10-05-13

HOTELKAMER

2012_11_PORTO_VOLLEDIG 043.JPG
Foto: Martin Pulaski, 2012.


Ik had in Maastricht een hotelkamer gereserveerd in een oud gerenoveerd pand aan de Maas.


Zoals altijd als ik de lobby van een hotel binnenstap aarzel ik, voel ik me ongemakkelijk, vraag ik me af wat ik daar doe.

‘Mijnheer?’ vroeg de jonge vrouw aan de balie.
‘Ik heb een kamer gereserveerd’, zei ik.
‘Een tweepersoonskamer’, voegde ik eraan toe.
‘U wilde graag een houten vloer, toch?’
‘Ja.’
‘Perfect. Wij hebben een kamer met parketvloer.’
‘Met uitzicht op de Maas?’, vroeg mijn gezellin.
‘Had u dat aangevraagd?’
‘Nee’, zei ik.
‘We hebben helaas geen kamers meer vrij met zicht op de Maas, maar u hebt een mooie, ruime kamer aan de achterkant waar het veel rustiger is. Op de derde verdieping, met uitzicht op de daken van Maastricht.’
‘Een mooi uitzicht?’, vroeg mijn gezellin.
‘Ja hoor, en het is een ruime kamer’.

‘Wacht even’, zei de jonge vrouw aan de balie, ‘er is iets mis met die kamer.’
‘De nieuwe flatscreentelevisie is vorige nacht van de muur gevallen. Ik weet niet of dat al opgeruimd is. Wilt u graag tv op de kamer?’
‘Nee, wij kijken geen tv’, zei ik.
‘Goed dan.’
‘Maar wanneer komen ze die brokstukken weghalen’, vroeg mijn gezellin.
‘Ik zal het even vragen aan iemand van het personeel.’
(…)
‘Dat zal deze middag gebeuren.’
‘Ja, maar dan zijn wij op de kamer’, zei mijn gezellin.
‘Maar misschien zijn jullie dan wel weer weg’.
‘Dat lijkt me toch geen goed idee’, zei mijn gezellin.
‘Wacht even, ik heb nog een kamer op de tweede verdieping. Dat is een heel luxueuze kamer.’
‘En het uitzicht dan?’ vroeg mijn gezellin.
‘Ook een mooi uitzicht, op de appartementen aan de achterkant. Heel rustig en heel luxueus.’
‘Goed dan nemen we die’, zei ik.


‘What a dump’, zei mijn levensgezellin toen we de kamer betraden.
‘Mooi toch’, zei ik.
‘We hebben uitzicht op een afvalcontainer,’ zei ze.
‘Nu je het zegt. Maar dan moet je wel naar beneden kijken. Dat doe je toch zelden?’, zei ik.
‘De spiegel hangt verkeerd, omogelijk om daar in te kijken’, zei ze.
‘Ach, we zijn hier maar een nacht,’ zei ik.
‘De douche heeft geen deur, het water loopt zomaar de badkamer in,’ zei ze.
‘Is dat niet normaal in Nederland?’, zei ik.
‘En de kamer is ruim,’ zei ik.
‘Vind je,’ zei ze.
‘Een stijlvol bed toch’, zei ik.
‘Komt waarschijnlijk van het Leger Des Heils,’ zei ze.

Nog voor we de volgende ochtend onze kamer verlieten was de spiegel van de muur gevallen, de badkamer ondergelopen en had ik mijn hoofd twee keer tot bloedens toe gestoten aan een van de glazen designblinden. Gelukkig was het water koud geweest, zodat we geen douche hadden kunnen nemen, zodat het hele hotel niet was weggespoeld en meegesleurd door de sterke stroming van de Maas. Woelig en grauw door de hevige wind die ’s nachts was gaan waaien, en de genadeloze regen die elk spoor van leven van de straten had geveegd.


De commentaren zijn gesloten.