17-02-10

ALSOF WOORDEN GELEGEN MOETEN KOMEN


Alsof woorden, gedichten, gelegen moeten komen. Alsof er een gelegenheid moet zijn om ze aan vast te haken. Alsof gedichten horen bij iets, bij rampen, liefdes, afgronden. Alsof woorden in gedichten niet de barsten tonen, het ontembare, datgene wat nergens kan staan en liggen.

Alsof rood de kleur is van bloed en wijn, en bruin die van brood en vissen, die zich eeuwig vermenigvuldigen. Honger niet meer bestaat. Alleen het rood van de eros, van de erosie, van wat nooit wordt toegelaten in kerken en kloosters. Rood de kleur van de jouwe, van alle troostende lippen.

Alsof rood een kleur is en niet de hitte van het vuur, de hitte waar geen woord, geen kleur voor bestaat. Zodat je moet liegen, een andere wereld uitvinden, waar iedereen  thuis is, en niemand krast met scherpe nagels haar polsen open. Niemand die het voor jou doet. Je polsen, je dikke blauwe aders.

Alsof woorden geen begeerte zijn. Je woorden vormen vormen, maar onvolmaakt, omdat misschien zelfs het volmaakte niet bestaat, maar dan nog minder het woord om te zeggen hoe volmaakt je bent. Terwijl je niets eens volmaakt bent, maar in de buurt komt van wat hij zich ervan voorstellen kan.

Gelukkig niet volmaakt. Want alles wat volmaakt is is overbodig. Een vrouw schrijft onvergetelijke woorden, stopt haar hoofd in een oven – en alles is af. De volmaakte vrouw, denkt ze. Hoe ze zich vergist heeft,  Sylvia Plath. Perfectie bestaat niet. Luister naar the Beatles, altijd hoor je ergens iets wat er niet hoort.

Niets komt gelegen of ongelegen. Wij liggen graag neer op de aarde, als kind al deden we dat graag. Of we gaan met krukken de berg op en vallen en worden weer naar beneden gebracht, zodat voor ons wordt gezorgd. Eindelijk weg uit die donkere sneeuw, dat vreemde, onheilspellende zaad.

Gedichten komen ongelegen. Verklaren ronduit de liefde aan een ambassadrice. Aan een bowling ball. Aan een werkongevallige. Aan een hemelse en duivelse hoer, aan een zwart schaap. Aan het geloof en het ongeloof. Aan god die niet bestaat en aan het einde der tijden. Aan vier woorden van jou. Aan je adem. Aan je geur, je genoegen, aan hoe je staat en loopt en ligt. Aan je genadeloze ongelegenheid.

Gedichten moeten altijd met je liggen. Op het grasveld terwijl de anderen spelen. Op de natte grond, die nazindert van een zomers onweer. Op een kale matras, die iedereen ziek maakt. In een hoek van een stomdronken kroeg. In je armen. Gedichten moeten altijd met je liggen en je in de ogen zien. Omdat je ogen de woorden zijn die de vormen van gedichten vormen.

Commentaren

Martin, ik vind dit buitengewoon mooi en sterk.
Ik denk niet dat ik ooit eerder ‘voelde’ dat een gedicht ‘vroeg’ om voorgedragen te worden. Dit wel, vind ik. Ik las het nu al meerdere keren en dat gevoel blijft en wordt zelfs sterker.
Ik hoop dat je het vroeg of laat zal voordragen. Meermaals. Of dat ikzelf dat, bij 1 of andere gelegenheid, kan en/of mag doen.

Gepost door: Evy | 17-02-10

Reageren op dit commentaar

sterk en zwak De sterkte zit wellicht in de manier waarop het geschreven is, bijna bezeten. Meestal denk ik veel meer na. Hier was ik in de ban van iets of iemand. Helemaal. Ik zou het graag een keer voorlezen, ja. Als ik weer voldoende adem heb.

De zwakte zit onder meer in de verwijzingen naar the Beatles en Sylvia Plaths biografie / gedicht. Het zijn voorbeelden die de andere woorden en beelden ondermijnen.

Gepost door: martin | 21-02-10

Reageren op dit commentaar

De commentaren zijn gesloten.