28-08-13

OUDE MISERIE

henri van straten de pessimist.gif


BRIEF AAN EEN VRIEND (1984)

 

Antwerpen, 14 november 1984

Beste J.,

Het spijt me werkelijk dat het zo lang geduurd heeft voor ik iets van me liet horen. Het probleem is dat ik niet of bijna niet meer kan schrijven. En dat is slechts een facet van de algemene geestelijke apathie of impotentie. Niet meer kunnen creëren, voortbrengen, produceren… Geen enthousiasme, geen geestdrift en vooral geen werklust. En waarschijnlijk weet je wel dat schrijven het enige was (en is) wat mijn leven zin gaf. Vooruitzien betekende voor mij altijd de hunkering naar het voltooien van een gedicht, een verhaal. Dat is weggevallen. Wat kan ik dan nog van het leven verwachten? Alleen maar dit, dat er aan deze psychosomatische stoornis een eind komt. Dat ik terug over mijn intellectuele vermogens kan beschikken, dat ik mijn gave kan opgraven vanonder het puin van mijn vroegere ego (aan de instorting waarvan ik zelf heb meegewerkt – wie anders?).
’t Schijnt dat een psychiater me uit deze impasse zou kunnen helpen. Maar primo vertrouw ik geen psychiaters, of toch niet helemaal, en secundo zijn ze erg duur. Want ja, financieel zit ik nu ook helemaal aan de grond: ik krijg nog 10.000 frank uitkering – het minimum.

Het verbaast me nu dat ik de vorige paragraaf zo vlug en vlot heb kunnen neerschrijven. ’t Is echt meer dan een jaar geleden dat ik nog een behoorlijke zin op papier heb gezet. Maar ja, het gaat hier ook maar om een opsomming van feiten (zij het van een niet te noemen somberheid – onder elk woord zit een kreet verscholen).

’t Word tijd dat we nog eens lachen. Ik denk dat ik maandenlang zou moeten lachen om mij boven alle doorstane ellende te kunnen plaatsen. Ook denk ik aan lange wandelingen in de sneeuw, in de allerstilste bossen. Of in de winter op het strand slenteren, nauwelijks een mens te zien. O dat prachtige lied van Bob Dylan, “It Takes A Lot To Laugh, It Takes A Train To Cry”!
Of terugkeren naar vroeger, toen ik gelukkig was, van ’75 tot ’77, toen ik een poète maudit was en alles uit liefde deed. Toen ik dacht dat ik onkwetsbaar was en ouder worden niet mogelijk was.  Alles was juist in die tijd. Vanaf ’77 ben ik te snel gaan leven, ’t was de dooi van de onschuld, ik aanvaardde mezelf niet zoals ik was. Ik wou niet volwassen worden en verantwoordelijk. Leven moest bewegen zijn, dansen: een productieve inspirerende waanzin. Wat een illusie! Nu is alles stilgevallen.

Wel heb ik nog lief, maar hoe moeilijk is dat als je niets hebt en niets kunt geven? En als je eindelijk weet wat voor schoften de meeste mensen zijn.

Ik kijk televisie en probeer te vergeten. Denk je dat ik daar in slaag? Natuurlijk niet; omdat ik niet echt wil vergeten. In het verleden zit alles vervat, in de toekomst niets (tenzij net het verleden). En ik ben niet de enige die er zo over denkt. Kijk maar naar Proust, Fellini, Beckett, Pavese, John Lennon (“When I was a boy, everything was right….”)

Op de achtergrond (en soms op de voorgrond) een plaat van The Gun Club: ‘Black Train’, ‘Cool Drink Of Water’… Muziek als deze kan me soms nog ontroeren. De stem van de gewonde wolf, eenvoudige akkoorden, een bijtende gitaar. Integere rock & roll, zonder veel compromissen. Ook R.E.M., Jason & The Scorchers, The Long RydersEen hele Byrds-fanclub, die heeft geleerd gitaar te spelen als Roger McGuinn en te zingen als Gene Clark of Gram Parsons. Ook hoor ik nog graag het wat meer gesofisticeerde geluid van Rickie Lee Jones, Tom Waits en Randy Newman, met hun sterke, expressieve teksten.

Van de jongere literaire schrijvers is er zo goed als niemand die ik waardeer, zeker van de Nederlandstalige niet. ’t Zijn allemaal bedriegers, showmensen, ze hebben geen hart, geen ziel. Mochten ze dat wel hebben dan zou geen enkele ‘belangrijke’ uitgever ze willen uitgeven. Zo’n uitgever moet immers aan het profijt denken, niet aan het hart of de ziel. Natuurlijk zijn er uitzonderingen maar die zijn dan weer vaak katholiek, in navolging van Graham Greene (toch een groot schrijver, hoewel soms ook een zeur) en Huysmans.

Nu moet ik gaan doppen; opletten dat ik niet in de stront trap. De Provinciestraat is een groot hondenschijthuis.

Een dag later. Veel heb ik aan het bovenstaande niet toe te voegen. Mijn contact met de anderen is zeer beperkt. Uitgaan behoort tot het verleden. Concerten zijn te duur voor me en organisatoren behandelen het publiek als vee (tenzij dat veranderd zou zijn, wat ik durf betwijfelen). Wel heb ik nog een heel mooie en oprechte film gezien: ‘Paris, Texas’ van Wim Wenders. Dat A. werk heeft gevonden heb ik je waarschijnlijk al gezegd. ’t Wordt niet goed betaald (3de arbeidscircuit), maar ze doet het graag en de collega’s zijn sympathiek. En dat is natuurlijk een belangrijk punt.

Nu is het aan jou om je hart uit te storten, in zoverre dat in een brief mogelijk is. In elk geval hoop ik dat we elkaar voortaan regelmatig zullen schrijven. Want de tijd staat niet stil.


Hartelijke groeten van je vriend,
M.

...

Beeld: Henri Van Straten, De pessimist 

26-08-13

RUSTIG SLAPEN IN EEN GENADELOZE WERELD


STOCKHOLM 017.JPG

Tawny port op een regenachtige zaterdagavond in de late zomer schenkt je enkele ogenblikken breekbare rust. Later de waterachtige smaak van de groenten op je bord. Herinner je je nog hoe jaren geleden, bij je moeder, alles zoveel krachtiger smaakte en echt lekker was?

Je leest wat in een boek, maar zonder veel aandacht te geven aan de woorden en zinnen. Althans: ze roepen niets bij je op. Je bent te moe van te veel afkeer en verwensingen en gruwel. Moe, maar dan lig je toch nog uren wakker, en daarna volgen er nachtmerries over mensen die je in werkelijkheid of in je verbeelding hebben bedrogen of verraden.

Er zijn dagen dat je vergeet hoe teder en vriendelijk en liefdevol sommige mannen en vrouwen voor je zijn.  Dan is alles in jou gesloten, als een auto in een garage, een auto die aan herstel toe is en al met een laag grijs stof bedekt.

Maar werpt het geen positief licht op je karakter, op je moreel bewustzijn dat je niet goed slaapt? Want in zekere zin zou je kunnen zeggen dat rustig slapen in een genadeloze wereld iets is om je voor te schamen. Zoals in een park zitten met je arm om een geliefde gelegd en zo, in die innigheid, het leed van de bedelaar een beetje verderop vergeten.

Toch ook dit nog: wat is er mis met de trage stilte, die misschien wel op het vallen van plataanbladeren lijkt, trage stilte waarin je enkele momenten van geluk kunt beleven? Als je de warme rode lippen van je geliefde kust.

...

Foto: How, Stockholm, 16 8 2013, Martin Pulaski

25-08-13

VERZINSELS OMTRENT VERONICA

La double vie de Véronique (1991).jpg

Als mijn rol dan toch die van aanbidder moet zijn aanbid ik nog liefst een denkbeeld, een verzinsel. Laat het maar beginnen met een verrukkelijke sopraan die niet echt bestaat. Alleen al de tong die trilt in haar open mond wijst op de onwezenlijkheid van haar wezen.

Als zij zingt, verwijder ik me van een donker meer waar weduwen zich komen verdrinken. Als zij zingt, vlieg ik enigszins gelaten, wat mij achteraf verbaast, over de hoge toppen van een pijnboomwoud, ergens in Centraal-Europa. Slavonië? Ik ben niet zeker.

Dat aanbidden van verzinsels en zinnebeelden – en het verzinnen en verzinnebeelden van de aanbidding - gebeurt meestal in het donker. Zonder omzien, genadeloos haast, stel ik me nu voor dat Veronica zich uitkleedt voor het diepgelovige koor, dat haar losbandigheid prijst. Wat klinkt hun polyfonie opeens koortsachtig, vermetel!

Misschien leeft zij in een droom die telkens terugkeert, een beetje zoals die van Adolfo Bioy Casares? Een droom gedroomd door haar langdurig evenbeeld. Ik bedoel dat het evenbeeld langer duurt dan zijzelf. Hoewel je natuurlijk vaak zelfs niet weet wie de ‘echte’ is en wie de ‘dubbelganger’.

Van het donkere meer ben ik naar een rivier gelopen. Het is - tegen heel wat verwachtingen in - volop lente geworden. In het klaterende water was ik de slaap uit mijn meestal verbaasde ogen. Aan een baadster, die wat op Veronica lijkt, vraag ik over het woud. Nee, zegt de vrouw, in Slavonië is er geen pijnboomwoud. Ik had het moeten weten, zeg ik: ooit stond ik in Osijek op een nagenoeg verlaten landweg te liften, zonder resultaat, waarna ik me genoodzaakt zag mijn laatste geld uit te geven aan een treinkaartje naar Boedapest. Arme man, zegt ze. Helemaal niet zeg ik, ik was zelden gelukkiger.

Als mijn rol dan toch die van aanbidder moet zijn, duurt wat zich in het halfdonker aanbiedt liefst niet te lang. Er is nog zoveel schijnbaars en oppervlakkigs binnen handbereik, zoveel zenuwslopende beelden, zoveel voedingsstof voor de verbeelding.

...
Foto: La double vie de Véronique (1991)
, van Krzystof Kieslowski, met Irène Jacob.

21-08-13

WAS VROEGER ALLES BETER?

valdez léal.jpg

Mijn vriend R. heeft een scherpe blik op de tijd en de maatschappij waar wij in leven. Maar zodra hij beweert dat het leven vroeger ‘beter’ was ga ik twijfelen, niet aan zijn oordeelskracht in het algemeen, maar aan die ene heel specifieke bewering (die je wel vaker hoort, en niet zelden uit de mond van intelligente en sensitieve mensen). Of het leven - en alles wat dat woord omvat - vroeger beter was weet ik hoegenaamd niet: ik ben helaas al wat te oud om me nog helder te herinneren hoe ellendig het werkelijk was toen ik jong en wild was, en vol hoge verwachtingen en verwarde verlangens door het leven stapte. Of hoe werkelijk ellendig het was. Of nog anders uitgedrukt: een mens herinnert zich vooral graag de mooiste en kleurrijkste momenten.

Ik heb in al die jaren veel geleerd, hoe vaak ik ook denk dat het maar bitter weinig is. Wellicht is een van de belangrijkste (en meest voor de hand liggende) inzichten die ik heb verworven dit: dat alles komt en gaat, zoals eb en vloed, zoals de volle maan, zoals de vier seizoenen. Dat heeft het dagelijks leven mij geleerd, maar zeker ook alle noemenswaardige kunst, literatuur en muziek.

Ja, er bestaat ongetwijfeld waardevolle kunst, literatuur, muziek, noem maar op. Ars longa, maar niets van wat wij mensen maken is hier voor eeuwig. We weten niet eens wat eeuwigheid betekent. Niets is hier eeuwig voorhanden en weinig is van blijvende waarde. Maar wat van blijvende waarde is komt zeker terug, ook al vergeten we dat graag, op zoek als we zijn naar het ‘altijd nieuwe’. Het nieuwe dat toch ook zo vlug gaat vervelen, zoals dat bij kinderen -  en kinderlijke volwassenen -  met hun speeltjes gaat. Waarschijnlijk gaat het ‘altijd nieuwe’ gauw tegensteken omdat het niet van blijvende waarde is. Misschien is het ‘altijd nieuwe’ al uitgehold, betekenisloos en zinloos, als het op de markt wordt aangeboden.

Omdat wat van blijvende waarde is ooit terugkeert, zelfs als wij er niet meer zijn, wanhoop ik niet. Zolang er mensen zijn zullen sommigen van hen, van ons, zich door die hoogtepunten laten beïnvloeden. Een klein aantal mensen zal nieuwe hoogtepunten blijven creëren. Als ik de zaken op deze manier beschouw kan ik onmogelijk beweren dat het vroeger beter was. Maar was het daarom slechter? Dat weet ik evenmin.

En wie in de toekomst dat kleine aantal exemplarische individuen – een elite die geen elite is - zal ontdekken is een vraag die me op dit ogenblik niet bezighoudt. Toch ben ik treurig telkens als ik eraan denk dat een deel van dat al kleine aantal definitief vergeten wordt. Een klein aantal? Niet echt; ze zijn al met velen: bezielde kunstenaars van alle slag - die niet voor het geld of de roem werken, maar omdat ze niet anders kunnen – die weinig of helemaal geen bijval, erkenning en waardering krijgen. Als ik eraan denk dat zovelen al vergeten zijn; dat ze niet terugkeren, zoals eb en vloed, de seizoenen, zoals de volle maan.



Beeld:  
Juan de Valdés Leal, In ictu oculi, 1672.

20-08-13

EROS EN DE DOOD

Annex - Lys, Lya (Age d'or, L').jpg


Met je haren van duizendguldenkruid streelde je mijn vermoeide voeten. Gedurende een enkel genadevol ogenblik meende ik in je gebukte houding die van de vrouw uit Magdala te herkennen. De vrouw die de heilige bijstond in het uur van zijn donkerste wanhoop en die getuige was van zijn opstanding. Iedereen die zo diep valt als ik staat toch ooit weer op – en op zo’n moment is er een vrouw bij je van wie het hart overstroomt van liefde, dacht ik. Een vrouw zoals jij. Maar het was allemaal veel profaner dan je zou kunnen denken na deze eerste woorden. Je haren waren zacht als ahimsazijde, of zachter. Je likte de zolen van mijn voeten en kuste mijn tenen, waardoor heel mijn lichaam ging tintelen en er kwikzilver door mijn aderen leek te stromen.

Nog half liefdevol me kussend en likkend keek je me opeens in de ogen. Ik zag meteen het afgrijzen van je ziel, de haat in je hart. Nee, riep je met schrille stem, ik zal nooit met je trouwen! Je weet toch dat ik je veracht.

Dat was gisteren. Vandaag liep ik door een museum voor moderne kunst. Ik keek naar beelden van beroemde en minder beroemde surrealisten, zag een film van Maya Deren, ‘Meshes Of The Afternoon’, en ‘L’âge d’or’, het meesterwerk van Luis Buñuel. De hele film is sinds 1975 in mijn geheugen gegrift, maar een scène in het bijzonder is me bijgebleven: Lya Lys, de ‘waanzinnig-amoureuze’ jonge vrouw, bevredigt haar verlangen naar haar minnaar Gaston Modot door fellatio uit te voeren op de teen van een religieus standbeeld.

Voor ik in mijn kamer kwam om dit neer te schrijven zag ik in de schaduw van het metrostation S:t Eriksplan een zwart gesluierde figuur staan wachten. Omdat ik me in de stad van Ingmar Bergman bevond -  een stad nochtans lichter dan sommige vlinders en met in de zomer een  klimaat zacht als de fijnste haartjes op de huid van jonge meisjes - dacht ik meteen aan de dood. Ik vroeg me af op wie hij of zij daar wachtte.

Beeld: Lya Lys in 'L'âge d'or' (1930) van Luis Buñuel. 

11-08-13

EEN ITALIAAN IN ZWEDEN

IMG_4471.JPG


“Bijna altijd is het juist de inspiratie (…) die de poëzie slechter maakt, verslapt, verspilt. Het beetje vormdiscipline dat men bezat stort ineen onder het onbestemde van het niet te beheersen sentiment. Zeldzaam zijn de scheppende kunstenaars bij wie de strenge vormeisen die besloten liggen in de neerslag van hun verste contact met de wereld samengaan met de uitdrukkingsmiddelen die de cultuur aan een hele generatie verschaft. Hun taak is een compromis, een gedeeltelijk verraad aan hun onbevangenheid, een poging om in de draaikolk van de mythe die hem in zijn greep heeft zo scherp mogelijk te zien, maar niet verder dan tot daar waar de mooie vertelling oplost in naturalisme. Hierdoor komt het dat sommigen zich redden door iets anders te doen dan ze verwachtten en wisten. Maar de sterksten, die op de meest duivelse wijze toegewijd en bewust zijn, doen wat ze willen, en ze boren de mythe de grond in en weten hem tegelijk, tot klaarheid gebracht, te bewaren. Zo werken zij op hun manier mee aan het unieke van het wonder.”


Cesare Pavese, Stilte in augustus.

Ja, 'Stilte in augustus', het boek dat ik in Stockholm ga herlezen. Een Italiaan in Zweden… Dat lijkt me een goede combinatie. Maar Pavese is universeel. Ik heb nog geen plek gevonden waar ik zijn werk niet zou kunnen lezen.

Foto: hotelkamer in Boedapest, 18 augustus 2006. 

08-08-13

VANAF HIER HEBBEN WE HEM GEZIEN

jean simmons.jpg

Mijn ouders, hoewel laaggeschoold, waren geïnteresseerd in boeken en meer nog in films. Uiteraard waren ze geen cinefielen, ze hadden dan ook geen voorkeur voor regisseurs of zo. Wel voor genres. Mijn moeder hield vooral van musicals en romantische films, mijn vader van oorlogsfilms (en van voluptueuze actrices), ikzelf van westerns. Maar over dat laatste wil ik het nu niet hebben, dat is hier al veel te vaak aan bod gekomen.

Toen ik nog een kleine jongen was waren er in Antwerpen – waar ik in mijn kinderjaren vaak verbleef – massa’s cinema’s. Als we in Antwerpen aankwamen werd meteen Het Laatste Nieuws gekocht, vooral om te kijken welke films waar vertoond werden.

Vanaf mijn vijfde kon ik zelf de krant lezen. Ik herinner me nog heel goed de gretigheid waarmee ik dat deed: filmtitels, namen van sterren en zeker ook die van bioscopen…

In die dagen gingen wij nooit naar een film kijken vanaf het begin. Er waren bijna overal doorlopende voorstellingen. Je kon om het  even wanneer binnenkomen en weer  buitengaan. Als we bijvoorbeeld halverwege een film plaats hadden genomen in de zaal bleven we zitten om  naar de volgende voorstelling te kijken. “Vanaf hier hebben we hem gezien”, zei mijn moeder dan of was het mijn vader, “nu kunnen we vertrekken”. Dat zag ik zelf ook wel, maar ik wilde toch graag nog blijven zitten. Vreemd dat die tijd helemaal voorbij is. Ik kan me onmogelijk voorstellen dat iemand nu nog zou zeggen, “we zijn weg, vanaf hier hebben we hem gezien”.

...

Foto: Jean Simmons in 'The Big Country' (1958) van William Wyler. Met een erg mooie soundtrack van Jerome Moross. 

 

06-08-13

VERDWIJNING

Arabian-Nights.jpg

Mijn geliefde en ik hebben na lange omzwervingen het Oosten bereikt. Hoe heet dit land? Is het Nepal? Zeer waarschijnlijk niet. Na een reis van weer enkele dagen komen we aan in een stad in de wolken waarvan wordt beweerd dat ze Kathmandu heet. Ze heeft niets gemeen met de toeristische foto's die je soms te zien krijgt, maar beantwoordt wel enigszins aan het idee dat we ons vormen van een Heilige Stad. Bepaalde beelden uit Pasolini's ‘Il fiore delle mille e una notte’ komen in de buurt van wat ik bedoel. In deze Stad bestaat geen tijd, ze is er altijd al geweest. Komen er geen reizigers naartoe? Toch wel. Vooral pelgrims en vermoeide mensen die alle hoop hebben opgegeven willen het Heiligdom bezoeken.

Het reusachtige bouwwerk waar we naar binnen worden geloodst heeft slechts één functie: de stad laten zien. Daartoe zijn helemaal boven in gebouw kijkgaten gemaakt, net iets groter dan schietgaten in een kasteel of bunker. Het gebouw, dat spiraalsgewijs hemelwaarts klimt, en in dat opzicht doet het denken aan Breugels ‘Toren van Babel’, is voorzien van reusachtige roltrappen waarlangs duizenden mensen stijgen en dalen. Ondanks dat grote aantal bezoekers wordt de stilte hier niet verstoord. Lange tijd blijven Z. en ik door de kijkgaten de betoverende pracht van de Heilige Stad aanschouwen. Nog helemaal onder de indruk gaan we weer naar beneden. Pas na een tijd valt me de hoge snelheid van de roltrappen op. Plotseling dreig ik mijn geliefde te verliezen: de roltrap die zij gekozen heeft schiet opeens nog veel sneller dan die van mij de diepte in. Zonder ook maar na te denken ruk ik aan een de hendel van een noodrem, met als enig resultaat dat mijn roltrap bruusk tot stilstand komt en mijn geliefde voorgoed in de diepte verdwijnt.

Nooit zal ik mijn Z. terugvinden. Toch zoek ik, blijf ik zoeken, binnen en buiten en aan elke uitgang, ook al is het aantal uitgangen van deze gouden toren niet te tellen. Aan welke uitgang heb ik de meeste kans om haar terug te zien? Ik zal er een moeten uitkiezen en daar op de uitkijk blijven staan, hopend op een gelukkig toeval. Maar ik weet dat het zinloos is in deze menigte, in dit labyrint. Had ik toch maar haar adres, haar telefoonnummer…

...

Foto uit Pier Paolo 
Pasolini's ‘Il fiore delle mille e una notte’ (1974)

05-08-13

OOIT WAS ER EEN TIJD*

Angela_Winkler_Wald_Vermummt.jpg

Opgedragen aan Def Jam (Rick Rubin & Russell Simmons) en ‘Renaldo & Clara’.

1.

“"I need a radio inside my head", zei Kate Moss (in een blauw niemendalletje)."Vanop een redelijke afstand lijk je op Kate Moss”, zei Zazie, haar beste vriendin. Zo werd me verteld, zonder dat me evenwel bewijsmateriaal werd overhandigd.”

“Veertig jaar geleden nu wandel ik in een Luxemburgs bos of lig ik, dat is ook heel goed mogelijk, neer tussen of onder varens en braam. Opgelet voor de tekens, hoor ik Zazie nog roepen.”

“Je zag me nooit in een rode Cadillac, geeft maar toe, maar hoe je op me geilde in mijn wit linnen pak in Firenze gekocht, zonder een cent op zak. Een voorschot met hasjiesj als rente.”

“Aldaar, in Albergo Firenze, een wat wordt genoemd luizig hotel, geen al te grote en schone kleerkast, een kleine houten notenhouten tafel en een watermanpen om Dante’s grote voeten te tekenen. Nog niet in het bezit van het wit linnen pak.”

“In 1970 werd ik in een Germaanse wei wakker met honderd gram Rode Libanon onder m’n slaapzak.  Ik had er pijn in de rug van gekregen. Jongen wat werd ik ziek van dat spul.”

“Weet je nog: de sleutels van onze cel weggegooid, bang voor de nieuwe gestapo? Onze weg naar huis geschooid. Die vreselijke grens over. Door de Duitse nacht. Huiverend van elk geluid, bv. het ademen van koeien. Je huid nog niet leer gelooid door de bleierne zeit."

"Je denkt toch niet dat ik over mezelf ga rijmen. Of ben je gek of wat? Ofwel is het te veel ofwel te weinig. Een rebel, je moet wel dwaas zijn, een rebel in een beschaving waar iedereen zegt, ik ben ik, aan mij valt niets te schaven."

“Ach zo, Zazie, wat doen ze dan met hun billen en borsten en buiken en kinnen en schaamlippen en…”

“Wat maakt het allemaal uit! Drink beter tequila als een Alfredo Garcia.  Drink absint als Van Gogh en August Strindberg. Drink whisky als Warren Oates. Maar fuck al die andere shit. Vroeger was je misschien wit. Nu ben je zwart als de Borinage in de ogen van de jonge Van Gogh en schrik je in je spiegel van een vleeurmuisneus. Nu schrik je van je naamval. Nu schrik je van een apenfamilie op je rug. A tight unit, dat wel. Drink beter Jägermeister in botervlootjes  met op de onderzijde het stempel van Meissenporcelein, mijn liefste.”

“Terminator”, zegt ze. “Ik word al spoedig een Terminator, gonna clean up this town, Pussycat, al die lavabogestapo’s ga ik de keel oversnijden.”

Saint_Anastasia_of_Sirmium.jpg

2.

“Verschil je van een reptiel,  op dit moment dat twee uur duurt, op dit moment waarop je  zomaar in het wilde weg een vrouw in scharlaken wilt kussen, alleen maar om te kussen. Wie ben je als je staat te wachten in een druk of verlaten station. Te wachten op een trein naar Frankfurt, Bradbury,  Bombay, een trein naar Trst. Wie ben je als je zegt, "ik word nooit oud, ik heb daar het vel niet voor"? Wie ben je eigenlijk, Martin Pulaski?  Wat doe je met je ziel, wat doe je met je leven? Als je vrienden sterven, als je vrienden weggaan voor goed, of op bedevaart naar graven van geplagieerde schrijvers en leeggezogen muzikanten. (Bidden doen ze niet, wees maar gerust.)”

(Het was een dag dat het voor altijd regende. Een dag van de triffids. Van de bodysnatchers.)

“Ooit was er een tijd toen je je zo fijn kleedde. Een kort jurkje, een doorkijkbloes. Begeerde je alleen haar kleine borsten, haar roze lippen? Zij was goed opgevoed. Spuwde niet op de grond maar in je gezicht. Zo verwarrend, jongen, dat je de persoonsvormen vergat. "Ben ik Shaft?", zei je? "Dirty Harry?" "Ben ik Captain America, Julien Sorel"? Of gewoon een bankbediende met je haar geknipt, een scheiding aan de linkerzijde?”

“Je vader was in het verzet, zat in een kamp in Oostenrijk, een boerderij waar veel gelachen werd. Over de donkere grens."

“In Duitsland vond ik mijn vrouwen en dichters, Margareta von Trotta, Rainer Werner, Rilke, Angela Winkler, Drafi Deutscher en al de anderen. Ik wil zo weinig mogelijk namen noemen in een gedicht. In een gedicht over onder andere mijn aangezicht.  Dat ik bijvoorbeeld van Umbrië houd, zeg ik niet eens.”

“Je bent eenvoud. Een punk met drie akkoorden & the truth.  Een mogelijke dief, avonturier, dichter, cracker, iemand die bij Financiën werkt, of subsidies toekent aan mannen met revolvers en zieke kinderen in winderige steden aan zee, bijvoorbeeld in Trst, waar iedereen alles vergeet altijd. Je hebt de champagne en het feest begint. Iedereen heeft respect voor je. Anders slaan je wilde jongens je wel op je smoel. Niet letterlijk natuurlijk (en het zijn ook geen wilde jongens. Ze zijn goed opgevoed. Gingen naar de beste scholen.)”

“Je roept namen om. Je kunt het niet laten, aan omroepen verslaafde. Robert Musil, Van Zandt, Umberto D., Lighntin’ Hopkins, Robert Guidry, Rainer Ptaceck, Grimm, Max Beckmann, Jacques Vaché, Lucia Bosé, Lord Byron. Je bent nauwelijks wantrouwig  jegens wie je omroept. Als ze maar Jägermeister drinken. Een goedgelovige omroeper, een punk ben je. Je kent maar enige beroepen en eigennamen die iets betekenen. Schippers, zwaardvechters, glasblazers, galeiboven (die kunnen ontsnappen), Michel Simons, Barbara Lodens, Brandon DeWildes, Anastasia’s van Sirmium.”

“De mensen zien je dronken en zeggen: “Hij is weer zat.”  Ze zien niet dat je weder opstaat. Nadat je vuistslagen krijgt van engelen op zoek naar geld voor crack. Ze zien niet dat je weer opstaat en terugkeert naar je leeg landschap, niets dan zand met in de verte een mysterieuze wachttoren. Altijd komen uit de poort, komen over de valbrug twee pratende blauwe vrouwen in niets onthullende brokaten gewaden gehuld. Wat had je anders verwacht?”

dirty harry.jpg

 

*Nieuwe versie van: REBEL WITHOUT A PAUSE : ZELFPORTRET ZONDER ZELF (27-02-09)

...

Foto's:
1. Angela Winkler
2. Anastasia van Sirmium
3. Dirty Harry 

02-08-13

HUID VAN DE WERELD

anselm kiefer hamburger bahnhof.jpg

Vandaag ging het van laag naar hoog, of was het omgekeerd? Stemmingswisselingen… Eerst, nog voor zonsopgang, heb ik van Anselm Kiefers loden boeken de betekenis achterhaald. Of op zijn minst een van hun betekenissen.

De loden boeken zijn er om in de toekomst te worden gelezen: tussen hun pagina’s zitten foto’s van de huid van de wereld. De huid van de wereld vanop een redelijke hoogte aanschouwd. De klassieke fotograaf die vanuit zijn raam foto’s maakt van de passanten is geheel voorbijgestreefd, en tegelijk is Kiefers manier van naar de wereld kijken daar een metamorfose van. Vreemd dat Schopenhauer reeds de wonden en de littekens en de uitslag (schurft, pokken, pestbuilen) van de wereld, van de aarde zag: dat waren de mensen. Keek Schopenhauer door de ogen van Anselm Kiefer of is het toch vice versa? Lood is een buigzaam en corrosiebestendig materiaal. De foto’s van de huid van de aarde zitten veilig opgeborgen in de loden boeken. Maar langdurige blootstelling aan lood veroorzaakt wel dementie. De lezers van de loden boeken zullen beschermende kleding moeten dragen. Ik stel me ze als Buzz Aldrin en Neil Armstrong voor: veel verder reikt mijn verbeelding in dit opzicht niet.

Daarna heb ik een ‘geheim’ van Hölderlin en Nietzsche ontsluierd. Geheim – met daarin ‘heim’, het Limburgse en Duitse woord voor ‘huis’. We kennen in het Nederlands ook nog ‘heem’ en ‘heimwee’ en heel wat samenstellingen met ‘-heem’ en ‘hem’, vooral plaatsnamen.

Je bent thuis waar je woont, in wat je bekend en vertrouwd is, én in den vreemde. Je kunt het ook ‘het vreemde’, het ‘onbekende’ noemen. ‘Het vreemde’ is tegelijk datgene wat je in je armen sluit en een veld vol dode mensen.

Anselm Kiefer, Hölderlin, Nietzsche, daarna Tim Buckleys ‘Blue Afternoon’ en dan is alles goed. Zoals het moet zijn. Huid van de wereld en melancholie. Naast me de slapende vrouw die ik ken en niet ken.

Excentrieke mensen leven langer, las ik vandaag. Dan maar hopen dat ik erg excentriek ben. Maar wat is dat eigenlijk, excentriek?

Het is goed Antwerpen lief te hebben en gelijktijdig de stompzinnigheid van deze stad te haten. De snordragende burgemeester met zijn Rubensobsessie en de sigarenrokende schepenen en magistraten.  Symbolen van een volledig achterhaalde, bijna 19de-eeuwse burgerlijkheid. Gelukkig heb je toch toch ook altijd de anderen, zoals Luk Perceval. Ze hoeven niet eens excentriek te zijn. Hij kent me niet en ik hem ook niet maar ik heb desondanks het gevoel dat ik veel met hem gemeen heb. Tsjechov schrijft over Rusland. Voor Perceval ligt dat in Vlaanderen, en dat klopt. Het vreemde is tegelijk datgene wat je in je armen sluit en een veld vol doden.

Alle stekelige mensen zullen binnenkort deze stad moeten ontvluchten, of zich te pletter zuipen, of zich in vuile wc’s vol spuiten met het gif dat uit de corrupte haven komt. Dat is het lot dat ons te wachten staat, ons stekelige en excentrieke mensen. Of kan het tij van haat en angst voor het andere en van conformisme worden gekeerd?


Tot hier een – bijgeschaafde - dagboeknotitie van 1 februari 1991. Vijf maanden later zou ik naar Brussel verhuizen, waar ik nu nog altijd met enige tegenzin woon. Ik zal me wel altijd en overal een banneling voelen.


...

Foto: loden boeken van Anselm Kiefer in het Hamburger Bahnhof in Berlijn, 16 augustus 2008. Foto: Martin Pulaski. 

01-08-13

MOMENTEN VAN VRIENDSCHAP

PARIJSBISTROT.jpg

Tussen hittegolven, onweders, opwellingen die beter niet op zouden wellen maar wat doe je eraan, spiritistische séances op facebook en andere evenementen door lees ik in een bijzonder origineel boek over – voornamelijk Amerikaanse - fotografie:  ‘The Ongoing Moment’ van Geoff Dyer.

Ik wil er nu het zo warm is graag iets uit citeren, niet over fotografie, maar over vriendschap, ook al omdat het verhaal ‘Storm’ daarover handelt.  Of Dyers bewering klopt weet ik niet, maar ik vind ze op zijn minst treffend:

“At a certain point friendships arrive at a balance between memories of shared times and the beckoning future. They begin to unravel with the tacit awareness that the store of memories exceeds any that will be generated in the future. This can be followed by a realization that the friendship is all memory-based, when there is nothing but memory, and that in order to protect these memories it is best to call a halt. This is why there is often a feeling of considerable satisfaction in knowing that a friendship is effectively over.”


...

Foto: in Parijs, circa 1996. Foto gemaakt door de uitbater van Au Bon Coin.