31-10-13

FERNANDO PESSOA, EEN GESCHENK

Met dank opgedragen aan de nagedachtenis van Jos Dorissen, die me in 1980 Fernando Pessoa cadeau gaf.

Deze ‘culturele genealogie’ verschijnt hier niet zonder horten en stoten. Prettige herinneringen worden soms verdrongen door het opeens weer opduiken van droeve gebeurtenissen, van frustraties, mislukkingen, van ziektes en overlijdens van familieleden en vrienden. Hoe dan ook wilde ik dit verhaal niet chronologisch vertellen, al krijgt mijn jeugd er een belangrijke rol in toebedeeld.
PESSOA1.jpg

Het is 1978, ik woon al een jaar in de Dolfijnstraat in Antwerpen. Misschien is het zomer, ik heb er het raden naar. We hadden daar aan de Dageraadsplaats via vrienden in 1977 een klein huis kunnen huren en leefden er arm maar redelijk gelukkig. Het was een huis waar je je meteen goed voelde, ook al hebben we er niet altijd fraaie dingen meegemaakt.  Alleszins heb ik daar vaak feest gevierd, veel gelezen en veel geschreven. Wat mij dreef – benevens een innerlijke noodzaak - was het tijdschrift voor filosofie Aurora. Daar kon ik met mijn nogal experimentele teksten terecht – zelfs een essay over Hölderlin werd er aanvaard. Vreemd genoeg kende ik bijna niemand die ooit van de grote dichter had gehoord. Hölderlin en Rimbaud pasten helemaal in mijn manier van denken en ik wilde ook leven als zij, onverschrokken, gevaarlijk, onderzoekend, bovenal in dienst van het woord. Wilde ik beroemd worden? Dan had ik wel heel slechte voorbeelden gekozen. Van beide dichters verscheen tijdens hun leven één dun boek.

In de boekenbijlage van Vrij Nederland lees ik dat jaar een artikel over een mij volstrekt onbekende Portugese dichter: Fernando Pessoa. Iedereen kent nu zijn verhaal, zijn spel met de heteroniemen, zijn eenzaamheid, zijn alcoholisme, zij Lissabon, maar in die dagen was het een man van en voor ingewijden. Niemand lag wakker van die bizarre Portugees. Ik kende zelfs nauwelijks iemand die geïnteresseerd was in Portugal, dat kleine, arme land. Na lectuur van het artikel ging ik in de bibliotheek in de Lange Nieuwstraat op zoek naar een boek van de dichter, maar vond volstrekt niets. Ook in de boekwinkels ving ik bot. Ik zette Fernando Pessoa en zijn heteroniemen uit mijn hoofd en ging door met mijn werk en mijn extases.

Op een dag in maart 1980, ik werkte toen op de redactie van het hierboven genoemde Aurora, kwam mijn toenmalige boezemvriend en drinkebroer Jos Dorissen het kantoortje binnen met een vierkant boek in zijn rechterhand. Ik had net deze twee zinnen in mijn dagboek genoteerd:
“Wij hebben ervan afgezien een onderscheid te maken tussen lichaam en geest. Maar zijn we aan dat dualisme voorbij? De geschreven taal immers is er nog helemaal van doordrongen, en zeker het spreken.”
Geen idee naar aanleiding van wat ik dat schreef, maar het is wel een mooie coïncidentie. Jos overhandigde me meteen dat boek: ‘Fernando Pessoa. Gedichten. Vertaling August Willemsen’. Twee jaar eerder uitgegeven bij De Arbeiderspers in Amsterdam. “Je hebt Pessoa!”, riep ik uit en sloeg het mooi uitgegeven werk op een willekeurige plek open en las dit:

“Ik heb gefaald in alles.
Daar ik nooit één plan gemaakt heb, was alles misschien niets.
De wijze lessen die men mij gegeven heeft
Heb ik verlaten door het achterraam.
Ik ging het land op vol van grote plannen.
Maar daar vond ik alleen gras en bomen,
En als er mensen waren, waren die net als de anderen.
Ik keer van het raam af, ga zitten in een stoel.
Waar zal ik eens aan denken?”*

Gelukkig zat ik zelf ook in een stoel, zoniet was ik omver gevallen. Dit was het, dit was de poëzie waar ik van gedroomd had. Walt Whitman, maar dan door en door modern. Zulke gedichten wilde ik zelf ook schrijven, even melancholisch, even echt en waar, even tijdloos, even eenvoudig - en voor altijd modern. Maar zou ik het ooit kunnen? Het fragment dat ik gelezen had was van Alvaro de Campos, een personage dat Pessoa heeft gecreëerd, wellicht om orde in de chaos van stijlen en vormen te brengen (lyrisch, elegisch, episch, dramatisch). Naast Alvaro de Campos zijn Pessoa’s bekendste personages of heteroniemen Alberto Caeiro en Ricardo Reis; maar er zijn er meer. De dichter schrijft er zelf het volgende over: “Men moet in geen daarvan ideeën of gevoelens van mij zoeken, want vele ervan drukken ideeën uit die ik niet aanvaard, gevoelens die ik ooit heb gehad. Men moet ze eenvoudig lezen zo als ze zijn, hetgeen trouwens is zoals men moet lezen.”

In die twee stappen is Fernando Pessoa, de moderne dichter bij uitstek, in mijn leven gekomen en er gebleven: eerst via een krantenartikel en wat later, doorslaggevend, dankzij de empathische vriendschap van Jos D. Ik heb tot juli 1988 moeten wachten eer ik voldoende geld had om naar dat arme land te reizen en vooral naar die mooie witte stad aan de Taag, Lissabon, de stad van Fernando Pessoa. Sindsdien is het samen met Porto de plaats waar ik me het meest thuisvoel. Luiheid en een slecht geheugen hebben me belet om de mooie Portugese taal te leren, wat ik eigenlijk een schande vind. Maar zo is het leven en zo is mijn karakter. 
PESSOA 3.jpg

Het toeval wil dat Jos D., aangespoord door mijn enthousiasme, in augustus van dat jaar zelf naar Lissabon reisde. Op 25 augustus in de vroege ochtend werd hij samen met de andere gasten geëvacueerd uit een pension in het Chiado. Enkele uren later had een hevige brand een belangrijk deel (8000 m²) van Lissabon verwoest.
Maar sindsdien leeft Fernando Pessoa er meer dan ooit tevoren. Op het Chiado verwelkomt zijn standbeeld de toevallige passanten en de bezoekers van ‘Café A Brasileira’, waar de dichter zelf ooit een stamgast was.

a brasileiro.jpg

Café A Brasileira, Martin Pulaski, 11 november 2009.

...

*Fragment uit: 'Sigarenwinkel',  Alvaro de Campos

30-10-13

DE APANCHENDANS VAN MAX BECKMANN

 

Beckmann,Max Departure, 1932-35.jpg

Max Beckmann, Het vertrek, 1932-135

Drie weken geleden ben ik van start gegaan met schetsen voor een ‘geestelijke’ genealogie. In het eerste deel behandelde ik August Strindberg en, heel kort, Kurt Cobain. Vervolgens vertelde ik de geschiedenis van een foto van Bob Dylan en Sara Noznizsky door Daniel Kramer. Ik besefte echter al gauw dat ik voor ik mijn grote voorbeelden kon behandelen eerst moest onderzoeken hoe, waar en wanneer kunst en literatuur mij hebben gevonden. Ik stelde vast dat er in mijn jeugd nauwelijks sprake was van kunst, noch bij mijn ouders en evenmin in het onderwijs. In die eerste poging om uit te vissen hoe ik geïnteresseerd was geraakt in het ‘fenomeen’ kunst kwam ik tot de conclusie dat dat gebeurd was in een toilet van het Koninklijk Atheneum Tongeren en zag ik ook een rol weggelegd voor de auteurs van de De Sikkel-monografieën over Belgische kunstenaars. Een volgend hoofdstuk ging over de rol van Salvador Dalí, een kunstenaar die aanvankelijk zeer veel indruk op me maakte, maar die ik later als een charlatan ben gaan beschouwen. Dat laatste impliceert niet dat ik meteen het hele surrealisme heb verworpen, wel integendeel. De geschiedenis van mijn overgave aan het surrealisme, mijn surrealist-worden, komt wellicht later aan bod.

Maar hoe zit het nu met Max Beckmann? Om eerlijk te zijn weet ik het niet zo goed. Ongetwijfeld is er een verband met Vincent Van Gogh en het expressionisme, een kunststroming die me al vroeg nauw aan het hart lag. Waarschijnlijk werd mijn interesse daarvoor gewekt door de De Sikkel-boekjes over James Ensor, Henri Van Straten en Frans Masereel. Voilà, ik sta weer te plassen in een urinoir in het Koninklijk Atheneum... Gelukkig was het niet dat van Marcel Duchamp want in dat geval zat ik nu nog altijd in de schulden.

Wat ik me nog herinner is dat ik omstreeks 1968 in een of ander cultuurtijdschrift een kleurenreproductie aantrof van Max Beckmanns ‘Apachentanz’ uit 1938.

 max_beckmann_apachentanz_1938_kunsthalle_bremen_der_kunstverein_in_bremen_foto_larslohrisch_vg_bild_kunst_bonn_2012.jpg

Het werk, zelfs in deze povere kopie, sprak me meteen aan. Er waren de hevige kleuren, oranje, blauw en geel. Het beeld had iets carnavelesks – wat me deed denken aan sommige taferelen die ik me uit mijn dromen herinnerde, en ook aan Carnaval in Maastricht en Hasselt, waar ik in die dagen nog niet op neerkeek. En waar ik nu soms naar terugverlang. De lichamen van de twee dansende ‘Apachen’ hebben helemaal niets lenigs of extatisch; eerder zijn ze verwrongen, verkrampt. De vrouwelijke figuur zou net zo goed dood kunnen zijn. Defunctus. Het gelaat van de man lijkt droefheid, melancholie, verbittering uit te drukken. Bevinden de dansers zich op een podium? Op de gezichten van de ‘toeschouwers’ rondom hen zie je vooral grimmige blikken. Hun donkere gestalten hebben iets onheilspellends. Houdt dat verband met de omineuze groene figuur op de achtergrond?


Later las ik dat Beckman het werk schilderde toen hij in ballingschap leefde, in Amsterdam. Op 19 juli 1937, dag van de opening van de Entartete Kunst in München, was hij met zijn vrouw Quappi daarheen gevlucht. Max Beckmann zou nooit meer naar Duitsland terugkeren. Gedurende zijn periode in Amsterdam (1937-1947) voltooit hij enkele van de grootste kunstwerken uit de 20ste eeuw.
Maar nogmaals, dat wist ik allemaal niet toen ik die reproductie uitknipte. En ook niet toen ik ze met me meenam naar Brussel, waar ik film ging studeren. Op mijn kamer in de Karmelietenstraat had ik de ‘Apachentanz’ tegen de muur gekleefd. In die periode (1969-1970) raakte ik bevriend met een andere filmstudent, Guillaume Bijl, die een nogal wild leven leidde en heel veel wist over kunst. Af en toe bleef hij in mijn kamer overnachten, hoewel dat niet het juiste woord is. Het was overdag dat hij in mijn bed kwam slapen, als ik zelf op de filmschool zat. Hij was dan uitgeput van een hele nacht dansen met een of andere miss België. Ik vermoed dat hij me ‘sympathiek’ vond omdat ik van the Rolling Stones en Dylan hield en meer nog vanwege die kleine Max Beckmann in mijn kleine kamer. Dat ik op Roman Polanski leek  - in zijn ogen toch - droeg er denk ik eveneens toe bij. Als we elkaar ontmoetten was het altijd: ‘Dag Polanski’, ‘Hallo Fellini’, want hij leek dan weer op Federico Fellini.

Wat mij betreft was het niet door de gigantische artistieke waarde van het werk van Max Beckmann, waar ik toen maar een vermoeden van had, maar door een prentje aan de muur dat ik een vriend werd van een heel eigenzinnige kunstenaar, van wie ik de volgende jaren erg veel zou leren. In die eerste maanden in Brussel besefte ik pas ten volle dat vriendschap misschien wel van het grootste belang is voor het verwerven van kennis en inzicht in culturele aangelegenheden (en niet alleen daarin). Via Guillaume Bijl leerde ik veel over kunst en kwam ik later in Anwerpen in aanraking met veel andere unieke en boeiende kunstenaars, die vaak ook bijzonder lieve mensen waren. Hen ben ik allen dankbaar.
guillaume_bijl.jpg

 Guillaume Bijl

28-10-13

LOU REED SONGS

LouReed_WarholMotion.jpg

Over Lou Reed zal nu wel al voldoende geschreven zijn, en op dit ogenblik zullen voornamelijk de clichés bovengehaald worden of al in de bladen en op de blogs en websites staan. Het zij zo, het hoort bij het spektakel en vaak is het zelfs goedbedoeld. Toch zou je om de muzikant/dichter eer aan te doen iets moeten kunnen schrijven, zingen of anderszins maken dat op een even hoog niveau staat als zijn beste werk, ongeveer alles wat in “Between Thought And Expression” te lezen valt en een behoorlijk deel van zijn songs, solo en met The Velvet Underground. Die gave bezit ik niet.
Het enige wat ik kan doen, en dat is ook niet bepaald origineel en er blijkt evenmin veel eerbied uit, maar wat wil je, is een lijst maken met titels van songs die me van 1967, toen the Velvet Underground mijn hart veroverde tot A.D. 2000, het jaar waarin ik, na aanschaf van ‘Ecstasy’, om een mij onbekende reden ophield met nieuw werk van Lou Reed te kopen.

loureed transformerguitarlb0.jpg

1972

“Lou Reed”

I Can't Stand It
Wild Child

“Transformer”

Vicious
Andy’s Chest
Satellite Of Love

1973

“Berlin”

Men Of Good Fortune
Caroline Says I
How Do You Think It Feels
Oh, Jim

1974

“Sally Can’t Dance”

N.Y. Stars
Kill Your Sons
Ennui

1975

“Coney Island Baby”

She's My Best Friend
Kicks
A Gift
Coney Island Baby

1976

“Rock And Roll Heart”

Rock And Roll Heart
Vicious Circle
Temporary Thing

1978

“Street Hassle”

Dirt
Street Hassle
I Wanna Be Black
Real Good Time Together

1979

“The Bells” 

Disco Mystic
Families

1980

“Growing Up In Public”

The Power Of Positive Drinking
Teach The Gifted Children

1982

“The Blue Mask”

My House
Women
The Day John Kennedy Died

1983

“Legendary Hearts”

Make Up Mind

1984

“New Sensations”

Fly Into The Sun

1986

“Mistrial”

I Remember You
Tell It To Your Heart

1989

“New York”

Romeo Had Juliette
Dirty Blvd.
Halloween Parade

1990

“Songs For Drella” met John Cale

Slip Away
Nobody But You

1996

“Set The Twilight Reeling”

NY City Man
Hang On To Your Emotions

“Lost Highway” (soundtrack)

This Magic Moment

2000

“Ecstasy”

Tatters

velvet-undeground.jpg

Aan een opsomming uit de vier ‘officiële’ albums van the Velvet Underground begin ik niet: alles wat daar op te horen valt is uniek, zowel het werk van Lou Reed als dat van John Cale, zonder Sterling Morrison, Moe Tucker, Nico en Doug Yule te vergeten.


Alle hierboven genoemde songs kun je terugvinden op YouTube en Spotify, maar het verdient aanbeveling om alle platen zelf aan te schaffen, zodat je ze in de juiste context en omstandigheden kunt horen.

27-10-13

LOU REED 1942 – 2013

lou reed.jpg

Lou Reed. 2 maart 1942-27 oktober 2013.

It's so cold in Alaska,
It's so cold everywhere.

Only sad songs from now on. 

2013: 30 UITVERKOREN MUZIEKALBUMS

phosphorescent-muchacho.jpg


In strijd met mijn principes heb ik vandaag al een lijst gemaakt met de titels van mijn uitverkoren muziekalbums (elpees, cd’s) verschenen in 2013. Ik wil nooit vooruitlopen op een evenement: als ik al Pasen vier, vier ik het op de dag zelf en niet in januari; de winter begint voor mij op 21 december, niet meteen na de zomer. Kerstversieringen in oktober of november zijn volstrekt lachwekkend. Zo weiger ik oud te zijn als ik het gevoel heb dat ik nog jong ben, zelfs al is het verouderingsproces onontkoombaar en zijn de rimpels zichtbaar. 

Maar een mens moet ook soepel zijn en zijn principes soms aan de kant schuiven. Intuïtie en spontaniteit hebben ook hun rechten. De voorbije dagen stond muziek centraal in mijn leven, ik heb veel platen beluisterd, erover gelezen en gepraat. Er waren een aantal mooie concerten, waaronder het mooiste van het jaar, dat van tindersticks – en het beste moet misschien nog komen. In die sfeer zag me bijna verplicht om dit voorlopig overzicht te maken. De lijst is ook al een basis voor mijn jaaroverzicht in Zéro de conduite op 7 december (de dag nadat ik mijn sinterklaascadeaus heb gekregen). Ik heb de stellige indruk dat 2013 een uitstekend jaar was – en dus nog meer dan twee maanden is – voor populaire muziek, ook voor de minder populaire populaire muziek.

Goldfrapp-Tales-of-Us-2013.png

  1. Phosphorescent - Muchacho
  2. Goldfrapp - Tales Of Us
  3. Mazzy Star - Seasons of Your Day
  4. Guy Clark - My Favorite Picture Of You
  5. Volcano Choir – Repave
  6. Willard Grant Conspiracy - Ghost Republic
  7. Neko Case - The Worse Things Get, The Harder I Fight, The Harder I Fight, The More I Love You
  8. Bill Callahan - Dream River
  9. Mavis Staples - One True Vine
  10. Tindersticks – Across Six Leap Years
  11. Low - The Invisible Way
  12. Valerie June - Pushin' Against A Stone
  13. Jim James - Regions Of Light And Sound Of God
  14. Ohm - Yo La Tengo – Fade
  15. Ron Sexsmith - Forever Endeavour
  16. Iron & Wine - Ghost On Ghost
  17. Jason Isbell - Southeastern
  18. Emmylou Harris & Rodney Crowell - Old Yellow Moon
  19. Steve Earle & The Dukes (& Duchesses) - The Low Highway
  20. Elvis Costello & The Roots - Wise Up Ghost
  21. Van Dyke Parks - Songs Cycled
  22. The National - Trouble Will Find Me
  23. The Handsome Family – Wilderness
  24. Dawn McCarthy & Bonnie 'Prince' Billy - What The Brothers Sang
  25. Geva Alon - In The Morning Light
  26. She & Him - Volume 3
  27. Nick Cave & The Bad Seeds - Push The Sky Away
  28. David Bowie - The Next Day (Deluxe Edition)
  29. Lloyd Cole - Standards
  30. Eels - Wonderful, Glorious

mazzy-star.jpg
Mazzy Star (David Roback, Hope Sandoval)

22-10-13

WAT IS WERKELIJK?

IMG_5329.JPG

Wat hier volgt is niet veel meer dan een voetnoot bij ‘Leven en dood in de Van Praetlei’. Het betreft het begrip ‘defunctus’.

Wanneer precies het woord* zich in mijn bewustzijn heeft genesteld weet ik niet meer, 1978 of 1979 dat zeker, maar ik herinner me wel waar: het was in een kleine werkkamer op de eerste verdieping van het huis dat wij huurden in de Dolfijnstraat vlakbij de Dageraadplaats in Antwerpen. Ik las het in een dun boekje van Samuel Beckett over Marcel Proust.

Helemaal op het einde van het boek komt Beckett tot de conclusie dat de verteller in tegenstelling tot Charles Swann, die de ‘kleine frase’ in de Sonate van Vinteuil met zijn geliefde Odette de Crécy identificeert, die bijgevolg van iets buitenruimtelijks (muziek) iets ruimtelijks maakt, “l'air national de [leur] amour”, ziet de verteller in de rode frase van het Septet “de ideale onstoffelijke weergave van de essentie van een unieke schoonheid; van een unieke wereld, de onveranderlijke wereld en schoonheid van Vinteuil, schuchter uitgedrukt als een gebed in de Sonate, smekend als een inspiratie in het Septet; de ‘onzichtbare realiteit’, die het leven van het lichaam op aarde veroordeelt als opgelegde taak en de betekenis van het woord ‘defunctus’ onthult.”

Bij het lezen van dat woord 'defunctus' herinnerde ik me dat ik het eerder had opgemerkt in een boek dat ik van de bibliotheek had uitgeleend, een verzameling essays van Schopenhauer - met door de Nederlandse uitgever van de belachelijke titel 'Er is geen vrouw die deugt'** voorzien. In het essay 'Over het lijden van de wereld' trof ik dit aan: "Zeer te benijden is niemand, zeer te beklagen zijn talloze mensen. Het leven is een taak die af moet: in die zin is defunctus een mooi woord voor dood."

Ik besefte dat Beckett's 'Proust' grotendeels al door Arthur Schopenhauer was bedacht. Maar dat was niet zo belangrijk. Ik had dat woord gevonden. Misschien kan het geen kwaad hierbij te vermelden dat ik in die dagen vaak meer gefascineeerd was door woorden dan door zinnen; zelfs verhalen hadden niet meer zoveel belang. Dat zal wel verband hebben gehouden met de moderne poëzie. Ik had daar op mijn negentiende over gelezen in ‘De eendimensionale mens’ van Herbert Marcuse en wat later in ‘Le degré zéro de l’écriture’ van Roland Barthes. “Het woord weigert het verbindende, verstandige bewind van de zin”, schrijft Marcuse en bij Barthes luidt het: “Het woord dat zich heeft losgemaakt van de korst van geijkte clichés, en van de technische reflexen van de schrijver, verliest daarmee elke verantwoordelijkheid voor iedere mogelijke context; het brengt slechts één summier, dof geluid voort, dat in zijn gedemptheid zijn eenzaamheid en dus zijn onschuld bevestigt.”

Later heb ik deze theorieën en ‘inzichten’ weer voor het grootste deel verloochend en ben ik teruggekeerd naar de zin en het verhaal. Dat heeft mijn leven er heel wat eenvoudiger en plezieriger op gemaakt.

Dat Proust hier op het toneel verschijnt is overigens niet verwonderlijk. Als het over herinneringen en het geheugen gaat, het terugvinden van fragmenten uit de verleden tijd, komt Marcel wel vaker om de hoek kijken. Want toegegeven: de reeks ‘genealogie’ is ook de vrucht van wat hij 'onvrijwillig geheugen' noemt. Het geheugen en de herinnering – allesbehalve betrouwbaar, zoals zoveel schrijvers, waaronder Stendhal en W.G. Sebald, al hebben aangetoond. Zo neemt mijn ‘genealogie’*** ook een loopje met de werkelijkheid. Maar wat is werkelijk?

IMG_5318.JPG

*Hier past een dankwoord voor Gislinde Vercammen, die me – onrechtstreeks – om uitleg vroeg over het begrip ‘defunctus’ en zich enigszins uitdagend afvroeg of het wel bestond.


**In het Duits: ‘Parerga und Paralipomena, kleine philosophische Schriften’.

*** Genealogie. De reeks bestaat nu uit:
DE DOOS VAN PANDORA
HOE HET DAN ALLEMAAL BEGONNEN IS?
DE FOTO VAN BOB DYLAN EN SARA NOZNIZSKY
AUGUST STRINDBERG EN KURT COBAIN

Foto's: Martin Pulaski, 17 maart 2007, Capela dos Ossos, Evora. In deze kapel zijn de wanden en zuilen bedekt met de schedels en beenderen van meer dan vijfduizend monniken. Boven de deur staat het opschrift: "Nós ossos que aqui estamos pelos vossos esperamos" (Wij beenderen hier wachten op uw beenderen). 

21-10-13

MEER KUNNEN WE NIET DOEN

1967,popcultuur,festival,popfestival,jazz bilzen,folk,protest,flower power

2013-10-21-TV 047.JPG

2013-10-21-TV 012.JPG

Wat ik vandaag niet op tv zag.

20-10-13

WORRY DOLL

IMG_4631.JPG

Misschien was het een hogere macht maar het kan ook een lagere macht zijn geweest, een rechter of een dictator, of een familielid: er was een strenge wet uitgevaardigd in het land, nooit meer in dit leven zouden we elkaar nog mogen zien. Het was in het Zuiden, aan de Atlantische Oceaan, overal waar je keek immense stranden, fijn zand, wit glinsterend in het fel kussende zonlicht. Hier en daar lagen stelletjes met elkaar te versmelten, je kon niet zien waar de ene begon en de andere ophield, zoals op een impressionistisch schilderij of in de liefdesscène in de film ‘Zabriskie Point’.

Jij bevond je in een andere stad, ver weg van me, al wist ik dat ik je met een taxi op enkele uren kon bereiken en je in mijn armen sluiten. Maar de wet verbood het, op straffe des doods. Ik stelde me je voor, met je dunne fuchsia jurk aan, wandelend op net hetzelfde zand als waar ik wandelde, onder dezelfde zon. In mijn hoofd begon een groep te spelen, neen, het was een zangeres, Alison Goldfrapp:

Remember the time
We stood there by the lake
Watching boats and planes
Pretty white clouds

’s Avonds liep ik door de straatjes van de kleine stad - bijna net zo wit als de stranden - waar ik voor onbepaalde tijd verbleef, of ik ging als er maanlicht scheen weer naar de zee om er de zoute lucht in te ademen, hopend dat ik zou genezen van jou. Tegen beter weten in. In mijn hotelkamer dronk ik voldoende Ben Ryé om enkele uren slaap te kunnen vinden, en schrok vaak met schokkende hartslag wakker uit altijd dezelfde nachtmerrie: ik droomde dat je ginds in de verte liep, voor altijd weg van me, dat ik je naam riep, almaar luider, tot het een dierlijke kreet werd. 


Op een middag, half verdoofd door weken van insomnia, zag ik je vanuit mijn open raam. Omdat mijn hotel op een heuvel was gebouwd lag het strand diep beneden me. Het kleine figuurtje dat daar op het strand rustte, niet groter dan de muñecas quitapenas onder mijn hoofdkussen, dat was jij, mijn onmogelijke geliefde. Of was ik aan het hallucineren? Misschien wel, maar ik geloof het niet; ik was nuchter, ik was wakker… Toch was het vreemd je daar zo te zien liggen, in de immense diepte met overal dat wit om je heen, een oneindige ruimte van oceaan en zand en lucht, terwijl het toch ook leek dat ik mijn arm maar moest uitstrekken om je haren te strelen. Kleine, verboden vrucht!

Ik liep naar je toe over een zanderig plateau; in de diepte, dat wist ik zeker,  wachtte je als in een droom geduldig op mij. Spoedig zou ik zoals de andere geliefden op het strand één met je worden en in onze extase zouden we alle wetten vergeten. Na een lange tocht naderde ik de rand van het plateau, dat begon over te hellen, waardoor ik me nog moeilijk recht kon houden. Daar viel ik al, daar lag ik in het zand, me vastgrijpend aan wat witte korrels. Het leek of ik op een overhellend bed lag, en dat ik me vastgreep aan de lakens, aan mijn kussen, aan mijn worry dolls, maar vergeefs. De afgrond…

IMG_4640.JPG

Foto's: Martin Pulaski, 14 oktober 2013.

19-10-13

MIJN DAGEN ALS GENIE

IMG_4614.JPG

In dezelfde periode dat ik Salvador Dalí op televisie zag, voor onze generatie toen nog enigszins een magisch medium, al werd je destijds ook al bedolven onder de shit (we waren wat dat betreft minder kritisch, zeker geen dwarskijkers, we vonden in het begin zelfs de domste programma’s nog ‘mieters’), kwam ik zelf op het scherm. Het betekent nu niets meer: iedereen is voortdurend op tv, schrijft vervolgens een aantal kookboeken en dan nog een boek over het schrijven van die kookboeken en sluit zijn carrière af met intieme memoires (gedenkwaardige ontmoetingen met andere kookboekenschrijvers en bekende supersterren) – maar in 1967 was het een evenement. Als ik er al een flauw vermoeden van had dat ik een genie zou worden, dan was ik het na de uitzending van Tienerklanken op de Belgische televisie over het festival Jazz Bilzen en de flower power die toen door de wereld raasde voor eens en altijd. Een genie, een dichter, een heldere ster. Lang zou die droom niet duren. Heel wat korter dan die van Andy Warhol en John Lennon. Hoewel: luister toch nog maar een keer naar Instant Karma

1967, jazz bilzen, summer of love, flower power, tienerklanken, televisie, louis neefs, pop, festival, muziek, popcultuur,


Illustraties

Boven: foto van een beeld uit een documentaire over Jazz Bilzen. Je ziet mij met bloemen in mijn ha
ar, een McGuinn-brilletje, buttons en andere parafernalia; ik word geïnterviewd door de Vlaamse zanger Louis Neefs, bekend van onder meer ‘Laat ons een bloem’ en ‘Jennifer Jennings’.

Onder: Nederlands enige echte protestzanger Armand, bekend van parels als 'Ben ik te min', 'Een van hen ben ik' en 'Blommenkinders'. Op de affiche van Jazz Bilzen 1967, naast onder meer de geweldige Britse band Procol Harum.

 

18-10-13

DE DOOS VAN PANDORA

Mes-in-het-Water-mesinhetwater3.jpg

Een week geleden ben ik van start gegaan met schetsen voor een ‘geestelijke’ genealogie. In het eerste deel behandelde ik August Strindberg en, heel kort, Kurt Cobain. Vervolgens wilde ik het over de Duitse schilder Max Beckmann hebben maar al gauw besefte ik dat ik eerst moest onderzoeken hoe, waar en wanneer de kunst mij heeft gevonden. Ik stelde vast dat er in mijn jeugd nauwelijks sprake was van kunst, noch bij mijn ouders en evenmin in het onderwijs. In die eerste poging om uit te vissen hoe ik geïnteresseerd was geraakt in het ‘fenomeen’ kunst kwam ik tot de conclusie dat dat gebeurd was in een toilet van het Koninklijk Atheneum Tongeren en zag ik ook een rol weggelegd voor de auteurs van de De Sikkel-boekjes.

Daarnaast was er televisie. Mijn ouders keken nogal veel naar Duitse zenders, die kon je in Limburg net iets beter ontvangen, in tegenstelling tot de Belgische. Waarschijnlijk hield het ook verband met vaders vreemde fascinatie voor alles wat Duits was; vreemd omdat hij krijgsgevangene was geweest en daarna in het verzet was gegaan (de Witte Brigade). Zeker op Duitse zenders werden al wel eens behoorlijke films uitgezonden, vaak in Polen, Tsjecho-Slovakije en Hongarije en soms ook wel in Zweden gemaakt. En af en toe was er een kunstprogramma. Of is dit een herinnering die niet klopt? Want dat gebeurt natuurlijk ook met herinneringen. Je denkt dat het zo gebeurd is, maar op een dag ontmoet je iemand in een café, je raakt in gesprek, je ontdekt dat je samen op school hebt gezeten, je vertelt hem of haar een bepaalde gebeurtenis die je leven toen heeft veranderd – daar twijfel je niet aan - en dan zegt die persoon, nee, zo was het helemaal niet, je vergist je, het was zo en zo.

dali 001 (2).jpg

Maar goed.  Op een dag zag ik een documentaire over Salvador Dalí – een revelatie, het begin van een nieuw en blijvend avontuur en van een liefde-haatverhouding. Nog dagen, misschien wel weken na de uitzending liep ik in een roes rond. Ik wilde ook een Dalí worden, of toch iemand zoals hij, een soort van magiër met een heel eigen, absurde humor (wat zelden het geval is bij magiërs of occultisten, denk maar Strindbergs ‘Inferno’ – wat een door en door ernstig boek!). Meteen bestelde ik de autobiografie van de meester, ‘Mijn leven als genie’, dat dat jaar (1968) verschenen was bij Privé-domein, een uitgeverij die ik nog niet kende. Ik zie nu dat de betreurde dichter, romanticus en surrealist Gerrit Komrij het werk heeft vertaald. 

Dat boek was een doos van Pandora (ogenschijnlijk onheil, maar ik zie het enigszins anders, net zoals ik de gevallen engel verkies boven de vlekkeloze, ver weg achter de wolken); ik heb er enorm veel uit geleerd. Alleen al de namen met hun exotische klanken: Sigmund Freud, Max Ernst, Gala Gradiva, Figueras, Paul Eluard, André Breton, Le Chien Andalou, Gaudi, Sint Ignatius van Loyola, Vermeer, Burggraaf de Noailles, Schiaparelli… En de openingszin: “Toen ik zes jaar was wilde ik keukenmeid worden. Toen ik zeven was, Napoleon. Sedertdien hebben mijn ambities, evenals mijn grootheidswaanzin, steeds grotere vormen aangenomen.”

Kort daarna schreef ik het toneelstuk ‘De droom’, qua vormgeving sterk beïnvloed door de verbeeldingswereld van Dalí, zij het door de omstandigheden op school veel naïever en vooral primitiever, en inhoudelijk helaas een kopie van Vondel en enkele verhalen van Edgar Allan Poe, maar toch ook heel erg psychedelisch, waardoor het niet al te oubollig zal geleken hebben (ik vermoed integendeel). Ik dacht op dat moment dat ik net als Dalí een genie was en dat ik daar helemaal niets voor moest doen – dat het allemaal uit de lucht kwam vallen, of uit de doos van Pandora ontsnapte: een zoete ziekte.

Kijk, nu wilde ik het eindelijk over Max Beckmann hebben en ben tegen alle verwachtingen in bij Salvador Dalí beland – en bij mezelf en bij mijn ‘droom’. Het lijkt wat op de film van een andere surrealist, Luis Buñuel, ‘Le charme discret de la bourgeoisie’, waar het een aantal vrienden uit de burgerij maar niet lukt om samen aan tafel te gaan en van een heerlijke maaltijd te genieten. Altijd komt een droom, een nachtmerrie, een groep soldaten, een wandelende dode, roet in het, hm, eten gooien.

droom68 001 (2).jpg

'De droom', Martin Pulaski, Tongeren, 1968.                                                                                   

 

In volgende stukjes zal ik het – zo hoop ik nog altijd, dankzij de doos van Pandora - over de kunstenaar par excellence Max Beckmann hebben, maar ook over het symbolisme; het surrealisme; Nicolas de Staël; Malevitsj en het suprematisme; 1973 en Europalia Groot-Brittannië; William Blake; William Turner, Francis Bacon en mijn onderdompeling in de Antwerpse kunstscène aan het eind van de jaren ’70. Wat daarna volgt kan moeilijk nog genealogie worden genoemd.

17-10-13

LEVEN EN DOOD IN DE VAN PRAETLEI

vanpraetlei1.jpg

In een van de huizen in de Van Praetlei werd je voor ’t eerst de geuren van een tuin gewaar. Van de aarde, nog net zo onbekend voor jou als een overleden man of vrouw. (Defunctus zou je later schrijven, een vreemd woord om de doden ver van je af te houden.) Van verwelkte rozen en rottend zaad en resten. Van vette, glimmende regenwormen. Je twee tantes – zusters van je moeder - zwegen er grimmig, dronken er thee, gingen elkaar soms te lijf, vanwege onenigheid over de smaak van hun confituur of slecht geschreven adressen. Hun gekrijs en de grijze kater die je kwetsbare vel openreet.


Op de harde parketvloer viel het Chinese porseleinen theekopje aan scherven. In kleine, glinsterende stukjes ontwaarde je nog exotische figuurtjes. Tante Georgette daarna met donkere ogen, en donkerder nog de ogen, donkere vijvers, van je tante Ellie.

Je moeder en vader dachten je met een klappertjespistool uit de speelgoedwinkel op de hoek en wat snoep te kunnen sussen als ze je bij de gezusters achterlieten, voor een huwelijk ergens. (Je dacht, daar gaan ze, naar weer een huis waar zeker de geur zal hangen van Elixer d’Anvers en sigaren van Willem II, van ossenstaartsoep en Limburgse vla.)

Grootmoeder had altijd in dezelfde gelige zetel gezeten. Twee grote oorlogen en treurnis vergetend, rustig als een vermoeide Oost-Indische vogel. Haar piepende adem, de astmasigaretten, haar kanten blouse. En dan opeens nog meer ademnood, dan opeens defunctus. Liep je in de lange begrafenisstoet door de Merksemse straten zo zwart als prikkeldraad in de nacht?

Na de begrafenis kreeg je zelf een astma-aanval, van de schimmel in de hoeken van de slaapkamer en het stof en de spinnenwebben, in weerwil van al het poetsen. Drie dagen en drie nachten in het hoge bed, bang dat je er uit zou vallen en je rug zou breken. Daar geen parket maar linoleum uit Krommenie, met zijn antropomorfe patronen die je koortsachtige verhalen over Marco Polo, Michael Strogoff en Ivan Ogareff influisterden. De ochtend van de genezing, de zon al hoog aan de genadige hemel, maakte je vader een foto van je, zittend in een rotan zetel, mager, onzeker van wat de rest van de dag en van het eindeloze leven zou brengen.

In een van de huizen in de Van Praetlei waaide Tante Georgette door de vale kamers in altijd ander tenue,  "naar de laatste mode". Tante Ellie slofte langs je in afgedragen zwart. Altijd was er die grote rode knobbel op tante Ellies neus. "Ge moet u laten opereren", zei je moeder telkenmale.  De ene een spilzieke vrouw, de andere, je meter, tante Ellie, een gierige pin.

De vele kwalen van Tante Georgette, meer dan ze kon verzinnen, tot er niets meer was om wat er niet was te vergeten, tot haar hoofd in de strop zat en omver geschopt de geduldige stoel.

Tante Ellie werd een bleek weeskind dat al gauw aan waanzin ten prooi viel. Haar donkere zwerftochten in het park en op het kerkhof. Werd ze niet uit huis verdreven? Om daarna lange jaren weg te kwijnen in Sint-Antonius-Brecht “waar de nonnen met haar opgespaarde geld aan de haal gingen”.

Vele jaren later in de Van Praetlei met je zoontje, “mijn god hoe groot hij al is”… Waar je een statige straat met grote villa's en naar pieren geurende tuinen verwacht tref je gekrompen huisjes aan en piepkleine voortuintjes. Je bent een reus geworden tussen nederzettingen voor dwergen. Is het een toeval dat je precies in die dagen ‘Gulliver’s Travels’ herleest?

Op het kerkhof ga je met je zoon op zoek naar de graven van je grootmoeder, van Tante Ellie, van Tante Georgette. Daarna eten jullie pannenkoeken met slagroom op de De Keyserlei en er is een film van Mel Brooks - en nu is het opeens dertig jaar later en is er ook van die wereld niets meer over dan wat vergeelde papieren (dagboeknotities, krantenknipsels) en wat oude namen (die niet meer zijn dan woorden).

...

Illustratie: de foto die mijn vader van me maakte in de rotanzetel is na al die jaren zoekgeraakt. De foto hierboven van mijn broer en mezelf is uit dezelfde periode, in het huis aan de Van Praetlei. 

15-10-13

DE MUZIEKKAMER

IMG_4657.JPG

Aan ‘De muziekkamer’ – uitgebracht in 1958 maar tijdloos - van Satyajit Ray zou je je toch één keer in je leven moeten overgeven: alles loslaten en je laten betoveren door het wit en het zwart, door de vermoeide, verdoofde, zich van al het aardse loswekende aangezichten (vooral dat van het hoofdpersonage, de zamindar* Roy) en ledematen.  Je laten hypnotiseren door de onwereldse muziek, die uit het verval lijkt te ontstaan, zoals sommige bloemen uit giftige grond - en heel af en toe schoonheid uit lijden. Je maakt dan een mysterieuze reis diep in jezelf naar een ander zelf,  naar ‘iets’ wat je nog niet kende maar er al lang moet hebben liggen sluimeren, in een of ander bloedvat of in een hersencel die met geen enkele scan kan worden opgespoord, en tegelijk zover van jezelf weg als mogelijk is, naar eindeloze ruimte, waar je ook de geur van het Mogolrijk achter je laat, en uiteindelijk het hermetisch wit vindt van Ahabs walvis en van het poeder, op as gelijkend, dat neervalt op de kano van Arthur Gordon Pym.

Als je daarna, weer tot jezelf gekomen, in de spiegel kijkt zie je dat je gelaat de volkomen blankheid van sneeuw vertoont. Dan doe je er best aan een glas rode wijn te drinken en wat met je lijf te bewegen op ‘The Fire Of Love’ van The Gun Club, de songs zacht meeprevelend alsof het duivelse gebeden zijn (wat ze in werkelijkheid ook zijn).  

IMG_4651.JPG

*Samindar: adellijke grootgrondbezitter.

 

12-10-13

HOE HET DAN ALLEMAAL BEGONNEN IS?

van straten 001 (2).jpg

Enkele dagen geleden ben ik van start gegaan met schetsen voor een ‘geestelijke’ genealogie. In het eerste deel behandelde ik August Strindberg en, heel kort, Kurt Cobain. Vandaag wilde ik het over de Duitse schilder Max Beckmann (Leipzig, 12 februari 1884 - New York, 27 december 1950) hebben. Zeker niet in de eerste plaats omdat hij gestorven is in het jaar dat ik ben geboren. Ik besefte echter dat ik die kunstenaar niet zomaar, zonder enige introductie, op het podium kon roepen. Voor mijn verhaal over Max Beckmann zal het om die reden nog even wachten zijn.
moeder-vader.jpg

Hoe zit het met de kunst en de kunstenaars in mijn leven? Hoe ben ik tot de kunst gekomen en hoe de kunst tot mij? Alvast niet via mijn opvoeding, noch thuis noch op school. Mijn ouders waren wat ‘eenvoudige lieden’ wordt genoemd, hoewel hun bestaan verre van eenvoudig wàs. Ze hadden weinig school gelopen; mijn moeder wel iets langer en met betere resultaten dan mijn vader. Op kostschool in Lokeren was zij gedwongen geweest Frans te leren en boeken, zij het met het nihil obstat van de Katholieke Kerk, waren er niet verboden. Mijn vader was de zoon van een arme boerin in de Maasvallei in Limburg: enkele jaren lagere school moesten volstaan om hem klaar te stomen voor het werk op de boerderij of in de koolmijn. Kunst en literatuur behoorden niet tot zijn wereld. Wel was er de volksmuziek van feesten, kermissen, cafés en dancings. Via mijn vader en later mijn broer, zes jaar ouder dan ik, ben ik als een bezetene van muziek gaan houden. (Film was belangrijk voor mijn ouders, en zeker ook voor mijn broer en mezelf, maar als ‘ontspanning’, als ‘vlucht’.)

Op de lagere school werd er niet over kunst gesproken, alleen over de Goddelijke Drievuldigheid, de heiligen in de hemel, Jezus en de Heilige Maagd Maria. In de klas werd gelezen en geschreven en gerekend. Essentieel waren goed gedrag en zeden en Godsdienst. Later, op het Koninklijk Atheneum in Tongeren, waren kunst en kunstenaar bijna scheldwoorden. Ik herinner me leraren die lachten met het werk van Picasso (die ik niet kende, dus zal ik wel meegelachen hebben). Ik herinner me niet één leraar die me interesse voor welke kunstvorm dan ook heeft bijgebracht. Hopelijk laat mijn geheugen me hier even in de steek.

Hoe het dan allemaal begonnen is? Geen idee. Wat ik met zekerheid weet is dat ik door dat gebrek aan opvoeding, door dat afschuwelijke onderricht, nu nog altijd niet in staat ben om over kunst te spreken of te schrijven. Als ik een kunstwerk zie word ik sprakeloos. Er valt geen woord aan toe te voegen. Het werk is er en dat volstaat voor mij. Ik ben ook helemaal niet kritisch ten aanzien van kunst. Wat ik niet mooi vind vind ik niet mooi, wat mij aantrekt en aanspreekt vind ik goed en mooi en soms overweldigend. Ook al heb ik al buitengewoon veel kunst gezien – wellicht, onbewust, om de achterstand van mijn kinderjaren en middelbare schooltijd in te halen – en er voldoende over gelezen, niet alleen biografieën maar ook veel theorie, kunstkritiek, manifesten, esthetica, et cetera, toch blijf ik grotendeels een analfabeet en een idioot inzake kunst.  (Waarbij ik nog een keer wil benadrukken dat ‘idioot’ voor mij geen negatieve betekenis heeft.)

Ik herinner me dat ik toen ik ongeveer zeventien was een stapel monografieën aantrof in een wc op het Koninklijk Atheneum in Tongeren. Pico bello boekjes uitgegeven door De Sikkel te Antwerpen. Op het bovenste deeltje had iemand al enkele druppels urine gemorst. Om ze voor nog meer onheil te beschermen heb ik ze mee naar huis genomen. Toegegeven, ik was toen al verslingerd aan boeken, vooral Zwarte Beertjes vond ik te gek, zeker die van Georges Simenon, Leslie Charteris en Ian Fleming. James Bond was een tijd lang mijn stichtend voorbeeld: zo wilde ik later ook leven! Maar ik las ook nogal veel van wat er in de Reinaert-reeks verscheen, Dostojewski (‘De Speler’), Hendrik Conscience, Ernest Claes, Felix Timmermans en Seu Nai An. De pockets van LJ Veen vond ik al even boeiend, in de eerste plaats die van Edgar Allan Poe, Alexandre Dumas, en Poesjkin. Omstreeks 1966 kregen de Salamanders mij in hun greep, met name Franz Kafka en Louis Paul Boon. Wat een geweldige wereld ging er toen voor me open. En mijn wereld was al zo geweldig, dank zij de popmuziek en de mooie kleren en de meisjes en de vrienden en mijn Bahamontes-fiets en de magische transistorradio en de gele platenspeler en mijn singles en elpees en allerhande tijdschriften over popmuziek en meisjes – en de lange dromerige zomers.

seu nai an.jpg

Ik nam die monografieën mee naar huis. Naast die van boeken en muziek was dit de derde wereld die voor me openging. Dagenlang zat ik gefascineerd de meestal zwart-witte reproducties te bestuderen. Felix De Boeck, Rik Slabbinck, James Ensor, Frans Masereel, Antoine Mortier, Oscar Jespers… Nog een trapje hoger: Gustave Van De Woestijne (ik ontdekte dat hij een broer was van Karel Van De Woestijne, wiens ‘De boer die sterft’ ik had verslonden), Edgar Tytgat (met zijn wonderlijke zigeuners, bruiloften, kermistenten en boeteprocessies) en Leon Spilliaert (zijn zelfportret uit 1907 sloot ongetwijfeld aan bij de sombere gemoedsstemmingen die zich soms, ’s nachts, van me meester maakten, stemmingen die ik ook terugvond in de verhalen van Edgar Allen Poe.) Bovenal hield ik van het werk van de nu wat vergeten kunstenaar Henri van Straten. In zijn  houtsneden herkende ik zowel mijn milieu, dat van de binnenscheepvaart en de haven van Antwerpen, als dat van Louis Paul Boon. Bovendien kon ik heerlijk fantaseren bij zijn vele blote meisjes. Het boekje uit 1955 is nog altijd in mijn bezit.  In het voorwoord van Frank Van Den Wijngaert lees ik dit: “Henri van Straten was een niet alledaagse verschijning. Slank en lenig, gaf zijn wijdbeense, deinende gang, gepaard aan zijn donkere huidskleur, gitzwarte haren, dito ogen en scherp getekend profiel hem veeleer het uitzicht van een uitheems zeeman die vele oceanen had bevaren, dan van een geboren en getogen Antwerpse landrot aan wiens rasecht accent zich trouwens niemand zou bedrogen hebben.”

En weet je wat: al die mooi uitgegeven monografieën behandelden Belgische kunstenaars. Ik vermoed derhalve dat mijn liefde voor de kunst in een toilet van het Koninklijk Atheneum Tongeren is begonnen en dat de auteurs van de De Sikkel-boekjes mijn eerste leermeesters waren.

kafka 001.jpg

In volgende stukjes zal ik het over de kunstenaar par excellence Max Beckmann hebben, maar ook eerst nog over de rol van de televisie als educatief medium; een korte periode van dwepen met Salvador Dalí; pop art; het symbolisme; het surrealisme; Nicolas de Staël; Malevitsj en het suprematisme; 1973 en Europalia Groot-Brittannië; William Blake; William Turner, Francis Bacon en mijn onderdompeling in de Antwerpse kunstscène aan het eind van de jaren ’70. Wat daarna volgt kan moeilijk nog genealogie worden genoemd.

...

Illustraties:

Boven: La Java, van Henri van Straten, uit de gelijknamige monografie, uitgegeven door De Sikkel, met een voorwoord van Frank Van Den Wijngaert.
Midden 1: Mijn ouders, vroege jaren '50.
Midden 2: Seu Nai An, De Chinese Rovers, Reinaert-Uitgaven, Brussel 1962, Zedelijke kwalificatie IV-V.
Onder: Franz Kafka , Een hongerkunstenaar en andere verhalen, Salamander, Amsterdam, 1969.

11-10-13

DE FOTO VAN BOB DYLAN EN SARA NOZNIZSKY

bob & sara.jpg

Deze romantische foto van Bob Dylan en Sara Lownds vond ik onlangs via google terug. Ik had hem sinds mei 1975 niet meer gezien, maar herinnerde me hem goed. Dat kan moeilijk anders: van 1966 tot 1975 was hij altijd ergens op de achtergrond – en soms voorgrond – in mijn leven aanwezig. Ik weet niet wie de fotograaf is, heb het nooit geweten en vind het ook nu niet belangrijk. Niet omdat ik fotografen minacht of zo, integendeel, nee, maar dit is een ander verhaal. Een verhaal van herinneringen, van emoties, van het terugvinden van de verloren tijd, een beetje zoals bij Proust, inderdaad.

Ik heb hem destijds uit een tijdschrift geknipt, Teenbeat, Salut Les Copains, of nog een ander blad, en dan ingelijst. Het was de enige ingelijste foto die ik in die periode bezat. Ik knipte massa’s foto’s uit tijdschriften (waar ik verslingerd aan was), vooral van popsterren, met een voorkeur voor Brian Jones, the Small Faces, the Kinks, the Who en Jimi Hendrix. Daarnaast ook van half blote meisjes, vooral uit Lui – heel mooie kleurenfoto’s. Vervolgens knipte ik ze op maat zodat ze in elkaar pasten als (rechthoekige) stukjes van een puzzel en kleefde ze tegen een houten wand van mijn slaapvertrek op het schip van mijn ouders, mijn ‘thuis’ tijdens weekends en vakanties. Zo ontstond er op korte tijd een mozaïek van rock & roll en erotica: perfecte ingrediënten voor een melancholische adolescentie. Voor een tijd van twijfel, frustratie en honger naar wat onbereikbaar is. De beste soundtrack daarbij is ‘In My Room’ van The Beach Boys.

De foto van Bob en Sara kreeg echter een ereplaats: in een vergulde lijst, waaruit ik  een portret van een mij onbekend familielid, dat mij steeds met enigszins verwijtende blik leek aan te kijken, had verwijderd. De lijst ging bijna overal met me mee; alleen niet naar het internaat, omdat Bob Dylan daar verboden was, of toch afbeeldingen van hem. Toen ik naar Brussel verhuisde om er film te gaan studeren hing ik hem aan een haak in de vermolmde muur van mijn kamer in de Karmelietenstraat. Daarna trok ik ermee naar de Boomkwekerijstraat en in de Visélaan nam ik er, zonder er bij na te denken, afscheid van.

Sindsdien heb ik er af en toe nog eens aan teruggedacht, me afgevraagd wat er met de foto zou gebeurd zijn.

67pulaski 001.jpg

 

Meteen toen ik het romantische beeld van Bob Dylan en de lieftallige Sara terugzag herinnerde ik me dat er foto’s van me waren uit 1967 of daaromtrent waarop ik afgebeeld sta met de bewuste lijst. Ik moest er een tijdje naar zoeken, maar niet echt lang. Mijn leven wordt wel chaotischer met de dag, maar er is toch ook nog veel orde om me heen. Zo staan de boeken die ik voor 1991 aankocht nog alfabetisch geklasseerd. Ik herinnerde mij mijn eigenaardige vriendschap met Daantje, de jongen die de foto’s van me heeft gemaakt. Hij was ongeveer drie jaar jonger dan ik, en ik denk dat hij naar me opkeek, omdat ik anders was dan de anderen, in de manier waarop ik me kleedde, in mijn liefde voor wat toen psychedelische muziek en underground werd genoemd, en natuurlijk ook omdat ik ouder was. Vreemd is dat ik zijn leraar psychedelica was, maar dat ik toch ‘Crown Of Creation’ van Jefferson Airplane van hem cadeau kreeg voor de kerst. Ik kan me niet goed meer herinneren hoe er aan die wat oppervlakkige vriendschap een eind is gekomen. Waarschijnlijk is ze gewoonweg uitgedoofd, zoals dat zo vaak gebeurt.

CROWN OF CREATION.jpg

Wat vond ik nu zo fascinerend aan de foto van Bob Dylan en Sara? Waarom was hij niet in de collage beland? Alleszins heeft het te maken met Bob Dylan zelf, die voor mij een god was, de enige. Ja, ja, ik was een monotheïst. Van alle liederen die ik van Dylan bezat, de meeste op single of EP, kende ik de teksten uit het hoofd (nu helaas niet meer, hoewel mij onlangs weer hele stukken van ‘Just Like Tom Thumb’s Blues’ te binnen schoten). Alles wat hij zong en zei en deed fascineerde me en raakte me diep. Dan was er ook nog de mysterieuze, mooie jonge vrouw. Wie was dat? Ze zag er zo zachtaardig, lief, teder en exotisch uit… Ik wist een hele tijd helemaal niet dat ze Sara heette en dat ze de echtgenote van Dylan was. Ze was voor mij de vrouw van die foto, zoals Suze Rotolo (wier naam ik evenmin kende) het meisje was van de hoes van ‘The Freewheelin’ Bob Dylan’ en Sally Grossman, echtgenote van manager Albert Grossman zoals iedereen nu weet, de elegante jongedame van de foto op ‘Bringing It All Back Home’.

Er is echter nog iets, iets wat ik pas nu heb opgemerkt. Op de achtergrond van de foto van Bob en Sara zie je iets wat op een houten boshut lijkt. Ik had, vanwege astma, meerdere jaren in de bossen doorgebracht. Dat zal ergens ook wel het fetisjkarakter van de afbeelding (voor mij) verklaren. Bovendien zijn er boven het hoofd van Sara tegen de voorkant van de hut enkele prenten te zien. Weliswaar is het geen collage zoals die van mij, met half blote meisjes en popsterren, maar het zou een begin kunnen zijn… Er is ook iets met de stoel. Zonder te weten dat ik door de foto was beïnvloed – en misschien is het alleen maar toeval - heb ik ongeveer twintig jaar op een bijna identieke stoel gezeten (soms, als ik dronken was, heb ik er songs van Dylan op zitten spelen en zingen). En zelfs nu, nu het al zo laat is, draag ik nog altijd een leren jasje dat sterk lijkt op dat van Dylan.

Een leven heeft iets magisch. Er zijn zoveel niet altijd duidelijke verbanden en toevallige, ogenschijnlijk onbelangrijke gebeurtenissen kunnen grote gevolgen hebben.

 

bob dylan,sara dylan,sara lownds,sara noznizsky,sally grossman,albert grossman,suze rotolo,foto,fotgrafie,herinneringen,daantje,1967,adolescentie,pop,popcultuur,muziek,popmuziek,singles,ep's,seks,erotica,heldenverering,interpretatie,invloed,toeval,verbanden,vriendschap,vergetelheid,herinnering


 ...

Illustraties:

Boven: Foto van Bob Dylan en Sara Noznizsky alias Sara Lownds alias Sara Dylan.

Midden: Foto van mezelf in 1967 of 1968. Mijn toenmalige vriend Daantje heeft de foto van mij gemaakt, met mijn fototoestel. Op de achtergrond is de woning te zien op het schip van de ouders van Daantje. Ik had de ingelijste foto van Bob & Sara speciaal meegebracht voor de sessie. Je ziet heel goed dat kappers de rol van priesters hadden overgenomen.

Midden 2: Crown Of Creation, Jefferson Airplane.

Onder: Daantje in mijn slaapvertrek. Op de achtergrond een deel van mijn popcollage. Boven Daantjes schouder zie je een stuk van de lijst waarin de foto van Bob en Sara. Enkele afleveringen van mijn lijfblad Hitweek / Witheek op het bed. Evenals enkele flessen, om de grote Jan uit te hangen.

 

 

IK HERINNER ME PATRICE CHÉREAU

chéreau orchidée 2.jpg

chéreau chair-de-l-orchidee-.jpg

chéreau - La-Reine-Margot-son-chef-d-oeuvre.jpg

chéreau Intimite-2001.jpg

De begenadigde regisseur Patrice Chéreau overleed op 7 oktober op 68-jarige leeftijd. Vooral zijn eigenzinnige films maakten diepe indruk op me. Daarnaast wordt Chéreau zeer gewaardeerd om zijn werk in opera en theater, werk waar ik minder vertrouwd mee ben.

Hierboven een klein eerbetoon met stills uit enkele films van Patrice Chéreau: La chair de l'orchidée (1975), La reine Margot (1994) en Intimacy (2001).

08:51 Gepost in Film | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook

10-10-13

AUGUST STRINDBERG EN KURT COBAIN

STOCKHOLM 069.JPG


“Op de vensterruit staan de initialen van mijn naam geschilderd: A.S., zwevend op een zilverwitte wolk, met daarboven een regenboog. Omen accipio want het doet mij denken aan Genesis waar geschreven staat: ‘Mijn boog stel ik in de wolken, opdat die tot een teken zij van het verbond tussen mij en de aarde.’” August Strindberg, Inferno 20-21.

Gisteren na de lunch lag ik wat te rusten. Opeens dacht ik dat het misschien een goed idee zou zijn om een soort van ‘geestelijke’ genealogie uit te werken. Autobiografisch werk dat op zoek gaat naar de wortels van een bestaan moet niet noodzakelijk het leven en de wederwaardigheden van ouders, grootouders (familie) behandelen. Iets wat auteurs als Amos Oz en, dichter bij huis, Stefan Hertmans, wel al voortreffelijk hebben gedaan. Naast tientallen, honderden andere schrijvers van autobiografische geschriften.

De eerste twee geestelijke voorouders die me voor de geest kwamen waren August Strindberg en Kurt Cobain, al is het woord ‘voorouder’ in het geval van de zanger-gitarist (1967-1994) wat misplaatst.

Omdat het om een vluchtig idee gaat, een idee dat ik zeer waarschijnlijk niet zal uitwerken, wat zo vaak bij mij het geval is – in mijn leven is veel gedoemd om voorlopig, om onafgewerkt te blijven -, wil ik het ook niet meteen uitdiepen.

In augustus dit jaar was ik voor een tweede keer in het prachtige August Strindberg Museum in Stockholm en werd er overweldigd door de aanwezigheid van de schrijver/dramaturg/schilder/alchimist. Overweldigd worden door een groot kunstenaar is natuurlijk niet voldoende om hem als geestelijke ‘voorouder’ uit te kiezen. Welke overeenkomsten zijn er dan? Dat is een moeilijk te beantwoorden vraag, omdat het meer om een aanvoelen gaat dan om een op feiten berustende zekerheid.

Strindberg werd honderd jaar voor mij geboren – alleen dat al schept een band. Hij was erg schuchter en tegelijk opstandig, hij was een atheïst die zich aangetrokken voelde door het religieuze en het mystieke. Zijn tegenstanders (en niet alleen zij) noemden hem een vrouwenhater, maar in werkelijkheid hield hij van vrouwen. Hij was drie keer getrouwd; in zijn werk komen heel wat ‘sterke’ vrouwen voor. Zelfs in een donker werk als ‘Inferno’, boordevol haat, zelfhaat en paranoia schrijft hij nog – hier en daar – met tederheid over zijn tweede echtgenote.

De schrijver werd geplaagd door periodes van diepe melancholie en verlammende paranoia. Hij schreef gedichten, verhalen, romans, toneelstukken, essays, wetenschappelijke en religieuze verhandelingen, politieke pamfletten, hij schilderde, speelde gitaar, deed aan alchimie en was een uitstekend fotograaf. (Nogmaals, ik wil me niet in de feiten met hem vergelijken.)

Het oeuvre van Strindberg speelde in mijn persoonlijk leven een grote rol. Mijn eerste echtgenote en ikzelf waren van toen we nog jong waren en filosofie studeerden bewonderaars van zijn werk, vooral vanwege zijn kijk op het huwelijk. Mijn echtgenote schreef een licentiaatsverhandeling over de schrijver. Dat had ik zelf ook graag gedaan, maar ik voelde me als halve hippie ook aangetrokken tot de denkbeelden van Henry David Thoreau, vooral bekend van ‘Walden’ en ‘On The Duty Of Civil Disobedience’. Toen ik echter zijn dagboeken doorbladerde viel ik al gauw in slaap van zijn geleuter over de kleurenpracht van bloemen en het gekwinkeleer van vogels. Ik koos dan maar voor een onderwerp dat in die dagen erg actueel was en aanleunde bij het werk van onze geliefkoosde Zweedse ‘vrouwenhater’: het einde van het gezin. Ik liet me daarbij vooral inspireren door ‘Antigone’ van Sofokles, de rechtsfilosofie van Hegel, ‘De oorsprong van het gezin, van de particuliere eigendom en van de staat’ van Friedrich Engels, het feminisme van Aleksandra Kollontaj en Germaine Greer, de antipsychiatrie van David Cooper en Ronald Laing,  en ‘L’anti-oedipe’ van Gilles Deleuze en Félix Guattari. En nog heel wat toen modieuze namen die ik me niet meer kan herinneren.

August Strindberg is samen met Sofokles de enige auteur uit die groep die ik nu nog lees. Bijna altijd als ik een boek van de Zweedse schrijver opsla denk ik terug aan die periode, waar ik onlangs ook al over schreef, waarvan ik nu denk dat ik toen gelukkig was, al weet ik dat uitgerekend dat pril huwelijksleven soms op een inferno leek. Ik kies er echter heel bewust voor om me de mooie momenten te herinneren en wat minder fraai was te vergeten. Zeker wil ik de donkerste momenten niet uit hun verband rukken en ze als hoofdtonen van die eerste grote liefde presenteren.

Net als Sofokles reikt Strindberg de woorden aan om het persoonlijke leed (of geluk) in een groter geheel te plaatsen, met andere woorden om het ego te transcenderen en zo in een oogwenk de stap te zetten van het bijzondere naar iets universeels.

En Kurt Cobain dan? Ik denk dat het best is hem te vergeten, ik bedoel in genealogisch opzicht. De naam zal me te binnen geschoten zijn omdat ik kort tevoren een interview met de tegendraadse muzikant had gelezen, hem afgenomen door de onvolprezen Jon Savage, auteur van onder meer ‘England's Dreaming: Sex Pistols and Punk Rock’. Een aantal uitspraken van Cobain hadden mij diep geraakt, ik voelde me verwant met hem, ik zag verbanden tussen zijn jeugd en die van mij. Vooral zijn problematische omgang met jongens, met hun machogedrag, waardoor hij maar weinig vriendjes had en zich meer aangetrokken voelde tot meisjes, herkende ik goed. Maar ik zou te kwader trouw zijn mocht ik hem werkelijk als een verwante geest uitroepen. In dat geval zou ik een geheel ander leven leiden.

 

Uitverkoren van August Strindberg in Nederlandse vertaling:

De rode kamer
Apologie van een gek
Eenzaam
De zoon van een dienstbode
Tijd van gisting
Inferno
Droomspel
Freule Julie
De vader
De sterkste

STOCKHOLM 071.JPG

Foto's: Martin Pulaski, Stockholm, Strindberg Museum, 18 augustus 2013.

09-10-13

DE MAN ACHTER HET LOKET

IMG_4188.JPG

Vorige zaterdag dacht ik onwillekeurig terug aan een essay van Stefan Hertmans over de woordenloosheid, getiteld ‘Een wak in het spreken’. Niet dat ik er mij nog veel van herinnerde, er zijn sinds 1993 al zoveel - meestal overbodige - woorden door me heen gegaan dat ik er, opstandig als ik vaak ben, nagenoeg sprakeloos van ben geworden. Nee, ik wil het hier en nu niet hebben over de poel des verderfs die ‘Vlaamse literatuur’ wordt genoemd (waarop Hertmans een uitzondering blijft). Ik wil het hier en nu hebben over het dagelijks leven in de hoofdstad van het Koninkrijk.

Aan een van de twee open loketten in het Centraal Station te Brussel, hoofdstad van Europa, wilde ik na enig tevergeefs zoeken naar een open krantenwinkel, een kaartje kopen voor de trein naar Antwerpen, cultuurhoofdstad van Europa in 1993, naar aanleiding waarvan Stefan Hertmans het hierboven genoemde essay  schreef. Eerst was ik door de opgefriste lange gang gelopen die het metrostation met de laatste nachtmerrie van Baron Horta verbindt: wat een herademing! Die schoonmaakbeurt werd al zo’n dertig jaar aangekondigd. De gang stonk al die jaren al niet alleen naar faeces en urine: je was nooit zeker of je wel levend de uitgang zou bereiken. Waarom er zo werd getalmd weten alleen enkele hooggeplaatste notabelen, die wellicht verkiezen om te zwijgen, een beetje zoals Bartleby the scrivener; alleszins werd er over getwist door aannemers, dorpspolitici, notarissen, advocaten, hamburgerverkopers, poetspersoneel, daklozenverenigingen, de negentien Brusselse burgemeesters en een onoverzichtelijk aantal schepenen, de Brusselse gewestregering, de COCOF en de VGC, Infrabel, de Waalse regering, de Vlaamse Overheid, de NVA-Brussel, het Vlaams Belang, FDF, diverse bouwpromoteren, de Vlaamse minister-president en zijn regering, de federale regering en het Koningshuis. Maar goed, de gang is schoongemaakt en opgefleurd. In het station zelf echter stinkt het nog altijd naar urine, wat niet zo verwonderlijk is: er is maar een wc en dat is zo goed als altijd gesloten. De winkels in de vrij recent geopende Horta-galerij zijn ook bijna allemaal dicht, of bankroet, dat kan ook.

Na enig aanschuiven in de kortste van de twee rijen - een zestal loketten waren gesloten - was het mijn beurt. De man achter het loket bleek me niet meteen te zien of te horen. Had ik geen stem meer, was ik sprakeloos geworden? Dat zou dan slecht aflopen want ik was op weg om een radioprogramma te gaan presenteren. Na enkele seconden drong het tot me door dat de loketpersoon zelf geen stem had, en ook geen ogen. Hij tikte iets in in zijn computer, en op bijna miraculeuze wijze zag ik vervolgens een kaartje door de gleuf in het beroete glas tussen ons me toegeschoven worden. De man echter keek me niet aan en zei niets. Het verschuldigde bedrag verscheen op het scherm van het betaalapparaat. Voor ik vertrok zei ik nog ‘dank u’ tegen de man zijn linkeroor en voegde er ‘tot ziens, nog een prettige dag’ aan toe. Ik wist natuurlijk wel dat dat geen zin had: de man had er al van in het begin de voorkeur aan gegeven me volstrekt te negeren. Maar waarom?


Later, toen ik in de trein, die met ongeveer een half uur vertraging in Antwerpen zou aankomen, maar dat is een detail, mijn kaartje moest tonen meende ik het te begrijpen. Het ‘weekendticket’ was in het Frans opgesteld. Daar lig ik in normale omstandigheden niet van wakker. Ik ben geen flamingant, noem mezelf ook geen Vlaming maar een Belg en zo. In een situatie als deze lig ik er echter wel van wakker, want het gaat om bewuste vijandigheid. Waarop berust die vijandigheid, en waar leidt ze toe? Heeft een loketbediende het recht om een klant op die manier te behandelen? Te doen alsof je niet bestaat, je tot een sprakeloze paria te herleiden, alleen vanwege je taal? En ik spreek dan ook nog een beetje Nederlands, geen Vloms zoals in comedyshows allerhande op televisie. Daar is toch niets mis mee? Het Nederlands is een van de belangrijkste talen van Europa. Het Nederlands is een bijzonder mooie taal, net zo mooi als het Frans of het Engels of het Hongaars, of welke taal dan ook. Bovendien heeft de man mij niet gezegd dat hij geen Nederlands verstaat (wat een vereiste is in zijn functie).

Het is erg, zeggen de mensen dan. Maar het is niet alleen erg. Het is verontrustend. Je wordt sprakeloos van zulke toestanden. Misschien vind je dat het een detail is? Ik niet. Het is geen detail. Het is een symptoom. In een land waar vrouwen met een hoofddoek vaak worden gehaat en van de arbeidsmarkt uitgesloten, zelfs als ze vriendelijk zijn en drie talen spreken, vindt men het onbeschoft gedrag van bedienden die sommige burgers als paria, als onzichtbare behandelen normaal.

"... de woordenloosheid als een noodlot. Dit lot te ondergaan is het laatste restant van heldhaftigheid, van het lot van de antieke held, een lot dat is ondergedoken in een aan woordzwendel stervende beschaving, in de enige vorm van antwoord die haar overbleef: de stilte als een ruimte waarin geschiedenis over zichzelf mediteert."

...

 

Nu wil ik tot slot wel een ding heel duidelijk stellen: dit gaat niet over dé Franstaligen of dé ambtenaren, of dé Belgische spoorwegen. Dit gaat over symptomatisch gedrag van een enkeling en het gaat eveneens over de teloorgang van onze instellingen en onze openbare ruimte.

...

Foto: Martin Pulaski, Brussel, 19 september 2013. 
Citaat Stefan Hertmans, uit: Vertoog en Literatuur, Cahier 2, Woordenloosheid, "Een wak in het spreken". 

07-10-13

IN DEN BEGINNE

IMG_4499.JPG

In den beginne, op het groene gras van je uitverkoren oord, waar het altijd elders is, kronkelt van lieve lust een adder. Hij wendt zich een poos naar het stralen van je zonnestelsel, daarna weer weg, naar waar zelfs een duivel zich niet waagt.

Op die dag – of was het vandaag? -  dacht je terug aan de dag toen het leek of Renata's lichaam een onbegonnen lied voor je zong. Een lied waar ze altijd opnieuw aan zou beginnen, op die dag. Een lied om later te kunnen ontginnen. In haar handen hield ze volstrekt genadevol erts. Zie hoe het fonkelt, hier in deze zinnelijke alchimistenkamer.

De tonen van het lied bouwden een ladder waarlangs je ontsnapte, gevleugeld je woorden, naar weer een ander oord, een ander licht. Of gelijkend op het licht dat je in de korenbloemenogen scheen op de dag dat je terugdacht aan haar lange dag – en na die wedergeboorte de reis naar een donker dat ogenschijnlijk al lang achter je lag, maar in werkelijkheid in de nabije verte, net voorbij de heuvel van het Verdriet.


Het licht dat uit je ogen straalt, je ogen op het gras gericht, op de adder, zijn kronkelig pad. De schaduwtonen in haar stem, elke noot in haar gezang, denk je, de aanvang van een verhaal dat altijd begint met ‘in den beginne’.

 


...

Foto, Martin Pulaski, 30 september 2013 

05-10-13

ZERO DE CONDUITE: ALL IN YOUR MIND

surfer-rosa.jpg

Zéro de conduite is een POPprogramma op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 ’s avonds. Heerlijk als je druk bezig bent in de keuken, of bij het aperitief, en later aan tafel bij de mosselen! Stem af op 106.7 FM. Je kunt het programma eveneens via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over de radio.
 

Misschien nooit meer een themaprogramma, dacht ik vorige maand. Goed dat er ‘misschien’ in de zin stond. Want ik ben in de oude zonde hervallen: ik heb opnieuw voor een thema gekozen. Bij de voorbereiding van deze aflevering voelde ik me opeens helemaal verloren, zo zonder dat vertrouwde houvast. Ik las in de commentaren bij mijn playlist van vorige maand dat het beter is op je intuïtie of gevoel af te gaan dan op je verstand. Maar ik heb vastgesteld dat ik zonder de ratio aan het dolen ga, wat op zich niet slecht is, maar ik zal moeten aan wennen zulke zwerftochten. Bovendien houd ik enorm van thema’s. Van het thema van deze maand, MIND, houd ik zoveel dat ik aanvankelijk acht uur muziek had, en alle songs waren goed. Heel moeilijk om dan te gaan snoeien. Het is een harde wereld. Mogelijk breng ik volgende maand een tweede MIND. Maar ik doe geen beloften meer, vandaar dat ‘mogelijk’. (Hoe dan ook blijven de concepten ‘sfeer’ en ‘stemming’ overeind: daar moet de volgorde van de songs voor zorgen.)

Ik geloof dat ik voor vandaag al een behoorlijke selectie heb gemaakt en hoop dat jullie er opnieuw van kunnen genieten.

john-hartford.jpg

 

 

Satisfied Mind - The Walkabouts - Satisfied Mind

All In Your Mind - Beck - Sea Change

Open Mind - Wilco - The Whole Love

Where Is My Mind??? - Pixies - Surfer Rosa

Bend Your Mind - Elysian Fields - Queen Of The Meadow

Wanna Be On Your Mind - Valerie June - Pushin' Against A Stone

Something On Your Mind - Karen Dalton - In My Own Time

I Got Love On My Mind - Captain Beefheart - Unconditionally Guaranteed

Stoned Out Of My Mind - The Chi-Lites - The Very Best Of The Chi-Lites

Didn't I (Blow Your Mind This Time) - The Delfonics - La-La Means I Love You: The Definitive Collection

Packed Up And Took My Mind - Little Milton - The Very Best Of Little Milton

Diamond In Your Mind - Solomon Burke - Don't Give Up On Me

Her Mind Is Gone - Professor Longhair - Hot in New Orleans! / The 1949-1957 Recordings

Ramblin' On My Mind - Robert Johnson - King of the Delta Blues Singers

Yesterday Where's My Mind - The Box Tops - The Best Of The Box Tops

Suspicious Minds - Elvis Presley - From Elvis In Memphis [bonus]

Mirror Of Your Mind - Joe South - Retrospect: The Best Of Joe South

Total Destruction To Your Mind - Swamp Dogg - Total Destruction of Your Mind

I Can't See Your Face In My Mind - The Doors - Strange Days

Keep Your Mind Open - Kaleidoscope - Egyptian Candy

Your Mind And We Belong Together  - Love - [Single A-Side]

My Mind's Eye - The Small – Faces - Nuggets II: Original Artyfacts From The British Empire And Beyond, Vol. 1

Friday On My Mind - The Easybeats - Nuggets II: Original Artyfacts From The British Empire And Beyond, Vol. 2

Too Much On My Mind - The Kinks - Face To Face

You're On My Mind - The Animals - Animalisms

Mama, You Been On My Mind - Bob Dylan - The Bootleg Series, Vols. 1-3 : Rare And Unreleased, 1961-1991

I Can't Get You Off Of My Mind - Hank Williams – The Best Of Hank Williams     

You're Still On My Mind - George Jones - The Best Of Geoge Jones / Volume 1: Hardcore Honky Tonk

I'm Looking For My Mind - Merle Haggard - Down Every Road / 1962-1994

You Don't Know My Mind - Jimmy Martin - You Don't Know My Mind

Maybe You Will Change Your Mind - Reno & Smiley - The Talk Of The Town

Gentle On My Mind - John Hartford - Earthwords And Music

Did You Ever Have To Make Up Your Mind? - Lovin' Spoonful - Do You Believe In Magic

I'd Like to Walk Around in Your Mind - Vashti Bunyan - Just Another Diamond Day

I've Got Something On My Mind - Left Banke - There's Gonna Be A Storm: The Complete Recordings 1966-1969

Lost In My Mind - The Head And The Heart - The Head And The Heart

Dark Turn Of Mind - Gillian Welch - The Harrow & The Harvest

Keep Me In Mind Sweetheart - Isobel Campbell - Keep Me In Mind Sweetheart

valerie-June-1350x900 (1).jpg

 

Research & presentatie: Martin Pulaski