25-08-08

VEELVULDIG ZIJN DE GEDACHTEN EN DE DINGEN


Dat hij als jongen naar de sterren keek.

Heel vaak als het donker was naar de donkere hemel

Waarin de sterren niet te tellen waren.

Later las hij in een bericht dat er meer sterren waren

Dan zandkorrels op onze ondermaanse stranden.

Hij lachte, hij huilde, hij brulde, toen hij over een brug liep

En dacht dat hij anders was.

Alles was anders en hij was ook weer anders.

Dat ze mij niet in een woord opsluiten, zei hij.

Dat ze mij niet verdingelijken.

Dat ze mij niet verdrinken.

Een uitweg zocht hij niet.

Hij koos wat hij zag en paste in elkaar wat hij had gezien.

Veel dingen vonden een plaats in zijn kosmos.

Dat ze het geen kleine wereld noemen, zei hij.

Dat ze het geen liefdeloze wereld noemen, zei hij.

Dat ze mij niet klein krijgen.

Dat ze mij niet verminken.

In de winter grepen donkere dingen hem naar de keel.

Er was geen maan, geen sterren.

In de zomer het licht, het overbelichte licht op zijn foto’s.

Dat ze niet zeggen dat wij geen gras zijn, zei hij.

Dat ze niet verklaren: wij zijn geen apen.

Dat ze niet zeggen, het is niet goed dat wij weer naar de grond gaan.

Want het is goed dat wij weer naar de grond gaan.

Dat wij weer in de grond gaan.

Het is goed te leven en goed is het te sterven.

De zon komt op in het Oosten, gaat onder in het Westen.

Alles wat wij weten is woord en wederwoord.

Alles wat wij zeggen is gezegde.

Alles wat wij zeggen is begrip.

Alles wat wij zijn is adem.

Nog kijkt hij naar de sterren.

Nog kijkt hij naar de atomen.

Nog maakt hij foto’s van blauwe zetels.

Nog is hij een mens onder de mensen.

Naar het ongebondene keert hij telkens terug

Waar hij zichzelf is, zijn geheimen vindt.

 

 

 

 

De commentaren zijn gesloten.