15-11-10

GERUCHTEN: NEIL YOUNG, HOESTEN, VERLANGENS, HISTOIRES

 Achter me liggen enkele van mijn uitverkoren boeken: het verzameld werk van Paul Celan, de romans van Cesare Pavese (“Jouw land”), “Al keert het grote zingen niet terug” van Yeats, vertaald door J. Eijkelboom, een mooie naam voor een vertaler, “De dood zal komen en jouw ogen hebben” (gedichten van Cesare Pavese, waarin opgenomen ‘Lavorare Stanca’ wat zoveel betekent als ‘Werken is vermoeiend’), Abelélard’s “Briefwisseling met Héloise”, Dante’s “Het nieuwe leven”, de bekendste stukken van Euripides (in het Nederlands vertaald, ik ben niet echt een geletterd man) en een heel oude uitgave van Herman Gorters “Mei”. De rest staat min of meer alfabetisch boven in mijn grote kamer, waar ik nog zelden kom.  Alleen nog maar om er een boek op de grond te leggen als ik denk dat ik het heb uitgelezen. Of als ik er genoeg van heb. 


Terwijl ik dit schrijf hoor ik de schroeiende gitaar van Neil Young in ‘Sign Of Love’ uit ”Le Noise”. Wat voel ik, want een mens voelt, heeft emoties, wat denk ik, wie ben ik, hoe ben ik? Die schroeiende gitaar is net als bij Neil Young zelf voor mij een uitdrukking van mijn liefde voor jou. Feedback versterkt en verlengt die liefde. Eens de stilte intreedt is er geen liefde meer, is er niets meer. Maar ik ben er gerust in, Neil Young houdt niet op. En hij vergeet niet. In “Le Noise” komt alles wat hij ooit heeft gezongen, verwrongen, vernietigd, gecreëerd, liefgehad, terug. En ook iedereen die hij op zijn weg ontmoette, al was het maar een moment, kom je als luisteraar weer tegen. In elke song zit wel ergens een ‘Cinnamon Girl’ verborgen, niet eens verborgen, gewoonweg aanwezig. Neil Young heeft er zijn tijd voor genomen, zijn avonturen begonnen tenslotte al omstreeks 1965 in de donkere steegjes van Toronto, doodlopende straten waar Rick Danko en Richard Manuel in dezelfde periode liepen te kotsen van de bootleg whisky en al kotsend verlangden naar fatale vrouwen. ‘Love and war’, zingt Neil Young, nu rustig geworden, maar met alle onrust nog aanwezig. Je ziet het in zijn blik in de begeleidende films.
 

Maar ik dwaal af. Ik dacht na over mijn kamer. Ik dacht na over de onrust in mij. Waarom ben ik hier niet tevreden? Waarom wil ik altijd ergens anders zijn dan in deze symbolische baarmoeder? Voor mij staan duizenden vinylplaten, vraag me niet wat er allemaal in die collectie zit. Tien elpees van Al Green, vijftig of zo van Bob Dylan, the Rolling Stones tot ‘Tattoo You’, Joe Simon, ‘Two Steps From the Blues’ van Bobby Blue Bland, en tientallen klassieke langspeelplaten die ik ooit voor enkele forinten in Boedapest kocht. Mijn beste countryplaten komen van bij Louiske in de Hoogstraat in Antwerpen, 80 frank het stuk. Zo heb ik geheel toevallig Townes Van Zandt ontdekt, nog nagenietend van amfetamine en tequila, en van het dansen op punk rock en reggae in de Cinderella. Opeens was er ‘Loretta’,  en ‘No Place To Fall’.

Nu hoor ik Neil Young over diezelfde amfetamine zingen, waarschijnlijk van een betere kwaliteit. “I still couldn’t close my eyes… Then came paranoia…”

 

En opeens had ik een bankrekening. Een kaart waarmee ik mijn wijn kon betalen en andere dingen. En ik was dood voor de wereld. Ik werkte voor het geld, voor het brood. Ik heb het altijd opvallend gevonden dat ‘bread’ in het Engels gelijkstaat aan ‘geld’. Omdat het zo is. En opeens was er geheugenverlies. Mijn familieleden gingen dood. Ik vergat dat ik vrienden had. Soms nam ik een trein of zat in een vliegtuig naar hier of daar. De zon op mijn rug. Het zand. Bergen, de Atlantische Oceaan. In Amerika was ik heel even gelukkig. Ik bevond me in de studio waar Elvis ‘Blue Moon Of Kentucky’ had opgenomen, en waar Howlin’ Wolf en Ike Turner hadden gespeeld. Ik bezocht WDIA. En later stond ik bij de bruine, vuile Mississippi en schreef daar een gedicht voor mijn oude vriend Marc. ’s Avonds, in BB King’s Place, zong ik samen met een man die ik helemaal niet kende hele strofen uit ‘Sad Eyed Lady Of The Lowlands’, een van de mooiste songs ooit gemaakt, vergelijkbaar met Bach. Peter, Steve, John – ik heb zijn naam nooit genoteerd.

 

In Antwerpen werd me een job aangeboden, filiaalhouder van een bankfiliaal. Ik haatte geld, maar uit wanhoop en geldgebrek ging ik er naartoe. De man met wie ik een sollicitatiegesprek had kende me uit de kunstgaleries en het nachtleven. Dit is echt niets voor jou, zei hij. Het zou je dood zijn. Beter arm dan voor een spaarbank te werken. Ik denk dat die man mijn leven heeft gered.

 

Alles wat ik schrijf is waar. Maar het is een lang verhaal. De rest schrijf ik de volgende dagen, weken, maanden, als het maar lang genoeg regent en als er voldoende jenever in huis is. En als ik geen bloed begin te hoesten, zoals de romantische dichters in de 19de eeuw deden. De voorbije dagen ben ik graag dronken geweest, om veel te vergeten maar ook om me veel te herinneren, want als je gedronken hebt komen herinneringen gemakkelijker naar boven, bijna zoals bij Proust als hij over een drempel stapt en een klok hoort luiden van Saint-Martin, of als hij een koekje in zijn thee dopt. Het is niet de madeleine, het is de geur van de thee die het doet. Het is de geur en de smaak van jenever, niet de feedback van Neil Young.  

 

Sinds ik jou ken vertel ik je alles wat ik me nog herinner. Dat doe ik al mijn hele leven lang. Maar sinds ik jou ken probeer ik ook te nuanceren, probeer ik mezelf te zien, niet als een held, of als iemand met een bijzondere gave, maar als een gewone, dronken nuchtere mens. Iemand zoals jij. Droef, en blij, en moedig, en en en. Met een hart verscheurd door liefde, ontgoocheling, verlangen, tristessa, bewondering, verwondering, pijn, genot, het onbekende, de onrust die dat alles teweeg brengt, waardoor je uiteindelijk zwijgt en voor je uitkijkt als een van  die Indianen van hout waar Hank Williams over zong en waar Neil Young zijn inspiratie ging halen, als zijn muze hem even in de steek liet. Dat zou ik niet kunnen. Ik kan niet zonder jou, mijn muze. Als jij er niet bent, is er niets meer. Literatuur is er sowieso al nooit geweest, en ik ken maar drie akkoorden. Kan ik zo door het leven, een oude, egoïstische, genotzuchtige man?

 

En op een mooie dag kwam rock ‘n’ roll. Neil Young, Elvis, Bob Dylan, Bo Diddley, Huilende Wolf, Hank, Jimi, PJ Harvey, Bessie, Wanda Jackson, Sly, Aretha’s jukebox, allemaal op de trein van Curtis Mayfield en dansend op de passen van James Brown. En we dronken bier en aten worstjes en  waren gelukkig, hand in hand. Dicht tegen elkaar op het gras op de grond. De geest was niet dood. De geest leeft. En als we elkaars stem horen of elkaars huid voelen of ruiken daalt de geest in ons neer. De geest die Elvis gek maakte, en Syd Barrett en Big Mama Thornton en Guitar Slim. Een vurige tong is het, zoals die van Patti Smith, die op een zachte manier al onze holtes penetreert om er het lied van de eeuwige vrede te zingen, en onze tegenstellingen met elkaar te verzoenen.

Commentaren

Op de brieven van Abélard en Héloïse na, hebben we gans anders gevulde boekenkasten! 'k Genoot van je recente postjes.

Gepost door: pelgrimpje | 17-11-10

Reageren op dit commentaar

Dank je, pelgrimpje. Toch deze aanvulling (en ik wil niet bluffen hoor). Ik noem hierboven enkel sommige van de boeken op die hier in de eetkamer achter me op de schoorsteen liggen. Op dit ogenblik mijn uitverkoren boeken (maar lang niet allemaal). De meeste van mijn boeken (uitstekende, gewoon goede, en zelfs ronduit slechte) staan per genre boven in mijn werkkamer geklasseerd. Maar ik werk daar weinig - kwestie van gas en elektriciteit te besparen. Ik kan moeilijk geloven dat jij bijvoorbeeld de Bijbel niet bezit, of Ruusbroec misschien, of de Bekentenissen van Augustinus, om er maar enkele te noemen.

Miijn echt uitverkoren boeken zijn eigenlijk: het verzameld werk van Hölderlin, The Waste Land van TS Eliot, A la recherche du perdu en De man zonder eigenschappen. Maar daar is hier geen plaats voor.

Gepost door: martin pulaski | 17-11-10

Reageren op dit commentaar

Nog niet zo lang geleden had ik hierop reed een reactie gepost, maar blijkbaar is ze niet gepubliceerd om één of andere reden. Ik doe dus nog eens een poging.
De bijbel heb ik zeker, in verschillende versies zelfs : Nederlands, Frans, pocket, Chouraqui, de nieuwe bijbelvertaling. Van Van Ruusbroec denk ik niets te bezitten momenteel evenmin als van Augustinus. Heb jij die boeken ook al gelezen? Wat vond je ervan?
Van 'De man zonder eigenschappen' heb ik een affiche gezien laatst in De Bourla. Ik wist niet dat het ook een titel van een boek was.

Gepost door: pelgrimpje | 25-11-10

Reageren op dit commentaar

Die vorige reactie van je heb ik alleszins niet gezien. Het moest trouwens 'A la recherche du temps perdu' zijn. Tijd is belangrijk, en dan vergeet ik hem nog. De bijbel, daar heb ik veel in gelezen. Als jongen, toen ik nog geloofde, in de katholieke vertaling. Sinds 1970 ongeveer bezit ik de Statenbijbel. Heel mooi Nederlands - ook daar heb ik bijzonder veel in gelezen, maar de de afgelopen tien jaar of zo wat minder. De taal van de Statenbijbel heeft zeker ook invloed gehad op de manier waarop ik schrijf.
De Bekentenissen van Augustinus hebben veel indruk op me gemaakt, ook lang geleden. Ik ben ertoe gekomen dat boek te lezen, na het horen van I dreamed I saw Saint-Augustine van Bob Dylan.
Ruusbroec vind ik bijzonder mooi: ik begrijp het natuurlijk niet allemaal, omdat het mystiek is.
Mijn echte bijbel is De man zonder eigenschappen van Robert Musil. Dat lijvig boek (nooit afgewerkt) heeft Guy Cassiers nu voor het theater bewerkt. Helaas heb ik de eerste aflevering niet gezien. Guy Cassiers heeft ook een voortreffelijke theaterbewerking - in vier delen - gemaakt van A la recherche du temps perdu van Proust.

Gepost door: martin pulaski | 25-11-10

Reageren op dit commentaar

De commentaren zijn gesloten.