04-07-08

N'OUBLIE PAS QUE TU VAS MOURIR II


Voor Xavier Beauvois

Van in den beginne had je een gruwelijke dood voor ogen

Nog voor de oorlog, - gewonnen of verloren, - begon.

Je was een boer in een kaartspel toevallig gedeeld

Terwijl droevig een cello het sinaasappelsap begeleidt

In je van groot geld verstoken ochtend.

Je dacht aan Lord Byrons leven, een door god geschapene

Voor ranke vrouwen en het gevecht. Druiven waren

Daardoor alleen nog maar metaforen, symbolen.

Want wilde je niet ontsnappen aan brutale stations

Waar nabij getatoeëerde dealers huizen,

Hun kamers van bloedrood brokaat en Slavische onderwerping?

Was je daar niet al een van de Meden tegen Sardanapulus?

Je ligt wakker, herinnert je een jongen met zonnebloemen

In zijn ogen, de witte huid van crack – en beelden van Hadrianus

Die tot rust komt in Rome, met zijn vele baden.

Je herinnert je daar bedelaars met verlepte rozen

En van oudere toeristen het tandengeknars.

Het is de liefde die je de dood geeft, duistere koningin –

Het zuchten naar je blauwe moeder met haar trofeeën

En haar gedweep met Engelen in het Oosten en het Westen,

Met haar gevolg van junkies in de laatste trein uit Amsterdam.

Het is de liefde die geen liefde is maar wetenschap,

Verlangen naar een andere plaats, ontdekking,

Opengesneden lichamen, hun zachte ledematen

Afgerukt, de inhoud van hun buik, hun warme testikels,

Hun magenta lippen die op kogels bijten en bloeden.

Zo zal het altijd zijn. Je daalt de oude trappen af

van een oude stad en verlaat wat zichtbaar is van de wereld.

Sterker is in jou de oorlog dan elke roes, dan elk genezen.

De oorlog ben jij met een homerische blik in je ogen

En dat je denkt dat er geen pijn is en geen verlossing.

Voorbij zijn de sombere, de blaffende wonden.

  

De commentaren zijn gesloten.