12-04-12

ARCHEOLOGIE VAN DE ONWETENDHEID

Memling mystiek huwlijk (2).jpg

Hans Memling, Het mystiek huwelijk van de Heilige Catharina.

 

O wat duurt dit levenslied lang als ik op je wacht. Lang als het leven van de gevreesde en geliefde vader. Die van mij twintig jaar dood, die van jou levend als de zomerregen. Vertelde ik al hoe hij  in zijn zwarte Consul de smalle wegen bereed nog lang voor de verlichting? Met een dunne sigaret tussen z’n dunne lippen. Een man van die mensheid nog die ondanks loopgraven en vliegende bommen, die ondanks prevelen en knielen voor valse goden niet moe was. Ook niet van blootshoofds op het veld in hete zon te ploegen (sommige mannen en vrouwen met een strooien hoed op, dat wel). Of hoe ze na elke vervelende eredienst biljartten en kaartten, hun bier geel als graan, het schuim zacht als de huid van hun vrouwen?


Was het een wonder dat vrouwen zo zongen en lachten? Ik vergelijk dat maar niet met iets wat van voorbijgaande aard is. Het zou vals klinken, of buitensporig. Zo’n gezang past in geen register. Zoek er maar naar in het Latijn of het slang van San Diego:  er blijft geen spoor van over, niets daar dan overbelichte ruïnes van badhuizen, Korintische zuilen, mean streets, gehuil, moordlust in de ogen, schel hondengeblaf, uitputting. Niets dan prikkeldraad, do not cross, woede, afgunst, woeker en de illusies die weelde levert.

In Brussel stap ik op de trein naar Brugge, maar kom in Tienen aan. Waar mijn vriend J. verbleef voor hij zich aan eeuwig zwijgen overgaf. Onderweg ontmoet ik de man die zijn haar kort liet knippen. Onvermijdelijk op een trein der traagheid die zich van richting vergist. Suikerstad in plaats van die van de mistige dood, van de zingende Memlinc-meisjes. De man die mijn kaartje knipt heeft een vetvlek op zijn kraag. Als hij zich omdraait zie ik een zeepspoor achter zijn oor. Wordt hij daarom doodgeschoten? Nee, dat nog niet, dat nog niet.

O wat duurt dit levenslied kort als je van me weggaat. En kort wat wij tussen begin en einde doen: trappen op en af gaan, ons vasthouden aan zilveren balustrades en dansen op India Song van Marguérite Duras, in zwijgen  erop los dromen, ons elkaars vaderland en moederland herinneren. (Dezelfde regen die op Strawberry Fields viel valt nu op de mijnen van destijds, in de omgeving de mijnwerkers onrustig in hun exotische graven, onmogelijk dat ze denken aan hun vaderland van stof en as, fijn stof dat ik nu inadem, of zijn het vaderdeeltjes die jij zo diep inademt tot je dauwachtige druppels bloed ophoest?) Een neonlicht bar binnenstappen waar de pianist achterover is gevallen van teveel gin-tonic of een beroerte, weten we veel. Het koper klinkt alsof het achterstevoren wordt afgespeeld, wat niet ongewoon was toen ik mij nog tegen de heerschappij van mijn vader verzette: mijn ziel was van koper. Ik weet niet van wat jouw ziel was, nu is ze een merel. Die van mij is een zalm die de Hudson opzwemt richting Central Park, waar engelen nog steeds Give Peace A Chance zingen en Power To The People. In Penn Station – helemaal uit woorden opgetrokken - nemen onze troebele ogen en tintelende handen afscheid, na die zo korte dag.

Gedaan met de lange en de korte duur, met de uren en de dagen, de jaren. Opnieuw in mezelf op zoek naar de verloren tijd gaan. Was dat toen John Sebastian dat lied zong, Oh Darling Be Home Soon? Het lied dat hij maar zingen blijft, en jij die maar niet naar huis komt. En wat te denken van deze tijd van misnoegdheid, wat van deze dagen van dode zalm en stille merel, aan de bomen de bladeren met tegenzin groen?

 

De commentaren zijn gesloten.