30-05-08

ONBEKENDE GELIEFDE

Als ze zichzelf ontmoeten in zichzelf of uit hun lichaam stappen en zichzelf ontmoeten, ontmaskerd, in een niets, een nergens, een niemand, worden ze dan niet woedend op hun scherven, die liggen te glinsteren in de goot van een of andere vergeten stad en op wat ze zich herinneren van hun schermutselingen met god-weet-wie, allemaal tot grauwe mist herleid in het vervlogene?

Ja, je ziet het alle dagen, ze leggen nieuwe wegen aan naar het coole buiten, het zogezegd bezielende schouwspel aan de einder. Ze willen ontsnappen aan hun verhitte vaderland en moedertaal, aan het melkwit van hun woorden. Naar zeeën en ziekenpaleizen waar de roes hen het hart uit het lijf rukt, want hoe ver ze ook vliegen, hun lijf blijft hun schaduw, de opslagplaats van hun donkerste gebeden en vervloekingen.

Ik stond erbij en raadde het al. Onder hen bevond zich geen wijze uit het Oosten. Geschenken zouden zij mij niet brengen. Voor mijn redding was ik op mezelf aangewezen, op mijn heldere aanwezigheid. Voor mijn fantoompijn bestonden zachte zalven. Daarom, laat mij maar varen, met mijn wonden, waarin ik u verberg, mijn onbekende Geliefde.

De commentaren zijn gesloten.