27-02-10

REIS OP DE VIS


max beckmann reise auf dem fisch 1934

Voor een verpleegster


In een rood schuimende zee zwom hij tegenwinds,
naar nieuwe streken verlangend. Maar
golven ijzig water verlamden zijn longen.
Tot hij op een strand belandde, zijn voeten zeer,
in zijn gedachten niets meer, zin noch betekenis.

Circe was daar. Jij varkenskop, jij donkere vis, zei ze.
Ik eet je met huid en haar. Verslind je zwarte geslacht.
Van je vinnigheid laat ik geen spoor over.
Ik versmacht je met mijn winterse stem, mijn ver-
leidelijk gefluister. IJstijd, gevaarlijk zon. Stasis.

Vluchten was het woord. Vluchten naar mollige oorden.
In zoet, in zuur, in baarmoederwater, zwarter
dan verzonken Atlantis. Tot hij zijn naam hoorde
in het woord van de blauwe vis. De vis riep hem toe,
kom op mijn rug, laten we reizen, tezamen.

Als in een sprookje, een kunstwerk, een bedenksel.
Naar het lichtblauwe, naar de lucht, naar de witheid
van het abstracte waar niets je nog pijnigt.
Naar lichtblauwe ogen in een lichtblauwe lucht,
niet lauw, maar verzengend van liefde en lust.
 

 Afbeelding: Max Beckmann, Reise auf dem Fisch, 1934
 

De commentaren zijn gesloten.