31-05-13

CONFIDENCE TO KILL

valeria-bruni-tedeschi4.jpg

Valeria Bruni Tedeschi

Lange zenuwslopende omzwervingen in een labyrint van onderaardse gangen, tunnels.  Het lijkt op een bijzonder ingewikkeld metrosysteem dat soms ook aan catacomben doet denken. De stad boven de grond, die immens moet zijn, heet Tir-Le-Mont. Ik loop in het voetspoor van Valeria, een mooie, fascinerende vrouw. Ze is aan het werk, een administratieve missie, waarbij ze een zware last moet dragen en op diverse plekken pakjes afleveren. Ze mag haar opdracht geen moment uit het oog verliezen. Ik zou haar elk moment in mijn armen kunnen nemen, omhelzen, kussen, maar haar obsessie voor haar opdracht irriteert me mateloos. Wanneer schenkt ze eindelijk eens wat aandacht aan mij, ik loop toch al uren achter haar aan? Zeven uren, als ik goed geteld heb. Af en toe hoor ik op de achtergrond een gids in gebroken Engels bezoekers op vervallen altaren wijzen, waar de heilige Agata, de heilige Lucìa en de heilige Paulus hebben gebeden of gepredikt.


Valeria maakt me een verwijt over een zwaar gewicht dat ze torsen moet. Het is niet duidelijk wat het is, een bronzen borstbeeld vermoed ik. Waarom help ik haar niet even? Zie ik dan niet hoe ze gebukt gaat onder haar last? Denk ik alleen maar aan mezelf? Ik besef dat ik inderdaad voornamelijk aan plezier denk. Plezier met deze mooie, lastige vrouw (die nooit van plezier of genot lijkt te hebben gehoord). Ik wil graag met haar gaan eten - verderop in de stad is er feest, met culinaire hapjes - en drinken en dansen, en dingen doen die ik me nauwelijks durf voorstellen. Stel je voor dat ik er haar iets over zou zeggen, hoe boos zou ze dan wel niet zijn. Zou ze mij dan niet helemaal als een egoïst zien en voor goed wegsturen? Ik besluit haar te helpen met het dragen van dat zware voorwerp.

We overnachten in een luxueus hotel, ergens boven de grond. Er gebeurt helemaal niets tussen ons in Tir-Le-Mont. Ik wil alleen maar slapen in het heerlijke bed in de elegante kamer die, hoewel groot, als een cocon is. Maar ik lig wakker. Rudolf Ebenezer, de eigenaar van het hotel, lijkt er ’s morgens van overtuigd dat ik een verkwikkende nachtrust heb gehad. Ik weet niet goed wat te zeggen, wil niet liegen, maar wil hem ook niet teleurstellen. Ik zeg dat ik nauwelijks een oog heb dichtgedaan, dat zijn hotelkamer daar echter voor niets tussen zit. Het zijn de gedachten in mijn hoofd, die mij maar niet met rust willen laten, zeg ik. Hij begrijpt het, zegt hij, en hij heeft er ook een verklaring en misschien zelfs een remedie voor. Maar dan zwijgt hij en ik kom helemaal niets te weten. We moeten weer vertrekken, voor het vervolg van de mysterieuze administratieve opdracht in het ondergrondse gangensysteem.

Nog steeds irriteert Valeria mij, die nochtans met de minuut aantrekkelijker, sensueler wordt. Wat bezielt haar toch? Beseft ze dan niet hoe ik naar haar verlang?  Wellicht niet. Weer eindeloze tochten door de soms donkere, soms helderverlichte gangen. Weer talloze bezoekers die allemaal op elkaar lijken, weer gidsen die heiligenlevens uit de doeken doen en verkleurde ikonen belichten met hun te zwakke zaklantaarns.

Op een kruispunt, daar waar veel gangen uitgeven op een centrale plek, hoor ik ‘Confidence To Kill’ van Mink DeVille weerklinken. Het lijkt of de muziek ergens diep binnen in mij ontstaat, in mijn hart, in mijn schuldige ziel. De venijnige muziek zwelt aan, overweldigt me, vervult me met hartstocht en zelfvertrouwen. Ik voel me buitengewoon sterk worden. Uit de lichte en de donkere gangen komen mannen op me toegestapt, de meesten in leder gehuld, macho’s, een beetje in de stijl van ‘The Wanderers’. Ze zijn extreem gevaarlijk. Maar ik heb confidence to kill. Een voor een sla ik ze tegen de grond. Niet een van hen kan zijn lot ontlopen. Mijn geweld lijkt op een wervelwind. Mijn lichaam is lenig en licht, mijn spieren sterker dan die van een Muhammad Ali. Het duurt niet eens een minuut eer ik de macho’s stuk voor stuk gevloerd heb. Of ze dood zijn weet ik niet, maar ik vermoed het. En opeens, terwijl ik nog altijd dat lied in mijn diepste wezen hoor, word ik overmeesterd door een mengeling van mateloze gelukzaligheid en schrijnend verdriet. Nu weet ik hoe oneindig veel ik van je houd, zeg ik. Nu pas weet ik het. Weet je het nu ook?

De commentaren zijn gesloten.