30-08-12

NAMEN

P1070355.JPG

Samber en Maas. Foto: Martin Pulaski.

Een paar weken geleden ging ik in de stad Namen op zoek naar mijn jeugd. Of het nu bewust was of onbewust, dat weet ik niet meer. Alsof ik in een ver land was aangekomen, in een grote, onoverzichtelijke stad, begaf ik me van het station meteen naar de toeristische informatie voor een plattegrond. De charmante dame in de kiosk hoorde dat ik néerlandophone ben, ondanks mijn Franse of Limburgse R. Mijn eerste teleurstelling. Tot mijn verbazing vroeg ik haar de weg naar het Musée Félicien Rops, waar ik helemaal niet naartoe wilde.

De gezellige straten en stegen in de oude stad konden mij niet bekoren. Op de terrassen van de cafés en de restaurants zaten vrolijke mensen, waardoor mijn latent gevoel van eenzaamheid helemaal doorbrak. In een zijstraat at ik gauw een wat bedorven ‘siciliaanse spaghetti’ en dronk een glas zure wijn, terwijl ik toch een levensgenieter ben. De twee kelners zagen er als middelgrote criminelen uit. Wat later liep ik, een beetje misselijk geworden, onder een blote vrouw met een varken door. Alle wegen in Namen leiden naar Félicien Rops. Ik had zijn museum blindelings gevonden. Is er dan niets anders te zien in die stad? Ik maakte me gauw uit de voeten. Hoe ouder ik word hoe minder zin ik heb om musea binnen te stappen. Ik zwerf liever in parken rond, in doolhoven, in kruidtuinen en op kerkhoven. Soms bezoek ik al eens een kerk. De jongere in mij zou er tegen spuwen. De oudere komt er tot rust. Als er geen andere toeristen rondhangen.

Nogmaals, ik meende mij te herinneren dat je in Namen kon verdwalen. Dat is natuurlijk niet zo. Na een tweetal minuten lopen bereikte ik de oever van een rivier; de Maas dacht ik. Zo smal, wat een teleurstelling. De tweede. Maar ondanks mijn suffe kop besefte ik al gauw dat ik langs de oever van de Samber liep. Ik stapte door tot ik de plek bereikte waar Samber en Maas samenvloeien. De Maas, Mosa, heilige rivier, rivier van mijn kinderjaren. Hoe vaak had ik er niet, gezeten op het voordek van de aak van mijn ouders, gedagdroomd, gefantaseerd over verre streken, avontuurlijke reizen. Wat mij daar omgaf als kind, al dat water, die lokkende oevers, de hoge heuvels, dat was op zichzelf al een verre streek; het varen was een avontuurlijke reis door een paradijselijke omgeving. De Maas die ik nu ontwaarde, hoewel veel breder dan de Samber, was echter een andere rivier, een rivier zonder betovering, een rivier die je niet tot dagdromen aanspoorde. De hoge bergen waren lage heuvels, het water had niet die mysterieuze geur van in mijn kinderjaren, de schepen leken alleen maar op schepen, transportmiddelen die vrachten van de ene naar de andere plek vervoerden. Ik maakte vlug enkele foto’s, hopend dat ik thuis alsnog iets ‘dieps’ zou ervaren, en keerde terug naar het station.

In de trein naar Brussel las ik nog wat in ‘Marcel Proust’s Search For Lost Time – A Reader’s Guide to The Remembrance Of Things Past’ van Patrick Alexander. Ik was net aan het hoofdstuk ‘Time Regained’ gekomen. In de buurt van Luik-Guillemins las ik het volgende:
“The somber tone of disillusion and world-weariness that pervaded The Fugitive continues in this final volume, and Marcel’s sense of failure and futility is relieved only in the concluding pages. Even the cherished sights of his childhood in Combray depress him. “I was distressed to see how little I relived my early years. I found the Vivonne narrow and ugly alongside the towpath.” The loss of the sense of wonder that the walks along the Vivonne once inspired reinforced his conviction that he will never become a writer, that his imagination has faded and he has nothing to say.”

Depressie is wat mij betreft geen Marcel Proust-woord. Ik ging het opzoeken in mijn Pléiade-uitgave. Na wat bladeren vond ik op pagina 693 van volume 3 het volgende:

“Mais ce qui me frappa le plus, ce fut combien peu, pendant ce séjour, je revécus mes années d’autrefois, désirai peu revoir Combrai, trouvai mince et laide la Vivonne.” Er spreekt dezelfde ontgoocheling uit als die van mij toen ik de Maas in Namen terugzag. Maar net zo min als Proust de Vivonne maakte de Maas me depressief. Ik zag dat het zo was en niet anders. De jongere ik in mij was verloren gelopen. 

27-08-12

MAASTRICHT

 

Met een zware vracht
in mijn verraderlijk hart
uit regengebied terug.

Taal van mijn vader
die ik in die dagen
niet horen wilde.

Kerken zo oud
als de tijd daar
die ik niet betrad.

Water van de stroom
waarin ik niet ging 
verdrinken.

Spreeuwen in de wei-
landen die ik er voor altijd
achterlaat.


21-08-12

STOCKHOLM ii

 

P1060660.JPG
Stockholm, juni 2012.


Bij mijn tekst over Stockholm (of liever over een vergeten Stockholm) scheef Bernard het volgende:

“Ik las deze tekst enkele weken geleden, en ik wist niet zo goed wat er mee te doen. Denk ik daarover hetzelfde als jij? Moet men alle vorige steden vergeten om in een stad te kunnen leven? Ik denk dat je gelijk hebt. Hoe meer steden men ziet, hoe meer je merkt dat ze op elkaar lijken. Het komt er dus op neer de 'illusie van het nieuwe' te koesteren, een soort van zelfbedrog, opdat men van een nieuwe stad kan genieten. Ik ga hier niet het lijstje herhalen dat je zo mooi weergeeft: gebouwen, trams, bedelaars, kerken, cafés, etc. Elke stad gaat meer en meer op alle vorige lijken. Ik denk ook aan een aforisme van Nietzsche, waarin hij zegt dat de last, de ballast van de eeuwen en eeuwen te groot geworden is om nog echt gefascineerd te zijn door het 'nieuwe' Vandaar de nood - dat zeg ik - van zelfillusie, het vergeten van het verleden, de eindeloze reeks van steden die men gezien heeft.”

Mijn antwoord:

Bernard, ik weet niet of we er hetzelfde over denken. Ik weet ook niet of alle steden op elkaar gaan lijken. Natuurlijk treffen we overal dezelfde merken, trends en popmuziek aan. Maar er zijn ook altijd verschillen, de mensen zien er een beetje anders uit, hun gebaren verschillen van de ‘onze’, ze spreken andere talen. Wat mij betreft heeft het vergeten met heimwee te maken, en tegelijk met zwerven, je nergens kunnen hechten, je nergens thuisvoelen. Om die reden voel je je al gauw op veel plaatsen thuis. Je hecht je aan al die dingen die ik in mijn tekst opsomde en aan nog veel andere. Als je weer thuiskomt moet je die plaatsen vergeten, zoniet ben je de hele tijd ongelukkig, zit je met dat heimwee naar die andere plaatsen. Alleen al de namen van sommige steden kunnen je ernaar doen hunkeren (wat Proust zo mooi en juist heeft beschreven). Je moet vergeten en jezelf ervan overtuigen dat de plaats waar je woont mooi is, je moet er de positieve kanten van bekijken, de mensen zijn er zo slecht nog niet, de sociale voorzieningen, et cetera, vallen er best mee… Bij mij heeft het daarom heel veel met overleven in mijn eigen stad te maken. Als ik voortdurend opgezadeld zit met beelden van, herinneringen aan New Orleans, Arles, Cadiz, Porto, Berlijn, New York, Essaouira, noem maar op, kan ik hier niet meer leven. Vroeger was ik daar erg radicaal in: ik maakte geen foto’s als ik reisde. De illusie waar jij het over hebt heeft dus met de stad waarin ik leef te maken, en niet zozeer met de schrik dat een volgende stad die ik zal bezoeken er als een vorige uit zal zien.

Mijn korte tekst drukt – niet expliciet – nog iets anders uit: de huivering die het besef dat je al zoveel bent vergeten teweeg brengt. De vergetelheid is dus niet alleen maar een illusie om te koesteren, het is het object van wellicht mijn grootste angst, die samenhangt met een diepe angst voor de dood. Maar daar wil ik het nu liever niet over hebben.

 

WOORDEN ZIJN SEKS, ZEI JE ii

Living, Thinking, Looking.jpg




Al een aantal dagen kan ik op mijn weblog niet meer antwoorden op commentaren die bij mijn teksten worden gegeven. Een bizarre situatie: je hebt een blog, je denkt dat die jouw intellectuele eigendom is en dat je ermee kan doen wat je wilt, rekening houdend met een aantal legale en ethische voorwaarden. Mocht hoochiekoochie niet zo populair zijn (dat vermoed ik, afgaande op de teller die hier links in de marge staat) zou ik mijn geluk elders zoeken, maar dat lijkt me nu niet zo’n goed idee.

Voorlopig zal ik mijn replieken en bedenkingen dan maar als ‘nieuwe’ teksten publiek maken, met verwijzing naar de plaatsen waar ze eigenlijk zouden moeten staan. Omslachtig, maar ik vind geen andere oplossing.

Bij “Woorden zijn seks, zei je” schreef ik de volgende bedenking:

"Alles begint met een woord." Dat niemand daar iets tegenin brengt - op een blog - betekent nog niet dat de bewering waar is. Bij Siri Hustvedt las ik heel specifiek over kleuren het volgende: "We feel colors before we can name them. Colors act upon us pre-reflectively. A part of me feels red before I can name red. My cognitive faculties lag behind the color's impact. Standing in a room, I look first at the vase of red tulips because they are red and because they are alive." In: "Living, Thinking, Looking", 2012.

Overigens verdient de uitgever van Siri Hustvedts essaybundel een prijs voor de look van het boek. Mooie layout, gracieus lettertype, heerlijk papier om aan te raken en aan te ruiken.  

19-08-12

WEER IN CADIZ

 

cadiz.jpg
Casa Manteca, Cadiz, februari 2011.

Wat kunnen wij Belgen met zijn allen toch zeuren en klagen. Ja, toegegeven, ik doe dat ook. Maar ik herinner me terwijl ik nog zeur al Cadiz, in de winter en in de zomer, altijd even gracieus, altijd even overweldigend met haar licht en lucht en geuren. In de winter valt er meer regen dan hier, in de zomer is het er warmer. 

Vandaag, denk ik, lijken onze wat kleinere steden er een beetje op; zeker de hitte is even zinsverbijsterend als in Cadiz of in Sanlucar de Barrameda. Dank zij deze hittegolf kunnen wij ons van hier naar daar verplaatsen, zonder aan luchtvervuiling te doen. Als je dan ook nog een fles Manzanilla opentrekt, kouder dan de sneeuw in Alaska, en je eet er wat olijven bij en Iberische ham en worst, en verse boquerones, ben je – al is het maar voor een uur of zo - in de buurt van een paradijs: Casa Manteca in de Barrio de la Viña. Daarom: leve deze verzengende hitte!

16-08-12

VOICEMAIL, PHIL SPECTOR SOUND

 

the_ronettes_.jpg

Door de warmte in deze kamer herinner ik me zo opeens dat P. de voicemail van zijn mobiele telefoon niet kon instellen. Het was laat op een zaterdagavond in de zomer, zeker tien jaar geleden; we waren allemaal dronken en sommigen onder ons ook flink stoned. Geef maar, ik zal het wel doen, zei ik. Een paar dagen later belde ik P. op. Ik hoorde mijn eigen gekke, dronken, euforische stem: dit is het antwoordapparaat van P., hoorde ik, spreek uw boodschap maar in na de bieptoon. Op de achtergrond wat Phil Spector sound, the Ronettes denk ik. Na een tijd stopte ik met bellen.

Jaren later: als ik nu bel hoor ik de stem van een Belgacom-persoon. Wat zou ik graag opnieuw mijn eigen gebral horen! Wat zou ik soms ook graag terugkeren naar die verrukkelijke dagen.  

15-08-12

WOORDEN ZIJN SEKS, ZEI JE

De hemel was niet staalblauw.
De hemel was blauw.
Je lippen waren niet scharlaken
Je lippen waren rood.
Het zilver schitterde niet.
Het zilver was zilver.
De dagen waren niet lang.
De dagen waren niet kort.
De dagen waren dagen.
Niets leek op een bloem.
Alleen bloemen leken op bloemen.
Er was geen naderend onheil.
Er was alleen onheil.

Je had niets om het lijf.
Je riep begeerte op.
Lust rijmde niet op rust.
Lust was in een andere taal.
Versta je?

Niemand verbaasde zich ergens over.
Alles was zoals het was.
Geen gedoe.
Geen drukte.
Omdat er woorden waren.

Je zei, dit is een woord.
Het begint met een woord, zei je.
Begin jij niet met een woord, zei je.
Begin met een woord, zei je.
Woorden zijn seks, zei je.
Ogen is een woord, zei je.
Zilver is goud, zei je.
Nergens is nergens, zei je.
Je bent overal, zei je.



09-08-12

EEN DROOM VAN IAN MCEWAN

ianmcewan2.jpg

Cover van Barnaby Hall.

Ian McEwan is een van mijn uitverkoren romanschrijvers van deze tijd. Ik bezit bijna al zijn boeken en heb ze ook allemaal gelezen; er is een groot verschil tussen boeken bezitten en ze lezen. De voorbije nacht ontmoette ik de schrijver in een bizarre droom. Maar zijn dromen niet altijd bizar? Wees gerust, ik zal niet in details treden. Dromen vertellen is alleen maar interessant voor de verteller, zelden of nooit voor de toehoorder.


Ik kwam met een groep jongeren in een groot en chic Londens hotel terecht. In dromen zijn hotels vaak labyrinten, net zoals in werkelijkheid overigens; dat was in dit geval niet anders. Immense kamers, lange, onduidelijke gangen, vruchteloze zoektochten naar wc of badkamer. Tot mijn grote vreugde belandde ik in een salon waar Ian McEwan op me zat te wachten. Ik zei hem wat ik hierboven al schreef. Hoeveel boeken heb je van me gelezen, vroeg hij. Allemaal, antwoordde ik. Dat kan niet, zei Ian McEwan. Hoezo dat kan niet, vroeg ik. Omdat je onmogelijk al mijn boeken kunt gelezen hebben, zei hij. Ik heb ze wel allemaal in het Engels gelezen, zei ik. Vervolgens wilde ik hem meedelen wat me zo getroffen had in zijn verhalen en romans. En ik wilde natuurlijk ook bewijzen dat ik ze stuk voor stuk had gelezen. Maar tot mijn ontzetting stelde ik vast dat ik me niet een titel kon herinneren. Niet een! Hoezeer ik me ook inspande, er kwam niets. Tot ik op de titel kwam van zijn allereerste boek, ‘First Love, Last Rites’ een verhalenbundel. Ik vermoed dat ik me die herinnerde vanwege het blote meisje op de cover (van Barnaby Hall). Dat is jeugdwerk, zei de schrijver, het is erg gedateerd. Toch heb ik dank zij die verhalen kennis met je gemaakt, zei ik. Maar ik bleef me schamen omdat de titels van zijn meesterwerken me maar niet te binnen wilden schieten. Toen Ian McEwan de kamer al lang verlaten had herinnerde ik mij opeens ‘Boetekleed’. Maar dat kan toch niet, dacht ik. Ik heb dat in het Engels gelezen. Vervolgens drong ‘De brief in Berlijn’ zich aan me op. Nog zo’n boek dat ik in het Engels had gelezen. Ik weet niet hoe lang ik heb liggen zoeken naar de oorspronkelijke titels. Net als aan de gangen van het hotel leek er geen eind aan te komen.

Kort na het ontwaken realiseerde ik me dat de Nederlandse titels die ik me in mijn droom had herinnerd net degene waren waar ik me destijds zo aan had geërgerd. Waarom maakt een vertaler of uitgever van ‘The Innocent’ ‘De brief in Berlijn’ en van ‘Atonement’ ‘Boetekleed’? Ach, wat maakt het ook allemaal uit. Als de mensen maar gelukkig zijn en als Ian McEwan maar blijft doorgaan met het schrijven van romans die je nooit meer vergeet, zelfs hun titels niet.

 (‘Vergiffenis’ misschien? Of ‘verzoening’? Want op het einde van ‘Atonement’ schrijft Ian McEwan dit: “The problem these fifty-nine years has been this: how can a novelist achieve atonement when, with her absolute power of deciding outcomes, she is also God? There is no one, no entity or higher form that she can appeal to, or be reconciled with, or that can forgive her. There is nothing outside her. In her imagination she has set the limits and the terms. No atonement for God, or novelists, even if they are atheists. It was always an impossible task, and that was precisely the point. The attempt was all.”)

08-08-12

BEACH BOYS IN LOKEREN

 

sunflower.jpg

Sunflower: The Beach Boys in hun gloriedagen.

Gisteren was ik met mijn vriend Eddie bij the Beach Boys in Lokeren. De band is op tournee vanwege zijn vijftigjarig bestaan. De vorige keer dat ik hen zag optreden was tweeënveertig jaar geleden: op 21 december 1970 in zaal Henri Leboeuf van het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel.  Dat is de enige informatie die ik over dat concert heb teruggevonden. Ik herinner me dat ik er hevig door aangegrepen werd en dat ‘Good Vibrations’ een hoogtepunt was. En ik zie Al Jardine nog door de inkomhal lopen. Natuurlijk durfde ik hem niet aanspreken. Er werd flink wat rock gespeeld, dat weet ik ook nog. De band bestond uit Carl Wilson, Dennis Wilson, Al Jardine, Bruce Johnston, Blondie Chaplin en Ricky Fataar. The Beach Boys werden in die dagen als absoluut onhip beschouwd. Alleen al hun naam uitspreken was taboe: je riskeerde uitgesloten te worden uit de kring van ruimdenkende hippies. Ik geloof dat de meeste aanwezigen in zaal Henri Leboeuf Amerikaanse militairen en spionnen waren, en conservatieve, CVP- en PSC-stemmende burgers in maatpak. Nu is dat enigszins anders: iedereen die er iets over te zeggen heeft is van mening dat ‘Pet Sounds’ de beste popplaat allertijden is en dat the Beach Boys zelfs beter waren dan the Beatles.

Voor het concert begon vroeg ik me af of ze in Lokeren even goed zouden zijn als op die lang vervlogen avond. Omdat ik een optimist ben had ik me voorbereid op het ergste. Wat bleek?  The Beach Boys waren op 7 augustus 2012 tegelijk beter en minder goed dan in 1970. Beter omdat er veel meer stemmen te horen waren, en omdat die stemmen nu veel beter klonken, omdat er veel beter gemusiceerd werd en zeker ook omdat Brian Wilson er (enigszins) bij was. Minder goed omdat Carl en Dennis Wilson helaas niet meer onder ons zijn, en omdat Mike Love veel te vaak en te lang de leider van de band mocht spelen. The Beach Boys waren gisteren helemaal echt en tegelijk ook weer niet: op de voorgrond zag je Mike Love, Brian Wilson, Alan Jardine, Bruce Johnston en David Marks; achter hen bevonden zich van de beste popmuzikanten en vocalisten van de wereld. Twee groepen, één geweldige sound. Ik heb zelden live zo mooi veelstemmig horen zingen, en hoegenaamd nooit vals (behalve als Brian zong, maar dat was eigenlijk nog mooier, zeker zijn ‘Sail On Sailor’, waarbij zijn armen aan de vleugels van een zieke vogel deden denken).

Het eerste halfuur heb ik mij nogal geërgerd, vooral omdat de groep zich scheen te gaan beperken tot de meezingers uit de beginperiode (more songs about surfing, hot rod racing & California girls). Mike Love gedroeg zich als de über-Beach Boy, het brein, dé man, een vreselijke Bush-achtige kerel, met een afschuwelijk podiumgedrag – een kerel die helaas nog een uitstekende stem heeft. Na een half uur zweeg Mike Love even en mocht Brian alsnog een liedje zingen (samen met de muzikant die bijna dezelfde falsetto stem heeft als de heel jonge Brian, Jeffrey Foskett heet hij, als ik me niet vergis). Dat was zo bedwelmend mooi: ‘You're So Good To Me’, het hoogtepunt van de show en een van de mooiste muzikale momenten van mijn leven. Ook al omdat het net na het afschuwelijke nieuwe nummer kwam, ‘That’s Why God Created Radio’. God heeft helemaal geen radio geschapen. Het staat niet eens in de bijbel.

Daarna werden wat moeilijkere songs gespeeld en gezongen, zoals ‘Heroes & Villains’,  ‘God Only Knows’, en ‘Woulnd’t It Be Nice’, met veel tempowisselingen, waarbij het publiek uiteraard rumoerig werd: niet simplisties genoeg voor de massa. In weerwil van het getater en het gedoe met mobiele telefoons bleef het toch erg mooi en ontroerend. Je moest je alleen wat meer concentreren. ‘Then She Kissed Me’, gezongen door Alan Jardine, was een ander hoogtepunt. En, net als in 1970, ‘Good Vibrations’, ondanks Mike Love. Zo lang ik kon doen alsof die man er niet echt was klonken the Beach Boys bijna perfect. Ja, op zijn minst even goed als tweeënveertig jaar geleden.

beach-boys-pet-sounds.jpg

 


 

04-08-12

ZERO DE CONDUITE: SLAAP

parsonsgsleepless.jpg

Zéro de conduite is een programma op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 ’s avonds. Heerlijk als je druk bezig bent in de keuken, of bij het aperitief, en later aan tafel! Stem af op 106.7 FM. Je kunt het programma eveneens via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over de radio.


Het samenstellen van deze aflevering van Zéro de conduite met als thema ‘slaap’ en ‘slapen’ heeft me letterlijk slapeloze nachten bezorgd. Je zou denken dat je van slaapliederen in slaap valt; bij mij werken ze kennelijk omgekeerd. Maar gaat het hier wel om slaapliederen? Natuurlijk niet. Het eerste lied, ‘Tossin’ And Turnin’’ van Bobby Lewis, gaat al over de liefde, en hoe die je uit je slaap kan houden. Het tweede klinkt bijna beschuldigend: door jou kan ik niet slapen. Er zijn veel vormen van slapen en niet-slapen. Iedereen kent de uitspraak dat slaap de broer is van de dood. Zo zijn er nogal wat slaapliederen die eigenlijk vermomde doodsliederen en soms, zoals bij ‘Sleeping in The Ground’, doodswensen zijn. Dat laatste is trouwens een thema dat in meerdere populaire songs voorkomt: denken we maar aan “I’d rather see you dead little girl, than to be with another man” (bij Elvis en the Beatles). 

‘Wake Up Little Susie’ lijkt wel een gezongen sociologische studie van de morele normen die in de jaren vijftig voor en door teenagers werden gehanteerd. Wat betekende dat eigenlijk als een jongen en een meisje in de cinema in slaap vielen? ‘Who’s Been Sleeping Here’ van the Rolling Stones gaat uiteraard helemaal niet over slaap maar over seks en jaloezie. Mocht Marcel Proust eenvoudigere zinnen hebben gebouwd had de tekst van hem kunnen zijn. ‘I’m Only Sleeping’ lijkt me over die typische vorm van luiheid te gaan die zich van je meester maakt als je enkele joints hebt gerookt. De traditional (soms toegeschreven aan Lead Belly) ‘Where Did You Sleep Last Night’ is pure horror. ‘I Sleep Alone’ is eenzaamheid en melancholie, niets ongewoons voor Richard Hawley. Het programma wordt afgerond met de hemelse stem van Hope Sandoval, die ons allemaal in slaap wiegt. Veel luisterplezier en slaap lekker!
 

doris duke-i'm a loser front.jpg

 

Tossin’ And Turnin’ – Belltone Records, 1961 – Bobby Lewis
You’re The Reason – Crest Records – Bobby Edwards
Endless Sleep – Endless Sleep (1958) - Jody Reynolds
Wake Up Little Susie – The Everly Brothers (1958) – The Everly Brothers
Sleep – King Records R&B Collection – Little Willie John
If I Could Only Stay Asleep – Crazy Dreams: The Four Star Years – Patsy Cline
Sleepless Nights (Felice & Boudleaux Bryant) – Sleepless Nights – Gram Parsons & Emmylou Harris
Sleepwalk (Santo & Johnny) – All Dressed Up And Smelling Of Strangers – Micah P. Hinson
Sleep Late, My Lady Friend – Aerial Pandemonium Ballet – Harry Nilsson
Who’s Been Sleeping Here – Between The Buttons – The Rolling Stones
I’m Only Sleeping – Revolver (remastered) – The Beatles
Why Are We Sleeping – The Soft Machine 1 – The Soft Machine
Sleeping In The Ground (Sam Myers) – Blind Faith Deluxe Edition – Blind Faith
I Wish I Could Sleep – I’m A Loser – Doris Duke
Endless Sleep – Quiet Please… - Nick Lowe
Sleep Of The Just – King Of America – Elvis Costello
I Go To Sleep (Ray Davies) – The Singles – The Pretenders
Where My Love Lies Asleep – White Light – Gene Clark
I’ll Sleep When I’m Dead – Warren Zevon – Waren Zevon
When You Sleep – Loveless – My Bloody Valentine
Sleeping In Blood City – Miami – The Gun Club
Where Did You Sleep Last Night (Lead Belly) – Unplugged In New York – Nirvana
Talking In My Sleep – Emergency Third Rail Power Trip – Rain Parade
Can I Sleep In Your Arms – To Willie – Phosphorescent (alias Matthew Houck)
I Sleep Alone – Coles Corner – Richard Hawley
Asleep – The World Won’t Listen – The Smiths
Estuary Bed – Born Sandy Devotional – The Triffids
The Sleepy Giant – Leave Your Sleep – Nathalie Merchant
Sleep A Million Years – A Thing Of The Past – Vetiver (met Andy Cabic)
Cursed Sleep – The Letting Go – Bonnie “Prince” Billy
Asleep From Day – Surrender – The Chemical Brothers featuring Hope Sandoval

smiths-asleep.jpg

Research en presentatie: Martin Pulaski

02-08-12

BLOOT

PALERMObis.jpg

De dichter als melancholische levensgenieter. Tijdens een hittegolf in Taormina, op 23 juni 1998. Wat bezielde mij toen? Misschien dacht ik aan 'La piscine' van Jacques Deray, toch een van mijn favoriete films uit de late jaren zestig.

01-08-12

GESCHAAFDE KNIE (reflecties iv)

mythologie,muze,vrouw,jurk,reflectie,kleuren,noorden,rendieren,metamorfose,liefde,verlangen,fotografie,schilderen,knie,rohmer

Cindy Sherman

Wie niet te gehaast voorbijliep ving een glimp op van de muze in haar zijden jurk. Een o zo verfijnd niemendalletje dat ik graag in mijn hand had genomen, want ik denk dat dat ging. De kleuren sloegen alvast die richting in: die van het kleine vurige vuurwerk van weer een zonsondergang (wie zei ooit dat die groots was), van speeksel dat uit elkaar spat in haar laatste lage stralen, van gedoogde handtastelijkheden.

Die zag tevens hoe ze haar knie waste in een witte porseleinen kom, haar alweer geschaafde knie. Haar knie die tot bidden noopt ook al keren de goden zich van ons af, al slapen ze en dromen ze van andere werelden, andere dieren, al zeggen ze zonder dat wij het horen, een muze bestaat niet, een muze is ook maar een dier, met oogjes en pootjes en een hart dat sneller gaat kloppen als de zon schijnt.

Ik droomde van haar, van de muze. Ze was een rendier in het hoge Noorden. We liepen over witte velden, stoom gul uit onze monden spuwend, zij ver voor me uit, ik achter haar aan met mijn camera. Ze was bang voor me, voor onthulling, ik was bang voor wat zou komen, of wat niet zou komen, ik voelde haar hart kloppen, mijn hart kloppen. In haar keel, haar kleine keel, in mijn keel. Ik staakte de achtervolging, ik hield op met rennen. De sneeuwvlokken spatten uiteen in de laatste zonnestralen. Ik werd het rendier, ik rende weg van haar die mij achtervolgde. Ik rende tot ik aan het einde van de wereld kwam. Daar greep ze me bij de hals en liet me niet meer los. Daar beet ze mij mijn oor af. Nu ben je mijn Van Gogh, zei ze. Schilder mij nu maar, een vlucht kraaien boven een gouden veld.