze altijd een beetje venijnig tegen me. Ja, ik maakte veel treinreizen in die dagen. Soms werd mijn wagon losgekoppeld. Ik bleef dan helemaal alleen achter: de verpleegsters gingen naar een party en ook een keer naar een optreden van Bruce Springsteen. Dan moest ik, mijn bed achter mij aanslepend over de sporen, weer in mijn kamer zien te raken.

Nu was ik verslaafd aan de rookstokjes. Als ik er niet van nam kon ik onmogelijk nog ademhalen. Ze waren het enige middel om me in leven te houden. De verpleegsters schenen dat niet te beseffen. Ze hadden het te druk met mij vast te binden of weer los te maken als ze zagen dat mijn arm te dik werd of zo.
’s Nachts moest ik daarom mijn kamer verlaten langs een geheime deur (of opening) achter mijn boekenkast. Ik moest dan alleen nog maar een smalle straat oversteken: daar was een felverlichte kroeg waar het zelden druk was. Meestal zat er niemand. Een oude vriend van me had zich vermomd als jeugdwerker. Hij zei dat hij destijds geneeskunde had gestudeerd, maar dat had ik nooit geweten. Hij wist van meet af aan heel goed wat ik nodig had. Kom maar mee naar mijn kamer, dan zal ik je helpen, zei hij. Hij woonde in een appartement vlakbij het café. Daar liet hij me muziek horen, the Doors en dergelijke, en gaf mij een dosis van de rook, zodat ik er weer even tegen kon.

 

Elke nacht begaf ik me naar de eenzame, trieste kroeg. Mijn oude vriend, Anton was zijn naam, werd almaar bitsiger. Met veel tegenzin hielp hij me nu uit de nood. Soms moest ik uren op hem wachten, zoals de junkie in ‘Waiting For My Man’. Ik zat daar dan helemaal alleen en miste mijn geliefde. Wat miste ik haar! Nog meer dan het wondermiddel miste ik haar. Ik spitse mijn oren. Opeens hoorde ik haar stem. Ik kon het niet geloven, maar toch was het waar. In de kamer boven mij lag ze op een bed, helemaal naakt en opgewonden. Ik begreep niet hoe ze zo opgewonden kon zijn terwijl ik de dood nabij was. Er was een man bij haar. Ze zei dat hij moest komen, op haar komen, in haar komen, lekker. Ze hijgde. Misschien was het wel Anton die haar zo bevredigde, daar was ik niet zeker van. Ik voelde hartkrampen en kon niet ademhalen. Het was een donkere nacht, geen maan, geen sterren. Alleen haar wellustig gehuil. En dan niets meer.

Ik ontwaakte tussen de stijve witte lakens met een tracheacanule in de keel. Zo zul je beter kunnen ademhalen, zei de hoofdverpleegster, en minder van het middel nodig hebben. Ik wilde haar nog vragen of ze echt met Jimi Hendrix had gejamd, maar er kwam geen geluid meer uit mijn strot. Ik was mijn stem kwijt. Ze hadden me mijn spraak afgenomen. Nadat ze mijn kamer had verlaten keek ik door het raam naar het grijze plein. De acrobaten waren er nog niet. 

dunken angel shimura-and-mifune.jpg

Afbeelding uit 'Drunken Angel' (1948), Akira Kurosawa.

02-12-13

NUANCES OMTRENT HET GEZIN

one-flew-over-the-cuckoos-nest.jpg

Gisteren had ik het hier terloops over het ontspoorde gezin als steunpilaar van de maatschappij (“huis en auto’s moet afbetaald worden”), het huwelijk als dwangbuis en een vaak in gebreke blijvend onderwijs als negatieve elementen, hindernissen – of erger – op de levensweg van kinderen en adolescenten. Ik liet buiten beschouwing dat er uitzonderingen bestaan, goede ouders, degelijk onderwijs, en vooral alternatieven. Waar ik evenmin aandacht aan besteedde was de horror van de farmaceutische industrie, een  bepaald soort psychiatrie dat het ontwrichte gezin helpt in stand houden (daar heb ik in mijn leven al zoveel voorbeelden van gezien) en de geneeskunde in zoverre zij alleen winst nastreeft of dienstmaagd is van gigantische farmaceutische bedrijven. In deze grotere context is het gezin, het kerngezin (en zeker de liefdevolle band tussen moeder en kind, tussen vader en kind) eerder een beschermend cocon dan een instelling die ten koste van alles te bestrijden valt. Dat moest ik er nog aan toevoegen. Nuances zijn belangrijk. Liefde en vriendschap maken jonge mensen sterk en soms gelukkig. Zo kunnen zij opgroeien tot kritische enkelingen met voldoende gemeenschapszin, mannen en vrouwen die deze vermolmde, apocalyptische menselijke werkelijkheid, waar niemand meer tevreden schijnt te zijn, tegen alle verwachtingen in nog grondig zullen kunnen veranderen

Angelina-JolieGirl-Interrupted.jpg

Afbeeldingen:
1. One Flew Over The Cuckoo's Nest (1975), Milos Forman
2. Girl, Interrupted (1999), James Mangold. 

01-12-13

GEZELLIG SAMENZIJN

polanski Carnage.jpg

In de zomer van 1975 beëindigde ik mijn licentiaatsverhandeling, een vanwege familiale omstandigheden moeizaam tot stand gekomen kritische studie van het gezin, met vooral veel aandacht voor het werk over dat thema van Friedrich Engels en Deleuze-Guattari, voor Hegels rechtsfilosofie en zijn beschouwingen over Antigone, en vooral voor de toen erg populaire anti-psychiatrie, met als boegbeelden Ronald Laing en David Cooper. Van het klassieke (en burgerlijke) gezin, het gezin als steunpilaar van een ontwrichte maatschappij,  liet ik geen spaander heel: mijn filosofische en literaire bronnen en de tijdsgeest gaven me daar alle gelegenheid toe. Tot mijn grote verbazing studeerde ik af met grote onderscheiding. Verbazing omdat ik vermoedde dat de meeste van onze professoren zelf in zo’n ‘burgerlijk’ gezin leefden. Ze zullen ruimdenkend geweest zijn. Enigszins onder dwang zette ik op dat ogenblik ook een punt achter mijn huwelijk, een beslissing die ik soms betreur, maar waar ik anderzijds ook een beetje trots op ben. ‘Practise what you preach’, was in die dagen immers een van de betere slogans. Maar treurnis noch trots zijn hier gepast: wat gebeurd is is gebeurd, er kan niets meer aan worden veranderd.

Graag zou ik mijn thesis nog eens herlezen, maar dat durf ik niet: stel je voor dat ik weer tot dezelfde conclusies kom. Wel zie ik dat een aantal van de kritische uitspraken die ik toen deed nog altijd kloppen. Ik twijfel er nog altijd niet aan dat kinderen en jongeren vaak de dupe zijn van ondoordachte uitspraken en handelingen van hun ouders, grootouders en andere familieleden. De gezinsmoraal – of het gebrek daaraan – is naast een in gebreke blijvend onderwijs meer dan eens de oorzaak van de wat de ontsporing van jonge mensen wordt genoemd. Zonder factoren als armoede en uitsluiting uit het oog te willen verliezen.

Nu wilde ik op deze mooie zondagochtend geen kort sociologisch essay schrijven. Eigenlijk zou ik het – in de reeks ‘genealogie’ - over Francis Bacon hebben, die me in dezelfde periode, het midden van de jaren zeventig, enkele flinke mokerslagen toediende, ja, die me aan het wankelen bracht – en vandaag wankel ik nog steeds. Maar eer ik het over een van de grootste schilders* van de twintigste eeuw kon hebben moest ik eerst even de toestand schetsen waarin ik me bevond toen ik helemaal open stond om hem in mijn wereld te ontvangen. Er was zeker een verband tussen die bliksemflits die Bacons werk was en wat ik hierboven geschreven heb over het gezin en over het einde van mijn huwelijk.

Voor ik aan een tekst begin zit ik meestal wat tijd te verknoeien met boeken te klasseren of wat orde te brengen in de bestanden op mijn harde schijven. Zo stootte ik op bovenstaande foto uit ‘Carnage’ van Roman Polanski, een mooi voorbeeld van een ontwricht gezin als steunpilaar van een ontwrichte samenleving. Waarmee nogmaals bewezen is dat het toeval mijn leven bepaalt. Maar wat is toeval?

flam vub.jpg

...

*samen met Nicholas de Staël, Max Beckmann, Giorgio Morandi, Lucian Freud en Anselm Kiefer.

Afbeeldingen: 

1. Carnage (2011), Roman Polanski
2. Leopold Flam aan de VUB, ik zit links op de tweede rij, met het hoofd in de handen.