31-03-08

OH LAZARUS, OH MY LOVER

fantasie,romantiek,hugo claus,dood,familie,schrijven,alfred kubin,dubbelganger,david cronenberg,verbeelding,mythe,paul auster

Soms lijkt het wel alsof je in een parallelle tijd en ruimte leeft. Als je door de straten van je stad loopt heeft het er alle schijn van dat het gedroomde straten zijn in een gedroomde stad. Je bent je eigen schaduw, die zich zo vaak in die andere wereld bevindt. Als je in de spiegel kijkt, vind je dat je veel weg hebt van Claus Patera. Ga je aan je werktafel zitten vloeien er regels uit je pen die je niet als de jouwe herkent. Je gebruikt het woord pen maar weet dat men weet dat je op een toetsenbord schrijft. Je gebruikt het woord pen uit romantische overwegingen. Daar ben je je bewust van, maar niet van wat er ontstaat. De zinnen slapen in jou, dromen in jou en komen vanzelf tevoorschijn, of nee, niet helemaal vanzelf, eerder is het alsof iemand ze toeroept: "laat me je zien, ik wil je bewonderen, ik wil je verafschuwen." Er groeit inderdaad een andere wereld uit je lichaam dat in een andere wereld leeft. Zo kost het geen moeite om te verdwalen. In een oogwenk loop je door de gangen van een glazen zeereus. De geur van grote, veelkleurige vissen dringt door de kieren naar binnen. Tramhaltes vind je niet. En je vraagt  je af hoe je weer thuis zal geraken. Je moest toch nog bij je broer op bezoek? Dan herinner je je, een wonde die opengaat, dat je broer al dood is. Je vader, je moeder. Blijf je door de glazen gangen zwerven? Of waag je een sprong in de diepte?

Soms komt door de kieren van de tijd de wereld waarvan wordt gezegd dat het de echte is de jouwe binnen. Iemand is gestorven. Een groot schrijver die door velen wordt geminacht. Een jonge reus wordt in je wakker. Een die in woede, in razernij losbarst. Woede in de werkelijke wereld, tegen kleine schepsels die wat boven hen uittorent verachten. Tegen afgunstige insecten, opgeblazen van het gif, zoals in een film van David Cronenberg. Wat ook kan is dat je een stem hoort zingen. “Lazarus”, hoor je, “graaf jezelf een graf”. En je hoort, “oh my lover!” Tijdens die momenten valt je wereld samen met de wereld, je schaduw met je lijf en leden, je vrolijkheid met je verdriet, je zinnen met je zin.

28-03-08

O KAPITEIN

 

Hoe minder woorden hoe beter, soms.

Hoe naakter de taal hoe kaler de haat,

Uitgekleed als een bruid op een avond.

Er was eens, zei hij, er was eens…

Ja, er was ja, zei hij, en toen kwam jij

Waarna het aanmonsteren begon.

Want er was eens een schip, zei hij nog,

Een schip met veel zeilen, wit tegen wit,

En op dat schip was een arend,

Een arend van een kapitein, zijn ogen,

Er waren zijn ogen, maar ook zijn mond

In de zon hun glinstering, hun stilte.

De benen stevig op het dek geplant

Waren er, en tevens zag hij de monsters

Als het donker werd ’s nachts in de mast.

Of waren het apen, dat wist hij niet meer.

Want hij lag daar te zoeken naar woorden

En zonder gedachten, zonder verweer.

27-03-08

FILM ALS VLUCHT IN DE WERKELIJKHEID


black sunday


De voorbije dagen heb ik veel films gezien. Wellicht  wilde ik mijn eigen dagelijks leven en mijn existentiële problemen niet onder ogen zien en vluchtte ik daarom weg in fictieve werelden. Maar als dat zo is, waarom koos ik dan voor grotendeels wrede, gewelddadige werelden?

‘Paradise Now’ uit 2005 van de Palestijnse regisseur Abu-Assad vertelt over de laatste dagen van twee jonge zelfmoordterroristen uit Nabloes. De twee jongens worden niet als fanatici getoond, maar als wanhopige mensen, met veel twijfels en zeer weinig zekerheden.  Terwijl een van beiden afziet van de daad, gaat zijn vriend tot het extreme uiterste en blaast zichzelf op in een bus met Israëlische militairen.  Een van de uitspraken van de regisseur: "Cars kill more people in a day than terror has in years, but people are so afraid of terror. We accept the danger from cars, not terror, and yet something always causes terror. We ignore why and focus only on the consequences. To prevent it, we must think about what creates the evil." ‘Paradise Now’ is geen film om lekker bij weg te dromen, om je te helpen ontsnappen, maar hij helpt je wel je veelal kleine problemen te relativeren en laat je – eens te meer – beseffen in welke vreselijke omstandigheden velen onder ons moeten leven.

Onmiddellijk na ‘Paradise Now’ zag ik ‘Mar Adentro’, ook uit 2005, van de Spaans-Chileense regisseur Alejandro Amenábar, bekend van ‘Abre los ojos’ en ‘The Others’.  Javier Bardem is een schitterend acteur, ook hier in de rol van een man die al 28 jaar verlamd in bed ligt en strijd voert tegen de Spaanse overheid: hij eist het recht op om waardig te sterven.  Het is een verhaal over familie, lijden, liefde literatuur, verbeelding en dood en toch geen sentimentele lulkoek. Integendeel, ‘Mar Adentro’ is een klein meesterwerk, schitterend gefotografeerd, vol passie, schoonheid en verdriet, een meesterwerk dat naar de keel grijpt en je ogen opent voor het lot van andere mensen. Ook deze film gaf me geen mogelijkheid om uit de woestijn van de werkelijkheid weg te vluchten. Wat ik vooral besefte was dat ik inzake mededogen zelfs op mijn zevenenvijftigste nog veel heb te leren.

‘Black Sunday’ uit 1977 van John Frankenheimer is een lange, meeslepende thriller met Marthe Keller, Bruce Dern en Robert Shaw. Dern en Keller zijn Palestijnse terroristen die een aanslag voorbereiden op de Amerikaanse Superbowl in Florida, Shaw is de onverschrokken Mossad-agent die hen op de hielen zit. Het plan van de terroristen is om vanuit een luchtschip een reusachtige splinterbom in het midden van de Superbowl te droppen, met duizenden doden als gevolg. De film is bijzonder spannend, en in zekere zin ook profetisch, alleen kunnen – in tegenstelling tot 9/11 - in de film de terroristen op tijd worden ‘uitgeschakeld’. Er is wat mij betreft iets vreemds aan de hand met deze film. Ik zat namelijk tot aan het einde, waar het luchtschip een dreigende schaduw werpt op de Superbowl, mee te leven met de terroristen, voornamelijk door de passie – of is het verbetenheid – die uitgaat van het personage gespeeld door Marthe Keller. Veel minder begrip had ik voor de haat- en wraakgevoelens van de Vietnam-veteraan. Bruce Dern speelt die rol dan ook over-the-top. Als de film gedaan is besef je dat je onbewust hebt zitten verlangen naar de dood van duizenden sportliefhebbers.  Op die manier kom je evenmin in een paradijselijke omgeving terecht. Integendeel: je voelt je schuldig voor je vreemd plezier en moet een ernstig gewetensonderzoek doen.

Van lieverlede heb ik dan maar teruggegrepen naar een oude, stomme film, ‘The General’, van Buster Keaton. Het vreemde is dat ik Buster Keaton de allerbeste komiek ooit vind, maar dat ik nooit met  zijn wederwaardigheden kan lachen. Maar uiteraard is ‘The General’ een mijlpaal in de filmgeschiedenis, en biedt het vrij sentimentele liefdesverhaal (een subplot) enige troost.

Ik zag ook nog de documentaire ‘Patti Smith: Dream Of Life’ van Steven Sebring. Over dat indringend portret van een van de belangrijkste kunstenaars van de twintigste eeuw (en van een stuk van de eenentwintigste) moet ik het echter uitgebreid hebben in een volgend artikel.  De film heeft me alvast gesterkt in mijn voornemen om de literaire marathon in Oostende over de beat generation bij te wonen. Ja, beat, in Oostende, in La Bagatelle, op 29 maart. Come rain or come shine.

26-03-08

HET WEERZINWEKKENDE SPEKTAKEL VAN KERK EN NIEUWE ORDE

hugo claus,guillotine,kerk,katholiek,nieuwe orde,vlaams belang,euthanasie,lezen,boeken,revolutie,sixties,zedenschennis,media,censuur,geschiedenis,tedere anarchisten

Hugo Claus was nog maar net dood of de kardinaals en paters kwamen weer vanonder hun stenen gekropen of trokken zich aan de haren omhoog uit hun met mest gevulde vergeetputten. Ik dacht inderdaad dat het katholieke Vlaanderen al sinds omstreeks 1970 dood en begraven was. Hugo Claus had, dacht ik, in die omwenteling, samen met duizenden andere mensen van goede wil, een belangrijke rol gespeeld. Niet de schreeuw om Leuven Vlaams had veel indruk op me gemaakt, maar wel de veroordeling van Claus wegens zedenschennis omdat - als ik me nog goed herinner - in een van zijn toneelstukken drie naakte mannen de rol van god hadden gespeeld. Ik vond het niet meer dan normaal dat drie naakte mannen de christelijk god vertolkten. Een groot deel van de bevolking had met die veroordeling gelachen, Claus wellicht nog het meest. Ik dacht dat daar de belangrijkste kentering lag. Dat de bevolking vanaf de jaren zeventig niet langer godvruchtig was en niet meer gedwee luisterde naar de paus en de kardinaal. Dat de kerken leegliepen, dat zo goed als niemand nog priester of pastoor wilde worden. Ik dacht dat een nieuwe, geseculariseerde maatschappij was ontstaan.

Inmiddels heb ik begrepen dat de zo verafschuwde kerk waarschijnlijk minder schadelijk was voor het domgehouden, verblinde volk dan de terugkeer van de nationaal-socialistische ideologie. Mannen met megafoons, die haat en intolerantie predikten, die naar uitsluiting verlangden, mannen met lelijke gedachten en hoofden als van gruwelijke, denkbeeldige wezens, mannen uit nachtmerries ontsproten, die onmin zaaiden en wat uit de tijd van de bloemen was ontstaan met veel gretigheid vertrapten. Wat de kerk niet had kunnen doen, deed de nieuwe orde. En de media groeiden en verkondigden de boodschap. De media verkondigen elke boodschap waarvan ze vermoeden dat het de bevolking doet watertanden. Hoger-Lager, het Rad van Fortuin, pedofilie, de tsunami, het Vlaams Belang. Het maakt niet uit: voor de media is het een pot-pourri. De mannen die daar aan de touwtjes trekken zijn cynici. Ze weten dat het afschuwelijke een grote aantrekkingskracht heeft op bijna alle mensen. Ook wij weten dat, omdat we Edgar Allan Poe (‘The Imp Of the Perverse’) hebben gelezen en Baudelaire (‘Une Charogne’) en Rilke (‘Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge’), maar meestal doen we er wat dat betreft het zwijgen toe. We proberen niet over het Vlaams Belang, niet over de haat en het afgrijzen te spreken, omdat we vrezen dat we daar wel eens succes mee zouden kunnen hebben en dat willen we kost wat kost vermijden. Ik dwaal echter af.

Ik had het over de dood gewaande kardinaals en paters en hoe ze vanonder hun stenen komen gekropen. Was die tijd dan niet voorbij? De tijd bijvoorbeeld dat je van je ouders geen ‘slechte’ boeken mocht lezen. Ik dacht dat iedereen nu leest waar hij zin in heeft. Dit is toch de tijd van het absolute laissez-faire? Ik heb alvast het geluk gehad dat ik mocht lezen wat ik wilde. Nooit hebben mijn ouders er een opmerking over gemaakt als ik tot diep in de nacht een roman van Hugo Claus, een verhalenbundel van Remco Campert of essays van Simon Vinkenoog lag te lezen. Zelfs Thoreaus ‘Walden’ werd getolereerd. Ik had een klein kamertje, waar ik tegen de wand een collage had gemaakt van foto’s van the Rolling Stones, the Who, en the Small Faces, en van bloemen en blote meisjes. Dat was in 1967 of 1968. Het zal wel een mooie collage geweest zijn, maar helaas bestaat ze niet meer. Ach, bestaan of niet bestaan is relatief. Want hoeveel waardevolle voorwerpen zijn er al niet vernietigd in laten we zeggen Irak. Om het nog niet over de kinderen te hebben, de zwangere vrouwen, de jonge mannen, de meisjes in bloei…


In de krant van vorige zaterdag las ik in een eerbetoon van Christophe Vekeman aan Hugo Claus dat de schrijver, die toch veel jonger is dan ik, door een familielid bijna werd berispt omdat hij als jongen in Claus’ ‘Het verlangen’ zat te lezen. Je houdt het toch niet voor mogelijk dat iets dergelijks zich nog heeft afgespeeld in onze contreien omstreeks 1984. Zo’n stichtend dorpstafereeltje dat eerder thuis hoort in de tijd van de nu zo bejubelde expo ’58... Nee, het gebeurde in een periode waarvan ik dacht dat iedereen aan de coke, speed, of ten minste cannabis zat, 1984! Toen iedereen tegen de kernraketten betoogde. Toen iedereen politiek bewust was en over ecologie en mensenrechten praatte.

Nu begrijp ik al wat beter hoe het komt dat de nieuwe orde in de jaren ’90 zo populair geworden is. De massa verbiedt graag, sluit graag ‘het andere’ uit. De kerk deed het nog wel bij Christophe Vekeman, maar haar invloed was toch niet meer zo groot. Een andere, ten minste even gevaarlijk kerk, nam haar plaats in. Maar zoals we zagen niet helemaal. Want in diezelfde krant van zaterdag las ik op de voorpagina de titel in vette letters: ‘Katholiek protest tegen euthanasie Hugo Claus.’ Godverdomme! Meestal gebruik ik geen krachttermen, maar nu moet het. Het moet, godverdomme. Schrijvers, kunstenaars, mensen van goede wil, schop die klootzakken toch eens een geweten! Zorg er met wat jullie maken voor dat zij ‘menschen’ worden, broeders en zusters, wereldbewoners.  Laat het niet zover komen dat wij weer guillotines moeten gaan oprichten. Laat het een zachte revolutie worden. Een zachte revolutie hebben we nodig, en tedere anarchisten.

24-03-08

SCHRIJVEN IN EEN BEHOEFTIGE TIJD


“…Indessen dünket mir öfters
Besser zu schlafen, wie so ohne Genossen zu sein,
So zu harren, und was zu tun indes und zu sagen,
Weiss ich nicht, und wozu Dichter in dürftiger Zeit.”
Friedrich Hölderlin, Brot und Wein.

Het schrijven moet vooral uit onszelf komen; als het niet uit een innerlijke noodzaak voortvloeit, betekent het niets. Ben je wel iets waard als je je laat ontmoedigen door gebrek aan succes? Ook al leef je sinds je vijftiende jaar ten dienste van het woord?

Je ‘voelt’ je al miskend sinds omstreeks 1975, dat is al meer dan dertig jaar. Nog erger is de zekerheid dat je uitgesloten en verzwegen wordt.

Je hebt destijds, vanaf je vijftiende, toen de leraren je hadden gezegd dat je een goede pen had, aan heel wat wedstrijden meegedaan, onder eigen naam, en nooit wat gewonnen. Toen je dan op latere leeftijd een verhaal opstuurde onder een gekozen naam, Martin Pulaski, voor een verhalenwedstrijd van De Morgen was je meteen bij de winnaars. Het verhaal werd gepubliceerd in een bundel bij Meulenhoff. Je had inderdaad hard aan dat verhaal gewerkt, maar niet harder dan aan heel wat andere van je vroegere verhalen en gedichten (die alleen in onbekende, onbeminde tijdschriften werden gepubliceerd; met uitzondering van het NVT, daar was je trots op, omdat je in een zelfde nummer stond als Hugo Claus, de eerste Belgische schrijver die je meteen goed vond.)

Het gevoel miskend, uitgesloten, verzwegen te worden vreet een mens geleidelijk aan kapot. Je voelt je almaar waardelozer worden, omdat je je eigen waarde uit het oog verliest en jezelf door de ogen van de anderen bekijkt. Je wordt niet geapprecieerd en trekt daaruit de conclusie dat je niets kunt. Je denkt dat je een dorpsidioot bent, ook al ben je een stedeling. Je gelooft niet dat je iets blijvends kunt maken, iets sterks, iets dat tot de verbeelding van de mensen spreekt. Je bron droogt op. De mensen zeggen: "hij gaat door een diep dal". En zo is het ook, een diep, donker dal. Hetzelfde dal waar de zelfmoordenaars door moeten, voor ze tot de daad overgaan. Impotentie gaat je leven beheersen. Je hebt geen mogelijkheden meer, wil dat zeggen. Er valt niet meer te kiezen. Je hebt geen ‘macht’ meer, en ook geen ‘wil tot macht’. Wil je nog iets? In het begin wilde je succes, wilde je geliefd worden, door zoveel mogelijk mensen. Daardoor werd je afhankelijk van de anderen. En velen waren als roofdieren, maar erger, en profiteerden van je afhankelijkheid en je zwakheid. Zwakken worden altijd het eerst verscheurd. Je ging jezelf als een slachtoffer zien, een lachwekkend iemand. Een mislukkeling. Iemand die uit de annalen van de geschiedenis wordt gewist. (Je verloor uit het oog dat dat met bijna elke mens gebeurt.) Een slachtoffer is gekwetst, diep gewond zelfs. Meermaals lag je bloedend in de goot. Want in je waardeloosheid zocht je het gevaar op. Zoals Montgomery Clift met zijn geschonden aangezicht koppelde je je lot aan alcohol en medicijnen. Je strompelde door de straten van het donkere dal, op zoek naar een goed verlichte plaats waar vreemden je zouden troosten, vrouwen of mannen, dat maakte niet uit. Ja, zij luisterden naar je donker, dronken gebral, en naar je euforische uitvallen, in het Engels, het Frans, je moedertaal. Je moedertaal die je liefhad en haatte. In je moedertaal werd je verzwegen en miskend. In de bars sprak je een nieuw Esperanto, het was het zuchten van je nachtziel, die eigenlijk hoorde te rusten. Want je was lichamelijk zwak, dat had je moeder je al ingeprent toen je nog heel jong was. Je was een zwakke jongen. De vele dokters in je leven hadden dat bevestigd. Je was zwak, je moest rusten. Maar hoe zwakker je werd, hoe sterker je wilde zijn. Je daagde het noodlot uit. Je zei dat je alleen maar wilde genieten. Je dacht dat je een hedonist was, met genot als hoogste goed, als god.

Maar je wist heel goed dat je vluchtte, dat je een ontsnappingsroute zocht, een uitweg uit het dal.
En nu probeer je je diepte te peilen, en kijk je naar boven, naar het licht. Je schrijft nieuwe zinnen en luistert naar nieuwe muziek. Je zwartste zinnen moeten je in staat stellen om het lichtste licht te bereiken. Neen, je wil geen Jan Arends worden, geen Woyzeck, die niet in staat is voor zichzelf op te komen, zelfs geen Biberkopf, die van het ene uiterste naar het andere wordt geslingerd. Maar wat wil je dan eigenlijk, jongen? Ja, wat wil je eigenlijk?

Het schrijven moet vooral uit onszelf komen; als het niet uit een innerlijke noodzaak voortvloeit, betekent het niets. Ben je wel iets waard als je je laat ontmoedigen door gebrek aan succes? Ook al leef je sinds je vijftiende jaar ten dienste van het woord?

21-03-08

"POËZIE, LIEFDE, REVOLUTIE"

hugo claus,bart de wever,phara,piet piryns,cees nooteboom,suzanne holtzer,goedele liekens,china,wim opbrouck,jacques derrida,yves leterme,joelle milquet,frans,vlaams-nationalisme,seks,orgasme,penis,vagina,dood,varia

Gisteravond lag ik uitgezakt op de canapé voor de televisie en overtrad op die manier nog maar eens een van mijn levensregels. Want de tv stond aan. Eerst zag ik de onvermijdelijke Bart De Wever misnoegd in de camera kijken, terwijl hij nog wat krampachtige Vlaams-nationalistische onzin stond te debiteren en met veel arrogantie de hypocrisie en dubbelzinnigheid van zijn partij verkondigde. Ik begrijp nog altijd niet waarom een ‘politicus’ die nauwelijks enige aanhang heeft bij de bevolking zo vaak wordt opgevoerd in de media. Daarna werd aan de hand van straatinterwiews duidelijk gemaakt dat de Franstaligen geen vertrouwen hebben in Yves Leterme. Mijn Frans is tot mijn grote schaamte beneden een aanvaardbaar peil, maar ik heb evenmin vertrouwen in Leterme. Nog een geluk dat de door de Vlaamse media zo gehate Joëlle Milquet toch nog tot de regering toetreedt, om het sociale aspect ervan enigszins te bewaken.

Vervolgens kregen we nog een keer Goedele Liekens in China voorgeschoteld. Als ik Goedele zou heten zou ik zeker mijn naam veranderen. Dat is toch geen naam voor een seksgodin? Ik ben niet echt wat je noemt een mensenhater, maar op een gegeven ogenblik vond ik, nu is het genoeg geweest, deze ‘dame’ verdient’ de guillotine. Over die guillotine was ze overigens zelf begonnen. Goedele Liekens lijkt ervan uit te gaan dat we hier in het Westen allemaal – mede dank zij haar goede raad – een perfect seksueel leven hebben. Dat de Chinezen het niet de hele tijd over vagina, penis en clitoris hebben maar met enige schroom over seksualiteit praten wijst er op dat die mensen toch wat achterlijk zijn en dat ze alleen maar een verdrietig, fantasieloos in-en-uit kennen. Wat kunnen die Chinezen nog veel van ons leren! Maar lang zal de onwetendheid niet meer duren, de zaligmakende Westerse cultuur dringt snel door in hun dagelijks leven, en weldra is iedereen er volkomen bevredigd, zelfs de vrouwen zullen eindelijk een orgasme beleven. Ik ben geen mensenhater, maar arrogante ‘specialisten’ als Goedele Liekens vind ik bijzonder lachwekkend, vooral als ze in de illusie leven dat ze iets weten. Nog een geluk dat ze de zaken op het einde van het programma een beetje relativeerde.

Lang geleden maakte ik hier een lijst van verwenste en vervloekte ‘bekende Vlamingen’. Wim Opbrouck stond daar ook in, meen ik mij te herinneren. Sinds gisteren moet ik wat dat betreft mijn mening herzien. Wim Opbrouck is een beminnelijk en gecultiveerd man. Waarschijnlijk ergerde ik mij aan zijn alomtegenwoordigheid in de media, en dat is nog altijd zo. Ik begrijp niet waarom zulke prachtkerels als Opbrouck zich zo laten misbruiken. Gisteravond in Lux XL echter heeft hij het omgekeerde gedaan. Hij heeft de televisie gebruikt om wat schoonheid, vooral muziek en stilte, in de huiskamers naar binnen te flitsen.

Veel van de fragmenten die hij gekozen had, hebben me diep geraakt, het meest van al de pianospelende ‘gekken’ Henryk Gorecki en Reinbert De Leeuw, maar ook de kunstenaars Gregor Scheider en Wolf Vostell (ik kende geen van beiden), Leonard Bernstein, Miles Davis en de filmregisseur Henry Jaglom (waar ik vroeger een aantal films van heb gezien, onder meer ‘Can She Bake A Sherry Pie’ met Karen Black). Wat mij het meest ingenomen heeft voor Wim Opbrouck was zijn pleidooi voor stilte. Ik heb hier al meermaals mijn beklag gedaan over de onbeschoftheid van mediatypes die hun gasten niet laten uitspreken, die geen seconde stilte kunnen verdragen. Kort voor zijn dood heeft Jacques Derrida daar nog op gewezen. Nu deed Wim Opbrouck het ook, en dat siert hem zeer.

hugo claus,bart de wever,phara,piet piryns,cees nooteboom,suzanne holtzer,goedele liekens,china,wim opbrouck,jacques derrida,yves leterme,joelle milquet,frans,vlaams-nationalisme,seks,orgasme,penis,vagina,dood,varia

Ik had inmiddels bijna de vorm aangenomen van onze canapé, dus bleef ik maar liggen waar ik lag en keek nog naar Phara, helemaal gewijd aan Hugo Claus. Het was een mooi, respectvol programma met als gasten Cees Nooteboom, Piet Piryns en Suzanne Holtzer, Hugo Claus’ redacteur bij de Bezige Bij. Het leek wel alsof Phara en Lieven van Gils de opmerking van Wim Opbrouck over het laten uitspreken (of zwijgen) van gasten hadden gehoord, want zelden werd een van de drie zeer boeiende genodigden onderbroken. Ik heb zeer gefascineerd naar het gesprek zitten kijken en luisteren. En ik ben ook hevig geschrokken.  Dat kwam door niet meer dan een toeval – maar zoals u weet hecht ik veel belang aan het toeval. Want nu bleek dat de laatste woorden van Hugo Claus waren: “niet buigen!” (in Vlaams dialect: “nie pleuije”). En wat had ik hier op 19 maart meteen na het vernemen van het overlijden van de schrijver genoteerd? “Ga niet met gebogen hoofd in de donkere nacht.” Vreemd, toch. Maar wat ik nogmaals wil benadrukken: dit was een uitstekend gesprek, iets wat je zelden op televisie ziet.

20-03-08

EEN NIEUWE LENTE


i've been away but now i'm back

Ik wens alle lezers van hoochiekoochie een mooie, gezonde en zonnige lente. Lachen, springen en dansen onder een hemel vol diamanten, om the Beatles maar eens te citeren.

19-03-08

VAARWEL, HUGO CLAUS


Vaarwel Hugo Claus, koele minnaar, ga niet met gebogen hoofd in de donkere nacht. Vaarwel, u die mij Dylan Thomas en Antonin Artaud leerde kennnen. Vaarwel, Hugo Claus.

hugo claus - de koele minnaar 2

19:43 Gepost in Boeken | Permalink | Commentaren (2) | Tags: hugo claus, dood |  Facebook

GUESS I'M DUMB: MIJN BEACH BOYS VERHAAL


PET SOUNDS

Opgedragen aan Haruki Murakami, schrijver van het surferverhaal ‘Hanalei Bay’

Ik heb gisteravond zitten luisteren naar de compilatie ‘Pet Projects: The Brian Wilson Productions’ op het onvolprezen Ace-label. Op die cd staat het werkelijk sublieme ‘Guess I’m Dumb’, gezongen door Glenn Campbell en het al even wonderlijke’ Fallin’ In Love’, uitgevoerd door American Spring, een van de mooiste popliedjes die ik ken.

Meteen was het idee bij me opgekomen om eindelijk eens iets over the Beach Boys te schrijven; het verhaal van een blijvende fascinatie. Vandaag echter las ik op Peerke’s  blog twee schitterende artikels over Dennis Wilson, met grote kennis van zaken en veel liefde geschreven. Ik gebruik hier het woord echter omdat  tijdens die lectuur de moed me in de schoenen is gezonken. Ik heb niet het geduld om zo’n doorwrocht stuk te schrijven. Mijn concentratievermogen is dat van een puber; daarin lijk ik wellicht ook een beetje op Dennis Wilson. Het valt mij heel moeilijk om een project af te werken. Zelfs een gedicht beëindig ik zelden. Een roman, wat ik de hoogste vorm van schrijven vind, is voor mij helemaal onbegonnen werk. Want niet alleen heb ik geen geduld, ik heb ook geen verbeelding. Als de verbeelding hier ooit aan de macht komt, moet ik emigreren.

The Beach Boys, dus. Gisteravond dacht ik, ik moet mijn verhaal laten beginnen in de eerste helft van de jaren zestig. Niet het echte begin van the Beach Boys, omdat hun surfmuziek destijds onopgemerkt aan me voorbij is gegaan (later ben ik er wel gaan naar luisteren, natuurlijk).

Ik wilde schrijven hoe ik in de eerste helft van de jaren zestig in de ban was gekomen van de sound van the Beach Boys. De euforische gevoelens die in me opwelden toen ik voor het eerst ‘Help Me Rhonda’ op de transistorradio hoorde, in hetzelfde jaar als ‘Like A Rolling Stone’. Hoe mijn vrienden en ik wild tekeer gingen op ‘Barbara Ann’ (een cover, in 1961 een hit voor The Regents). De kick die ik kreeg elke keer ‘Sloop John B.’, ‘Caroline, No’, ‘Good Vibrations’ en ‘Heroes And Villains’ op Radio London werden gedraaid – en dat was heel vaak.

Ik wilde zeker ook toegeven – want ik wil niet aan persoonlijke geschiedenisvervalsing doen - dat ik niet meteen doorhad dat ‘Pet Sounds’ uit 1966, ik was toen zestien, een absoluut hoogtepunt is in het oeuvre van the Beach Boys en in de popmuziek in het algemeen.

Mijn voorkeur ging eerst naar de elpees ‘Smiley Smile’ (1967), ‘Sunflower’ (1970) en ‘Surf’s Up’ (1971). Pas in het midden van de jaren zeventig was ik helemaal rijp voor de schoonheid van ‘Pet Sounds’. Ik draaide de plaat zo vaak dat ik de teksten allemaal uit het hoofd kende. Die tijd is lang voorbij. Naar teksten luister ik niet langer. Ik hoor alleen nog ritmes en melodieën. Overigens moet ‘Pet Sounds’ het vooral van ritme en melodie hebben. Het genie van Brian Wilson zit in de muziek, in de arrangementen, niet in de teksten. Ach, beste lezer, hoe druk je de unieke schoonheid van die elpee uit in povere woorden? Ik kan het niet, het is zoals het schrijven van een roman: onbegonnen werk. Het enige wat ik kan zeggen is, leg de elpee of cd op en luister en word een andere mens!

Ik wilde het hebben over een van de mooiste avonden in mijn leven, in de winter van 1970, toen ik the Beach Boys live zag optreden in het Paleis voor Schone Kunsten, in Brussel. Mijn toenmalige vriendin en ik, die eruitzagen als hippies en voor de ‘hippe’ Beach Boys waren gekomen en de rest van het publiek dat uit vetkuiven en boerinnen bestond, die voor de surfmuziek kwamen en niet voor de kunst. Ik overdrijf natuurlijk een beetje. Maar alleen maar een beetje. Die verscheurdheid was het grote probleem van the Beach Boys. Op muzikaal gebied waren ze vooruitstrevender dan de meeste andere popgroepen uit die tijd, maar ze hadden een ‘straight’ imago. Hun fans zagen hen als brave strandjongens, en hun platenmaatschappij Capitol bleef hen ook op die manier promoten. Braaf waren ze zeker niet. Ik denk dat geen enkele popmuzikant meer drugs heeft genomen dan Brian en Dennis Wilson. Niet dat dat veel belang heeft. Maar voor de hippies en later voor de punks – met uitzondering van the Ramones, die bijzonder veel van the Beach Boys hebben opgestoken - was dat wel doorslaggevend. Op enkele uitzonderingen na bleven die weg van hun concerten, en ze kochten geen Beach Boys-platen. Gek, want Dennis Wilson was een tijdlang bevriend met Charles Manson, de hippie bij uitstek. (Een vreemd jaar was dat toch, 1969, van onder meer die verweving van het sublieme met het absolute kwaad. Er zijn veel boeken over geschreven en films over gemaakt, daarom ga ik er niet dieper op in. Ook omdat ik te lui ben en dit kort wil houden.)

Ik wilde het hebben over hoe ik overweldigd werd door het nummer ‘Cabin Essence’ op 20/20 en door ‘Surf’s Up’ op de gelijknamige elpee. De tekst van ‘Surf’s Up’ was van de hand van Van Dyke Parks, een James Joyce in popwonderland. Als u ooit de kans ziet om zijn eerste soloplaat, ‘Song Cycle’, te beluisteren, luister dan aandachtig, ook naar de teksten. Brian Wilson en Van Dyke Parks werkten een tijd lang samen en zijn nog steeds bevriend.

Ik wilde verder nog eens keer benadrukken hoe ik buiten mijn wil altijd tegen de stroom inga. Toen ik in 1982 mijn radioprogramma Shangri La op radio centraal in Antwerpen begon, draaide ik zowat elke week een track uit ‘Pet Sounds’, of uit een van de andere hierboven genoemde elpees. Schandaal! Ik was een oude zak (tweeëndertig), met wel zeer commerciële smaak. De hippe deejays spuwden op the Beach Boys. Als je cool was draaide je Kid Creole & the Coconuts, Echo & the Bunnymen, Simple Minds, Frankie Goes To Hollywood en andere onzin. Ik gaf mijn helden echter niet op (er kwamen er gelukkig wel andere bij). Nu zijn we vijfentwintig jaar verder en the Beach Boys zijn nog steeds vaste waarden in mijn radioprogramma.

Ik heb een keer gehuild in de Beursschouwburg, toen ik David Thompson (van Pere Ubu) ‘Surfer Girl’ hoorde zingen.

Als mensen die niet beter weten mij nu naar mijn muzikale voorkeuren vragen vermeld ik nog steeds the Beach Boys, naast the Velvet Underground, Mazzy Star, Wilco, Eels en Townes Van Zandt en zo. “The Beach Boys”, zeggen ze dan, “dat zijn toch die surfers met die gestreepte hemden aan?” Dan draai ik me enigszins gekrenkt om en denk aan wat Jimi Hendrix zong op zijn ‘Third Stone From The Sun’: “You’ll never hear surf music again…” Hoewel hij zich toen vergiste. Hij had the Jesus & Mary Chain nog niet gehoord...

En nu ga ik nog een keer naar Glen Campbells 'Guess I'm Dumb' luisteren. Kom, we zij hier weg.

18-03-08

AAN DE LIEFDE GELEDEN

Je hebt als alle jongens aan de liefde geleden, zelfs tijdens die zomer toen alles gonsde en alles licht was om je heen, zodat het wel leek of je een van de uitverkorenen was. Veel twijfels had je maar je was ook zeker van de richting die je insloeg. Later hoorde je dat dat het kruispunt was geweest. 

Uit het groen vertrok je al wat gebogen, in cirkels van waanzin gevangen, trots op je hart en zijn woorden, je sterke, magere armen uitstrekkend naar wat je niet kende. Spiegels noch lege bladzijden schrikten je af.

Daar liep de massa bekoorlijk onder de torens over de lanen in september. Het was de grote schoonmaak van je zinnen. Veel van wat je geleerd had keerde je binnenstebuiten; je ademde moeilijk maar ging toch tegen de stroom in, met maandenlang een purperen jas aan, de jas van de heilige die je zou worden.


De jaren bevlekten je vel. Je droomde de dagen weg. Je beschreef een ontsnapping uit de grenzeloze psychose van wat de wet heet.

Je ging naar je bron om jezelf te ontginnen, niet voor het goud, want dat was maar een woord, maar voor het erts van een waarheid. Een waarheid die niemand vermoedde. Schuld en boete betekenden niets daarmee vergeleken. Zou men je vermoorden als men het wist wat je bezielde?

17-03-08

BOB DYLAN EN ALLEN GINSBERG BIJ HET GRAF VAN JACK KEROUAC

pop,popcultuur,film,renaldo and clara,allen ginsberg,jack kerouac,bob dylan


Bob Dylan en Allen Ginsberg bezoeken het graf van Jack Kerouac. Dit beeld komt uit 'Renaldo and Clara', een film van Bob Dylan waar ik al jaren naar op zoek ben.

15-03-08

EEN VOGEL VOOR DE KAT


Ik beweer dat het een vogel is die daar zit.
Een veelkleurige vogel op een draad nu nog,
Maar toch al een vogel voor de kat.

Onder een magnolia rust de kat

In een tuin waar Vinkenoog een stickie rookt.

Een tuin aan een droom van Marianne Moore

Ontsproten met een echte schildpad in een hoek.


En de kat die onder de magnolia te spinnen ligt.

Of er dan geen vuiltje aan de lucht is

Terwijl nochtans de rook ten hemel stijgt

En er als van engelen gezang klinkt?


O lieve jongen, zegt zij, kon ik je toch maar

Van je ijdele hoop voor altijd genezen.

En je ogen openen voor het sluipend gevaar.

14-03-08

LUGARES COMMUNES

pop,popcultuur,mozilla firefox,haruki murakami,toeval,kris kristofferson,tweedehandsplatenzaken,tijd,bob lind,jack nitzsche,luk paard,simon vinkenoog,sixties,allen ginsberg,bob dylan,mode,sandy denny,argentinie,lugares communes,ann christy,marie laforet,an salens,jan fabre,daan,veronique branquinho,luc janssen,teheran,heroine,internet explorer,weemoed,melancholie


Hoe breng ik mijn dag door? Het is al moeilijk om me vandaag nog te herinneren wat ik gisteren deed. Ik noem een aantal dingen die me bijgebleven zijn, wellicht omdat ze nogal eens terugkomen. (Maar herhaling of niet, toch is elke daad ook uniek.) Ik luister naar de melancholische stem van Bob Lind en overdenk dat producer Jack Nitzsche echt een genie was. “In the ocean of your arms I won’t be lonely”. Violen, Hal Blaine, de perfecte pop-drummer.

Drie, vier, vijf keer op een dag krijg ik video’s toegestuurd van Luk Paard, die de poëzie heruitvindt. Ik word er niet goed van, hoe goed en echt en onvoorwaardelijk hij met woorden omgaat, hoe heel zijn gezicht poëzie wordt als hij leest. Hij is een echte dichter, hij leeft voor niets anders. Simon Vinkenoog zag ik op televisie, ter gelegenheid van het boekenbal. Wat ziet die man er nog goed uit, op zijn leeftijd, met die lange opstandige lokken en altijd slanke gestalte. Geen grammetje verraad zit in die man. Maar een genie is en was hij niet. Hij was een soort van orakel. Uit mannen als Simon Vinkenoog, Allen Ginsberg en Bob Dylan zijn mijn jaren zestig ontstaan.

Een vriendin vraagt me in een mail naar de geest van de jaren zestig. Wat voelden wij? Wij jongeren ‘voelden’ een echt revolutionaire sfeer overal om ons heen. Het was niet alleen maar pop. Het was een globaal fenomeen dat plaatsgreep, een besef dat wij alles konden veranderen. Een nieuwe, mooie wereld maken, weg van de oude generatie die alles verknoeid had. Muziek speelde daar een belangrijke rol in. De muzikanten waren boodschappers. Maar politiek was eveneens een essentiële factor, bewust of onbewust. En de alternatieve mode die ontstond. Dat antwoord ik haar, terwijl ik besef dat er van die idealen zo weinig is terechtgekomen. Inmiddels is de wereld leeggezogen, de aarde uitgeput. In plaats van mooier en beter is de menselijke werkelijkheid lelijker en slechter geworden. Het platste spektakel vult onze dagen. Maar lang geef ik me niet over dan zulke pessimistische gedachten, anders zou ik mij al lang hebben opgehangen aan de hoogste boom in het Zoniënwoud.

Aan een muziekliefhebber schrijf ik over Sandy Denny’s ‘Who Knows Where the Time Goes’; ja, ik weet het, het is van Fairport Convention, maar in dit geval wàs Sandy Denny Fairport Convention. Ik schrijf hem dat ik dit lied niet melancholisch vind. De zangeres houdt zich sterk, ze is niet bang voor de tijd, wellicht omdat ze in zichzelf een liefde voelt groeien, die wij niet kennen. En de vogels die in het begin van het lied wegvliegen komen op het einde terug.

Ik ga naar de Delhaize en koop brood en eend en Argentijnse wijn en groenten. Daarna rust ik een tweetal uur, even uitgeput als de aarde. Sinds vorige vrijdag heb ik me niet meer geschoren. Ik heb zitten huilen bij een film over een Argentijnse professor die met vervroegd pensioen wordt gestuurd. ‘Lugares Communes’ heet de mooie, gevoelige film. Want er zijn toch ook nog mooie dingen. Maar niet alle kunstenaars zijn zuiver op de graat, niet alle kunstenaars streven naar het goede of hebben edele gevoelens. Ik hoop dat Jan Fabre niet ten valt komt, hoogmoedig als hij is. En hoe kan een muzikant als Daan op zoek gaan naar popmuziek in China? China heeft geen popmuziek nodig. De tijd van de popmuziek, hoeveel ik er ook van houd, is voorbij. De tijd van Daan is voorbij. Ook Veronique Branquinho, ik houd van haar mooie Portugese naam, zag ik terugblikken, naar Ann Christy, Marie Laforêt, de betreurde An Salens. Alsof de toekomst geheel zwart is. Ik houd niet van Luc Janssen, Lux XL, en toch kijk ik er telkens weer naar; het lijkt wel of ik graag zit te walgen. Ja, ik vind die wereld van snelle wagens, champagne en cocaïne walgelijk. In Teheran kost een gram heroïne nu 2 euro, ongeveer even weinig als bij ons een brood, hoorde ik op de radio.  

Ik zou orde moeten aanbrengen in deze chaotische woorden, maar de tekst vindt toch wel zijn eigen orde. Ik zet een clip van Kris Kristofferson op hoochiekoochie. Daar doe ik meer dan een uur over, omdat er zoveel clips zijn om uit te kiezen. Ik gooi Mozilla Firefox opnieuw van mijn computer af, omdat ik de indruk heb dat die browser onafgebroken een strijd op leven en dood levert met Internet Explorer. Zal ik naar cinema gaan, vraag ik mij af. Er zijn zeker vier films die ik wil zien. Nee, ik zal ze niet opsommen. Nu hoor ik Bob Linds ‘Remember the rain’: “remember the rain, when you think of the sunshine”, kan het weemoediger?  

Gisteren schreef ik in verband met een tekst over Kris Kristofferson nog een keer over toeval. Ik schrijf graag over dat thema, maar probeer het toch te vermijden. Maar wat moet je dan denken als je diezelfde avond in bed nog een verhaal leest van Haruki Murakami, dat toevallig ook over toeval gaat, ‘Chance Traveller’ heet het verhaal, dat terug te vinden is in de bundel ‘Blind Willow, Sleeping Woman’. Er staan merkwaardige staaltjes van toeval in. Eén voorbeeld. Murakami woont in Cambridge, nabij Boston. Net als ik gaat hij er graag in de tweedehandsplatenwinkels snuffelen. Zo vindt hij op een keer een nog uitstekend exemplaar van Pepper Adams’ ’10 to 4 at the 5 Spot’. Hij koopt de elpee, stapt de winkel uit, een voorbijganger spreekt hem aan, vraagt hoe laat het is, Murakami kijkt op zijn horloge, tien voor vier, zegt hij. De rest moet u zelf maar lezen. Ik denk dat ik me nu toch maar eens ga scheren. En daarna de stad in, naar de tweedehandsplatenzaken. En dan zien we wel weer.

13-03-08

THE PILGRIM: CHAPTER 33


Vorige maandag zat ik voor de zoveelste keer naar Martin Scorsese's 'Taxi Driver' te kijken. Toen Kris Kristoffersons 'The Pilgrim: Chapter 33' daarin uitgebreid aan bod kwam, dacht ik, ik moet echt wel eens iets schrijven over deze begenadigde singer-songwriter. Een ander element dat mij tot het schrijven van het stuk van vorige dinsdag aanzette, was een mooie brief van Marc V., die zelf een grote fan is van Kristofferson. Het was mij echter helemaal ontgaan dat de zanger diezelfde maandagavond in Antwerpen optrad. Puur toeval dus, nog maar eens. Maar helaas heb ik het concert gemist.

"He's a poet, he's a picker,
He's a prophet, he's a pusher,
He's a pilgrim and a preacher, and a problem when he's stoned.
He's a walkin contradiction, partly truth and partly fiction,
Taking every wrong direction on his lonely way back home.
There's a lotta wrong directions on that lonely way back home."

 

11-03-08

ALLES IS ALTIJD NIEUW ONDER DE ZON


"...alleen een bekrompen geest kan een onderwerp niet van verschillende kanten bezien."

George Eliot, Middlemarch.

KRIS KRISTOFFERSON: EEN WANDELENDE CONTRADICTIE

ned kelly,jamer coburn,country,film,kris kristofferson,rita coolidge,bob dylan,sam peckinpah,mick jagger,martin scorsese,taxi driver,michael cimino,heaven s gate,robert deniro,cybil shepard,bobby charles,rolling stone,shel silverstein,george cukor,janis joplin,pop,william blake,popcultuur

De wandelende contradictie die Kris Kristofferson is, was al een tijdje aan mijn aandacht ontsnapt. Tot een lezer, Marc V. uit Genk, mij opnieuw op zijn spoor zette. Hoe had ik deze grote songschrijver zo kunnen verwaarlozen? Ik moet u het antwoord schuldig blijven, ik weet het gewoonweg niet. Het is mogelijk dat zijn naam er voor iets tussenzit, ik vind het een lelijke naam, met die twee K’s en dat dubbele ‘Kris’. Bovendien heeft hij samen met Barbra Streisand heiligschennis gepleegd door te ‘acteren’ in een stupide remake van ‘A Star Is Born’. De beste versie, die uit 1954 van George Cukor, met Judy Garland en James Mason was ook al een remake, maar een die het origineel overtrof.

Volstaat dat echter om de man te begraven? Een retorische vraag, natuurlijk. Want Kristofferson is de schrijver van ‘Sunday Morning Coming Down’, ongetwijfeld de beste song over een kater ooit geschreven, van ‘Help Me Make It Through the Night’, van ‘To Beat the Devil’, van ‘Why Me’, van ‘The Pilgrim: Chapter 33’, van ‘Me And Bobbie McGee’, en – niet te vergeten – van ‘Blame It On the Stones’.

Mijn kennismaking in 1970 met de naam Kris Kristofferson heb ik aan Mick Jagger te danken. Op het Vossenplein in Brussel had ik de soundtrack van ‘Ned Kelly’ gevonden, een film die ik toen heel goed vond, alleen maar omdat Mick Jagger er in meespeelde. Het komt niet in mijn hoofd op hem ooit nog een keer te bekijken.  De muziek was van Shel Silverstein, bekend van onder meer ‘A Boy Named Sue’ en ‘Sylvia’s Mother’. De meeste songs nam Waylon Jennings voor zijn rekening, maar een drietal, waaronder ‘Stoney Cold Ground’, zong Kristofferson. Wat later ontdekte ik dat hij ‘Me and Bobby McGee’ had geschreven, een grote, postume hit voor Janis Joplin. In dat hippielied horen we Janis op haar mooist. Het debuut van Kris Kristofferson verscheen eveneens in 1970, maar omdat er in België geen interesse bestond voor country kwam de elpee hier toen niet uit.

In het tijdschrift ‘Rolling Stone’ las ik allerlei verhalen over de songschrijver. Onder meer dat hij een master’s degree had in Engelse literatuur en zijn thesis aan William Blake had gewijd, dat hij op een boorplatform had gewerkt en met een helikopter gevlogen. Straffe verhalen over drugs en dronkenschap. Soms hoorde ik een van die gevoelige liederen van hem op AFN, het radiostation van het Amerikaanse leger in Europa. Kristofferson had een stem van soms zacht, soms hard leder, zijn teksten waren even goed als die van Dylan. In 1973 kwam de schitterende film ‘Pat Garrett and Billy the Kid’ van de dronkaard Sam Peckinpah uit. Kristofferson was Billy the Kid, James Coburn Pat Garrett – en Bob Dylan vertolkte het merkwaardige personage genaamd Alias. De in tequila gedrenkte soundtrack was van Bob Dylan. In datzelfde jaar trouwde Kristofferson met Rita Coolidge, die hij op de set van ‘Pat Garrett and Billy the Kid’ had leren kennen. Mijn goede vriend Marc D. leende me zijn exemplaar van ‘Full Moon’ uit, een duet-elpee van Kris Kristofferson en Rita Coolidge. Dat was niet echt een mijlpaal, maar door die plaat ontdekte ik de muziek van Bobby Charles (zijn mooie ‘Tennessee Blues’ was het hoogtepunt op ‘Full Moon’).
ned kelly,jamer coburn,country,film,kris kristofferson,rita coolidge,bob dylan,sam peckinpah,mick jagger,martin scorsese,taxi driver,michael cimino,heaven s gate,robert deniro,cybil shepard,bobby charles,rolling stone,shel silverstein,george cukor,janis joplin,pop,william blake,popcultuur

Het mooiste eerbetoon aan Kris Kristofferson is terug te vinden in Martin Scorsese’s ‘Taxi Driver’ uit 1976. Betsy (Cybil Shepard), het ‘onschuldige’ meisje in het wit op wie de eenzame taxichauffeur Travis Bickle (Robert DeNiro) verliefd wordt, is een fan van Kris Kristofferson. Ze is van mening dat het nummer ‘The Pilgrim: Chapter 33’ op haar vreemde vriend van toepassing is. In een volgende scène zie je Travis Bickle een platenwinkel buitenstappen met de elpee ‘The Silver Tongued Devil And I’ onder zijn arm. Een mijlpaal in de countrymuziek, en wellicht Kristoffersons beste plaat. De rest is, zoals men zegt, geschiedenis. Tot die geschiedenis behoort ook een van de mooiste films aller tijden, ‘Heaven's Gate' van Michael Cimino. Bekijk vooral niet de ingekorte versie!

10-03-08

IS ER LEVEN NA DE WITTE NACHT?

Zwart stapte al wat aangeschoten de Archiduc binnen. Wat hij zag waren mensen die stonden te drinken en praten. Achter de bar jongleerden twee barmannen met drankjes en glazen. Hij hoorde het gerinkel, het gelach, het geroezemoes, zag iemand betalen. 

In een ander café, de Mort Subite, had hij een pakje Amerikaanse sigaretten gevonden; het lag gewoon bovenop zijn jas, die opgevouwen op een stoel lag. Hij had met Venetiaanse studenten en hun leraar zitten praten.

Nu, na zevenentwintig jaar abstinentie, stak hij een Marlboro op. Hoe moest je zo’n sigaret vasthouden om jezelf niet belachelijk te maken? Gemakkelijk was het niet. Het kostte Zwart minder moeite om een stukje blues op zijn gitaar te spelen. Maar die had hij niet bij zich. Eerst was het wat donker geweest in de Archiduc maar nu was het al heel wat lichter. A clear well-lighted place, daar hield hij van. En van bier en rumoerige mensen, en nu ook van die sigaret. Naast hem aan de bar stond een jongeman, een mooi gezicht, lange zwarte lokken, expressieve ogen. Lijkt hij niet wat op Benicio Del Toro? Ik kan me vergissen. Zwart bood de jongen een sigaret aan, een glas bier. Ik ben geen homo, hoor, zei hij, ik ben gewoon goed gezind. Wat later rolde de jongen een joint. Zwart nam voorzichtig een trekje. Hij vreesde voor zijn longen, eerst een sigaret en nu dit. Maar het was goed. Er was geen reden voor angst of paniek. Het ging allemaal goed. De mooie jongen zei niet veel. Hij rolde liever joints. Beiden keken om zich heen naar de andere mensen in de bar. Iedereen zag er tevreden uit. De barmannen lachten, alsof ze een grappige, goed belichte scène speelden.

Een zwaargebouwde man met een groot rond, kaal hoofd kwam op Zwart toegestapt. Zag hij er niet boosaardig uit? Zwart was bang. Hij wilde niet nog een keer bloedend over straat rollen, zijn jas en hemd stukgescheurd. Een gebroken neus of erger. Nu stond de man met het ronde hoofd voor hem en leek hem dreigend aan te kijken. Is dit nu de hel? En ik die zonet nog dacht dat het de hemel was. Toen glimlachte de man met het ronde hoofd. Hij vroeg waarom Zwart zo geschrokken uit zijn ogen keek. Zwart zei dat hij had gedacht dat de man hem zou slaan. De man lachte. Ik zal je nooit slaan, zei hij. De man bestelde Zwart een drankje. Alle spanning viel van hem af. De wereld liet zich opnieuw van de goede kant zien. Goede mensen bestaan. Zwart werd euforisch, maakte plannen. Hij stelde de man met het ronde hoofd voor om samen festivals, feesten, verklede bals, poëzienachten te organiseren. Zwart zou ervoor zorgen dat de goede mensen binnen zouden komen, de man met het ronde hoofd zou de slechte mensen buiten houden. Zo zouden de taken worden verdeeld. Benicio Del Toro liet nog een jointje rondgaan. Elk ogenblik wordt het minder donker om me heen. Sta ik hier dan toch niet te sterven? Het leven en de dood gaan hand in hand. Van heel ver kwam de bebop jazz, blauwe wolken in het heldere licht. Je kunt je leven niet plannen. Je zegt, ik doe dit en je doet het andere. Is het toeval of is het noodlot? Je leeft er maar op los, als een insect, een eendagsvlieg, een vlinder, een mens.


’s Morgens vroeg bij zijn geliefde kroop Zwart op handen en voeten door de kamer en deed een leeuw na. Een leeuw met het begin van een kater. Wat later had hij zijn gitaar vast. Hij wilde een serenade spelen maar vond de snaren niet. En dan werd het weer donker. Het was het begin van een lange, donkere reis naar de volgende dag.

07-03-08

JUNGLELAND

Hoe beschrijf je een leegte, een afwezigheid? Hoe verwoord je datgene waarvoor je geen woorden vindt? Hoe uit je je diepste ‘binnenin’? En ook dit: waarom zeg je ‘stop’ als je nog niet bent begonnen?

Ooit gaf ik een lezing over ‘wat is poëzie’. Ik herinner me dat het vooral gericht was tegen de verheven opvattingen over poëzie van Jacques Hamelink. Ik was net aan mijn tweede jeugd begonnen, had me een frisse, onverschrokken punk attitude aangemeten. Geen zwart leder weliswaar maar een wit linnen pak uit Firenze. Mijn lange haren afgeknipt, niet echt kort en zeker geen hanenkam. Maar veel korter dan voorheen, al die jaren in de wildernis. Terzake. Aan de luisteraars in het zaaltje in de Ommeganckstraat in Antwerpen gaf ik een banaan, een baksteen. Doorgeven alstublieft! Dat is poëzie, verkondigde ik. Ook een kroontjespen liet ik door de luisterende handen gaan. Dit was niets nieuws, natuurlijk. In Cabaret Voltaire hadden zich nog wel straffere zaken afgespeeld. Maar waarom het nieuwe van dada niet nog eens herhalen, zal ik gedacht hebben. Het nieuwe opnieuw. Ik praatte nog wat, meanderde, omcirkelde, zweeg tenslotte. Drukte op de knop van de cassettespeler en zei, dit is poëzie. Wat weerklonk was Bruce Springsteens ‘Jungleland’.

DADA

Nu besef ik dat ik toen al, op die mooie zaterdagmiddag in 1978, geen woorden vond. De leegte van vandaag kondigde zich reeds aan in een baksteen, in de wall of sound van ‘Jungleland’, waarin ik zo graag verdwaalde.

05-03-08

COOL LOVE - WANDA JACKSON


Ladies and gentlemen, the one and only queen of rockabilly, Wanda Jackson. Met Joe Maphis op gitaar.

04-03-08

TRIOMF VAN HET LEVEN II

Een tweede fragment uit ‘Triomf van het leven’ (1975).


Opnieuw moet, zoveel jaar na Rainer Maria Rilke, de vraag worden gesteld of er nog echt aandacht wordt geschonken aan het sterven. Wie opent zijn zintuigen voor de belevenis van het sterven? Is dat wel mogelijk in een tijdperk waarin alles massaal gebeurt en waar alles naar een massale vernietiging lijkt te streven?

En wie is werkelijk bezorgd? Wie gaat gebukt onder het moeten, bijvoorbeeld het moeten overleven? Wie ligt ’s nachts wakker, het gehoor uiterst scherp, onrustig en ongerust, nieuwsgierig, vol verwachting, en luistert? Luistert naar wat? Naar een signaal, iets wat erop zou kunnen wijzen dat de dood een spraak bezit, een stem. Heeft iemand hem ooit horen fluisteren of zingen tijdens een donkere, windstille nacht?

Het sterven kunnen beleven als een zeer lange reis door licht en duisternis. Deze draad vatten, hem volgen, een uitweg vinden uit de doolhof ‘leven’: ben je daartoe in staat dan ben je wellicht niet bevreesd voor de uitgang die de dood toch is.

Daartoe moet je over de grens durven gaan, moet je je grens verleggen. Een grens die niet de jouwe is, maar die je je hebt laten opleggen. Dit verleggen is geen werk dat je zonder veel inspanning kan verrichten. Er is tijd voor nodig, waakzaamheid, moed en ware liefde.

Je grens – van conventies, regels en menselijke ‘wetten’ - verleggen, uittreden uit de vertrouwde omgeving, uit de sfeer van de gewoonte.

Met Alfred Kubin naar de andere zijde gaan en daar, in het vreemde, vertrouwd raken met de eigen chaos en met de kille vruchtbaarheid van de dood. Daar wacht de wederopstanding, het nieuwe leven. Dit is een wijze van spreken.